﻿<?xml version="1.0"?>
<!--built with the new TrueSharpSwordAPI 2-->
<!--http://www.code-off.de/TrueSharpSwordAPI2/-->
<XMLBIBLE xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="zef2005.xsd" version="2.0.0.0" status="v">
  <INFORMATION>
    <subject>Nieuwe Bijbel Vertaling</subject>
    <publisher>PGZ</publisher>
    <format>Zefania XML Bible Markup Language</format>
    <date>2007-09-18</date>
  </INFORMATION>
  <BIBLEBOOK bnumber="1" bname="Genesis" bsname="Gen">
    <CHAPTER cnumber="1">
      <VERS vnumber="1">In het begin schiep God de hemel en de aarde. </VERS>
      <VERS vnumber="2">De aarde was nog woest en doods, en duisternis lag over de oervloed, maar Gods geest zweefde over het water. </VERS>
      <VERS vnumber="3">God zei: ‘Er moet licht komen, ‘en er was licht. </VERS>
      <VERS vnumber="4">God zag dat het licht goed was, en hij scheidde het licht van de duisternis; </VERS>
      <VERS vnumber="5">het licht noemde hij dag, de duisternis noemde hij nacht. Het werd avond en het werd morgen. De eerste dag. </VERS>
      <VERS vnumber="6">God zei: ‘Er moet midden in het water een gewelf komen dat de watermassa’s van elkaar scheidt.’ </VERS>
      <VERS vnumber="7">En zo gebeurde het. God maakte het gewelf en scheidde het water onder het gewelf van het water erboven. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Hij noemde het gewelf hemel. Het werd avond en het werd morgen. De tweede dag. </VERS>
      <VERS vnumber="9">God zei: ‘Het water onder de hemel moet naar één plaats stromen, zodat er droog land verschijnt.’ En zo gebeurde het. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Het droge noemde hij aarde, het samengestroomde water noemde hij zee. En God zag dat het goed was. </VERS>
      <VERS vnumber="11">God zei: ‘Overal op aarde moet jong groen ontkiemen: zaadvormende planten en allerlei bomen die vruchten dragen met zaad erin.’ En zo gebeurde het. </VERS>
      <VERS vnumber="12">De aarde bracht jong groen voort: allerlei zaadvormende planten en allerlei bomen die vruchten droegen met zaad erin. En God zag dat het goed was. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Het werd avond en het werd morgen. De derde dag. </VERS>
      <VERS vnumber="14">God zei: ‘Er moeten lichten aan het hemelgewelf komen om de dag te scheiden van de nacht. Ze moeten de seizoenen aangeven en de dagen en de jaren, </VERS>
      <VERS vnumber="15">en ze moeten dienen als lampen aan het hemelgewelf, om licht te geven op de aarde.’ En zo gebeurde het. </VERS>
      <VERS vnumber="16">God maakte de twee grote lichten, het grootste om over de dag te heersen, het kleinere om over de nacht te heersen, en ook de sterren. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Hij plaatste ze aan het hemelgewelf om licht te geven op de aarde, </VERS>
      <VERS vnumber="18">om te heersen over de dag en de nacht en om het licht te scheiden van de duisternis. En God zag dat het goed was. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Het werd avond en het werd morgen. De vierde dag. </VERS>
      <VERS vnumber="20">God zei: ‘Het water moet wemelen van levende wezens, en boven de aarde, langs het hemelgewelf, moeten vogels vliegen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="21">En hij schiep de grote zeemonsters en alle soorten levende wezens waarvan het water wemelt en krioelt, en ook alles wat vleugels heeft. En God zag dat het goed was. </VERS>
      <VERS vnumber="22">God zegende ze met de woorden: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk en vul het water van de zee. En ook de vogels moeten talrijk worden, overal op aarde.’ </VERS>
      <VERS vnumber="23">Het werd avond en het werd morgen. De vijfde dag. </VERS>
      <VERS vnumber="24">God zei: ‘De aarde moet allerlei levende wezens voortbrengen: vee, kruipende dieren en wilde dieren.’ En zo gebeurde het. </VERS>
      <VERS vnumber="25">God maakte alle soorten in het wild levende dieren, al het vee en alles wat op de aardbodem rondkruipt. En God zag dat het goed was. </VERS>
      <VERS vnumber="26">God zei: ‘Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken; zij moeten heerschappij voeren over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt.’ </VERS>
      <VERS vnumber="27">God schiep de mens als zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Hij zegende hen en zei tegen hen: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag: heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="29">Ook zei God: ‘Hierbij geef ik jullie alle zaaddragende planten en alle vruchtbomen op de aarde; dat zal jullie voedsel zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Aan de dieren die in het wild leven, aan de vogels van de hemel en aan de levende wezens die op de aarde rondkruipen, geef ik de groene planten tot voedsel.’ En zo gebeurde het. </VERS>
      <VERS vnumber="31">God keek naar alles wat hij had gemaakt en zag dat het zeer goed was. Het werd avond en het werd morgen. De zesde dag. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="2">
      <VERS vnumber="1">Zo werden de hemel en de aarde in al hun rijkdom voltooid. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Op de zevende dag had God zijn werk voltooid, op die dag rustte hij van het werk dat hij gedaan had. </VERS>
      <VERS vnumber="3">God zegende de zevende dag en verklaarde die heilig, want op die dag rustte hij van heel zijn scheppingswerk. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde. Zo ontstonden ze, zo werden ze geschapen. In de tijd dat God, de HEER, aarde en hemel maakte, </VERS>
      <VERS vnumber="5">groeide er op de aarde nog geen enkele struik en was er geen enkele plant opgeschoten, want God, de HEER, had het nog niet laten regenen op de aarde, en er waren geen mensen om het land te bewerken; </VERS>
      <VERS vnumber="6">wel was er water dat uit de aarde opwelde en de aardbodem overal bevloeide. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Toen maakte God, de HEER, de mens. Hij vormde hem uit stof, uit aarde, en blies hem levensadem in de neus. Zo werd de mens een levend wezen. </VERS>
      <VERS vnumber="8">God, de HEER, legde in het oosten, in Eden, een tuin aan en daarin plaatste hij de mens die hij had gemaakt. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Hij liet uit de aarde allerlei bomen opschieten die er aanlokkelijk uitzagen, met heerlijke vruchten. In het midden van de tuin stonden de levensboom en de boom van de kennis van goed en kwaad. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Er ontspringt in Eden een rivier die de tuin bevloeit. Verderop vertakt ze zich in vier grote stromen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Een daarvan is de Pison; die stroomt om heel Chawila heen, het land waar goud gevonden wordt. </VERS>
      <VERS vnumber="12">(Het goud van dat land is uitstekend, en er is daar ook balsemhars en onyx.) </VERS>
      <VERS vnumber="13">De tweede rivier heet Gichon; die stroomt om heel Nubië heen. </VERS>
      <VERS vnumber="14">De derde rivier heet Tigris; die loopt ten oosten van Assyrië. De vierde ten slotte is de Eufraat. </VERS>
      <VERS vnumber="15">God, de HEER, bracht de mens dus in de tuin van Eden, om die te bewerken en erover te waken. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Hij hield hem het volgende voor: ‘Van alle bomen in de tuin mag je eten, </VERS>
      <VERS vnumber="17">maar niet van de boom van de kennis van goed en kwaad; wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk sterven.’ </VERS>
      <VERS vnumber="18">God, de HEER, dacht: Het is niet goed dat de mens alleen is, ik zal een helper voor hem maken die bij hem past. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Toen vormde hij uit aarde alle in het wild levende dieren en alle vogels, en hij bracht die bij de mens om te zien welke namen de mens ze zou geven: zoals hij elk levend wezen zou noemen, zo zou het heten. </VERS>
      <VERS vnumber="20">De mens gaf namen aan al het vee, aan alle vogels en alle wilde dieren, maar hij vond geen helper die bij hem paste. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Toen liet God, de HEER, de mens in een diepe slaap vallen, en terwijl de mens sliep nam hij een van zijn ribben weg; hij vulde die plaats weer met vlees. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Uit de rib die hij bij de mens had weggenomen, bouwde God, de HEER, een vrouw en hij bracht haar bij de mens. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Toen riep de mens uit: ‘Eindelijk een gelijk aan mij, mijn eigen gebeente, mijn eigen vlees, een die zal heten: vrouw, een uit een man gebouwd.’ </VERS>
      <VERS vnumber="24">Zo komt het dat een man zich losmaakt van zijn vader en moeder en zich hecht aan zijn vrouw, met wie hij één van lichaam wordt. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Beiden waren ze naakt, de mens en zijn vrouw, maar ze schaamden zich niet voor elkaar. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="3">
      <VERS vnumber="1">Van alle in het wild levende dieren die God, de HEER, gemaakt had, was de slang het sluwst. Dit dier vroeg aan de vrouw: ‘Is het waar dat God gezegd heeft dat jullie van geen enkele boom in de tuin mogen eten?’ </VERS>
      <VERS vnumber="2">‘We mogen de vruchten van alle bomen eten, ‘antwoordde de vrouw, </VERS>
      <VERS vnumber="3">‘behalve die van de boom in het midden van de tuin. God heeft ons verboden van de vruchten van die boom te eten of ze zelfs maar aan te raken; doen we dat toch, dan zullen we sterven.’ </VERS>
      <VERS vnumber="4">‘Jullie zullen helemaal niet sterven, ‘zei de slang. </VERS>
      <VERS vnumber="5">‘Integendeel, God weet dat jullie de ogen zullen opengaan zodra je daarvan eet, dat jullie dan als goden zullen zijn en kennis zullen hebben van goed en kwaad.’ </VERS>
      <VERS vnumber="6">De vrouw keek naar de boom. Zijn vruchten zagen er heerlijk uit, ze waren een lust voor het oog, en ze vond het aanlokkelijk dat de boom haar wijsheid zou schenken. Ze plukte een paar vruchten en at ervan. Ze gaf ook wat aan haar man, die bij haar was, en ook hij at ervan. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Toen gingen hun beiden de ogen open en merkten ze dat ze naakt waren. Daarom regen ze vijgenbladeren aan elkaar en maakten er lendenschorten van. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Toen de mens en zijn vrouw God, de HEER, in de koelte van de avondwind door de tuin hoorden wandelen, verborgen zij zich voor hem tussen de bomen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Maar God, de HEER, riep de mens: ‘Waar ben je?’ </VERS>
      <VERS vnumber="10">Hij antwoordde: ‘Ik hoorde u in de tuin en werd bang omdat ik naakt ben; daarom verborg ik me.’ </VERS>
      <VERS vnumber="11">‘Wie heeft je verteld dat je naakt bent? Heb je soms gegeten van de boom waarvan ik je verboden had te eten?’ </VERS>
      <VERS vnumber="12">De mens antwoordde: ‘De vrouw die u hebt gemaakt om mij ter zijde te staan, heeft mij vruchten van de boom gegeven en toen heb ik ervan gegeten.’ </VERS>
      <VERS vnumber="13">‘Waarom heb je dat gedaan?’ vroeg God, de HEER, aan de vrouw. En zij antwoordde: ‘De slang heeft me misleid en toen heb ik ervan gegeten.’ </VERS>
      <VERS vnumber="14">God, de HEER, zei tegen de slang: ‘Vervloekt ben jij dat je dit hebt gedaan, het vee zal je voortaan mijden, wilde dieren wenden zich af; op je buik zul je kruipen en stof zul je eten, je hele leven lang. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Vijandschap sticht ik tussen jou en de vrouw, tussen jouw nageslacht en het hare, zij verbrijzelen je kop, jij bijt hen in de hiel.’ </VERS>
      <VERS vnumber="16">Tegen de vrouw zei hij: ‘Je zwangerschap maak ik tot een zware last, zwoegen zul je als je baart. Je zult je man begeren, en hij zal over je heersen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="17">Tegen de mens zei hij: ‘Je hebt geluisterd naar je vrouw, gegeten van de boom die ik je had verboden. Vervloekt is de akker om wat jij hebt gedaan, zwoegen zul je om ervan te eten, je hele leven lang. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Dorens en distels zullen er groeien, toch moet je van zijn gewassen leven. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Zweten zul je voor je brood, totdat je terugkeert tot de aarde, waaruit je bent genomen: stof ben je, tot stof keer je terug.’ </VERS>
      <VERS vnumber="20">De mens noemde zijn vrouw Eva; zij is de moeder van alle levenden geworden. </VERS>
      <VERS vnumber="21">God, de HEER, maakte voor de mens en zijn vrouw kleren van dierenvellen en trok hun die aan. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Toen dacht God, de HEER: Nu is de mens aan ons gelijk geworden, nu heeft hij kennis van goed en kwaad. Nu wil ik voorkomen dat hij ook vruchten van de levensboom plukt, want als hij die zou eten, zou hij eeuwig leven. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Daarom stuurde hij de mens weg uit de tuin van Eden om de aarde te gaan bewerken, waaruit hij was genomen. </VERS>
      <VERS vnumber="24">En nadat hij hem had weggejaagd, plaatste hij ten oosten van de tuin van Eden de cherubs en het heen en weer flitsende, vlammende zwaard. Zij moesten de weg naar de levensboom bewaken. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="4">
      <VERS vnumber="1">De mens, Adam, had gemeenschap met Eva, zijn vrouw, en zij werd zwanger en bracht Kaïn ter wereld. ‘Met de hulp van de HEER, ‘zei ze, ‘heb ik het leven geschonken aan een man!’ </VERS>
      <VERS vnumber="2">Later bracht ze zijn broer ter wereld, Abel. Abel werd herder, Kaïn werd landbouwer. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Op een keer bracht Kaïn de HEER een offer van wat hij had geoogst. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Ook Abel bracht een offer; van de eerstgeboren dieren van zijn kudde koos hij de mooiste uit. De HEER merkte Abel en zijn offer op, </VERS>
      <VERS vnumber="5">maar voor Kaïn en zijn offer had hij geen oog. Dat maakte Kaïn woedend, zijn blik werd donker. </VERS>
      <VERS vnumber="6">De HEER vroeg hem: ‘Waarom ben je zo kwaad, waarom kijk je zo donker? </VERS>
      <VERS vnumber="7">Handel je goed, dan kun je toch iedereen recht in de ogen kijken? Handel je slecht, dan ligt de zonde op de loer, begerig om jou in haar greep te krijgen; maar jij moet sterker zijn dan zij.’ </VERS>
      <VERS vnumber="8">Kaïn zei tegen zijn broer Abel: ‘Laten we het veld in gaan.’ Toen ze daar waren, viel hij zijn broer aan en sloeg hem dood. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Toen vroeg de HEER: ‘Waar is Abel, je broer?’ ‘Dat weet ik niet, ‘antwoordde Kaïn. ‘Moet ik soms waken over mijn broer?’ </VERS>
      <VERS vnumber="10">‘Wat heb je gedaan?’ zei de HEER. ‘Hoor toch hoe het bloed van je broer uit de aarde naar mij schreeuwt. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Daarom: vervloekt ben jij! Ga weg van deze plek, waar de aarde haar mond heeft opengesperd om het bloed van je broer te ontvangen, het bloed dat jij vergoten hebt. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Ook al bewerk je het land, het zal je niets meer opbrengen. Dolend en dwalend zul je over de aarde gaan.’ </VERS>
      <VERS vnumber="13">Kaïn zei tegen de HEER: ‘Die straf is te zwaar. </VERS>
      <VERS vnumber="14">U verjaagt mij nu van deze plek en ik mag u niet meer onder ogen komen, en als ik dan dolend en dwalend over de aarde moet gaan, kan iedereen die mij tegenkomt mij doden.’ </VERS>
      <VERS vnumber="15">Maar de HEER beloofde hem: ‘Als iemand jou doodt, zal dat zevenmaal aan hem worden gewroken.’ En hij merkte Kaïn met een teken, opdat niemand die hem tegenkwam hem zou doodslaan. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Toen ging Kaïn bij de HEER vandaan en hij vestigde zich in Nod, een land ten oosten van Eden. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Kaïn had gemeenschap met zijn vrouw, en zij werd zwanger en bracht Henoch ter wereld. Kaïn was toen een stad aan het bouwen en hij noemde die Henoch, naar zijn zoon. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Henoch kreeg een zoon, Irad. Irad was de vader van Mechujaël, Mechujaël was de vader van Metusaël en Metusaël was de vader van Lamech. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Lamech nam twee vrouwen; de ene heette Ada, de andere Silla. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Ada bracht Jabal ter wereld; hij werd de stamvader van hen die in tenten leven en vee houden. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Zijn broer heette Jubal; hij werd de stamvader van allen die op de lier of de fluit spelen. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Ook Silla bracht een zoon ter wereld, Tubal-Kaïn; hij was smid en werd de stamvader van allen die brons en ijzer bewerken. De zuster van Tubal-Kaïn heette Naäma. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Lamech zei tegen zijn vrouwen: ‘Ada en Silla, hoor wat ik zeg! Vrouwen van Lamech, luister naar mij! Wie mij verwondt, die sla ik dood, zelfs wie mij maar een striem toebrengt. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Kaïn wordt zevenmaal gewroken, Lamech zevenenzeventigmaal.’ </VERS>
      <VERS vnumber="25">Opnieuw had Adam gemeenschap met zijn vrouw, en zij bracht een zoon ter wereld. Ze noemde hem Set, ‘want, ‘zei ze, ‘God heeft mij in de plaats van Abel, die door Kaïn is gedood, een ander kind gegeven.’ </VERS>
      <VERS vnumber="26">Ook Set kreeg een zoon, die hij Enos noemde. In die tijd begon men de naam van de HEER aan te roepen. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="5">
      <VERS vnumber="1">Dit is de lijst van Adams nakomelingen. Toen God Adam schiep, de mens, maakte hij hem zo dat hij leek op God. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen. Hij zegende hen en noemde hen mens toen zij werden geschapen. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Toen Adam 130 jaar was, verwekte hij een zoon die op hem leek, die zijn evenbeeld was. Hij noemde hem Set. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Na de geboorte van Set duurde Adams leven nog 800 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. </VERS>
      <VERS vnumber="5">In totaal leefde hij 930 jaar. Daarna stierf hij. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Toen Set 105 jaar was, verwekte hij Enos. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Na de geboorte van Enos leefde Set nog 807 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. </VERS>
      <VERS vnumber="8">In totaal leefde hij 912 jaar. Daarna stierf hij. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Toen Enos 90 jaar was, verwekte hij Kenan. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Na de geboorte van Kenan leefde Enos nog 815 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. </VERS>
      <VERS vnumber="11">In totaal leefde hij 905 jaar. Daarna stierf hij. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Toen Kenan 70 jaar was, verwekte hij Mahalalel. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Na de geboorte van Mahalalel leefde Kenan nog 840 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. </VERS>
      <VERS vnumber="14">In totaal leefde hij 910 jaar. Daarna stierf hij. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Toen Mahalalel 65 jaar was, verwekte hij Jered. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Na de geboorte van Jered leefde Mahalalel nog 830 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. </VERS>
      <VERS vnumber="17">In totaal leefde hij 895 jaar. Daarna stierf hij. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Toen Jered 162 jaar was, verwekte hij Henoch. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Na de geboorte van Henoch leefde Jered nog 800 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. </VERS>
      <VERS vnumber="20">In totaal leefde hij 962 jaar. Daarna stierf hij. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Toen Henoch 65 jaar was, verwekte hij Metuselach. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Na de geboorte van Metuselach leefde Henoch nog 300 jaar, in nauwe verbondenheid met God. Hij verwekte zonen en dochters. </VERS>
      <VERS vnumber="23">In totaal leefde hij 365 jaar. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Henoch leefde in nauwe verbondenheid met God; aan zijn leven kwam een einde doordat God hem wegnam. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Toen Metuselach 187 jaar was, verwekte hij Lamech. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Na de geboorte van Lamech leefde Metuselach nog 782 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. </VERS>
      <VERS vnumber="27">In totaal leefde hij 969 jaar. Daarna stierf hij. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Toen Lamech 182 jaar was, verwekte hij een zoon </VERS>
      <VERS vnumber="29">die hij Noach noemde. ‘Deze zoon, ‘zei hij, ‘zal ons troost geven voor het werken en zwoegen dat ons deel is omdat de HEER het akkerland heeft vervloekt.’ </VERS>
      <VERS vnumber="30">Na de geboorte van Noach leefde Lamech nog 595 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. </VERS>
      <VERS vnumber="31">In totaal leefde hij 777 jaar. Daarna stierf hij. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Toen Noach 500 jaar oud was, verwekte hij Sem, Cham en Jafet. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="6">
      <VERS vnumber="1">Zo kwamen er steeds meer mensen op aarde, en zij kregen dochters. </VERS>
      <VERS vnumber="2">De zonen van de goden zagen hoe mooi de dochters van de mensen waren, en ze kozen uit hen de vrouwen die ze maar wilden. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Toen dacht de HEER: Mijn levensgeest mag niet voor altijd in de mens blijven, hij is immers niets dan vlees; hij mag niet langer dan honderdtwintig jaar leven. </VERS>
      <VERS vnumber="4">In die tijd en ook daarna nog, zolang de zonen van de goden gemeenschap hadden met de dochters van de mensen en kinderen bij hen kregen, leefden de giganten op aarde. Dat zijn de befaamde helden uit het verre verleden. </VERS>
      <VERS vnumber="5">De HEER zag dat alle mensen op aarde slecht waren: alles wat ze uitdachten was steeds even slecht. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Hij kreeg er spijt van dat hij mensen had gemaakt en voelde zich diep gekwetst. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Ik zal de mensen die ik geschapen heb van de aarde wegvagen, dacht hij, en met de mensen ook het vee, de kruipende dieren en de vogels, want ik heb er spijt van dat ik ze heb gemaakt. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Alleen Noach vond bij de HEER genade. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Dit is de geschiedenis van Noach en zijn nakomelingen. Noach was een rechtschapen man; hij was in zijn tijd de enige die een voorbeeldig leven leidde, in nauwe verbondenheid met God. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Hij had drie zonen: Sem, Cham en Jafet. </VERS>
      <VERS vnumber="11">In Noachs tijd was de aarde in Gods ogen verdorven en vol onrecht. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Toen God zag dat de aarde door en door slecht was, dat iedereen een verderfelijk leven leidde, </VERS>
      <VERS vnumber="13">zei hij tegen Noach: ‘Ik heb besloten een einde te maken aan het leven van alle mensen, want door hen is de aarde vol onrecht. Ik ga hen vernietigen, en de aarde erbij. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Maak jij nu een ark van pijnboomhout. Maak daar verschillende ruimten in, en bestrijk hem vanbinnen en vanbuiten met pek. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Maak hem driehonderd el lang, vijftig el breed en dertig el hoog. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Je moet er een lichtopening in aanbrengen en aan de bovenkant één el openlaten; de ingang moet je in de zijkant maken. De ark moet een benedenverdieping krijgen en daarboven nog twee verdiepingen. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Ik laat een grote vloed over de aarde komen, een watermassa die haar zal overspoelen, om alles onder de hemel waarin levensadem is te vernietigen; alles op aarde zal omkomen. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Maar met jou zal ik een verbond sluiten. Jij moet de ark in gaan, samen met je zonen, je vrouw en de vrouwen van je zonen. </VERS>
      <VERS vnumber="19">En van alle dieren moet je er twee in de ark brengen, om ervoor te zorgen dat die met jou in leven blijven. Een mannetje en een wijfje moeten het zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Van alle soorten vogels, van alle soorten vee en van alles wat op de aardbodem rondkruipt, zullen er twee naar je toe komen; die zullen in leven blijven. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Leg ook een voorraad aan van alles wat eetbaar is, zodat jullie allemaal te eten hebben.’ </VERS>
      <VERS vnumber="22">Noach deed dit; hij deed alles zoals God het hem had opgedragen. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="7">
      <VERS vnumber="1">Toen zei de HEER tegen Noach: ‘Ga de ark in, samen met je hele gezin, want ik heb gezien dat jij als enige van deze generatie rechtschapen bent. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Van alle reine dieren moet je zeven mannetjes en hun wijfjes meenemen, van de onreine dieren moet je er twee meenemen, een mannetje en zijn wijfje, </VERS>
      <VERS vnumber="3">en van de vogels weer zeven mannetjes en wijfjes, om hun voortbestaan op aarde veilig te stellen. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Want over zeven dagen zal ik het veertig dagen en veertig nachten op de aarde laten regenen; dan zal ik alles wat er bestaat van de aardbodem wegvagen, alles wat ik heb gemaakt.’ </VERS>
      <VERS vnumber="5">Noach deed alles zoals de HEER het hem had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Noach was zeshonderd jaar toen de zondvloed kwam, een watermassa die de aarde overspoelde. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Om aan het water te ontkomen ging Noach de ark in, samen met zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Van de reine en de onreine dieren, van de vogels en van alles wat op de aardbodem rondkruipt, </VERS>
      <VERS vnumber="9">kwamen er telkens twee bij Noach in de ark, een mannetje en een wijfje, in overeenstemming met wat God hem had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Toen de zeven dagen voorbij waren, kwam het water van de vloed over de aarde. </VERS>
      <VERS vnumber="11">In het zeshonderdste jaar van Noachs leven, op de zeventiende dag van de tweede maand, braken alle bronnen van de machtige oervloed open en werden de sluizen van de hemel opengezet. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Veertig dagen en veertig nachten lang zou het op de aarde stortregenen. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Diezelfde dag gingen Noach, zijn zonen Sem, Cham en Jafet, zijn vrouw en de drie vrouwen van zijn zonen de ark in, </VERS>
      <VERS vnumber="14">samen met alle soorten wilde dieren, vee en kruipende dieren, en ook met alle soorten vogels en wat er verder maar vleugels heeft. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Van alle wezens waarin levensadem was, kwamen er telkens twee bij Noach in de ark: </VERS>
      <VERS vnumber="16">er kwamen van alle dieren een mannetje en een wijfje, in overeenstemming met wat God hem had opgedragen. Toen sloot de HEER de deur achter hem. </VERS>
      <VERS vnumber="17">De vloed overstroomde de aarde veertig dagen lang. Het water steeg en de ark werd opgetild, zodat hij van de aarde loskwam. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Het water op aarde nam steeds maar toe, hoger en hoger steeg het, en de ark dreef op het water. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Het water bleef voortdurend toenemen, zelfs de hoogste bergen kwamen onder te staan. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Tot vijftien el daarboven reikte het water, de bergen stonden helemaal onder. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Alles wat op aarde leefde kwam om, alles wat er rondwemelde: vogels, vee, wilde dieren, en ook alle mensen. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Alles wat op het land leefde en ademde vond de dood. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Alles wat op aarde bestond werd weggevaagd: de mensen, het vee, de kruipende dieren en de vogels, ze werden van de aarde weggevaagd. Alleen Noach bleef over, met alles wat bij hem in de ark was. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Honderdvijftig dagen lang was de aarde helemaal met water bedekt. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="8">
      <VERS vnumber="1">Toen dacht God weer aan Noach en aan alle wilde dieren en het vee bij hem in de ark. Op zijn bevel begon er een wind over de aarde te waaien, waardoor het water afnam. </VERS>
      <VERS vnumber="2">De bronnen van de oervloed en de sluizen van de hemel werden gesloten, zodat het ophield met regenen. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Geleidelijk vloeide het water weg van de aarde; na honderdvijftig dagen begon het te zakken. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Op de zeventiende dag van de zevende maand liep de ark vast op het Araratgebergte. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Het water zakte voortdurend verder, en op de eerste dag van de tiende maand werden de toppen van de bergen zichtbaar. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Na verloop van veertig dagen deed Noach het venster dat hij in de ark had aangebracht open </VERS>
      <VERS vnumber="7">en liet een raaf los. Deze bleef heen en weer vliegen totdat de aarde droog was. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Vervolgens liet hij een duif los om te zien of het water verder gedaald was. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Maar de duif kon nergens een plekje vinden waar ze kon neerstrijken om te rusten en kwam bij hem terug in de ark, want overal op de aarde was nog water. Hij stak zijn hand uit, pakte haar en nam haar weer bij zich in de ark. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Hij wachtte nog zeven dagen en liet de duif toen opnieuw los. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Tegen de avond kwam ze bij hem terug-met een jong olijfblad in haar snavel. Toen wist Noach dat het water op de aarde verder gedaald was. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Weer wachtte hij zeven dagen en daarna liet hij de duif nogmaals los. Ze kwam niet meer bij hem terug. </VERS>
      <VERS vnumber="13">In het zeshonderdeerste jaar van Noachs leven, op de eerste dag van de eerste maand, was het water van de aarde verdwenen. Noach maakte het dak van de ark open en keek rond-de aarde was drooggevallen. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Op de zevenentwintigste dag van de tweede maand was de aarde droog. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Toen zei God tegen Noach: </VERS>
      <VERS vnumber="16">‘Ga de ark uit, samen met je vrouw, je zonen en de vrouwen van je zonen. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Laat ook alle dieren die bij je zijn naar buiten gaan: vogels, vee en alles wat op de aarde rondkruipt. Ze moeten weer vruchtbaar zijn en talrijk worden en de aarde bevolken.’ </VERS>
      <VERS vnumber="18">Hierop ging Noach naar buiten, samen met zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Ook alle dieren gingen de ark uit, soort bij soort, alle vogels, en alles wat op de aarde rondkruipt. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Noach bouwde een altaar voor de HEER; daarop bracht hij brandoffers van al het reine vee en alle reine vogels. </VERS>
      <VERS vnumber="21">De geur van de offers behaagde de HEER, en hij zei bij zichzelf: Nooit weer zal ik de aarde vervloeken vanwege de mens, want alles wat de mens uitdenkt, van zijn jeugd af aan, is nu eenmaal slecht. Nooit weer zal ik alles wat leeft doden, zoals ik nu heb gedaan. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Zolang de aarde bestaat, zal er een tijd zijn om te zaaien en een tijd om te oogsten, zal er koude zijn en hitte, zomer en winter, dag en nacht-nooit komt daar een einde aan. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="9">
      <VERS vnumber="1">Toen zegende God Noach en zijn zonen, hij zei tegen hen: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk en bevolk de aarde. </VERS>
      <VERS vnumber="2">De dieren die in het wild leven, de vogels van de hemel, de dieren die op de aardbodem rondkruipen en de vissen van de zee zullen ontzag en angst voor jullie voelen-ze zijn in jullie macht. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Alles wat leeft en beweegt zal jullie tot voedsel dienen; dit alles geef ik je, zoals ik je ook de planten heb gegeven. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Maar vlees waarin nog leven is, waar nog bloed in zit, mag je niet eten. </VERS>
      <VERS vnumber="5">En ik zal genoegdoening eisen wanneer jullie eigen bloed, waarin je levenskracht schuilt, wordt vergoten; ik eis daarvoor genoegdoening van mens en dier. Van iedereen die zijn medemens doodt, eis ik genoegdoening. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Wie bloed van mensen vergiet, diens bloed wordt door mensen vergoten, want God heeft de mens als zijn evenbeeld gemaakt. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de hele aarde.’ </VERS>
      <VERS vnumber="8">Ook zei God tegen Noach en zijn zonen: </VERS>
      <VERS vnumber="9">‘Hierbij sluit ik een verbond met jullie en met je nakomelingen, </VERS>
      <VERS vnumber="10">en met alle levende wezens die bij jullie zijn: vogels, vee en wilde dieren, met alles wat uit de ark is gekomen, alle dieren op aarde. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Deze belofte doe ik jullie: nooit weer zal alles wat leeft door het water van een vloed worden uitgeroeid, nooit weer zal er een zondvloed komen om de aarde te vernietigen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">En dit, ‘zei God, ‘zal voor alle komende generaties het teken zijn van het verbond tussen mij en jullie en alle levende wezens bij jullie: </VERS>
      <VERS vnumber="13">ik plaats mijn boog in de wolken; die zal het teken zijn van het verbond tussen mij en de aarde. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Wanneer ik wolken samendrijf boven de aarde en in die wolken de boog zichtbaar wordt, </VERS>
      <VERS vnumber="15">zal ik denken aan mijn verbond met jullie en met al wat leeft, en nooit weer zal het water aanzwellen tot een vloed die alles en iedereen vernietigt. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Als ik de boog in de wolken zie verschijnen, zal ik denken aan het eeuwigdurende verbond tussen God en al wat op aarde leeft. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Dit, ‘zei God tegen Noach, ‘is het teken van het verbond dat ik met alle levende wezens op aarde gesloten heb.’ </VERS>
      <VERS vnumber="18">De zonen van Noach, die samen met hem uit de ark waren gekomen, heetten Sem, Cham en Jafet; Cham was de vader van Kanaän. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Met de drie zonen van Noach begon de verspreiding van de mensheid over de hele aarde. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Noach was landbouwer en legde als eerste een wijngaard aan. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Hij dronk van de wijn, werd dronken en ging in zijn tent liggen, zonder kleren aan. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Toen Cham, de vader van Kanaän, zag dat zijn vader naakt was, vertelde hij dat aan zijn twee broers, die buiten waren. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Daarop namen Sem en Jafet een mantel, legden die over hun schouders, liepen achteruit de tent binnen en bedekten het naakte lichaam van hun vader, met afgewend gelaat, zodat zij hem niet naakt zagen. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Toen Noach uit zijn roes ontwaakte en te weten kwam wat zijn jongste zoon hem had aangedaan, </VERS>
      <VERS vnumber="25">zei hij: ‘Vervloekt zij Kanaän, knecht van zijn broers zal Kanaän zijn, de minste van alle knechten. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Geprezen zij de HEER, de God van Sem; knecht van Sem zal Kanaän zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Moge God ruimte geven aan Jafet, hem laten wonen in de tenten van Sem; knecht van Jafet zal Kanaän zijn.’ </VERS>
      <VERS vnumber="28">Noach leefde na de zondvloed nog driehonderdvijftig jaar. </VERS>
      <VERS vnumber="29">In totaal leefde Noach negenhonderdvijftig jaar. Daarna stierf hij. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="10">
      <VERS vnumber="1">Dit zijn de nakomelingen van Sem, Cham en Jafet, de zonen van Noach; na de zondvloed kregen zij zonen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Zonen van Jafet: Gomer, Magog, Madai, Jawan, Tubal, Mesech en Tiras. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Zonen van Gomer: Askenaz, Rifat en Togarma. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Zonen van Jawan: Elisa en Tarsis; andere nakomelingen van Jawan: Kittiërs en Dodanieten. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Van hen stammen de mensen af die verspreid over de kustgebieden leven, elke familie en elk volk in zijn eigen land en met zijn eigen taal. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Zonen van Cham: Kus, Misraïm, Put en Kanaän. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Zonen van Kus: Saba, Chawila, Sabta, Rama en Sabtecha. Zonen van Rama: Seba en Dedan. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Kus was ook de vader van Nimrod, die de eerste machthebber op aarde was. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Hij was een geweldig jager, door niemand overtroffen. Vandaar het gezegde: Een jager zonder weerga, een tweede Nimrod. </VERS>
      <VERS vnumber="10">De kern van zijn rijk werd gevormd door Babel, Uruk, Akkad en Kalne, in Sinear. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Vanuit dat land trok hij naar Assyrië, waar hij Nineve, Rechobot-Ir en Kalach bouwde, </VERS>
      <VERS vnumber="12">en ook de grote stad Resen, tussen Nineve en Kalach. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Misraïm was de stamvader van de Ludieten, de Anamieten, de Lehabieten, de Naftuchieten, </VERS>
      <VERS vnumber="14">de Patrusieten, de Kasluchieten-uit wie de Filistijnen zijn voortgekomen-en de Kretenzers. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Kanaän was de vader van Sidon, die de oudste was, en van Chet, </VERS>
      <VERS vnumber="16">en de stamvader van de Jebusieten, Amorieten, Girgasieten, </VERS>
      <VERS vnumber="17">Chiwwieten, Arkieten, Sinieten, </VERS>
      <VERS vnumber="18">Arwadieten, Semarieten en Hamatieten. Later verspreidden de families van de Kanaänieten zich, </VERS>
      <VERS vnumber="19">zodat hun gebied zich van Sidon in de richting van Gerar uitstrekte tot aan Gaza, en in de richting van Sodom, Gomorra, Adma en Seboïm tot aan Lesa. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Dit waren de nakomelingen van Cham, ingedeeld naar families, talen, landen en volken. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Ook Sem kreeg zonen. Hij, Jafets oudste broer, is de stamvader van alle nakomelingen van Eber. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Zonen van Sem: Elam, Assur, Arpachsad, Lud en Aram. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Zonen van Aram: Us, Chul, Geter en Mas. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Arpachsad was de vader van Selach, en Selach de vader van Eber. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Eber kreeg twee zonen. De ene heette Peleg; in zijn tijd werd de aarde verdeeld. De andere heette Joktan. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Joktan was de vader van Almodad, Selef, Chasarmawet, Jerach, </VERS>
      <VERS vnumber="27">Hadoram, Uzal, Dikla, </VERS>
      <VERS vnumber="28">Obal, Abimaël, Seba, </VERS>
      <VERS vnumber="29">Ofir, Chawila en Jobab. Zij allen waren zonen van Joktan. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Hun woongebied strekte zich uit van Mesa tot aan de Sefar, het gebergte in het oosten. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Dit waren de nakomelingen van Sem, ingedeeld naar families, talen, landen en volken. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Dit waren de families die afstamden van de zonen van Noach, ingedeeld naar afkomst en volken. Van hen stammen de verschillende volken af die zich na de zondvloed over de aarde hebben verspreid. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="11">
      <VERS vnumber="1">Ooit werd er op de hele aarde één enkele taal gesproken. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Toen de mensen in oostelijke richting trokken, kwamen ze in Sinear bij een vlakte, en daar vestigden ze zich. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Ze zeiden tegen elkaar: ‘Laten we van klei blokken vormen en die goed bakken in het vuur.’ De kleiblokken gebruikten ze als stenen, en aardpek als specie. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Ze zeiden: ‘Laten we een stad bouwen met een toren die tot in de hemel reikt. Dat zal ons beroemd maken, en dan zullen we niet over de hele aarde verspreid raken.’ </VERS>
      <VERS vnumber="5">Maar toen daalde de HEER af om te kijken naar de stad en de toren die de mensen aan het bouwen waren. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Dit is één volk en ze spreken allemaal een en dezelfde taal, dacht de HEER, en wat ze nu doen is nog maar het begin. Alles wat ze verder nog van plan zijn, ligt nu binnen hun bereik. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Laten wij naar hen toe gaan en spraakverwarring onder hen teweegbrengen, zodat ze elkaar niet meer verstaan. </VERS>
      <VERS vnumber="8">De HEER verspreidde hen van daar over de hele aarde, en de bouw van de stad werd gestaakt. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Zo komt het dat die stad Babel heet, want daar bracht de HEER verwarring in de taal die op de hele aarde gesproken werd, en van daar verspreidde hij de mensen over de hele aarde. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Dit zijn de nakomelingen van Sem. Toen Sem 100 jaar oud was, verwekte hij Arpachsad, twee jaar na de zondvloed. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Na de geboorte van Arpachsad leefde Sem nog 500 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Toen Arpachsad 35 jaar was, verwekte hij Selach. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Na de geboorte van Selach leefde Arpachsad nog 403 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Toen Selach 30 jaar was, verwekte hij Eber. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Na de geboorte van Eber leefde Selach nog 403 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Toen Eber 34 jaar was, verwekte hij Peleg. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Na de geboorte van Peleg leefde Eber nog 430 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Toen Peleg 30 jaar was, verwekte hij Reü. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Na de geboorte van Reü leefde Peleg nog 209 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Toen Reü 32 jaar was, verwekte hij Serug. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Na de geboorte van Serug leefde Reü nog 207 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Toen Serug 30 jaar was, verwekte hij Nachor. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Na de geboorte van Nachor leefde Serug nog 200 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Toen Nachor 29 jaar was, verwekte hij Terach. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Na de geboorte van Terach leefde Nachor nog 119 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Toen Terach 70 jaar was, verwekte hij Abram, Nachor en Haran. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Dit is de geschiedenis van Terach en zijn nakomelingen. Terach verwekte Abram, Nachor en Haran. Haran verwekte Lot; </VERS>
      <VERS vnumber="28">hij stierf nog tijdens het leven van zijn vader Terach, in Ur, een stad van de Chaldeeën, in zijn geboorteland. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Abram en Nachor trouwden allebei. Abrams vrouw heette Sarai, Nachors vrouw heette Milka; zij was een dochter van Haran, die naast Milka nog een dochter had, Jiska. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Sarai was onvruchtbaar, zij kreeg geen kinderen. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Terach verliet Ur, de stad van de Chaldeeën, en nam zijn zoon Abram met zich mee, evenals zijn kleinzoon Lot, de zoon van Haran, en zijn schoondochter Sarai, Abrams vrouw. Samen gingen ze op weg naar Kanaän. Maar toen ze in Charan waren aangekomen, bleven ze daar wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Terach leefde tweehonderdvijf jaar. Hij stierf in Charan. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="12">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Abram: ‘Trek weg uit je land, verlaat je familie, verlaat ook je naaste verwanten, en ga naar het land dat ik je zal wijzen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Ik zal je tot een groot volk maken, ik zal je zegenen, ik zal je aanzien geven, een bron van zegen zul je zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Ik zal zegenen wie jou zegenen, wie jou bespot, zal ik vervloeken. Alle volken op aarde zullen wensen gezegend te worden als jij.’ </VERS>
      <VERS vnumber="4">(4-5) Abram ging uit Charan weg, zoals de HEER hem had opgedragen. Hij was toen vijfenzeventig jaar. Hij nam zijn vrouw Sarai mee en Lot, de zoon van zijn broer, en ook alle bezittingen die ze hadden verworven en de slaven en slavinnen die ze in Charan hadden verkregen. Zo gingen ze op weg naar Kanaän. Toen ze daar waren aangekomen, </VERS>
      <VERS vnumber="6">trok Abram het land door tot aan de eik van More, bij Sichem. In die tijd werd het land bewoond door de Kanaänieten. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Maar de HEER verscheen aan Abram en zei: ‘Ik zal dit land aan jouw nakomelingen geven.’ Toen bouwde Abram op die plaats een altaar voor de HEER, die aan hem verschenen was. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Daarvandaan trok hij naar het bergland dat oostelijk van Betel ligt, en ergens ten oosten van Betel en ten westen van Ai sloeg hij zijn tent op. Hij bouwde er een altaar voor de HEER en riep er zijn naam aan. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Steeds verder reisde Abram, in de richting van de Negev. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Eens brak er in het land hongersnood uit. Abram trok naar Egypte om daar tijdelijk te gaan wonen, want de hongersnood was zeer zwaar. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Toen hij op het punt stond Egypte binnen te trekken, zei hij tegen zijn vrouw Sarai: ‘Luister, ik weet heel goed dat jij een mooie vrouw bent. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Als de Egyptenaren je zien, zullen ze denken: Dat is zijn vrouw, en dan zullen ze jou in leven laten, maar mij zullen ze doden. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Zeg daarom dat je mijn zuster bent, dan kom ik er dankzij jou misschien goed vanaf en loopt mijn leven geen gevaar.’ </VERS>
      <VERS vnumber="14">Inderdaad was Abram nog maar nauwelijks in Egypte of de Egyptenaren zagen dat Sarai een bijzonder mooie vrouw was. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Ook de officieren van de farao merkten haar op. Ze vertelden de farao zo enthousiast over haar dat hij de vrouw naar zijn paleis liet overbrengen. </VERS>
      <VERS vnumber="16">En vanwege haar werd Abram door de farao met geschenken overladen: hij kreeg schapen en geiten, runderen, ezels, slaven en slavinnen, ezelinnen en kamelen. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Maar de HEER trof de farao en zijn hof met zware plagen om wat er gebeurd was met Abrams vrouw Sarai. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Toen ontbood de farao Abram. ‘Wat hebt u mij aangedaan!’ zei hij. ‘Waarom hebt u me niet verteld dat ze uw vrouw is? </VERS>
      <VERS vnumber="19">Waarom hebt u gezegd dat ze uw zuster is? Nu heb ik haar tot vrouw genomen. Hier is uw vrouw weer, neem haar mee en verdwijn!’ </VERS>
      <VERS vnumber="20">En op bevel van de farao werd Abram, met zijn vrouw en al zijn bezittingen, onder geleide het land uit gebracht. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="13">
      <VERS vnumber="1">Vanuit Egypte trok Abram, met zijn vrouw en zijn bezittingen, weer naar de Negev. Lot ging met hem mee. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Abram was bijzonder rijk: hij had veel vee, zilver en goud. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Vanuit de Negev trok hij geleidelijk verder, tot aan Betel, tot aan de plaats tussen Betel en Ai waar zijn tent vroeger al had gestaan </VERS>
      <VERS vnumber="4">en waar hij toen een altaar had gebouwd. Daar riep Abram de naam van de HEER aan. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Ook Lot, die met Abram was meegekomen, bezat schapen, geiten, runderen en tenten. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Beiden bezaten zo veel vee dat er te weinig land was om bij elkaar te blijven wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Hierdoor ontstond er ruzie tussen de herders van Abrams vee en de herders van Lots vee, en ook woonden in die tijd de Kanaänieten en de Perizzieten nog in het land. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Daarom zei Abram tegen Lot: ‘Waarom zouden we ruziemaken, jij en ik, of jouw herders en de mijne? We zijn toch familie? </VERS>
      <VERS vnumber="9">Het is maar beter dat we uiteengaan. Het hele land ligt voor je open. Als jij naar links gaat, ga ik naar rechts; als jij naar rechts gaat, ga ik naar links.’ </VERS>
      <VERS vnumber="10">Lot liet zijn blik rondgaan en zag hoe rijk aan water de hele Jordaanvallei was; voordat Sodom en Gomorra door de HEER werden verwoest, was de vallei tot aan Soar toe even waterrijk als de tuin van de HEER en als Egypte. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Daarom koos Lot voor zichzelf de Jordaanvallei en trok in oostelijke richting. Zo gingen ze uiteen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Abram bleef in Kanaän wonen, maar Lot sloeg zijn tenten op bij de steden in de vallei. Zijn woongebied strekte zich uit tot aan Sodom; </VERS>
      <VERS vnumber="13">de mensen daar waren slecht, ze zondigden zwaar tegen de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Nadat Lot was weggegaan, zei de HEER tegen Abram: ‘Kijk eens goed om je heen, kijk vanaf de plaats waar je nu staat naar het noorden, het zuiden, het oosten en het westen. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Al het land dat je ziet geef ik aan jou en je nakomelingen, voor altijd. </VERS>
      <VERS vnumber="16">En ik zal je zoveel nakomelingen geven als er stof op de aarde is: ze zullen even ontelbaar zijn als alle stofdeeltjes op de aarde. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Kom, doorkruis het land in zijn volle lengte en breedte, want aan jou zal ik het geven.’ </VERS>
      <VERS vnumber="18">Toen brak Abram op en ging wonen bij de eiken van Mamre, bij Hebron. Daar bouwde hij een altaar voor de HEER. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="14">
      <VERS vnumber="1">Toen Amrafel koning van Sinear was, Arjoch koning van Ellasar, Kedorlaomer koning van Elam en Tidal koning van Goïm, </VERS>
      <VERS vnumber="2">brak er oorlog uit tussen hen en koning Bera van Sodom, koning Birsa van Gomorra, koning Sinab van Adma, koning Semeber van Seboïm en de koning van Bela, het huidige Soar. </VERS>
      <VERS vnumber="3">De laatsten trokken gezamenlijk op naar de Siddimvallei, nu de Zoutzee. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Twaalf jaar waren zij aan Kedorlaomer onderworpen geweest, maar in het dertiende jaar waren ze in opstand gekomen. </VERS>
      <VERS vnumber="5">In het veertiende jaar rukte Kedorlaomer op, samen met de koningen die zijn bondgenoten waren, en zij versloegen de Refaïeten in Asterot-Karnaïm, de Zuzieten in Ham, de Emieten in Sawe-Kirjataïm </VERS>
      <VERS vnumber="6">en de Chorieten in het bergland waar zij woonden, het Seïrgebergte; ze rukten op tot aan El-Paran, aan de rand van de woestijn. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Daarna keerden ze terug over En-Mispat, het huidige Kades, en onderwierpen met harde hand het hele gebied van de Amalekieten en ook de Amorieten die in Chaseson-Tamar woonden. </VERS>
      <VERS vnumber="8">(8-9) Toen trok de koning van Sodom ten strijde, samen met de koning van Gomorra, de koning van Adma, de koning van Seboïm en de koning van Bela, het huidige Soar. In de Siddimvallei leverden deze vijf koningen slag met de vier andere: koning Kedorlaomer van Elam, koning Tidal van Goïm, koning Amrafel van Sinear en koning Arjoch van Ellasar. </VERS>
      <VERS vnumber="10">In de Siddimvallei waren talloze aardpekbronnen. Toen de koningen van Sodom en Gomorra moesten vluchten, kwamen ze daarin terecht. De anderen vluchtten het gebergte in. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Hun tegenstanders maakten alles buit wat de inwoners van Sodom en Gomorra bezaten, ook hun hele voedselvoorraad. Daarna trokken ze weg. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Ook Lot, de zoon van Abrams broer, voerden ze weg, met al zijn bezittingen; Lot woonde namelijk in Sodom. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Dit werd door een vluchteling aan Abram gemeld, die bij de eiken van de Amoriet Mamre woonde, de broer van Eskol en Aner; Mamre en zijn broers hadden met de Hebreeër Abram een bondgenootschap gesloten. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Toen Abram hoorde dat zijn neef gevangengenomen was, bracht hij allen op de been die in zijn huis opgegroeid waren en met de wapens konden omgaan-driehonderdachttien in getal-en achtervolgde Kedorlaomer en diens bondgenoten tot aan Dan. </VERS>
      <VERS vnumber="15">‘s Nachts viel hij hen met zijn mannen van verschillende kanten tegelijk aan, versloeg hen en achtervolgde hen tot aan Choba, dat ten noorden van Damascus ligt. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Alle buitgemaakte bezittingen heroverde hij. Ook zijn neef Lot wist hij veilig terug te brengen, met al zijn bezittingen, evenals de vrouwen en de andere krijgsgevangenen. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Toen Abram na zijn overwinning op Kedorlaomer en de andere koningen terugkeerde, kwam de koning van Sodom hem tegemoet in de Sawevallei, de Koningsvallei. </VERS>
      <VERS vnumber="18">En Melchisedek, de koning van Salem, liet brood en wijn brengen. Hij was een priester van God, de Allerhoogste, </VERS>
      <VERS vnumber="19">en sprak een zegen over Abram uit: ‘Gezegend zij Abram door God, de Allerhoogste, schepper van hemel en aarde. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Gezegend zij God, de Allerhoogste: uw vijanden leverde hij aan u uit.’ Abram gaf aan Melchisedek een tiende van wat hij had heroverd. </VERS>
      <VERS vnumber="21">De koning van Sodom verzocht Abram hem de mensen terug te geven, de bezittingen mocht Abram houden. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Maar Abram antwoordde hem: ‘Ik zweer bij de HEER, bij God, de Allerhoogste, de schepper van hemel en aarde, </VERS>
      <VERS vnumber="23">dat ik volstrekt niets wil aannemen van wat uw eigendom is, nog geen draad of schoenriem. U zult niet kunnen zeggen: “Ik ben het die Abram rijk heeft gemaakt.” </VERS>
      <VERS vnumber="24">Ik vraag alleen een vergoeding voor wat mijn dienaren hebben verbruikt, en het deel van Aner, Eskol en Mamre, die zich bij mij hebben aangesloten; laat hen nemen wat hun toekomt.’ </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="15">
      <VERS vnumber="1">Enige tijd later richtte de HEER zich tot Abram in een visioen: ‘Wees niet bang, Abram: ikzelf zal jou als een schild beschermen. Je loon zal vorstelijk zijn.’ </VERS>
      <VERS vnumber="2">‘HEER, mijn God, ‘antwoordde Abram, ‘wat voor zin heeft het mij te belonen? Ik zal kinderloos sterven, en alles wat ik bezit zal het eigendom worden van Eliëzer uit Damascus. </VERS>
      <VERS vnumber="3">U hebt mij immers geen nakomelingen gegeven; daarom zal een van mijn dienaren mijn erfgenaam worden.’ </VERS>
      <VERS vnumber="4">Maar de HEER sprak opnieuw tot hem: ‘Nee, niet je dienaar zal jouw bezittingen erven, maar een kind dat jijzelf zult verwekken.’ </VERS>
      <VERS vnumber="5">Daarop leidde hij Abram naar buiten. ‘Kijk eens naar de hemel, ‘zei hij, ‘en tel de sterren, als je dat kunt.’ En hij verzekerde hem: ‘Zo zal het ook zijn met jouw nakomelingen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="6">Abram vertrouwde op de HEER en deze rekende hem dit toe als een rechtvaardige daad. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Ook zei de HEER tegen hem: ‘Ik ben de HEER, die jou heeft weggeleid uit Ur, uit het land van de Chaldeeën, om je dit land in bezit te geven.’ </VERS>
      <VERS vnumber="8">‘HEER, mijn God, ‘antwoordde Abram, ‘hoe kan ik er zeker van zijn dat ik het in bezit zal krijgen?’ </VERS>
      <VERS vnumber="9">‘Haal een driejarige koe, ‘zei de HEER, ‘een driejarige geit, een driejarige ram, een tortelduif en een jonge gewone duif.’ </VERS>
      <VERS vnumber="10">Abram haalde al deze dieren, sneed ze middendoor en legde de twee helften van elk dier tegenover elkaar. Alleen de vogels sneed hij niet door. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Er kwamen gieren op de kadavers af, maar Abram joeg ze weg. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Toen de zon op het punt stond onder te gaan, viel Abram in een diepe slaap. Opeens werd hij overweldigd door angst en diepe duisternis. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Toen zei de HEER: ‘Wees ervan doordrongen dat je nakomelingen als vreemdeling zullen wonen in een land dat niet van hen is en dat ze daar slaaf zullen zijn en onderdrukt zullen worden, vierhonderd jaar lang. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Maar ik zal hun onderdrukkers ter verantwoording roepen, en dan zullen ze wegtrekken, met grote rijkdommen. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Wat jou betreft: je zult in vrede met je voorouders worden verenigd en in gezegende ouderdom begraven worden. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Pas de vierde generatie zal hierheen terugkeren, want pas dan hebben de Amorieten zo veel misdaden bedreven dat de maat vol is.’ </VERS>
      <VERS vnumber="17">Toen de zon ondergegaan was en het helemaal donker was geworden, was daar plotseling een oven waar rook uit kwam, en een brandende fakkel die tussen de dierhelften door ging. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Die dag sloot de HEER een verbond met Abram. ‘Dit land, ‘zei hij, ‘geef ik aan jouw nakomelingen, van de rivier van Egypte tot aan de grote rivier, de Eufraat: </VERS>
      <VERS vnumber="19">het gebied van de Kenieten, Kenizzieten en Kadmonieten, </VERS>
      <VERS vnumber="20">de Hethieten, Perizzieten en Refaïeten, </VERS>
      <VERS vnumber="21">de Amorieten, Kanaänieten, Girgasieten en Jebusieten.’ </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="16">
      <VERS vnumber="1">Abrams vrouw Sarai baarde hem geen kinderen. Nu had zij een Egyptische slavin, Hagar. </VERS>
      <VERS vnumber="2">‘Luister, ‘zei Sarai tegen Abram, ‘de HEER houdt mijn moederschoot gesloten. Je moest maar met mijn slavin slapen, misschien kan ik door haar nakomelingen krijgen.’ Abram stemde met haar voorstel in </VERS>
      <VERS vnumber="3">en Sarai gaf hem haar Egyptische slavin Hagar tot vrouw; Abram woonde toen tien jaar in Kanaän. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Hij sliep met Hagar en zij werd zwanger. Toen Hagar merkte dat ze zwanger was, verloor ze elk respect voor haar meesteres. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Sarai zei tegen Abram: ‘Voor het onrecht dat mij wordt aangedaan ben jij verantwoordelijk! Ik heb je mijn slavin ter beschikking gesteld, en nu ze weet dat ze zwanger is toont ze geen enkel respect meer voor mij. Laat de HEER maar beoordelen wie er in zijn recht staat: ik of jij.’ </VERS>
      <VERS vnumber="6">Abram antwoordde: ‘Het is jouw slavin, doe met haar wat je goeddunkt.’ Toen maakte Sarai haar het leven zo zwaar dat ze vluchtte. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Een engel van de HEER trof haar in de woestijn aan bij een waterbron, de bron die aan de weg naar Sur ligt. </VERS>
      <VERS vnumber="8">‘Hagar, slavin van Sarai, waar kom je vandaan en waar ga je heen?’ vroeg hij. ‘Ik ben gevlucht voor Sarai, mijn meesteres, ‘antwoordde ze. </VERS>
      <VERS vnumber="9">‘Ga naar je meesteres terug, ‘zei de engel van de HEER, ‘en wees haar weer gehoorzaam.’ </VERS>
      <VERS vnumber="10">En hij vervolgde: ‘Ik zal je heel veel nakomelingen geven, zo veel dat ze niet te tellen zullen zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Je bent nu zwanger en je zult een zoon ter wereld brengen. Die moet je Ismaël noemen, want de HEER heeft gehoord hoe zwaar je het te verduren had. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Een wilde ezel van een mens zal hij zijn: hij schopt iedereen, iedereen schopt hem. Met al zijn verwanten zal hij in onmin leven.’ </VERS>
      <VERS vnumber="13">Toen riep zij de HEER, die tot haar had gesproken, zo aan: ‘U bent een God van het zien. Want, ‘zei ze, ‘heb ik hier niet hem gezien die naar mij heeft omgezien?’ </VERS>
      <VERS vnumber="14">Daaraan dankt de bron die daar is zijn naam, Lachai-Roï; hij ligt tussen Kades en Bered. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Hagar bracht een zoon ter wereld, en Abram noemde de zoon die zij hem gebaard had Ismaël. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Abram was zesentachtig jaar toen Hagar hem Ismaël baarde. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="17">
      <VERS vnumber="1">Toen Abram negenennegentig jaar was, verscheen de HEER aan hem en zei: ‘Ik ben God, de Ontzagwekkende. Leef in verbondenheid met mij, leid een onberispelijk leven. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Ik wil met jou een verbond aangaan en ik zal je veel, heel veel nakomelingen geven.’ </VERS>
      <VERS vnumber="3">Abram boog zich diep neer en God sprak: </VERS>
      <VERS vnumber="4">‘Ik doe jou deze belofte: je zult de stamvader worden van een menigte volken. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Je zult voortaan niet meer Abram heten maar Abraham, want ik maak je de vader van vele volken. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Ik zal je bijzonder vruchtbaar maken. Er zullen veel volken uit je voortkomen en onder je nazaten zullen koningen zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Ik sluit een verbond met jou en met je nakomelingen, met alle komende generaties, een eeuwigdurend verbond: ik zal jouw God zijn en die van je nakomelingen. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Heel Kanaän, het land waar je nu als vreemdeling woont, zal ik jou en je nakomelingen voor altijd in bezit geven, en ik zal hun God zijn.’ </VERS>
      <VERS vnumber="9">Ook zei God tegen Abraham: ‘Jij moet je houden aan dit verbond met mij, evenals je nakomelingen, generatie na generatie. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Dit is de verplichting die jullie op je moeten nemen: alle mannen en jongens moeten worden besneden. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Jullie moeten je voorhuid laten verwijderen; dat zal het teken zijn van het verbond tussen mij en jullie. </VERS>
      <VERS vnumber="12">In elke generatie opnieuw moet iedereen van het mannelijk geslacht besneden worden wanneer hij acht dagen oud is. Dit geldt niet alleen voor wie tot je eigen volk behoort maar ook voor jullie slaven, of ze nu bij jullie geboren zijn of van vreemdelingen zijn gekocht; </VERS>
      <VERS vnumber="13">iedereen die bij jullie geboren is of door jullie is gekocht, moet worden besneden. Zo zal dit verbond met mij voorgoed zichtbaar zijn aan jullie lichaam. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Een onbesnedene, een mannelijk persoon van wie de voorhuid niet verwijderd is, moet uit de gemeenschap gestoten worden, omdat hij het verbond verbroken heeft.’ </VERS>
      <VERS vnumber="15">Verder zei God tegen Abraham: ‘Wat je vrouw Sarai betreft, voortaan moet je haar niet Sarai noemen maar Sara. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Ik zal haar zegenen en jou bij haar een zoon geven. Ik zal haar zo rijk zegenen dat er volken uit haar zullen voortkomen en er koningen van haar zullen afstammen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="17">Abraham boog zich diep neer, maar lachte en dacht: Hoe zou iemand van honderd nog een kind kunnen krijgen? En Sara, zou zij op haar negentigste nog een kind ter wereld kunnen brengen? </VERS>
      <VERS vnumber="18">En hij antwoordde God: ‘Ik zou al gelukkig zijn als Ismaël onder uw bescherming mocht staan.’ </VERS>
      <VERS vnumber="19">Maar God zei: ‘Nee, je vrouw Sara zal je een zoon baren, die je Isaak moet noemen, en met hem zal ik mijn verbond voortzetten. Het zal een eeuwigdurend verbond zijn, dat ook voor zijn nakomelingen zal gelden. </VERS>
      <VERS vnumber="20">En wat Ismaël betreft, ik verhoor je: ik zal hem zegenen, hem vruchtbaar maken en hem veel, heel veel nakomelingen geven. Twaalf stamvorsten zal hij verwekken en er zal een groot volk uit hem voortkomen. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Maar mijn verbond zal ik voortzetten met Isaak, de zoon die Sara je volgend jaar omstreeks deze tijd zal baren.’ </VERS>
      <VERS vnumber="22">Nadat God zo met hem gesproken had, ging hij bij Abraham vandaan. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Nog diezelfde dag besneed Abraham zijn zoon Ismaël, allen die in zijn huis geboren waren en allen die hij gekocht had, kortom al zijn mannelijke huisgenoten, zoals God hem had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Abraham was negenennegentig jaar toen hij besneden werd, </VERS>
      <VERS vnumber="25">en zijn zoon Ismaël was dertien. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Zo werden op een en dezelfde dag Abraham en zijn zoon Ismaël besneden </VERS>
      <VERS vnumber="27">en ook al Abrahams huisgenoten, zowel zij die in zijn huis geboren waren als zij die van vreemdelingen waren gekocht. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="18">
      <VERS vnumber="1">De HEER verscheen opnieuw aan Abraham, bij de eiken van Mamre. Op het heetst van de dag zat Abraham in de ingang van zijn tent. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Toen hij opkeek, zag hij even verderop plotseling drie mannen staan. Onmiddellijk snelde hij de tent uit, naar hen toe. Hij boog diep </VERS>
      <VERS vnumber="3">en zei: ‘Heer, wees toch zo goed uw dienaar niet voorbij te gaan. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Ik zal wat water voor u laten halen zodat u uw voeten kunt wassen, maak het u hier onder de boom intussen gemakkelijk. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Ik zal u ook iets te eten brengen, zodat u weer op krachten kunt komen voordat u verdergaat. Daarvoor bent u immers bij uw dienaar langsgekomen?’ Zij antwoordden: ‘Wij nemen uw uitnodiging graag aan.’ </VERS>
      <VERS vnumber="6">Abraham haastte zich naar de tent, naar Sara. ‘Vlug, ‘zei hij, ‘drie schepel fijn meel! Maak deeg en bak brood.’ </VERS>
      <VERS vnumber="7">Daarna snelde hij naar de kudde, zocht een mooi kalf uit dat er mals uitzag, en gaf dat aan een knecht, die het onmiddellijk klaarmaakte. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Hij haalde boter en melk, nam het gebraden kalf en zette alles aan zijn gasten voor. Terwijl zij aten, bleef hij bij hen staan onder de boom. </VERS>
      <VERS vnumber="9">‘Waar is Sara, uw vrouw?’ vroegen zij hem. ‘Daar, in de tent, ‘antwoordde hij. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Toen zei een van hen: ‘Ik kom over precies een jaar bij u terug en dan zal uw vrouw Sara een zoon hebben.’ Sara, die in de ingang van de tent stond, achter de man, hoorde dat. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Nu waren Abraham en zij op hoge leeftijd gekomen en de jaren dat een vrouw vruchtbaar is, lagen al ver achter haar. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Daarom lachte ze in zichzelf. Zou de liefde voor mij dan nog weggelegd zijn? dacht ze. Ik ben immers verwelkt, en ook mijn man is al oud. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Toen vroeg de HEER aan Abraham: ‘Waarom lacht Sara, waarom vraagt ze zich af of ze op haar leeftijd nog wel een kind ter wereld kan brengen? </VERS>
      <VERS vnumber="14">Is ook maar iets voor de HEER onmogelijk? Op de vastgestelde tijd, over precies een jaar, kom ik bij je terug en dan heeft Sara een zoon.’ </VERS>
      <VERS vnumber="15">Geschrokken ontkende Sara: ‘Ik heb niet gelachen.’ Maar hij zei: ‘Ja, je hebt wel gelachen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="16">Toen de mannen weer verdergingen, lieten ze hun blik op Sodom rusten. Abraham liep met hen mee om hun uitgeleide te doen. </VERS>
      <VERS vnumber="17">De HEER dacht: Waarom zou ik voor Abraham geheimhouden wat ik van plan ben? </VERS>
      <VERS vnumber="18">Uit Abraham zal immers een groot en machtig volk voortkomen, en alle volken op aarde zullen wensen zo gezegend te worden als hij. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Want ik heb hem uitgekozen, hij moet zijn zonen en zijn verdere nakomelingen voorhouden de weg te volgen die ik wijs, door rechtvaardig en goed te handelen. Alleen dan zal ik verwezenlijken wat ik Abraham heb toegezegd. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Daarom zei de HEER: ‘Er zijn ernstige beschuldigingen geuit tegen Sodom en Gomorra, hun zonden zijn ongehoord groot. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Ik zal ernaartoe gaan om te zien of de klachten die ik over hen heb gehoord gegrond zijn en zij verwoesting over zich hebben afgeroepen. Dat wil ik weten.’ </VERS>
      <VERS vnumber="22">Toen gingen de twee mannen weg, naar Sodom, terwijl Abraham bij de HEER bleef staan. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Abraham ging dichter naar hem toe en vroeg: ‘Wilt u dan behalve de schuldigen ook de onschuldigen het leven benemen? </VERS>
      <VERS vnumber="24">Misschien dat er in die stad vijftig onschuldigen zijn. Zou u die dan ook uit het leven wegrukken en niet de hele stad vergeving schenken omwille van die vijftig onschuldige inwoners? </VERS>
      <VERS vnumber="25">Zoiets kunt u toch niet doen, hen samen met de schuldigen laten omkomen! Dan zouden schuldigen en onschuldigen over één kam worden geschoren. Dat kunt u toch niet doen! Hij die rechter is over de hele aarde moet toch rechtvaardig handelen?’ </VERS>
      <VERS vnumber="26">De HEER antwoordde: ‘Als ik in Sodom vijftig onschuldigen aantref, zal ik omwille van hen de hele stad vergeving schenken.’ </VERS>
      <VERS vnumber="27">Hierop zei Abraham: ‘Nu ik eenmaal zo vrij ben geweest de Heer aan te spreken, hoewel ik niets dan stof ben: </VERS>
      <VERS vnumber="28">stel dat er aan die vijftig onschuldigen vijf ontbreken, zou u dan toch vanwege die vijf de hele stad verwoesten?’ ‘Nee, ‘antwoordde hij, ‘ik zal haar niet verwoesten als ik er vijfenveertig aantref.’ </VERS>
      <VERS vnumber="29">Opnieuw sprak Abraham hem aan: ‘Stel dat het er maar veertig zijn.’ ‘Dan zal ik het niet doen omwille van die veertig.’ </VERS>
      <VERS vnumber="30">Toen zei hij: ‘Ik hoop dat u niet kwaad wordt, Heer, wanneer ik het waag door te gaan: stel dat het er maar dertig zijn.’ ‘Ik zal het niet doen als ik er dertig aantref.’ </VERS>
      <VERS vnumber="31">Hierop zei hij: ‘Ik ben zo vrij de Heer opnieuw aan te spreken: stel dat het er maar twintig zijn.’ ‘Dan zal ik de stad niet verwoesten omwille van die twintig.’ </VERS>
      <VERS vnumber="32">Abraham zei: ‘Ik hoop dat u niet kwaad wordt, Heer, wanneer ik het nog één keer waag iets te zeggen: stel dat het er maar tien zijn.’ ‘Dan zal ik haar niet verwoesten omwille van die tien.’ </VERS>
      <VERS vnumber="33">Zodra de HEER zijn gesprek met Abraham had beëindigd, ging hij weg. En Abraham keerde terug naar de plaats waar hij woonde. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="19">
      <VERS vnumber="1">De twee engelen kwamen ‘s avonds in Sodom aan. Lot zat juist in de stadspoort. Zodra hij hen zag stond hij op, ging hun tegemoet en boog zich diep voor hen neer. </VERS>
      <VERS vnumber="2">‘Heren, ‘zei hij, ‘komt u toch mee. Het huis van uw dienaar staat voor u open; overnacht daar en was er uw voeten. Dan kunt u morgenvroeg uw weg vervolgen.’ ‘Nee, dank u, ‘antwoordden ze, ‘we overnachten wel op het plein.’ </VERS>
      <VERS vnumber="3">Omdat hij echter sterk bleef aandringen, gingen ze met hem mee naar zijn huis. Daar maakte hij een maaltijd voor hen klaar; hij bakte brood en ze aten bij hem. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Maar nog voordat Lot en zijn gasten konden gaan slapen, liepen alle mannen van Sodom bij Lots huis te hoop, jong en oud, niemand uitgezonderd. </VERS>
      <VERS vnumber="5">‘Waar zijn die mannen die bij je overnachten?’ riepen ze Lot toe. ‘Breng ze naar buiten, we willen ze nemen!’ </VERS>
      <VERS vnumber="6">Lot ging naar buiten en deed de deur achter zich dicht. </VERS>
      <VERS vnumber="7">‘Maar vrienden, zoiets kunnen jullie toch niet doen!’ zei hij. </VERS>
      <VERS vnumber="8">‘Luister, ik heb twee dochters die nog nooit met een man geslapen hebben. Die zal ik bij jullie brengen, doe met hen wat jullie willen. Maar laat die mannen met rust, ik heb hun niet voor niets een veilig onderkomen geboden.’ </VERS>
      <VERS vnumber="9">Maar ze schreeuwden: ‘Uit de weg!’ Ook riepen ze: ‘Dat woont hier als vreemdeling en moet ons zo nodig de wet voorschrijven. Wacht maar, jij zult er ook van lusten, en nog meer dan zij!’ En ze drongen Lot ruw opzij en wilden de deur openbreken. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Maar de twee mannen trokken Lot het huis in en deden de deur weer dicht, </VERS>
      <VERS vnumber="11">en ze sloegen alle mannen die bij de ingang van het huis waren, jong en oud, met blindheid, zodat ze tevergeefs probeerden de ingang te vinden. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Daarna vroegen ze aan Lot: ‘Hebt u hier nog meer familie? Zonen, dochters, een schoonzoon, ga met iedereen die bij u hoort weg uit deze stad. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Wij staan namelijk op het punt deze stad te verwoesten: er zijn zulke ernstige beschuldigingen tegen haar ingebracht dat de HEER ons hierheen heeft gestuurd om haar te verwoesten.’ </VERS>
      <VERS vnumber="14">Lot ging naar zijn schoonzoons, de mannen die met zijn dochters zouden trouwen, en zei tegen hen: ‘Vlug, weg uit deze stad, want de HEER gaat haar verwoesten.’ Maar zijn schoonzoons namen hem niet serieus. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Zodra het licht begon te worden zetten de engelen Lot aan tot spoed: ‘Vlug, ga hier weg met uw vrouw en uw twee dochters, anders komt u om en wordt u het slachtoffer van de misdrijven die in deze stad zijn begaan.’ </VERS>
      <VERS vnumber="16">Toen Lot aarzelde, grepen de mannen hem en zijn vrouw en zijn twee dochters bij de hand, omdat de HEER hem wilde sparen, en ze trokken hem mee de stad uit. Pas buiten de stad bleven ze staan. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Toen zei een van hen: ‘Vlucht, uw leven is in gevaar! Kijk niet om en sta nergens in de vallei stil. Vlucht de bergen in, anders komt u om.’ </VERS>
      <VERS vnumber="18">Maar Lot antwoordde: ‘Nee, dat niet, mijn heer! </VERS>
      <VERS vnumber="19">U hebt het beste met uw dienaar voor, u bewijst mij een grote weldaad door mij in leven te laten. Maar ik kan onmogelijk naar de bergen ontkomen, het onheil zou mij inhalen en ik zou alsnog sterven. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Dat stadje daar is dichtbij, dat zou ik kunnen halen. Geef mij de kans om daarheen te vluchten, dat zou mijn redding kunnen zijn; het is maar een onbeduidend stadje.’ </VERS>
      <VERS vnumber="21">Hij kreeg ten antwoord: ‘Ook in dit opzicht zal ik u ter wille zijn: het stadje dat u bedoelt zal ik niet wegvagen. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Vlucht daarheen en haast u, want tot u daar aangekomen bent kan ik niets doen.’ Zo kreeg die stad de naam Soar. </VERS>
      <VERS vnumber="23">De zon was al opgegaan toen Lot in Soar aankwam. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Toen liet de HEER uit de hemel zwavel en vuur neerkomen op Sodom en Gomorra </VERS>
      <VERS vnumber="25">en hij vernietigde die steden en de hele vallei, met de inwoners van al de steden en met alles wat er op het land groeide. </VERS>
      <VERS vnumber="26">De vrouw van Lot, die achter hem liep, keek om en veranderde in een zuil van zout. </VERS>
      <VERS vnumber="27">‘s Morgens vroeg ging Abraham naar de plaats waar hij bij de HEER had gestaan. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Toen hij uitkeek over Sodom en Gomorra en over de hele vallei, zag hij dikke rookwolken van het land opstijgen als uit een smeltoven. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Toen God de steden wegvaagde waar Lot had gewoond, liet hij Lot aan de ondergang ontkomen. Zo hield God, toen hij de steden in de vallei verwoestte, rekening met Abraham. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Omdat Lot niet in Soar durfde te blijven, verliet hij die plaats en ging in de bergen wonen, samen met zijn twee dochters. Daar woonden ze met elkaar in een grot. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Op een dag zei de oudste dochter tegen de jongste: ‘Onze vader is al oud, en er is in dit gebied nergens meer een man die met ons kan doen wat op de hele wereld de gewoonte is. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Laten we daarom onze vader dronken voeren en met hem slapen; dan kunnen we kinderen krijgen van onze vader.’ </VERS>
      <VERS vnumber="33">Nog diezelfde nacht gaven ze hun vader wijn te drinken, en de oudste sliep met haar vader, zonder dat hij er ook maar iets van merkte dat ze bij hem kwam en weer wegging. </VERS>
      <VERS vnumber="34">De volgende morgen zei de oudste tegen de jongste: ‘De afgelopen nacht heb ik met mijn vader geslapen. Laten we hem ook vannacht weer dronken voeren, en dit keer moet jij met hem slapen; dan kunnen we allebei kinderen krijgen van onze vader.’ </VERS>
      <VERS vnumber="35">Ook die nacht gaven ze hun vader wijn te drinken, en ditmaal sliep de jongste met hem, zonder dat hij er ook maar iets van merkte dat ze bij hem kwam en weer wegging. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Zo werden Lots beide dochters zwanger van hun vader. </VERS>
      <VERS vnumber="37">De oudste bracht een zoon ter wereld die ze Moab noemde. Hij werd de stamvader van de huidige Moabieten. </VERS>
      <VERS vnumber="38">Ook de jongste bracht een zoon ter wereld, die ze Ben-Ammi noemde. Hij werd de stamvader van de huidige Ammonieten. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="20">
      <VERS vnumber="1">Abraham brak op en trok naar de Negev, waar hij tussen Kades en Sur ging wonen. Toen hij een tijdlang in Gerar verbleef, </VERS>
      <VERS vnumber="2">zei hij van zijn vrouw Sara dat ze zijn zuster was. Het gevolg was dat Abimelech, de koning van Gerar, Sara naar zijn paleis liet overbrengen. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Maar ‘s nachts verscheen God in een droom aan Abimelech en zei tegen hem: ‘Je bent ten dode opgeschreven omdat je die vrouw naar je paleis hebt gehaald: ze is getrouwd.’ </VERS>
      <VERS vnumber="4">Nu had Abimelech nog niet met haar geslapen. ‘Heer, ‘riep hij uit, ‘wilt u dan mensen doden terwijl ze onschuldig zijn? </VERS>
      <VERS vnumber="5">Hij zei me toch dat ze zijn zuster was? En ook zijzelf heeft gezegd dat hij haar broer is. Ik heb dit gedaan met een zuiver geweten, er treft mij geen enkele blaam.’ </VERS>
      <VERS vnumber="6">God antwoordde hem in zijn droom: ‘Ik weet heel goed dat je dit met een zuiver geweten gedaan hebt. Daarom heb ik je er ook van weerhouden tegen mij te zondigen en heb ik verhinderd dat je haar zou aanraken. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Maar geef haar nu terug aan haar man, want hij is een profeet en kan voor je bidden, en dan zul je in leven blijven. Maar geef je haar niet terug, dan zul je onherroepelijk sterven, jij en allen die bij je horen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="8">De volgende morgen riep Abimelech in alle vroegte zijn dienaren bij zich en vertelde hun wat er was gebeurd; de schrik sloeg hun om het hart. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Hierna liet hij Abraham bij zich roepen. ‘Wat hebt u ons aangedaan!’ zei hij. ‘Wat heb ik u misdaan dat u mij en mijn rijk schuldig hebt laten worden aan zo’n zwaar vergrijp? U hebt mij op een wel heel ongepaste manier behandeld. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Met welke bedoeling hebt u dit gedaan?’ </VERS>
      <VERS vnumber="11">Abraham antwoordde: ‘Ik dacht: Misschien heeft men in deze streken geen ontzag voor God en zullen ze me doden om mijn vrouw. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Bovendien, ze is werkelijk mijn zuster: ze is de dochter van mijn vader. Ze is alleen niet de dochter van mijn moeder, en zo kon ze mijn vrouw worden. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Toen God mij ver van mijn verwanten liet rondzwerven, zei ik dan ook tegen haar: “Bewijs me dat ik op je kan rekenen en zeg overal waar we komen dat ik je broer ben.”’ </VERS>
      <VERS vnumber="14">Toen schonk Abimelech schapen en geiten, runderen, slaven en slavinnen aan Abraham, en ook gaf hij hem zijn vrouw Sara terug. </VERS>
      <VERS vnumber="15">‘Mijn land ligt voor u open, ‘zei hij, ‘u kunt gaan wonen waar u maar wilt.’ </VERS>
      <VERS vnumber="16">En tegen Sara zei hij: ‘Ik geef uw broer duizend sjekel zilver, in de hoop dat allen in uw omgeving dan bereid zullen zijn de ogen te sluiten voor wat u is overkomen; uw eer blijft volledig bewaard.’ </VERS>
      <VERS vnumber="17">Toen bad Abraham tot God, en God genas Abimelech en zijn vrouw en bijvrouwen, zodat ze weer kinderen konden krijgen; </VERS>
      <VERS vnumber="18">de HEER had namelijk bij alle vrouwen in Abimelechs paleis de moederschoot gesloten om wat er gebeurd was met Abrahams vrouw Sara. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="21">
      <VERS vnumber="1">De HEER zag om naar Sara zoals hij had beloofd, hij gaf haar wat hij had toegezegd: </VERS>
      <VERS vnumber="2">Sara werd zwanger en baarde Abraham op zijn oude dag een zoon, op de vastgestelde tijd, die God hem had genoemd. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Abraham noemde de zoon die hij gekregen had en die Sara hem gebaard had, Isaak, </VERS>
      <VERS vnumber="4">en hij besneed Isaak toen deze acht dagen oud was, zoals God hem had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Abraham was honderd jaar toen zijn zoon Isaak werd geboren. </VERS>
      <VERS vnumber="6">‘God maakt dat ik kan lachen, ‘zei Sara, ‘en iedereen die dit hoort zal met mij mee lachen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Wie had Abraham durven voorspellen dat ik ooit een kind de borst zou geven? En toch heb ik hem op zijn oude dag nog een zoon gebaard!’ </VERS>
      <VERS vnumber="8">Het kind groeide voorspoedig op, en toen de dag gekomen was dat het van de borst werd genomen, gaf Abraham een groot feest. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Sara zag dat de zoon die Abraham bij Hagar, haar Egyptische slavin, had gekregen, spottend lachte. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Daarom zei ze tegen Abraham: ‘Jaag die slavin en haar zoon weg, want ik wil niet dat mijn zoon Isaak later de erfenis moet delen met de zoon van die slavin.’ </VERS>
      <VERS vnumber="11">Dit voorstel beviel Abraham allerminst; het ging immers om zijn eigen zoon. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Maar God zei tegen hem: ‘Je hoeft je niet bezwaard te voelen vanwege de jongen of je slavin. Alles wat Sara je vraagt moet je doen, want alleen de nakomelingen van Isaak zullen gelden als jouw nageslacht. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Maar ook uit de zoon van je slavin zal ik een volk doen voortkomen, omdat ook hij een kind van je is.’ </VERS>
      <VERS vnumber="14">De volgende morgen vroeg nam Abraham brood en een zak water, legde dat op Hagars schouder, gaf haar ook het kind mee en stuurde haar weg. Ze trok de woestijn van Berseba in en doolde daar rond. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Toen het water uit de zak op was, liet ze haar kind onder een struik achter. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Zelf ging ze een eindje verderop zitten, op een boogschot afstand, omdat ze niet kon aanzien hoe haar kind stierf. En terwijl ze daar zo zat, huilde ze bittere tranen. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Maar God hoorde de jongen kermen, en een engel van God riep Hagar vanuit de hemel toe: ‘Wat is er, Hagar? Wees niet bezorgd: God heeft je jongen, die daar ligt te kermen, gehoord. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Sta op, help de jongen overeind en ondersteun hem. Ik zal een groot volk uit hem doen voortkomen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="19">Toen opende God haar de ogen en zag ze een waterput. Ze liep ernaartoe, vulde de waterzak en gaf de jongen te drinken. </VERS>
      <VERS vnumber="20">God beschermde de jongen, zodat hij voorspoedig opgroeide. Hij leefde als boogschutter in de woestijn. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Hij ging in de woestijn van Paran wonen, en zijn moeder koos een Egyptische vrouw voor hem uit. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Op een dag kwam Abimelech bij Abraham, samen met zijn legeraanvoerder Pichol. ‘God blijkt u ter zijde te staan bij alles wat u onderneemt, ‘zei hij. </VERS>
      <VERS vnumber="23">‘Zweer mij daarom bij God, hier op deze plaats, dat u mij, mijn kinderen en kindskinderen nooit zult bedriegen, maar dat u mij en het land waar u gastvrijheid geniet, evenveel loyaliteit zult tonen als u van mij hebt ondervonden.’ </VERS>
      <VERS vnumber="24">‘Dat zweer ik, ‘zei Abraham. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Maar wel maakte hij Abimelech verwijten over een waterput die Abimelechs knechten zich hadden toegeëigend. </VERS>
      <VERS vnumber="26">‘Ik weet niet wie dat heeft gedaan, ‘zei Abimelech. ‘U hebt er mij niets over gezegd en ik hoor er nu voor het eerst van.’ </VERS>
      <VERS vnumber="27">Toen schonk Abraham schapen, geiten en runderen aan Abimelech en sloten zij een bondgenootschap. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Zeven ooilammetjes zette Abraham apart. </VERS>
      <VERS vnumber="29">‘Wat hebben die zeven lammetjes te betekenen die u apart hebt gezet?’ vroeg Abimelech hem, </VERS>
      <VERS vnumber="30">en hij antwoordde: ‘Door die zeven ooilammetjes van mij aan te nemen erkent u dat ik deze put hier heb gegraven.’ </VERS>
      <VERS vnumber="31">Omdat zij daar een eed zwoeren heet die plaats Berseba. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Zo sloten zij in Berseba een bondgenootschap. Daarna ging Abimelech met zijn legeraanvoerder Pichol terug naar het land van de Filistijnen. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Abraham plantte in Berseba een tamarisk en riep er de naam van de HEER, de eeuwige God, aan. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Hij woonde lang als vreemdeling in het land van de Filistijnen. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="22">
      <VERS vnumber="1">Enige tijd later stelde God Abraham op de proef. ‘Abraham!’ zei hij. ‘Ik luister, ‘antwoordde Abraham. </VERS>
      <VERS vnumber="2">‘Roep je zoon, je enige, van wie je zoveel houdt, Isaak, en ga met hem naar het gebied waarin de Moria ligt. Daar moet je hem offeren op een berg die ik je wijzen zal.’ </VERS>
      <VERS vnumber="3">De volgende morgen stond Abraham vroeg op. Hij zadelde zijn ezel, nam twee van zijn knechten en zijn zoon Isaak met zich mee, hakte hout voor het offer en ging op weg naar de plaats waarover God had gesproken. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Op de derde dag zag Abraham die plaats in de verte liggen. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Toen zei hij tegen de knechten: ‘Blijven jullie hier met de ezel. Ikzelf ga met de jongen verder om daarginds neer te knielen. Daarna komen we naar jullie terug.’ </VERS>
      <VERS vnumber="6">Hij pakte het hout voor het offer, legde het op de schouders van zijn zoon Isaak en nam zelf het vuur en het mes. Zo gingen zij samen verder. </VERS>
      <VERS vnumber="7">‘Vader, ‘zei Isaak. ‘Wat wil je me zeggen, mijn jongen?’ antwoordde Abraham. ‘We hebben vuur en hout, ‘zei Isaak, ‘maar waar is het lam voor het offer?’ </VERS>
      <VERS vnumber="8">Abraham antwoordde: ‘God zal zich zelf van een offerlam voorzien, mijn jongen.’ En samen gingen zij verder. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Toen ze waren aangekomen bij de plaats waarover God had gesproken, bouwde Abraham daar een altaar, schikte het hout erop, bond zijn zoon Isaak vast en legde hem op het altaar, op het hout. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Toen pakte hij het mes om zijn zoon te slachten. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Maar een engel van de HEER riep vanuit de hemel: ‘Abraham, Abraham!’ ‘Ik luister, ‘antwoordde hij. </VERS>
      <VERS vnumber="12">‘Raak de jongen niet aan, doe hem niets! Want nu weet ik dat je ontzag voor God hebt: je hebt mij je zoon, je enige, niet willen onthouden.’ </VERS>
      <VERS vnumber="13">Toen Abraham opkeek, zag hij een ram die met zijn horens verstrikt was geraakt in de struiken. Hij pakte het dier en offerde dat in de plaats van zijn zoon. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Abraham noemde die plaats ‘De HEER zal erin voorzien’. Vandaar dat men tot op de dag van vandaag zegt: ‘Op de berg van de HEER zal erin voorzien worden.’ </VERS>
      <VERS vnumber="15">Toen sprak de engel van de HEER opnieuw vanuit de hemel tot Abraham. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Hij zei: ‘Ik zweer bij mijzelf-spreekt de HEER: Omdat je dit hebt gedaan, omdat je mij je zoon, je enige, niet hebt onthouden, </VERS>
      <VERS vnumber="17">zal ik je rijkelijk zegenen en je zoveel nakomelingen geven als er sterren aan de hemel zijn en zandkorrels op het strand langs de zee, en je nakomelingen zullen de steden van hun vijanden in bezit krijgen. </VERS>
      <VERS vnumber="18">En alle volken op aarde zullen wensen zo gezegend te worden als jouw nakomelingen. Want jij hebt naar mij geluisterd.’ </VERS>
      <VERS vnumber="19">Daarna ging Abraham terug naar zijn knechten. Samen gingen ze weer op weg naar Berseba, en daar bleef Abraham wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Enige tijd later ontving Abraham het bericht dat ook Milka, de vrouw van zijn broer Nachor, zonen had gekregen: </VERS>
      <VERS vnumber="21">Us als eerste, en verder Buz, Kemuël, de vader van Aram, </VERS>
      <VERS vnumber="22">Kesed, Chazo, Pildas, Jidlaf en Betuël. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Betuël was het die Rebekka verwekte. Deze acht zonen baarde Milka aan Abrahams broer Nachor. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Ook zijn bijvrouw, die Reüma heette, bracht kinderen ter wereld: Tebach, Gacham, Tachas en Maächa. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="23">
      <VERS vnumber="1">Sara leefde honderdzevenentwintig jaar. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Ze stierf in Kirjat-Arba, het huidige Hebron, in Kanaän. Nadat Abraham bij haar gerouwd had en haar had beweend, </VERS>
      <VERS vnumber="3">stond hij op, verliet de tent waarin zijn overleden vrouw lag en wendde zich tot de Hethieten. Hij zei: </VERS>
      <VERS vnumber="4">‘Ik woon maar als vreemdeling bij u. Geeft u mij hier een eigen graf, dan kan ik mijn overleden vrouw uitdragen en begraven.’ </VERS>
      <VERS vnumber="5">De Hethieten antwoordden hem: </VERS>
      <VERS vnumber="6">‘Maar luister, heer, wij beschouwen u als een vorst die door God zelf begunstigd wordt! Begraaf uw vrouw in het beste graf dat we hebben. Niemand van ons zal u zijn graf weigeren en u beletten haar daarin te begraven.’ </VERS>
      <VERS vnumber="7">Toen boog Abraham diep voor de Hethitische landeigenaars. </VERS>
      <VERS vnumber="8">‘Als u er dus mee instemt dat ik mijn vrouw uitdraag en begraaf, ‘zei hij, ‘wees dan zo goed er bij Efron, de zoon van Sochar, op aan te dringen </VERS>
      <VERS vnumber="9">dat hij mij de grot van Machpela afstaat, die zijn eigendom is en aan de rand van zijn akker ligt. Laat hij mij die geven voor de volle prijs, zodat ik bij u een eigen graf heb.’ </VERS>
      <VERS vnumber="10">Onder de Hethieten die daar zaten, bevond zich ook Efron zelf. Zo luid dat allen die in de stadspoort bijeen waren gekomen het konden horen, zei hij tegen Abraham: </VERS>
      <VERS vnumber="11">‘Geen sprake van, heer! Luister: die akker schenk ik u, en ook de grot die erop ligt. Ten overstaan van mijn volksgenoten geef ik u die; u kunt uw vrouw daarin begraven.’ </VERS>
      <VERS vnumber="12">Abraham boog diep voor de landeigenaars, </VERS>
      <VERS vnumber="13">en terwijl iedereen toehoorde antwoordde hij Efron: ‘Als u Werkelijk…maar luistert u toch naar wat ik voorstel! Ik wil de prijs betalen die de akker waard is. Neemt u dat geld toch van mij aan en laat mij er mijn vrouw begraven.’ </VERS>
      <VERS vnumber="14">Toen zei Efron tegen Abraham: </VERS>
      <VERS vnumber="15">‘Och luister, heer, een stuk grond van vierhonderd sjekel zilver, wat betekent dat nu voor mij of voor u? U kunt er gerust uw vrouw begraven.’ </VERS>
      <VERS vnumber="16">Abraham ging hierop in en woog de hoeveelheid zilver af die Efron in het bijzijn van de andere Hethieten had genoemd: vierhonderd sjekel zilver naar de gangbare handelswaarde. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Zo ging de akker van Efron in Machpela, in de buurt van Mamre, met de grot en met alle bomen op dat stuk land, </VERS>
      <VERS vnumber="18">als rechtmatig eigendom over op Abraham, ten overstaan van alle Hethieten die in de stadspoort aanwezig waren. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Daarna begroef Abraham zijn vrouw Sara in de grot op de akker in Machpela, dicht bij Mamre, het huidige Hebron, in Kanaän. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Zo gingen het stuk grond en de daarop gelegen grot van de Hethieten over op Abraham en kwam hij in het bezit van een eigen graf. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="24">
      <VERS vnumber="1">Abraham was inmiddels op hoge leeftijd gekomen en de HEER had hem in alle opzichten gezegend. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Nu zei Abraham tegen zijn oudste knecht, die het beheer had over zijn hele bezit: ‘Leg je hand in mijn lies: </VERS>
      <VERS vnumber="3">ik wil dat je me bij de HEER, de God van hemel en aarde, zweert dat je voor mijn zoon geen vrouw zult zoeken onder de Kanaänieten, tussen wie ik hier woon; </VERS>
      <VERS vnumber="4">ik wil dat je naar het land gaat waar ik vandaan kom, naar mijn familie, en dat je daar voor mijn zoon Isaak een vrouw zoekt.’ </VERS>
      <VERS vnumber="5">De knecht antwoordde: ‘Misschien weigert die vrouw met mij mee te komen naar dit land. Moet ik uw zoon in dat geval terugbrengen naar het land dat u verlaten hebt?’ </VERS>
      <VERS vnumber="6">‘Nee, ‘zei Abraham, ‘je mag mijn zoon onder geen beding daarheen terugbrengen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">De HEER, de God van de hemel, die mij heeft opgedragen weg te gaan bij mijn naaste verwanten en mijn geboorteland te verlaten en die mij onder ede beloofd heeft dat hij dit land hier aan mijn nakomelingen zal geven, hij zal zijn engel voor je uit sturen, zodat je daar een vrouw voor mijn zoon zult vinden. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Mocht die vrouw weigeren met je mee te gaan, dan ben je van deze eed ontslagen. Maar breng mijn zoon in geen geval daarheen terug.’ </VERS>
      <VERS vnumber="9">Hierop legde Abrahams knecht zijn hand in de lies van zijn meester en zwoer hem te zullen doen wat hij gevraagd had. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Hij nam tien van de kamelen van zijn meester en begaf zich op weg, met allerlei kostbaarheden die hij van zijn meester meekreeg. Zo ging hij naar Aram-Naharaïm, de stad van Nachor. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Buiten die stad liet hij de kamelen neerknielen bij een waterput. Het was tegen de avond, omstreeks de tijd dat de vrouwen de stad uitgaan om water te putten. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Toen zei hij: ‘HEER, God van mijn meester Abraham, als u mijn meester Abraham genegen bent, laat het mij dan zo vergaan: </VERS>
      <VERS vnumber="13">Ik sta nu bij deze bron, en de meisjes uit de stad komen hier straks water putten. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Het meisje dat ik vraag haar kruik van haar schouder te nemen om mij te drinken te geven en dat antwoordt: “Ga uw gang, ik zal ook uw kamelen te drinken geven, ”laat dat het meisje zijn dat u bestemd hebt voor uw dienaar Isaak. Als zij zo reageert, zal ik weten dat u mijn meester genegen bent.’ </VERS>
      <VERS vnumber="15">Hij was nog niet uitgesproken, of Rebekka kwam de stad uit, de dochter van Betuël, die de zoon was van Milka, de vrouw van Abrahams broer Nachor, met haar kruik op haar schouder. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Ze was een heel knap meisje, een maagd nog, er had nog nooit een man met haar geslapen. Ze liep naar beneden, naar de bron, vulde haar kruik en kwam weer terug. </VERS>
      <VERS vnumber="17">De knecht snelde haar tegemoet en vroeg haar: ‘Mag ik alsjeblieft wat water drinken uit je kruik?’ </VERS>
      <VERS vnumber="18">‘Ga uw gang, heer, ‘antwoordde ze, en dadelijk liet ze de kruik op haar hand glijden en gaf hem te drinken. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Toen hij genoeg gedronken had, zei ze: ‘Ik zal ook voor uw kamelen putten tot ze genoeg hebben gehad.’ </VERS>
      <VERS vnumber="20">En meteen goot ze haar kruik leeg in de drinkbak en haastte ze zich terug naar de put om opnieuw water te halen. Ze putte water voor al zijn kamelen. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Zwijgend sloeg de man haar gade, terwijl hij zich afvroeg of de HEER hem had doen slagen of niet. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Toen de kamelen genoeg gedronken hadden, haalde hij een gouden neusring te voorschijn die wel een halve sjekel woog, en twee gouden armbanden, die tien sjekel zwaar waren. </VERS>
      <VERS vnumber="23">‘Mag ik je vragen van wie je een dochter bent?’ vroeg hij. ‘En is er misschien in je vaders huis zo veel ruimte dat wij daar kunnen overnachten?’ </VERS>
      <VERS vnumber="24">‘Ik ben een dochter van Betuël, de zoon van Milka en Nachor, ‘antwoordde ze. </VERS>
      <VERS vnumber="25">‘En jazeker, we hebben stro en meer dan genoeg voer, en ook plaats om te overnachten.’ </VERS>
      <VERS vnumber="26">Toen viel de man op zijn knieën, boog zich neer voor de HEER </VERS>
      <VERS vnumber="27">en zei: ‘Geprezen zij de HEER, de God van mijn meester Abraham, die mijn meester zijn genegenheid en trouw niet heeft onthouden. De HEER heeft mij naar het huis van mijn meesters verwanten gebracht.’ </VERS>
      <VERS vnumber="28">Het meisje rende naar huis, naar haar moeder, en vertelde wat er was gebeurd. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Nu had Rebekka een broer, Laban. Deze haastte zich de stad uit, om naar de man bij de bron te gaan; </VERS>
      <VERS vnumber="30">zodra hij de neusring had gezien en de armbanden die zijn zuster om had, en van haar had gehoord wat de man tegen haar had gezegd, ging hij naar hem toe. De man bleek nog bij zijn kamelen te staan, bij de bron. </VERS>
      <VERS vnumber="31">‘Komt u toch mee, u op wie de zegen van de HEER rust, ‘zei Laban. ‘Waarom blijft u hier buiten staan, terwijl ik het huis al in gereedheid heb gebracht en er plaats is voor uw kamelen?’ </VERS>
      <VERS vnumber="32">Daarop ging de man met hem mee naar huis. De kamelen werden afgezadeld, ze kregen stro en voer, en er werd water gebracht zodat de man en zijn metgezellen hun voeten konden wassen. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Ook werd hem een maaltijd voorgezet, maar hij zei: ‘Voordat ik ga eten moet ik u iets zeggen.’ ‘Ga uw gang, ‘zei Laban. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Toen zei hij: ‘Ik ben een knecht van Abraham. </VERS>
      <VERS vnumber="35">De HEER heeft mijn meester overvloedig gezegend, zodat hij rijk is geworden: hij heeft hem schapen, geiten en runderen gegeven, zilver en goud, slaven en slavinnen, kamelen en ezels. </VERS>
      <VERS vnumber="36">En Sara, de vrouw van mijn meester, heeft hem een zoon gebaard toen ze al oud was; aan hem zal hij al zijn bezittingen nalaten. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Nu heeft mijn meester mij een eed laten zweren. Hij zei: “Je mag voor mijn zoon geen vrouw zoeken onder de meisjes van Kanaän, het land waar ik nu woon. </VERS>
      <VERS vnumber="38">Je moet naar mijn eigen familie gaan, naar mijn naaste verwanten, en daar een vrouw voor mijn zoon zoeken.” </VERS>
      <VERS vnumber="39">Toen zei ik tegen mijn meester: “Misschien wil die vrouw niet met mij meegaan.” </VERS>
      <VERS vnumber="40">Maar hij antwoordde mij: “De HEER, naar wiens wil ik mij steeds heb gericht, zal zijn engel met je meesturen en ervoor zorgen dat je binnen mijn familie, onder mijn naaste verwanten, een vrouw vindt voor mijn zoon. </VERS>
      <VERS vnumber="41">Je mag je alleen dan ontslagen achten van deze eed wanneer je naar mijn familie bent gegaan en ze haar niet aan je meegeven; in dat geval ben je van deze eed ontslagen.” </VERS>
      <VERS vnumber="42">Welnu, vandaag kwam ik bij de bron hier en ik zei: “HEER, God van mijn meester Abraham, als u mijn onderneming werkelijk wilt laten slagen… </VERS>
      <VERS vnumber="43">Ik sta hier bij deze bron. Als er nu een jonge vrouw de stad uit komt om water te putten en ik vraag haar: ‘Wil je me alsjeblieft een beetje water uit je kruik geven,‘ </VERS>
      <VERS vnumber="44">en ze antwoordt: ‘Ga uw gang, ik zal ook voor uw kamelen water putten, ‘laat dat dan de vrouw zijn die u, HEER, hebt bestemd voor de zoon van mijn meester.” </VERS>
      <VERS vnumber="45">En nog voordat ik was uitgesproken, kwam Rebekka de stad uit, met haar kruik op haar schouder. Ze liep naar beneden, naar de bron, en putte water. Ik vroeg haar of ze me wat te drinken wilde geven. </VERS>
      <VERS vnumber="46">Meteen nam ze de kruik van haar schouder en zei: “Ga uw gang, ik zal ook uw kamelen te drinken geven.” Toen dronk ik zelf wat en heeft ze ook de kamelen te drinken gegeven. </VERS>
      <VERS vnumber="47">Ik vroeg haar van wie zij een dochter was. “Van Betuël, ”antwoordde ze, “de zoon van Nachor en Milka.” Toen deed ik de ring in haar neus en de armbanden om haar polsen. </VERS>
      <VERS vnumber="48">En ik ben op mijn knieën gevallen en heb me neergebogen voor de HEER, en ik heb de HEER, de God van mijn meester Abraham, geprezen: hij heeft mij de goede weg gewezen en zo heb ik voor zijn zoon de kleindochter van mijn meesters broer gevonden. </VERS>
      <VERS vnumber="49">Welnu, als u mijn meester blijk wilt geven van genegenheid en trouw, zegt u het mij dan. Zo niet, zeg het mij dan ook, zodat ik ergens anders op zoek kan gaan.’ </VERS>
      <VERS vnumber="50">Laban en Betuël antwoordden: ‘De HEER heeft dit alles zo beschikt. Hoe zouden wij er dan tegenin kunnen gaan? </VERS>
      <VERS vnumber="51">Hier is Rebekka. Neem haar met u mee en laat haar de vrouw worden van de zoon van uw meester, zoals de HEER het wil.’ </VERS>
      <VERS vnumber="52">Bij het horen van dat antwoord boog Abrahams knecht zich diep neer voor de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="53">Hierna haalde hij zilveren en gouden sieraden en kledingstukken te voorschijn en gaf ze aan Rebekka. Ook haar broer en haar moeder gaf hij kostbare geschenken. </VERS>
      <VERS vnumber="54">En nadat hij en zijn metgezellen gegeten en gedronken hadden overnachtten ze daar.Zodra ze de volgende morgen waren opgestaan, zei hij dat hij nu graag terug wilde gaan naar zijn meester. </VERS>
      <VERS vnumber="55">Maar Rebekka’s broer en haar moeder zeiden: ‘Laat het meisje nog een dag of tien bij ons blijven, daarna mag ze met u mee.’ </VERS>
      <VERS vnumber="56">Hij antwoordde echter: ‘Houd mij niet op nu de HEER mij heeft laten slagen. Sta me toe te vertrekken en terug te gaan naar mijn meester.’ </VERS>
      <VERS vnumber="57">‘Laten we het meisje zelf roepen, ‘zeiden ze, ‘en haar vragen wat zij wil.’ </VERS>
      <VERS vnumber="58">Dus riepen ze Rebekka en vroegen haar: ‘Wil je met deze man meegaan?’ ‘Ja, ‘antwoordde ze. </VERS>
      <VERS vnumber="59">Toen namen de familieleden afscheid van Rebekka, en ook van haar voedster en van Abrahams knecht en zijn mannen. </VERS>
      <VERS vnumber="60">Daarbij zegenden ze Rebekka met de woorden: ‘Zuster van ons, wij wensen jou duizend maal tienduizend nazaten toe, en moge de stad van de vijand hun in handen vallen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="61">Rebekka en haar dienaressen maakten zich klaar, bestegen de kamelen en reden achter de knecht aan. Zo vertrok hij, met Rebekka. </VERS>
      <VERS vnumber="62">Isaak, die in de Negev woonde, was naar de bron Lachai-Roï geweest. </VERS>
      <VERS vnumber="63">Tegen het vallen van de avond ging hij het veld in om daar te treuren. Toen hij opkeek zag hij plotseling kamelen naderen. </VERS>
      <VERS vnumber="64">Ook Rebekka keek op. Zodra ze Isaak zag, liet ze zich van haar kameel glijden. </VERS>
      <VERS vnumber="65">‘Wie is die man die ons daar in het veld tegemoet komt?’ vroeg ze aan de knecht. ‘Dat is mijn meester, ‘antwoordde hij. Daarop bedekte ze zich met haar sluier. </VERS>
      <VERS vnumber="66">De knecht vertelde Isaak wat hij allemaal gedaan had. </VERS>
      <VERS vnumber="67">Daarna bracht Isaak Rebekka naar de tent van Sara, zijn moeder. Hij nam haar tot vrouw en ging van haar houden. Zo vond Isaak troost na de dood van zijn moeder. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="25">
      <VERS vnumber="1">Abraham nam een andere vrouw, Ketura. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Zij baarde hem Zimran, Joksan, Medan, Midjan, Jisbak en Suach. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Joksan was de vader van Seba en Dedan; van Dedan stammen de Assurieten, de Letusieten en de Leümieten af. </VERS>
      <VERS vnumber="4">De zonen van Midjan heetten Efa, Efer, Chanoch, Abida en Eldaä. Zij waren allen nakomelingen van Ketura. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Abraham gaf alles wat hij bezat aan Isaak. </VERS>
      <VERS vnumber="6">De zonen van zijn bijvrouwen gaf hij nog tijdens zijn leven geschenken, en hij stuurde hen weg naar een land in het oosten, Kedem, ver bij zijn zoon Isaak vandaan. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Abraham leefde honderdvijfenzeventig jaar. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Hij stierf in gezegende ouderdom; na een lang leven blies hij de laatste adem uit en werd hij met zijn voorouders verenigd. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Zijn zonen Isaak en Ismaël begroeven hem in de grot van Machpela op het land van Efron, de zoon van de Hethiet Sochar, dicht bij Mamre, </VERS>
      <VERS vnumber="10">het stuk land dat Abraham van de Hethieten had gekocht. Daar ligt Abraham begraven, evenals zijn vrouw Sara. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Na Abrahams dood zegende God Isaak, zijn zoon, die bij de bron Lachai-Roï ging wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Dit zijn de nakomelingen van Ismaël, de zoon die Hagar, de Egyptische slavin van Sara, aan Abraham had gebaard. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Hier volgen de namen van de zonen van Ismaël, in volgorde van geboorte: Nebajot, Ismaëls oudste zoon, Kedar, Adbeël, Mibsam, </VERS>
      <VERS vnumber="14">Misma, Duma, Massa, </VERS>
      <VERS vnumber="15">Chadad, Tema, Jetur, Nafis en Kedema. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Dit waren de zonen van Ismaël, dit waren hun namen-twaalf stamvorsten, elk met hun eigen nederzetting en hun eigen tentenkamp. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Ismaël leefde honderdzevenendertig jaar. Toen blies hij de laatste adem uit en werd hij verenigd met zijn voorouders. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Zijn nakomelingen woonden in een gebied dat zich uitstrekte van Chawila tot Sur, dat ten oosten van Egypte ligt, in de richting van Assur. Ze vestigden zich in de buurt van hun verwanten en leefden in onmin met hen. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Dit is de geschiedenis van Abrahams zoon Isaak en zijn nakomelingen. Isaak, de zoon die Abraham verwekt had, </VERS>
      <VERS vnumber="20">was veertig jaar toen hij trouwde met Rebekka, die een dochter was van de Arameeër Betuël uit Paddan-Aram en een zuster van de Arameeër Laban. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Omdat Rebekka onvruchtbaar bleek, bad Isaak vurig voor haar tot de HEER, en de HEER verhoorde zijn gebed: Rebekka, zijn vrouw, werd zwanger. </VERS>
      <VERS vnumber="22">De kinderen in haar lichaam botsten hard tegen elkaar. Als het zo moet gaan, dacht ze, waarom leef ik dan nog? En ze ging bij de HEER te rade. </VERS>
      <VERS vnumber="23">De HEER zei tegen haar: ‘Twee volken zijn er in je schoot, volken die uiteengaan nog voor je hebt gebaard. Het ene zal machtiger zijn dan het andere, de oudste zal de jongste dienen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="24">Toen de dag van de bevalling was gekomen, bracht zij inderdaad een tweeling ter wereld. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Het kind dat het eerst te voorschijn kwam was rossig en helemaal behaard, alsof het een haren mantel aanhad; ze noemden het Esau. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Toen daarna zijn broer te voorschijn kwam, hield die Esau bij de hiel beet; hij werd Jakob genoemd. Isaak was zestig jaar toen zij geboren werden. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Toen de jongens opgegroeid waren, werd Esau een uitstekend jager, iemand die altijd buiten was, terwijl Jakob een rustig man was, die het liefst bij de tenten bleef. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Isaak was zeer op Esau gesteld want hij at graag wildbraad, maar Rebekka hield meer van Jakob. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Eens was Jakob aan het koken toen Esau uitgeput thuiskwam van de jacht. </VERS>
      <VERS vnumber="30">‘Gauw, geef me wat van dat rode dat je daar kookt, ik ben doodmoe, ‘zei Esau tegen Jakob. (Daarom wordt hij ook wel Edom genoemd.) </VERS>
      <VERS vnumber="31">‘Pas als jij me je eerstgeboorterecht verkoopt, ‘antwoordde Jakob. </VERS>
      <VERS vnumber="32">‘Man, ik sterf van de honger, ‘zei Esau, ‘wat moet ik met dat eerstgeboorterecht?’ </VERS>
      <VERS vnumber="33">‘Zweer het me nu meteen, ‘zei Jakob. Dat deed Esau, en zo verkocht hij zijn eerstgeboorterecht aan Jakob. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Daarop gaf Jakob hem brood en linzensoep. Esau at, dronk en ging meteen weer weg; hij hechtte geen enkele waarde aan het eerstgeboorterecht. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="26">
      <VERS vnumber="1">Eens brak er in het land hongersnood uit (een andere dan de hongersnood die er vroeger was geweest, in de tijd van Abraham), en daarom ging Isaak naar Gerar, de stad van Abimelech, de koning van de Filistijnen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Daar verscheen de HEER aan hem en zei: ‘Reis niet verder naar Egypte maar blijf hier wonen, in het land dat ik je aanwijs. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Blijf voorlopig in dit land, ik zal je ter zijde staan en je zegenen: ik zal dit hele gebied aan jou en je nakomelingen geven en zo de eed gestand doen die ik je vader Abraham heb gezworen. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Ik zal je zoveel nakomelingen geven als er sterren aan de hemel zijn en dit hele gebied aan hen geven, en alle volken op aarde zullen wensen zo gezegend te worden als jouw nakomelingen. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Want Abraham heeft naar mij geluisterd en zich gehouden aan wat ik hem opdroeg, aan mijn geboden, voorschriften en regels.’ </VERS>
      <VERS vnumber="6">Dus bleef Isaak in Gerar wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Toen de inwoners van die stad hem vragen stelden over zijn vrouw, zei hij dat ze zijn zuster was. Hij durfde niet te zeggen dat ze zijn vrouw was, want hij dacht: Ze zouden me hier weleens kunnen vermoorden om Rebekka, omdat ze zo mooi is. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Maar toen hij daar al geruime tijd woonde, zag Abimelech, de koning van de Filistijnen, tot zijn verbazing vanuit zijn venster hoe Isaak Rebekka aan het liefkozen was. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Abimelech ontbood Isaak en zei: ‘Wat zie ik nu! Ze is uw vrouw! Hoe hebt u dan kunnen zeggen dat ze uw zuster is?’ Isaak antwoordde: ‘Ik dacht: Zo kan ik voorkomen dat ik om haar mijn leven verlies.’ </VERS>
      <VERS vnumber="10">Maar Abimelech zei: ‘Wat hebt u ons aangedaan! Er had nu gemakkelijk iemand van mijn volk met uw vrouw kunnen slapen, en dan zouden wij door uw toedoen schuldig zijn geweest.’ </VERS>
      <VERS vnumber="11">Daarop waarschuwde hij het hele volk: ‘Wie deze man of zijn vrouw met ook maar één vinger aanraakt, zal ter dood gebracht worden.’ </VERS>
      <VERS vnumber="12">Isaak zaaide in dat land en hij oogstte nog hetzelfde jaar honderdvoudig, want de HEER zegende hem. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Hij werd rijker en rijker, schatrijk werd hij: </VERS>
      <VERS vnumber="14">hij bezat grote kudden schapen, geiten en runderen en een groot aantal slaven en slavinnen. De Filistijnen werden jaloers op hem, </VERS>
      <VERS vnumber="15">en daarom maakten ze alle putten die de knechten van zijn vader Abraham indertijd hadden gegraven onbruikbaar door ze vol te gooien met aarde. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Het kwam zo ver dat Abimelech tegen Isaak zei: ‘U kunt maar beter bij ons weggaan, u bent veel te machtig voor ons geworden.’ </VERS>
      <VERS vnumber="17">Toen vertrok Isaak en sloeg zijn tenten op in het dal van Gerar, en daar bleef hij wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="18">De waterputten die in de tijd van zijn vader Abraham waren gegraven en die de Filistijnen na Abrahams dood hadden dichtgegooid, groef Isaak weer open, en hij gaf ze dezelfde namen als zijn vader ze had gegeven. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Ook Isaaks knechten gingen in het dal aan het graven en zij troffen er een bron met helder water aan. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Maar de herders uit Gerar maakten ruzie met Isaaks herders. ‘Dat water is van ons, ‘zeiden ze. Omdat hij daarover onenigheid met hen had gekregen, noemde hij die bron Esek. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Toen groeven ze een andere put en ook daarover kregen ze ruzie; hij noemde hem daarom Sitna. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Daarna trok hij verder, en weer groef hij een put. Hierover ontstond geen onenigheid. Hij noemde hem Rechobot, ‘want, ‘zei hij, ‘nu heeft de HEER ons ruimte gegeven in dit land en kunnen wij ons uitbreiden.’ </VERS>
      <VERS vnumber="23">Van daar trok hij naar Berseba. </VERS>
      <VERS vnumber="24">‘s Nachts verscheen de HEER aan hem en zei: ‘Ik ben de God van je vader Abraham. Wees niet bang want ik sta je ter zijde, en ik zal je zegenen en je veel nakomelingen geven omwille van mijn dienaar Abraham.’ </VERS>
      <VERS vnumber="25">Toen bouwde hij op die plaats een altaar, riep er de naam van de HEER aan en sloeg er zijn tenten op; zijn knechten begonnen daar een put te graven. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Abimelech kwam vanuit Gerar naar hem toe, samen met zijn vertrouweling Achuzzat en zijn legeroverste Pichol. </VERS>
      <VERS vnumber="27">‘Wat komt u hier doen?’ vroeg Isaak hun. ‘U bent mij immers vijandig gezind, u hebt mij toch weggestuurd?’ </VERS>
      <VERS vnumber="28">Ze antwoordden: ‘Het is voor ons duidelijk dat de HEER u ter zijde staat. Daarom leek het ons goed met u een verdrag te sluiten en dit met een plechtige eed te bekrachtigen. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Laten we afspreken dat u ons geen kwaad zult doen, zoals wij van onze kant u geen haar hebben gekrenkt en u alleen maar goed hebben behandeld en u in vrede hebben laten gaan. De zegen van de HEER rust immers op u.’ </VERS>
      <VERS vnumber="30">Toen maakte Isaak een maaltijd voor hen klaar, en samen aten en dronken ze. </VERS>
      <VERS vnumber="31">De volgende morgen vroeg zwoeren ze elkaar een eed. Daarna deed Isaak hun uitgeleide, en ze gingen in vrede uiteen. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Diezelfde dag nog kwamen Isaaks knechten hem vertellen over de put die ze hadden gegraven. ‘We hebben water gevonden!’ zeiden ze. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Hij noemde die put Seba, en daarom heet de stad daar tot op de dag van vandaag Berseba. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Toen Esau veertig jaar was trouwde hij met Jehudit, die een dochter was van de Hethiet Beëri, en met Basemat, een dochter van de Hethiet Elon. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Zij waren een bron van voortdurende ergernis voor Isaak en Rebekka. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="27">
      <VERS vnumber="1">Toen Isaak oud geworden was en zijn ogen zo zwak waren geworden dat hij niet meer kon zien, riep hij Esau bij zich, zijn oudste zoon. ‘Mijn zoon, ‘zei hij. ‘Wat wilt u mij zeggen?’ vroeg Esau. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Toen zei Isaak: ‘Luister, ik ben oud, iedere dag kan voor mij de laatste zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Neem daarom je jachtgerei, je pijlkoker en je boog, ga het veld in en schiet een stuk wild voor me. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Maak dat voor me klaar zoals ik het lekker vind en breng me dat te eten; het zal mij de kracht geven om je te zegenen voordat ik sterf.’ </VERS>
      <VERS vnumber="5">Rebekka had gehoord wat Isaak tegen zijn zoon Esau zei, en nadat Esau erop uit was getrokken om een stuk wild voor zijn vader te schieten, </VERS>
      <VERS vnumber="6">zei ze tegen haar zoon Jakob: ‘Luister, ik hoorde je vader tegen je broer zeggen: </VERS>
      <VERS vnumber="7">“Maak een lekker maal van wildbraad voor me klaar en breng me dat te eten, want ik wil je voor mijn dood zegenen met de HEER als getuige.” </VERS>
      <VERS vnumber="8">Doe jij nu precies wat ik je zeg, mijn zoon. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Ga naar de kudde en zoek twee malse bokjes voor me uit. Die maak ik dan voor je vader klaar zoals hij het lekker vindt. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Daarna breng jij ze je vader te eten, en dan zal hij jou voor zijn dood zegenen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="11">Jakob wierp tegen: ‘Maar Esau is toch helemaal behaard, terwijl ik juist een gladde huid heb! </VERS>
      <VERS vnumber="12">Misschien raakt vader me aan, dan zal hij me een bedrieger vinden en breng ik een vloek over me in plaats van zegen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="13">Maar zijn moeder zei: ‘Die vloek moet mij dan maar treffen, mijn zoon. Doe nu wat ik zeg en ga die bokjes voor me halen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="14">Dus ging hij ze halen en bracht ze naar zijn moeder, en zij maakte ze klaar zoals zijn vader het lekker vond. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Toen pakte Rebekka kleren van haar oudste zoon Esau, de kostbaarste die ze kon vinden, en die liet ze haar jongste zoon Jakob aantrekken. </VERS>
      <VERS vnumber="16">En over zijn handen en over zijn gladde hals trok ze het vel van de bokjes. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Hierna overhandigde ze Jakob het smakelijke gerecht dat ze had klaargemaakt, met brood erbij. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Zo ging hij naar zijn vader. ‘Vader, ‘zei hij. ‘Ja, mijn zoon, ‘zei Isaak, ‘wie ben je?’ </VERS>
      <VERS vnumber="19">Jakob antwoordde zijn vader: ‘Ik ben Esau, uw eerstgeboren zoon. Ik heb gedaan wat u me hebt gevraagd. Kom, ga overeind zitten en eet van wat ik heb geschoten; dat zal u de kracht geven om mij te zegenen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="20">‘Hoe heb je zo snel iets kunnen vinden, mijn zoon!’ zei Isaak. En hij antwoordde: ‘Doordat de HEER, uw God, alles zo gunstig voor me liet verlopen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="21">Toen zei Isaak tegen Jakob: ‘Kom eens wat dichterbij, mijn zoon, zodat ik kan voelen of je inderdaad mijn zoon Esau bent of niet.’ </VERS>
      <VERS vnumber="22">Jakob kwam dichter bij zijn vader staan en deze betastte hem. Het is Jakobs stem, dacht hij, maar het zijn Esaus handen. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Omdat Jakobs handen even behaard waren als die van zijn broer Esau, herkende Isaak hem niet en dus zegende hij hem. </VERS>
      <VERS vnumber="24">‘Ben je echt mijn zoon Esau?’ vroeg hij nog. ‘Ja, ‘antwoordde Jakob. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Toen zei hij: ‘Zet het wildbraad dan dichter bij me, zodat ik ervan kan eten, mijn zoon, en de kracht vind om je te zegenen.’ Jakob zette het dichter bij hem en Isaak at ervan. Ook bracht hij hem wijn, en hij dronk ervan. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Toen zei Isaak tegen Jakob: ‘Kom eens dichterbij, mijn zoon, en kus me.’ </VERS>
      <VERS vnumber="27">Hij kwam dicht bij hem staan en kuste hem. Toen Isaak zijn kleren rook, sprak hij deze zegen over hem uit: ‘De geur van mijn zoon is de geur van het veld, het veld dat de HEER heeft gezegend. </VERS>
      <VERS vnumber="28">God geve je dauw uit de hemel en vette, vruchtbare aarde, een overvloed van koren en wijn. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Volken zullen je dienen, naties zich voor je buigen. Je zult heer zijn over je broers, macht hebben over je moeders zonen. Vervloekt wie jou vervloekt, gezegend wie jou zegent.’ </VERS>
      <VERS vnumber="30">Toen Isaak Jakob gezegend had en Jakob nog maar net bij zijn vader was weggegaan, kwam zijn broer Esau thuis van de jacht. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Ook hij maakte een smakelijk gerecht klaar, bracht het zijn vader en zei tegen hem: ‘Ga overeind zitten, vader, en eet van wat uw zoon heeft geschoten; dat zal u de kracht geven om mij te zegenen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="32">‘Wie ben jij?’ vroeg zijn vader Isaak hem. ‘Ik ben het, Esau, uw zoon, uw eerstgeborene.’ </VERS>
      <VERS vnumber="33">Toen schrok Isaak hevig en zei: ‘Maar wie was het dan die mij net een stuk wild heeft gebracht dat hij geschoten had? Ik heb ervan gegeten voordat jij kwam en ik heb hem gezegend. En die zegen zal op hem blijven rusten!’ </VERS>
      <VERS vnumber="34">Toen Esau dat van zijn vader hoorde, slaakte hij een wilde, wanhopige kreet en hij smeekte zijn vader: ‘Zegen mij, zegen ook mij, vader!’ </VERS>
      <VERS vnumber="35">Maar Isaak antwoordde: ‘Je broer is me komen bedriegen en is er met jouw zegen vandoor gegaan.’ </VERS>
      <VERS vnumber="36">Toen zei Esau: ‘Niet voor niets heet hij Jakob: hij heeft me nu al twee keer beetgenomen. Eerst heeft hij me mijn eerstgeboorterecht afgenomen en nu ook nog mijn zegen!’ Daarna vroeg hij: ‘Hebt u dan geen zegen meer over voor mij?’ </VERS>
      <VERS vnumber="37">Isaak antwoordde hem: ‘Ik heb hem heer en meester over je gemaakt, hem al zijn broers als dienaar gegeven, en hem voorzien van koren en wijn. Wat zou ik dan nog voor jou kunnen doen, mijn zoon?’ </VERS>
      <VERS vnumber="38">‘Hebt u dan maar één zegen, vader?’ vroeg Esau hem. ‘Zegen mij, zegen ook mij, vader!’ En hij barstte in tranen uit. </VERS>
      <VERS vnumber="39">Zijn vader Isaak antwoordde hierop: ‘Ver van de vette grond zul je wonen, ver van de hemelse dauw. </VERS>
      <VERS vnumber="40">Je zult leven van je zwaard en dienstbaar zijn aan je broer. Maar heb je je eenmaal losgerukt, dan werp je zijn juk van je nek.’ </VERS>
      <VERS vnumber="41">Van toen af haatte Esau zijn broer omdat zijn vader hem had gezegend, en hij zei bij zichzelf: Het duurt niet lang meer of de dagen van rouw om mijn vader breken aan, dan vermoord ik Jakob. </VERS>
      <VERS vnumber="42">Toen Rebekka vernam wat haar oudste zoon Esau van plan was, liet ze haar jongste zoon Jakob bij zich komen. ‘Luister, ‘zei ze, ‘je broer Esau zint op wraak, hij wil je vermoorden. </VERS>
      <VERS vnumber="43">Doe daarom wat ik zeg, mijn zoon: vlucht onmiddellijk naar mijn broer Laban in Charan. </VERS>
      <VERS vnumber="44">Blijf voorlopig bij hem, totdat de woede van je broer bedaard is. </VERS>
      <VERS vnumber="45">Ik zal je laten terughalen als zijn woede bekoeld is en hij vergeten is wat je hem hebt aangedaan. Waarom zou ik me op een en dezelfde dag van jullie beiden laten beroven?’ </VERS>
      <VERS vnumber="46">Daarna zei Rebekka tegen Isaak: ‘Ik kan die Hethitische vrouwen niet meer luchten of zien. Stel je voor dat Jakob ook trouwt met zo’n Hethitische, zo’n meisje van hier, wat heeft het leven mij dan nog te bieden?’ </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="28">
      <VERS vnumber="1">Toen liet Isaak Jakob roepen, zegende hem en hield hem voor: ‘Trouw in geen geval een meisje uit Kanaän. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Vertrek van hier, ga naar Paddan-Aram, naar de familie van Betuël, de vader van je moeder, en trouw met een van de dochters van Laban, je moeders broer. </VERS>
      <VERS vnumber="3">God, de Ontzagwekkende, moge je zegenen, je vruchtbaar maken en je veel nakomelingen geven, zodat er een groot aantal volken uit je voortkomt. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Moge hij jou en je nakomelingen de zegen van Abraham geven, zodat je het land waar je nu nog als vreemdeling woont en dat God aan Abraham heeft gegeven, in bezit krijgt.’ </VERS>
      <VERS vnumber="5">Zo stuurde Isaak Jakob weg, en hij vertrok naar Paddan-Aram, naar Laban, die een zoon was van de Arameeër Betuël en een broer van Rebekka, de moeder van Jakob en Esau. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Esau kwam te weten dat Isaak Jakob had gezegend en hem naar Paddan-Aram had gestuurd om daar een vrouw te gaan zoeken, en dat hij hem bij het geven van zijn zegen verboden had met een meisje uit Kanaän te trouwen; </VERS>
      <VERS vnumber="7">ook merkte hij dat Jakob naar zijn vader en moeder had geluisterd en inderdaad naar Paddan-Aram was gegaan. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Hij zag wel in dat de Kanaänitische vrouwen in de ogen van zijn vader Isaak niet deugden. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Daarom ging hij naar Abrahams zoon Ismaël en trouwde hij, naast de vrouwen die hij al had, Machalat; zij was een dochter van Ismaël, een zuster van Nebajot. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Jakob verliet dus Berseba en ging op weg naar Charan. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Op zijn tocht kwam hij bij een plaats waar hij bleef overnachten omdat de zon al was ondergegaan. Hij pakte een van de stenen die daar lagen, legde die onder zijn hoofd en ging op die plaats liggen slapen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Toen kreeg hij een droom. Hij zag een ladder die op de aarde stond en helemaal tot de hemel reikte, en daarlangs zag hij Gods engelen omhoog gaan en afdalen. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Ook zag hij de HEER bij zich staan, die zei: ‘Ik ben de HEER, de God van je voorvader Abraham en de God van Isaak. Het land waarop je nu ligt te slapen zal ik aan jou en je nakomelingen geven. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Je zult zoveel nakomelingen krijgen als er stof op de aarde is; je gebied zal zich uitbreiden naar het westen en het oosten, naar het noorden en het zuiden. Alle volken op aarde zullen wensen zo gezegend te worden als jij en je nakomelingen. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Ikzelf sta je ter zijde, ik zal je overal beschermen, waar je ook heen gaat, en ik zal je naar dit land terugbrengen; ik zal je niet alleen laten tot ik gedaan heb wat ik je heb beloofd.’ </VERS>
      <VERS vnumber="16">Toen werd Jakob wakker. ‘Dit is zeker, ‘zei hij, ‘op deze plaats is de HEER aanwezig. Dat besefte ik niet.’ </VERS>
      <VERS vnumber="17">Eerbied vervulde hem. ‘Wat een ontzagwekkende plaats is dit, ‘zei hij, ‘dit is niets anders dan het huis van God, dit moet de poort van de hemel zijn!’ </VERS>
      <VERS vnumber="18">De volgende morgen vroeg zette Jakob de steen die hij als hoofdsteun had gebruikt rechtop, en wijdde hem door er olie over uit te gieten. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Hij gaf die plaats de naam Betel; vroeger heette het daar Luz. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Daarna legde hij een gelofte af: ‘Als God mij ter zijde staat en mij op deze reis beschermt, als hij mij brood te eten geeft en kleren aan mijn lichaam, </VERS>
      <VERS vnumber="21">en als ik veilig terugkom bij mijn verwanten, dan zal de HEER mijn God zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Deze steen die ik gewijd heb, zal dan een huis van God worden-en ik beloof dat ik u dan een tiende deel zal afstaan van alles wat u mij geeft.’ </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="29">
      <VERS vnumber="1">Jakob vervolgde zijn reis naar het land waar de volken van het oosten wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Op een dag zag hij ergens in het open veld een put waar drie kudden schapen omheen lagen; de dieren kregen altijd uit die put te drinken. Over de opening van de put lag een grote steen. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Als alle kudden daar bijeen waren gedreven, werd de steen van de opening gerold en kreeg het vee te drinken. Daarna werd de steen op de put teruggelegd. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Jakob vroeg de herders: ‘Waar komen jullie vandaan, vrienden?’ ‘Uit Charan, ‘antwoordden ze. </VERS>
      <VERS vnumber="5">‘Kennen jullie dan misschien Laban, de kleinzoon van Nachor?’ ‘Jazeker, ‘zeiden ze. </VERS>
      <VERS vnumber="6">‘Hoe maakt hij het?’ vroeg hij. ‘Goed, ‘antwoordden ze. ‘Kijk, daar komt zijn dochter Rachel juist aan met de schapen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="7">‘Maar het is nog volop dag, ‘zei Jakob, ‘het is toch nog geen tijd om het vee bijeen te drijven? Jullie kunnen de dieren toch te drinken geven en ze daarna weer laten grazen?’ </VERS>
      <VERS vnumber="8">‘Nee, ‘zeiden ze, ‘dat kan niet. Pas als alle kudden bijeen zijn gedreven, rollen we de steen van de put en geven we het vee te drinken.’ </VERS>
      <VERS vnumber="9">Terwijl hij nog met hen stond te praten, kwam Rachel eraan met de schapen van haar vader; zij was herderin. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Zodra Jakob Rachel zag, de dochter van zijn moeders broer Laban, met Labans vee, liep hij naar de put, rolde de steen van de opening en gaf de dieren van zijn oom te drinken. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Daarna kuste hij Rachel, terwijl hij zijn tranen de vrije loop liet. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Zodra hij Rachel had verteld dat hij familie van haar vader was, een zoon van Rebekka, rende ze naar haar vader en vertelde het hem. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Nauwelijks had Laban het nieuws over Jakob, de zoon van zijn zuster, gehoord of hij snelde hem tegemoet, omhelsde hem, kuste hem hartelijk en nam hem mee naar zijn huis. Daar vertelde Jakob zijn hele geschiedenis aan Laban. </VERS>
      <VERS vnumber="14">‘Het is duidelijk, ‘zei Laban, ‘dat je familie van me bent!’ Jakob was een volle maand bij Laban in huis </VERS>
      <VERS vnumber="15">toen deze tegen hem zei: ‘Het is niet nodig dat je voor niets voor mij werkt, alleen omdat je familie van me bent. Zeg me maar wat je loon moet zijn.’ </VERS>
      <VERS vnumber="16">Nu had Laban twee dochters; de oudste heette Lea, de jongste Rachel. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Lea’s ogen hadden geen glans, maar Rachel was mooi en aantrekkelijk. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Jakob was verliefd op Rachel, daarom zei hij tegen Laban: ‘Ik zal zeven jaar voor u werken om Rachel, uw jongste dochter.’ </VERS>
      <VERS vnumber="19">Laban antwoordde: ‘Ik kan haar beter aan jou geven dan aan een ander. Je kunt dus blijven.’ </VERS>
      <VERS vnumber="20">Zo werkte Jakob zeven jaar om Rachel, maar voor zijn gevoel waren het maar een paar dagen, zoveel hield hij van haar. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Toen zei Jakob tegen Laban: ‘De termijn is om. Geef me nu mijn vrouw, ik wil met haar slapen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="22">Laban nodigde alle inwoners van de stad uit en gaf een feest. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Toen de avond was gevallen bracht hij zijn dochter Lea bij Jakob, en Jakob sliep met haar. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Ook gaf Laban haar een van zijn slavinnen mee, Zilpa. </VERS>
      <VERS vnumber="25">‘s Morgens ontdekte Jakob dat het Lea was met wie hij had geslapen. ‘Hoe hebt u mij dit kunnen aandoen!’ wierp hij Laban voor. ‘Ik heb toch om Rachel bij u gewerkt? Waarom hebt u me zo bedrogen!’ </VERS>
      <VERS vnumber="26">Laban antwoordde: ‘Het is hier niet de gewoonte om de jongste voor de oudste uit te huwelijken. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Wacht daarom tot de bruiloftsweek met de een voorbij is, dan krijg je ook de ander, op voorwaarde dat je nog eens zeven jaar voor me werkt.’ </VERS>
      <VERS vnumber="28">Jakob stemde toe en wachtte tot de week om was; daarna gaf Laban hem zijn dochter Rachel tot vrouw. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Ook gaf Laban haar een van zijn slavinnen mee, Bilha. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Toen sliep Jakob ook met Rachel, en van Rachel hield hij echt, meer dan van Lea. En hij werkte nog eens zeven jaar bij Laban. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Toen de HEER zag dat Jakob minder van Lea hield, opende hij haar moederschoot, terwijl Rachel kinderloos bleef. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Lea werd zwanger en bracht een zoon ter wereld, die ze Ruben noemde, ‘want, ‘zei ze, ‘de HEER heeft gezien wat ik te verduren heb. Nu zal mijn man van mij houden.’ </VERS>
      <VERS vnumber="33">Ze werd opnieuw zwanger en bracht nog een zoon ter wereld. ‘De HEER heeft gehoord hoe weinig mijn man van me houdt; daarom heeft hij mij er nog een zoon bij gegeven, ‘zei ze, en ze noemde hem Simeon. </VERS>
      <VERS vnumber="34">En weer werd ze zwanger en bracht ze een zoon ter wereld. ‘Nu ik hem drie zonen heb gebaard, zal mijn man zich eindelijk aan mij hechten, ‘zei ze. Daarom werd hij Levi genoemd. </VERS>
      <VERS vnumber="35">En nog een keer werd ze zwanger en bracht ze een zoon ter wereld. ‘Nu zal ik de HEER loven!’ riep ze uit, en ze noemde hem Juda. Hierna kreeg ze geen kinderen meer. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="30">
      <VERS vnumber="1">Omdat Rachel geen kinderen van Jakob kreeg, was ze jaloers op haar zuster. ‘Geef mij kinderen, ‘zei ze tegen Jakob, ‘anders ga ik dood!’ </VERS>
      <VERS vnumber="2">Jakob werd kwaad en antwoordde: ‘Ik ben toch zeker God niet? Híj onthoudt jou het moederschap!’ </VERS>
      <VERS vnumber="3">‘Neem mijn slavin Bilha dan, ‘zei ze, ‘en slaap met haar. Als zij kinderen baart, zal ik die op mijn knieën nemen; dan krijg ik door haar toch nakomelingen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="4">Dus gaf ze hem haar slavin Bilha tot vrouw en Jakob sliep met haar. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Bilha werd zwanger en baarde Jakob een zoon. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Toen zei Rachel: ‘God heeft mij recht gedaan: hij heeft mij verhoord en mij een zoon gegeven.’ Daarom noemde ze hem Dan. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Opnieuw werd haar slavin Bilha zwanger, en ze baarde Jakob nog een zoon. </VERS>
      <VERS vnumber="8">‘Ik heb een zware strijd met mijn zuster gevoerd, ‘zei Rachel, ‘maar ik heb gewonnen.’ Ze noemde het kind Naftali. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Omdat Lea geen kinderen meer kreeg, gaf zij Jakob haar slavin Zilpa tot vrouw. </VERS>
      <VERS vnumber="10">En Zilpa, de slavin van Lea, baarde Jakob een zoon. </VERS>
      <VERS vnumber="11">‘Het geluk is met mij!’ zei Lea, en ze noemde hem Gad. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Toen haar slavin Zilpa Jakob een tweede zoon baarde, </VERS>
      <VERS vnumber="13">zei Lea: ‘Wat ben ik nu gelukkig! Alle vrouwen zullen mij gelukkig prijzen.’ Ze noemde het kind Aser. </VERS>
      <VERS vnumber="14">In de tijd van de tarweoogst vond Ruben buiten in het veld liefdesappels, die hij aan zijn moeder Lea gaf. ‘Geef mij ook eens wat van die liefdesappels van je zoon, ‘vroeg Rachel haar. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Maar Lea antwoordde: ‘Is het soms niet genoeg dat je mijn man hebt afgepakt? Wil je nu ook nog de liefdesappels van mijn zoon?’ Rachel zei: ‘In ruil voor de liefdesappels van je zoon mag Jakob vannacht met jou slapen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="16">Toen Jakob ‘s avonds thuiskwam uit het veld, ging Lea hem tegemoet en zei: ‘Je moet met mij slapen, ik heb je gehuurd voor de liefdesappels van mijn zoon.’ Dus sliep hij die nacht met haar, </VERS>
      <VERS vnumber="17">en God verhoorde Lea: ze werd zwanger en baarde Jakob voor de vijfde maal een zoon. </VERS>
      <VERS vnumber="18">‘God heeft mij beloond omdat ik mijn slavin aan mijn man heb gegeven, ‘zei ze, en ze noemde het kind Issachar. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Opnieuw werd ze zwanger en ze baarde Jakob een zesde zoon. </VERS>
      <VERS vnumber="20">‘God heeft mij een mooi geschenk gegeven, ‘zei ze, ‘mijn man zal mij op handen dragen nu ik hem zes zonen heb gebaard.’ Ze noemde het kind Zebulon. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Daarna bracht ze een dochter ter wereld, die ze Dina noemde. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Toen dacht God eindelijk aan Rachel: hij verhoorde haar en opende haar moederschoot. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Ze werd zwanger en bracht een zoon ter wereld. ‘God heeft me van mijn schande verlost, ‘zei ze. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Ze noemde het kind Jozef en zei: ‘Ik hoop dat de HEER mij er nog een zoon bij geeft.’ </VERS>
      <VERS vnumber="25">Toen Rachel Jozef ter wereld had gebracht, zei Jakob tegen Laban: ‘Ik zou graag vertrekken: laat mij teruggaan naar het land waar ik vandaan kom. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Geef me mijn vrouwen mee, voor wie ik bij u heb gewerkt, en mijn kinderen, en dan ga ik. U weet hoe hard ik al die tijd voor u heb gewerkt.’ </VERS>
      <VERS vnumber="27">Laban antwoordde: ‘Neem me vooral niet kwalijk-ik heb uit verschillende tekenen opgemaakt dat de HEER mij omwille van jou heeft gezegend. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Stel het loon maar vast dat je van me wilt, ik geef je wat je vraagt.’ </VERS>
      <VERS vnumber="29">Hierop zei Jakob: ‘U weet hoe hard ik voor u heb gewerkt en hoe het met uw vee is gegaan sinds ik het verzorg. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Uit het weinige vee dat u voor mijn komst had, is een enorme kudde gegroeid; de HEER heeft u sinds mijn komst inderdaad gezegend. Maar nu wordt het hoog tijd dat ik voor mijzelf aan de slag ga.’ </VERS>
      <VERS vnumber="31">Laban antwoordde: ‘Zeg maar wat ik je moet geven.’ ‘U hoeft mij niets te geven, ‘zei Jakob, ‘als u tenminste wilt ingaan op het volgende voorstel. Ik zal uw vee blijven weiden en verzorgen. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Laat mij vandaag uw hele kudde doorgaan en er alle dieren uit halen die gespikkeld of gevlekt zijn: van de schapen elk zwart dier en van de geiten alles wat gevlekt of gespikkeld is. Dat wil ik als loon. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Of ik eerlijk te werk ga zal blijken als u mijn loon komt inspecteren: alle geiten die niet gespikkeld of gevlekt zijn en alle schapen die niet zwart zijn, mag u als gestolen beschouwen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="34">‘Goed, ‘zei Laban, ‘ik neem je voorstel aan.’ </VERS>
      <VERS vnumber="35">Maar nog diezelfde dag zette hij de gestreepte en gevlekte bokken apart en de gespikkelde en gevlekte geiten, alles waaraan maar iets wits te zien was, en alle zwarte schapen, en hij stelde die dieren onder de hoede van zijn zonen. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Hij bepaalde dat Jakob drie dagreizen bij hem vandaan moest blijven. Het vee dat overgebleven was, mocht Jakob weiden. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Jakob brak jonge takken van populieren, amandelbomen en platanen en schilde ze zo dat het wit van de takken in strepen bloot kwam. </VERS>
      <VERS vnumber="38">Die afgeschilde takken legde hij in de drinkbakken. Wanneer de geiten kwamen drinken, werden de wijfjes, die tegenover de bokken stonden, namelijk bronstig. </VERS>
      <VERS vnumber="39">Als ze bij de takken besprongen werden, wierpen ze gestreepte, gespikkelde en gevlekte jongen. </VERS>
      <VERS vnumber="40">De schapen zette Jakob apart en hij zorgde ervoor dat hun koppen bij het paren gericht waren naar de dieren van Laban die gestreept of zwart waren. Zo vormde hij zijn eigen kudden, die hij gescheiden hield van Labans vee. </VERS>
      <VERS vnumber="41">Steeds als de sterke geiten bronstig werden, legde Jakob de takken vlak voor hun ogen in de drinkbak, zodat ze bij de takken besprongen zouden worden. </VERS>
      <VERS vnumber="42">Maar was het zwak vee, dan gebruikte hij de takken niet. Zo kreeg Laban de zwakke dieren en Jakob de sterke. </VERS>
      <VERS vnumber="43">Jakobs bezit werd groter en groter: hij kreeg niet alleen veel schapen en geiten, maar ook slaven en slavinnen, kamelen en ezels. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="31">
      <VERS vnumber="1">Eens hoorde hij Labans zonen zeggen: ‘Jakob heeft onze vader alles wat hij bezat afhandig gemaakt, al zijn rijkdom heeft hij verworven ten koste van onze vader.’ </VERS>
      <VERS vnumber="2">Ook merkte Jakob dat Laban niet meer zo vriendelijk tegen hem was als voorheen. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Toen zei de HEER tegen Jakob: ‘Ga terug naar het land van je voorouders, naar je familie. Ik zal je ter zijde staan.’ </VERS>
      <VERS vnumber="4">Jakob liet Rachel en Lea naar het veld roepen, waar zijn vee was, </VERS>
      <VERS vnumber="5">en zei tegen hen: ‘Ik merk dat jullie vader niet meer zo vriendelijk tegen mij is als eerst, maar de God van mijn vader heeft mij geholpen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Jullie weten dat ik zo hard als ik kon voor je vader heb gewerkt. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Toch heeft hij mij om de tuin geleid en mijn loon wel tien keer veranderd. Maar God heeft niet toegelaten dat hij me benadeelde. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Als hij zei: “Je krijgt de gespikkelde dieren als loon, ”dan wierp al het vee gespikkelde jongen. En als hij zei: “Je krijgt de gestreepte als loon, ”dan kreeg al het vee gestreepte jongen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Zo heeft God het vee van jullie vader afgenomen en aan mij gegeven. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Op een keer, toen het vee bronstig werd, had ik een droom en daarin zag ik dat de bokken die de geiten besprongen, allemaal gestreept, gespikkeld of gevlekt waren. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Ik werd in die droom aangesproken door een engel van God. “Jakob, ”zei hij, en ik antwoordde: “Ik luister.” </VERS>
      <VERS vnumber="12">Hij zei: “Kijk eens goed, alle bokken die de geiten bespringen zijn gestreept, gespikkeld of gevlekt, want ik heb gezien wat Laban je allemaal heeft aangedaan. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Ik ben de God van Betel, waar je een steen met olie hebt gewijd en waar je een gelofte hebt afgelegd. Kom, ga weg uit dit land en keer terug naar je geboorteland.”’ </VERS>
      <VERS vnumber="14">Rachel en Lea zeiden daarop: ‘Wat hebben wij hier nog te zoeken? Er valt van onze vader niets meer te erven. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Hij heeft ons immers als vreemden behandeld door ons te verkopen en ook al ons geld nog op te maken! </VERS>
      <VERS vnumber="16">Alle rijkdom die onze vader door God is afgenomen, komt ons en onze kinderen toe. Aarzel dus niet om te doen wat God je heeft opgedragen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="17">Toen maakte Jakob zich klaar, tilde zijn kinderen en vrouwen op de kamelen, </VERS>
      <VERS vnumber="18">bracht zijn vee en alle bezittingen die hij had verkregen bij elkaar, alle kudden die in Paddan-Aram zijn eigendom waren geworden, en ging op weg naar zijn vader Isaak in Kanaän. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Laban was van huis gegaan om zijn schapen te scheren. Rachel nam de kans waar om de godenbeeldjes van haar vader te stelen, </VERS>
      <VERS vnumber="20">en Jakob bedroog de Arameeër Laban door er heimelijk vandoor te gaan. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Zo vluchtte hij met alles wat hij bezat. Hij stak de Eufraat over en trok verder in de richting van het bergland van Gilead. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Jakob was al drie dagen onderweg toen Laban het bericht ontving dat hij gevlucht was. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Samen met zijn verwanten zette Laban de achtervolging in. Zeven dagen lang joeg hij Jakob achterna. Bijna had hij hem in het bergland van Gilead ingehaald, </VERS>
      <VERS vnumber="24">toen God ‘s nachts in een droom aan hem verscheen. Hij waarschuwde de Arameeër Laban: ‘Denk erom dat je Jakob geen strobreed in de weg legt.’ </VERS>
      <VERS vnumber="25">Kort daarna haalde Laban hem in. (Zowel Jakob als Laban en zijn verwanten hadden hun kamp opgeslagen in het bergland van Gilead.) </VERS>
      <VERS vnumber="26">‘Wat heb je gedaan!’ zei hij tegen Jakob. ‘Mij bedriegen en mijn dochters wegvoeren alsof het krijgsgevangenen zijn! </VERS>
      <VERS vnumber="27">Waarom ben je er heimelijk vandoor gegaan en heb je me bestolen, zonder ook maar iets te zeggen? Ik zou je een feestelijk afscheid hebben bezorgd; er zou gezongen zijn en op de tamboerijn en de lier zijn gespeeld. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Je hebt me niet eens de gelegenheid gegeven om mijn kleinkinderen en mijn dochters vaarwel te kussen. Daar heb je dom aan gedaan. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Ik zou het jullie gemakkelijk betaald kunnen zetten, maar de God van jullie vader heeft mij de afgelopen nacht gewaarschuwd dat ik je niets in de weg mocht leggen. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Alleen, je mag dan vertrokken zijn omdat je verteerd werd door heimwee-maar waarom heb je mijn goden gestolen?’ </VERS>
      <VERS vnumber="31">Jakob antwoordde: ‘Ik was bang dat u mij zou beroven van uw dochters. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Maar degene bij wie u uw goden aantreft, mag niet in leven blijven. Stel samen met onze verwanten maar een grondig onderzoek in, kijk of ik hier iets heb dat van u is en neem dat dan terug.’ Jakob wist namelijk niet dat het Rachel was die de godenbeeldjes had gestolen. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Laban ging de tent van Jakob binnen, en ook de tent van Lea en die van de twee slavinnen, maar hij vond de beeldjes nergens. Nadat hij de tent van Lea had verlaten, ging hij die van Rachel binnen. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Rachel had de beeldjes in een kameelzadel verstopt en was daarop gaan zitten. Laban doorzocht de hele tent maar kon ze niet vinden. </VERS>
      <VERS vnumber="35">‘Wees alstublieft niet boos dat ik niet voor u opsta, ‘zei Rachel tegen haar vader, ‘ik ben ongesteld.’ Zo zocht Laban alles af, zonder zijn godenbeeldjes te vinden. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Jakob werd kwaad en eiste verantwoording van Laban. ‘Wat heb ik verkeerd gedaan, ‘viel hij tegen hem uit, ‘wat heb ik misdreven, dat u mij zo hardnekkig hebt achtervolgd, </VERS>
      <VERS vnumber="37">en dat u al mijn spullen hebt doorzocht? Hebt u ook maar iets aangetroffen dat van u is? Leg het dan hier neer en laat het zien aan mijn en uw verwanten, dan moeten zij maar uitmaken wie van ons beiden in zijn recht staat. </VERS>
      <VERS vnumber="38">Al die twintig jaar dat ik bij u was, hebben uw ooien en uw geiten geen enkele misdracht gehad, nooit heb ik ook maar één ram van uw kudde gegeten. </VERS>
      <VERS vnumber="39">Met de verscheurde dieren ben ik nooit bij u aangekomen: ik moest ze zelf vergoeden. En ook eiste u van mij een vergoeding voor al het gestolen vee, of het nu overdag was gestolen of ‘s nachts. </VERS>
      <VERS vnumber="40">Wat heb ik niet moeten doorstaan? Overdag werd ik bevangen door de hitte, ‘s nachts door de kou, en ik deed geen oog dicht. </VERS>
      <VERS vnumber="41">Twintig jaar ben ik bij u geweest: veertien jaar heb ik voor u gewerkt om uw twee dochters, en zes jaar om uw vee. En u hebt mijn loon keer op keer veranderd. </VERS>
      <VERS vnumber="42">Als de God van mijn vader, de God van Abraham, de God voor wie Isaak diep ontzag heeft-als die God mij niet geholpen had, dan had u mij nu met lege handen weggestuurd. Maar hij heeft gezien wat ik te verduren had en hoe hard ik heb gewerkt, en daarom heeft hij gisternacht rechtgesproken.’ </VERS>
      <VERS vnumber="43">Toen zei Laban tegen Jakob: ‘Dit zijn mijn eigen dochters, mijn eigen kleinkinderen en mijn eigen dieren; alles wat je ziet is van mij. Hoe zou ik nu mijn eigen dochters iets kunnen aandoen, of de kinderen die zij ter wereld hebben gebracht? </VERS>
      <VERS vnumber="44">Laten we daarom een overeenkomst sluiten en iets zoeken dat voor ons beiden als getuige kan dienen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="45">Daarop koos Jakob een steen uit en zette hem rechtop als gedenksteen; </VERS>
      <VERS vnumber="46">hij droeg zijn verwanten op nog meer stenen te verzamelen. Dat deden ze. Ze stapelden ze op en hielden bij die steenhoop een maaltijd. </VERS>
      <VERS vnumber="47">Laban noemde de steenhoop in zijn taal Jegar-Sahaduta, Jakob noemde hem Gal-Ed. </VERS>
      <VERS vnumber="48">‘Deze steenhoop, ‘zei Laban, ‘is getuige van de overeenkomst tussen jou en mij.’ Daarom kreeg hij de naam Gal-Ed. </VERS>
      <VERS vnumber="49">Een andere naam die hij kreeg was Mispa, want Laban zei daar ook: ‘Moge de HEER toezicht houden op jou en mij wanneer we niet bij elkaar in de buurt zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="50">Als jij mijn dochters niet goed behandelt, of als je andere vrouwen neemt en die boven mijn dochters verkiest, zonder dat iemand daar weet van heeft, dan is God getuige van wat jij en ik doen. </VERS>
      <VERS vnumber="51">Deze steenhoop, ‘vervolgde Laban, ‘en deze gedenksteen die ik hier heb neergezet, </VERS>
      <VERS vnumber="52">zijn alle twee getuige van de afspraak dat ik niet met kwade bedoelingen voorbij deze steenhoop naar jou zal komen, en jij niet naar mij. </VERS>
      <VERS vnumber="53">De God van Abraham en de God van Nachor, die ook de God van hun vader was, zal beoordelen wie van ons beiden in zijn recht staat.’ Jakob zwoer een eed bij de God voor wie zijn vader Isaak diep ontzag had. </VERS>
      <VERS vnumber="54">Hij bracht daar in het bergland een offer en riep zijn verwanten op om er een maaltijd te houden. Dat deden ze, en ze overnachtten in het gebergte. </VERS>
      <VERS vnumber="55">(32:1) De volgende morgen vroeg kuste Laban zijn kleinkinderen en zijn dochters, en zegende hen. Daarna ging hij terug naar huis. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="32">
      <VERS vnumber="1">(32:2) Jakob trok verder. Plotseling verschenen er engelen van God op zijn weg. </VERS>
      <VERS vnumber="2">(32:3) ‘Een leger van God!’ riep Jakob uit toen hij hen zag, en hij noemde die plaats Machanaïm. </VERS>
      <VERS vnumber="3">(32:4) Jakob stuurde boden vooruit naar zijn broer Esau in Seïr, het gebied van Edom, </VERS>
      <VERS vnumber="4">(32:5) en droeg hun het volgende op: ‘Jullie moeten tegen mijn heer, tegen Esau, zeggen: “Uw dienaar Jakob laat u weten dat hij een tijdlang bij Laban heeft gewoond en pas nu bij hem is weggegaan. </VERS>
      <VERS vnumber="5">(32:6) Hij heeft daar runderen, ezels en schapen en geiten in bezit gekregen, en ook slaven en slavinnen. Deze boodschap laat hij aan u, zijn heer, overbrengen in de hoop dat u hem goedgezind zult zijn.”’ </VERS>
      <VERS vnumber="6">(32:7) Toen de boden bij Jakob terugkwamen, meldden ze hem: ‘We zijn bij uw broer Esau geweest, en hij komt u tegemoet, met vierhonderd man.’ </VERS>
      <VERS vnumber="7">(32:8) Jakob schrok hevig, het angstzweet brak hem uit. Daarom verdeelde hij zijn mensen over twee kampen, evenals zijn schapen en geiten en zijn runderen en kamelen. </VERS>
      <VERS vnumber="8">(32:9) Als Esau op het ene kamp afkomt en daar alles doodt, dacht hij, kan het andere kamp tenminste nog ontkomen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">(32:10) En hij bad: ‘God van mijn voorvader Abraham, God van mijn vader Isaak, HEER, die tegen mij gezegd heeft: “Ga terug naar je land, naar je familie, ik zal jou voorspoed geven” - </VERS>
      <VERS vnumber="10">(32:11) ik ben alle weldaden en al de trouw die u aan mij, uw dienaar, bewezen hebt niet waard. Met alleen mijn stok ben ik indertijd de Jordaan hier overgestoken, en nu kan ik mijn mensen zelfs over twee kampen verdelen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">(32:12) Ik smeek u, red mij uit de handen van Esau, mijn broer, ik vrees dat hij ons zal aanvallen en mij en iedereen zal doden, ook de kinderen en hun moeders. </VERS>
      <VERS vnumber="12">(32:13) U hebt immers zelf gezegd: “Ik zal jou grote voorspoed geven en veel nakomelingen, ze zullen zo talrijk zijn als zandkorrels aan de zee-niet te tellen zullen ze zijn.”’ </VERS>
      <VERS vnumber="13">(32:14) Nadat Jakob de nacht daar had doorgebracht, stelde hij uit het vee dat hij bezat een geschenk voor zijn broer Esau samen: </VERS>
      <VERS vnumber="14">(32:15) tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen, </VERS>
      <VERS vnumber="15">(32:16) dertig nog zogende kamelen met hun veulens, veertig koeien, tien stieren, twintig ezelinnen en tien ezelshengsten. </VERS>
      <VERS vnumber="16">(32:17) Elk van die kudden stelde hij onder het toezicht van een knecht, en hij gaf de knechten opdracht om voor hem uit te trekken en tussen de verschillende kudden een ruime afstand te laten. </VERS>
      <VERS vnumber="17">(32:18) Tegen de eerste knecht zei hij: ‘Als je mijn broer Esau tegenkomt en hij vraagt je bij wie je hoort en waar je heen gaat, en van wie de dieren zijn die je voor je uit drijft, </VERS>
      <VERS vnumber="18">(32:19) dan moet je zeggen: “Ik hoor bij uw dienaar Jakob, en dit is een geschenk dat bestemd is voor zijn heer, voor Esau. Jakob zelf komt achter ons aan.”’ </VERS>
      <VERS vnumber="19">(32:20) Ook de tweede en de derde knecht en alle verdere knechten die hij met de kudden meestuurde droeg hij dit op. ‘Jullie moeten precies hetzelfde tegen Esau zeggen als jullie hem tegenkomen, ‘zei hij. </VERS>
      <VERS vnumber="20">(32:21) ‘En vergeet vooral niet te zeggen: “Uw dienaar Jakob zelf komt achter ons aan.”’ Hij dacht namelijk: Ik zal proberen Esau mild te stemmen met het geschenk dat ik vooruitstuur; pas daarna durf ik hem zelf onder ogen te komen, misschien is hij dan bereid mij welwillend te ontvangen. </VERS>
      <VERS vnumber="21">(32:22) Zo ging het geschenk voor hem uit, maar zelf bleef hij die nacht nog in het tentenkamp. </VERS>
      <VERS vnumber="22">(32:23) Het was nog nacht toen Jakob opstond en de Jabbok overstak op een doorwaadbare plaats, samen met zijn beide vrouwen, zijn twee bijvrouwen en zijn elf kinderen. </VERS>
      <VERS vnumber="23">(32:24) Nadat hij hen over de rivier had geholpen, bracht hij ook al zijn bezittingen naar de overkant. </VERS>
      <VERS vnumber="24">(32:25) Maar zelf bleef hij achter, helemaal alleen, en er worstelde iemand met hem totdat de dag aanbrak. </VERS>
      <VERS vnumber="25">(32:26) Toen de ander zag dat hij het niet van hem kon winnen, raakte hij Jakobs heup aan, en daardoor raakte Jakobs heup tijdens die worsteling ontwricht. </VERS>
      <VERS vnumber="26">(32:27) Toen zei de ander: ‘Laat mij gaan, het wordt al dag.’ Maar Jakob zei: ‘Ik laat u niet gaan tenzij u mij zegent.’ </VERS>
      <VERS vnumber="27">(32:28) De ander vroeg: ‘Hoe luidt je naam?’ ‘Jakob, ‘antwoordde hij. </VERS>
      <VERS vnumber="28">(32:29) Daarop zei hij: ‘Voortaan zal je naam niet Jakob zijn maar Israël, want je hebt met God en mensen gestreden en je hebt gewonnen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="29">(32:30) Jakob vroeg: ‘Zeg me toch hoe u heet.’ Maar hij kreeg ten antwoord: ‘Waarom vraag je naar mijn naam?’ Toen zegende die ander hem daar. </VERS>
      <VERS vnumber="30">(32:31) Jakob noemde die plaats Peniël, ‘want, ‘zei hij, ‘ik heb oog in oog gestaan met God en ben toch in leven gebleven.’ </VERS>
      <VERS vnumber="31">(32:32) Zodra hij bij Peniël was overgestoken, zag hij de zon opkomen. Jakob liep mank. </VERS>
      <VERS vnumber="32">(32:33) Omdat de ander hem had aangeraakt bij de spier die boven het heupgewricht ligt, eten de Israëlieten de heupspier niet, tot op de dag van vandaag. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="33">
      <VERS vnumber="1">Plotseling zag Jakob Esau op zich afkomen, met vierhonderd man. Toen verdeelde hij de kinderen over Lea, Rachel en zijn twee bijvrouwen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">De bijvrouwen en hun kinderen liet hij voorop gaan, Lea en haar kinderen daarachter, en Rachel en Jozef helemaal achteraan. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Zelf liep hij voor iedereen uit, en terwijl hij zijn broer naderde boog hij zevenmaal diep voorover. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Esau rende hem tegemoet, sloot hem in zijn armen en kuste hem. Beiden lieten hun tranen de vrije loop. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Toen Esau opkeek en de vrouwen en kinderen zag, vroeg hij: ‘Wie heb je daar bij je?’ Jakob antwoordde: ‘Dat zijn de kinderen die God in zijn goedheid aan mij, je dienaar, heeft geschonken.’ </VERS>
      <VERS vnumber="6">Toen kwamen de bijvrouwen met hun kinderen dichterbij, en zij bogen diep. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Daarna kwam Lea met haar kinderen, en ook zij bogen diep. Ten slotte kwamen Jozef en Rachel, die eveneens diep bogen. </VERS>
      <VERS vnumber="8">‘Wat is de bedoeling van die hele schare die ik ben tegengekomen?’ vroeg Esau. Jakob antwoordde: ‘Die was bedoeld om mijn heer gunstig te stemmen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="9">Maar Esau zei: ‘Ik bezit genoeg, broer, houd jij maar wat je hebt.’ </VERS>
      <VERS vnumber="10">‘Nee, ‘zei Jakob, ‘als je mij goedgezind bent, neem dat geschenk dan alsjeblieft van mij aan, want oog in oog staan met jou is niets anders dan oog in oog staan met God, en toch ontvang je mij welwillend. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Neem toch aan wat ik je heb laten brengen en waarmee God mij heeft gezegend, want God is mij goedgezind geweest en ik heb meer dan genoeg.’ Omdat hij bleef aandringen nam Esau het aan. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Hierna zei Esau: ‘Laten we verdergaan, ik zal je vergezellen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="13">Maar Jakob antwoordde: ‘Mijn heer weet hoe zwak kinderen zijn, en ik heb de zorg voor zogende schapen, geiten en runderen. Als die ook maar één dag worden opgejaagd, gaan ze allemaal dood. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Laat mijn heer toch voor zijn dienaar uit trekken, dan zal ik hem op mijn gemak naar Seïr volgen en mij aanpassen aan het tempo van het vee dat ik bij me heb en aan dat van de kinderen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="15">Esau zei: ‘Laat me dan tenminste een paar van mijn mannen bij je achterlaten.’ Maar Jakob sloeg dat af: ‘Waarom al die moeite? Het is mij voldoende dat mijn heer mij goedgezind is.’ </VERS>
      <VERS vnumber="16">Diezelfde dag nog keerde Esau terug naar Seïr. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Jakob echter reisde naar Sukkot en bouwde er een huis. Ook maakte hij hutten voor zijn vee; vandaar dat die plaats Sukkot heet. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Op zijn tocht vanuit Paddan-Aram kwam Jakob ook in Sichem, een stad in Kanaän. Toen hij daar behouden aangekomen was, sloeg hij ten oosten van die stad zijn kamp op. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Het stuk land waarop zijn tenten stonden, kocht hij voor honderd qesita van de zonen van Chamor, onder wie Sichem. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Hij bouwde daar een altaar, dat hij ‘El is de God van Israël’ noemde. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="34">
      <VERS vnumber="1">Op een dag ging Dina, de dochter van Lea en Jakob, eens kijken bij de meisjes van dat land. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Zij werd opgemerkt door Sichem, een van de zonen van de Chiwwiet Chamor, die over dat gebied heerste. Hij overweldigde en verkrachtte haar. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Maar omdat hij zich onweerstaanbaar tot Dina aangetrokken voelde en verliefd op haar was, deed hij zijn best om het meisje voor zich te winnen. </VERS>
      <VERS vnumber="4">‘Zorg ervoor dat dat kind mijn vrouw wordt, ‘zei hij tegen zijn vader Chamor. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Het was Jakob wel ter ore gekomen dat Sichem zijn dochter had onteerd, maar zijn zonen waren op dat moment in het veld bij het vee, en hij ondernam niets zolang zij niet thuis waren. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Chamor, Sichems vader, kwam bij Jakob om met hem te praten. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Zodra Jakobs zonen van het gebeurde hadden gehoord, waren zij naar huis gekomen. Ze voelden zich diep gekrenkt en waren woedend omdat Sichem gemeenschap had gehad met hun zuster en zich schuldig had gemaakt aan iets dat voor de Israëlieten een schandelijk en ontoelaatbaar vergrijp is. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Chamor deed hun een voorstel: ‘Sichem, mijn zoon, houdt zielsveel van uw zuster. Daarom verzoek ik u haar aan hem uit te huwelijken. </VERS>
      <VERS vnumber="9">En verbind u ook door andere huwelijken met ons: geef ons uw dochters en trouw zelf met die van ons. </VERS>
      <VERS vnumber="10">En blijf dan bij ons, het land ligt voor u open: u kunt er wonen, er vrij in rondtrekken en er grond kopen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="11">Sichem zelf zei tegen Dina’s vader en broers: ‘Bewijs mij alstublieft die gunst, dan geef ik u wat u maar wenst. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Vraag gerust een hoge bruidsprijs van me en grote geschenken, ik geef u alles wat u verlangt, als u mij het meisje maar tot vrouw wilt geven.’ </VERS>
      <VERS vnumber="13">Jakobs zonen gaven Sichem en zijn vader een listig antwoord; dat deden ze omdat Sichem hun zuster Dina had onteerd. </VERS>
      <VERS vnumber="14">‘Dat kunnen we niet doen, ‘zeiden ze, ‘onze zuster aan iemand geven die niet besneden is, dat zou voor ons een schande zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Wij kunnen uw verzoek alleen inwilligen op voorwaarde dat u net zo wordt als wij, dat iedereen van het mannelijk geslacht bij u wordt besneden. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Dan geven wij onze dochters aan u en trouwen wij met uw dochters, en dan blijven we bij u wonen en kunnen wij één volk worden. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Maar als u geen gehoor geeft aan deze eis, als u zich niet laat besnijden, halen we onze zuster terug en vertrekken.’ </VERS>
      <VERS vnumber="18">Met dat voorstel konden Chamor en zijn zoon Sichem instemmen. </VERS>
      <VERS vnumber="19">De jongeman wilde geen moment wachten met de uitvoering ervan, want hij begeerde Jakobs dochter vurig. Hij had meer invloed dan wie ook van zijn familieleden. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Samen met zijn vader Chamor ging hij naar de stadspoort. Tegen de mannen die daar bijeen waren, zeiden ze: </VERS>
      <VERS vnumber="21">‘Die mensen hebben vredelievende bedoelingen. Laat hen daarom hier wonen en vrij in ons land rondtrekken; er is immers ruimte genoeg voor hen in ons land. Wij kunnen met hun dochters trouwen, en onze dochters kunnen we aan hen geven. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Maar ze stellen één voorwaarde voordat ze bereid zijn om bij ons te wonen en één volk met ons te worden: al onze mannen en jongens moeten worden besneden, net als zij. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Denk u eens in-hun hele veestapel en al hun bezittingen zullen voor ons zijn! Laten we hun dus ter wille zijn, dan blijven ze bij ons.’ </VERS>
      <VERS vnumber="24">Allen die in de stadspoort bijeen waren gekomen gaven gehoor aan de oproep van Chamor en Sichem, en zo werden allen van het mannelijk geslacht die daar bijeen waren, besneden. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Drie dagen later, toen de mannen van Sichem koortsig waren, pakten twee van Jakobs zonen, Simeon en Levi, die volle broers van Dina waren, hun zwaard en overvielen de stad, waar niemand op onraad bedacht was. Ze doodden alle mannen. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Ook Chamor en zijn zoon Sichem brachten ze om het leven. Ze haalden Dina uit Sichems huis en vertrokken. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Daarop beroofden Jakobs andere zonen de slachtoffers en plunderden de stad, omdat hun zuster onteerd was. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Schapen, geiten, runderen, ezels, en alles wat er in de stad of op het veld te vinden was maakten ze buit. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Alle bezittingen namen ze mee, en de vrouwen en kinderen voerden ze als gevangenen weg; ze roofden de huizen helemaal leeg. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Jakob maakte Simeon en Levi verwijten. ‘Jullie hebben mij in het ongeluk gestort, ‘zei hij, ‘want jullie hebben mij een slechte naam bezorgd bij de inwoners van dit land: de Kanaänieten en de Perizzieten. Ik heb maar een handjevol mannen, dus als ze met zijn allen tegen mij optrekken, zullen ze me verslaan en word ik met mijn hele familie vermoord.’ </VERS>
      <VERS vnumber="31">Maar zij antwoordden: ‘Moesten we onze zuster dan als een hoer laten behandelen?’ </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="35">
      <VERS vnumber="1">God zei tegen Jakob: ‘Ga naar Betel. Blijf daar en bouw er een altaar voor de God die daar aan jou verschenen is toen je op de vlucht was voor je broer Esau.’ </VERS>
      <VERS vnumber="2">Toen zei Jakob tegen zijn familieleden en tegen alle anderen die bij hem waren: ‘Doe de vreemde goden die jullie hebben weg, reinig je en trek schone kleren aan. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Laten we naar Betel gaan: daar wil ik een altaar bouwen voor de God die naar mij heeft omgezien toen ik diep in de ellende zat en die mij op mijn hele reis ter zijde heeft gestaan.’ </VERS>
      <VERS vnumber="4">Ze gaven Jakob alle afgodsbeelden die ze in hun bezit hadden, en ook hun oorringen, en Jakob begroef alles onder de terebint bij Sichem. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Daarna braken ze op. God joeg de inwoners van de steden in de omtrek zo’n angst aan dat ze het niet waagden Jakobs zonen te achtervolgen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Toen Jakob met alle mensen die met hem meetrokken in Luz was aangekomen, het huidige Betel, in Kanaän, </VERS>
      <VERS vnumber="7">bouwde hij er een altaar; hij noemde die plaats ‘God is in Betel’, omdat God zich daar aan hem geopenbaard had toen hij op de vlucht was voor zijn broer. </VERS>
      <VERS vnumber="8">(De voedster van Rebekka, Debora, stierf daar. Ze werd ten zuiden van Betel begraven, onder een eik die daarom Eik van geween werd genoemd.) </VERS>
      <VERS vnumber="9">Nu Jakob was teruggekeerd uit Paddan-Aram, verscheen God hem opnieuw, en hij zegende hem. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Hij zei: ‘Tot nu toe heette je Jakob. Die naam zul je niet langer dragen: Israël is je nieuwe naam.’ Zo gaf God hem de naam Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="11">En hij vervolgde: ‘Ik ben God, de Ontzagwekkende. Wees vruchtbaar en word talrijk; je zult uitgroeien tot een volk, tot een hele menigte volken, en er zullen koningen uit je voortkomen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Ik geef jou het land dat ik aan Abraham en aan Isaak heb gegeven; ook aan je nakomelingen geef ik dit land.’ </VERS>
      <VERS vnumber="13">Hierna ging God weg van de plaats waar hij met Jakob had gesproken. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Daar, op die plaats, zette Jakob een steen rechtop, en hij wijdde hem door er een wijnoffer op te brengen en er olie over uit te gieten. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Hij noemde die plaats, waar God met hem had gesproken, Betel. </VERS>
      <VERS vnumber="16">(16-17) Toen ze weer uit Betel waren vertrokken en nog maar een uur of twee van Efrat verwijderd waren, moest Rachel bevallen. Het was een moeizame bevalling en ze had het erg zwaar, maar de vroedvrouw zei tegen haar: ‘Troost je: je hebt er een zoon bij!’ </VERS>
      <VERS vnumber="18">En terwijl het leven al van haar week-want ze stierf-gaf zij hem de naam Ben-Oni. Maar zijn vader noemde hem Benjamin. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Toen Rachel overleden was, werd ze begraven langs de weg naar Efrat, het tegenwoordige Betlehem. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Op haar graf plaatste Jakob een gedenksteen, die tot op de dag van vandaag de plaats van Rachels graf aangeeft. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Israël reisde verder en sloeg zijn tent op even voorbij Migdal-Eder. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Tijdens Israëls verblijf in deze streek sliep Ruben eens met Bilha, zijn vaders bijvrouw. Israël hoorde ervan. Twaalf zonen had Jakob. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Zonen van Lea: Jakobs oudste zoon Ruben, en verder Simeon, Levi, Juda, Issachar en Zebulon. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Zonen van Rachel: Jozef en Benjamin. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Zonen van Rachels slavin Bilha: Dan en Naftali. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Zonen van Lea’s slavin Zilpa: Gad en Aser. Dit waren de zonen van Jakob, die hij in Paddan-Aram kreeg. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Ten slotte kwam Jakob terug bij zijn vader Isaak in Mamre, bij Kirjat-Arba, dat nu Hebron heet, de woonplaats van Abraham en van Isaak. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Isaak leefde honderdtachtig jaar. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Toen blies hij de laatste adem uit en werd hij met zijn voorouders verenigd, na een lang leven. Hij werd begraven door zijn zonen Esau en Jakob. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="36">
      <VERS vnumber="1">Dit zijn de nakomelingen van Esau, ook Edom genoemd. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Esau trouwde met vrouwen uit Kanaän: met Ada, de dochter van de Hethiet Elon, met Oholibama, die een dochter was van Ana, de dochter van de Chiwwiet Sibon, </VERS>
      <VERS vnumber="3">en met Basemat, de dochter van Ismaël en de zuster van Nebajot. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Ada baarde hem Elifaz, Basemat baarde Reüel, </VERS>
      <VERS vnumber="5">en Oholibama baarde Jeüs, Jalam en Korach. Dit waren de zonen van Esau, die hij in Kanaän kreeg. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Met zijn vrouwen, zijn zonen en dochters en al zijn slaven en slavinnen, met zijn hele veestapel en alle bezittingen die hij in Kanaän verworven had, trok Esau naar een ander land, weg van zijn broer Jakob. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Beiden bezaten namelijk zo veel vee dat het land waar zij toen woonden niet groot genoeg was om bij elkaar te blijven. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Esau, ook Edom genoemd, vestigde zich in het Seïrgebergte. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Dit zijn de nakomelingen die Esau, de stamvader van de Edomieten, in het Seïrgebergte kreeg. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Hier volgen de namen van Esaus zonen: Elifaz, de zoon van zijn vrouw Ada, en Reüel, de zoon van zijn vrouw Basemat. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Zonen van Elifaz: Teman, Omar, Sefo, Gatam en Kenaz. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Timna, een bijvrouw van Esaus zoon Elifaz, baarde hem Amalek. Dit waren de nakomelingen van Esaus vrouw Ada. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Zonen van Reüel: Nachat, Zerach, Samma en Mizza. Dit waren de nakomelingen van Esaus vrouw Basemat. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Zonen die Esaus vrouw Oholibama, die een dochter was van Ana, de dochter van Sibon, hem baarde: Jeüs, Jalam en Korach. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Hier volgen de stamvorsten die van Esau afstamden. Zonen van Elifaz, Esaus eerstgeborene: de stamvorsten Teman, Omar, Sefo, Kenaz, </VERS>
      <VERS vnumber="16">Korach, Gatam en Amalek. Dit waren de stamvorsten in Edom die van Elifaz afstamden, nakomelingen van Ada. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Zonen van Esaus zoon Reüel: de stamvorsten Nachat, Zerach, Samma en Mizza. Dit waren de stamvorsten in Edom die van Reüel afstamden, nakomelingen van Esaus vrouw Basemat. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Zonen van Esaus vrouw Oholibama: de stamvorsten Jeüs, Jalam en Korach. Dit waren de stamvorsten die afstamden van Esaus vrouw Oholibama, de dochter van Ana. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Dit waren de zonen van Esau, ofwel Edom, en dit waren de stamvorsten die van hen afstamden. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Dit zijn de zonen van Seïr, de Chorieten, die de bewoners van dat land waren: Lotan, Sobal, Sibon, Ana, </VERS>
      <VERS vnumber="21">Dison, Eser en Disan; dit zijn de stamvorsten van de Chorieten, de zonen van Seïr, in Edom. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Zonen van Lotan: Chori en Hemam; de zuster van Lotan was Timna. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Zonen van Sobal: Alwan, Manachat, Ebal, Sefo en Onam. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Zonen van Sibon: Ajja en Ana (de Ana die de warmwaterbronnen in de woestijn heeft ontdekt toen hij de ezels van zijn vader Sibon hoedde). </VERS>
      <VERS vnumber="25">Nakomelingen van Ana: Dison en een dochter, Oholibama. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Zonen van Dison: Chemdan, Esban, Jitran en Keran. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Zonen van Eser: Bilhan, Zaäwan en Akan. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Zonen van Disan: Us en Aran. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Hier volgen de stamvorsten van de Chorieten: Lotan, Sobal, Sibon, Ana, </VERS>
      <VERS vnumber="30">Dison, Eser en Disan. Dit waren de stamvorsten van de Chorieten in Seïr. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Dit zijn de koningen die in Edom geregeerd hebben nog voordat er een koning over de Israëlieten regeerde. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Over Edom regeerde eerst Bela, de zoon van Beor; de stad waar hij zetelde heette Dinhaba. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Na de dood van Bela werd Jobab uit Bosra koning, de zoon van Zerach. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Na de dood van Jobab werd Chusam uit het land van de Temanieten koning. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Na de dood van Chusam werd Hadad, de zoon van Bedad, koning. Hij versloeg de Midjanieten in Moab; de stad waar hij zetelde heette Awit. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Na de dood van Hadad werd Samla uit Masreka koning. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Na de dood van Samla werd Saül uit Rechobot aan de rivier koning. </VERS>
      <VERS vnumber="38">Na de dood van Saül werd Baäl-Chanan, de zoon van Achbor, koning. </VERS>
      <VERS vnumber="39">Na de dood van Baäl-Chanan, de zoon van Achbor, werd Hadar koning; de stad waar hij zetelde heette Paü, en zijn vrouw was Mehetabel, die een dochter was van Matred, de dochter van Me-Zahab. </VERS>
      <VERS vnumber="40">Dit zijn de namen van de stamvorsten die van Esau afstamden, ieder aan het hoofd van zijn eigen familie en met zijn eigen gebied: Timna, Alwa, Jetet, </VERS>
      <VERS vnumber="41">Oholibama, Ela, Pinon, </VERS>
      <VERS vnumber="42">Kenaz, Teman, Mibsar, </VERS>
      <VERS vnumber="43">Magdiël en Iram. Dit waren de stamvorsten van Edom, ieder met zijn eigen woongebied in het land dat zij in bezit hadden genomen. Esau was de stamvader van Edom. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="37">
      <VERS vnumber="1">Jakob vestigde zich in Kanaän, het land waar ook zijn vader gewoond had. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Dit is de geschiedenis van Jakob en zijn nakomelingen. Jozef, die inmiddels zeventien jaar was, weidde gewoonlijk samen met zijn broers de schapen en geiten; hij hielp de zonen van zijn vaders vrouwen Bilha en Zilpa, en alle praatjes die over zijn broers de ronde deden vertelde hij aan hun vader door. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Omdat Israël al oud was toen Jozef werd geboren, hield hij meer van Jozef dan van zijn andere zonen, en hij had een prachtig bovenkleed voor hem laten maken in allerlei kleuren. </VERS>
      <VERS vnumber="4">De broers zagen wel dat hun vader het meest van Jozef hield. Daarom konden ze Jozef niet uitstaan en kon er geen vriendelijk woord voor hem af. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Op een keer had Jozef een droom. Toen hij die aan zijn broers vertelde, kregen ze een nog grotere hekel aan hem. </VERS>
      <VERS vnumber="6">‘Moeten jullie nu eens horen wat ik heb gedroomd, ‘zei hij. </VERS>
      <VERS vnumber="7">‘We waren op het land schoven aan het binden, en toen kwam mijn schoof overeind en bleef rechtop staan. En jullie schoven gingen om die van mij heen staan en bogen daarvoor.’ </VERS>
      <VERS vnumber="8">Zijn broers zeiden: ‘Dacht je soms koning over ons te worden? Wil je over ons heersen?’ Vanwege dat gepraat over zijn dromen gingen ze hem hoe langer hoe meer haten. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Opnieuw kreeg hij een droom die hij aan zijn broers vertelde. ‘Ik heb alweer een droom gehad, ‘zei hij. ‘Nu bogen de zon, de maan en elf sterren zich voor mij neer.’ </VERS>
      <VERS vnumber="10">Toen hij dit aan zijn vader en zijn broers vertelde, wees zijn vader hem terecht: ‘Zeg, wat is dat voor een droom! Moeten ik, je moeder en je broers ons soms voor jou komen neerbuigen?’ </VERS>
      <VERS vnumber="11">De broers konden Jozef wel vermoorden, maar zijn vader bleef nadenken over wat er gebeurd was. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Toen Jozefs broers er eens op uitgetrokken waren om de kudden van hun vader bij Sichem te laten grazen, </VERS>
      <VERS vnumber="13">zei Israël tegen Jozef: ‘Zoals je weet zijn je broers het vee aan het weiden bij Sichem. Ga jij eens naar hen toe.’ ‘Goed, ‘zei Jozef, </VERS>
      <VERS vnumber="14">en Jakob vervolgde: ‘Ga kijken hoe je broers het maken en hoe het met het vee staat, en breng mij dan verslag uit.’ Zo stuurde Jakob hem vanuit de Hebronvallei naar Sichem. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Toen Jozef daar in het veld ronddwaalde, kwam hij iemand tegen die hem vroeg wie hij zocht. </VERS>
      <VERS vnumber="16">‘Ik ben op zoek naar mijn broers, ‘antwoordde hij. ‘Kunt u me zeggen waar zij het vee aan het weiden zijn?’ </VERS>
      <VERS vnumber="17">‘Ze zijn hier niet meer, ‘zei de ander, ‘ik hoorde hen zeggen dat ze naar Dotan wilden.’ Jozef ging zijn broers achterna en trof hen in Dotan aan. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Zijn broers zagen hem al van ver, en nog voordat hij hen had bereikt, hadden ze een plan beraamd om hem te doden. </VERS>
      <VERS vnumber="19">‘Kijk daar eens, ‘zeiden ze tegen elkaar, ‘daar komt die meesterdromer aan. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Dit is onze kans! Laten we hem vermoorden en hem ergens in een put gooien. We zeggen gewoon dat hij door een roofdier is verslonden. Dan zullen we eens zien wat er van zijn dromen uitkomt.’ </VERS>
      <VERS vnumber="21">Toen Ruben dat hoorde, wilde hij proberen Jozef te redden. ‘Nee, laten we hem niet om het leven brengen, ‘zei hij. </VERS>
      <VERS vnumber="22">‘Er mag geen bloed vloeien! Gooi hem in die put hier, in deze verlaten streek, maar breng hem niet om.’ Zo wilde hij Jozef uit hun handen redden en hem ongedeerd naar zijn vader terug laten gaan. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Zodra Jozef bij zijn broers was gekomen, trokken ze hem zijn bovenkleed uit, dat mooie veelkleurige gewaad, </VERS>
      <VERS vnumber="24">en gooiden hem in de put; de put was leeg, er stond geen water in. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Daarna gingen ze zitten eten. Opeens zagen ze een karavaan naderen. Het waren Ismaëlieten die uit de richting van Gilead kwamen en op weg waren naar Egypte. De kamelen waren beladen met gom, balsem en cistushars. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Toen zei Juda tegen zijn broers: ‘Wat hebben we eraan om onze broer te vermoorden? Dan moeten we ook de sporen weer zien uit te wissen. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Laten we hem aan die Ismaëlieten verkopen in plaats van hem om te brengen; hij is tenslotte onze broer, ons eigen vlees en bloed.’ De anderen stemden hiermee in. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Toen er Midjanitische kooplieden uit de karavaan voorbijkwamen, trokken de broers Jozef uit de put en verkochten hem voor twintig sjekel, en die Ismaëlieten namen Jozef mee naar Egypte. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Toen Ruben weer bij de put kwam en ontdekte dat Jozef er niet meer in zat, scheurde hij zijn kleren. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Hij ging naar zijn broers terug. ‘De jongen is weg!’ riep hij. ‘Wat nu, wat moet ik nu!’ </VERS>
      <VERS vnumber="31">Toen slachtten ze een bokje, pakten Jozefs veelkleurige gewaad en dompelden dat in het bloed. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Daarna lieten ze het naar hun vader brengen met de boodschap: ‘Dit hebben we gevonden. Kijk eens goed, is dit niet het kleed van uw zoon?’ </VERS>
      <VERS vnumber="33">Jakob herkende het en riep uit: ‘Het kleed van mijn zoon! Hij moet verslonden zijn door een roofdier! Hij is verscheurd, Jozef is verscheurd!’ </VERS>
      <VERS vnumber="34">Jakob scheurde zijn kleren, deed een rouwkleed om en rouwde over zijn zoon, dagenlang. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Al zijn zonen en dochters deden hun best om hem te troosten, maar hij wilde niet getroost worden en zei: ‘Ik zal rouw dragen totdat ik naar mijn zoon in het dodenrijk afdaal.’ Zo treurde Jakob om zijn zoon. </VERS>
      <VERS vnumber="36">De Midjanieten brachten Jozef naar Egypte en verkochten hem aan Potifar, een hoveling van de farao en commandant van zijn lijfwacht. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="38">
      <VERS vnumber="1">In diezelfde tijd verliet Juda zijn broers en sloot hij zich aan bij een zekere Chira, een man die in Adullam woonde. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Daar viel zijn oog op de dochter van de Kanaäniet Sua. Hij trouwde haar en sliep met haar. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Ze werd zwanger en bracht een zoon ter wereld die Er werd genoemd. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Daarna werd ze opnieuw zwanger en kreeg weer een zoon, aan wie ze de naam Onan gaf. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Een derde zoon noemde ze Sela; toen Sela geboren werd bevond Juda zich in Kezib. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Voor Er, zijn oudste zoon, koos Juda een vrouw die Tamar heette. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Er was slecht in de ogen van de HEER, en daarom liet de HEER hem sterven. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Toen zei Juda tegen Onan: ‘Vervul je zwagerplicht: trouw met de vrouw van je broer en verwek voor je broer nakomelingen bij haar.’ </VERS>
      <VERS vnumber="9">Maar omdat Onan wist dat zo’n kind niet als zijn nageslacht zou gelden, liet hij telkens als hij met de vrouw van zijn broer gemeenschap had zijn zaad op de grond terechtkomen, zodat hij geen nakomelingen voor zijn broer zou verwekken. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Wat hij deed was slecht in de ogen van de HEER, en daarom liet de HEER ook hem sterven. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Toen zei Juda tegen zijn schoondochter Tamar: ‘Nu je opnieuw weduwe bent, moet je maar weer bij je vader gaan wonen, totdat mijn zoon Sela volwassen is.’ Hij dacht namelijk: Ik moet voorkomen dat hij ook sterft, net als zijn broers. En Tamar ging weer bij haar vader wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Geruime tijd later stierf Juda’s vrouw, de dochter van Sua. Toen de rouwtijd voorbij was begaf Juda zich naar Timna, samen met zijn vriend Chira uit Adullam, om bij zijn schaapscheerders te gaan kijken. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Zodra Tamar hoorde dat haar schoonvader op weg was naar Timna om zijn schapen te scheren, </VERS>
      <VERS vnumber="14">legde ze haar weduwedracht af, bedekte zich met een sluier zodat ze onherkenbaar was, en ging langs de weg naar Enaïm zitten, een zijweg van de weg naar Timna. Dat deed ze omdat ze nog steeds niet aan Sela tot vrouw was gegeven, hoewel die inmiddels volwassen geworden was. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Toen Juda haar zag hield hij haar voor een hoer, want haar gezicht was bedekt. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Hij sloeg de zijweg in en ging naar haar toe. ‘Ik wil van je diensten gebruik maken, ‘zei hij, niet wetend dat het zijn schoondochter was. ‘Wat staat daar van uw kant tegenover?’ vroeg ze. </VERS>
      <VERS vnumber="17">‘Ik zal je een geitenbokje uit mijn kudde laten brengen, ‘antwoordde hij. ‘Goed, ‘zei ze, ‘als ik dan maar een onderpand van u krijg.’ </VERS>
      <VERS vnumber="18">En op zijn vraag wat ze als onderpand van hem wilde, antwoordde ze: ‘Het snoer met uw zegel en de staf die u in uw hand hebt.’ Hij gaf het haar en had gemeenschap met haar, en zij werd zwanger van hem. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Daarna ging ze terug naar huis, deed haar sluier af en nam haar weduwedracht weer aan. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Juda vroeg zijn vriend uit Adullam een geitenbokje naar de vrouw te brengen om het pand in te lossen, maar hij kon haar niet vinden. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Hij informeerde bij de mensen daar in de buurt: ‘Ik ben op zoek naar de vrouw die onlangs bij de weg naar Enaïm haar gunsten aanbood.’ ‘Zo’n vrouw is hier niet geweest, ‘antwoordden ze. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Dus ging hij naar Juda terug. ‘Ik heb haar niet kunnen vinden, ‘zei hij. ‘Sterker nog, de mensen daar beweren dat er nooit zo’n vrouw is geweest.’ </VERS>
      <VERS vnumber="23">Toen zei Juda: ‘Laat haar alles dan maar houden, anders maken we onszelf nog belachelijk. Ik heb het beloofde bokje gestuurd, maar je hebt haar nu eenmaal niet kunnen vinden.’ </VERS>
      <VERS vnumber="24">Ongeveer drie maanden later kwam men Juda vertellen dat Tamar, zijn schoondochter, zich als een hoer had gedragen en daardoor zwanger was. ‘Breng haar de stad uit, ‘zei Juda, ‘ze moet verbrand worden.’ </VERS>
      <VERS vnumber="25">Maar terwijl ze de stad uit werd gebracht, liet ze haar schoonvader deze boodschap brengen: ‘Ik ben zwanger van de eigenaar van deze voorwerpen. Kijkt u eens goed van wie dit zegel, dit snoer en deze staf zijn.’ </VERS>
      <VERS vnumber="26">Juda herkende ze en zei: ‘Zij is onschuldig maar ik niet, want ik heb haar niet aan mijn zoon Sela gegeven.’ Hij had geen tweede keer gemeenschap met haar. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Toen de tijd van de bevalling was gekomen, bracht ze een tweeling ter wereld. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Tijdens de bevalling stak een van de twee zijn hand naar buiten. De vroedvrouw bond een rode draad om zijn hand ten teken dat hij zich het eerst had laten zien. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Maar hij trok zijn hand weer terug, en daar kwam zijn broer te voorschijn. ‘Wat een baanbreker ben jij!’ zei ze. Hij kreeg de naam Peres. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Daarna kwam zijn broer, met om zijn hand de rode draad. Hij werd Zerach genoemd. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="39">
      <VERS vnumber="1">Jozef was dus door de Ismaëlieten meegenomen naar Egypte, en daar was hij gekocht door Potifar, een vooraanstaand man die tot de hovelingen van de farao behoorde en het bevel voerde over zijn lijfwacht. </VERS>
      <VERS vnumber="2">De HEER stond Jozef ter zijde, zodat het hem goed ging. Hij mocht in het huis van zijn Egyptische meester werken. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Omdat zijn meester zag dat de HEER Jozef ter zijde stond en alles wat hij ter hand nam voorspoedig liet verlopen, </VERS>
      <VERS vnumber="4">was hij Jozef goedgezind: hij maakte hem tot zijn persoonlijke bediende, liet de gang van zaken in huis aan hem over en gaf hem het beheer over alles wat hij bezat. </VERS>
      <VERS vnumber="5">En vanaf het ogenblik dat hij hem belastte met het toezicht op zijn huis en zijn verdere bezittingen, zegende de HEER het huis van die Egyptenaar omwille van Jozef. De zegen van de HEER rustte op alles wat hij bezat, in huis en daarbuiten. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Daarom vertrouwde hij alles volledig aan Jozef toe; nu Jozef er was, bekommerde hij zich alleen nog om wat hij te eten kreeg. Jozef was knap en aantrekkelijk. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Na verloop van tijd liet de vrouw van zijn meester haar oog op hem vallen. ‘Kom bij me liggen, ‘zei ze. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Maar dat weigerde hij. ‘Sinds ik hier ben, ‘zei hij, ‘maakt mijn meester zich geen zorgen meer over wat dan ook hier in huis, en hij heeft mij het beheer gegeven over al zijn bezittingen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Ik heb hier evenveel gezag als hij, en hij heeft mij niets onthouden behalve u, omdat u zijn vrouw bent. Hoe zou ik dan zo’n grote wandaad kunnen begaan en zo kunnen zondigen tegen God?’ </VERS>
      <VERS vnumber="10">Dag in dag uit probeerde ze Jozef over te halen, maar hij gaf niet toe, hij wilde niet bij haar gaan liggen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Maar op zekere dag, toen hij de binnenvertrekken in kwam om zijn werk te doen en daar niemand anders van de bedienden was, </VERS>
      <VERS vnumber="12">greep ze hem bij zijn kleed. ‘Kom bij me liggen, ‘drong ze aan, maar hij vluchtte naar buiten; zijn kleed liet hij bij haar achter. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Toen ze besefte dat hij gevlucht was en zijn kleed bij haar had gelaten, </VERS>
      <VERS vnumber="14">riep ze haar bedienden en zei tegen hen: ‘Mooi is dat! Hij moest zo nodig een Hebreeër in huis halen-zeker om zich met ons te kunnen vermaken! Die man is mijn kamer binnengedrongen en wilde bij me komen liggen, maar ik begon hard te schreeuwen. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Toen hij dat hoorde, ging hij ervandoor en liet zijn kleed hier bij mij achter.’ </VERS>
      <VERS vnumber="16">Ze liet het kleed naast zich liggen totdat Jozefs meester thuiskwam, </VERS>
      <VERS vnumber="17">en vertelde hem hetzelfde verhaal: ‘Die Hebreeuwse slaaf die jij in huis hebt gehaald, is mijn kamer binnengedrongen om zich met me te vermaken. </VERS>
      <VERS vnumber="18">En toen ik het op een schreeuwen zette, ging hij ervandoor en liet zijn kleed hier bij mij achter.’ </VERS>
      <VERS vnumber="19">Toen Jozefs meester haar hoorde vertellen dat ze zo door zijn slaaf was behandeld, werd hij woedend. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Hij liet Jozef oppakken en in de gevangenis zetten die bestemd was voor de gevangenen van de koning. Zo kwam Jozef in de gevangenis terecht. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Maar de HEER stond hem ter zijde en bewees hem zijn goedheid door ervoor te zorgen dat Jozef bij de gevangenbewaarder in de gunst kwam. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Jozef kreeg de leiding over alle gevangenen en hij hield toezicht op het werk dat ze deden. </VERS>
      <VERS vnumber="23">De gevangenbewaarder had geen omkijken naar wat aan Jozef was toevertrouwd, omdat de HEER hem ter zijde stond en alles wat Jozef ter hand nam voorspoedig liet verlopen. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="40">
      <VERS vnumber="1">(1-2) Enige tijd later maakten de opperschenker en de opperbakker van de koning van Egypte zich schuldig aan een vergrijp tegenover hun heer. De farao was woedend op deze twee hovelingen, </VERS>
      <VERS vnumber="3">en liet hen in bewaring stellen in de gevangenis van de commandant van de lijfwacht, de gevangenis waarin ook Jozef zat. </VERS>
      <VERS vnumber="4">(4-5) De commandant droeg Jozef op hen te bedienen. De schenker en de bakker van de koning hadden al geruime tijd in hechtenis gezeten toen ze allebei in dezelfde nacht een droom kregen, ieder een droom met een eigen betekenis. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Toen Jozef de volgende morgen bij hen kwam, viel het hem op dat ze er slecht uitzagen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">‘Waarom kijkt u vandaag zo somber?’ vroeg hij deze hovelingen van de farao, die samen met hem in de gevangenis van zijn meester zaten. </VERS>
      <VERS vnumber="8">‘We hebben een droom gehad, ‘antwoordden ze, ‘maar er is hier niemand die hem kan uitleggen.’ Jozef zei: ‘De uitleg van dromen is toch een zaak van God? Vertelt u mij die dromen eens.’ </VERS>
      <VERS vnumber="9">Hierop vertelde de schenker zijn droom aan Jozef: ‘In mijn droom stond er een wijnstok voor me. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Aan die wijnstok zaten drie ranken. En die wijnstok was nog niet uitgelopen of hij stond al in bloei en in een oogwenk hingen er trossen rijpe druiven aan. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Ik had de beker van de farao in mijn hand. Ik plukte de druiven, perste ze in de beker uit en overhandigde die aan de farao.’ </VERS>
      <VERS vnumber="12">Jozef zei tegen hem: ‘Dat moet zo worden uitgelegd: Die drie ranken zijn drie dagen. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Over drie dagen zal de farao u een hoge plaats geven en u in uw ambt herstellen, en dan zult u de farao zijn beker weer aanreiken, zoals voorheen, toen u zijn schenker was. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Ik hoop dat u aan mij zult denken als het u straks goed gaat, en dat u mij dan een dienst wilt bewijzen door de aandacht van de farao op mij te vestigen, zodat ik vrijkom. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Want eerst ben ik ontvoerd uit het land van de Hebreeën en daarna hebben ze me hier in de kerker geworpen, zonder dat ik ook maar iets heb misdaan.’ </VERS>
      <VERS vnumber="16">Toen de bakker Jozef zo’n gunstige uitleg hoorde geven, zei hij tegen hem: ‘Ik droomde net zoiets. Ik had drie manden met wit brood op mijn hoofd. </VERS>
      <VERS vnumber="17">In de bovenste mand zat allerlei brood van de fijnste kwaliteit dat bestemd was voor de farao, maar er pikten voortdurend vogels aan het lekkers in die mand op mijn hoofd.’ </VERS>
      <VERS vnumber="18">Jozef zei: ‘Dat moet zo worden uitgelegd: Die drie manden zijn drie dagen. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Over drie dagen zal de farao u een hoge plaats geven-hij zal u laten onthoofden en u aan een paal laten hangen, en dan zullen de vogels het vlees van uw botten pikken.’ </VERS>
      <VERS vnumber="20">Drie dagen daarna gaf de farao een groot feest voor al zijn dienaren, ter gelegenheid van zijn verjaardag. Zowel de schenker als de bakker gaf hij in het bijzijn van zijn dienaren een hoge plaats: </VERS>
      <VERS vnumber="21">de schenker herstelde hij in zijn ambt, zodat deze hem de beker weer mocht aanreiken, </VERS>
      <VERS vnumber="22">maar de bakker liet hij ophangen, precies zoals Jozef had uitgelegd. </VERS>
      <VERS vnumber="23">De schenker dacht echter niet meer aan Jozef, hij vergat hem. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="41">
      <VERS vnumber="1">Twee volle jaren later kreeg de farao een droom. Hij droomde dat hij aan de Nijl stond. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Toen zag hij zeven koeien uit de Nijl komen; het waren mooie koeien, die goed in hun vlees zaten. Ze gingen grazen in het oevergras. </VERS>
      <VERS vnumber="3">En kijk, daar kwamen weer zeven koeien uit het water; die waren lelijk en mager. Ze voegden zich bij de andere koeien aan de oever van de rivier. </VERS>
      <VERS vnumber="4">En die lelijke, magere koeien aten de zeven mooie, vette koeien op. Hierna werd de farao wakker. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Maar hij viel weer in slaap en kreeg voor de tweede keer een droom. Zeven mooie, rijpe korenaren schoten op uit één halm. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Toen schoten er zeven andere aren op; die waren iel en door de oostenwind verschroeid. </VERS>
      <VERS vnumber="7">En die armetierige aren slokten de zeven rijpe, volle aren op. De farao werd wakker en besefte dat hij alles had gedroomd. </VERS>
      <VERS vnumber="8">De volgende morgen was hij hevig verontrust. Daarom ontbood hij alle magiërs en geleerden van Egypte en vertelde hun wat hij had gedroomd. Maar er was niemand die hem de droom kon uitleggen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Toen zei de opperschenker: ‘Dit brengt mij ertoe, farao, u eraan te herinneren dat ik eens een vergrijp had gepleegd. </VERS>
      <VERS vnumber="10">U was woedend op mij en op een van uw andere dienaren, de opperbakker, en liet ons vastzetten in de gevangenis van de commandant van de lijfwacht. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Op een nacht kregen de bakker en ik allebei een droom, ieder een droom met een eigen betekenis. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Er was daar ook een jonge Hebreeër, een slaaf van de commandant van de lijfwacht. Toen we hem onze dromen vertelden, legde hij ze uit; hij gaf ons allebei de verklaring van onze droom. </VERS>
      <VERS vnumber="13">En wat er daarna gebeurde, kwam precies overeen met zijn uitleg: ik werd in mijn ambt hersteld, de bakker werd opgehangen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="14">Hierop gaf de farao bevel om Jozef bij hem te brengen. Onmiddellijk werd hij uit de kerker gehaald, hij werd geschoren en kreeg schone kleren aan. Toen hij voor de farao verscheen, </VERS>
      <VERS vnumber="15">zei deze tegen hem: ‘Ik heb een droom gehad en niemand kan hem uitleggen. En nu heb ik over u horen zeggen dat u een droom maar hoeft te horen of u kunt hem verklaren.’ </VERS>
      <VERS vnumber="16">Jozef antwoordde: ‘Dat is niet aan mij, maar misschien geeft God een uitleg die gunstig is voor de farao.’ </VERS>
      <VERS vnumber="17">Toen deed de farao hem zijn verhaal: ‘In mijn droom stond ik aan de Nijl. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Opeens kwamen daar zeven koeien uit, mooie koeien die goed in hun vlees zaten. Ze gingen grazen in het oevergras. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Daarna kwamen er zeven andere koeien uit het water; die waren afschuwelijk mager, vel over been. Ik heb in heel Egypte nog nooit zulke lelijke koeien gezien. </VERS>
      <VERS vnumber="20">En die magere, lelijke koeien aten de zeven eerste, vette koeien op. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Maar toen ze die naar binnen hadden gewerkt, was daar niets van te merken: ze zagen er nog even lelijk uit als eerst. Toen werd ik wakker. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Even later droomde ik dat er uit één halm zeven mooie, volle korenaren opschoten. </VERS>
      <VERS vnumber="23">En daarna kwamen er weer zeven aren op; die waren dor en iel en door de oostenwind verschroeid. </VERS>
      <VERS vnumber="24">En die armetierige korenaren verslonden de zeven mooie aren. Ik heb dit voorgelegd aan mijn magiërs, maar geen van hen kon me er iets over zeggen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="25">Jozef zei tegen de farao: ‘U hebt tweemaal hetzelfde gedroomd, farao, en God heeft u bekendgemaakt wat hij gaat doen. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Die zeven mooie koeien zijn zeven jaren, en die zeven mooie korenaren zijn ook zeven jaren: het is een en dezelfde droom. </VERS>
      <VERS vnumber="27">De zeven magere, lelijke koeien die daarna te voorschijn kwamen, staan ook voor zeven jaren, net zoals de zeven lege aren die door de wind verschroeid waren: er zullen zeven jaren van hongersnood komen. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Het is, farao, zoals ik u daarnet zei: God heeft u laten zien wat hij gaat doen. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Er komen zeven jaren waarin er in heel Egypte grote overvloed zal zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Daarna volgen zeven jaren van hongersnood. Dan zal niemand zich nog iets herinneren van de overvloed die er in Egypte was. De hongersnood zal het land te gronde richten </VERS>
      <VERS vnumber="31">en zo erg zijn dat er van de eerdere overvloed niets meer te bespeuren valt. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Dat u deze droom tweemaal hebt gekregen, betekent dat Gods besluit vaststaat en dat hij het binnenkort gaat uitvoeren. </VERS>
      <VERS vnumber="33">U zou er daarom goed aan doen, farao, een verstandig en wijs man te zoeken en het bestuur over Egypte aan hem toe te vertrouwen. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Ook zou u krachtige maatregelen moeten nemen. Ik raad u aan in het hele land opzichters aan te stellen en tijdens de zeven jaren van overvloed een vijfde te vorderen van wat het land opbrengt. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Al het voedsel dat Egypte voortbrengt in de goede jaren die straks aanbreken, moet worden verzameld. U moet erop toezien dat er in de steden graan wordt opgeslagen, en dat graan moet zuinig worden bewaard. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Uit die voedselvoorraad kan het land dan putten in de zeven jaren van hongersnood die het te wachten staan. Zo hoeft Egypte niet van honger om te komen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="37">Zowel de farao als zijn dienaren vonden dit een goed voorstel. </VERS>
      <VERS vnumber="38">‘Zouden we ooit iemand kunnen vinden als deze man, iemand die zo vervuld is van Gods geest?’ zei de farao tegen hen. </VERS>
      <VERS vnumber="39">Toen richtte hij zich weer tot Jozef: ‘Aangezien God u dit allemaal bekend heeft gemaakt, is er vast niemand die zo verstandig en wijs is als u. </VERS>
      <VERS vnumber="40">U vertrouw ik het bestuur van mijn paleis toe, en heel mijn volk zal doen wat u beveelt. Alleen door de troon zal ik boven u staan.’ </VERS>
      <VERS vnumber="41">Hij vervolgde: ‘Hierbij geef ik u het gezag over heel Egypte,‘ </VERS>
      <VERS vnumber="42">en hij deed zijn zegelring af, schoof die aan Jozefs vinger, gaf hem kleren van fijn linnen en hing hem een gouden keten om de hals. </VERS>
      <VERS vnumber="43">Hij liet hem rondrijden in de op een na mooiste wagen die hij bezat, en voor Jozef uit gingen dienaren die riepen: ‘Eerbied!’ Zo stelde hij Jozef aan over heel Egypte. </VERS>
      <VERS vnumber="44">‘Ik ben de farao, ‘zei hij, ‘maar zonder uw toestemming zal niemand in heel Egypte ook maar één stap verzetten.’ </VERS>
      <VERS vnumber="45">Hij gaf Jozef de naam Safenat-Paneach, en hij gaf hem Asnat tot vrouw; zij was een dochter van Potifera, een priester in Heliopolis. Jozef reisde heel Egypte door. </VERS>
      <VERS vnumber="46">Dertig jaar was hij toen hij voor de farao, de koning van Egypte, verscheen, en nadat hij het koninklijk paleis had verlaten, trok hij door heel Egypte. </VERS>
      <VERS vnumber="47">In de zeven jaren van overvloed kon er in het land volop worden geoogst. </VERS>
      <VERS vnumber="48">Al het graan dat Egypte in die zeven jaar voortbracht, werd verzameld en in de steden opgeslagen; in elke stad sloeg men de opbrengst van de omliggende akkers op. </VERS>
      <VERS vnumber="49">Het graan dat Jozef bijeenbracht, was als het zand van de zee: het was zo veel dat men maar ophield de voorraad te tellen, want er was geen tellen meer aan. </VERS>
      <VERS vnumber="50">Nog voordat de periode van hongersnood aanbrak, kreeg Jozef twee zonen bij Asnat, de dochter van Potifera, de priester uit Heliopolis. </VERS>
      <VERS vnumber="51">De oudste noemde hij Manasse, omdat God hem al zijn ellende en het gemis van zijn familie had doen vergeten. </VERS>
      <VERS vnumber="52">Het tweede kind noemde hij Efraïm, ‘want, ‘zei hij, ‘God heeft mij vruchtbaar gemaakt in dit land, waar ik zoveel te verduren heb gehad.’ </VERS>
      <VERS vnumber="53">Aan de zeven jaren waarin er in heel Egypte overvloed was, kwam een einde, </VERS>
      <VERS vnumber="54">en de zeven jaren van hongersnood braken aan, zoals Jozef had voorspeld. In alle landen heerste hongersnood, maar in Egypte had iedereen te eten. </VERS>
      <VERS vnumber="55">Toen ook de Egyptenaren honger begonnen te lijden en de mensen steeds luider om eten riepen bij de farao, zei deze tegen hen: ‘Ga maar naar Jozef en doe wat hij zegt.’ </VERS>
      <VERS vnumber="56">Toen de hongersnood zich over het hele land had uitgebreid, liet Jozef alle voorraadschuren openen en verkocht hij het graan aan de bevolking. De hongersnood in Egypte werd steeds erger, </VERS>
      <VERS vnumber="57">en ook uit alle andere landen kwamen de mensen naar Egypte om bij Jozef graan te kopen; zo erg was de hongersnood overal. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="42">
      <VERS vnumber="1">Toen Jakob hoorde dat er in Egypte graan was, zei hij tegen zijn zonen: ‘Waarom ondernemen jullie niets? </VERS>
      <VERS vnumber="2">Ik heb gehoord dat er in Egypte graan te krijgen is. Ga ernaartoe en koop daar graan voor ons, zodat we niet van de honger omkomen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="3">Hierop gingen tien van Jozefs broers op reis om bij de Egyptenaren graan te kopen. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Jakob liet Benjamin, Jozefs volle broer, niet met de anderen meegaan, uit angst dat hem iets zou overkomen. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Zo kwamen Israëls zonen graan kopen, samen met vele anderen, omdat de hongersnood ook Kanaän in zijn greep hield. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Jozef was de hoogste machthebber in het land en iedereen moest bij hem graan kopen. Toen zijn broers voor hem verschenen, bogen ze zich diep voor hem neer. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Zodra Jozef zijn broers zag herkende hij hen, maar hij deed alsof zij vreemden voor hem waren en vroeg op barse toon: ‘Waar komen jullie vandaan?’ Ze antwoordden dat ze uit Kanaän kwamen en voedsel wilden kopen. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Jozef herkende zijn broers wel, maar zij herkenden hem niet. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Hij herinnerde zich wat hij over hen had gedroomd en zei tegen hen: ‘Jullie zijn spionnen, jullie zijn hier gekomen om te kijken wat de zwakke plekken van het land zijn.’ </VERS>
      <VERS vnumber="10">‘Nee heer, ‘antwoordden ze, ‘uw dienaren zijn hier alleen maar gekomen om voedsel te kopen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Wij zijn allemaal zonen van dezelfde man, we zijn eerlijke mensen, we zijn nooit spionnen geweest.’ </VERS>
      <VERS vnumber="12">‘Dat is niet waar, ‘hield Jozef vol, ‘jullie zijn hier gekomen om te zien waar het land kwetsbaar is.’ </VERS>
      <VERS vnumber="13">Ze zeiden nog eens: ‘Uw dienaren zijn met zijn twaalven, we zijn broers, zonen van dezelfde man uit Kanaän. De jongste is op dit moment bij onze vader, en één is er niet meer.’ </VERS>
      <VERS vnumber="14">Maar Jozef zei: ‘Ik blijf erbij dat jullie spionnen zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="15">We zullen de proef op de som nemen: jullie gaan hier niet vandaan tenzij jullie jongste broer hierheen komt, zo waar de farao leeft. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Stuur een van jullie terug om hem te halen. De rest blijft hier gevangen totdat het bewijs is geleverd dat jullie de waarheid spreken. Anders zijn jullie spionnen, zo waar de farao leeft.’ </VERS>
      <VERS vnumber="17">Daarna hield hij hen drie dagen in hechtenis. </VERS>
      <VERS vnumber="18">De derde dag zei hij tegen hen: ‘Als jullie in leven willen blijven, doe dan wat ik zeg, want ik heb ontzag voor God. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Als jullie werkelijk eerlijke mensen zijn, moet een van jullie hier gevangen blijven. De rest gaat naar huis, met graan om de honger van jullie gezinnen te stillen. </VERS>
      <VERS vnumber="20">En breng me dan je jongste broer, om te bewijzen dat jullie de waarheid hebben gesproken; dan wordt niemand van jullie ter dood gebracht.’ Ze stemden toe, </VERS>
      <VERS vnumber="21">en ze zeiden tegen elkaar: ‘Dit is onze straf omdat we ons niets hebben aangetrokken van de smeekbeden van onze broer, terwijl we toch zagen dat hij doodsbenauwd was. Daardoor zitten wij nu in de ellende.’ </VERS>
      <VERS vnumber="22">Ruben zei: ‘Heb ik jullie niet gezegd dat je je niet aan de jongen moest vergrijpen? Maar jullie wilden niet luisteren. Nu wordt ons zijn dood betaald gezet.’ </VERS>
      <VERS vnumber="23">Ze wisten niet dat Jozef hen verstond, want hij maakte gebruik van een tolk. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Jozef liep bij hen vandaan, omdat hij zijn tranen niet kon bedwingen. Toen hij terugkwam sprak hij nog kort met hen; toen koos hij Simeon uit en liet die voor hun ogen in de boeien slaan. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Daarna gaf Jozef zijn dienaren bevel om de manden van de mannen met graan te vullen, in ieders voerzak het geld terug te leggen en hun proviand mee te geven voor onderweg. Zo gebeurde het. </VERS>
      <VERS vnumber="26">De broers laadden het graan op hun ezels en vertrokken. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Toen ze aan het eind van de dag halt hielden, maakte een van hen zijn zak open om zijn ezel voer te geven. Daar lag zijn geld, boven in de zak! </VERS>
      <VERS vnumber="28">‘Ze hebben mijn geld teruggelegd, ‘zei hij tegen zijn broers. ‘Kijk maar, hier in mijn voerzak.’ De moed zonk hun in de schoenen en ze keken elkaar verschrikt aan. ‘Waarom doet God ons dit aan?’ zeiden ze. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Weer terug bij hun vader Jakob in Kanaän, vertelden ze hem alles wat ze hadden meegemaakt: </VERS>
      <VERS vnumber="30">‘De man die het in dat land voor het zeggen heeft, sprak ons bars toe en hield ons voor spionnen. </VERS>
      <VERS vnumber="31">We zeiden hem dat we eerlijke mensen waren en dat we nooit spionnen zijn geweest, </VERS>
      <VERS vnumber="32">en ook dat we met zijn twaalven waren, twaalf broers, allemaal zonen van dezelfde vader, maar dat één er niet meer was en dat de jongste bij u was, in Kanaän. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Toen zei die man: “Bewijs me dat jullie eerlijke mensen zijn. Laat een van jullie bij me achter, ga naar huis, neem mee wat je nodig hebt om de honger van jullie gezinnen te stillen, </VERS>
      <VERS vnumber="34">en kom daarna bij me terug met jullie jongste broer. Dan weet ik zeker dat jullie geen spionnen zijn maar eerlijke mensen, en dan geef ik jullie je broer terug en kun je in dit land gaan en staan waar je wilt.”’ </VERS>
      <VERS vnumber="35">Toen de broers hierna hun zakken wilden leegmaken, ontdekte ieder van hen dat zijn geldbuidel erin lag. De schrik sloeg hun om het hart. Ook hun vader werd bang. </VERS>
      <VERS vnumber="36">‘Jullie maken mij kinderloos, ‘verweet hij hun. ‘Jozef is er niet meer, Simeon is er niet meer, en nu willen jullie ook Benjamin nog bij me weghalen. Niets blijft me bespaard.’ </VERS>
      <VERS vnumber="37">Ruben zei tegen zijn vader: ‘U mag allebei mijn zonen doden als ik hem niet bij u terugbreng. Vertrouw hem aan mij toe, ik breng hem bij u terug.’ </VERS>
      <VERS vnumber="38">Maar Jakob weigerde. ‘Mijn zoon gaat niet met jullie mee, ‘zei hij, ‘want zijn broer is dood, en hij is nog maar alleen over. Als hem onderweg iets zou overkomen, dan zou ik, die al zo oud ben, door jullie schuld van verdriet in het dodenrijk komen.’ </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="43">
      <VERS vnumber="1">De hongersnood bleef het land teisteren. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Toen het graan dat Jozefs broers uit Egypte hadden meegebracht op was, zei hun vader tegen hen: ‘Ga daar nog eens heen om wat voedsel voor ons te kopen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="3">Juda antwoordde: ‘Die man heeft ons ten strengste gewaarschuwd dat we hem niet onder ogen mogen komen als we onze broer niet meebrengen. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Alleen als u bereid bent hem met ons mee te sturen, gaan we op reis om voedsel voor u te kopen. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Maar geeft u hem niet mee, dan gaan we niet, want die man heeft ons gezegd dat hij ons niet wil zien tenzij we onze broer meebrengen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="6">‘Waarom hebben jullie die man dan ook verteld dat je nog een broer had?’ zei Israël. ‘Hoe konden jullie me dat aandoen?’ </VERS>
      <VERS vnumber="7">Ze antwoordden: ‘Die man wilde van alles en nog wat weten over ons en onze familie: leeft jullie vader nog, hebben jullie nog een broer? En wij hebben op al die vragen antwoord gegeven. Wij konden toch niet weten dat hij zou zeggen: “Laat je broer hierheen komen”?’ </VERS>
      <VERS vnumber="8">Juda zei tegen zijn vader: ‘Geef de jongen nu maar aan mij mee, dan kunnen we vertrekken en hoeft niemand van ons om te komen, wij niet, u niet en onze kinderen niet. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Ik wil persoonlijk borg voor hem staan, u mag mij verantwoordelijk voor hem stellen: als ik hem niet veilig hier bij u terugbreng, mag u mij dat mijn leven lang aanrekenen. </VERS>
      <VERS vnumber="10">We hebben nu al zo lang gewacht dat we in die tijd wel twee keer op en neer hadden kunnen gaan.’ </VERS>
      <VERS vnumber="11">Toen zei Israël tegen hen: ‘Als het niet anders kan, goed, maar doe dan het volgende. Vul een aantal kruiken met het beste wat het land te bieden heeft en neem dat als geschenk voor die man mee: een beetje balsem, wat honing, gom en cistushars, en verder pistachenoten en amandelen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">En neem een dubbele hoeveelheid geld mee, want het geld dat in jullie voerzakken is gedaan, moet je teruggeven; misschien was het een vergissing. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Wat je broer betreft, neem hem maar mee en ga terug naar die man. </VERS>
      <VERS vnumber="14">God, de Ontzagwekkende, geve dat hij barmhartig voor jullie is: dat hij jullie andere broer vrijlaat en ook Benjamin laat gaan. En ik-moet ik mijn kinderen verliezen, goed, dan verlies ik ze maar.’ </VERS>
      <VERS vnumber="15">Zo vertrokken de mannen naar Egypte, met het geschenk en een dubbele hoeveelheid geld; ook Benjamin namen ze mee. Ze dienden zich bij Jozef aan. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Toen Jozef zag dat Benjamin bij hen was, zei hij tegen zijn hofmeester: ‘Breng deze mannen naar mijn huis, en laat iets slachten en klaarmaken, want vanmiddag eten ze bij mij.’ </VERS>
      <VERS vnumber="17">De man deed wat Jozef hem beval, hij bracht de broers naar Jozefs paleis. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Dit maakte hen angstig en ze zeiden: ‘Dat ze ons hierheen brengen, komt door het geld dat de vorige keer in onze voerzakken is teruggelegd: ze willen ons overrompelen, ons van onze ezels beroven en slaven van ons maken.’ </VERS>
      <VERS vnumber="19">Bij de ingang spraken ze Jozefs hofmeester aan. </VERS>
      <VERS vnumber="20">‘Neemt u ons niet kwalijk, heer, ‘zeiden ze. ‘Wij zijn hier al eens eerder geweest om voedsel te kopen. </VERS>
      <VERS vnumber="21">En toen we daarna ergens overnachtten en onze voerzakken openmaakten, ontdekten we dat bij ieder van ons zijn geld boven in de zak lag, het volle bedrag. Maar dat hebben we weer meegenomen. </VERS>
      <VERS vnumber="22">En we hebben ander geld bij ons om voedsel te kopen. We weten niet wie dat geld in onze zakken heeft gedaan.’ </VERS>
      <VERS vnumber="23">De man antwoordde: ‘U hoeft niet ongerust te zijn, u hebt niets te vrezen. Uw God, de God van uw vader, moet een schat in uw voerzakken hebben gelegd, want ik heb uw geld ontvangen.’ Toen liet hij Simeon vrij en bracht hem bij hen. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Daarna bracht hij de mannen in Jozefs paleis, gaf hun water zodat ze hun voeten konden wassen, en voer voor hun ezels. </VERS>
      <VERS vnumber="25">De broers zorgden ervoor dat het geschenk klaarstond voordat Jozef ‘s middags kwam; er was hun namelijk verteld dat ze daar de maaltijd zouden gebruiken. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Toen Jozef thuiskwam, droegen ze het geschenk naar binnen, boden het hem aan en bogen zich voor hem neer. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Hij vroeg hun hoe ze het maakten en zei: ‘Is alles goed met jullie oude vader, over wie jullie me hebben verteld? Leeft hij nog?’ </VERS>
      <VERS vnumber="28">Ze antwoordden: ‘Jazeker, uw dienaar, onze vader, leeft nog en hij maakt het goed.’ En weer bogen ze zich diep voor hem neer. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Toen zag hij zijn broer Benjamin staan, de zoon van zijn eigen moeder, en vroeg: ‘Is dat jullie jongste broer, over wie jullie me hebben verteld?’ En hij vervolgde: ‘God zij je genadig, mijn zoon.’ </VERS>
      <VERS vnumber="30">Toen haastte hij zich weg, want bij het zien van zijn broer schoot zijn gemoed vol, hij voelde dat hij zijn tranen niet kon bedwingen. Hij ging een kamer binnen en daar huilde hij. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Daarna waste hij zijn gezicht, kwam de kamer weer uit, vermande zich en gaf opdracht de maaltijd op te dienen. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Men diende apart op voor hem, voor de broers en voor de Egyptenaren die bij hem aten. (Egyptenaren mogen niet samen met Hebreeën de maaltijd gebruiken; zoiets vinden de Egyptenaren afschuwelijk.) </VERS>
      <VERS vnumber="33">De broers kregen ieder een plaats tegenover Jozef aangewezen, en daarbij kwamen ze precies in volgorde van geboorte te zitten, van de oudste tot de jongste. Vol verbazing keken ze elkaar aan. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Ze kregen van alle gerechten die bij Jozef op tafel stonden, maar Benjamin kreeg meer dan alle anderen, vijfmaal zoveel. Ze dronken samen met Jozef en raakten in een roes. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="44">
      <VERS vnumber="1">Jozef beval zijn hofmeester: ‘Vul de zakken van die mannen met voedsel, zoveel als ze maar mee kunnen nemen, en leg ieders geld boven in zijn zak. </VERS>
      <VERS vnumber="2">En in de zak van de jongste moet u behalve het geld voor het graan ook mijn beker stoppen, mijn zilveren kelk.’ De man deed wat Jozef hem had opgedragen, </VERS>
      <VERS vnumber="3">en zodra het licht werd liet men de broers met hun ezels vertrekken. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Nauwelijks hadden ze de stad achter zich gelaten of Jozef zei tegen zijn hofmeester: ‘Vlug, ga achter die mannen aan en haal ze in. Zeg tegen hen: “Waarom hebt u goed met kwaad vergolden? </VERS>
      <VERS vnumber="5">Uitgerekend de beker waaruit mijn heer altijd drinkt en waarmee hij kan voorspellen wat nog verborgen is! Hoe hebt u dat kunnen doen!”’ </VERS>
      <VERS vnumber="6">Toen de man hen had ingehaald en zei wat hem was opgedragen, </VERS>
      <VERS vnumber="7">vroegen ze: ‘Hoe kunt u dit nu tegen uw dienaren zeggen, heer? Wij zouden zoiets nooit doen. </VERS>
      <VERS vnumber="8">U weet toch dat we het geld dat we in onze voerzakken hebben gevonden, weer voor u meegebracht hebben uit Kanaän. Waarom zouden we dan uit het huis van uw heer zilver of goud stelen? </VERS>
      <VERS vnumber="9">Als u bij een van ons iets mocht aantreffen, heer, dan moet hij ter dood gebracht worden en zal de rest van ons u als slaaf dienen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="10">Hij antwoordde: ‘Goed, het zal gaan zoals u zegt. Bij wie er iets wordt gevonden, die wordt mijn slaaf. Maar de anderen gaan vrijuit.’ </VERS>
      <VERS vnumber="11">Snel zette ieder van hen zijn zak op de grond en maakte die open. </VERS>
      <VERS vnumber="12">De man doorzocht ze, hij begon bij die van de oudste en eindigde bij die van de jongste. Toen de beker werd gevonden in de zak van Benjamin, </VERS>
      <VERS vnumber="13">scheurden ze hun kleren. Ze laadden alles weer op hun ezels en keerden terug naar de stad. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Zo kwamen Juda en zijn broers weer in het paleis van Jozef. Hij was daar nog, en ze vielen voor hem op hun knieën. </VERS>
      <VERS vnumber="15">‘Wat hebben jullie gedaan?’ verweet Jozef hun. ‘Beseften jullie niet dat een man als ik kan zien wat voor anderen verborgen is?’ </VERS>
      <VERS vnumber="16">Juda antwoordde: ‘Wat kunnen wij u hierop antwoorden, heer? Hoe kunnen we ons vrijpleiten? God heeft de misdaad van uw dienaren aan het licht gebracht. Wij zijn bereid uw slaaf te worden, mijn heer, niet alleen degene bij wie de beker is gevonden, maar wij allemaal.’ </VERS>
      <VERS vnumber="17">Maar Jozef zei: ‘Geen denken aan. Degene bij wie de beker is aangetroffen wordt mijn slaaf, maar de rest van jullie kan in vrede naar zijn vader terugreizen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="18">Juda deed een stap naar voren en zei: ‘Neemt u mij niet kwalijk, heer. U bent als de farao, maar sta uw dienaar alstublieft toe iets tegen u te zeggen, zonder dat u in woede ontsteekt. </VERS>
      <VERS vnumber="19">U vroeg ons, heer, of wij nog een vader of een broer hadden. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Daarop vertelden wij u dat we nog een oude vader hadden en een broer die nog jong is; hij werd geboren toen onze vader al oud was. Zijn broer is gestorven, en hij is van de kinderen van zijn moeder als enige overgebleven. Zijn vader houdt daarom veel van hem. </VERS>
      <VERS vnumber="21">U zei ons toen, heer, dat we hem bij u moesten brengen, omdat u hem graag wilde zien. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Wij zeiden toen tegen u, heer: “Het is uitgesloten dat de jongen bij zijn vader weggaat, want als hij hem verlaat, betekent dat zijn vaders dood.” </VERS>
      <VERS vnumber="23">Maar u zei tegen uw dienaren: “Als jullie jongste broer niet meekomt, wil ik jullie hier niet opnieuw zien.” </VERS>
      <VERS vnumber="24">Weer thuis bij mijn vader vertelden wij wat u had gezegd, heer, </VERS>
      <VERS vnumber="25">en toen onze vader ons vroeg om hierheen terug te gaan om weer wat voedsel te kopen, </VERS>
      <VERS vnumber="26">zeiden wij: “Dat is onmogelijk. Alleen als onze jongste broer meegaat kunnen we de tocht ondernemen, want we mogen die man niet onder ogen komen tenzij we onze broer bij ons hebben.” </VERS>
      <VERS vnumber="27">Maar mijn vader zei: “Zoals jullie weten heeft mijn vrouw mij twee zonen gebaard. </VERS>
      <VERS vnumber="28">De ene ging bij mij weg en is vast en zeker verscheurd; ik heb hem tot nu toe niet teruggezien. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Als jullie nu ook de andere bij mij weghalen en er overkomt hem iets, dan zou ik, die al zo oud ben, door jullie schuld van ellende in het dodenrijk komen.” </VERS>
      <VERS vnumber="30">Dus, heer, als ik bij mijn vader terugkom zonder de jongen, aan wie hij zo verknocht is, </VERS>
      <VERS vnumber="31">dan kan het niet anders of hij sterft wanneer hij ziet dat de jongen er niet is; door het verdriet dat wij hem daarmee zouden aandoen, zou onze oude vader in het dodenrijk komen. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Ik heb mij bij mijn vader borg gesteld voor de jongen; ik heb hem gezegd dat hij het mij mijn leven lang mag aanrekenen als ik de jongen niet terugbreng. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Staat u daarom alstublieft toe, mijn heer, dat ik als slaaf bij u blijf in plaats van de jongen, en dat hij met zijn broers terugreist. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Hoe zou ik immers zonder die jongen naar mijn vader kunnen teruggaan? Ik zou het verdriet dat ik mijn vader daarmee aan zou doen, niet kunnen aanzien.’ </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="45">
      <VERS vnumber="1">Toen kon Jozef zich niet langer goed houden tegenover allen die daar bij hem waren. ‘Laat iedereen weggaan!’ riep hij. Zo was er niemand bij toen Jozef zijn broers vertelde wie hij was. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Hij barstte in tranen uit en huilde zo luid dat de Egyptenaren het hoorden en dat het ook in het paleis van de farao te horen was. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Hij zei tegen zijn broers: ‘Ik ben het, Jozef! Leeft mijn vader nog?’ Zijn broers waren niet in staat antwoord te geven, ze waren verlamd van schrik. </VERS>
      <VERS vnumber="4">‘Kom toch dichterbij, ‘zei Jozef tegen hen, en daarop gingen ze dichter naar hem toe. ‘Ik ben Jozef, ‘zei hij, ‘jullie broer, die jullie verkocht hebben en die naar Egypte is meegevoerd. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Maar wees niet bang en maak jezelf geen verwijten dat jullie mij verkocht hebben en dat ik hier ben terechtgekomen, want God heeft mij voor jullie uit gestuurd om jullie leven te redden. </VERS>
      <VERS vnumber="6">De hongersnood teistert het land nu al twee jaar, en ook de komende vijf jaar zal er niet geploegd of geoogst worden. </VERS>
      <VERS vnumber="7">God heeft mij voor jullie uit gestuurd om jullie voortbestaan op aarde veilig te stellen; zo wilde hij veel levens redden. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Niet jullie hebben mij dus hierheen gestuurd maar God; door hem ben ik de belangrijkste raadsman van de farao geworden, de bestuurder van zijn hele hof en heerser over heel Egypte. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Ga onmiddellijk terug naar mijn vader en zeg tegen hem dat zijn zoon Jozef hem het volgende laat weten: “God heeft mij heer over heel Egypte gemaakt. Kom zo snel mogelijk naar mij toe. </VERS>
      <VERS vnumber="10">U kunt in Gosen wonen, dicht bij mij, met uw kinderen, uw kleinkinderen, uw schapen en geiten en runderen en wat u verder maar bezit. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Ik zal u daar onderhouden, want de hongersnood zal nog vijf jaar duren. Dan hoeft u geen gebrek te lijden, u niet en ook uw familieleden en uw dieren niet.”’ </VERS>
      <VERS vnumber="12">Tot slot zei Jozef: ‘Jullie allemaal, ook jij, Benjamin, zien met eigen ogen dat ik het zelf ben die hier met jullie spreekt. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Vertellen jullie mijn vader dus hoeveel aanzien ik in Egypte geniet, en alles wat jullie gezien hebben, en laat hem dan zo gauw mogelijk hierheen komen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="14">Daarop viel hij zijn broer Benjamin om de hals; beiden huilden. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Jozef kuste al zijn broers, terwijl hij zijn tranen de vrije loop liet. Pas toen waren zijn broers in staat iets tegen hem te zeggen. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Toen het nieuws dat Jozefs broers gekomen waren, doorgedrongen was tot in het koninklijk paleis, waren de farao en zijn hovelingen verheugd. </VERS>
      <VERS vnumber="17">De farao zei tegen Jozef: ‘Zegt u maar tegen uw broers dat ze hun lastdieren moeten bepakken en terug moeten gaan naar Kanaän. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Laat ze hun vader en hun gezinnen daar ophalen, en dan weer hierheen komen. Zegt u ze het vruchtbaarste deel van Egypte maar toe en beloof ze dat ze het beste wat het land te bieden heeft te eten zullen krijgen. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Verder moet u zeggen dat ze hiervandaan wagens moeten meenemen, zodat ze kunnen terugkomen met hun vrouwen en kinderen en met hun vader. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Ze hoeven er niet om te treuren dat ze hun huisraad moeten achterlaten, want het beste wat er in Egypte te vinden is, is voor hen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="21">Israëls zonen deden wat hun gezegd werd. Jozef gaf hun in opdracht van de farao wagens, en ook proviand voor onderweg. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Bovendien gaf hij ieder van hen nieuwe kleren; aan Benjamin gaf hij zelfs vijf stel nieuwe kleren en ook nog driehonderd sjekel zilver. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Ook voor zijn vader gaf hij iets mee: tien ezels beladen met de fijnste Egyptische producten, tien ezelinnen bepakt met graan en brood, en voedsel voor onderweg. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Toen zijn broers vertrokken en hij hun uitgeleide deed, verzekerde hij hun dat ze onderweg nergens bang voor hoefden te zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Zo verlieten ze Egypte en kwamen ze weer in Kanaän, bij hun vader Jakob. </VERS>
      <VERS vnumber="26">‘Jozef leeft nog!’ zeiden ze tegen hem. ‘En hij regeert over heel Egypte!’ Maar Jakob bleef er koud onder, want hij geloofde hen niet. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Toen ze hun vader echter alles overbrachten wat Jozef tegen hen had gezegd en toen hij de wagens zag die Jozef meegegeven had om hem te vervoeren, leefde hij op. </VERS>
      <VERS vnumber="28">‘Zo weet ik genoeg, ‘zei Israël, ‘mijn zoon Jozef is nog in leven. Ik wil naar hem toe, ik wil hem zien voordat ik sterf.’ </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="46">
      <VERS vnumber="1">Israël ging op weg; al zijn bezittingen nam hij mee. In Berseba gekomen, bracht hij offers aan de God van zijn vader Isaak. </VERS>
      <VERS vnumber="2">‘s Nachts richtte God zich in een visioen tot Israël. ‘Jakob! Jakob!’ riep hij, en Jakob antwoordde: ‘Ik luister.’ </VERS>
      <VERS vnumber="3">God zei: ‘Ik ben God, de God van je vader. Wees niet bang om verder te reizen naar Egypte, want ik zal daar een groot volk uit je doen voortkomen. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Ikzelf zal met je meereizen naar Egypte, en ik zal je daar ook weer vandaan brengen. En niemand anders dan Jozef zal jou de ogen sluiten.’ </VERS>
      <VERS vnumber="5">Toen verliet Jakob Berseba. Zijn zonen lieten hem, hun kinderen en hun vrouwen op de wagens rijden die de farao hiervoor had meegegeven. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Zo trokken Jakob en al zijn nakomelingen naar Egypte, met hun veestapel en alle andere bezittingen die ze in Kanaän hadden verkregen; </VERS>
      <VERS vnumber="7">zijn zonen en kleinzonen, zijn dochters en kleindochters, al zijn nakomelingen nam Jakob mee naar Egypte. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Dit zijn de namen van de Israëlieten-Jakob en zijn nakomelingen-die naar Egypte kwamen. Jakobs oudste zoon: Ruben. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Zonen van Ruben: Chanoch, Pallu, Chesron en Karmi. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Zonen van Simeon: Jemuël, Jamin, Ohad, Jachin, Sochar en Saül, de zoon van een Kanaänitische. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Zonen van Levi: Gerson, Kehat en Merari. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Zonen van Juda: Er, Onan, Sela, Peres en Zerach. Er en Onan waren in Kanaän gestorven. Zonen van Peres: Chesron en Chamul. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Zonen van Issachar: Tola, Pua, Job en Simron. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Zonen van Zebulon: Sered, Elon en Jachleël. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Dit waren de zonen van Jakob die Lea hem in Paddan-Aram gebaard had, en hun nakomelingen; ook kreeg hij bij haar een dochter, Dina. In totaal drieëndertig personen, mannen en vrouwen bij elkaar geteld. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Zonen van Gad: Sifjon, Chaggi, Suni, Esbon, Eri, Arodi en Areli. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Zonen van Aser: Jimna, Jiswa, Jiswi en Beria; hun zuster was Serach. Zonen van Beria: Cheber en Malkiël. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Dit waren de zonen van Jakob die Zilpa hem gebaard had, de slavin die door Laban aan zijn dochter Lea was gegeven, en hun nakomelingen. Zestien personen. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Zonen van Jakobs vrouw Rachel: Jozef en Benjamin. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Jozef kreeg in Egypte kinderen bij Asnat, namelijk Manasse en Efraïm. Asnat was een dochter van Potifera, die priester was in Heliopolis. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Zonen van Benjamin: Bela, Becher, Asbel, Gera, Naäman, Echi, Ros, Muppim, Chuppim en Ard. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Dit waren de zonen van Jakob en Rachel, en hun nakomelingen. In totaal veertien personen. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Zoon van Dan: Chusim. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Zonen van Naftali: Jachseël, Guni, Jeser en Sillem. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Dit waren de zonen van Jakob die Bilha hem gebaard had, de slavin die door Laban aan zijn dochter Rachel was gegeven, en hun nakomelingen. In totaal zeven personen. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Het aantal personen dat met Jakob naar Egypte kwam en dat rechtstreeks van hem afstamde-de vrouwen van Jakobs zonen dus niet meegerekend-bedroeg in totaal zesenzestig. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Jozef had in Egypte twee zonen gekregen. Het aantal personen van Jakobs familie dat naar Egypte kwam bedroeg dus in totaal zeventig. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Jakob had Juda vooruitgestuurd naar Jozef, om van hem te horen welke weg naar Gosen leidde. Toen Jakob en zijn familie in Gosen waren aangekomen, </VERS>
      <VERS vnumber="29">spande Jozef zijn wagen in en reed daarnaartoe, zijn vader Israël tegemoet. Toen hij eindelijk voor zijn vader stond, viel hij hem om de hals en huilde langdurig. </VERS>
      <VERS vnumber="30">En Israël zei tegen Jozef: ‘Nu ik jou levend en wel heb teruggezien, kan ik sterven.’ </VERS>
      <VERS vnumber="31">Jozef zei tegen zijn broers en zijn verdere familieleden: ‘Ik ga nu de farao op de hoogte brengen. Ik zal tegen hem zeggen: “Mijn broers en mijn andere familieleden zijn uit Kanaän naar mij toe gekomen. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Het zijn altijd schaapherders en veefokkers geweest, en ze hebben hun schapen en geiten en hun runderen meegebracht en alles wat ze verder maar bezitten.” </VERS>
      <VERS vnumber="33">Als de farao jullie ontbiedt en naar je beroep vraagt, </VERS>
      <VERS vnumber="34">dan moeten jullie hem beleefd antwoorden dat jullie al van jongs af aan veefokkers zijn, net als jullie voorouders. Dan zullen jullie je wel hier in Gosen mogen vestigen, want de Egyptenaren hebben een afschuw van schaapherders.’ </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="47">
      <VERS vnumber="1">Daarop ging Jozef naar de farao en deelde hem mee dat zijn vader en broers uit Kanaän waren gekomen, met hun schapen, geiten en runderen en met alles wat ze verder bezaten, en dat ze nu in Gosen waren. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Vijf van zijn broers had hij meegenomen en hij stelde hen aan de farao voor. </VERS>
      <VERS vnumber="3">‘Wat is uw beroep?’ vroeg de farao, en zij antwoordden: ‘Wij zijn schaapherders, net als onze voorouders.’ </VERS>
      <VERS vnumber="4">En ze vervolgden: ‘Uw dienaren zijn hierheen gekomen om een tijdlang in dit land te wonen, want er is in Kanaän geen weidegrond meer voor onze schapen en geiten; zo erg is de hongersnood daar. Geef uw dienaren daarom toestemming om in Gosen te gaan wonen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="5">Toen zei de farao tegen Jozef: ‘Nu uw vader en uw broers naar u toe zijn gekomen, </VERS>
      <VERS vnumber="6">kunnen ze in Egypte blijven. Laat hen in het beste deel van het land wonen, laten ze zich in Gosen vestigen. En zijn er mannen bij die, naar u weet, hun vak verstaan, belast die dan met het toezicht over mijn veestapel.’ </VERS>
      <VERS vnumber="7">Hierna bracht Jozef zijn vader Jakob bij de farao en stelde hem aan de farao voor. Jakob begroette hem met een zegenwens. </VERS>
      <VERS vnumber="8">De farao vroeg hem naar zijn leeftijd </VERS>
      <VERS vnumber="9">en Jakob antwoordde: ‘Honderddertig jaar heb ik nu op aarde rondgezworven. Mijn leven, dat ellendig is geweest, heeft nog maar kort geduurd, ik heb nog niet zo lang op aarde rondgezworven als mijn voorouders.’ </VERS>
      <VERS vnumber="10">Toen nam Jakob met een zegenwens afscheid van de farao. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Jozef gaf zijn vader en zijn broers een stuk grond in het beste deel van Egypte, in Rameses, zodat ze zich daar konden vestigen, zoals de farao had gezegd. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Hij voorzag zijn vader en zijn broers en heel zijn verdere familie van voedsel, zoveel als zij en hun kinderen maar nodig hadden. </VERS>
      <VERS vnumber="13">In heel het land was het voedsel inmiddels op, zo ernstig was de hongersnood. Zowel Egypte als Kanaän dreigde onder de hongersnood te bezwijken. </VERS>
      <VERS vnumber="14">De mensen kochten bij Jozef graan, en zo kwam al het geld dat er in Egypte en Kanaän te vinden was bij Jozef terecht. Hij liet dat geld naar het paleis van de farao brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Toen het geld in Egypte en Kanaän op was, kwamen de Egyptenaren weer bij Jozef. ‘Geef ons te eten, ‘zeiden ze. ‘U kunt ons toch niet voor uw ogen laten sterven nu we geen geld meer hebben?’ </VERS>
      <VERS vnumber="16">Jozef antwoordde: ‘Als u geen geld meer hebt, geef me dan uw vee, dan krijgt u in ruil daarvoor eten.’ </VERS>
      <VERS vnumber="17">Dus brachten ze hun vee naar Jozef, en hij gaf hun voedsel in ruil voor hun paarden, schapen, geiten, runderen en ezels. Zo voorzag hij hen dat jaar van voedsel in ruil voor hun vee. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Een jaar later kwamen ze weer bij hem. Ditmaal zeiden ze: ‘We hoeven u niet te zeggen, heer, dat we nu al ons geld en al ons vee aan u hebben gegeven. We hebben u niets anders meer te bieden dan ons lichaam en onze akkers. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Laat ons en onze akkers niet voor uw ogen ten onder gaan. Koop ons en onze grond in ruil voor eten; dan krijgt de farao de beschikking over onszelf en onze grond. En geeft u ons ook zaad, dan kunnen we tenminste in leven blijven en hoeven de akkers niet te verwilderen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="20">Jozef kocht alle akkergrond van Egypte voor de farao op, want alle Egyptenaren verkochten hun akker, zo erg hadden ze onder de hongersnood te lijden. Zo kwam al het land in bezit van de farao. </VERS>
      <VERS vnumber="21">En in alle delen van Egypte maakte Jozef het volk tot slaaf. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Alleen de grond van de priesters kocht hij niet op, want de priesters kregen een vaste toelage van de farao en zij konden van dat inkomen leven; daarom hoefden zij hun grond niet te verkopen. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Jozef zei tegen het volk: ‘Nu heb ik uzelf en uw grond voor de farao gekocht. Hier hebt u zaad; zaai de akkers daarmee in. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Van de opbrengst moet u voortaan een vijfde deel aan de farao afstaan. Vier vijfde is voor u; dat kunt u gebruiken als zaaigoed en als voedsel voor uzelf, uw kinderen en uw verdere familieleden.’ </VERS>
      <VERS vnumber="25">Ze antwoordden: ‘U hebt ons leven gered. Als u het zo wilt, heer, zullen wij de farao voortaan als slaaf dienen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="26">Jozef legde in een wet vast (en die wet is nog altijd van kracht) dat een vijfde van de opbrengst van de Egyptische akkers voor de farao was. Alleen de grond van de priesters werd geen eigendom van de farao. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Zo gingen de Israëlieten in Egypte wonen, in Gosen. Ze verwierven er bezittingen, ze kregen kinderen en breidden zich sterk uit. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Jakob woonde zeventien jaar in Egypte; hij werd honderdzevenenveertig jaar. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Toen hij voelde dat hij niet lang meer zou leven, liet hij zijn zoon Jozef bij zich komen. ‘Als je het goed met me voorhebt, ‘zei Israël, ‘leg dan je hand in mijn lies en geef mij blijk van je liefde en trouw: zweer dat je me niet in Egypte begraaft. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Als ik straks gestorven ben, breng mij dan weg uit Egypte en begraaf me in het graf van mijn voorouders.’ Jozef beloofde het. </VERS>
      <VERS vnumber="31">‘Zweer het mij, ‘zei Israël. Jozef zwoer het hem, en daarna knielde Israël neer op het hoofdeinde van zijn bed. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="48">
      <VERS vnumber="1">Niet lang daarna ontving Jozef het bericht dat zijn vader ziek was. Samen met zijn twee zonen, Manasse en Efraïm, ging hij naar hem toe. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Toen men Jakob vertelde dat zijn zoon Jozef er was, verzamelde hij al zijn krachten en ging op de rand van het bed zitten. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Hij zei tegen Jozef: ‘God, de Ontzagwekkende, is in Luz, in Kanaän, aan mij verschenen en heeft mij daar gezegend. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Hij heeft me gezegd: “Ik zal je vruchtbaar maken en je veel nakomelingen geven; er zal een groot aantal volken uit je voortkomen. En dit land zal ik jouw nakomelingen voor altijd in bezit geven.” </VERS>
      <VERS vnumber="5">Welnu, de twee zonen die jij in Egypte hebt gekregen voordat ik hierheen kwam, zullen als mijn eigen zonen gelden: Efraïm en Manasse stel ik op één lijn met Ruben en Simeon. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Maar als je na hen nog meer kinderen verwekt, dan zullen die als de jouwe worden beschouwd. Zij krijgen grondbezit in het stamgebied van hun broers. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Ik wil dit zo omdat toen ik terugkwam uit Paddan, Rachel tot mijn verdriet is gestorven op onze tocht door Kanaän; het was toen nog maar een uur of twee naar Efrat, en ik heb haar daar, langs de weg naar Efrat begraven.’ (Efrat is het huidige Betlehem.) </VERS>
      <VERS vnumber="8">Toen viel Israëls oog op Jozefs zonen, en hij vroeg: ‘Wie zijn dat?’ </VERS>
      <VERS vnumber="9">Jozef antwoordde zijn vader: ‘Dat zijn mijn zonen, die God mij hier gegeven heeft.’ ‘Laat ze toch dichterbij komen, ‘zei Israël, ‘dan zal ik hen zegenen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="10">Doordat Israël al oud was, waren zijn ogen dof geworden, hij kon niet goed meer zien. Toen Jozef zijn zonen dichter naar hem toe had gebracht, kuste en omhelsde Israël hen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">‘Ik had niet gedacht dat ik jou ooit nog zou terugzien, ‘zei hij tegen Jozef, ‘maar God heeft mij zelfs je nakomelingen laten zien.’ </VERS>
      <VERS vnumber="12">Jozef liet zijn zonen, die tegen Israëls knieën stonden, wat opzij gaan en boog zich diep voor hem neer. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Daarna bracht hij hen beiden weer dicht bij zijn vader. Aan zijn rechterhand had hij Efraïm, die hij links van Israël plaatste, en aan zijn linkerhand had hij Manasse, die hij rechts van hem plaatste. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Maar Israël kruiste zijn handen: zijn rechterhand legde hij op het hoofd van Efraïm, hoewel die de jongste was, en zijn linkerhand legde hij op het hoofd van Manasse, hoewel die de oudste was. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Hij zegende Jozef met deze woorden: ‘De God naar wiens wil mijn voorouders Abraham en Isaak zich richtten, de God die mijn leven lang mijn herder is geweest, </VERS>
      <VERS vnumber="16">de engel die mij heeft bevrijd van alle onheil, hij geve deze jongens zijn zegen. Moge mijn naam door hen voortleven, en ook die van mijn voorouders Abraham en Isaak, en mogen zij zich over de hele aarde uitbreiden.’ </VERS>
      <VERS vnumber="17">Toen Jozef zag dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van Efraïm had gelegd, leek hem dat verkeerd, en daarom pakte hij zijn vaders hand, om die te verplaatsen van Efraïms hoofd naar dat van Manasse. </VERS>
      <VERS vnumber="18">‘Niet zo, vader!’ zei Jozef. ‘Dit is de oudste, u moet uw rechterhand op zijn hoofd leggen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="19">Maar zijn vader wilde dat niet. ‘Ik weet het, mijn zoon, ‘zei hij, ‘ik weet het. Ook uit hem zal een volk voortkomen, ook hij zal machtig worden. Maar zijn jongere broer zal machtiger worden dan hij, en uit hem zullen tal van volken voortkomen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="20">Zo zegende hij hen die dag met de woorden: ‘Jullie naam zal worden genoemd in de zegenwensen van de Israëlieten. Ze zullen zeggen: “Moge God u maken als Efraïm en Manasse.”’ Zo plaatste hij Efraïm vóór Manasse. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Daarna zei Israël tegen Jozef: ‘Ik zal nu spoedig sterven. Maar God zal jullie ter zijde staan en jullie laten terugkeren naar het land van je voorouders. </VERS>
      <VERS vnumber="22">En jou geef ik meer dan je broers: een bergrug die ik de Amorieten met mijn zwaard en mijn boog afhandig heb gemaakt.’ </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="49">
      <VERS vnumber="1">Daarop liet Jakob al zijn zonen bij zich roepen en zei: ‘Kom allemaal hier, dan zal ik jullie vertellen hoe het je in de toekomst zal vergaan. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Kom hier en luister, zonen van Jakob, luister naar Israël, je vader. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Ruben, mijn oudste zoon ben jij, de eerste vrucht van mijn manlijke kracht, in fierheid en macht de voornaamste. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Onstuimig ben jij als het water-nee, jij zult niet de voornaamste zijn, want jij hebt je vaders bed beslapen, je vaders legerstee ontwijd. Hij heeft mijn bed beslapen! </VERS>
      <VERS vnumber="5">Simeon en Levi zijn altijd samen, zij beramen niets dan geweld. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Ik wil niet deelnemen aan hun beraad, op hun bijeenkomsten wil ik niet zijn. In woede ontstoken doden zij mannen, moedwillig verlammen ze stieren. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Vervloekt zij hun grimmige woede, vervloekt hun ontembare razernij. Ik zal hen verstrooien over Jakobs volk, hen over Israël verspreiden. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Juda, jou zullen je broers bejubelen, voor jou buigt de vijand de nek, voor jou zullen mijn zonen zich buigen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Sterk als een jonge leeuw ben jij, je verovert je prooi, mijn zoon, en keert naar je leger terug. Juda gaat liggen als een leeuw, vol majesteit vlijt hij zich neer-wie zou hem durven wekken? </VERS>
      <VERS vnumber="10">In Juda’s handen zal de scepter blijven, tussen zijn voeten de heersersstaf, totdat hij komt die er recht op heeft, die alle volken zullen dienen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Aan een wijnstok bindt hij zijn ezel, aan een wingerd het jong van zijn ezelin, in wijn wast hij zijn gewaad, in druivenbloed zijn bovenkleed. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Zijn ogen fonkelen door de wijn, zijn tanden zijn wit van de melk. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Zebulon, aan de zee zal hij wonen, aan zijn strand de schepen ontvangen. Zijn gebied strekt zich uit tot aan Sidon. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Issachar is een sterke ezel, liggend tussen de manden. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Hij zag hoe weldadig de rust was en hoe bekoorlijk het land; er werd hem zwaar werk opgelegd, hij boog zich en droeg zijn last. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Dan, hij handhaaft het recht van zijn stam als elk van de stammen van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Dan, hij is een slang op de weg, een adder op het pad; hij bijt het paard in de hielen, de berijder komt ten val. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Op uw hulp hoop ik, HEER ! </VERS>
      <VERS vnumber="19">Gad, een roversbende belaagt hem, maar hij achtervolgt zijn belagers. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Aser, rijk aan de fijnste spijzen, voedsel voor koningen brengt hij voort. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Naftali, een hinde in vrijheid, die prachtige kalveren werpt. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Een vruchtbare wijnstok is Jozef, een vruchtbare plant bij een bron, met ranken die reiken tot over de muur. </VERS>
      <VERS vnumber="23">De boogschutters, zij haatten hem, zij tergden hem en schoten. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Maar zijn boog bleef gespannen, zijn armen en handen soepel, door de hulp van de Machtige, de Machtige van Jakob, door de nabijheid van de Herder, de Rots van Israël, </VERS>
      <VERS vnumber="25">door de God van je vader, de Ontzagwekkende. Hij moge je helpen, hij moge je zegenen met zegeningen van de hemel daar boven en van de oervloed in de diepte, met zegeningen van borsten en moederschoot. </VERS>
      <VERS vnumber="26">De zegen van je vader is rijker dan de zegen van de eeuwige bergen, de kostelijke rijkdom van de eeuwige heuvels. Moge die zegen op Jozef rusten, de uitverkorene onder zijn broers. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Benjamin, een verscheurende wolf; ‘s morgens verslindt hij zijn prooi, ‘s avonds verdeelt hij de buit.’ </VERS>
      <VERS vnumber="28">Dit waren alle stammen van Israël, twaalf in getal, en met deze woorden gaf hun vader elk van hen een eigen zegen. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Toen gaf Jakob zijn zonen de volgende opdracht: ‘Als ik straks met mijn voorouders verenigd word, begraaf me dan bij hen in de grot op het land van de Hethiet Efron, </VERS>
      <VERS vnumber="30">in de grot op de akker in Machpela, dicht bij Mamre, in Kanaän, de akker die Abraham van Efron heeft gekocht omdat hij daar een eigen graf wilde hebben. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Daar zijn Abraham en zijn vrouw Sara begraven, daar zijn Isaak en Rebekka begraven, en daar heb ik Lea begraven. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Het stuk land waarop die grot ligt, is van de Hethieten gekocht.’ </VERS>
      <VERS vnumber="33">Na zijn zonen deze opdracht te hebben gegeven trok Jakob zijn voeten weer op het bed. Toen blies hij de laatste adem uit en werd hij verenigd met zijn voorouders. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="50">
      <VERS vnumber="1">Jozef boog zich over zijn vader heen en kuste huilend zijn gezicht. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Hij droeg de artsen die hij in dienst had op om zijn vader te balsemen, en zij deden wat hij hun opdroeg. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Het balsemen van Israël duurde veertig dagen (zo lang duurt een balseming), en de Egyptenaren beweenden hem zeventig dagen. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Toen de rouwperiode voorbij was, zei Jozef tegen de hovelingen van de farao: ‘Als u mij een dienst wilt bewijzen, legt u dan het volgende aan de farao voor: </VERS>
      <VERS vnumber="5">Mijn vader heeft mij kort voordat hij stierf laten zweren dat ik hem in het graf zou leggen dat hij in Kanaän heeft laten uithouwen. Ik zou graag toestemming krijgen om mijn vader daar te gaan begraven. Daarna zal ik terugkomen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="6">De farao liet antwoorden: ‘Het is goed, u mag uw vader daar begraven, zoals u hem hebt gezworen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="7">Zo ging Jozef op reis om zijn vader te begraven. Veel dienaren van de farao gingen met hem mee, alle hovelingen en alle andere vooraanstaanden van Egypte, </VERS>
      <VERS vnumber="8">en verder Jozefs hele gezin, zijn broers en alle andere familieleden; alleen de kinderen en de schapen, geiten en runderen lieten ze in Gosen achter. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Er gingen ook wagens en ruiters mee, een zeer indrukwekkende stoet. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Bij Goren-Haätad aangekomen, ten oosten van de Jordaan, hieven ze een lange, aangrijpende rouwklacht aan. Zeven dagen lang liet Jozef om zijn vader treuren. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Toen de Kanaänieten die in die streek woonden het rouwbetoon in Goren-Haätad zagen, zeiden ze: ‘De Egyptenaren zijn in diepe rouw!’ Daarom wordt die plaats, die ten oosten van de Jordaan ligt, ook wel Abel-Misraïm genoemd. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Israëls zonen deden wat hun vader hun had opgedragen: </VERS>
      <VERS vnumber="13">ze brachten hem naar Kanaän en begroeven hem in de grot op de akker in Machpela, dicht bij Mamre, op het stuk land dat Abraham van de Hethiet Efron had gekocht omdat hij een eigen graf wilde hebben. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Nadat hij zijn vader had begraven keerde Jozef terug naar Egypte, samen met zijn broers en met alle anderen die met hem waren meegegaan. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Nu hun vader er niet meer was, zeiden Jozefs broers tegen elkaar: ‘Als Jozef zich nu maar niet tegen ons keert en zich wreekt voor alle ellende die wij hem hebben aangedaan.’ </VERS>
      <VERS vnumber="16">Daarom lieten ze hem de volgende boodschap brengen: ‘Voordat hij stierf heeft je vader ons opgedragen </VERS>
      <VERS vnumber="17">je dit verzoek over te brengen: “Vergeef je broers hun schandelijke misdaad, Jozef. Ze hebben je in de ellende gestort, maar wees nu zo goed om de dienaren van de God van je vader die misdaad te vergeven.”’ Bij het horen van die woorden kon Jozef zijn tranen niet bedwingen. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Daarna gingen zijn broers zelf naar hem toe. Ze vielen voor hem op hun knieën en zeiden: ‘We zijn bereid je slaaf te worden.’ </VERS>
      <VERS vnumber="19">Maar Jozef zei: ‘Wees maar niet bang. Ik kan toch Gods plaats niet innemen? </VERS>
      <VERS vnumber="20">Jullie hadden kwaad tegen mij in de zin, maar God heeft dat ten goede gekeerd, om te bewerken wat er nu gebeurt: dat een groot volk in leven blijft. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Wees dus niet bang. Ik zal zelf voor jullie en jullie kinderen zorgen.’ Zo troostte hij hen en stelde hij hen gerust. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Jozef bleef in Egypte wonen, met zijn hele familie. Hij werd honderdtien jaar. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Hij zag Efraïms kleinkinderen nog, en ook de geboorte van de kinderen van Machir, de zoon van Manasse, maakte hij nog mee. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Toen hij zijn einde voelde naderen, zei hij tegen zijn broers: ‘God zal zich jullie lot aantrekken: hij zal jullie uit dit land wegleiden en je naar het land brengen dat hij onder ede aan Abraham, Isaak en Jakob heeft beloofd. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Zweer me dat jullie, wanneer God zich jullie lot aantrekt, mijn lichaam van hier zullen meenemen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="26">Jozef stierf toen hij honderdtien jaar was. Hij werd gebalsemd en in een sarcofaag gelegd, in Egypte. </VERS>
    </CHAPTER>
  </BIBLEBOOK>
  <BIBLEBOOK bnumber="2" bname="Exodus" bsname="Exod">
    <CHAPTER cnumber="1">
      <VERS vnumber="1">Dit zijn de namen van de zonen van Israël die samen met hem, Jakob, naar Egypte waren gekomen, ieder met zijn gezin: </VERS>
      <VERS vnumber="2">Ruben, Simeon, Levi, Juda, </VERS>
      <VERS vnumber="3">Issachar, Zebulon, Benjamin, </VERS>
      <VERS vnumber="4">Dan, Naftali, Gad en Aser. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Jozef was al langer in Egypte. In totaal waren daar toen zeventig personen die rechtstreeks van Jakob afstamden. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Jozef en zijn broers en al hun generatiegenoten stierven, </VERS>
      <VERS vnumber="7">maar hun nakomelingen kregen veel kinderen en zo breidden de Israëlieten zich steeds meer uit. Ze werden zo talrijk dat ze het hele land bevolkten. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Er kwam in Egypte een nieuwe koning aan de macht, die Jozef niet gekend had. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Hij zei tegen zijn volk: 'De Israëlieten zijn te sterk voor ons en te talrijk. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Laten we verstandig handelen en voorkomen dat dit volk nog groter wordt. Want stel dat er oorlog uitbreekt en zij zich aansluiten bij onze vijanden, de strijd tegen ons aanbinden en uit het land wegtrekken!' </VERS>
      <VERS vnumber="11">Er werden slavendrijvers aangesteld die de Israëlieten tot zware arbeid dwongen. Ze moesten voor de farao de voorraadsteden Pitom en Raämses bouwen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Maar hoe meer de Israëlieten onderdrukt werden, des te talrijker werden ze. Ze breidden zich zo sterk uit dat de Egyptenaren een afkeer van hen kregen. </VERS>
      <VERS vnumber="13">(13-14) Daarom beulden ze hen af en maakten ze hun het leven ondraaglijk met zwaar werk: ze moesten stenen maken van klei en op het land werken, en ze werden voortdurend mishandeld. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Bovendien gelastte de koning de Hebreeuwse vroedvrouwen, Sifra en Pua geheten, het volgende: </VERS>
      <VERS vnumber="16">'Als u de Hebreeuwse vrouwen bij de bevalling helpt, let dan goed op het geslacht van het kind. Als het een jongen is, moet u hem doden; is het een meisje, dan mag ze blijven leven.' </VERS>
      <VERS vnumber="17">Maar de vroedvrouwen hadden ontzag voor God en deden niet wat de koning van Egypte hun had opgedragen: ze lieten de jongetjes in leven. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Daarom ontbood de koning de vroedvrouwen. 'Wat heeft dit te betekenen?' vroeg hij hun. 'Waarom laat u de jongens in leven?' </VERS>
      <VERS vnumber="19">De vroedvrouwen antwoordden de farao: 'De Hebreeuwse vrouwen zijn anders dan de Egyptische: ze zijn zo sterk dat ze hun kind al gebaard hebben voordat de vroedvrouw er is.' </VERS>
      <VERS vnumber="20">God zegende het werk van de vroedvrouwen, zodat het volk zich sterk uitbreidde. </VERS>
      <VERS vnumber="21">En omdat de vroedvrouwen ontzag voor God hadden, schonk hij ook aan hen nakomelingen. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Toen gaf de farao aan heel zijn volk het bevel om alle Hebreeuwse jongens die geboren werden in de Nijl te gooien; de meisjes mochten in leven blijven. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="2">
      <VERS vnumber="1">Een man uit de stam Levi trouwde met een vrouw uit diezelfde stam. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Zij werd zwanger en bracht een zoon ter wereld. Het was een mooi kind en ze hield het verborgen, drie maanden lang. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Toen ze geen kans zag haar zoon nog langer verborgen te houden, nam ze een mand van papyrus, bestreek die met pek en teer, legde het kind erin en zette de mand tussen het riet langs de oever van de Nijl. </VERS>
      <VERS vnumber="4">De zuster van het kind ging een eind verderop staan, om te zien wat er met hem zou gebeuren. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Even later kwam de dochter van de farao naar de Nijl om te baden, terwijl haar dienaressen langs de rivier heen en weer liepen. Zij ontdekte de mand tussen het riet en liet die door een van haar slavinnen halen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Ze maakte de mand open en zag daarin het kind. Het jongetje huilde, en vol medelijden zei ze: 'Dat moet een Hebreeuws kind zijn.' </VERS>
      <VERS vnumber="7">Toen kwam de zuster van het kind haar vragen: 'Zal ik bij de Hebreeuwse vrouwen een voedster gaan zoeken om het kind voor u te voeden?' </VERS>
      <VERS vnumber="8">'Ja, doe dat maar, 'antwoordde de dochter van de farao, waarop het meisje de moeder van het kind ging halen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">De dochter van de farao zei tegen de vrouw: 'Neem dit kind mee en voed het voor me. Ik zal u ervoor betalen.' De vrouw nam het kind mee en voedde het. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Toen het groot genoeg was, bracht ze het naar de dochter van de farao. Deze nam het kind aan als haar eigen zoon. Ze noemde hem Mozes, 'want, 'zei ze, 'ik heb hem uit het water gehaald.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">Toen Mozes volwassen geworden was, zocht hij op een dag de mensen van zijn volk op. Hij zag welke zware dwangarbeid ze verrichtten en was er getuige van dat een Hebreeër, een volksgenoot van hem, door een Egyptenaar werd geslagen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Hij keek om zich heen, en toen hij zag dat er niemand in de buurt was sloeg hij de Egyptenaar dood; hij verborg hem onder het zand. </VERS>
      <VERS vnumber="13">De dag daarop zag hij hoe twee Hebreeuwse mannen met elkaar op de vuist gingen. 'Waarom sla je iemand van je eigen volk?' vroeg hij aan de man die begonnen was. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Maar die antwoordde: 'Wie heeft jou als leider en rechter over ons aangesteld? Wou je mij soms ook doodslaan, net als die Egyptenaar?' Mozes schrok, hij dacht: Dan is het dus toch bekend geworden! </VERS>
      <VERS vnumber="15">Toen de farao ervan hoorde, wilde hij Mozes laten doden. Daarom vluchtte Mozes voor de farao. </VERS>
      <VERS vnumber="Zo">kwam hij in Midjan terecht, en daar ging hij bij een put zitten. </VERS>
      <VERS vnumber="16">De priester van Midjan had zeven dochters. Zij kwamen daar water putten en vulden de drinkbakken om de schapen en geiten van hun vader te drinken te geven. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Maar er kwamen ook herders, die hen wilden wegjagen. Daarop schoot Mozes hun te hulp en gaf het vee te drinken. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Toen ze thuiskwamen, vroeg hun vader, Reüel, hoe het kwam dat ze die dag zo snel terug waren. </VERS>
      <VERS vnumber="19">'Er was een Egyptenaar die ons te hulp kwam tegen de herders, 'antwoordden ze, 'en hij heeft ook water voor ons geput en de dieren te drinken gegeven.' </VERS>
      <VERS vnumber="20">'En waar is hij nu?' vroeg hun vader. 'Waarom hebben jullie die man daar achtergelaten? Nodig hem uit om te komen eten.' </VERS>
      <VERS vnumber="21">Mozes liet zich overhalen om bij die man te blijven, en deze gaf hem zijn dochter Sippora tot vrouw. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Zij bracht een zoon ter wereld, en Mozes noemde hem Gersom, 'want, 'zei hij, 'ik ben een vreemdeling geworden, ik woon in een land dat ik niet ken.' </VERS>
      <VERS vnumber="23">Jaren gingen voorbij, en de koning van Egypte stierf. Maar de Israëlieten gingen nog altijd onder dwangarbeid gebukt. Ze klaagden luid en hun hulpgeroep steeg op naar God. </VERS>
      <VERS vnumber="24">God hoorde hun jammerkreten en dacht aan het verbond dat hij met Abraham, Isaak en Jakob had gesloten. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Hij zag hoe de Israëlieten leden en trok zich hun lot aan. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="3">
      <VERS vnumber="1">Mozes was gewoon de schapen en geiten van zijn schoonvader Jetro, de Midjanitische priester, te weiden. Eens dreef hij de kudde tot voorbij het steppeland, en zo kwam hij bij de Horeb, de berg van God. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Daar verscheen de engel van de HEER aan hem in een vuur dat uit een doornstruik opvlamde. Mozes zag dat de struik in brand stond en toch niet door het vuur werd verteerd. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Hoe kan het dat die struik niet verbrandt? dacht hij. Ik ga dat wonderlijke verschijnsel eens van dichtbij bekijken. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Maar toen de HEER zag dat Mozes dat ging doen, riep hij hem vanuit de struik: 'Mozes! Mozes!' 'Ik luister, 'antwoordde Mozes. </VERS>
      <VERS vnumber="5">'Kom niet dichterbij, 'waarschuwde de HEER, 'en trek je sandalen uit, want de grond waarop je staat, is heilig. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Ik ben de God van je vader, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.' Mozes bedekte zijn gezicht, want hij durfde niet naar God te kijken. </VERS>
      <VERS vnumber="7">De HEER zei: 'Ik heb gezien hoe ellendig mijn volk er in Egypte aan toe is, ik heb hun jammerklachten over hun onderdrukkers gehoord, ik weet hoe ze lijden. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Daarom ben ik afgedaald om hen uit de macht van de Egyptenaren te bevrijden, en om hen uit Egypte naar een mooi en uitgestrekt land te brengen, een land dat overvloeit van melk en honing, het gebied van de Kanaänieten, de Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten. </VERS>
      <VERS vnumber="9">De jammerklacht van de Israëlieten is tot mij doorgedrongen en ik heb gezien hoe wreed de Egyptenaren hen onderdrukken. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Daarom stuur ik jou nu naar de farao: jij moet mijn volk, de Israëlieten, uit Egypte wegleiden.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">Mozes zei: 'Maar wie ben ik dat ik naar de farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zou leiden?' </VERS>
      <VERS vnumber="12">God antwoordde: 'Ik zal bij je zijn. En dit zal voor jou het teken zijn dat ik je heb gestuurd: als je het volk uit Egypte hebt weggeleid, zullen jullie God bij deze berg vereren.' </VERS>
      <VERS vnumber="13">Maar Mozes zei: 'Stel dat ik naar de Israëlieten ga en tegen hen zeg dat de God van hun voorouders mij gestuurd heeft, en ze vragen: "Wat is de naam van die God?" Wat moet ik dan zeggen?' </VERS>
      <VERS vnumber="14">Toen antwoordde God hem: 'Ik ben die er zijn zal. Zeg daarom tegen de Israëlieten: "IK ZAL ER ZIJN heeft mij naar u toe gestuurd."' </VERS>
      <VERS vnumber="15">Ook zei hij tegen Mozes: 'Zeg tegen hen: "De HEER heeft mij gestuurd, de God van uw voorouders, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob. En hij heeft gezegd: 'Zo wil ik voor altijd heten, met die naam wil ik worden aangeroepen door alle komende generaties.'" </VERS>
      <VERS vnumber="16">Laat de oudsten van Israël bij elkaar komen en zeg tegen hen: "De HEER, de God van uw voorouders, is aan mij verschenen, de God van Abraham, Isaak en Jakob, en hij heeft gezegd: 'Ik heb gezien wat jullie in Egypte wordt aangedaan en ik heb mij jullie lot aangetrokken. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Ik heb besloten om jullie uit de ellende in Egypte weg te halen en je naar een land te brengen dat overvloeit van melk en honing, het gebied van de Kanaänieten, de Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten.'" </VERS>
      <VERS vnumber="18">Je zult bij de oudsten van Israël gehoor vinden, en dan moet je samen met hen naar de koning van Egypte gaan. Zeg hem dat de HEER, de God van de Hebreeën, naar jullie toe gekomen is, en vraag hem toestemming om drie dagreizen ver de woestijn in te trekken om de HEER, jullie God, offers te brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Ik weet dat de koning jullie dat niet zal toestaan, tenzij hij daartoe met harde hand wordt gedwongen. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Daarom zal ik met krachtige hand ingrijpen en Egypte straffen, ik zal er wonderbaarlijke daden verrichten, en dan zal hij jullie laten gaan. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Ik zal ervoor zorgen dat de Egyptenaren jullie goedgezind zijn: mijn volk zal niet met lege handen vertrekken. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Alle vrouwen moeten aan hun buurvrouw en aan de vrouwen die bij hen in huis wonen, zilveren en gouden sieraden en ook kleren vragen. Die moeten jullie je zonen en dochters laten dragen. Zo zullen jullie de Egyptenaren beroven.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="4">
      <VERS vnumber="1">Weer maakte Mozes bezwaar. 'Ze zullen me vast niet geloven en niet naar me luisteren, 'zei hij. 'Ze zullen zeggen: "De HEER is helemaal niet aan jou verschenen."' </VERS>
      <VERS vnumber="2">De HEER vroeg: 'Wat heb je daar in je hand?' 'Een staf, 'antwoordde Mozes. </VERS>
      <VERS vnumber="3">'Gooi hem op de grond, 'beval de HEER, en toen Mozes dat deed, veranderde de staf in een slang. Mozes deinsde achteruit, </VERS>
      <VERS vnumber="4">maar de HEER zei tegen hem: 'Grijp de slang bij zijn staart.' Toen Mozes dat deed, veranderde in zijn hand de slang weer in een staf. </VERS>
      <VERS vnumber="5">De HEER zei: 'Hierdoor zullen ze geloven dat de HEER, de God van hun voorouders, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob, aan jou verschenen is.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">Ook zei hij: 'Steek je hand eens in je kleed.' Mozes deed dat, en toen hij zijn hand er weer uit trok, zat die onder de uitslag, hij was sneeuwwit. </VERS>
      <VERS vnumber="7">'Steek je hand nog eens in je kleed, 'zei de HEER. Mozes deed het en toen hij zijn hand er opnieuw uit trok, zag die er weer net zo uit als de rest van zijn huid. </VERS>
      <VERS vnumber="8">'Als ze je niet geloven en zich niet door het eerste wonderteken laten overtuigen, 'zei de HEER, 'dan zullen ze zich wel laten overtuigen door het tweede. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Maar zijn ze door geen van deze beide wonderen te overtuigen en blijven ze weigeren naar je te luisteren, dan moet je water uit de Nijl scheppen en dat over het land uitgieten; het water zal op het droge in bloed veranderen.' </VERS>
      <VERS vnumber="10">Maar Mozes antwoordde: 'Neemt u mij niet kwalijk, Heer, maar ik ben geen goed spreker. Dat is altijd al zo geweest, en daar is geen verandering in gekomen nu u tegen mij, uw dienaar, gesproken hebt. Ik kan nooit de juiste woorden vinden.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">De HEER zei: 'Wie heeft de mens een mond gegeven? Wie maakt iemand stom of doof, ziende of blind? Wie anders dan ik, de HEER? </VERS>
      <VERS vnumber="12">Ga nu, ik zal bij je zijn als je moet spreken en je de woorden in de mond leggen.' </VERS>
      <VERS vnumber="13">Maar Mozes hield vol: 'Neemt u mij niet kwalijk, Heer, stuur toch iemand anders, wie u maar wilt.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">Nu werd de HEER kwaad op Mozes. 'Je hebt toch een broer, de Leviet Aäron!' zei hij. 'Ik weet dat hij welbespraakt is. Hij is al naar je onderweg en zal blij zijn je te zien. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Vertel jij hem wat hij moet zeggen. Ik zal bij jullie zijn als je moet spreken en jullie ingeven wat je moet doen. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Hij zal in jouw plaats het volk toespreken: hij zal jouw mond zijn, jij zult zijn god zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="17">En neem je staf in de hand, want daarmee moet je de wonderen doen.' </VERS>
      <VERS vnumber="18">Mozes ging terug naar zijn schoonvader Jetro en zei tegen hem: 'Ik zou graag teruggaan naar Egypte, om te zien of de mensen van mijn volk nog in leven zijn.' 'Ga in vrede, 'antwoordde Jetro. </VERS>
      <VERS vnumber="19">De HEER zei Mozes nog in Midjan dat hij veilig naar Egypte kon terugkeren, aangezien iedereen die hem naar het leven had gestaan gestorven was. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Mozes zette zijn vrouw en kinderen op een ezel en ging op weg, terug naar Egypte. De staf van God hield hij in zijn hand. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Toen zei de HEER tegen Mozes: 'Nu je teruggaat naar Egypte, moeten jullie daar de farao alle wonderen laten zien waartoe ik je de macht heb gegeven. Ik zal ervoor zorgen dat hij hardnekkig weigert het volk te laten gaan. </VERS>
      <VERS vnumber="22">En dan moet jij tegen de farao zeggen: "Dit zegt de HEER: Israël is mijn zoon, mijn eerstgeboren zoon. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Ik heb je bevolen mijn zoon te laten gaan om mij te vereren, maar dat heb je geweigerd. Daarom zal ik je eerstgeboren zoon doden."' </VERS>
      <VERS vnumber="24">Onderweg, toen Mozes en de zijnen ergens overnachtten, kwam de HEER op hem af en probeerde hem te doden. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Sippora pakte een scherpe steen, sneed de voorhuid van haar zoon weg en raakte daarmee Mozes' voeten aan, terwijl ze zei: 'Een bloedbruidegom ben jij voor mij.' </VERS>
      <VERS vnumber="26">(Ze noemde hem toen 'bloedbruidegom' vanwege die besnijdenis.) Toen liet de HEER hem met rust. </VERS>
      <VERS vnumber="27">De HEER had tegen Aäron gezegd: 'Ga de woestijn in, Mozes tegemoet.' Aäron was op weg gegaan en ontmoette Mozes bij de berg van God. Hij kuste hem </VERS>
      <VERS vnumber="28">en Mozes vertelde Aäron wat de HEER hem had opgedragen: wat hij moest zeggen en welke wonderen hij moest doen. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Toen gingen Mozes en Aäron samen naar Egypte en daar riepen ze de oudsten van Israël bij elkaar. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Aäron herhaalde woord voor woord wat de HEER tegen Mozes gezegd had, en liet het volk de wonderen zien. </VERS>
      <VERS vnumber="31">De Israëlieten werden hierdoor overtuigd; toen ze hoorden dat de HEER oog had gekregen voor hun ellende, knielden ze en bogen ze zich diep neer. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="5">
      <VERS vnumber="1">Hierna gingen Mozes en Aäron naar de farao, en ze zeiden tegen hem: 'Dit zegt de HEER, de God van Israël: Laat mijn volk gaan, om in de woestijn ter ere van mij een feest te vieren.' </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Wie is die HEER, dat ik hem zou gehoorzamen?' vroeg de farao. 'Waarom zou ik de Israëlieten laten gaan? Ik ken de HEER niet en de Israëlieten laat ik niet gaan.' </VERS>
      <VERS vnumber="3">Ze zeiden: 'De God van de Hebreeën is naar ons toe gekomen. Sta ons toe drie dagreizen ver de woestijn in te trekken om de HEER, onze God, daar offers te brengen. Anders treft hij ons met de pest of met het zwaard.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Maar de koning van Egypte zei: 'Mozes en Aäron, hoe durft u het volk van zijn werk af te houden? Vooruit, aan het werk!' </VERS>
      <VERS vnumber="5">En hij voegde eraan toe: 'Dat volk is nu al veel te talrijk, en dan wilt u ook nog dat ze ophouden met werken!' </VERS>
      <VERS vnumber="6">Nog diezelfde dag gaf de farao zijn slavendrijvers en de opzichters dit bevel: </VERS>
      <VERS vnumber="7">'Jullie mogen het volk geen stro meer geven om stenen te maken, zoals jullie tot nu toe deden; voortaan moeten ze zelf stro gaan zoeken. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Maar eis wel evenveel stenen van hen als altijd, het mag er niet ‚‚n minder zijn. Ze zijn lui! Daarom roepen ze dat ze hun God offers willen gaan brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Ze moeten harder aan het werk gezet worden, dan hebben ze geen tijd meer om naar zulke verzinsels te luisteren.' </VERS>
      <VERS vnumber="10">De slavendrijvers en opzichters brachten aan het volk over wat de farao had gezegd: dat hij hun voortaan geen stro meer gaf, </VERS>
      <VERS vnumber="11">en dat ze zelf stro moesten zien te vinden maar geen steen minder mochten afleveren. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Daarop zwermden de Israëlieten over heel Egypte uit om stoppels te zoeken ter vervanging van het stro. </VERS>
      <VERS vnumber="13">En de slavendrijvers joegen hen op en eisten dat ze iedere dag evenveel werk zouden afleveren als toen ze het stro nog kregen. </VERS>
      <VERS vnumber="14">De Israëlitische opzichters die door de slavendrijvers van de farao over het volk waren aangesteld, werden afgeranseld; zij kregen te horen dat ze de laatste dagen niet hetzelfde aantal stenen hadden afgeleverd als tevoren. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Ze klaagden hun nood bij de farao. 'Waarom behandelt u uw dienaren zo?' zeiden ze. </VERS>
      <VERS vnumber="16">'We krijgen geen stro meer, en toch worden we gedwongen om stenen te maken. En wij worden afgeranseld, terwijl de schuld bij uw volk ligt.' </VERS>
      <VERS vnumber="17">Maar de farao antwoordde: 'Lui zijn jullie, alleen maar lui! Daarom willen jullie offers aan de HEER gaan brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Vooruit, onmiddellijk aan het werk! Jullie krijgen geen stro, en jullie leveren hetzelfde aantal stenen.' </VERS>
      <VERS vnumber="19">De Israëlitische opzichters beseften hoe slecht zij ervoor stonden, nu de farao zelf tegen hen had gezegd dat de dagelijkse hoeveelheid stenen die ze moesten afleveren niet verminderd werd. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Toen ze het paleis uit kwamen troffen ze Mozes en Aäron aan, die op hen stonden te wachten. </VERS>
      <VERS vnumber="21">'Moge de HEER u hiervoor straffen!' zeiden de opzichters tegen hen. 'U hebt ons bij de farao en zijn dienaren een slechte naam bezorgd. U hebt hun een zwaard in handen gegeven om ons te doden.' </VERS>
      <VERS vnumber="22">Toen wendde Mozes zich opnieuw tot de HEER en zei: 'Heer, waarom behandelt u dit volk zo slecht? Waarom hebt u mij hierheen gestuurd? </VERS>
      <VERS vnumber="23">Vanaf het moment dat ik bij de farao ben gekomen en hem in uw naam heb toegesproken, wordt het volk nog slechter door hem behandeld. U hebt uw volk niet bevrijd-integendeel!' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="6">
      <VERS vnumber="1">Maar de HEER antwoordde hem: 'Nu zul je zien wat ik de farao ga aandoen: ik zal hem met harde hand dwingen mijn volk te laten gaan, hij zal het zelfs uit zijn land wegjagen.' </VERS>
      <VERS vnumber="2">God zei tegen Mozes: 'Ik ben de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Ik ben aan Abraham, Isaak en Jakob verschenen als God, de Ontzagwekkende, maar mijn naam HEER heb ik niet aan hen bekendgemaakt. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Ik heb met hen mijn verbond gesloten en Kanaän aan hen beloofd, het land waarin zij als vreemdeling hebben gewoond. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Ik heb het gejammer van de Israëlieten over de slavenarbeid die hun door de Egyptenaren is opgelegd gehoord, en dat heeft mij aan die belofte herinnerd. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Daarom moet je dit tegen hen zeggen: "Ik ben de HEER. Ik zal de last die de Egyptenaren jullie opleggen van je afnemen, ik zal jullie uit je slavenbestaan bevrijden. Met opgeheven arm zal ik jullie verlossen en de Egyptenaren zwaar straffen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Ik zal jullie aannemen als mijn volk, en ik zal jullie God zijn. En jullie zullen inzien dat ik, de HEER, jullie God ben, die jullie bevrijdt van de last die je door de Egyptenaren is opgelegd. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Ik zal jullie naar het land brengen dat ik onder ede aan Abraham, Isaak en Jakob beloofd heb; dat land zal ik jullie in bezit geven. Ik ben de HEER."' </VERS>
      <VERS vnumber="9">Mozes bracht dit aan de Israëlieten over, maar ze wilden niet naar hem luisteren, moedeloos als ze waren door de zware dwangarbeid. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Toen zei de HEER tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="11">'Ga naar de farao, de koning van Egypte, en zeg hem dat hij de Israëlieten uit zijn land moet laten vertrekken.' </VERS>
      <VERS vnumber="12">Maar Mozes antwoordde: 'Als de Israëlieten al niet naar me luisteren, zal de farao dat dan wel doen? Ik kom immers moeilijk uit mijn woorden.' </VERS>
      <VERS vnumber="13">Mozes en Aäron waren het tot wie de HEER zich richtte; zij werden door hem afgevaardigd naar de Israëlieten en naar de farao, de koning van Egypte, om de Israëlieten uit Egypte weg te leiden. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Hier volgen de familiehoofden van het geslacht waaruit zij stamden. Zonen van Ruben, Israëls eerstgeborene: Chanoch, Pallu, Chesron en Karmi. Dit waren de families die van Ruben afstamden. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Zonen van Simeon: Jemuël, Jamin, Ohad, Jachin, Sochar en Saul, de zoon van een Kanaänitische. Dit waren de families die van Simeon afstamden. </VERS>
      <VERS vnumber="16">En hier volgen de namen van de zonen van Levi, in volgorde van geboorte: Gerson, Kehat en Merari. Levi werd honderdzevenendertig jaar. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Zonen van Gerson: Libni en Simi, elk hoofd van een familie. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Zonen van Kehat: Amram, Jishar, Chebron en Uzziël. Kehat werd honderddrieëndertig jaar. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Zonen van Merari: Machli en Musi. Dit waren de families die van Levi afstamden, in volgorde van geboorte van de familiehoofden. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Amram trouwde met Jochebed, een zuster van zijn vader. Zij baarde hem Aäron en Mozes. Amram werd honderdzevenendertig jaar. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Zonen van Jishar: Korach, Nefeg en Zichri. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Zonen van Uzziël: Misaël, Elsafan en Sitri. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Aäron trouwde met Eliseba, die een dochter was van Amminadab en een zuster van Nachson. Zij baarde hem Nadab, Abihu, Eleazar en Itamar. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Zonen van Korach: Assir, Elkana en Abiasaf. Dit waren de families die van Korach afstamden. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Aärons zoon Eleazar trouwde met een dochter van Putiël, en zij baarde hem Pinechas. Dit waren de hoofden van de families van het geslacht Levi. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Deze Aäron en Mozes waren het aan wie de HEER de opdracht gaf om de Israëlieten, in groepen geordend, uit Egypte te leiden. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Deze Mozes en Aäron waren het die de farao, de koning van Egypte, toestemming vroegen om de Israëlieten uit zijn land weg te leiden. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Toen de HEER zich in Egypte tot Mozes richtte, </VERS>
      <VERS vnumber="29">zei hij: 'Ik ben de HEER. Alles wat ik tegen je zeg, moet je overbrengen aan de farao, de koning van Egypte.' </VERS>
      <VERS vnumber="30">Mozes antwoordde: 'Ik kom zo moeilijk uit mijn woorden, de farao zal niet naar me luisteren.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="7">
      <VERS vnumber="1">Maar de HEER zei: 'Ik zal ervoor zorgen dat jij als een god voor de farao staat, en je broer Aäron zal je profeet zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Jij moet Aäron alles zeggen wat ik je opdraag, en hij moet het woord voeren en de farao vragen de Israëlieten uit zijn land te laten vertrekken. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Ik zal ervoor zorgen dat de farao hardnekkig weigert, en ik zal in Egypte veel tekenen en wonderen verrichten. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Ook dan zal de farao niet naar jullie luisteren. Daarom zal ik de Egyptenaren mijn macht laten voelen en hen zwaar straffen, en ik zal mijn volk, de Israëlieten, in groepen geordend uit Egypte leiden. </VERS>
      <VERS vnumber="5">De Egyptenaren zullen beseffen dat ik de HEER ben, als ik mij tegen hen keer en de Israëlieten bij hen weg leid.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">Mozes en Aäron deden alles wat de HEER hun opdroeg. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Mozes was tachtig jaar en Aäron drieëntachtig toen zij zich tot de farao richtten. </VERS>
      <VERS vnumber="8">De HEER zei tegen Mozes en Aäron: </VERS>
      <VERS vnumber="9">'Als de farao jullie om een wonder vraagt, moet jij, Mozes, tegen Aäron zeggen dat hij voor de ogen van de farao zijn staf op de grond gooit; die staf zal dan een grote slang worden.' </VERS>
      <VERS vnumber="10">Mozes en Aäron gingen naar de farao en deden wat de HEER hun had opgedragen. Voor de ogen van de farao en zijn hovelingen gooide Aäron zijn staf op de grond, en de staf veranderde in een slang. </VERS>
      <VERS vnumber="11">De farao liet op zijn beurt de geleerden en tovenaars komen, en deze Egyptische magiërs bereikten met hun toverformules hetzelfde. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Ieder gooide zijn staf neer, en elke staf veranderde in een slang. Maar de staf van Aäron verslond alle andere staven. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Toch bleef de farao onverzettelijk, hij wilde niet naar Mozes en Aäron luisteren, zoals de HEER gezegd had. </VERS>
      <VERS vnumber="14">De HEER zei tegen Mozes: 'De farao blijft hardnekkig weigeren het volk te laten gaan. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Ga morgenochtend naar hem toe, wanneer hij naar de rivier gaat. Wacht hem daar op, aan de oever van de Nijl, met in je hand de staf die in een slang veranderde. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Je moet het volgende tegen de farao zeggen: "De HEER, de God van de Hebreeën, heeft mij naar u toe gestuurd om te zeggen: 'Laat mijn volk gaan om mij in de woestijn te vereren.' Tot nu toe hebt u niet willen luisteren. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Daarom-zo zegt de HEER -zal hij u laten zien wie hij is. Ik zal met deze staf op het water van de Nijl slaan, en dat zal dan in bloed veranderen. </VERS>
      <VERS vnumber="18">De vissen gaan dood en de rivier zal zo gaan stinken dat de Egyptenaren het wel zullen laten nog van het water te drinken."' </VERS>
      <VERS vnumber="19">Toen zei de HEER tegen Mozes: 'Zeg tegen Aäron dat hij zijn staf geheven houdt boven het water van Egypte, boven rivieren, kanalen en moerassen, boven elke plaats waar water is. Overal in Egypte zal het water dan in bloed veranderen, tot in de houten en stenen waterbakken toe.' </VERS>
      <VERS vnumber="20">Mozes en Aäron deden wat de HEER hun opdroeg. Voor de ogen van de farao en zijn hovelingen hield Aäron zijn staf geheven boven de Nijl en sloeg ermee op het water, en toen veranderde het Nijlwater in bloed. </VERS>
      <VERS vnumber="21">De vissen gingen dood en de rivier stonk zo dat de Egyptenaren er niet meer uit konden drinken. Overal in Egypte was bloed. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Maar de Egyptische magiërs bereikten met hun toverformules hetzelfde. Daarom bleef de farao onverzettelijk, hij wilde niet naar Mozes en Aäron luisteren, zoals de HEER gezegd had. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Ook dit teken bracht hem niet tot andere gedachten, hij keerde zich om en ging terug naar zijn paleis. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Omdat de Egyptenaren het water uit de Nijl niet meer konden drinken, moesten ze in de omgeving van de Nijl naar drinkwater graven. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Zeven dagen duurde de plaag waarmee de HEER de Nijl had getroffen. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="8">
      <VERS vnumber="1">(7:26) De HEER zei tegen Mozes: 'Ga naar de farao en zeg tegen hem: "Dit zegt de HEER: Laat mijn volk gaan om mij te vereren. </VERS>
      <VERS vnumber="2">(7:27) Weigert u dat, dan straf ik uw hele rijk met een kikkerplaag. </VERS>
      <VERS vnumber="3">(7:28) De Nijl zal wemelen van de kikkers; ze zullen uit het water komen en uw paleis binnendringen, tot in uw slaapkamer en uw bed toe, en ze komen in de huizen van uw hovelingen en van uw hele volk, zelfs in uw ovens en baktroggen. </VERS>
      <VERS vnumber="4">(7:29) Ze zullen ook op u en op uw volk en uw hovelingen springen."' </VERS>
      <VERS vnumber="5">(8:1) Toen zei de HEER tegen Mozes: 'Zeg tegen Aäron dat hij zijn staf geheven houdt boven de rivieren, kanalen en moerassen om overal in Egypte kikkers te voorschijn te laten komen.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">(8:2) Toen Aäron zijn arm boven het water hield, kwamen er kikkers uit; heel Egypte werd eronder bedolven. </VERS>
      <VERS vnumber="7">(8:3) Maar de magiërs bereikten met hun toverformules hetzelfde: ook zij lieten overal in het land kikkers te voorschijn komen. </VERS>
      <VERS vnumber="8">(8:4) Toen ontbood de farao Mozes en Aäron. 'Bid tot de HEER dat hij mij en mijn volk van die kikkers verlost, 'zei hij, 'dan zal ik het volk laten gaan om de HEER offers te brengen.' </VERS>
      <VERS vnumber="9">(8:5) Mozes antwoordde: 'Het is aan u te bepalen wanneer ik de HEER moet vragen om u, uw hovelingen en uw volk van de kikkers te bevrijden en ze uit de huizen te laten verdwijnen, zodat er alleen in de Nijl nog kikkers overblijven.' </VERS>
      <VERS vnumber="10">(8:6) 'Morgen, 'zei de farao. 'Zoals u wilt, 'antwoordde Mozes. 'Dan zult u beseffen dat er niemand is als de HEER, onze God, </VERS>
      <VERS vnumber="11">(8:7) want de kikkers zullen uit uw paleis en uit de huizen van uw hovelingen en uw volk verdwijnen, en er zullen alleen in de Nijl nog kikkers overblijven.' </VERS>
      <VERS vnumber="12">(8:8) Hierop verlieten Mozes en Aäron het paleis. Mozes riep de HEER aan en smeekte hem de farao van de kikkerplaag te verlossen. </VERS>
      <VERS vnumber="13">(8:9) En de HEER deed wat Mozes vroeg: overal in de huizen, op de binnenplaatsen en op de akkers gingen de kikkers dood. </VERS>
      <VERS vnumber="14">(8:10) Ze werden bijeengeraapt en op hopen gegooid, het hele land stonk ervan. </VERS>
      <VERS vnumber="15">(8:11) Toen de farao merkte dat het onheil geweken was, weigerde hij weer hardnekkig naar Mozes en Aäron te luisteren, zoals de HEER gezegd had. </VERS>
      <VERS vnumber="16">(8:12) De HEER zei tegen Mozes: 'Zeg tegen Aäron dat hij met zijn staf op de grond moet slaan, dan zal in heel Egypte het stof veranderen in muggen.' </VERS>
      <VERS vnumber="17">(8:13) Zo gebeurde het. Aäron sloeg met zijn staf op de grond, en meteen zaten er muggen op mens en dier; in heel Egypte veranderde het stof in muggen. </VERS>
      <VERS vnumber="18">(8:14) De magiërs probeerden met hun toverformules ook muggen te voorschijn te brengen, maar zij slaagden daar niet in. Omdat alle mensen en dieren onder de muggen zaten, </VERS>
      <VERS vnumber="19">(8:15) zeiden de magiërs tegen de farao: 'Hier moet een god de hand in hebben!' Maar de farao bleef onverzettelijk, hij wilde niet naar Mozes en Aäron luisteren, zoals de HEER gezegd had. </VERS>
      <VERS vnumber="20">(8:16) De HEER zei tegen Mozes: 'Wacht de farao morgen in alle vroegte op wanneer hij naar de rivier gaat, en zeg tegen hem: "Dit zegt de HEER: Laat mijn volk gaan om mij te vereren. </VERS>
      <VERS vnumber="21">(8:17) Wilt u mijn volk niet laten gaan, dan stuur ik steekvliegen af op u en op uw hovelingen, uw volk en uw huizen. In de huizen van de Egyptenaren en waar ze maar gaan of staan, zal het wemelen van de steekvliegen. </VERS>
      <VERS vnumber="22">(8:18) Maar ik zal die dag een uitzondering maken voor Gosen, het gebied waar mijn volk woont, daar zullen de steekvliegen niet komen. Zo zal ik u doen beseffen dat ik, de HEER, aanwezig ben in uw land. </VERS>
      <VERS vnumber="23">(8:19) Ik zal mijn volk vrijwaren voor de plaag die uw volk te wachten staat. Dit wonder zal morgen gebeuren."' </VERS>
      <VERS vnumber="24">(8:20) De HEER deed wat hij had gezegd: hele zwermen steekvliegen drongen het paleis van de farao en de huizen van zijn hovelingen binnen, en overal in het land richtten ze zware schade aan. </VERS>
      <VERS vnumber="25">(8:21) Toen ontbood de farao Mozes en Aäron. 'Goed, 'zei hij, 'ga uw God maar offers brengen, maar blijf in mijn land.' </VERS>
      <VERS vnumber="26">(8:22) 'Dat is onmogelijk, 'zei Mozes. 'De offers die wij de HEER, onze God, moeten brengen, zullen de Egyptenaren weerzinwekkend vinden. Als we in hun bijzijn dergelijke offers brengen, stenigen ze ons nog! </VERS>
      <VERS vnumber="27">(8:23) Sta ons toe om drie dagreizen ver de woestijn in te trekken om daar aan de HEER, onze God, offers te brengen, zoals hij ons heeft opgedragen.' </VERS>
      <VERS vnumber="28">(8:24) 'Ik laat u gaan, 'zei de farao, 'dan kunt u de HEER, uw God, in de woestijn offers brengen. Alleen, u mag niet te ver weg gaan. En bid voor mij.' </VERS>
      <VERS vnumber="29">(8:25) Mozes antwoordde: 'Zodra ik bij u weg ben zal ik tot de HEER bidden, en morgen zullen de steekvliegen dan bij u, uw hovelingen en uw volk verdwenen zijn. Maar bedriegt u ons niet nog een keer en weiger niet het volk te laten gaan om de HEER offers te brengen.' </VERS>
      <VERS vnumber="30">(8:26) Zodra Mozes het paleis uit was, bad hij tot de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="31">(8:27) En de HEER deed wat Mozes vroeg: de steekvliegen verdwenen bij de farao, zijn hovelingen en zijn volk; niet ‚‚n bleef er over. </VERS>
      <VERS vnumber="32">(8:28) Toch weigerde de farao ook dit keer hardnekkig het volk te laten gaan. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="9">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes: 'Ga naar de farao en zeg tegen hem: "Dit zegt de HEER, de God van de Hebree ën: Laat mijn volk gaan om mij te vereren. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Weigert u dat en houdt u hen nog langer vast, </VERS>
      <VERS vnumber="3">dan zal de HEER in alle hevigheid de pest laten uitbreken onder uw vee, onder de paarden, ezels, kamelen, runderen, schapen en geiten. </VERS>
      <VERS vnumber="4">De HEER zal onderscheid maken tussen het vee van de Israëlieten en dat van de Egyptenaren: de Israëlieten zullen geen enkel dier verliezen. </VERS>
      <VERS vnumber="5">De HEER heeft het tijdstip al vastgesteld: morgen zal hij Egypte met deze plaag treffen."' </VERS>
      <VERS vnumber="6">De volgende dag deed de HEER wat hij had gezegd. Al het vee van de Egyptenaren stierf, maar de Israëlieten verloren geen enkel dier. </VERS>
      <VERS vnumber="7">De farao liet navraag doen en kreeg te horen dat er bij de Israëlieten niet ‚‚n dier gestorven was. Toch bleef hij hardnekkig weigeren het volk te laten gaan. </VERS>
      <VERS vnumber="8">De HEER zei tegen Mozes en Aäron: 'Neem allebei een handvol as uit een oven, en laat Mozes dat dan voor de ogen van de farao in de lucht gooien. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Overal in Egypte zal het als fijn stof neerdwarrelen en bij mens en dier ontstekingen veroorzaken waardoor ze etterende puisten krijgen.' </VERS>
      <VERS vnumber="10">Dus haalden ze as uit een oven en dienden zich bij de farao aan. Toen Mozes de as in de lucht wierp, kwamen mensen en dieren onder de etterende puisten te zitten. </VERS>
      <VERS vnumber="11">De magiërs stonden zich tegenover Mozes niet staande houden, want ook zij kregen ontstekingen, net als de andere Egyptenaren. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Maar de HEER zorgde ervoor dat de farao hardnekkig bleef weigeren naar Mozes en Aäron te luisteren, zoals hij tegen Mozes gezegd had. </VERS>
      <VERS vnumber="13">De HEER zei tegen Mozes: 'Wacht de farao morgen in alle vroegte op en zeg tegen hem: "Dit zegt de HEER, de God van de Hebree ën: Laat mijn volk gaan om mij te vereren. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Dit keer tref ik uzelf, uw hovelingen en uw volk met mijn zwaarste plaag, dan zult u beseffen dat er op de hele aarde niemand is als ik. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Ik had mijn hand allang naar u en uw volk kunnen uitstrekken en u met de pest kunnen treffen, dan was u al van de aarde weggevaagd. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Maar ik heb u alleen in leven gelaten om u mijn macht te tonen en om iedereen op aarde te laten weten wie ik ben. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Als u mijn volk nog langer dwarsboomt en het niet laat gaan, </VERS>
      <VERS vnumber="18">zal ik het morgen om deze tijd in Egypte zo zwaar laten hagelen als het nooit eerder heeft gedaan, vanaf de dag dat Egypte ontstaan is tot nu toe. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Laat daarom uw vee en alles wat er verder nog buiten is in veiligheid brengen, want alles wat buiten blijft, mens of dier, wordt door de hagel getroffen en komt om."' </VERS>
      <VERS vnumber="20">Sommige hovelingen van de farao namen de woorden van de HEER ernstig en brachten hun slaven en vee binnen in veiligheid. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Anderen sloegen er geen acht op en lieten hun slaven en vee buiten. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Toen zei de HEER tegen Mozes: 'Strek je arm uit naar de hemel, dan gaat het in heel Egypte hagelen, op mensen, dieren en planten.' </VERS>
      <VERS vnumber="23">Mozes hief zijn staf naar de hemel, en toen liet de HEER het donderen en hagelen. Er schoot vuur naar de aarde, en de HEER liet de hagel op Egypte neerkletteren. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Zo'n zware hagelbui, waarbij onophoudelijk de bliksem flitste, was er in Egypte nooit eerder gevallen, zolang het volk bestond. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Overal in Egypte sloeg de hagel neer op alles wat buiten was, op mensen, dieren en planten; zelfs de bomen werden vernield. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Alleen in Gosen, het gebied waar de Israëlieten woonden, hagelde het niet. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Toen ontbood de farao Mozes en Aäron en zei: 'Ditmaal erken ik dat ik gezondigd heb. De HEER staat in zijn recht, de schuld ligt bij mij en mijn volk. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Bid tot de HEER dat hij een eind maakt aan die vreselijke donder en hagel. Dan laat ik jullie gaan en hoeven jullie hier niet langer te blijven.' </VERS>
      <VERS vnumber="29">Mozes antwoordde: 'Zodra ik de stad uit ben, zal ik mijn handen opheffen naar de HEER. De donder en de hagel zullen ophouden, zodat u beseft dat de aarde aan de HEER toebehoort. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Maar ik weet dat u en uw hovelingen nog steeds geen ontzag hebben voor God, de HEER.' </VERS>
      <VERS vnumber="31">(Het vlas en de gerst waren kapotgeslagen, want de gerst stond al in de aar en het vlas in de knop. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Maar de tarwe en de spelt werden niet vernield, want die rijpen later.) </VERS>
      <VERS vnumber="33">Mozes verliet het paleis en zodra hij de stad uit was, hief hij zijn handen op naar de HEER, en toen hielden de donder en de hagel op, en stortte de regen niet langer neer. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Toen de farao merkte dat de regen, de hagel en de donder voorbij waren, viel hij terug in zijn zondige houding; hij was onverzettelijk, net als zijn hovelingen. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Hardnekkig bleef hij weigeren de Israëlieten te laten gaan, zoals de HEER bij monde van Mozes had aangekondigd. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="10">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes: 'Ga naar de farao, want ik heb hem en zijn hovelingen zo halsstarrig gemaakt om in Egypte al deze wonderen te kunnen doen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Ook wil ik dat jij aan je kinderen en kleinkinderen kunt vertellen hoe hard ik tegen de Egyptenaren ben opgetreden en welke wonderen ik bij hen heb verricht. Dan zullen jullie inzien dat ik de HEER ben.' </VERS>
      <VERS vnumber="3">Mozes en Aäron gingen naar de farao en zeiden: 'Dit zegt de HEER, de God van de Hebree ën: Hoe lang blijft u nog weigeren u aan mij te onderwerpen? Laat mijn volk gaan om mij te vereren. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Weigert u mijn volk te laten gaan, dan stuur ik morgen sprinkhanen op uw rijk af. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Die zullen het land in zulke dichte zwermen bedekken dat er geen stukje grond meer te zien is. Ze zullen het weinige dat er na de hagel is overgeschoten opvreten en alle bomen die weer uitgelopen zijn kaalvreten. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Uw paleis en de huizen van uw hovelingen en van alle andere Egyptenaren zullen er vol mee komen te zitten. Zoiets is op aarde nog nooit voorgevallen, eerdere generaties hebben zoiets nooit meegemaakt.' Hierna keerde Mozes zich om en verliet het paleis. </VERS>
      <VERS vnumber="7">De hovelingen zeiden tegen de farao: 'Hoe lang moet die man ons nog in de ellende storten? Laat die Israëlieten toch gaan om de HEER, hun God, te vereren. Ziet u dan nog steeds niet in dat Egypte zo te gronde gaat?' </VERS>
      <VERS vnumber="8">Daarop werden Mozes en Aäron opnieuw bij de farao gebracht, en nu zei deze: 'Ga de HEER, jullie God, dan maar vereren. Maar wie gaan er eigenlijk mee?' </VERS>
      <VERS vnumber="9">Mozes antwoordde: 'We gaan met jong en oud, met onze zonen en dochters, en we nemen ook onze schapen, geiten en runderen mee, want we gaan ter ere van de HEER een feest vieren.' </VERS>
      <VERS vnumber="10">'Ik zou jullie nog eerder de hulp van de HEER toewensen, 'zei de farao, 'dan dat ik jullie met je kinderen laat gaan! Jullie zijn niet veel goeds van plan. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Het gebeurt niet! Alleen de mannen mogen gaan om de HEER te vereren. Dat is toch wat jullie wilden?' En hij liet hen uit het paleis wegjagen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Toen zei de HEER tegen Mozes: 'Strek je arm uit over Egypte, dan komen er sprinkhanen, die alle planten zullen opvreten die de hagel heeft overgelaten.' </VERS>
      <VERS vnumber="13">Mozes strekte zijn staf uit over Egypte, en toen liet de HEER die hele dag en die hele nacht een oostenwind over het land waaien. Toen de morgen aanbrak, had de wind de sprinkhanen aangevoerd. </VERS>
      <VERS vnumber="14">In grote zwermen streken ze in heel Egypte neer. Nooit eerder was er zo'n sprinkhanenplaag geweest en nooit zal er meer zo'n plaag komen. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Overal zag de grond zwart van de sprinkhanen. Ze vraten alle planten en vruchten op die de hagel had overgelaten, zodat er nergens in Egypte aan bomen of planten nog iets groens te bekennen viel. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Haastig ontbood de farao Mozes en Aäron. 'Ik heb gezondigd tegen de HEER, uw God, en tegen u, 'zei hij. </VERS>
      <VERS vnumber="17">'Vergeef me mijn zonde nog deze ene keer en bid de HEER, uw God, dat hij mij nog van deze ene dodelijke plaag verlost.' </VERS>
      <VERS vnumber="18">Hierop verliet Mozes het paleis en bad tot de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="19">En de HEER liet de wind draaien en aanzwellen tot een krachtige westenwind, die de sprinkhanen de Rietzee in joeg. In heel Egypte bleef geen sprinkhaan over. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Maar de HEER zorgde ervoor dat de farao hardnekkig bleef weigeren de Israëlieten te laten gaan. </VERS>
      <VERS vnumber="21">De HEER zei tegen Mozes: 'Strek je arm uit naar de hemel, dan komt er duisternis over Egypte, een duisternis zo dicht dat ze tastbaar is.' </VERS>
      <VERS vnumber="22">Mozes strekte zijn arm uit naar de hemel, en toen was heel Egypte in diepe duisternis gehuld, drie dagen lang. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Drie dagen lang konden de mensen elkaar niet zien en kon niemand een stap verzetten. Maar waar de Israëlieten woonden was het licht. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Toen ontbood de farao Mozes en zei: 'Ga de HEER dan maar vereren. Jullie kinderen mogen mee, maar jullie schapen, geiten en runderen moeten jullie hier laten.' </VERS>
      <VERS vnumber="25">(25-26) Mozes antwoordde: 'Zelfs al zou u ons offerdieren ter beschikking stellen, dan nog moet ons eigen vee mee-geen enkel dier mag er achterblijven-want we moeten de HEER, onze God, een offer brengen van dieren uit onze eigen kudden, en pas als we op de plaats van bestemming zijn, weten we waarmee we hem moeten vereren.' </VERS>
      <VERS vnumber="27">Maar de HEER zorgde ervoor dat de farao hardnekkig bleef weigeren hen te laten gaan. </VERS>
      <VERS vnumber="28">'Uit mijn ogen!' beval hij. 'En waag het niet u nog eens te laten zien. Als u hier nog eens verschijnt, wordt dat uw dood.' </VERS>
      <VERS vnumber="29">'Zoals u wilt, 'antwoordde Mozes, 'ik zal u niet nog eens onder ogen komen.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="11">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes: 'Ik zal de farao en Egypte met nog één plaag treffen, daarna zal hij jullie laten gaan. Hij zal jullie zelfs het land uit jagen, niemand uitgezonderd. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Zeg tegen het volk dat iedereen zilveren en gouden sieraden aan zijn buren moet vragen, de mannen aan hun buurman, de vrouwen aan hun buurvrouw.' </VERS>
      <VERS vnumber="3">De HEER zorgde ervoor dat de Egyptenaren het volk goedgezind waren. Mozes stond zelfs in hoog aanzien bij de hovelingen en bij het Egyptische volk. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Toen zei Mozes tegen de farao: 'Dit zegt de HEER: Tegen middernacht zal ik rondgaan door Egypte, </VERS>
      <VERS vnumber="5">en dan zullen alle eerstgeborenen in het land sterven, van de eerstgeborene van de farao, zijn troonopvolger, tot de eerstgeborene van de slavin die de handmolen bedient, en ook al het eerstgeboren vee. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Overal in Egypte zal luid gejammerd worden, zo luid als men nog nooit heeft gehoord en ook nooit meer horen zal. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Maar van de Israëlieten zal niemand een haar gekrenkt worden, en ook hun vee zal niets overkomen. Dat zal u doen beseffen dat de HEER onderscheid maakt tussen Egypte en Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Al deze hovelingen hier zullen naar mij toe komen en mij op hun knieën smeken om dit land te verlaten en mijn hele volk mee te nemen. En dat zal ik doen ook.' Hierop verliet Mozes woedend het paleis. </VERS>
      <VERS vnumber="9">De HEER had tegen Mozes gezegd: 'De farao zal niet naar jullie luisteren. Zo kan ik des te meer wonderen in Egypte laten gebeuren.' </VERS>
      <VERS vnumber="10">Al deze wonderen hadden Mozes en Aäron daarna in het bijzijn van de farao verricht, en de HEER had ervoor gezorgd dat de farao hardnekkig bleef weigeren de Israëlieten uit zijn land weg te laten gaan. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="12">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes en Aäron, nog in Egypte: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Voortaan moet deze maand bij jullie de eerste maand van het jaar zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Zeg tegen de hele gemeenschap van Isra ël: "Op de tiende van deze maand moet elke familie een lam of een bokje uitkiezen, elk gezin ‚‚n. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Gezinnen die te klein zijn om een heel dier te eten, nemen er samen met hun naaste buren een, rekening houdend met het aantal personen en met wat ieder nodig heeft. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Het mag het jong van een schaap zijn of het jong van een geit, als het maar een mannelijk dier van ‚‚n jaar oud is zonder enig gebrek. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Houd dat apart tot de veertiende van deze maand; die dag moet de voltallige gemeenschap van Isra ël de dieren in de avondschemer slachten. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Het bloed moeten jullie bij elk huis waarin een dier gegeten wordt, aan de beide deurposten en aan de bovendorpel strijken. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Rooster het vlees en eet het nog diezelfde nacht, met ongedesemd brood en bittere kruiden. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Het dier mag niet halfgaar of gekookt worden gegeten, maar uitsluitend geroosterd, en in zijn geheel: met kop, poten en ingewanden. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Zorg dat er de volgende morgen niets meer van over is. Mocht er toch iets overblijven, dan moet je dat verbranden. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Zo moeten jullie het eten: met je gordel om, je sandalen aan en je staf in de hand, in grote haast. Dit is een maaltijd ter ere van de HEER, het pesachmaal. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Ik zal die nacht rondgaan door Egypte, en ik zal daar alle eerstgeborenen doden, zowel van de mensen als van het vee, en ik zal alle Egyptische goden van hun voetstuk stoten, want ik ben de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Maar jullie zal ik voorbijgaan: aan het bloed zal ik jullie huizen herkennen, en door dat merkteken zal de dodelijke plaag waarmee ik Egypte straf, jullie niet treffen. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Die dag moet voortaan een gedenkdag zijn, die je moet vieren als een feest ter ere van de HEER. Dit voorschrift blijft voor altijd van kracht, alle komende generaties moeten die dag vieren. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Eet dan zeven dagen lang ongedesemd brood, en verwijder meteen op de eerste dag alle zuurdesem uit jullie huizen; wie op een van die zeven dagen iets eet dat zuurdesem bevat, moet uit de gemeenschap van Isra ël gestoten worden. </VERS>
      <VERS vnumber="16">De eerste en zevende dag zijn heilige dagen die jullie samen moeten vieren. Die beide dagen mag er geen enkele bezigheid verricht worden, jullie mogen alleen het voedsel bereiden dat ieder nodig heeft. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Dit voorschrift blijft voor altijd van kracht. Generatie na generatie moeten jullie het feest van het Ongedesemde brood vieren, omdat ik jullie die dag, in groepen geordend, uit Egypte heb geleid. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Van de avond van de veertiende dag van de eerste maand tot de avond van de eenentwintigste dag van die maand moeten jullie ongedesemd brood eten. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Gedurende die zeven dagen mag er geen zuurdesem in jullie huizen te vinden zijn; iedereen die iets eet dat zuurdesem bevat, moet uit de gemeenschap van Isra ël gestoten worden, of het nu een vreemdeling is of een geboren Isra ëliet. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Eet niets dat met zuurdesem bereid is; eet uitsluitend ongedesemd brood, waar jullie ook wonen."' </VERS>
      <VERS vnumber="21">Toen riep Mozes de oudsten van Isra ël bij elkaar. 'Elke familie moet een lam of een bokje kiezen, 'zei hij, 'en dat moet worden geslacht als pesachoffer. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Laat ieder daarna een bos majoraantakken nemen, die in de schaal met bloed dopen en het bloed aan de bovendorpel en aan de beide deurposten strijken. Ga dan tot de morgen de deur niet uit, </VERS>
      <VERS vnumber="23">want de HEER zal door Egypte heen gaan om het te straffen. Maar ziet hij bij een deur bloed aan de bovendorpel en aan de posten, dan zal hij die deur voorbijgaan, hij zal de doodsengel geen toestemming geven om uw huizen binnen te gaan en u te treffen. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Dit voorschrift blijft voor u en uw kinderen voor altijd van kracht. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Ook als u eenmaal in het land bent dat de HEER u zal geven, zoals hij heeft beloofd, moet u dit gebruik in ere houden. </VERS>
      <VERS vnumber="26">En als uw kinderen dan vragen: "Wat betekent dit gebruik?" </VERS>
      <VERS vnumber="27">antwoord dan: "Wij brengen de HEER een pesachoffer omdat hij de huizen van de Israëlieten voorbij is gegaan toen hij de Egyptenaren strafte; ons heeft hij gespaard."' Toen knielden de Israëlieten en bogen ze zich diep neer, </VERS>
      <VERS vnumber="28">en ze deden wat de HEER aan Mozes en Aäron had bevolen. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Midden in de nacht doodde de HEER alle eerstgeborenen in Egypte, van de eerstgeborene van de farao, zijn troonopvolger, tot de eerstgeborene van de gevangene, en ook al het eerstgeboren vee. </VERS>
      <VERS vnumber="30">De farao, zijn hovelingen en alle andere Egyptenaren schrokken die nacht wakker, en in heel Egypte klonk een luid gejammer, want er was geen huis waarin geen dode was. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Die nacht nog ontbood de farao Mozes en Aäron. 'Ga onmiddellijk bij mijn volk weg, 'zei hij, 'u en alle Israëlieten! Ga de HEER maar vereren, zoals u hebt gevraagd. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Neem uw schapen, geiten en runderen mee, zoals u gevraagd hebt, en verdwijn! Maar bid dan ook voor mij om zegen.' </VERS>
      <VERS vnumber="33">De Egyptenaren drongen er bij het volk op aan zo snel mogelijk uit hun land weg te gaan. 'Anders sterven we allemaal nog!' zeiden ze. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Toen pakten de Israëlieten hun baktroggen, met daarin het nog ongedesemde deeg, wikkelden die in kleren en namen ze op de schouders. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Ze hadden gedaan wat Mozes had opgedragen en de Egyptenaren om zilveren en gouden sieraden en om kleren gevraagd. </VERS>
      <VERS vnumber="36">En de HEER had ervoor gezorgd dat de Egyptenaren hun goedgezind waren, zodat ze op hun verzoek ingingen. Zo beroofden ze de Egyptenaren. </VERS>
      <VERS vnumber="37">De Israëlieten trokken te voet van Rameses naar Sukkot; hun aantal bedroeg ongeveer zeshonderdduizend, vrouwen en kinderen niet meegerekend, </VERS>
      <VERS vnumber="38">terwijl er bovendien een grote groep mensen van allerlei herkomst met hen meetrok. Ze voerden enorme kudden schapen, geiten en runderen mee. </VERS>
      <VERS vnumber="39">Van het deeg dat ze uit Egypte hadden meegenomen bakten ze ongedesemde broden. Doordat ze uit Egypte waren weggejaagd, was er geen tijd geweest om zuurdesem toe te voegen of voor andere proviand te zorgen. </VERS>
      <VERS vnumber="40">Vierhonderddertig jaar hadden de Israëlieten in Egypte gewoond; </VERS>
      <VERS vnumber="41">na precies vierhonderddertig jaar-geen dag eerder of later-trok het volk van de HEER, in groepen geordend, uit Egypte weg. </VERS>
      <VERS vnumber="42">Die nacht waakte de HEER om hen uit Egypte weg te leiden. Daarom waken de Israëlieten nog altijd in deze nacht ter ere van de HEER, elke generatie opnieuw. </VERS>
      <VERS vnumber="43">De HEER zei tegen Mozes en Aäron: 'Voor het pesachmaal gelden deze voorschriften: Er mag geen enkele vreemdeling aan deelnemen. </VERS>
      <VERS vnumber="44">Een slaaf die door iemand gekocht is, mag er echter aan deelnemen zodra hij besneden is. </VERS>
      <VERS vnumber="45">Een vreemdeling die tijdelijk bij je verblijft of een dagloner mag er niet aan deelnemen. </VERS>
      <VERS vnumber="46">Het maal moet worden gebruikt in het huis waarin het is klaargemaakt, je mag niets van het vlees buitenshuis brengen; de botten mag je niet breken. </VERS>
      <VERS vnumber="47">Ieder die tot de gemeenschap van Isra ël behoort, is verplicht dit maal te bereiden. </VERS>
      <VERS vnumber="48">Wil een vreemdeling die bij jullie woont het pesachmaal ter ere van de HEER bereiden, dan mag dat pas nadat hij en al zijn mannelijke familieleden besneden zijn, want alleen dan kan hij op ‚‚n lijn worden gesteld met een geboren Isra ëliet. Maar een onbesnedene mag er niet aan deelnemen. </VERS>
      <VERS vnumber="49">Voor geboren Israëlieten en voor vreemdelingen geldt een en dezelfde regel.' </VERS>
      <VERS vnumber="50">De Israëlieten deden wat de HEER aan Mozes en Aäron had bevolen. </VERS>
      <VERS vnumber="51">Op diezelfde dag leidde de HEER de Israëlieten, in groepen geordend, uit Egypte. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="13">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Wijd alle eerstgeborenen aan mij; alles wat bij de Israëlieten of bij hun vee als eerste de moederschoot verlaat behoort mij toe.' </VERS>
      <VERS vnumber="3">Mozes zei tegen het volk: 'Blijf deze dag gedenken, de dag waarop u weggetrokken bent uit Egypte, dat slavenland, want met krachtige hand heeft de HEER u daaruit bevrijd. Er mag dan niets gegeten worden dat zuurdesem bevat. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Deze dag, de dag van uw uittocht, valt in de maand abib. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Als de HEER u eenmaal in het gebied van de Kanaänieten, de Hethieten, Amorieten, Chiwwieten en Jebusieten gebracht heeft, in het land dat hij onder ede aan uw voorouders beloofd heeft, een land dat overvloeit van melk en honing, neem dan steeds in deze maand het volgende gebruik in acht: </VERS>
      <VERS vnumber="6">Eet zeven dagen lang ongedesemd brood, en vier op de zevende dag feest ter ere van de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Niet alleen moet u die zeven dagen ongedesemd brood eten, ook mag er in het hele land geen gedesemd brood of zuurdesem bij u te vinden zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="8">En vertel uw kinderen die dag: "Zo gedenk ik wat de HEER voor mij heeft gedaan toen ik wegtrok uit Egypte." </VERS>
      <VERS vnumber="9">Laat dit gebruik zijn als een herinneringsteken om uw arm en op uw voorhoofd, zodat de wetten van de HEER voortdurend op uw lippen zijn. De HEER heeft u immers met sterke hand uit Egypte bevrijd. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Ieder jaar opnieuw moet u dit gebruik op de vastgestelde tijd in acht nemen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Als de HEER u in het land van de Kanaänieten gebracht heeft, zoals hij u en uw voorouders onder ede heeft beloofd, en als hij u dat land in bezit heeft gegeven, </VERS>
      <VERS vnumber="12">dan moet u alles wat als eerste de moederschoot verlaat aan de HEER afstaan. Alle eerstgeboren mannelijke dieren die uw vee werpt, moeten aan de HEER gegeven worden. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Elk eerstgeboren veulen van een ezel moet u vrijkopen met een lam. Koopt u het niet vrij, dan moet u het de nek breken. Ook elke eerstgeboren zoon moet u vrijkopen. </VERS>
      <VERS vnumber="14">En als een van uw kinderen u later vraagt: "Waarom doen wij dit?" dan moet u dit antwoord geven: "Met krachtige hand heeft de HEER ons bevrijd uit Egypte, uit de slavernij. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Toen de farao weigerde ons te laten gaan, heeft de HEER alle eerstgeborenen in Egypte, van de mensen en van het vee, gedood. Daarom offer ik de HEER alle mannelijke dieren die als eerste de moederschoot verlaten en koop ik elke eerstgeboren zoon vrij." </VERS>
      <VERS vnumber="16">Laat dit gebruik zijn als een teken om uw arm en een band op uw voorhoofd, om u eraan te herinneren dat de HEER ons met krachtige hand uit Egypte heeft bevrijd.' </VERS>
      <VERS vnumber="17">Toen de farao het volk had laten vertrekken, leidde God hen niet langs de weg die door het gebied van de Filistijnen loopt, ook al was dat de kortste route. God dacht namelijk: Als ze strijd zouden moeten leveren, konden ze weleens spijt krijgen en teruggaan naar Egypte. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Daarom liet hij het volk een omweg maken en door de woestijn naar de Rietzee trekken. De Israëlieten waren als een geordend leger uit Egypte weggetrokken. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Mozes had het lichaam van Jozef meegenomen, omdat Jozef de Israëlieten plechtig had laten zweren dat te zullen doen. 'God zal zich jullie lot aantrekken, 'had hij gezegd, 'en dan moeten jullie mijn lichaam van hier met je meenemen.' </VERS>
      <VERS vnumber="20">Nadat ze Sukkot hadden verlaten, sloegen ze hun kamp op in Etam, aan de rand van de woestijn. </VERS>
      <VERS vnumber="21">De HEER ging voor hen uit om hun de weg te wijzen, overdag in een wolkkolom, 's nachts in een lichtende vuurzuil. Zo konden ze dag en nacht verder trekken. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Overdag ging de wolkkolom het volk voortdurend voor, en 's nachts de vuurzuil. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="14">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Zeg tegen de Israëlieten dat ze omkeren en hun kamp opslaan voor Pi-Hachirot, tussen Migdol en de zee; jullie moeten je kamp recht tegenover Baäl-Sefon opslaan, vlak bij de zee. </VERS>
      <VERS vnumber="3">De farao zal denken dat jullie de weg kwijt zijn geraakt en de woestijn niet meer uit kunnen komen. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Ik zal ervoor zorgen dat hij onverzettelijk blijft, zodat hij jullie achtervolgt, en dan zal ik mijn majesteit tonen door de farao en zijn hele leger ten val te brengen. Dan zullen de Egyptenaren beseffen dat ik de HEER ben.' De Israëlieten gehoorzaamden. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Toen aan de farao, de koning van Egypte, bericht werd dat het volk gevlucht was, kregen hij en zijn hovelingen spijt. 'Hoe konden we Isra ël zomaar laten vertrekken!' zeiden ze. 'Nu zijn we onze slaven kwijt.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">De farao liet zijn strijdwagen inspannen en verzamelde zijn krijgsvolk. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Hij nam de zeshonderd beste wagens van Egypte mee, en ook alle andere, stuk voor stuk bemand met officieren. </VERS>
      <VERS vnumber="8">De HEER zorgde ervoor dat de farao, de koning van Egypte, onverzettelijk bleef, zodat hij de achtervolging van de Israëlieten inzette, die onbevreesd vertrokken waren. </VERS>
      <VERS vnumber="9">(9-10) De Egyptenaren achtervolgden hen, en haalden hen in bij Pi-Hachirot, waar het volk van Isra ël zijn kamp had opgeslagen, dicht bij de zee, tegenover Baäl-Sefon. Toen de Israëlieten de farao zagen naderen, met al zijn paarden, wagens en ruiters en al zijn voetvolk, werden ze doodsbang en riepen ze de HEER luidkeels om hulp. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Ze zeiden tegen Mozes: 'Waren er soms in Egypte geen graven, dat u ons hebt meegenomen om in de woestijn te sterven? Hoe kon u ons dit aandoen! Waarom hebt u ons uit Egypte weggehaald? </VERS>
      <VERS vnumber="12">Hebben we niet al in Egypte gezegd: "Laat ons toch met rust, laat ons maar als slaven voor de Egyptenaren werken, want dat is altijd nog beter dan om te komen in de woestijn"?' </VERS>
      <VERS vnumber="13">Maar Mozes antwoordde het volk: 'Wees niet bang, wacht rustig af. Dan zult u zien hoe de HEER vandaag voor u de overwinning behaalt. De Egyptenaren die u daar nu ziet, zult u hierna nooit meer terugzien. </VERS>
      <VERS vnumber="14">De HEER zal voor u strijden, u hoeft zelf niets te doen.' </VERS>
      <VERS vnumber="15">De HEER zei tegen Mozes: 'Waarom roep je mij te hulp? Zeg tegen de Israëlieten dat ze verder trekken. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Jij moet je staf geheven houden boven de zee en zo het water splijten, zodat de Israëlieten dwars door de zee kunnen gaan, over droog land. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Ik zal de Egyptenaren onverzettelijk maken zodat ze hen achterna gaan, en dan zal ik mijn majesteit tonen door de farao en zijn hele leger, zijn wagens en zijn ruiters, ten val te brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="18">De Egyptenaren zullen beseffen dat ik de HEER ben, als ik in mijn majesteit de farao, met al zijn wagens en ruiters, ten val heb gebracht.' </VERS>
      <VERS vnumber="19">De engel van God, die steeds voor het leger van de Israëlieten uit was gegaan, stelde zich nu achter hen op. Ook de wolkkolom die eerst voor hen uit ging stelde zich achter hen op, </VERS>
      <VERS vnumber="20">zodat hij tussen het leger van de Egyptenaren en dat van de Israëlieten kwam te staan. Aan de ene kant bracht de wolk duisternis, aan de andere kant verlichtte de vuurzuil de nacht. Die hele nacht konden de legers niet bij elkaar komen. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Toen hield Mozes zijn arm boven de zee, en de HEER liet de zee terugwijken door gedurende de hele nacht een krachtige oostenwind te laten waaien. Hij veranderde de zee in droog land. Het water spleet, </VERS>
      <VERS vnumber="22">en zo konden de Israëlieten dwars door de zee gaan, over droog land; rechts en links van hen rees het water op als een muur. </VERS>
      <VERS vnumber="23">De Egyptenaren achtervolgden hen, alle paarden en wagens van de farao en al zijn ruiters gingen achter hen aan de zee in. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Maar in de morgenwake keek de HEER vanuit de vuurzuil en de wolkkolom neer op het Egyptische leger en zaaide paniek onder hen. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Hij liet de wielen van de wagens vastlopen, zodat de Egyptenaren de grootste moeite hadden om vooruit te komen. 'Laten we vluchten!' riepen ze. 'De HEER steunt de Israëlieten, hij strijdt tegen ons!' </VERS>
      <VERS vnumber="26">De HEER zei tegen Mozes: 'Strek je arm uit boven de zee; dan stroomt het water terug, over de Egyptenaren en over al hun wagens en ruiters.' </VERS>
      <VERS vnumber="27">Mozes gehoorzaamde, en toen de dageraad aanbrak, stroomde de zee terug naar haar gewone plaats. De Egyptenaren vluchtten het water tegemoet, de HEER dreef hen regelrecht de golven in. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Het terugstromende water overspoelde het hele leger van de farao, al zijn wagens en ruiters, die achter de Israëlieten aan de zee in gereden waren; niet een van hen bleef in leven. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Maar de Israëlieten waren dwars door de zee gegaan, over droog land, terwijl rechts en links van hen het water als een muur omhoogrees. </VERS>
      <VERS vnumber="30">(30-31) Zo redde de HEER de Israëlieten die dag uit de handen van de Egyptenaren. Toen ze de Egyptenaren dood langs de zee zagen liggen en het tot hen doordrong hoe krachtig de HEER tegen Egypte was opgetreden, kregen ze ontzag voor de HEER en stelden ze hun vertrouwen in hem en in zijn dienaar Mozes. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="15">
      <VERS vnumber="1">Toen zong Mozes, samen met de Israëlieten, dit lied ter ere van de HEER: 'Ik wil zingen voor de HEER, zijn macht en majesteit zijn groot! Paarden en ruiters wierp hij in zee. </VERS>
      <VERS vnumber="2">De HEER is mijn sterkte, hij is mijn beschermer, de HEER kwam mij te hulp. Hij is mijn God, hem wil ik eren, de God van mijn vader, hem loof en prijs ik. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Zijn naam is HEER, hij is een krijgsheld. </VERS>
      <VERS vnumber="4">De wagens van de farao slingerde hij in zee. Daar, in de Rietzee, verdronk het leger, zijn beste officieren kwamen om. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Wild kolkend water overspoelde hen, ze verdwenen in de diepte, zonken als een steen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Uw hand, HEER, ontzagwekkend in kracht, uw hand, HEER, verplettert de vijand. </VERS>
      <VERS vnumber="7">U toont uw majesteit en breekt uw tegenstanders, uw toorn ontbrandt en verteert hen als stro. </VERS>
      <VERS vnumber="8">De adem van uw neus stuwde het water omhoog, de wilde watermassa's stonden als een wal, het kolkende water stolde in het diepst van de zee. </VERS>
      <VERS vnumber="9">De vijand dacht: Ik achtervolg hen, haal hen in, verdeel de buit. Weldra wordt mijn wraaklust bevredigd, ik trek mijn zwaard, ik onderwerp hen weer. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Maar u blies, uw adem waaide en de zee bedekte hen, zij kwamen om in het ontzagwekkende water, ze zonken weg als lood. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Wie onder de goden is uw gelijke, HEER? Wie is uw gelijke, zo ontzagwekkend en heilig, wie dwingt zoveel eerbied af met roemrijke daden, wie anders verricht zulke wonderen? </VERS>
      <VERS vnumber="12">U strekte uw hand uit en de aarde verzwolg hen. </VERS>
      <VERS vnumber="13">U bevrijdde dit volk en ging het liefdevol voor, sterk en machtig leidde u het naar uw heilige woning. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Alle volken hoorden het, alle volken huiverden, de Filistijnen beefden, ze krompen van angst ineen, </VERS>
      <VERS vnumber="15">ontzetting maakte zich meester van de stamvorsten van Edom, van de machtigen van Moab. Ze waren verlamd van schrik. De Kanaänieten sidderden, allen waren doodsbang. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Angst overviel hen, vrees beving hen toen zij hoorden van uw machtige daden, zij werden stom als steen, terwijl uw volk voorbijtrok, HEER, terwijl uw volk voorbijtrok, het volk door u geschapen. </VERS>
      <VERS vnumber="17">U brengt hen naar de berg die uw domein is, HEER, en daar zult u hen planten, in uw eigen woning, het heiligdom door u gebouwd. </VERS>
      <VERS vnumber="18">De HEER is koning voor eeuwig en altijd!' </VERS>
      <VERS vnumber="19">Toen de paarden, wagens en ruiters van de farao de zee in waren getrokken, had de HEER het water over hen heen terug laten stromen, maar de Israëlieten waren dwars door de zee gegaan, over droog land. </VERS>
      <VERS vnumber="20">De profetes Mirjam, Aärons zuster, pakte haar tamboerijn, en alle vrouwen volgden haar, dansend en op de tamboerijn spelend. En Mirjam zong dit refrein: </VERS>
      <VERS vnumber="21">'Zing voor de HEER, zijn macht en majesteit zijn groot! Paarden en ruiters wierp hij in zee.' </VERS>
      <VERS vnumber="22">Van de Rietzee ging Isra ël in opdracht van Mozes weer verder, de woestijn van Sur in. Drie dagen trokken ze door de woestijn zonder water te vinden. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Toen kwamen ze in Mara. Het water van Mara konden ze echter niet drinken, zo bitter was het; vandaar ook dat die plaats Mara heet. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Het volk begon zich bij Mozes te beklagen. 'Wat moeten we drinken?' zeiden ze. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Mozes riep de HEER aan, en de HEER wees hem op een stuk hout. Toen hij dat in het water gooide, werd het zoet. Daar in de woestijn gaf de HEER hun wetten en regels, en daar stelde hij hen op de proef. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Hij zei: 'Als jullie de woorden van de HEER, jullie God, ter harte nemen, als jullie doen wat goed is in zijn ogen en al zijn geboden en wetten gehoorzamen, zal ik jullie met geen van de kwalen treffen waarmee ik Egypte heb gestraft. Ik, de HEER, ben het die jullie geneest.' </VERS>
      <VERS vnumber="27">Hierna kwamen ze in Elim, een plaats met twaalf waterbronnen en zeventig dadelpalmen. Daar sloegen ze bij het water hun tenten op. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="16">
      <VERS vnumber="1">Vanuit Elim trok het hele volk van Isra ël weer verder. Op de vijftiende dag van de tweede maand na hun vertrek uit Egypte bereikten ze de woestijn van Sin, die tussen Elim en de Sinai ligt. </VERS>
      <VERS vnumber="2">(2-3) Daar in de woestijn begon het volk zich opnieuw te beklagen. 'Had de HEER ons maar laten sterven in Egypte, 'zeiden ze tegen Mozes en Aäron. 'Daar waren de vleespotten tenminste gevuld en hadden we volop brood te eten. U hebt ons alleen maar naar de woestijn gebracht om ons hier allemaal van honger te laten omkomen.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">De HEER zei tegen Mozes: 'Ik zal voor jullie brood uit de hemel laten regenen. De mensen moeten er dan elke dag op uitgaan om net zo veel te verzamelen als ze voor die dag nodig hebben. Daarmee stel ik hen op de proef: ik wil zien of ze zich aan mijn voorschriften houden. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Op de zesde dag moeten ze tweemaal zo veel verzamelen en klaarmaken als op de andere dagen.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">Hierop zeiden Mozes en Aäron tegen de Israëlieten: 'Vanavond nog zult u inzien dat de HEER zelf u uit Egypte heeft geleid, </VERS>
      <VERS vnumber="7">en morgen, in de ochtend, zult u de majesteit van de HEER zien. Hij heeft gehoord hoe u zich beklaagt. Dat is tegen hem gericht, want wie zijn wij dat u zich bij ons zou beklagen?' </VERS>
      <VERS vnumber="8">Mozes vervolgde: 'Vanavond zal de HEER u vlees te eten geven, en morgenochtend zult u volop brood hebben, want de HEER heeft uw geklaag gehoord. Dat is immers tegen hem gericht en niet tegen ons-want wie zijn wij?' </VERS>
      <VERS vnumber="9">Mozes zei tegen Aäron: 'Zeg tegen de hele gemeenschap van Isra ël: "Wend u tot de HEER, want hij heeft uw geklaag gehoord."' </VERS>
      <VERS vnumber="10">Zodra Aäron dit aan het volk had opgedragen en allen zich met het gezicht naar de woestijn hadden opgesteld, verscheen in een wolk de majesteit van de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="11">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="12">'Ik heb gehoord hoe de Israëlieten zich beklagen. Zeg tegen hen: "Wanneer de avond valt zullen jullie vlees eten, en morgenochtend brood in overvloed. Dan zullen jullie inzien dat ik, de HEER, jullie God ben."' </VERS>
      <VERS vnumber="13">Diezelfde avond kwamen er grote zwermen kwartels aangevlogen, die in het kamp neerstreken, en de volgende morgen lag er overal rond het kamp dauw. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Toen de dauw opgetrokken was, bleek de woestijn bedekt met een fijn, schilferachtig laagje, alsof er rijp op de aarde lag. </VERS>
      <VERS vnumber="15">'Wat is dat?' vroegen de Israëlieten elkaar toen ze het zagen; ze begrepen niet wat het was. Mozes zei tegen hen: 'Dat is het brood dat de HEER u te eten geeft. </VERS>
      <VERS vnumber="16">De HEER heeft bepaald dat ieder ervan kan verzamelen wat hij nodig heeft. Iedereen mag er ‚‚n omer van nemen voor elke persoon die bij hem in de tent woont.' </VERS>
      <VERS vnumber="17">De Israëlieten deden dat. De een verzamelde veel, de ander weinig. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Toen ze het namaten, hadden zij die veel verzameld hadden niet meer dan een omer, en zij die weinig verzameld hadden niet minder, terwijl toch iedereen zo veel had genomen als hij nodig had. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Mozes verbood om ook maar iets ervan tot de volgende dag te bewaren. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Sommigen luisterden niet naar hem en bewaarden toch iets; de volgende morgen zat het vol wormen en stonk het. Mozes wees hen scherp terecht. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Elke morgen verzamelde ieder zo veel als hij nodig had; zodra de zon begon te branden, smolt het weg. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Maar op de zesde dag verzamelden ze een dubbele hoeveelheid: twee omer per persoon. De leiders van het volk kwamen dit bij Mozes melden. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Mozes zei tegen hen: 'De HEER heeft dit zo bepaald. Morgen is het een dag van rust, een heilige sabbat ter ere van de HEER. Bak of kook daarom wat u wilt klaarmaken, en bewaar wat er overblijft tot morgen.' </VERS>
      <VERS vnumber="24">Ze lieten dus iets over voor de volgende dag, zoals Mozes had opgedragen; nu stonk het niet en zaten er geen wormen in. </VERS>
      <VERS vnumber="25">'Dit moet u vandaag eten, 'zei Mozes, 'want vandaag is het sabbat, een rustdag ter ere van de HEER, en zult u buiten het kamp niets vinden. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Zes dagen kunt u voedsel verzamelen, maar de zevende dag is het sabbat, dan is het er niet.' </VERS>
      <VERS vnumber="27">Toch gingen sommigen ook op de zevende dag op zoek, maar ze vonden niets. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Toen zei de HEER tegen Mozes: 'Hoe lang blijven jullie nog weigeren mijn geboden en voorschriften in acht te nemen? </VERS>
      <VERS vnumber="29">De HEER heeft jullie de sabbat gegeven en daarom geeft hij jullie op de zesde dag voedsel voor twee dagen. Laat ieder dus op de zevende dag blijven waar hij is, niemand mag dan het kamp verlaten.' </VERS>
      <VERS vnumber="30">Toen hield iedereen op de zevende dag rust. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Het volk van Isra ël noemde het voedsel manna. Het leek op korianderzaad, maar dan wit, en het smaakte als honingkoek. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Mozes zei: 'De HEER heeft het volgende bevolen: "Er moet ‚‚n volle omer bewaard blijven voor de generaties die na jullie komen, want zij moeten het brood kunnen zien dat ik jullie in de woestijn te eten heb gegeven toen ik jullie uit Egypte leidde."' </VERS>
      <VERS vnumber="33">Daarom zei Mozes tegen Aäron: 'Doe een volle omer manna in een kruik en leg die op de plaats waar de HEER wordt vereerd, om het manna daar voor de komende generaties te bewaren.' </VERS>
      <VERS vnumber="34">Zoals de HEER Mozes had opgedragen, legde Aäron de kruik neer voor de verbondstekst, om het manna daar te bewaren. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Veertig jaar lang aten de Israëlieten manna, tot ze in bewoond gebied kwamen; ze aten manna tot ze de grens van Kanaän bereikten. </VERS>
      <VERS vnumber="36">(Een omer is een tiende efa.) </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="17">
      <VERS vnumber="1">Vanuit de woestijn van Sin trok het hele volk van Isra ël verder, van de ene pleisterplaats naar de andere, volgens de aanwijzingen van de HEER. Toen ze hun tenten opsloegen in Refidim, bleek daar geen water te zijn om te drinken. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Ze maakten Mozes verwijten. 'Geef ons te drinken, geef ons water!' zeiden ze. Mozes zei: 'Waarom maakt u mij verwijten? Waarom stelt u de HEER op de proef?' </VERS>
      <VERS vnumber="3">Maar omdat het volk daar hevige dorst leed, bleef het klagen. 'Waarom hebt u ons uit Egypte weggevoerd?' zeiden ze tegen Mozes. 'Om ons van dorst te laten sterven, met onze kinderen en ons vee?' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Mozes riep luid de HEER aan. 'Wat moet ik met dit volk beginnen?' vroeg hij. 'Er hoeft niet veel meer te gebeuren of ze stenigen mij!' </VERS>
      <VERS vnumber="5">De HEER antwoordde Mozes: 'Ga samen met een aantal van de oudsten van Isra ël voor het volk uit. Neem de staf waarmee je op de Nijl hebt geslagen in je hand en ga op weg. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Ik zal je opwachten op de rots bij de Horeb. Als je op de rots slaat, zal er water uit stromen, zodat het volk te drinken heeft.' Mozes deed dit, in het bijzijn van de oudsten van Isra ël. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Hij noemde die plaats Massa en Meriba, omdat de Israëlieten Mozes daar verwijten hadden gemaakt en omdat ze daar de HEER op de proef hadden gesteld door te vragen: 'Is de HEER nu in ons midden of niet?' </VERS>
      <VERS vnumber="8">In Refidim werd Isra ël aangevallen door de Amalekieten. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Toen zei Mozes tegen Jozua: 'Kies een aantal mannen uit en trek met hen tegen Amalek ten strijde. Ikzelf zal morgen op de top van de heuvel gaan staan, met in mijn hand de staf van God.' </VERS>
      <VERS vnumber="10">Jozua deed wat Mozes hem had opgedragen en trok tegen Amalek ten strijde, en Mozes ging naar de top van de heuvel, samen met Aäron en Chur. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Zolang Mozes zijn arm opgeheven hield, was Isra ël de sterkste partij, maar liet hij zijn arm zakken, dan was Amalek de sterkste. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Toen Mozes' armen zwaar werden, legden Aäron en Chur een steen bij hem neer, zodat hij daarop kon gaan zitten. Zelf gingen ze aan weerszijden van hem staan, om zijn armen te ondersteunen. Daardoor konden zijn armen opgeheven blijven totdat de zon onderging. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Zo versloeg Jozua het leger van Amalek tot de laatste man. </VERS>
      <VERS vnumber="14">De HEER zei tegen Mozes: 'Leg deze overwinning in een oorkonde vast, zodat niemand die ooit zal vergeten, en overtuig Jozua ervan dat ik zal zorgen dat niets op aarde nog aan het volk van Amalek herinnert.' </VERS>
      <VERS vnumber="15">Toen bouwde Mozes een altaar, en hij noemde het 'De HEER is mijn banier'. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Hij zei: 'Omdat Amalek de hand heeft durven opheffen tegen de troon van de HEER, zal de HEER strijd voeren tegen Amalek, in alle komende generaties.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="18">
      <VERS vnumber="1">Jetro, Mozes' schoonvader, die priester was in Midjan, hoorde wat God allemaal voor Mozes en voor Isra ël had gedaan, hoe de HEER zijn volk uit Egypte had weggeleid. </VERS>
      <VERS vnumber="2">(2-5) Daarom ging Jetro naar Mozes op weg. Hij nam Mozes' vrouw Sippora met zich mee-zij was door Mozes teruggestuurd-en ook haar twee zonen. De een heette Gersom, 'want,' had Mozes gezegd, 'ik ben een vreemdeling geworden, ik woon in een land dat ik niet ken.' De ander heette Eli ëzer, 'want,' had Mozes gezegd, 'de God van mijn vader is mij te hulp gekomen, hij heeft mij aan het zwaard van de farao laten ontkomen.' Toen Jetro samen met Mozes' vrouw en zonen aangekomen was in de woestijn waar Mozes zijn kamp had opgeslagen, bij de berg van God, </VERS>
      <VERS vnumber="6">liet hij Mozes weten: 'Ik, je schoonvader Jetro, kom je bezoeken, met je vrouw en haar beide zonen.' </VERS>
      <VERS vnumber="7">Mozes ging zijn schoonvader tegemoet, boog zich voor hem neer en kuste hem. Nadat ze elkaar begroet hadden, gingen ze de tent binnen. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Mozes vertelde zijn schoonvader uitvoerig hoe de HEER omwille van Isra ël tegen de farao en Egypte was opgetreden, en ook welke moeilijkheden ze op hun tocht ondervonden hadden en hoe de HEER hen daaruit had gered. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Jetro verheugde zich erover dat de HEER Isra ël zoveel weldaden had bewezen en hen had gered uit de handen van de Egyptenaren. </VERS>
      <VERS vnumber="10">'Geprezen zij de HEER, dat hij jullie uit de macht van de Egyptenaren en de farao heeft bevrijd, 'zei hij, 'dat hij het volk verlost heeft van de onderdrukking door de Egyptenaren, </VERS>
      <VERS vnumber="11">door wie jullie met zoveel minachting behandeld zijn. Nu zie ik in dat de HEER machtiger is dan alle andere goden.' </VERS>
      <VERS vnumber="12">Mozes' schoonvader Jetro bracht God een brandoffer en een vredeoffer, en Aäron en alle oudsten van Isra ël namen samen met hem aan het offermaal deel, ten overstaan van God. </VERS>
      <VERS vnumber="13">De volgende dag sprak Mozes recht over het volk. Van 's morgens vroeg tot 's avonds laat stonden de mensen om hem heen. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Toen zijn schoonvader zag hoezeer hij door hen in beslag werd genomen, vroeg hij: 'Waarom moet jij steeds voor iedereen klaarstaan? Waarom houd jij als enige zitting, terwijl de mensen zich van 's ochtends tot 's avonds om je verdringen?' </VERS>
      <VERS vnumber="15">Mozes antwoordde zijn schoonvader: 'Omdat het volk bij mij komt om God te raadplegen. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Als ze een geschil hebben, wordt dat aan mij voorgelegd, en dan beslis ik wie er in zijn recht staat en vertel ik hun hoe Gods wetten en voorschriften luiden.' </VERS>
      <VERS vnumber="17">'Het is niet verstandig wat je doet, 'zei zijn schoonvader, </VERS>
      <VERS vnumber="18">'je zult er nog onder bezwijken, en de mensen die bij je komen ook. Dit is een veel te zware taak voor je, je kunt die niet alleen aan. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Luister, ik zal je een goede raad geven, en moge God je dan ter zijde staan. Jij moet het volk bij God vertegenwoordigen en hun geschillen aan hem voorleggen. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Prent hun zijn wetten en voorschriften in en leer hun welke weg ze moeten bewandelen en welke plichten ze moeten vervullen. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Maar zoek daarnaast onder het volk een aantal doortastende, vrome mannen, die betrouwbaar zijn en zich niet laten omkopen, en geef hun de leiding over groepen van duizend, van honderd, van vijftig en van tien. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Zij moeten altijd over het volk rechtspreken. Belangrijke geschillen leggen ze aan jou voor, in minder belangrijke geschillen doen ze zelf uitspraak. Zij zullen je last verlichten door die samen met jou te dragen. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Als je het op deze manier aanpakt, en als God het wil, kun je het volhouden en kunnen al die mensen tevreden naar hun tenten gaan.' </VERS>
      <VERS vnumber="24">Mozes luisterde naar zijn schoonvader en deed wat deze hem had aangeraden. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Hij koos uit heel Isra ël doortastende mannen en stelde hen over het volk aan: hij gaf hun de leiding over groepen van duizend, van honderd, van vijftig en van tien. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Zij stonden altijd klaar om over het volk recht te spreken. Moeilijke zaken legden ze aan Mozes voor, in eenvoudiger zaken deden ze zelf uitspraak. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Daarna deed Mozes zijn schoonvader uitgeleide, en deze keerde naar zijn land terug. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="19">
      <VERS vnumber="1">In de derde maand, op precies dezelfde dag dat ze uit Egypte waren weggetrokken, kwamen de Israëlieten in de Sinaiwoestijn. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Ze waren vanuit Refidim verder getrokken en in de Sinaiwoestijn gekomen. Daar sloegen de Israëlieten hun kamp op, vlak bij de berg. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Mozes ging de berg op, naar God. De HEER riep hem vanaf de berg toe: 'Zeg tegen het volk van Jakob, laat de kinderen van Isra ël weten: </VERS>
      <VERS vnumber="4">"Jullie hebben gezien hoe ik ben opgetreden tegen Egypte, en hoe ik je op adelaarsvleugels gedragen heb en je hier bij mij heb gebracht. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Als je mijn woorden ter harte neemt en je aan het verbond met mij houdt, zul je een kostbaar bezit voor mij zijn, kostbaarder dan alle andere volken-want de hele aarde behoort mij toe. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Een koninkrijk van priesters zul je zijn, een heilig volk." Breng deze woorden aan de Israëlieten over.' </VERS>
      <VERS vnumber="7">Mozes ging terug, riep de oudsten van het volk bijeen en deelde hun alles mee wat de HEER hem had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="8">En het hele volk antwoordde als uit ‚‚n mond: 'We zullen alles doen wat de HEER heeft gezegd.' Mozes bracht het antwoord van het volk aan de HEER over, </VERS>
      <VERS vnumber="9">waarop de HEER tegen hem zei: 'Ik kom naar je toe in een donkere wolk, dan kan iedereen het horen wanneer ik met je spreek en zullen ze voor altijd vertrouwen in je hebben.' Toen Mozes de HEER vertelde wat het volk had geantwoord, </VERS>
      <VERS vnumber="10">zei de HEER hem ook: 'Ga terug naar het volk en zorg ervoor dat ze zich vandaag en morgen heiligen, en laten ze hun kleren wassen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Bij het aanbreken van de derde dag moeten ze gereed zijn, want op die dag zal de HEER voor de ogen van heel het volk neerdalen op de Sinai. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Geef aan tot waar het volk mag komen, en waarschuw hen dat ze de berg niet op gaan; zelfs de voet daarvan mogen ze niet betreden. Wie zich op de berg waagt, moet ter dood gebracht worden. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Zo iemand mag met geen vinger aangeraakt worden; hij moet worden gestenigd of met pijlen doorboord. Of het nu mensen of dieren betreft, ze mogen niet in leven blijven. Pas als het geluid van een ramshoorn weerklinkt, mogen ze de berg op gaan.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">Weer ging Mozes naar beneden, naar het volk. Hij droeg hun op zich te heiligen en hun kleren te wassen. </VERS>
      <VERS vnumber="15">'Zorg ervoor dat u overmorgen gereed bent, 'zei hij, 'en dat u in de tussentijd geen gemeenschap hebt met een vrouw.' </VERS>
      <VERS vnumber="16">Op de derde dag, bij het aanbreken van de morgen, begon het te donderen en te bliksemen, er hing een dreigende wolk boven de berg, en zeer luid weerklonk het geschal van een ramshoorn. Iedereen in het kamp beefde. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Mozes leidde het volk het kamp uit, God tegemoet. Aan de voet van de berg bleven ze staan. </VERS>
      <VERS vnumber="18">De Sinai was volledig in rook gehuld, want de HEER was daarop neergedaald in vuur. De rook steeg op als de rook uit een smeltoven, en de berg trilde hevig. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Het geschal van de ramshoorn werd luider en luider. Mozes sprak, en God antwoordde met geweldig stemgeluid. </VERS>
      <VERS vnumber="20">De HEER was op de top van de Sinai neergedaald. Hij vroeg Mozes naar hem toe te komen, en Mozes ging naar boven. </VERS>
      <VERS vnumber="21">De HEER zei tegen Mozes: 'Ga naar beneden en waarschuw het volk dat ze niet te dichtbij komen in de hoop de HEER te zien, want dan zullen velen van hen het leven verliezen. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Ook de priesters, die gewoonlijk wel in de nabijheid van de HEER mogen komen, moeten op eerbiedige afstand blijven, anders zal de toorn van de HEER tegen hen losbarsten.' </VERS>
      <VERS vnumber="23">Mozes antwoordde de HEER: 'Het volk kan de Sinai niet op gaan. U hebt ons immers zelf bevolen de berg af te grenzen en als heilig te beschouwen.' </VERS>
      <VERS vnumber="24">De HEER zei: 'Ga naar beneden, en kom samen met Aäron weer terug. Maar de priesters en het volk mogen niet dichterbij komen, zij mogen de berg niet op gaan, anders zal mijn toorn tegen hen losbarsten.' </VERS>
      <VERS vnumber="25">Mozes ging terug naar het volk en bracht hun dit over. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="20">
      <VERS vnumber="1">Toen sprak God deze woorden: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Ik ben de HEER, uw God, die u uit Egypte, uit de slavernij, heeft bevrijd. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Vereer naast mij geen andere goden. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hier boven is of van iets beneden op de aarde of in het water onder de aarde. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Kniel voor zulke beelden niet neer, vereer ze niet, want ik, de HEER, uw God, duld geen andere goden naast mij. Voor de schuld van de ouders laat ik de kinderen boeten, en ook het derde geslacht en het vierde, wanneer ze mij haten; </VERS>
      <VERS vnumber="6">maar als ze mij liefhebben en doen wat ik gebied, bewijs ik hun mijn liefde tot in het duizendste geslacht. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Misbruik de naam van de HEER, uw God, niet, want wie zijn naam misbruikt laat hij niet vrijuit gaan. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Houd de sabbat in ere, het is een heilige dag. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Zes dagen lang kunt u werken en al uw arbeid verrichten, </VERS>
      <VERS vnumber="10">maar de zevende dag is een rustdag, die gewijd is aan de HEER, uw God; dan mag u niet werken. Dat geldt voor u, voor uw zonen en dochters, voor uw slaven en slavinnen, voor uw vee, en ook voor vreemdelingen die bij u in de stad wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Want in zes dagen heeft de HEER de hemel en de aarde gemaakt, en de zee met alles wat er leeft, en op de zevende dag rustte hij. Daarom heeft de HEER de sabbat gezegend en heilig verklaard. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Toon eerbied voor uw vader en uw moeder. Dan wordt u gezegend met een lang leven in het land dat de HEER, uw God, u geven zal. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Pleeg geen moord. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Pleeg geen overspel. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Steel niet. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Leg over een ander geen vals getuigenis af. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Zet uw zinnen niet op het huis van een ander, en evenmin op zijn vrouw, op zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of zijn ezel, of wat hem ook maar toebehoort.' </VERS>
      <VERS vnumber="18">Heel het volk was getuige van de donderslagen en lichtflitsen, het schallen van de ramshoorn en de rook die uit de berg kwam. Bij die aanblik deinsden ze achteruit, en ze bleven op grote afstand staan. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Ze zeiden tegen Mozes: 'Spreekt u met ons, wij zullen naar u luisteren. Maar laat God niet met ons spreken, want dan sterven we.' </VERS>
      <VERS vnumber="20">Maar Mozes antwoordde: 'Wees niet bang, God is gekomen om u op de proef te stellen en u met ontzag voor hem te vervullen, zodat u niet meer zondigt.' </VERS>
      <VERS vnumber="21">En terwijl het volk op een afstand bleef staan, ging Mozes naar de donkere wolk waarin God aanwezig was. </VERS>
      <VERS vnumber="22">De HEER droeg Mozes op het volgende tegen de Israëlieten te zeggen: 'Jullie zijn er getuige van geweest dat ik vanuit de hemel tot jullie heb gesproken. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Je mag daarom geen goden van zilver of goud maken om die naast mij te vereren. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Maak voor mij een altaar van aarde, en slacht daarop je schapen, geiten en runderen voor de brandoffers en vredeoffers. Op elke plaats waar ik mijn naam wil laten noemen, zal ik naar jullie toe komen en je zegenen. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Als je voor mij een stenen altaar wilt bouwen, gebruik dan geen gehouwen stenen, want door de stenen met een beitel te bewerken ontwijd je ze. </VERS>
      <VERS vnumber="26">En breng geen treden aan, want als je daarlangs omhoog zou gaan, zou men je geslachtsdelen zien.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="21">
      <VERS vnumber="1">'Houd hun ook deze regels voor: </VERS>
      <VERS vnumber="2">Wanneer je een Hebreeuwse slaaf koopt, moet hij je zes jaar lang dienen; in het zevende jaar mag hij als vrij man vertrekken, zonder iets te hoeven betalen. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Als hij alleen is gekomen, moet hij ook alleen weggaan; was hij getrouwd, dan mag zijn vrouw met hem meegaan. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Als zijn meester hem een vrouw heeft gegeven en zij heeft hem zonen of dochters gebaard, blijven de vrouw en haar kinderen eigendom van de meester en moet de slaaf alleen weggaan. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Mocht hij echter te kennen geven dat hij zo aan zijn meester en aan zijn vrouw en kinderen gehecht is dat hij niet als vrij man wil vertrekken, </VERS>
      <VERS vnumber="6">dan moet zijn meester hem naar het heiligdom brengen, hem tegen de deur of de deurpost zetten, en zijn oor met een priem doorboren. Hij blijft dan voorgoed zijn slaaf. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Wanneer iemand zijn dochter als slavin verkoopt, kan zij niet vrijkomen zoals de mannelijke slaven. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Als haar meester haar voor zichzelf bestemd had en zij hem niet meer aanstaat, moet hij haar laten terugkopen; hij heeft niet het recht haar aan derden te verkopen, omdat hij zijn verplichtingen tegenover haar niet is nagekomen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Bestemt hij haar voor zijn zoon, dan moet hij haar als een dochter behandelen. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Neemt hij naast haar een andere vrouw, dan mag hij de slavin niet minder voedsel of kleding geven en niet minder vaak gemeenschap met haar hebben; </VERS>
      <VERS vnumber="11">doet hij haar op een van deze drie punten tekort, dan mag ze weggaan zonder ook maar iets te hoeven betalen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Wie een ander zodanig slaat dat deze sterft, moet ter dood gebracht worden. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Maar in het geval dat hij het niet met opzet deed en God zijn hand bestuurde, kan hij vluchten naar een plaats die ik jullie zal aanwijzen. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Wanneer iemand een ander echter verraderlijk vermoordt, met voorbedachten rade, mag je hem zelfs van mijn altaar weghalen om hem ter dood te brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Wie zijn vader of moeder mishandelt, moet ter dood gebracht worden. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Wie iemand ontvoert, moet ter dood gebracht worden, of hij de ander nu als slaaf verkocht heeft of hem nog in zijn bezit heeft. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Wie zijn vader of moeder vervloekt, moet ter dood gebracht worden. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Wanneer twee mannen ruziemaken en de een de ander zodanig met een steen of met zijn vuist slaat dat hij niet sterft maar wel het bed moet houden, </VERS>
      <VERS vnumber="19">en hij weer op de been komt en met behulp van een kruk weer buiten kan lopen, dan gaat degene die hem geslagen heeft vrijuit. Wel moet deze hem de gedwongen rusttijd en de kosten van zijn herstel vergoeden. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Wanneer iemand zijn slaaf of slavin met een stok slaat en hij of zij sterft ter plekke, dan moet er vergelding plaatsvinden. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Als de slaaf of slavin nog enkele dagen in leven blijft, gaat de eigenaar vrijuit; door het verlies van zijn eigendom is hij genoeg gestraft. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Wanneer twee mannen aan het vechten zijn en een van hen een zwangere vrouw raakt met als gevolg dat zij een miskraam krijgt, maar ze heeft verder geen letsel opgelopen, dan moet een boete worden ge ëist waarvan de hoogte door haar echtgenoot wordt vastgesteld; de rechters moeten op de betaling toezien. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Heeft ze wel ander letsel opgelopen, dan geldt: een leven voor een leven, </VERS>
      <VERS vnumber="24">een oog voor een oog, een tand voor een tand, een hand voor een hand, een voet voor een voet, </VERS>
      <VERS vnumber="25">een brandwond voor een brandwond, een kneuzing voor een kneuzing, een striem voor een striem. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Wanneer iemand zijn slaaf of slavin zodanig in het oog treft dat dit verloren gaat, moet hij hem of haar als vergoeding voor dat oog vrijlaten. </VERS>
      <VERS vnumber="27">En als hij zijn slaaf of slavin een tand uitslaat, moet hij hem of haar als vergoeding voor die tand vrijlaten. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Wanneer een stier een man of vrouw zodanig stoot dat deze sterft, moet die stier gestenigd worden en mag het vlees ervan niet gegeten worden. De eigenaar gaat echter vrijuit. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Maar als die stier een man of vrouw doodt terwijl hij voor die tijd al stotig was, en de eigenaar was gewaarschuwd maar had hem niet vastgezet, dan moet niet alleen de stier gestenigd worden maar moet ook de eigenaar ter dood gebracht worden. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Legt men hem een afkoopsom op, dan moet hij als losprijs voor zijn leven de volle som die hem wordt opgelegd betalen. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Deze regels gelden ook als de stier een jongen of meisje stoot. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Als hij een slaaf of slavin stoot, moet aan zijn of haar meester dertig sjekel zilver worden betaald en moet de stier gestenigd worden. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Wanneer iemand een put graaft of openlegt en hem daarna niet afdekt, en er valt een rund of een ezel in, </VERS>
      <VERS vnumber="34">moet de eigenaar van de put de schade vergoeden: hij betaalt de eigenaar van het dier een bepaald bedrag en mag het dode dier houden. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Wanneer iemands stier de stier van een ander zodanig stoot dat die sterft, moet de levende stier verkocht worden en de opbrengst ervan gedeeld. Ook het dode dier moet verdeeld worden. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Maar als bekend was dat de stier voor die tijd al stotig was en de eigenaar had hem niet vastgezet, dan moet hij de dode stier met een levende vergoeden; het dode dier mag hij houden. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="22">
      <VERS vnumber="1">(21:37) Wanneer iemand een rund steelt of een schaap of geit en hij slacht of verkoopt het dier, dan moet hij het vergoeden: een rund met vijf runderen, en een schaap of geit met vier schapen of geiten. </VERS>
      <VERS vnumber="2">(22:1) Betrapt iemand de dief op heterdaad en slaat hij hem dood, dan laadt hij daarmee geen bloedschuld op zich. </VERS>
      <VERS vnumber="3">(22:2) Gebeurt dit echter na zonsopgang, dan laadt hij wel bloedschuld op zich. De dief moet alles vergoeden; bezit hij niets, dan moet men hem verkopen voor een bedrag ter waarde van het gestolene. </VERS>
      <VERS vnumber="4">(22:3) Als het gestolen dier nog levend bij hem wordt aangetroffen, moet hij het dubbel vergoeden, of het nu een rund betreft, een ezel, schaap of geit. </VERS>
      <VERS vnumber="5">(22:4) Wanneer iemand zijn vee loslaat om een stuk land of een wijngaard te begrazen, en zijn dieren grazen de akker van een ander af, dan moet hij de schade met de beste opbrengst van zijn land of wijngaard vergoeden. </VERS>
      <VERS vnumber="6">(22:5) Wanneer iemand iets verbrandt en het vuur overslaat op doornstruiken, waardoor korenschoven of een akker met het staande koren in vlammen opgaan, moet de veroorzaker van de brand de schade vergoeden. </VERS>
      <VERS vnumber="7">(22:6) Wanneer iemand geld of sieraden aan een ander in bewaring geeft en dit wordt uit het huis van die ander gestolen, moet de dief, als hij gepakt wordt, een dubbele vergoeding geven. </VERS>
      <VERS vnumber="8">(22:7) Als de dief niet gevonden wordt, moet de eigenaar van het huis in het heiligdom zweren dat hij zich niet aan de bezittingen van de ander heeft vergrepen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">(22:8) Bij elk vermoeden van verduistering-of het nu een rund betreft, een ezel, een schaap of geit, een kledingstuk, of welk zoekgeraakt voorwerp ook waarvan iemand beweert dat het zijn eigendom is-moeten beide partijen hun zaak aan God voorleggen. Degene die door God schuldig verklaard wordt, moet de ander een dubbele vergoeding geven. </VERS>
      <VERS vnumber="10">(22:9) Wanneer iemand een ezel, rund, schaap of geit of welk dier dan ook aan een ander toevertrouwt, en het gaat dood of raakt gewond of wordt geroofd zonder dat er getuigen zijn, </VERS>
      <VERS vnumber="11">(22:10) en die ander zweert bij de HEER dat hij zich niet aan het bezit van de eigenaar vergrepen heeft, dan moet deze daar genoegen mee nemen en hoeft hem niets vergoed te worden. </VERS>
      <VERS vnumber="12">(22:11) Als vaststaat dat het dier gestolen is van de ander, moet deze het aan de eigenaar vergoeden. </VERS>
      <VERS vnumber="13">(22:12) Als het door een roofdier gedood is, moet hij dat bewijzen door hem het dode dier te brengen; hij hoeft het verscheurde dier niet te vergoeden. </VERS>
      <VERS vnumber="14">(22:13) Wanneer iemand een dier van een ander in bruikleen heeft en het raakt gewond of sterft terwijl de eigenaar er niet bij is, moet hij het dier volledig vergoeden. </VERS>
      <VERS vnumber="15">(22:14) Is de eigenaar er wel bij, dan is hij geen vergoeding verschuldigd. Was het dier gehuurd, dan is de schade bij de huurprijs inbegrepen. </VERS>
      <VERS vnumber="16">(22:15) Wanneer iemand een meisje dat nog niet uitgehuwelijkt is verleidt, moet hij de volle bruidsprijs betalen en met haar trouwen. </VERS>
      <VERS vnumber="17">(22:16) Mocht haar vader weigeren haar aan hem uit te huwelijken, dan moet hij een bedrag betalen dat overeenkomt met de bruidsprijs voor een maagd. </VERS>
      <VERS vnumber="18">(22:17) Een tovenares mag niet in leven blijven. </VERS>
      <VERS vnumber="19">(22:18) Wie gemeenschap heeft met een dier, moet ter dood gebracht worden. </VERS>
      <VERS vnumber="20">(22:19) Wie aan andere goden offers brengt, en niet uitsluitend aan de HEER, moet onder de ban worden geplaatst en gedood worden. </VERS>
      <VERS vnumber="21">(22:20) Vreemdelingen mag je niet uitbuiten of onderdrukken, want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte. </VERS>
      <VERS vnumber="22">(22:21) Weduwen en wezen mag je evenmin uitbuiten. </VERS>
      <VERS vnumber="23">(22:22) Doe je dat toch en smeken zij mij om hulp, dan zal ik zeker naar hen luisteren: </VERS>
      <VERS vnumber="24">(22:23) ik zal in woede ontsteken en ieder van jullie doden, en dan zullen jullie eigen vrouwen weduwe worden en jullie kinderen wees. </VERS>
      <VERS vnumber="25">(22:24) Als je geld leent aan iemand van mijn volk die armoede lijdt, gedraag je dan niet als een geldschieter en vraag geen rente van hem. </VERS>
      <VERS vnumber="26">(22:25) Als je iemands mantel als onderpand neemt, moet je die voor zonsondergang aan hem teruggeven, </VERS>
      <VERS vnumber="27">(22:26) want hij heeft niets anders om zich mee toe te dekken. Waarmee moet hij zijn lichaam anders beschermen als hij gaat slapen? Als hij mij om hulp smeekt, zal ik naar hem luisteren, want ik ben een genadige God. </VERS>
      <VERS vnumber="28">(22:27) Je mag God niet lasteren en je mag de leiders van je volk niet vervloeken. </VERS>
      <VERS vnumber="29">(22:28) Sta de eerste opbrengst van de druivenoogst zonder uitstel aan mij af, en geef mij ook je eerstgeboren zoon. </VERS>
      <VERS vnumber="30">(22:29) Hetzelfde geldt voor de eerste jongen van je runderen en van je schapen en geiten; zeven dagen mogen ze bij hun moeder blijven, op de achtste dag moet je ze aan mij afstaan. </VERS>
      <VERS vnumber="31">(22:30) Leef als mensen die aan mij gewijd zijn. Eet geen vlees van een dier dat door een roofdier is gedood; dat moet je aan de honden geven. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="23">
      <VERS vnumber="1">Onthoud je van lasterlijke aantijgingen. Maak geen gemene zaak met een misdadiger door iemand vals te beschuldigen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Laat je er niet door de meerderheid toe overhalen iets onrechtvaardigs te doen, en als je in een rechtszaak getuigt, verdraai het recht dan niet door je naar de meerderheid te richten. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Iemand die arm is, mag je in een rechtszaak niet bevoordelen. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Wanneer je een verdwaald rund of een verdwaalde ezel van een vijand van je aantreft, moet je hem het dier zonder uitstel terugbrengen. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Wanneer je ziet dat de ezel van iemand met wie je in onmin leeft onder zijn last bezwijkt, mag je niet werkeloos toezien maar moet je hem meteen de helpende hand bieden. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Bij een rechtszaak moet je de rechten van de armen eerbiedigen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Laat je niet beïnvloeden door valse aantijgingen en breng een onschuldige die in zijn recht staat niet ter dood; wie zich daaraan schuldig maakt, laat ik niet vrijuit gaan. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Neem geen steekpenningen aan, want steekpenningen maken zienden blind en maken eerlijke mensen tot leugenaars. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Vreemdelingen mag je niet uitbuiten. Jullie weten immers hoe het voelt om vreemdeling te zijn, omdat jullie zelf vreemdelingen zijn geweest in Egypte. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Zes jaar achtereen mag je je land inzaaien en de oogst binnenhalen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Maar het zevende jaar moet je het land braak laten liggen en het met rust laten, dan kunnen de armen onder jullie ervan eten; wat zij nog overlaten is voor de dieren van het veld. Met je wijngaard en je olijfgaard moet je hetzelfde doen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Zes dagen lang mag je werken, maar op de zevende dag moet je rust houden; dan kunnen ook je rund en je ezel uitrusten en kunnen je slaven en de vreemdelingen die voor je werken op adem komen. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Houd je verre van alles waarvoor ik jullie heb gewaarschuwd. Roep geen andere goden aan, laat hun naam niet over je lippen komen. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Driemaal per jaar moeten jullie ter ere van mij feestvieren. </VERS>
      <VERS vnumber="15">In de maand abib, de maand waarin jullie uit Egypte weggetrokken zijn, moet je op de daarvoor vastgestelde dagen het feest van het Ongedesemde brood vieren. Eet dan zeven dagen lang ongedesemd brood, zoals ik je heb opgedragen. Niemand mag dan met lege handen voor mij verschijnen. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Verder moeten jullie het Oogstfeest vieren, het feest van de eerste opbrengst van wat je op de akker gezaaid hebt, en tot slot, wanneer aan het eind van het jaar de hele oogst is binnengehaald, het Inzamelingsfeest. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Driemaal per jaar dus moeten alle mannen voor de Machtige, de HEER, verschijnen. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Als je een offerdier voor mij slacht, mag het bloed van het dier alleen vloeien wanneer er niets aanwezig is dat zuurdesem bevat, en het vet van mijn feestoffer mag niet tot de volgende morgen bewaard worden. </VERS>
      <VERS vnumber="19">De allereerste opbrengst van je akker moet je naar het heiligdom van de HEER, je God, brengen. Je mag een geitenbokje niet koken in de melk van zijn moeder. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Ik stuur een engel voor jullie uit om je op je tocht te beschermen en je naar de plaats te brengen die ik voor jullie bestemd heb. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Neem je voor hem in acht, gehoorzaam hem zonder tegenspreken, want hij handelt in mijn naam en zou jullie je opstandigheid niet vergeven. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Als je hem gehoorzaamt en alles doet wat ik zeg, zal ik de vijand van jullie vijanden zijn en jullie onderdrukkers onderdrukken. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Mijn engel zal voor jullie uit gaan naar het gebied van de Amorieten, de Hethieten, Perizzieten, Kanaänieten, Chiwwieten en Jebusieten, en ik zal die volken uitroeien. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Neem hun gebruiken niet over, kniel niet neer voor hun goden en vereer ze niet; haal hun godenbeelden omver en verbrijzel hun gewijde stenen. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Vereer de HEER, jullie God, dan zal hij je voedsel en je water zegenen en jullie vrijwaren voor ziekten. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Geen enkele vrouw in jullie land zal dan een miskraam krijgen of onvruchtbaar zijn, en ik zal je een lang leven schenken. </VERS>
      <VERS vnumber="27">De schrik voor mij stuur ik voor jullie uit, ik zal paniek zaaien onder elk volk waarmee jullie in aanraking komen, zodat al je vijanden op de vlucht slaan. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Ook stuur ik een zwerm horzels voor jullie uit, die de Chiwwieten, de Kanaänieten en Hethieten zullen verjagen. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Maar ik verdrijf hen niet allemaal in ‚‚n jaar, anders zou het land verwilderen en zouden er te veel wilde dieren komen; </VERS>
      <VERS vnumber="30">ik zal het geleidelijk doen, totdat jullie met zo velen zijn dat je hun land in bezit kunt nemen. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Ik zal jullie een gebied geven dat zich uitstrekt van de Rode Zee tot aan de zee waaraan de Filistijnen wonen, en van de woestijn tot aan de Eufraat. De bewoners van dat hele gebied geef ik in jullie macht, en jullie zullen hen verdrijven. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Sluit geen verbond met hen of met hun goden. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Zij mogen niet in jullie land blijven, anders zouden ze jullie ertoe verleiden hun goden te vereren en tegen mij te zondigen. Dat zou jullie ondergang zijn.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="24">
      <VERS vnumber="1">Mozes kreeg van de HEER deze opdracht: 'Kom naar mij toe, de berg op, samen met Aäron, Nadab en Abihu en zeventig van Isra ëls oudsten, en kniel op eerbiedige afstand neer. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Alleen jij, Mozes, mag in de nabijheid van de HEER komen, de anderen niet. Het volk mag jou niet volgen als je de berg op gaat.' </VERS>
      <VERS vnumber="3">Mozes maakte het volk bekend met alle geboden en regels die de HEER had gegeven, en het volk verklaarde eenstemmig dat het zich zou houden aan alles wat de HEER geboden had. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Hierna schreef Mozes alles op wat de HEER had gezegd. De volgende morgen bouwde hij aan de voet van de berg een altaar en richtte hij twaalf gedenkstenen op, voor elk van de twaalf stammen van Isra ël ‚‚n. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Hij droeg een aantal jonge Israëlieten op om de HEER brandoffers te brengen en stieren te slachten voor een vredeoffer. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Mozes nam de helft van het bloed en deed dat in schalen, de andere helft goot hij tegen het altaar. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Vervolgens nam hij het boek van het verbond en las dit aan het volk voor, en zij zeiden: 'Alles wat de HEER gezegd heeft zullen we ter harte nemen.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">Toen nam Mozes het bloed en besprenkelde daarmee het volk. 'Met dit bloed, 'zei hij, 'wordt het verbond bekrachtigd dat de HEER met u heeft gesloten door u al deze geboden te geven.' </VERS>
      <VERS vnumber="9">Hierna ging Mozes de berg op, samen met Aäron, Nadab, Abihu en zeventig oudsten van het volk, </VERS>
      <VERS vnumber="10">en zij zagen de God van Isra ël. Onder zijn voeten was er iets als een plaveisel van saffier, helder stralend als de hemel zelf. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Deze vooraanstaande Israëlieten werden niet door God gedood: zij zagen hem, en zij aten en dronken. </VERS>
      <VERS vnumber="12">De HEER zei tegen Mozes: 'Kom naar mij toe, de berg op, en wacht daar; dan zal ik je de stenen platen geven waarop ik de wetten en geboden heb geschreven om het volk te onderrichten.' </VERS>
      <VERS vnumber="13">Samen met zijn dienaar Jozua ging Mozes de berg van God op. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Tegen de oudsten zei hij: 'Wacht hier tot wij terugkomen, Aäron en Chur blijven bij u. Mocht iemand een uitspraak in een geschil willen, dan kan hij zich tot hen wenden.' </VERS>
      <VERS vnumber="15">Terwijl Mozes de berg op ging, werd deze overdekt door een wolk: </VERS>
      <VERS vnumber="16">de majesteit van de HEER rustte op de Sinai. Zes dagen lang bedekte de wolk de berg. Op de zevende dag riep de HEER Mozes vanuit de wolk. </VERS>
      <VERS vnumber="17">En terwijl de Israëlieten de majesteit van de HEER zagen, als een laaiend vuur op de top van de berg, </VERS>
      <VERS vnumber="18">ging Mozes de wolk binnen en klom hij verder omhoog. Veertig dagen en veertig nachten bleef hij op de berg. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="25">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Vraag de Israëlieten mij geschenken te geven; neem van ieder die daartoe bereid is een bijdrage in ontvangst. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Je moet het volgende van hen vragen: goud, zilver en koper, </VERS>
      <VERS vnumber="4">blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol, fijn linnen garen en geitenhaar, </VERS>
      <VERS vnumber="5">rood geverfde ramsvellen, vellen van zeekoeien, acaciahout, </VERS>
      <VERS vnumber="6">lampolie, geurige specerijen voor de zalfolie en voor de reukoffers, </VERS>
      <VERS vnumber="7">onyxstenen voor de priesterschort en edelstenen voor de borsttas. </VERS>
      <VERS vnumber="8">De Israëlieten moeten een heiligdom voor mij maken, zodat ik te midden van hen kan wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Ik zal je een ontwerp laten zien van de tabernakel en van alle voorwerpen die bij deze tent horen; houd je daar nauwkeurig aan. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Laat van acaciahout een ark maken, een kist van twee ëneenhalve el lang, anderhalve el breed en anderhalve el hoog. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Overtrek die met zuiver goud, zowel vanbinnen als vanbuiten; aan de bovenkant moet je rondom een gouden sierlijst aanbrengen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Giet vier gouden ringen en bevestig ze aan de vier poten: twee ringen aan elke kant van de ark. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Maak draagbomen van acaciahout, verguld ze </VERS>
      <VERS vnumber="14">en steek ze door de ringen aan weerszijden; zo kan de ark gedragen worden. </VERS>
      <VERS vnumber="15">De draagbomen moeten in de ringen blijven, ze mogen er niet uit gehaald worden. </VERS>
      <VERS vnumber="16">In de ark moet je de verbondstekst leggen die ik je zal geven. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Je moet ook een verzoeningsplaat maken van zuiver goud, twee ëneenhalve el lang en anderhalve el breed. </VERS>
      <VERS vnumber="18">(18-19) Maak aan de beide uiteinden daarvan een cherub, eveneens van goud, ‚‚n aan het ene uiteinde en ‚‚n aan het andere uiteinde. Het moet drijfwerk zijn, de twee cherubs moeten ‚‚n geheel met de plaat vormen. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Ze moeten tegenover elkaar staan, met het gezicht naar de verzoeningsplaat gekeerd, en hun vleugels moeten gespreid zijn zodat ze zich daar beschermend over uitstrekken. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Leg de verzoeningsplaat op de ark; leg de verbondstekst die ik je zal geven in de ark. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Daar zal ik je ontmoeten, en vanaf die plaats, boven de verzoeningsplaat, tussen de twee cherubs op de ark met de verbondstekst, zal ik met je spreken en je alles zeggen wat ik van de Israëlieten verlang. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Maak een tafel van acaciahout, twee el lang, ‚‚n el breed en anderhalve el hoog. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Overtrek hem met zuiver goud en breng rondom een gouden sierlijst aan: </VERS>
      <VERS vnumber="25">een rand van een hand breed, in een gouden lijst gevat. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Maak vier gouden ringen en bevestig ze aan de vier hoeken, bij de poten. </VERS>
      <VERS vnumber="27">De ringen moeten vlak onder de rand zitten; ze zijn bestemd voor de draagbomen waarmee de tafel gedragen wordt. </VERS>
      <VERS vnumber="28">De draagbomen voor de tafel moet je van acaciahout maken en je moet ze vergulden. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Maak ook de bijbehorende schotels, schalen en kannen, en kommen voor de wijnoffers, allemaal van zuiver goud. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Leg op de tafel het toonbrood; dat moet daar altijd voor mij liggen. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Maak een lampenstandaard van zuiver goud. De voet, de schacht, de kelken, knoppen en bloemen moeten uit ‚‚n stuk worden gedreven. </VERS>
      <VERS vnumber="32">De schacht moet zes zijarmen hebben: drie aan de ene kant en drie aan de andere kant. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Deze armen moeten versierd worden met amandelbloesem; breng op elke arm drie kelken aan met een knop en bloemblaadjes, telkens op dezelfde manier. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Ook de schacht moet versierd worden met amandelbloesem: vier kelken, elk met een knop en bloemblaadjes. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Waar de armen uit de schacht komen, moeten eveneens knoppen worden aangebracht: ‚‚n onder het eerste paar armen, ‚‚n onder het tweede paar en ‚‚n onder het derde paar. </VERS>
      <VERS vnumber="36">De hele standaard, met de zes armen en de knoppen, moet uit ‚‚n stuk zuiver goud gedreven worden. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Maak er zeven lampen voor en zet die er zo op dat het licht naar voren valt. </VERS>
      <VERS vnumber="38">De snuiters en bakjes moeten ook van zuiver goud zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="39">Gebruik voor de lampenstandaard en voor de bijbehorende voorwerpen een talent zuiver goud. </VERS>
      <VERS vnumber="40">Houd je bij het maken ervan aan het ontwerp dat je hier op de berg getoond is. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="26">
      <VERS vnumber="1">De tabernakel moet je maken van tien geweven banen. Deze moeten vakkundig worden geweven van getwijnd linnen garen en van blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol, met een patroon van cherubs. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Alle banen moeten dezelfde afmetingen hebben: de lengte van iedere baan moet achtentwintig el zijn, de breedte vier el. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Zet vijf van deze banen aan elkaar, en doe hetzelfde met de andere vijf. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Aan de laatste baan van elk van de twee kleden die je zo krijgt, moet je lussen van blauwpurperen wol zetten: </VERS>
      <VERS vnumber="5">vijftig lussen aan elk van beide kleden, zo dat ze precies tegenover elkaar komen te zitten. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Maak vijftig gouden haken en bevestig de kleden met deze haken aan elkaar, zodat de tabernakel ‚‚n geheel is. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Maak banen van geitenhaar voor een tent die over de tabernakel heen komt. Het moeten er elf zijn, </VERS>
      <VERS vnumber="8">allemaal van dezelfde afmetingen: de lengte van iedere baan moet dertig el zijn, de breedte vier el. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Zet vijf van deze banen aan elkaar, en de zes andere eveneens; de zesde moet, dubbelgeslagen, aan de voorkant van de tent komen. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Aan de laatste baan van elk van de twee kleden die je zo krijgt, zet je vijftig lussen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Maak vijftig koperen haken en steek ze in de lussen om de delen te verbinden en van de tent ‚‚n geheel te maken. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Wat het overschietende gedeelte van het tentkleed betreft: de extra halve baan moet aan de achterkant van de tabernakel afhangen, </VERS>
      <VERS vnumber="13">en de el die in de lengte aan weerszijden overschiet, moet langs de zijkanten van de tabernakel afhangen om deze te bedekken. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Maak voor deze tent een dekkleed van rood geverfde ramsvellen en dek dat weer af met een kleed van zeekoevellen. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Voor de wanden van de tabernakel moet je planken van acaciahout maken. Ze moeten rechtop komen te staan </VERS>
      <VERS vnumber="16">en tien el lang zijn en anderhalve el breed. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Voorzie elke plank van twee pinnen, en wel zo dat de pinnen van alle planken van de tabernakel een rechte lijn vormen. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Maak twintig planken voor de zuidwand van de tabernakel </VERS>
      <VERS vnumber="19">en breng daaronder veertig zilveren voetstukken aan, telkens twee per plank, waar de beide pinnen in passen. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Voor de andere zijde van de tabernakel, aan de noordkant, eveneens twintig planken </VERS>
      <VERS vnumber="21">met daaronder veertig zilveren voetstukken, telkens twee per plank. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Voor de achterwand van de tabernakel, aan de westkant, maak je zes planken. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Voor de hoeken van de achterwand moet je twee extra planken maken. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Op de beide hoeken moeten de planken van onderen precies op elkaar aansluiten en tot bovenaan, bij de ring, moeten ze volkomen gelijklopen. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Bij elkaar dus acht planken, met daaronder zestien zilveren voetstukken, telkens twee per plank. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Maak dwarsbalken van acaciahout: vijf voor de ene zijwand van de tabernakel, </VERS>
      <VERS vnumber="27">vijf voor de andere zijwand en vijf voor de achterwand aan de westkant. </VERS>
      <VERS vnumber="28">De middelste dwarsbalk komt halverwege de wand en verbindt de planken van het ene einde tot het andere met elkaar. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Overtrek de planken met goud, verguld ook de dwarsbalken en maak voor de dwarsbalken gouden ringen. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Houd je bij het vervaardigen van de tabernakel aan het voorbeeld dat je hier op de berg getoond is. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Maak een voorhangsel van blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en getwijnd linnen garen. Het moet vakkundig geweven worden, met een patroon van cherubs. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Maak het met vergulde krammen vast aan vier palen van acaciahout, die overtrokken zijn met goud en op vier zilveren voetstukken rusten. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Bevestig het voorhangsel zo dat het onder de vijftig gouden haken komt, en zet de ark met de verbondstekst erachter: het voorhangsel vormt de scheiding tussen het heilige en het allerheiligste. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Op de ark met de verbondstekst in het allerheiligste moet je de verzoeningsplaat leggen. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Zet de tafel en de lampenstandaard voor het voorhangsel in de tabernakel, tegenover elkaar: de lampenstandaard aan de zuidkant, de tafel aan de noordkant. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Maak ter afscherming van de ingang van de tent een vakkundig geborduurd gordijn van blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en getwijnd linnen garen. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Maak voor dit gordijn vijf palen van acaciahout, verguld ze, voorzie ze van vergulde krammen en giet er vijf bronzen voetstukken voor. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="27">
      <VERS vnumber="1">Maak een altaar van acaciahout. Het moet vierkant zijn, vijf el lang en vijf el breed, en drie el hoog. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Op de vier hoeken moet het horens hebben, die er ‚‚n geheel mee vormen. Bekleed het met brons. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Alle bijbehorende voorwerpen moet je van koper maken: de potten voor het wegruimen van de as, de scheppen, offerschalen, vorken en vuurbakken. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Maak een hekwerk om het altaar, een bronzen raster met op de vier hoeken een bronzen ring; </VERS>
      <VERS vnumber="5">breng het langs de onderkant aan, onder de rand, zo dat het tot halverwege het altaar reikt. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Je moet voor het altaar ook draagbomen van acaciahout maken, die je met brons bekleedt. </VERS>
      <VERS vnumber="7">De draagbomen moeten zodanig in de ringen gestoken worden dat ze zich aan weerszijden van het altaar bevinden wanneer dit gedragen wordt. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Het altaar moet van houten panelen gemaakt worden en vanbinnen hol zijn. Laat het maken zoals het je hier op de berg getoond is. </VERS>
      <VERS vnumber="9">De ruimte rond de tabernakel moet worden afgeschermd. Aan de zuidkant moeten over een lengte van honderd el doeken van getwijnd linnen komen, </VERS>
      <VERS vnumber="10">en twintig bijbehorende palen op twintig bronzen voetstukken, met krammen en dwarsstangen van zilver. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Evenzo aan de noordkant: doeken over een lengte van honderd el en twintig bijbehorende palen op twintig bronzen voetstukken, met krammen en dwarsstangen van zilver. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Aan de westkant: doeken over een breedte van vijftig el, met tien palen op tien voetstukken. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Aan de oostkant moet de breedte van de afgeschermde ruimte eveneens vijftig el zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="14">(14-15) Daar moeten aan weerszijden over een breedte van vijftien el doeken komen en drie bijbehorende palen die elk op een voetstuk staan. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Scherm de ingang af met een vakkundig geborduurd gordijn van twintig el breed, van blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en getwijnd linnen garen; daar komen vier palen bij, elk op een voetstuk. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Alle palen van de omheining krijgen zilveren dwarsstangen, verzilverde krammen en bronzen voetstukken. </VERS>
      <VERS vnumber="18">De omheining moet honderd el lang zijn, vijftig el breed en vijf el hoog. De doeken zijn van getwijnd linnen, de voetstukken van brons. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Al het gereedschap dat nodig is voor het opbouwen van de tabernakel moet van brons zijn, evenals de pinnen van zowel de tabernakel als de omheining. </VERS>
      <VERS vnumber="20">(20-21) Draag de Israëlieten op om je voor de verlichting zuivere olijfolie te brengen: er moeten in de ontmoetingstent, buiten het voorhangsel dat de ark met de verbondstekst afschermt, altijd lampen branden. Aäron en zijn nakomelingen moeten ervoor zorgen dat ze de hele nacht voor de HEER blijven branden. Dit voorschrift blijft voor de Israëlieten voor altijd van kracht, voor alle komende generaties. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="28">
      <VERS vnumber="1">Laat je broer Aäron en zijn zonen Nadab, Abihu, Eleazar en Itamar bij je komen. Hen heb ik uit de Israëlieten uitgekozen om mij als priester te dienen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Laat voor je broer Aäron heilige kleding maken, die hem waardigheid en aanzien verleent. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Jij moet aanwijzingen geven aan allen die hun vak verstaan, aan wie ik vakmanschap heb geschonken, en zij moeten dan de kleding voor Aäron maken, zodat hij kan worden gewijd en mij als priester kan dienen. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Ze moeten de volgende kledingstukken maken: een borsttas, een priesterschort, een bovenkleed, een stevig geweven tuniek, een tulband en een gordel. Voor zowel Aäron als zijn zonen moet heilige kleding worden gemaakt, omdat ze mij als priester moeten dienen. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Er moet gouddraad voor worden gebruikt, blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en fijn linnen garen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">De priesterschort moet vakkundig geweven worden van gouddraad, blauwpurperen en roodpurperen wol en getwijnd linnen garen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">De beide delen ervan worden door middel van schouderstukken met elkaar verbonden. </VERS>
      <VERS vnumber="8">De band waarmee de schort vastgetrokken wordt, moet er ‚‚n geheel mee vormen en wordt op dezelfde wijze gemaakt, van gouddraad, blauwpurperen en roodpurperen wol en getwijnd linnen garen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Neem twee onyxstenen en graveer daarin de namen van Isra ëls zonen: </VERS>
      <VERS vnumber="10">zes in de ene steen en zes in de andere, in de volgorde van hun geboorte. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Dat graveren moet door een kundig vakman gebeuren, hij moet de namen in de stenen snijden zoals men zegelstenen snijdt. Vat beide stenen in gouden kassen </VERS>
      <VERS vnumber="12">en zet ze op de schouderstukken van de priesterschort: wanneer Aäron voor de HEER verschijnt en de namen van de Israëlieten op zijn schouders draagt, zal de HEER aan de Israëlieten herinnerd worden. </VERS>
      <VERS vnumber="13">(13-14) Aan de gouden kassen moet je kettinkjes van zuiver goud bevestigen, in de vorm van kunstig gevlochten snoeren. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Maak een borsttas voor de orakelstenen. Deze moet even vakkundig geweven worden als de priesterschort, van gouddraad, blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en getwijnd linnen garen. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Dubbelgeslagen moet het weefsel vierkant zijn, een span lang en een span breed. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Zet er vier rijen stenen op: de eerste rij wordt gevormd door een robijn, een topaas en een smaragd; </VERS>
      <VERS vnumber="18">de tweede rij door een granaat, een saffier en een aquamarijn; </VERS>
      <VERS vnumber="19">de derde door een barnsteen, een agaat en een amethist, </VERS>
      <VERS vnumber="20">en de vierde door een turkoois, een onyx en een jaspis, allemaal in gouden kassen gevat. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Er moeten twaalf stenen zijn, zoals er twaalf namen zijn van Isra ëls zonen: in elke steen moet de naam van een van de twaalf stammen gegraveerd worden, zoals men zegelstenen snijdt. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Maak voor de borsttas kettinkjes van zuiver goud, in de vorm van kunstig gevlochten snoeren, </VERS>
      <VERS vnumber="23">en ook twee gouden ringen die je bevestigt aan de bovenste hoeken van de tas. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Bevestig de twee gouden snoeren met het ene einde aan de ringen op de hoeken van de borsttas </VERS>
      <VERS vnumber="25">en met het andere einde aan de kassen op de schouderstukken van de priesterschort, aan de voorkant. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Maak nog twee gouden ringen en zet die aan de andere hoeken van de borsttas, aan de binnenkant, waarmee de tas tegen de priesterschort hangt. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Bevestig ook twee gouden ringen aan de schouderstukken van de priesterschort, en wel aan de voorkant, onderaan, dicht bij de plaats waar de schouderstukken vastgezet zijn, boven de band. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Haal een blauwpurperen koord door de ringen van de borsttas en door die van de priesterschort en bind de tas daarmee stevig op de band van de priesterschort vast zodat hij niet kan verschuiven. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Zo draagt Aäron telkens als hij het heiligdom binnengaat, de namen van Isra ëls zonen op zijn hart, op de borsttas voor de orakelstenen, om de HEER steeds opnieuw aan hen te herinneren. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Leg in de borsttas de twee orakelstenen, zodat Aäron ze op zijn hart draagt wanneer hij voor de HEER verschijnt; in de tegenwoordigheid van de HEER moet hij de stenen voor de orakels over de Israëlieten altijd op zijn hart dragen. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Het bovenkleed dat bij de priesterschort hoort, moet in zijn geheel van blauwpurperen wol gemaakt worden. </VERS>
      <VERS vnumber="32">De halsopening komt in het midden en wordt afgezet met een rand die net zo geweven is als die van een wapenrok, om inscheuren te voorkomen. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Op de hele zoom moet je granaatappels van blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol aanbrengen met gouden belletjes ertussen, </VERS>
      <VERS vnumber="34">steeds om en om een gouden belletje en een granaatappel. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Aäron moet dit bovenkleed dragen wanneer hij dienst doet. Wanneer hij het heiligdom binnengaat om voor de HEER te verschijnen en wanneer hij weer naar buiten komt, moet het geluid van de belletjes te horen zijn, anders zal hij sterven. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Maak een rozet van zuiver goud en graveer daarin, als in een zegel, de woorden "Aan de HEER gewijd". </VERS>
      <VERS vnumber="37">Bevestig deze voor op de tulband met een koord van blauwpurperen wol. </VERS>
      <VERS vnumber="38">Door de rozet voortdurend op zijn voorhoofd te dragen, neemt Aäron de schuld van de Israëlieten op zich wanneer zij tekortschieten bij het brengen van hun heilige gaven; dan worden deze door de HEER aanvaard. </VERS>
      <VERS vnumber="39">Weef een tuniek en een tulband van fijn linnen garen, en maak een vakkundig geborduurde gordel. </VERS>
      <VERS vnumber="40">Ook voor Aärons zonen moet je tunieken en gordels maken en hoofddoeken die hun waardigheid en aanzien verlenen. </VERS>
      <VERS vnumber="41">Laat je broer Aäron en zijn zonen deze kleding aantrekken en zalf hen; zo wijd je hen en heilig je hen om mij als priester te dienen. </VERS>
      <VERS vnumber="42">Je moet ook linnen broeken voor hen maken die hun geslachtsdelen bedekken; ze moeten van de heupen tot op de dijen reiken. </VERS>
      <VERS vnumber="43">Aäron en zijn zonen moeten ze dragen als ze de ontmoetingstent binnengaan of in het heiligdom dienst gaan doen bij het altaar. Anders laden ze schuld op zich en zullen ze sterven. Dit voorschrift blijft voor hem en zijn nakomelingen voor altijd van kracht. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="29">
      <VERS vnumber="1">Doe het volgende om Aäron en zijn zonen te heiligen, zodat ze mij als priester kunnen dienen: Neem een stier en twee rammen zonder enig gebrek. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Neem verder brood, dikke broden, met olijfolie bereid, en dunne broden, met olijfolie bestreken-alles ongedesemd en gebakken van tarwebloem. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Leg dit in een mand en breng die naar het heiligdom, evenals de stier en de beide rammen. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Laat Aäron en zijn zonen naar de ingang van de ontmoetingstent komen en reinig hen met water. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Trek Aäron daarna de priesterkleding aan: de tuniek, het bovenkleed dat bij de priesterschort hoort, de priesterschort en de borsttas; bind de schort vast met de bijbehorende band. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Doe hem de tulband om en bevestig daarop de heilige diadeem. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Zalf Aäron door de zalfolie over zijn hoofd uit te gieten. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Laat daarna zijn zonen komen, trek hun de tunieken aan </VERS>
      <VERS vnumber="9">en bind hun de hoofddoeken om. Doe zowel Aäron als zijn zonen een gordel om. Door hen op deze manier te wijden, verleen je Aäron en zijn zonen voor altijd het recht om het priesterschap uit te oefenen. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Laat de stier naar de ontmoetingstent brengen en laat Aäron en zijn zonen hun hand op de kop van de stier leggen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Slacht het dier ten overstaan van de HEER bij de ingang van de ontmoetingstent. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Strijk met je vinger wat bloed aan de horens van het altaar en giet de rest van het bloed uit aan de voet van het altaar. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Neem al het vet rond de ingewanden, de kleinste lob van de lever, de beide nieren en het niervet, en verbrand dit op het altaar. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Maar het vlees van de stier moet je buiten het kamp verbranden, evenals de huid en de inhoud van de ingewanden. Het is een reinigingsoffer. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Neem vervolgens een van de rammen, en laat Aäron en zijn zonen hun hand op de kop van de ram leggen. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Slacht het dier en giet het bloed tegen de zijkanten van het altaar. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Snijd de ram in stukken, was de ingewanden en de poten en leg ze bij de stukken vlees en de kop. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Verbrand de ram in zijn geheel op het altaar. Het is een brandoffer, een geurige gave die de HEER behaagt. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Neem dan de tweede ram en laat Aäron en zijn zonen hun hand op de kop van de ram leggen. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Slacht het dier en strijk wat van het bloed aan de rechteroorlel van Aäron en aan die van zijn zonen, op hun rechterduim en op de grote teen van hun rechtervoet. De rest van het bloed moet je tegen de zijkanten van het altaar gieten. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Besprenkel Aäron met wat bloed van het altaar en met zalfolie en sprenkel het ook over zijn kleren. Ook zijn zonen en hun kleren moet je ermee besprenkelen. Dan zullen Aäron en zijn zonen, evenals hun kleren, heilig zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Neem de vette delen van de ram: de staart, al het vet van de buikholte, de kleinste lob van de lever en de beide nieren met het niervet, en ook de rechterachterbout; deze ram dient als wijdingsoffer. </VERS>
      <VERS vnumber="23">En neem uit de mand met ongedesemd brood die de HEER gebracht is een rond brood, een dik, met olie bereid brood en een dun brood. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Leg dit alles op de handpalmen van Aäron en zijn zonen om het ten overstaan van de HEER omhoog te heffen. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Neem het daarna weer van hun handen en verbrand het op het altaar, boven op het brandoffer. Het is een geurige gave die de HEER behaagt. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Neem het borststuk van de ram en hef het ten overstaan van de HEER omhoog. Dit deel van Aärons wijdingsoffer is voor jou bestemd. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Het borststuk en de achterbout die ten overstaan van de HEER omhooggeheven zijn, en die afkomstig zijn van de ram die het wijdingsoffer voor Aäron en zijn zonen is, moet je apart houden. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Ze moeten voortaan worden afgestaan aan Aäron en zijn zonen; dit deel van de vredeoffers die de Israëlieten aan de HEER brengen is voor altijd voor hen bestemd. </VERS>
      <VERS vnumber="29">De heilige kleding van Aäron gaat over op zijn nakomelingen; daarin moeten zij gezalfd en gewijd worden. </VERS>
      <VERS vnumber="30">De zoon die hem als hogepriester opvolgt en die de ontmoetingstent binnengaat om in het heiligdom de priesterdienst te verrichten, moet deze kleding zeven dagen achtereen dragen. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Kook het vlees van de wijdingsram op een heilige plaats. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Aäron en zijn zonen moeten het vlees van de ram en het brood uit de mand eten bij de ingang van de ontmoetingstent. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Alleen zij mogen eten van het vlees en het brood waarmee de verzoeningsrite voltrokken werd toen zij gewijd en geheiligd werden. Een onbevoegde mag er niet van eten, want het is heilig. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Als er de volgende morgen nog iets over is van het vlees van het wijdingsoffer of van het brood, moet je dat verbranden. Het mag niet meer gegeten worden, omdat het heilig is. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Doe alles wat ik je met betrekking tot Aäron en zijn zonen heb opgedragen. De wijding moet zeven dagen duren. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Elke dag moet je een stier als reinigingsoffer aanbieden om verzoening te bewerken. Het altaar moet je met een verzoeningsrite van zonde reinigen en je moet het zalven om het te heiligen. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Zeven dagen moet deze verzoeningsrite duren. Daarna is het altaar allerheiligst; alles wat ermee in aanraking komt wordt zelf ook heilig. </VERS>
      <VERS vnumber="38">Op het altaar moeten elke dag twee eenjarige rammen geofferd worden, </VERS>
      <VERS vnumber="39">de ene 's morgens, de andere tegen het vallen van de avond. </VERS>
      <VERS vnumber="40">Offer bij het ene dier een tiende efa tarwebloem vermengd met een kwart hin zuivere olijfolie. Offer bij dit dier ook een kwart hin wijn. </VERS>
      <VERS vnumber="41">Bij het andere dier, dat je tegen het vallen van de avond offert, moeten eenzelfde graanoffer en eenzelfde wijnoffer als 's morgens gebracht worden. Het is een geurige gave die de HEER behaagt, </VERS>
      <VERS vnumber="42">een brandoffer dat jullie en alle komende generaties dagelijks aan de HEER moeten brengen bij de ingang van de ontmoetingstent. Daar zal ik jullie ontmoeten om met jou te spreken. </VERS>
      <VERS vnumber="43">Daar zal ik de Israëlieten ontmoeten en die plaats zal door mijn aanwezigheid worden geheiligd. </VERS>
      <VERS vnumber="44">Ik zal de ontmoetingstent en het altaar heiligen, evenals Aäron en zijn zonen, zodat ze mij als priester kunnen dienen. </VERS>
      <VERS vnumber="45">Ik zal te midden van de Israëlieten wonen, en ik zal hun God zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="46">En zij zullen inzien dat ik, de HEER, hun God ben, die hen uit Egypte bevrijd heeft om in hun midden te wonen. Ik ben de HEER, hun God. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="30">
      <VERS vnumber="1">Je moet een altaar maken voor het branden van reukwerk; gebruik er acaciahout voor. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Het moet vierkant zijn, ‚‚n el lang en ‚‚n el breed, en twee el hoog; de horens moeten er ‚‚n geheel mee vormen. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Overtrek de bovenkant, alle zijkanten en de horens met zuiver goud en breng rondom een gouden rand aan. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Bevestig aan twee kanten onder de rand twee gouden ringen. Zet ze aan tegenover elkaar liggende zijden; ze zijn bestemd voor de draagbomen waarmee het altaar gedragen wordt. </VERS>
      <VERS vnumber="5">De draagbomen moet je van acaciahout maken en je moet ze vergulden. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Zet het altaar voor het voorhangsel waarachter de ark met de verbondstekst staat, tegenover de verzoeningsplaat die daaroverheen ligt, waar ik je zal ontmoeten. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Aäron moet er elke morgen als hij de lampen in orde brengt, geurig reukwerk op branden. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Ook als hij tegen het vallen van de avond de lampen aansteekt, moet hij een reukoffer brengen. Alle komende generaties moeten elke dag voor de HEER reukwerk branden. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Jullie mogen op dit altaar alleen het voorgeschreven reukwerk offeren en er geen brandoffers, graanoffers of wijnoffers op brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Eenmaal per jaar moet Aäron aan de horens van dit altaar de verzoeningsrite voltrekken met het bloed van het reinigingsoffer, en alle komende generaties moeten dit gebruik in stand houden. Dit altaar is voor de HEER allerheiligst.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="12">'Als je onder de Israëlieten een telling houdt, moeten allen die geregistreerd worden de HEER losgeld betalen voor hun leven, om te voorkomen dat de telling hun noodlottig wordt. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Ieder die meegeteld wordt moet een halve sjekel betalen, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, twintig gera per sjekel; de heffing voor de HEER bedraagt de helft daarvan. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Ieder die meegeteld wordt, iedereen van twintig jaar of ouder, moet deze heffing voor de HEER betalen. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Rijken dragen als losprijs voor hun leven niet meer af dan een halve sjekel, armen niet minder. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Het losgeld dat je van de Israëlieten in ontvangst neemt, moet gebruikt worden voor de dienst in de ontmoetingstent. De losprijs die de Israëlieten voor hun leven betalen, zal ervoor zorgen dat de HEER hen niet vergeet.' </VERS>
      <VERS vnumber="17">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="18">'Maak een bronzen wasbekken op een bronzen onderstel, voor de wassingen. Zet het tussen de ontmoetingstent en het altaar en doe er water in. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Met dit water moeten Aäron en zijn zonen hun handen en hun voeten wassen. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Ze moeten dit doen voordat ze de ontmoetingstent binnengaan, anders zullen ze sterven. Ook wanneer ze dienst gaan doen bij het altaar en de HEER een offer gaan brengen, </VERS>
      <VERS vnumber="21">moeten ze hun handen en hun voeten wassen, anders zullen ze sterven. Deze bepaling blijft voor altijd van kracht voor Aäron en zijn nakomelingen, voor alle komende generaties.' </VERS>
      <VERS vnumber="22">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="23">(23-24) 'Neem de fijnste specerijen: vijfhonderd sjekel dikvloeibare mirre, half zoveel geurige kaneel-tweehonderdvijftig sjekel dus-, tweehonderdvijftig sjekel geurige kalmoes en vijfhonderd sjekel kassia, alles volgens het ijkgewicht van het heiligdom, en een hin olijfolie, </VERS>
      <VERS vnumber="25">en bereid hieruit heilige zalfolie, een geurig mengsel zoals een reukwerker dat maakt. Met deze heilige zalfolie </VERS>
      <VERS vnumber="26">moet je de ontmoetingstent zalven, de ark met de verbondstekst, </VERS>
      <VERS vnumber="27">de tafel en de lampenstandaard met alle bijbehorende voorwerpen, het reukofferaltaar, </VERS>
      <VERS vnumber="28">het brandofferaltaar met het gerei, en het wasbekken en het onderstel ervan. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Hierdoor wijd je deze voorwerpen en worden ze allerheiligst; alles wat ermee in aanraking komt wordt zelf ook heilig. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Zalf ook Aäron en zijn zonen; zo heilig je hen om mij als priester te kunnen dienen. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Tegen de Israëlieten moet je zeggen: "Dit is heilige zalfolie, hij is alleen voor de HEER bestemd, in alle komende generaties. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Hij mag over niemands lichaam uitgegoten worden en u mag niets op dezelfde manier bereiden: deze olie is heilig en mag door u niet ontheiligd worden. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Wie eenzelfde mengsel bereidt of er iets van gebruikt voor een onbevoegde, moet uit de gemeenschap gestoten worden."' </VERS>
      <VERS vnumber="34">De HEER zei tegen Mozes: 'Neem balsemhars, cistushars en galbanum, en naast deze specerijen zuivere wierook, van alles een gelijke hoeveelheid, </VERS>
      <VERS vnumber="35">en bereid daaruit reukwerk, een mengsel zoals een reukwerker dat maakt. Meng er zout door, het moet zuiver en heilig zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Wrijf een deel ervan fijn en leg dat in de ontmoetingstent, voor de verbondstekst, op de plaats waar ik je zal ontmoeten. Behandel het als allerheiligst. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Dit reukwerk is heilig, alleen voor de HEER bestemd; reukwerk voor jezelf mag niet op dezelfde manier bereid worden. </VERS>
      <VERS vnumber="38">Wie iets soortgelijks maakt om van de geur te genieten, moet uit de gemeenschap gestoten worden.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="31">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Ik heb mijn keuze laten vallen op Besale ël, de zoon van Uri, de zoon van Chur, uit de stam Juda. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Ik heb hem uitzonderlijke talenten geschonken, wijsheid, vakmanschap en inzicht op allerlei gebied: </VERS>
      <VERS vnumber="4">hij kan ontwerpen maken en ze in goud, zilver, koper en brons uitvoeren, </VERS>
      <VERS vnumber="5">hij kan stenen snijden en zetten en hout bewerken en hij beheerst ook allerlei andere vaardigheden. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Oholiab, de zoon van Achisamach, uit de stam Dan, stel ik als zijn medewerker aan. Allen die hun vak verstaan heb ik wijsheid geschonken, zodat zij alles kunnen maken waartoe ik opdracht heb gegeven: </VERS>
      <VERS vnumber="7">de ontmoetingstent, de ark voor de verbondstekst, de verzoeningsplaat die erop moet liggen, alle voorwerpen voor de tent, </VERS>
      <VERS vnumber="8">de tafel en de voorwerpen die erbij horen, de lampenstandaard van zuiver goud en de bijbehorende voorwerpen, het reukofferaltaar, </VERS>
      <VERS vnumber="9">het brandofferaltaar met het gerei, het wasbekken, het onderstel ervan, </VERS>
      <VERS vnumber="10">de ambtsgewaden, de heilige kleding voor de priester Aäron en de kleding die zijn zonen als priester moeten dragen, </VERS>
      <VERS vnumber="11">de zalfolie en het geurige reukwerk voor het heiligdom. Laat hen alles uitvoeren zoals ik het je heb opgedragen.' </VERS>
      <VERS vnumber="12">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="13">'Zeg tegen de Israëlieten: "Neem wel steeds mijn sabbat in acht, want elke generatie opnieuw is die dag voor mij en voor jullie een teken dat eraan herinnert dat ik, de HEER, jullie geheiligd heb. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Neem de sabbat in acht, want het is voor jullie een heilige dag. Wie hem schendt, moet ter dood gebracht worden; ieder die dan werkt, moet uit de gemeenschap gestoten worden. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Zes dagen mag je werken, maar de zevende dag is het sabbat, een dag van volstrekte rust, die aan de HEER gewijd is. Wie op sabbat werkt, moet ter dood gebracht worden." </VERS>
      <VERS vnumber="16">(16-17) Generatie na generatie moeten de Israëlieten de sabbat in acht nemen en vieren. Voor mij en hen is die dag een teken van een eeuwigdurend verbond, want in zes dagen heeft de HEER de hemel en de aarde gemaakt, en de zevende dag heeft hij gerust om op adem te komen.' </VERS>
      <VERS vnumber="18">Nadat de HEER dit alles op de Sinai tegen Mozes had gezegd, gaf hij hem de twee platen van het verbond, de stenen platen, door Gods vinger beschreven. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="32">
      <VERS vnumber="1">Het volk wachtte lang op Mozes. Toen hij maar niet van de berg afkwam, verdrongen ze zich om Aäron en eisten van hem: 'Maak een god voor ons die voor ons uit kan gaan, want wat er gebeurd is met die Mozes, die ons uit Egypte heeft geleid, weten we niet.' </VERS>
      <VERS vnumber="2">Aäron antwoordde: 'Neem dan uw vrouwen, zonen en dochters hun gouden oorringen af en breng die bij mij.' </VERS>
      <VERS vnumber="3">Hierop deden alle Israëlieten zonder aarzelen hun gouden oorringen af en gaven die aan Aäron. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Alles wat ze hem brachten smolt hij om en hij goot er een beeld van in de vorm van een stierkalf. Het volk riep uit: 'Isra ël, dit is je god, die je uit Egypte heeft geleid!' </VERS>
      <VERS vnumber="5">Toen Aäron besefte wat er gebeurde, bouwde hij een altaar voor het beeld en kondigde hij aan dat er de volgende dag een feest voor de HEER zou zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="6">De volgende morgen vroeg brachten ze brandoffers en vredeoffers. Ze gingen zitten om te eten en te drinken, en stonden daarna op om uitbundig feest te vieren. </VERS>
      <VERS vnumber="7">De HEER zei tegen Mozes: 'Ga terug naar beneden, want jouw volk, dat je uit Egypte hebt geleid, misdraagt zich. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Nu al zijn ze afgeweken van de weg die ik hun gewezen heb. Ze hebben een stierenbeeld gemaakt, hebben daarvoor neergeknield, er offers aan gebracht en gezegd: "Isra ël, dit is je god, die je uit Egypte heeft geleid!"' </VERS>
      <VERS vnumber="9">De HEER zei verder tegen Mozes: 'Ik weet hoe onhandelbaar dit volk is. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Houd mij niet tegen: mijn brandende toorn zal hen verteren. Maar uit jou zal ik een groot volk laten voortkomen.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">Mozes probeerde de HEER, zijn God, milder te stemmen: 'Wilt u dan uw toorn laten woeden tegen uw eigen volk, HEER, dat u met sterke hand en grote macht uit Egypte hebt bevrijd? </VERS>
      <VERS vnumber="12">Wilt u dat de Egyptenaren zeggen: "Hij heeft hen bevrijd om hen in het ongeluk te storten, om hen in het bergland te doden en van de aarde weg te vagen"? Wees niet langer toornig en zie ervan af onheil over uw volk te brengen! </VERS>
      <VERS vnumber="13">Denk toch aan uw dienaren Abraham, Isaak en Isra ël, aan wie u onder ede deze belofte hebt gedaan: "Ik zal jullie zo veel nakomelingen geven als er sterren aan de hemel zijn, en het hele gebied waarvan ik gesproken heb zal ik hun voor altijd in bezit geven."' </VERS>
      <VERS vnumber="14">Toen zag de HEER ervan af zijn volk te treffen met het onheil waarmee hij gedreigd had. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Mozes keerde zich om en ging de berg af. De twee platen met de verbondstekst droeg hij bij zich. Aan beide kanten waren ze beschreven, aan de voorkant en aan de achterkant. </VERS>
      <VERS vnumber="16">De platen waren Gods eigen werk en het schrift dat erin gegrift was, was Gods eigen schrift. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Toen Jozua het geschreeuw van het volk hoorde, zei hij tegen Mozes: 'Ik hoor strijdkreten in het kamp!' </VERS>
      <VERS vnumber="18">Maar Mozes zei: 'Dat is geen gejuich na een overwinning en geen geweeklaag na een nederlaag. Luid gejoel-d t hoor ik.' </VERS>
      <VERS vnumber="19">Dichter bij het kamp gekomen, zag hij het stierenbeeld en het gedans. Woedend smeet hij de platen aan de voet van de berg aan stukken. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Hij greep het stierenbeeld, gooide het in het vuur en verpulverde het. De as strooide hij op het water, en dat liet hij de Israëlieten drinken. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Tegen Aäron zei hij: 'Wat heeft dit volk je misdaan, dat je zo'n zware schuld op hen geladen hebt?' </VERS>
      <VERS vnumber="22">'Ik smeek je je woede te bedwingen, 'antwoordde Aäron. 'Je weet dat dit volk alleen maar kwaad wil. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Ze zeiden tegen mij: "Maak een god voor ons die ons kan leiden, want wat er gebeurd is met die Mozes, die ons uit Egypte heeft gehaald, weten we niet." </VERS>
      <VERS vnumber="24">Toen ik hun om goud vroeg, deden ze meteen hun sieraden af en gaven ze aan mij. Ik gooide ze in het vuur en toen kwam dat kalf eruit te voorschijn.' </VERS>
      <VERS vnumber="25">Mozes begreep dat het volk zich had laten gaan omdat Aäron niet ingegrepen had, en dat hun vijanden daarom de spot met hen zouden drijven. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Hij ging bij de ingang van het kamp staan en zei: 'Wie voor de HEER kiest, moet hier komen.' Alle nakomelingen van Levi voegden zich bij hem. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Hij zei tegen hen: 'Dit zegt de HEER, de God van Isra ël: Gord je zwaard om, jullie allemaal, doorkruis het kamp in de volle lengte en breedte en dood iedereen die je tegenkomt, al is het je broer, vriend of verwant.' </VERS>
      <VERS vnumber="28">De Levieten deden wat Mozes hun had opgedragen, en zo kwamen er die dag ongeveer drieduizend Israëlieten om. </VERS>
      <VERS vnumber="29">'Vandaag hebt u zich aan de HEER gewijd, 'zei Mozes, 'door u zelfs tegen uw zonen en broers te keren. U hebt vandaag zijn zegen verworven.' </VERS>
      <VERS vnumber="30">De volgende morgen zei Mozes tegen het volk: 'U hebt zwaar gezondigd. Toch zal ik de berg op gaan; misschien kan ik de HEER ertoe bewegen u uw zonden niet aan te rekenen.' </VERS>
      <VERS vnumber="31">Hierop keerde hij terug naar de HEER. 'Ach HEER, 'zei hij, 'dit volk heeft zwaar gezondigd: ze hebben een god van goud gemaakt. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Schenk hun vergeving voor die zonde. Wilt u dat niet, schrap mij dan maar uit het boek dat u geschreven hebt.' </VERS>
      <VERS vnumber="33">De HEER antwoordde Mozes: 'Alleen wie tegen mij gezondigd heeft, schrap ik uit mijn boek. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Breng het volk nu naar de plaats die ik je heb genoemd; mijn engel zal voor je uit gaan. Maar op de dag van de verantwoording zal ik hen voor hun zonde ter verantwoording roepen.' </VERS>
      <VERS vnumber="35">De HEER strafte het volk, omdat ze het kalf hadden gemaakt, het beeld dat Aäron gegoten had. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="33">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes: 'Vertrek van hier, met het volk dat je uit Egypte hebt weggeleid, en ga naar het land waarvan ik Abraham, Isaak en Jakob onder ede heb beloofd dat ik het aan hun nakomelingen zou geven, </VERS>
      <VERS vnumber="2">(2-3) een land dat overvloeit van melk en honing. Ik zal een engel voor je uit sturen en ik zal de Kanaänieten, de Amorieten, Hethieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten verdrijven. Maar ik trek niet met jullie mee, want jullie zijn een onhandelbaar volk en ik zou jullie daarom onderweg kunnen doden.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Toen het volk deze onheilstijding hoorde, ging het in de rouw; niemand deed sieraden om. </VERS>
      <VERS vnumber="5">De HEER had Mozes namelijk opgedragen tegen de Israëlieten te zeggen: 'Jullie zijn een onhandelbaar volk. Als ik ook maar een ogenblik met jullie mee zou reizen, zou ik je al doden. Doe daarom je sieraden af, dan zal ik besluiten wat ik met jullie zal doen.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">Vanaf de dag dat ze de Horeb verlieten, droegen de Israëlieten daarom geen sieraden. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Mozes sloeg steeds buiten het kamp, op ruime afstand ervan, een tent op die hij de ontmoetingstent noemde. Ieder die de HEER wilde raadplegen, ging naar de ontmoetingstent buiten het kamp. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Telkens als Mozes zich erheen begaf, gingen allen voor de ingang van hun tent staan en keken Mozes na tot hij naar binnen was gegaan. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Zodra hij in de tent was daalde de wolkkolom neer, en deze bleef bij de ingang staan. Dan sprak de HEER met Mozes. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Wanneer het volk de wolkkolom bij de ingang van de tent zag staan, boog ieder zich voor de ingang van zijn tent neer. </VERS>
      <VERS vnumber="11">De HEER sprak persoonlijk met Mozes, zoals een mens met een ander mens spreekt. Daarna keerde Mozes terug naar het kamp, maar zijn jonge dienaar Jozua, de zoon van Nun, verliet de tent niet. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Mozes zei tegen de HEER: 'U draagt mij wel op het volk verder te laten trekken, maar u hebt mij niet laten weten wie u met mij mee zult sturen, terwijl u toch gezegd hebt: "Jou heb ik uitgekozen, jou ben ik goedgezind." </VERS>
      <VERS vnumber="13">Als dat werkelijk zo is, laat mij dan weten wat uw plannen zijn. Dan leer ik u kennen en weet ik zeker dat u mij goedgezind bent. Vergeet toch niet dat deze mensen uw volk zijn.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">De HEER antwoordde: 'Moet ik dan zelf meegaan om je gerust te stellen?' </VERS>
      <VERS vnumber="15">Mozes zei: 'Als u niet zelf meegaat, laat ons dan niet verder trekken. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Hoe zou moeten blijken dat u mij goedgezind bent, mij en ook uw volk, tenzij u met ons meegaat? Alleen dan nemen wij immers een bijzondere plaats in onder de volken die de aarde bewonen.' </VERS>
      <VERS vnumber="17">De HEER zei tegen Mozes: 'Ik verzeker je dat ik zal doen wat je vraagt, want ik ben je goedgezind en ik heb je uitgekozen.' </VERS>
      <VERS vnumber="18">'Laat mij toch uw majesteit zien, 'zei Mozes. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Hij antwoordde: 'Ik zal in mijn volle luister voor je langs gaan en in jouw bijzijn de naam HEER uitroepen: ik schenk genade aan wie ik genade wil schenken, en ik ben barmhartig voor wie ik barmhartig wil zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Maar, 'zei hij, 'mijn gezicht zul je niet kunnen zien, want geen mens kan mij zien en in leven blijven.' </VERS>
      <VERS vnumber="21">Toen sprak de HEER: 'Er is een plaats op de rots waar je dicht bij mij kunt komen staan. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Als dan mijn majesteit voor je langs gaat, zal ik je in een kloof laten schuilen en mijn hand beschermend voor je houden tot ik voorbij ben. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Als ik mijn hand weghaal, zul je mij van achteren zien; mijn gezicht mag niemand zien.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="34">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes: 'Hak twee stenen platen uit, gelijk aan de vorige. Dan zal ik op die platen de geboden schrijven die ook op de eerste stonden, die jij stukgegooid hebt. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Morgenvroeg moet je gereed zijn, want dan moet je de Sinai op gaan. Kom daar, op de top van de berg, bij mij. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Laat niemand met je mee naar boven gaan, op de hele berg mag niemand te zien zijn, en ook de schapen, geiten en runderen mogen niet in de nabijheid van de berg grazen.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Mozes hakte twee stenen platen uit, net als de vorige, en 's morgens ging hij in alle vroegte de Sinai op, zoals de HEER hem had opgedragen. De twee stenen platen droeg hij bij zich. </VERS>
      <VERS vnumber="5">De HEER daalde neer in een wolk, hij kwam naast Mozes staan en riep de naam HEER uit. </VERS>
      <VERS vnumber="6">De HEER ging voor hem langs en riep uit: 'De HEER ! De HEER ! Een God die liefdevol is en genadig, geduldig, trouw en waarachtig, </VERS>
      <VERS vnumber="7">die duizenden geslachten zijn liefde bewijst, die schuld, misdaad en zonde vergeeft, maar niet alles ongestraft laat en voor de schuld van de ouders de kinderen en kleinkinderen laat boeten, en ook het derde geslacht en het vierde.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">Onmiddellijk viel Mozes op zijn knie ën en boog zich neer. </VERS>
      <VERS vnumber="9">'Als u mij goedgezind bent, Heer, 'zei hij, 'trekt u dan met ons mee, ook al is dit volk onhandelbaar. Schenk ons vergeving voor onze schuld en zonde en maak ons tot uw eigen bezit.' </VERS>
      <VERS vnumber="10">De HEER antwoordde: 'Ik wil een verbond sluiten. Voor de ogen van heel je volk zal ik zulke wonderbaarlijke daden verrichten als er onder geen enkel volk op aarde ooit verricht zijn, en het hele volk dat bij jou is, zal zien welke ontzagwekkende dingen ik, de HEER, voor jou zal doen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Jullie moeten je houden aan de geboden die ik je vandaag geef. Ik zal de Amorieten, de Kanaänieten, Hethieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten voor je verdrijven. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Wacht je ervoor een verbond te sluiten met de inwoners van het land waarheen je op weg bent, want dat zou jullie ondergang zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Breek hun altaren af, verbrijzel hun gewijde stenen en hak hun Asjerapalen om, </VERS>
      <VERS vnumber="14">want jullie mogen niet voor een andere god neerknielen. De HEER, de Afgunstige, duldt immers geen andere goden naast zich. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Sluit geen verbond met de inwoners van dat land, want wanneer die zich met hun goden afgeven en offers aan hen brengen, zouden ze jullie uitnodigen om aan hun offermaaltijden deel te nemen. </VERS>
      <VERS vnumber="16">En als jullie uit hun dochters voor je zonen vrouwen kiezen, en die vrouwen geven zich met hun goden af, zullen ze ook je zonen daartoe verleiden. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Maak geen godenbeelden. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Vier steeds het feest van het Ongedesemde brood, en wel op de daarvoor vastgestelde dagen van de maand abib, de maand waarin jullie weggetrokken zijn uit Egypte. Eet dan zeven dagen lang ongedesemd brood, zoals ik je heb opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Alles wat als eerste de moederschoot verlaat behoort mij toe. Ieder eerstgeboren mannelijk dier van je kudde is voor mij, zowel van je runderen als van je schapen en geiten. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Elk eerstgeboren veulen van een ezel moet je vrijkopen met een schaap of geit. Koop je het niet vrij, dan moet je het de nek breken. Ook alle oudste zonen moet je vrijkopen. Niemand mag met lege handen voor mij verschijnen. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Zes dagen lang mag je werken, maar op de zevende dag moet je rust houden, ook in de ploegtijd en in de oogsttijd. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Vier het Wekenfeest wanneer je de eerste opbrengst van de tarweoogst binnenhaalt, en het Inzamelingsfeest wanneer het jaar ten einde loopt. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Driemaal per jaar moeten alle mannen voor de Machtige, de HEER, de God van Isra ël, verschijnen. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Ik zal de andere volken voor jullie verdrijven en je een uitgestrekt gebied geven; niemand zal dan je akkers in bezit durven nemen wanneer je driemaal per jaar op reis gaat om voor de HEER, je God, te verschijnen. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Als je een offerdier voor mij slacht, mag het bloed van het dier alleen vloeien wanneer er niets aanwezig is dat zuurdesem bevat, en van het offerdier voor het pesachfeest mag niets tot de volgende morgen bewaard worden. </VERS>
      <VERS vnumber="26">De allereerste opbrengst van je akker moet je naar het heiligdom van de HEER, je God, brengen. Een geitenbokje mag je niet koken in de melk van zijn moeder.' </VERS>
      <VERS vnumber="27">De HEER zei tegen Mozes: 'Stel deze geboden op schrift, want op grond van deze geboden sluit ik met jou en de Israëlieten een verbond.' </VERS>
      <VERS vnumber="28">Veertig dagen en veertig nachten bleef Mozes daar bij de HEER, zonder te eten of te drinken. En hij schreef de tekst van het verbond, de tien geboden, op de platen. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Mozes daalde de Sinai af, met de twee platen van het verbond bij zich. Hij wist niet dat zijn gezicht glansde doordat hij met de HEER had gesproken. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Toen Aäron en de andere Israëlieten de glans op Mozes' gezicht zagen, durfden zij niet naar hem toe te gaan, </VERS>
      <VERS vnumber="31">maar Mozes riep hen bij zich. Aäron en de leiders van het volk kwamen bij hem en Mozes sprak met hen. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Daarna kwamen ook de andere Israëlieten. Hij droeg hun op zich te houden aan alles wat de HEER hem op de Sinai gezegd had. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Toen hij uitgesproken was, bedekte hij zijn gezicht met een doek. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Steeds wanneer Mozes voor de HEER verscheen om met hem te spreken, deed hij de doek af, totdat hij weer naar buiten kwam. Als Mozes de Israëlieten dan zei wat hem opgedragen was, </VERS>
      <VERS vnumber="35">zagen zij hoe zijn gezicht glansde. Daarna bedekte hij zijn gezicht met de doek, totdat hij opnieuw met de HEER ging spreken. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="35">
      <VERS vnumber="1">Mozes riep de hele gemeenschap van Isra ël bijeen en zei: 'De HEER heeft opdracht gegeven om deze voorwerpen voor hem te maken. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Zes dagen kan daaraan gewerkt worden, maar de zevende dag, de sabbat, moet een dag van volstrekte rust zijn, gewijd aan de HEER. Iedereen die dan werkt moet ter dood gebracht worden. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Niemand van u mag op sabbat een vuur aansteken, waar hij ook woont.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Mozes zei tegen de Israëlieten: 'De HEER draagt u op </VERS>
      <VERS vnumber="5">hem geschenken te geven. Laat iedereen die daartoe bereid is iets aan de HEER afstaan: goud, zilver of koper, </VERS>
      <VERS vnumber="6">blauwpurperen, roodpurperen of karmozijnrode wol, fijn linnen garen of geitenhaar, </VERS>
      <VERS vnumber="7">rood geverfde ramsvellen, vellen van zeekoeien, acaciahout, </VERS>
      <VERS vnumber="8">lampolie, geurige specerijen voor de zalfolie en voor de reukoffers, </VERS>
      <VERS vnumber="9">onyxstenen voor de priesterschort of edelstenen voor de borsttas. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Alle vaklieden moeten zich melden, om alles te maken waartoe de HEER opdracht heeft gegeven: </VERS>
      <VERS vnumber="11">de tabernakel met het bijbehorende dekkleed en alle haken, planken, dwarsbalken, palen en voetstukken, </VERS>
      <VERS vnumber="12">de ark met de draagbomen, de verzoeningsplaat en het voorhangsel, </VERS>
      <VERS vnumber="13">de tafel met de draagbomen, alle bijbehorende voorwerpen en het toonbrood, </VERS>
      <VERS vnumber="14">de lampenstandaard met de bijbehorende voorwerpen, de lampen en de olie, </VERS>
      <VERS vnumber="15">het reukofferaltaar met de draagbomen, de zalfolie, het geurige reukwerk en het gordijn dat de ingang van de tabernakel afschermt, </VERS>
      <VERS vnumber="16">het brandofferaltaar met het bronzen hekwerk, de draagbomen en alle bijbehorende voorwerpen, het wasbekken met het onderstel, </VERS>
      <VERS vnumber="17">de doeken voor de omheining, de palen, de voetstukken en het gordijn voor de ingang van de afgeschermde ruimte, </VERS>
      <VERS vnumber="18">de pinnen en touwen van de tabernakel en die van de omheining, </VERS>
      <VERS vnumber="19">en de ambtsgewaden voor de dienst in het heiligdom, de heilige kleding voor de priester Aäron en de kleding die zijn zonen moeten dragen wanneer zij als priester dienst doen.' </VERS>
      <VERS vnumber="20">(20-21) Hierop gingen de Israëlieten uiteen, en ieder die daartoe van harte bereid was, kwam bij Mozes terug met een geschenk voor de HEER als bijdrage voor de vervaardiging van de ontmoetingstent, de inrichting daarvan of de heilige kleding. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Alle mannen en vrouwen die bereid waren de HEER iets van goud af te staan, kwamen sierspelden, neusringen, vingerringen, halssieraden en allerlei andere gouden voorwerpen brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Iedereen die in het bezit was van blauwpurperen, roodpurperen of karmozijnrode wol, fijn linnen garen, geitenhaar, rood geverfde ramsvellen of zeekoevellen bracht dat ook. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Anderen schonken de HEER zilver of koper, en weer anderen brachten het acaciahout dat ze hadden en dat voor tal van voorwerpen nodig was. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Vrouwen die de kunst van het spinnen verstonden, sponnen eigenhandig blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en fijn linnen garen en stonden dat af. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Andere vrouwen, die dat graag deden en er bedreven in waren, sponnen geitenhaar. </VERS>
      <VERS vnumber="27">De leiders van Isra ël brachten de onyxstenen voor de priesterschort en de edelstenen voor de borsttas, </VERS>
      <VERS vnumber="28">evenals de geurige specerijen en de olie voor de verlichting, de zalfolie en de reukoffers. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Alle Israëlieten, mannen zowel als vrouwen, die bereid waren iets af te staan voor de werkzaamheden waartoe de HEER Mozes opdracht had laten geven, brachten de HEER vrijwillig geschenken. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Mozes zei tegen de Israëlieten: 'De HEER heeft zijn keuze laten vallen op Besale ël, de zoon van Uri, de zoon van Chur, uit de stam Juda. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Hij heeft hem uitzonderlijke talenten geschonken, wijsheid, vakmanschap en inzicht op allerlei gebied: </VERS>
      <VERS vnumber="32">hij kan ontwerpen maken en ze uitvoeren in goud, zilver, koper en brons, </VERS>
      <VERS vnumber="33">hij kan stenen snijden en zetten en hout bewerken en hij beheerst ook allerlei andere vaardigheden om ontwerpen uit te voeren. </VERS>
      <VERS vnumber="34">De HEER heeft aan hem en aan Oholiab, de zoon van Achisamach, uit de stam Dan, ook de gave geschonken hun kennis over te dragen. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Hij heeft hun vakmanschap geschonken op allerlei gebied: zij hebben verstand van wol weven, van borduren met blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en van het weven van fijn linnen. Ze beheersen de technieken en maken zelf de ontwerpen. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="36">
      <VERS vnumber="1">Besale ël en Oholiab moeten alle voorwerpen voor de dienst in het heiligdom maken, precies zoals de HEER het heeft opgedragen. Allen die hun vak verstaan en aan wie de HEER de wijsheid en het inzicht geschonken heeft die hiervoor nodig zijn, moeten hen helpen.' </VERS>
      <VERS vnumber="2">Hierop riep Mozes Besale ël en Oholiab bij zich, en alle vaklieden aan wie de HEER wijsheid geschonken had en die graag bereid waren het werk ter hand te nemen. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Zij namen van Mozes alle geschenken in ontvangst die de Israëlieten voor de bouw van het heiligdom gebracht hadden. Men bleef vrijwillig gaven brengen, iedere morgen weer, </VERS>
      <VERS vnumber="4">totdat de vaklieden die aan het heiligdom werkten hun werk onderbraken, </VERS>
      <VERS vnumber="5">en zij Mozes lieten weten dat de mensen veel meer bijeenbrachten dan nodig was voor het werk waartoe de HEER opdracht had gegeven. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Op bevel van Mozes werd toen overal in het kamp bekendgemaakt dat geen enkele man of vrouw nog iets voor het heiligdom hoefde te maken. Daarna bracht het volk geen geschenken meer. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Er was meer dan voldoende materiaal om al het werk te kunnen uitvoeren. </VERS>
      <VERS vnumber="8">De vaklieden die bij de uitvoering van het werk betrokken waren, maakten van tien geweven banen de tabernakel. Ze weefden de banen op vakkundige wijze van getwijnd linnen garen en van blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol, met een patroon van cherubs. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Alle banen hadden dezelfde afmetingen: de lengte van iedere baan was achtentwintig el, de breedte vier el. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Vijf aan vijf werden ze aan elkaar gezet. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Aan de laatste baan van elk van de twee kleden die zo ontstonden, werden lussen van blauwpurperen wol gezet: </VERS>
      <VERS vnumber="12">vijftig lussen aan elk van beide kleden, zo dat ze precies tegenover elkaar kwamen te zitten. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Men maakte vijftig gouden haken en bevestigde de kleden met deze haken aan elkaar, zodat de tabernakel ‚‚n geheel werd. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Men maakte banen van geitenhaar voor de tent die over de tabernakel heen moest komen. Het waren er elf, </VERS>
      <VERS vnumber="15">allemaal van dezelfde afmetingen: de lengte van iedere baan was dertig el, de breedte vier el. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Vijf van deze banen werden aan elkaar gezet en de zes andere eveneens. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Aan de laatste baan van elk van de twee kleden die zo ontstonden, zette men vijftig lussen. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Men maakte vijftig koperen haken om de delen te verbinden en van de tent ‚‚n geheel te maken. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Ook werd voor de tent een dekkleed van rood geverfde ramsvellen gemaakt, en dat werd weer afgedekt met een kleed van zeekoevellen. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Voor de wanden van de tabernakel maakte men planken van acaciahout, die rechtop kwamen te staan. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Ze waren tien el lang en anderhalve el breed. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Elke plank werd voorzien van twee pinnen, en wel zo dat de pinnen van alle planken van de tabernakel een rechte lijn vormden. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Men maakte twintig planken voor de zuidwand van de tabernakel </VERS>
      <VERS vnumber="24">en bracht daaronder veertig zilveren voetstukken aan, telkens twee per plank, waar de beide pinnen in pasten. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Voor de andere zijde van de tabernakel, aan de noordkant, maakte men eveneens twintig planken </VERS>
      <VERS vnumber="26">met daaronder veertig zilveren voetstukken, telkens twee per plank. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Voor de achterwand van de tabernakel, aan de westkant, maakte men zes planken. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Voor de hoeken van de achterwand werden twee extra planken gemaakt. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Op de beide hoeken sloten de planken van onderen precies op elkaar aan en tot bovenaan, bij de ring, liepen ze volkomen gelijk. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Bij elkaar dus acht planken, met daaronder zestien zilveren voetstukken, telkens twee per plank. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Ook werden er dwarsbalken van acaciahout gemaakt: vijf voor de ene zijwand van de tabernakel, </VERS>
      <VERS vnumber="32">vijf voor de andere zijwand en vijf voor de achterwand aan de westkant. </VERS>
      <VERS vnumber="33">De middelste dwarsbalk diende ertoe om halverwege de wand de planken van het ene einde tot het andere met elkaar te verbinden. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Men overtrok de planken met goud, verguldde ook de dwarsbalken en maakte voor de dwarsbalken gouden ringen. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Het voorhangsel werd gemaakt van blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en getwijnd linnen garen. Het werd vakkundig geweven, met een patroon van cherubs. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Men maakte er vier palen van acaciahout voor, die men met goud overtrok, met bijpassende vergulde krammen, en er werden voor deze palen vier zilveren voetstukken gegoten. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Ter afscherming van de ingang van de tent maakte men een vakkundig geborduurd gordijn van blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en getwijnd linnen garen. </VERS>
      <VERS vnumber="38">Er werden vijf palen voor gemaakt met bijpassende krammen; de koppen van de palen werden verguld, evenals de dwarsstangen. De vijf voetstukken waren van brons. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="37">
      <VERS vnumber="1">Besale ël maakte de ark van acaciahout, twee ëneenhalve el lang, anderhalve el breed en anderhalve el hoog. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Hij overtrok hem met zuiver goud, zowel vanbinnen als vanbuiten; aan de bovenkant bracht hij rondom een gouden sierlijst aan. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Hij goot vier gouden ringen, die hij aan de vier poten bevestigde: twee ringen aan elke kant van de ark. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Hij maakte draagbomen van acaciahout, verguldde ze </VERS>
      <VERS vnumber="5">en stak ze door de ringen aan weerszijden, zodat de ark gedragen kon worden. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Ook maakte hij de verzoeningsplaat van zuiver goud, twee ëneenhalve el lang en anderhalve el breed. </VERS>
      <VERS vnumber="7">(7-8) Aan de beide uiteinden daarvan maakte hij een cherub, eveneens van goud, ‚‚n aan het ene uiteinde en ‚‚n aan het andere uiteinde. Het was drijfwerk, de twee cherubs vormden ‚‚n geheel met de plaat. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Ze stonden tegenover elkaar, met het gezicht naar de verzoeningsplaat gekeerd, en hun vleugels waren gespreid zodat ze zich daar beschermend over uitstrekten. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Men maakte de tafel van acaciahout, twee el lang, ‚‚n el breed en anderhalve el hoog. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Hij werd met zuiver goud overtrokken en rondom werd een gouden sierlijst aangebracht: </VERS>
      <VERS vnumber="12">een rand van een hand breed, in een gouden lijst gevat. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Men goot vier gouden ringen en bevestigde die aan de vier hoeken, bij de poten. </VERS>
      <VERS vnumber="14">De ringen zaten vlak onder de rand; ze waren bestemd voor de draagbomen waarmee de tafel gedragen kon worden. </VERS>
      <VERS vnumber="15">De draagbomen voor de tafel maakte men van acaciahout, dat verguld werd. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Ook maakte men de voorwerpen die op de tafel moesten komen: de schotels, schalen en kommen, en de kannen voor de wijnoffers, allemaal van zuiver goud. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Men maakte de lampenstandaard van zuiver goud. De voet, de schacht, de kelken, knoppen en bloemen waren uit ‚‚n stuk gedreven. </VERS>
      <VERS vnumber="18">De schacht had zes zijarmen: drie aan de ene kant en drie aan de andere kant. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Deze armen werden versierd met amandelbloesem; op elk ervan werden drie kelken aangebracht met een knop en bloemblaadjes, telkens op dezelfde manier. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Ook de schacht werd met amandelbloesem versierd: vier kelken, elk met een knop en bloemblaadjes. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Waar de armen uit de schacht kwamen, werden eveneens knoppen aangebracht: ‚‚n onder het eerste paar armen, ‚‚n onder het tweede paar en ‚‚n onder het derde paar. </VERS>
      <VERS vnumber="22">De hele standaard, met de zes armen en de knoppen, was uit ‚‚n stuk zuiver goud gedreven. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Men maakte er zeven lampen voor en snuiters en bakjes, alles van zuiver goud. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Voor de lampenstandaard en de bijbehorende voorwerpen werd een talent zuiver goud gebruikt. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Men maakte het reukofferaltaar van acaciahout. Het was vierkant, ‚‚n el lang en ‚‚n el breed, en twee el hoog; de horens vormden er ‚‚n geheel mee. </VERS>
      <VERS vnumber="26">De bovenkant, alle zijkanten en de horens werden met zuiver goud overtrokken en rondom werd een gouden rand aangebracht. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Onder de rand bevestigde men aan twee kanten twee gouden ringen; deze waren bestemd voor de draagbomen waarmee het altaar gedragen kon worden. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Men maakte de draagbomen van acaciahout en verguldde ze. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Ook bereidde men de heilige zalfolie, en fijn reukwerk zoals een reukwerker dat maakt. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="38">
      <VERS vnumber="1">Men maakte het brandofferaltaar van acaciahout. Het was vierkant, vijf el lang en vijf el breed, en drie el hoog. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Op de vier hoeken van het altaar maakte men horens, die er ‚‚n geheel mee vormden, en het werd met brons bekleed. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Alle bijbehorende voorwerpen werden van koper gemaakt: de potten, de scheppen, offerschalen, vorken en vuurbakken. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Langs de onderkant van het altaar, onder de rand, bracht men een hekwerk aan, een bronzen raster dat tot halverwege het altaar reikte. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Er werden vier ringen gegoten die aan de vier hoeken van het bronzen hekwerk bevestigd werden; ze waren bestemd voor de draagbomen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Men maakte de draagbomen van acaciahout, bekleedde ze met brons </VERS>
      <VERS vnumber="7">en stak ze in de ringen aan weerszijden van het altaar, zodat het gedragen kon worden. Het altaar werd van houten panelen gemaakt; vanbinnen was het hol. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Men maakte het bronzen wasbekken en het bronzen onderstel, en gebruikte hiervoor de spiegels van de vrouwen die bij de ingang van de ontmoetingstent samengestroomd waren. </VERS>
      <VERS vnumber="9">De ruimte rond de tabernakel werd afgeschermd. Aan de zuidkant kwamen over een lengte van honderd el doeken van getwijnd linnen, </VERS>
      <VERS vnumber="10">en twintig bijbehorende palen op twintig bronzen voetstukken, met krammen en dwarsstangen van zilver. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Evenzo aan de noordkant: honderd el doeken en twintig bijbehorende palen op twintig bronzen voetstukken, met verzilverde krammen en dwarsstangen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Aan de westkant: vijftig el doeken en tien palen op tien voetstukken, met verzilverde krammen en dwarsstangen. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Aan de oostkant eveneens vijftig el: </VERS>
      <VERS vnumber="14">(14-15) aan weerszijden van de ingang van de afgeschermde ruimte vijftien el doeken en aan beide zijden drie bijbehorende palen die elk op een voetstuk stonden. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Al deze doeken waren van getwijnd linnen. </VERS>
      <VERS vnumber="17">De voetstukken van de palen waren van brons, de krammen en dwarsstangen van zilver. De koppen van alle palen van de omheining waren met zilver overtrokken en alle palen waren voorzien van zilveren dwarsstangen. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Het gordijn voor de ingang van de afgeschermde ruimte was vakkundig geborduurd en gemaakt van blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en getwijnd linnen garen; het was twintig el breed en evenals de doeken van de omheining vijf el lang. </VERS>
      <VERS vnumber="19">De vier bijbehorende palen en de vier voetstukken waren van brons, de krammen en dwarsstangen waren van zilver en de koppen van de palen waren met zilver overtrokken. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Alle pinnen van zowel de tabernakel als de omheining waren van brons. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Hier volgt een berekening van de hoeveelheden materiaal die voor de tabernakel gebruikt werden, voor de tent waarin de verbondstekst bewaard werd. Deze berekening werd in opdracht van Mozes door de Levieten gemaakt, onder leiding van Itamar, de zoon van de priester Aäron. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Besale ël, de zoon van Uri, de zoon van Chur, uit de stam Juda, had alles uitgevoerd zoals de HEER het aan Mozes had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Oholiab, de zoon van Achisamach, uit de stam Dan, een bekwaam vakman, had hem ter zijde gestaan; hij kon weven en borduren met blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en getwijnd linnen garen. </VERS>
      <VERS vnumber="24">De totale hoeveelheid goud die voor de vervaardiging van het heiligdom werd gebruikt-het goud dat men had afgedragen-bedroeg negenentwintig talent en zevenhonderddertig sjekel, volgens het ijkgewicht van het heiligdom. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Het zilver dat de geregistreerde Israëlieten hadden afgedragen, bedroeg honderd talent en zeventienhonderdvijfenzeventig sjekel, volgens het ijkgewicht van het heiligdom: </VERS>
      <VERS vnumber="26">één beka per persoon, dat is een halve sjekel volgens het ijkgewicht, van alle geregistreerde personen van twintig jaar en ouder, zeshonderddrieduizend vijfhonderdvijftig man. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Honderd talent zilver werd gebruikt voor het gieten van de voetstukken van het heiligdom en voor die van het voorhangsel: ‚‚n talent per voetstuk, dus voor honderd voetstukken honderd talent. </VERS>
      <VERS vnumber="28">De overige zeventienhonderdvijfenzeventig sjekel gebruikte men om de palen te voorzien van krammen en dwarsstangen en om de koppen ervan te overtrekken. </VERS>
      <VERS vnumber="29">De afgedragen hoeveelheid koper bedroeg zeventig talent en vierentwintighonderd sjekel. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Daarvan werden de voetstukken voor de ingang van de ontmoetingstent gemaakt, het bronzen altaar met het hekwerk daaromheen en alle bijbehorende voorwerpen, </VERS>
      <VERS vnumber="31">alle voetstukken van de omheining en van de ingang tot de afgeschermde ruimte, en alle pinnen van zowel de tabernakel als de omheining. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="39">
      <VERS vnumber="1">Van blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol maakte men ook de ambtsgewaden voor de dienst in het heiligdom. Men maakte de heilige kleding voor Aäron zoals de HEER het aan Mozes had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">De priesterschort maakte men van gouddraad, blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en getwijnd linnen garen. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Uit geplet goud werden draden gesneden, die met de blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en het linnen garen verweven werden. </VERS>
      <VERS vnumber="4">De beide delen van de schort werden met elkaar verbonden door middel van schouderstukken. </VERS>
      <VERS vnumber="5">De band vormde er ‚‚n geheel mee en was op dezelfde wijze gemaakt: van gouddraad, blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en getwijnd linnen garen, zoals de HEER het Mozes had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Men graveerde de namen van Isra ëls zonen in de onyxstenen, zoals men zegelstenen snijdt, men vatte de stenen in gouden kassen </VERS>
      <VERS vnumber="7">en zette ze op de schouderstukken van de priesterschort, om de HEER aan de Israëlieten te herinneren; zo had de HEER het Mozes opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="8">De borsttas weefde men even vakkundig als de priesterschort, van gouddraad, blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en getwijnd linnen garen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Dubbelgeslagen was het weefsel vierkant, een span lang en een span breed. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Er werden vier rijen stenen op gezet: de eerste rij werd gevormd door een robijn, een topaas en een smaragd; </VERS>
      <VERS vnumber="11">de tweede rij door een granaat, een saffier en een aquamarijn; </VERS>
      <VERS vnumber="12">de derde door een barnsteen, een agaat en een amethist, </VERS>
      <VERS vnumber="13">en de vierde door een turkoois, een onyx en een jaspis, allemaal in gouden kassen gevat. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Er waren twaalf stenen, zoals er twaalf namen zijn van Isra ëls zonen: in elke steen werd de naam van een van de twaalf stammen gegraveerd, zoals men zegelstenen snijdt. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Ook maakte men voor de borsttas kettinkjes van zuiver goud, in de vorm van kunstig gevlochten snoeren, </VERS>
      <VERS vnumber="16">evenals twee gouden kassen en twee gouden ringen. De twee gouden ringen bevestigde men aan de bovenste hoeken van de borsttas, </VERS>
      <VERS vnumber="17">de beide gouden snoeren werden met het ene einde aan de ringen op de hoeken van de tas bevestigd </VERS>
      <VERS vnumber="18">en met het andere einde aan de kassen op de schouderstukken van de priesterschort, aan de voorkant. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Verder zette men twee gouden ringen aan de andere hoeken van de borsttas, aan de binnenkant, waarmee de tas tegen de priesterschort kwam te hangen. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Twee andere gouden ringen bevestigde men aan de schouderstukken van de priesterschort, en wel aan de voorkant, onderaan, dicht bij de plaats waar de schouderstukken vastgezet waren, boven de band. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Daarna haalde men een blauwpurperen koord door de ringen van de borsttas en door die van de priesterschort, zodat de tas stevig op de band van de priesterschort vastgebonden kon worden en niet kon verschuiven; zo had de HEER het Mozes opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Het bovenkleed dat bij de priesterschort hoorde, werd in zijn geheel op vakkundige wijze van blauwpurperen wol geweven. </VERS>
      <VERS vnumber="23">De halsopening zat in het midden en was afgezet met een rand die net zo geweven was als die van een wapenrok, om inscheuren te voorkomen. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Op de hele zoom van het bovenkleed bracht men granaatappels aan van blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en van getwijnd linnen garen, </VERS>
      <VERS vnumber="25">en tussen de granaatappels zette men belletjes van zuiver goud, </VERS>
      <VERS vnumber="26">steeds om en om een gouden belletje en een granaatappel, over de hele zoom van het bovenkleed, dat tijdens de dienst moest worden gedragen; zo had de HEER het Mozes opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Men weefde voor Aäron en zijn zonen op vakkundige wijze tunieken, </VERS>
      <VERS vnumber="28">een tulband en prachtige hoofddoeken, alles van fijn linnen garen, en linnen broeken van getwijnd garen. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Ook maakte men een vakkundig geborduurde gordel van getwijnd linnen garen en blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol, zoals de HEER het Mozes had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Men maakte de rozet, de heilige diadeem, van zuiver goud en graveerde daarin, als in een zegel, de woorden 'Aan de HEER gewijd', </VERS>
      <VERS vnumber="31">en er werd een blauwpurperen koord aan bevestigd, zodat de rozet voor op de tulband kon worden gebonden, zoals de HEER het Mozes had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Zo werd het werk aan de tabernakel, de ontmoetingstent, voltooid. De Israëlieten hadden alles precies zo gemaakt als de HEER het Mozes had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Toen brachten ze de tabernakel naar Mozes: de tent met alle toebehoren, de haken, planken, dwarsbalken, palen en voetstukken, </VERS>
      <VERS vnumber="34">het dekkleed van rood geverfde ramsvellen, het dekkleed van zeekoevellen en het voorhangsel, </VERS>
      <VERS vnumber="35">de ark voor de verbondstekst met de draagbomen en de verzoeningsplaat, </VERS>
      <VERS vnumber="36">de tafel met de bijbehorende voorwerpen en het toonbrood, </VERS>
      <VERS vnumber="37">de lampenstandaard van zuiver goud met de lampen die er op de juiste wijze op gezet moesten worden, met alle toebehoren en met de olie voor de verlichting, </VERS>
      <VERS vnumber="38">het gouden altaar, de zalfolie, het geurige reukwerk en het gordijn voor de ingang van de tent, </VERS>
      <VERS vnumber="39">het bronzen altaar met het bronzen hekwerk, de draagbomen en alle bijbehorende voorwerpen, het wasbekken met het onderstel, </VERS>
      <VERS vnumber="40">de doeken voor de omheining met de palen en de voetstukken, het gordijn voor de ingang van de afgeschermde ruimte, met de touwen en pinnen, en alle benodigdheden voor de dienst in de tabernakel, in de ontmoetingstent, </VERS>
      <VERS vnumber="41">en ook de ambtsgewaden voor de dienst in het heiligdom, de heilige kleding voor de priester Aäron en de kleding die zijn zonen bij hun dienst als priester moesten dragen. </VERS>
      <VERS vnumber="42">(42-43) Alles was gemaakt zoals de HEER het Mozes had opgedragen. Toen Mozes zag dat de Israëlieten alles precies volgens de opdracht van de HEER hadden gemaakt, zegende hij hen. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="40">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Op de eerste dag van de eerste maand moet je de tabernakel, de ontmoetingstent, opbouwen. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Plaats de ark met de verbondstekst erin en scherm die af met het voorhangsel. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Zet de tafel erin, met de bijbehorende voorwerpen ordelijk daarop geschikt, en ook de lampenstandaard, waarvan je de lampen moet aansteken. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Plaats het gouden reukofferaltaar voor de ark met de verbondstekst en hang het gordijn voor de ingang van de tabernakel. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Het brandofferaltaar moet je voor de ingang van de tabernakel, de ontmoetingstent, zetten, </VERS>
      <VERS vnumber="7">en het wasbekken, gevuld met water, tussen de tent en het altaar. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Scherm de ruimte rond de tabernakel af en hang het gordijn voor de ingang. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Neem dan de zalfolie en zalf de tabernakel en alles wat erin staat, om de tabernakel met alle toebehoren te wijden, zodat hij heilig is. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Zalf ook het brandofferaltaar met alle bijbehorende voorwerpen om het te wijden, zodat het allerheiligst is. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Zalf en wijd ook het wasbekken en het onderstel. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Laat dan Aäron en zijn zonen naar de ingang van de ontmoetingstent komen en reinig hen met water. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Trek Aäron de heilige kleding aan en zalf hem; zo heilig je hem om mij als priester te dienen. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Ontbied zijn zonen, trek hun de tunieken aan </VERS>
      <VERS vnumber="15">en zalf hen zoals je hun vader gezalfd hebt; dan kunnen ook zij mij als priester dienen. Door deze zalving wordt hun voor altijd, voor alle komende generaties, het priesterschap verleend.' </VERS>
      <VERS vnumber="16">Mozes deed alles wat de HEER hem had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="17">In de eerste maand van het tweede jaar, op de eerste dag van de maand, werd de tabernakel opgebouwd. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Mozes liet de voetstukken voor de tabernakel plaatsen, hij liet de planken erin zetten, de dwarsbalken aanbrengen en de palen oprichten. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Over de tabernakel werd de tweede tent gespannen en daaroverheen werden de buitenste tentkleden gelegd, zoals de HEER Mozes had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Hij legde de verbondstekst in de ark, bevestigde de draagbomen aan de ark en legde de verzoeningsplaat erop. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Hij zette de ark in de tabernakel en hing ter afscherming van de ark met de verbondstekst het voorhangsel op, zoals de HEER hem had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Hij zette de tafel aan de noordkant van de tabernakel, de ontmoetingstent, buiten het voorhangsel, </VERS>
      <VERS vnumber="23">en schikte daarop het brood, ten overstaan van de HEER, zoals de HEER hem had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="24">De lampenstandaard zette hij aan de zuidkant van de tabernakel, tegenover de tafel, </VERS>
      <VERS vnumber="25">en hij stak de lampen voor de HEER aan, zoals de HEER hem had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Het gouden altaar zette hij voor het voorhangsel in de ontmoetingstent </VERS>
      <VERS vnumber="27">en hij brandde er geurig reukwerk op, zoals de HEER hem had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Hij hing het gordijn voor de ingang van de tabernakel, </VERS>
      <VERS vnumber="29">zette het brandofferaltaar bij de ingang van de tabernakel, de ontmoetingstent, en bracht daarop het brandoffer en het graanoffer, zoals de HEER hem had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Tussen de ontmoetingstent en het altaar plaatste hij het wasbekken, en hij vulde het met water; </VERS>
      <VERS vnumber="31">daarmee moesten Mozes en Aäron en zijn zonen hun handen en hun voeten wassen </VERS>
      <VERS vnumber="32">voordat ze de ontmoetingstent binnengingen of het altaar naderden; zo had de HEER het Mozes opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Hij schermde de ruimte rondom de tabernakel en het altaar af en hij hing voor de ingang het gordijn op. Zo legde Mozes de laatste hand aan het werk. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Toen werd de ontmoetingstent overdekt door een wolk en werd de tabernakel gevuld door de majesteit van de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Mozes kon de ontmoetingstent niet meer binnengaan, want de wolk rustte daarop en de majesteit van de HEER vulde de tabernakel. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Zolang hun tocht duurde, trokken de Israëlieten pas verder wanneer de wolk zich van de tabernakel verhief. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Wanneer de wolk niet opsteeg, trokken ze niet verder; ze wachtten tot de wolk weer opsteeg. </VERS>
      <VERS vnumber="38">Zolang hun tocht duurde, rustte overdag de wolk van de HEER op de tabernakel, 's nachts verscheen er een vuur in, dat voor alle Israëlieten zichtbaar was. </VERS>
    </CHAPTER>
  </BIBLEBOOK>
  <BIBLEBOOK bnumber="3" bname="Leviticus" bsname="Lev">
    <CHAPTER cnumber="1">
      <VERS vnumber="1">De HEER riep Mozes en zei vanuit de ontmoetingstent tegen hem: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Zeg tegen de Israëlieten: "Als iemand van jullie de HEER een offer uit de veestapel wil aanbieden, moet dat een rund, een schaap of een geit zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Wie een brandoffer wil aanbieden en daarvoor een rund neemt, moet een mannelijk dier nemen zonder enig gebrek. Hij moet het naar de ingang van de ontmoetingstent brengen, waar de HEER het zal aanvaarden. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Hij moet zijn hand op de kop van het offerdier leggen, dan zal zijn offer worden aanvaard als verzoening. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Hij moet de stier slachten ten overstaan van de HEER, en de priesters, de zonen van Aäron, moeten het bloed naar het altaar brengen dat bij de ingang van de ontmoetingstent staat en het tegen de zijkanten ervan gieten. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Het offerdier moet worden gevild en in stukken gesneden, </VERS>
      <VERS vnumber="7">en de zonen van Aäron, de priester, moeten een vuur op het altaar aansteken en er hout op leggen. </VERS>
      <VERS vnumber="8">De priesters moeten de stukken vlees van het offerdier met de kop en het vet op het houtvuur op het altaar leggen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">De ingewanden en de poten van het offerdier moeten met water gewassen worden, en de priester moet alles op het altaar verbranden. Zo is het geschikt als brandoffer, als geurige gave die de HEER behaagt. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Wie een schaap of geit als brandoffer aanbiedt, moet een mannelijk dier nemen zonder enig gebrek. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Hij moet het slachten aan de noordkant van het altaar, ten overstaan van de HEER, en de priesters, de zonen van Aäron, moeten het bloed tegen de zijkanten van het altaar gieten. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Het dier moet in stukken worden gesneden, en de priester moet de stukken vlees met de kop en het vet op het houtvuur op het altaar leggen. </VERS>
      <VERS vnumber="13">De poten en de ingewanden moeten met water gewassen worden, en de priester moet alles naar het altaar brengen en het daarop verbranden. Zo is het geschikt als brandoffer, als geurige gave die de HEER behaagt. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Wie een vogel als brandoffer aan de HEER aanbiedt, moet een tortelduif of een jonge gewone duif nemen. </VERS>
      <VERS vnumber="15">De priester moet het offer naar het altaar brengen, het dier de kop afknijpen en die op het altaar verbranden. Het bloed laat hij uitlekken langs de zijkant van het altaar. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Hij moet de krop met inhoud verwijderen en weggooien op de ashoop, aan de oostkant van het altaar. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Daarna scheurt hij de vleugels in, zonder ze los te trekken, en verbrandt hij de vogel op het houtvuur op het altaar. Zo is het geschikt als brandoffer, als geurige gave die de HEER behaagt. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="2">
      <VERS vnumber="1">Wanneer iemand een graanoffer aan de HEER aanbiedt, moet hij tarwebloem nemen. Hij moet er olijfolie over gieten en er wierook op leggen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Hij moet het offer naar de priesters, de zonen van Aäron, brengen. De priester neemt een handvol van de bloem en de olie, samen met alle wierook, en verbrandt dit als teken voor de hele offergave op het altaar, als een geurige gave die de HEER behaagt. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Wat er van het graanoffer overblijft, is bestemd voor Aäron en zijn zonen; als deel van de offergaven voor de HEER is dat allerheiligst. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Voor een graanoffer dat in de oven wordt gebakken, moet tarwebloem worden gebruikt; de offergave mag bestaan uit dikke ongedesemde broden, met olijfolie bereid, of dunne ongedesemde broden, met olijfolie bestreken. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Een graanoffer dat op de bakplaat wordt bereid, moet bestaan uit tarwebloem vermengd met olijfolie; het deeg moet ongedesemd zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Het baksel wordt in stukken gebroken en overgoten met olie; dan is het geschikt als graanoffer. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Voor een graanoffer dat in een kookpan wordt klaargemaakt, moeten tarwebloem en olijfolie gebruikt worden. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Een graanoffer dat uit deze bestanddelen bereid is, mag aan de HEER worden aangeboden. Het moet aan de priester worden gegeven, die het naar het altaar brengt. </VERS>
      <VERS vnumber="9">De priester moet een deel van het graanoffer als teken voor de hele offergave op het altaar verbranden, als een geurige gave die de HEER behaagt. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Wat er van het graanoffer overblijft, is bestemd voor Aäron en zijn zonen; als deel van de offergaven voor de HEER is dat allerheiligst. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Geen enkel graanoffer dat de HEER wordt aangeboden, mag gedesemd zijn. Gedesemd brood en vruchtenstroop mogen niet als offergave voor de HEER verbrand worden. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Het mag wel bij de opbrengst van de nieuwe oogst aan de HEER worden aangeboden, maar niet als geurige gave op het altaar worden verbrand. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Aan elk graanoffer moet zout worden toegevoegd: het zout, als teken voor het verbond met jullie God, mag bij het graanoffer niet ontbreken. Ook aan de andere offers moet zout worden toegevoegd. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Wanneer jullie een graanoffer uit de eerste opbrengst van de nieuwe oogst aan de HEER aanbieden, moeten jullie gries van geroosterd vers graan nemen, </VERS>
      <VERS vnumber="15">er olijfolie over gieten en er wierook op leggen; dan is het geschikt als graanoffer. </VERS>
      <VERS vnumber="16">De priester moet een deel van het graan en de olie en al de wierook verbranden als teken voor de hele offergave voor de HEER. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="3">
      <VERS vnumber="1">Wie een vredeoffer wil aanbieden en daarvoor een rund neemt, mag een koe of een stier nemen, maar het dier dat de HEER wordt aangeboden mag geen enkel gebrek hebben. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Degene die het offer aanbiedt, moet zijn hand op de kop van het dier leggen en het slachten binnen de omheining van de ontmoetingstent, waarna de priesters, de zonen van Aäron, het bloed tegen de zijkanten van het altaar gieten. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Een deel van het vredeoffer moet als offergave aan de HEER worden aangeboden: het vet rond de buikholte en al het vet aan de ingewanden, </VERS>
      <VERS vnumber="4">de beide nieren met het niervet bij de lendenspieren, en de kleinste lob van de lever, die samen met de nieren moet worden verwijderd. </VERS>
      <VERS vnumber="5">De zonen van Aäron verbranden dit alles samen met het brandoffer dat op het houtvuur op het altaar ligt, als een geurige gave die de HEER behaagt. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Wie een vredeoffer wil aanbieden en daarvoor een schaap of een geit neemt, mag een mannelijk of een vrouwelijk dier nemen, maar het dier dat de HEER wordt aangeboden mag geen enkel gebrek hebben. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Wie een schaap als offergave aan de HEER aanbiedt, </VERS>
      <VERS vnumber="8">moet zijn hand op de kop van het dier leggen en het slachten binnen de omheining van de ontmoetingstent, waarna de zonen van Aäron het bloed tegen de zijkanten van het altaar gieten. </VERS>
      <VERS vnumber="9">De vette delen van het dier moeten als offergave aan de HEER worden aangeboden: de bij het stuitbeen afgesneden staart in zijn geheel, het vet rond de buikholte en al het vet aan de ingewanden, </VERS>
      <VERS vnumber="10">de beide nieren met het niervet bij de lendenspieren, en de kleinste lob van de lever, die samen met de nieren moet worden verwijderd. </VERS>
      <VERS vnumber="11">De priester doet dit alles op het altaar in rook opgaan, als voedsel en offergave voor de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Wie een geit als offergave aan de HEER aanbiedt, </VERS>
      <VERS vnumber="13">moet zijn hand op de kop van het dier leggen en het slachten binnen de omheining van de ontmoetingstent, waarna de zonen van Aäron het bloed tegen de zijkanten van het altaar gieten. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Een deel van het vredeoffer moet als offergave aan de HEER worden aangeboden: het vet rond de buikholte en al het vet aan de ingewanden, </VERS>
      <VERS vnumber="15">de beide nieren met het niervet bij de lendenspieren, en de kleinste lob van de lever, die samen met de nieren moet worden verwijderd. </VERS>
      <VERS vnumber="16">De priester doet dit alles op het altaar in rook opgaan, als voedsel, als een geurige gave. Al het vet is bestemd voor de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Vet en bloed mogen jullie niet eten. Deze bepaling blijft voor de Israëlieten en hun nakomelingen voor altijd van kracht, waar ze ook wonen."' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="4">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Zeg tegen de Israëlieten: "Soms zondigt iemand onopzettelijk tegen een van de geboden van de HEER en doet hij onbedoeld iets dat niet toegestaan is. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Als de gezalfde priester zo'n misstap begaat en schuld op het hele volk laadt, moet hij als reinigingsoffer een stier zonder enig gebrek aan de HEER aanbieden. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Hij moet de stier naar de ingang van de ontmoetingstent brengen, en daar, ten overstaan van de HEER, zijn hand op de kop van het dier leggen en het slachten. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Daarna neemt hij een deel van het bloed van de stier en gaat daarmee de ontmoetingstent binnen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Hij moet zijn vinger in het bloed dopen en het ten overstaan van de HEER zevenmaal in de richting sprenkelen van het voorhangsel dat de heilige ruimte afschermt. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Hij strijkt ook wat bloed aan de horens van het reukofferaltaar dat in de ontmoetingstent staat, in de nabijheid van de HEER. De rest van het bloed giet hij uit aan de voet van het brandofferaltaar, dat bij de ingang van de ontmoetingstent staat. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Al het vet van de stier die als reinigingsoffer wordt aangeboden, moet hij weghalen: het vet rond de buikholte en het vet aan de ingewanden, </VERS>
      <VERS vnumber="9">de beide nieren met het niervet bij de lendenspieren, en de kleinste lob van de lever, die hij tegelijk met de nieren moet verwijderen. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Dat moet hij weghalen, zoals ook bij het rund voor het vredeoffer gedaan wordt. Daarna verbrandt hij dit alles op het brandofferaltaar. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Maar de huid van de stier en al het vlees moeten, net als de kop, de poten, de ingewanden en hun inhoud, </VERS>
      <VERS vnumber="12">buiten het kamp worden gebracht, naar de plaats waar de as van de offers wordt gestort. Daar, op die reine plaats, moet dit alles op een houtvuur verbrand worden. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Als de gehele gemeenschap zonder het te beseffen zondigt tegen een van de geboden van de HEER en onopzettelijk schuld op zich laadt door iets te doen dat niet toegestaan is, </VERS>
      <VERS vnumber="14">moet het volk, zodra het beseft wat het misdaan heeft, een stier aanbieden als reinigingsoffer. De stier moet naar de ontmoetingstent worden gebracht, </VERS>
      <VERS vnumber="15">en daar, ten overstaan van de HEER, moeten de oudsten van het volk hun hand op de kop van het dier leggen en het slachten. </VERS>
      <VERS vnumber="16">De gezalfde priester gaat vervolgens met een deel van het bloed van de stier de ontmoetingstent binnen. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Hij moet zijn vinger in het bloed dopen en het ten overstaan van de HEER zevenmaal in de richting van het voorhangsel sprenkelen. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Hij strijkt ook wat bloed aan de horens van het altaar dat in de ontmoetingstent staat, in de nabijheid van de HEER. De rest van het bloed giet hij uit aan de voet van het brandofferaltaar, dat bij de ingang van de ontmoetingstent staat. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Al het vet moet hij verwijderen en op het altaar verbranden. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Hij moet de stier op dezelfde wijze offeren als de stier van zijn eigen reinigingsoffer. Zo voltrekt de priester voor het volk de verzoeningsrite en krijgt het vergeving. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Wat er van de stier over is, moet buiten het kamp worden gebracht om daar te worden verbrand, net als bij het offer van de gezalfde priester. Zo hoort het reinigingsoffer van de gemeenschap gebracht te worden. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Als een leider van het volk onbedoeld zondigt tegen een van de geboden van de HEER, zijn God, en schuld op zich laadt door iets te doen dat niet toegestaan is, moet hij, </VERS>
      <VERS vnumber="23">zodra hij beseft wat hij misdaan heeft, een bok zonder enig gebrek offeren. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Hij moet zijn hand op de kop van het dier leggen en het slachten ten overstaan van de HEER, op dezelfde plaats waar de dieren voor het brandoffer geslacht worden. Dan is het geschikt als reinigingsoffer. </VERS>
      <VERS vnumber="25">De priester strijkt met zijn vinger wat bloed van het offerdier aan de horens van het brandofferaltaar. De rest van het bloed giet hij uit aan de voet van het brandofferaltaar. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Al het vet moet hij op het altaar verbranden, zoals ook met het vet van het vredeoffer gedaan wordt. Zo voltrekt de priester voor de leider van het volk de verzoeningsrite voor wat hij misdaan heeft, en krijgt deze vergeving. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Als iemand anders uit het volk onbedoeld zondigt tegen een van de geboden van de HEER en schuld op zich laadt door iets te doen dat niet toegestaan is, </VERS>
      <VERS vnumber="28">moet hij, zodra hij beseft wat hij misdaan heeft, als reinigingsoffer een geit zonder enig gebrek aanbieden. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Hij moet zijn hand op de kop van het dier leggen en het slachten op de plaats waar de dieren voor het brandoffer geslacht worden. </VERS>
      <VERS vnumber="30">De priester strijkt met zijn vinger wat bloed van het offerdier aan de horens van het brandofferaltaar. De rest van het bloed giet hij uit aan de voet van het altaar. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Al het vet moet hij verwijderen, zoals ook met het vet van het vredeoffer gedaan wordt, en hij moet het op het altaar verbranden als een geurige gave die de HEER behaagt. Zo voltrekt de priester voor de persoon in kwestie de verzoeningsrite, en krijgt deze vergeving. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Wie een schaap als reinigingsoffer aanbiedt moet een vrouwelijk dier nemen zonder enig gebrek. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Hij moet zijn hand op de kop van het dier leggen en het als reinigingsoffer slachten op de plaats waar de dieren voor het brandoffer geslacht worden. </VERS>
      <VERS vnumber="34">De priester strijkt wat bloed van het offerdier aan de horens van het brandofferaltaar, en de rest van het bloed giet hij uit aan de voet van het altaar. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Al het vet moet hij verwijderen, zoals ook met het vet van het schaap voor het vredeoffer gedaan wordt, en hij moet het verbranden op het altaar, samen met de andere offergaven voor de HEER. Zo voltrekt de priester voor de persoon in kwestie de verzoeningsrite voor wat hij misdaan heeft, en krijgt deze vergeving. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="5">
      <VERS vnumber="1">Wie zondigt doordat hij geen gehoor geeft aan een met een vervloeking bekrachtigde oproep om te getuigen, terwijl hij het misdrijf wel heeft gezien of ervan weet, maakt zich strafbaar. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Ook wie vergeet dat hij in aanraking is geweest met iets onreins, zoals het kadaver van een wild of tam dier of het kadaver van een kruipend dier, en daardoor onrein blijft, maakt zich schuldig, </VERS>
      <VERS vnumber="3">net als iemand wie het is ontschoten dat hij in aanraking is geweest met de onreinheid van een mens, van welke aard dan ook, </VERS>
      <VERS vnumber="4">of die vergeet dat hij een onbezonnen eed heeft gezworen, ten goede of ten kwade, of hoe dan ook. </VERS>
      <VERS vnumber="5">De betreffende persoon moet, zodra hij zich van zijn schuld bewust wordt, openlijk uitspreken wat hij misdaan heeft </VERS>
      <VERS vnumber="6">en de HEER hiervoor bij wijze van genoegdoening een vrouwelijk dier, een ooi of een geit, als reinigingsoffer aanbieden. De priester zal voor hem de verzoeningsrite voltrekken. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Wie zich geen schaap of geit kan veroorloven, moet als genoegdoening twee tortelduiven of twee jonge gewone duiven aan de HEER offeren, ‚‚n als reinigingsoffer en ‚‚n als brandoffer. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Hij moet ze naar de priester brengen, en deze brengt eerst de duif die als reinigingsoffer bedoeld is naar het altaar. De priester moet het dier achteraan bij de nek de kop afknijpen, maar hij mag die niet van het lichaam scheiden. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Hij sprenkelt wat bloed van het offerdier tegen de zijkant van het altaar, en de rest van het bloed laat hij aan de voet van het altaar uitlekken. Dan is het geschikt als reinigingsoffer. </VERS>
      <VERS vnumber="10">De tweede duif moet hij als brandoffer opdragen, overeenkomstig de voorschriften. Zo voltrekt de priester voor de persoon in kwestie de verzoeningsrite voor wat hij misdaan heeft, en krijgt deze vergeving. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Wie geen twee tortelduiven of twee jonge gewone duiven heeft, moet als reinigingsoffer voor wat hij misdaan heeft een tiende efa tarwebloem aanbieden. Er mag geen olie over worden gegoten en er mag geen wierook op worden gelegd, het is immers een reinigingsoffer. </VERS>
      <VERS vnumber="12">De bloem wordt naar de priester gebracht, en deze neemt een handvol ervan als teken voor de hele offergave en verbrandt dit samen met de andere offergaven voor de HEER op het altaar. Dan is de gave geschikt als reinigingsoffer. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Zo voltrekt de priester voor de persoon in kwestie de verzoeningsrite voor wat hij misdaan heeft, en krijgt deze vergeving. Wat overblijft is, net als bij het graanoffer, bestemd voor de priester."' </VERS>
      <VERS vnumber="14">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="15">'Wie heiligschennis pleegt door zich onbewust te vergrijpen aan wat de HEER toebehoort, moet bij wijze van genoegdoening een ram zonder enig gebrek als hersteloffer aan de HEER aanbieden. Het dier moet een waarde hebben van een vastgestelde hoeveelheid zilver, berekend volgens het ijkgewicht van het heiligdom. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Datgene wat de HEER toebehoort en ontwijd is, moet worden vergoed. De persoon in kwestie moet de waarde ervan aan de priester betalen, vermeerderd met een vijfde. Door de ram te offeren voltrekt de priester voor de persoon in kwestie de verzoeningsrite, en krijgt deze vergeving. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Wie zonder het te weten zondigt tegen een van de geboden van de HEER en schuld op zich laadt door iets te doen dat niet toegestaan is, is strafbaar. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Als hersteloffer moet hij een ram zonder enig gebrek ter waarde van een vastgesteld bedrag naar de priester brengen. Dan zal de priester voor hem de verzoeningsrite voltrekken voor wat hij onbedoeld en zonder het te weten misdaan heeft, en krijgt hij vergeving. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Het is een hersteloffer, want hij heeft zich schuldig gemaakt tegenover de HEER.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="6">
      <VERS vnumber="1">(5:20) De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="2">(5:21) 'Wie zondigt en een overtreding tegenover de HEER begaat door te ontkennen dat een volksgenoot hem iets in bewaring heeft gegeven of hem iets heeft geleend, terwijl dat wel zo is, of door ten onrechte te ontkennen dat hij iets gestolen heeft, of wie iemand afperst </VERS>
      <VERS vnumber="3">(5:22) of ten onrechte ontkent dat hij iets heeft gevonden dat een ander verloren heeft, en in zo'n geval meineed pleegt, </VERS>
      <VERS vnumber="4">(5:23) laadt schuld op zich. Hij moet het gestolen goed, het afgeperste geld of wat hem in bewaring is gegeven of wat de ander verloren heeft, </VERS>
      <VERS vnumber="5">(5:24) of wat hij zich ook maar door meineed probeerde toe te eigenen, volledig vergoeden en de eigenaar boven de hoofdsom een vijfde extra betalen, op de dag dat hij zijn hersteloffer brengt. </VERS>
      <VERS vnumber="6">(5:25) Bij wijze van genoegdoening voor de HEER moet hij als hersteloffer een ram zonder enig gebrek ter waarde van een vastgesteld bedrag naar de priester brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">(5:26) Dan zal de priester voor hem ten overstaan van de HEER de verzoeningsrite voltrekken voor datgene waaraan hij zich schuldig gemaakt heeft, en krijgt hij vergeving.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">(6:1) De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="9">(6:2) 'Geef Aäron en zijn zonen de volgende instructies. Dit zijn de voorschriften voor het brandoffer: Het brandoffer moet de hele nacht op het altaar blijven branden, het vuur op het altaar mag niet doven. Bij het aanbreken van de ochtend </VERS>
      <VERS vnumber="10">(6:3) moet de priester, gekleed in een linnen gewaad met daaronder een linnen broek die zijn geslachtsdelen bedekt, de as van het brandoffer dat in het vuur verteerd is van het altaar nemen en naast het altaar leggen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">(6:4) Dan moet hij andere kleren aantrekken en de as naar de ashoop buiten het kamp brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">(6:5) Het vuur op het altaar moet blijven branden, het mag niet doven. Elke ochtend moet de priester hout op het vuur doen, er een nieuw brandoffer op leggen en het vet van het vredeoffer erop verbranden. </VERS>
      <VERS vnumber="13">(6:6) Het vuur op het altaar moet steeds blijven branden, het mag niet doven. </VERS>
      <VERS vnumber="14">(6:7) Dit zijn de voorschriften voor het graanoffer: De zonen van Aäron moeten het aan de voorzijde van het altaar aan de HEER aanbieden. </VERS>
      <VERS vnumber="15">(6:8) De priester neemt een handvol van het offer: een deel van de tarwebloem, een deel van de olijfolie en alle wierook die op het graanoffer ligt. Dat moet hij als teken voor het hele offer op het altaar verbranden, als een geurige gave die de HEER behaagt. </VERS>
      <VERS vnumber="16">(6:9) Wat overblijft, is bestemd voor Aäron en zijn zonen. Het moet worden gegeten in de vorm van ongedesemd brood, op een heilige plaats, binnen de omheining van de ontmoetingstent. </VERS>
      <VERS vnumber="17">(6:10) Het mag niet met zuurdesem worden gebakken. Ik schenk het hun als aandeel in mijn offergaven; het is allerheiligst, net als het reinigingsoffer en het hersteloffer. </VERS>
      <VERS vnumber="18">(6:11) Alle mannelijke nakomelingen van Aäron mogen ervan eten. Het is voor altijd voor hen bestemd, van generatie op generatie, als hun aandeel in de offergaven voor de HEER. Alles wat ermee in aanraking komt, wordt zelf ook heilig: het valt de HEER toe.' </VERS>
      <VERS vnumber="19">(6:12) De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="20">(6:13) 'Dit is de offergave die Aäron en zijn opvolgers vanaf de dag dat ze tot priester gezalfd zijn dagelijks aan de HEER moeten aanbieden: een graanoffer bestaande uit een tiende efa tarwebloem, de helft 's ochtends en de helft 's avonds. </VERS>
      <VERS vnumber="21">(6:14) Nadat de bloem met olijfolie is vermengd, moeten er op de bakplaat broden van worden gebakken. Die broden moeten in stukken worden gebroken en als graanoffer worden aangeboden, als een geurige gave die de HEER behaagt. </VERS>
      <VERS vnumber="22">(6:15) Alle nakomelingen van Aäron die hem opvolgen, moeten dit offer brengen. Het is voor altijd bestemd voor de HEER; het moet volledig worden verbrand. </VERS>
      <VERS vnumber="23">(6:16) Elk graanoffer dat een priester brengt, moet in zijn geheel geofferd worden, er mag niet van worden gegeten.' </VERS>
      <VERS vnumber="24">(6:17) De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="25">(6:18) 'Zeg tegen Aäron en zijn zonen: "Dit zijn de voorschriften voor het reinigingsoffer: Op de plaats waar de dieren voor het brandoffer geslacht worden, moeten ook de dieren voor het reinigingsoffer worden geslacht, ten overstaan van de HEER; dit offer is allerheiligst. </VERS>
      <VERS vnumber="26">(6:19) Het vlees is bestemd voor de priester die het reinigingsoffer opdraagt. Het moet op een heilige plaats worden gegeten, binnen de omheining van de ontmoetingstent. </VERS>
      <VERS vnumber="27">(6:20) Alles waarmee het vlees van het offer in aanraking komt, wordt zelf ook heilig: het valt de HEER toe. Als het bloed ervan op iemands kleren spat, moeten die op een heilige plaats worden gewassen. </VERS>
      <VERS vnumber="28">(6:21) Het aardewerk waarin het vlees gekookt is, moet worden stukgebroken, en als het in bronzen of koperen gerei is gekookt moet dat worden geschuurd en met water schoongespoeld. </VERS>
      <VERS vnumber="29">(6:22) Alle mannelijke leden van de priesterfamilie mogen van het reinigingsoffer eten; het is allerheiligst. </VERS>
      <VERS vnumber="30">(6:23) Maar reinigingsoffers waarvan het bloed naar de ontmoetingstent is gebracht om te worden gebruikt voor de verzoeningsrite in het heiligdom zelf, mogen niet gegeten worden; ze moeten worden verbrand. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="7">
      <VERS vnumber="1">Dit zijn de voorschriften voor het hersteloffer: Het is een allerheiligst offer. </VERS>
      <VERS vnumber="2">De dieren voor het hersteloffer moeten worden geslacht op dezelfde plaats als de dieren voor het brandoffer. Het bloed giet de priester tegen de zijkanten van het altaar. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Al het vet moet worden geofferd: het vet van de staart en al het vet van de buikholte, </VERS>
      <VERS vnumber="4">de beide nieren met het niervet bij de lendenspieren, en de kleinste lob van de lever, die samen met de nieren moet worden verwijderd. </VERS>
      <VERS vnumber="5">De priester verbrandt dit alles op het altaar als een offergave voor de HEER. Zo is het geschikt als hersteloffer. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Alle mannelijke leden van de priesterfamilie mogen ervan eten, op een heilige plaats; het is allerheiligst. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Net als bij het reinigingsoffer geldt dat het vlees van het hersteloffer bestemd is voor de priester die met dit offer de verzoeningsrite voltrekt. </VERS>
      <VERS vnumber="8">De priester die voor iemand een brandoffer brengt, krijgt de huid van het dier dat als brandoffer is aangeboden. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Een graanoffer dat in de oven wordt gebakken, of in de kookpan of op de bakplaat wordt bereid, is bestemd voor de priester die het opdraagt. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Elk ander graanoffer, al dan niet met olie bereid, is bestemd voor alle zonen van Aäron en wordt onder hen verdeeld. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Dit zijn de voorschriften voor het vredeoffer dat aan de HEER wordt aangeboden: </VERS>
      <VERS vnumber="12">Wie het offer als dankbetuiging aanbiedt, offert bij het offerdier dikke ongedesemde broden, met olijfolie bereid, dunne ongedesemde broden, met olijfolie bestreken, en dikke broden van fijne tarwebloem, doordrenkt met olijfolie. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Aan deze gaven, die hij tegelijk met het offerdier moet brengen, moet hij ook gedesemde broden toevoegen. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Van elke soort brood wordt er ‚‚n apart gehouden en aan de HEER geschonken. Die zijn bestemd voor de priester die het bloed van het offerdier tegen de zijkanten van het altaar heeft gegoten. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Het vlees van dit dankoffer moet gegeten worden op de dag dat het wordt aangeboden, het mag niet tot de volgende dag bewaard worden. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Een dier dat wordt aangeboden als gelofteoffer of als vrijwillige gave, moet gegeten worden op de dag dat het wordt aangeboden, maar wat overblijft mag de volgende dag worden gegeten. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Wat er daarna nog van het vlees van het offerdier over is, moet op de derde dag worden verbrand. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Als er op die dag nog van het offervlees wordt gegeten, zal het offer niet worden aanvaard en komt het de offeraar niet ten goede. Het is verwerpelijk en wie ervan eet, zal de gevolgen van zijn zonde dragen. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Ook offervlees dat met iets onreins in aanraking is geweest, mag niet gegeten worden maar moet worden verbrand. Iedereen die rein is mag van het offervlees eten, </VERS>
      <VERS vnumber="20">maar wie onrein is en van het vredeoffer voor de HEER eet, wordt uit de gemeenschap gestoten. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Wie iets onreins van een mens of een dier heeft aangeraakt of in aanraking is geweest met onrein gedierte en daarna van het vlees van het vredeoffer voor de HEER eet, wordt uit de gemeenschap gestoten."' </VERS>
      <VERS vnumber="22">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="23">'Zeg tegen de Israëlieten: "Vet van een rund, een schaap of een geit mogen jullie niet eten. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Het vet van een dier dat een natuurlijke dood is gestorven en het vet van een doodgebeten dier mag overal voor worden gebruikt, maar het mag niet worden gegeten. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Wie vet eet van een dier dat als offergave aan de HEER mag worden aangeboden, zal uit de gemeenschap worden gestoten. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Bloed mogen jullie evenmin eten, waar jullie ook wonen, geen bloed van vogels en geen bloed van landdieren. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Wie bloed eet, zal uit de gemeenschap worden gestoten."' </VERS>
      <VERS vnumber="28">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="29">'Zeg tegen de Israëlieten: "Wie een vredeoffer aan de HEER wil aanbieden, moet een deel ervan naar de HEER brengen; </VERS>
      <VERS vnumber="30">eigenhandig moet hij naast het vet ook het borststuk als offergave aan de HEER aanbieden. Het borststuk moet ten overstaan van de HEER omhooggeheven worden. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Het vet moet door de priester op het altaar worden verbrand, maar het borststuk is bestemd voor Aäron en zijn zonen. </VERS>
      <VERS vnumber="32">De rechterachterbout moet apart gehouden worden en aan de priester worden geschonken als zijn aandeel in jullie vredeoffer; </VERS>
      <VERS vnumber="33">die achterbout is bestemd voor diegene van Aärons zonen die het bloed en het vet van het vredeoffer aanbiedt. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Want van de vredeoffers van de Israëlieten neem ik het borststuk en de achterbout om ze voor altijd aan Aäron, de priester, en aan zijn zonen te geven, als een geschenk van de Israëlieten. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Ze zijn bestemd voor Aäron en zijn zonen, het is hun aandeel in de offergaven voor de HEER, vanaf de dag dat ze zijn ontboden om voor de HEER het priesterambt te bekleden. </VERS>
      <VERS vnumber="36">De HEER heeft bevolen dat als geschenk van de Israëlieten aan hen te geven, vanaf de dag dat hij hen heeft gezalfd. Dit voorschrift blijft voor de Israëlieten en hun nakomelingen voor altijd van kracht."' </VERS>
      <VERS vnumber="37">Tot zover de voorschriften voor het brandoffer, het graanoffer, het reinigingsoffer, het hersteloffer, het wijdingsoffer en het vredeoffer, </VERS>
      <VERS vnumber="38">die de HEER op de Sinai aan Mozes heeft bekendgemaakt toen hij de Israëlieten in de Sinaiwoestijn opdroeg hem hun gaven aan te bieden. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="8">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Ontbied Aäron en zijn zonen, haal de priesterkleding, de zalfolie, een stier voor het reinigingsoffer, twee rammen en een mand met ongedesemd brood, </VERS>
      <VERS vnumber="3">en roep het hele volk bijeen bij de ingang van de ontmoetingstent.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Mozes deed wat de HEER hem had opgedragen. Toen de hele gemeenschap zich bij de ingang van de ontmoetingstent verzameld had, </VERS>
      <VERS vnumber="5">zei Mozes tegen hen: 'Wat er nu gedaan wordt, gebeurt in opdracht van de HEER.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">Mozes liet Aäron en zijn zonen bij zich komen en waste hen met water. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Daarna trok hij Aäron de tuniek aan, bond hem de gordel om en trok hem het bovenkleed aan. Hij bond hem de priesterschort om, maakte die vast met de bijbehorende band </VERS>
      <VERS vnumber="8">en deed hem de borsttas voor, waarin hij de twee orakelstenen legde. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Hij deed hem de tulband om en plaatste aan de voorkant daarvan de gouden rozet, de heilige diadeem, zoals de HEER hem had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Toen nam Mozes de zalfolie en zalfde daarmee de tabernakel en alles wat zich erin bevond, en heiligde dat. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Hij besprenkelde het altaar zevenmaal met de olie en zalfde ook alles wat bij het altaar hoorde, evenals het wasbekken en het onderstel. Zo heiligde hij alles. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Hij goot een deel van de olie over het hoofd van Aäron en zo, door hem te zalven, heiligde hij hem. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Daarna liet Mozes de zonen van Aäron bij zich komen. Hij trok hun een tuniek aan, deed hun een gordel om en bond hun een hoofddoek om, zoals de HEER hem had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Toen liet hij de stier voor het reinigingsoffer bij zich brengen. Aäron en zijn zonen legden hun hand op de kop van de stier. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Mozes slachtte het dier en streek met zijn vinger wat bloed aan de horens van het altaar. Zo reinigde hij het altaar van zonde. De rest van het bloed goot hij uit aan de voet van het altaar, dat hij door deze verzoeningsrite heiligde. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Hij nam al het vet rond de ingewanden, de kleinste lob van de lever en de beide nieren met het niervet, en verbrandde alles op het altaar. </VERS>
      <VERS vnumber="17">De huid en het vlees van de stier en de inhoud van de ingewanden liet hij buiten het kamp verbranden, zoals de HEER hem had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Toen liet hij de ram voor het brandoffer bij zich brengen. Aäron en zijn zonen legden hun hand op de kop van de ram. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Mozes slachtte het dier en goot het bloed tegen de zijkanten van het altaar. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Hij sneed de ram in stukken en verbrandde de kop, de stukken vlees en het vet. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Hij waste de ingewanden en de poten met water en verbrandde ze met de rest van de ram op het altaar. Zo was het een brandoffer, een geurige gave voor de HEER, zoals de HEER hem had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Hierna liet hij de tweede ram bij zich brengen, de ram voor het wijdingsoffer. Aäron en zijn zonen legden hun hand op de kop van de ram. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Mozes slachtte het dier en streek wat bloed aan de rechteroorlel van Aäron, op zijn rechterduim en op de grote teen van zijn rechtervoet. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Hij liet de zonen van Aäron bij zich komen en streek wat bloed aan hun rechteroorlel, op hun rechterduim en op de grote teen van hun rechtervoet. De rest van het bloed goot hij tegen de zijkanten van het altaar. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Daarna nam hij de vette delen van het offerdier: de staart, al het vet rond de ingewanden, de kleinste lob van de lever en de beide nieren met het niervet, en ook de rechterachterbout. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Uit de mand met ongedesemd brood die de HEER gebracht was, pakte hij een met olijfolie bereid dik brood en een dun brood, die hij op de vette delen van het offerdier en de rechterachterbout legde. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Dat alles legde hij op de handpalmen van Aäron en zijn zonen om het ten overstaan van de HEER omhoog te heffen. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Daarna nam hij het offer van hun handen en verbrandde het op het altaar, boven op het brandoffer. Zo was het een wijdingsoffer, een geurige gave voor de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Mozes nam het borststuk van de ram en hief het ten overstaan van de HEER omhoog. Dit deel van het wijdingsoffer was voor Mozes bestemd, zoals de HEER hem had gezegd. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Mozes besprenkelde Aäron en diens kleren met wat zalfolie en bloed van het altaar. Ook de zonen van Aäron en hun kleren besprenkelde hij ermee. Zo heiligde hij Aäron en zijn zonen, evenals hun kleren. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Toen zei Mozes tegen Aäron en zijn zonen: 'Kook het vlees binnen de omheining van de ontmoetingstent en eet het daar, samen met het brood in de mand van het wijdingsoffer. Want zo is het mij bevolen: Aäron en zijn zonen mogen ervan eten. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Wat er van het vlees en het brood overblijft, moeten jullie verbranden. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Zeven dagen moeten jullie binnen de omheining van de ontmoetingstent blijven, tot de tijd van jullie wijding voorbij is. Zeven dagen zal jullie wijding duren. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Op bevel van de HEER moet wat vandaag is gedaan ook de komende dagen gedaan worden, om verzoening voor jullie te bewerken. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Jullie moeten zeven dagen en nachten binnen de omheining van de ontmoetingstent blijven en doen wat de HEER jullie heeft opgedragen, anders sterven jullie. Zo is het mij bevolen.' </VERS>
      <VERS vnumber="36">Aäron en zijn zonen deden alles wat de HEER hun bij monde van Mozes had opgedragen. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="9">
      <VERS vnumber="1">Op de achtste dag riep Mozes Aäron en zijn zonen bij zich, en ook de oudsten van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Hij zei tegen Aäron: 'Haal een jonge stier voor het reinigingsoffer en een jonge ram voor het brandoffer, dieren zonder enig gebrek, en breng ze naar de ontmoetingstent. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Zeg tegen de Israëlieten: "Haal een bok voor het reinigingsoffer, en voor het brandoffer een eenjarige stier en een eenjarige ram zonder enig gebrek. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Haal een stier en een ram om ze als vredeoffer aan de HEER aan te bieden, en ook een met olijfolie bereid graanoffer. Want vandaag verschijnt de HEER aan u."' </VERS>
      <VERS vnumber="5">Ze deden wat Mozes bevolen had en brachten de offers naar de ontmoetingstent. Daarna stelde de hele gemeenschap zich voor de HEER op. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Mozes zei: 'Dit is wat de HEER u opgedragen heeft om te doen opdat zijn majesteit aan u zal verschijnen.' </VERS>
      <VERS vnumber="7">Tegen Aäron zei Mozes: 'Neem je plaats bij het altaar in en draag het reinigingsoffer en het brandoffer op om voor jezelf en het volk verzoening te bewerken. Draag daarna de offers van het volk op om voor hen verzoening te bewerken, zoals de HEER bevolen heeft.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">Aäron ging naar het altaar en slachtte de jonge stier die bestemd was voor zijn eigen reinigingsoffer. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Zijn zonen reikten hem het bloed aan. Hij doopte zijn vinger in het bloed en streek het aan de horens van het altaar. De rest van het bloed goot hij aan de voet van het altaar uit. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Het vet, de nieren en de kleinste lob van de lever, afkomstig van het reinigingsoffer, verbrandde hij op het altaar, zoals de HEER Mozes had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Het vlees en de huid liet hij buiten het kamp verbranden. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Daarna slachtte hij de ram voor het brandoffer. Zijn zonen reikten hem het bloed aan, en hij goot het tegen de zijkanten van het altaar. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Ze reikten hem ook de stukken vlees en de kop van het offerdier aan, en hij verbrandde ze op het altaar. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Hij waste de ingewanden en de poten en verbrandde die samen met de rest van het offerdier. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Daarna liet Aäron de offers van het volk bij zich brengen. Hij slachtte de bok die voor het reinigingsoffer van het volk bestemd was en droeg het op dezelfde wijze op als zijn eigen reinigingsoffer. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Hij liet de dieren voor het brandoffer bij zich brengen en offerde ze volgens de voorschriften. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Hij liet het graanoffer bij zich brengen en verbrandde er een handvol van op het altaar. Dit offer kwam niet in mindering op het ochtendbrandoffer. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Tot slot slachtte hij de stier en de ram die bedoeld waren als vredeoffer van het volk. Zijn zonen reikten hem het bloed aan, en hij goot het tegen de zijkanten van het altaar. </VERS>
      <VERS vnumber="19">De vette delen van de stier en de ram, namelijk de staart en al het vet van de buikholte, de nieren en de kleinste lob van de lever, </VERS>
      <VERS vnumber="20">legden ze bij de borststukken, en Aäron verbrandde het vet op het altaar. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Het borststuk en de rechterachterbout van de dieren hief hij ten overstaan van de HEER omhoog, zoals Mozes bevolen had. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Daarna strekte hij zijn handen naar het volk uit en zegende het. Nadat Aäron de offers had opgedragen, daalde hij af van het altaar </VERS>
      <VERS vnumber="23">en ging hij samen met Mozes de ontmoetingstent binnen. Toen ze weer buitenkwamen, zegenden ze het volk. Daarop verscheen de majesteit van de HEER aan het verzamelde volk. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Een felle vlam kwam uit het heiligdom en verteerde het brandoffer en het vet op het altaar. Toen het volk dat zag, begon het te jubelen, en iedereen wierp zich ter aarde. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="10">
      <VERS vnumber="1">Aärons zonen Nadab en Abihu deden gloeiende kolen in hun vuurbak en legden er reukwerk op. Maar het was verkeerd vuur dat ze de HEER wilden aanbieden, vuur dat niet voldeed aan de voorschriften van de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Een felle vlam kwam uit het heiligdom en verteerde hen, zodat ze daar, in de nabijheid van de HEER, stierven. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Mozes zei tegen Aäron: 'Dit bedoelde de HEER toen hij zei: "Door degenen die in mijn nabijheid verkeren, toon ik mijn heiligheid. Het hele volk maak ik getuige van mijn majesteit."' Aäron zweeg. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Mozes riep Misaël en Elsafan bij zich, de zonen van Aärons oom Uzziël. Hij zei tegen hen: 'Kom hier en draag jullie broeders bij het heiligdom vandaan en breng hen buiten het kamp.' </VERS>
      <VERS vnumber="5">Ze droegen hen, nog gekleed in hun tuniek, het kamp uit, zoals Mozes hun had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Mozes zei tegen Aäron en zijn zonen Eleazar en Itamar: 'Jullie mogen je haar niet los laten hangen en je kleren niet scheuren, anders sterven jullie en ontsteekt de HEER in woede tegen de hele gemeenschap. Maar jullie broeders, de overige Israëlieten, mogen wel weeklagen over het vuur dat de HEER ontstoken heeft. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Omdat jullie zijn gezalfd met de olie van de HEER, mogen jullie niet buiten de omheining van de ontmoetingstent komen, anders sterven jullie.' Ze hielden zich aan wat Mozes hun had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Toen zei de HEER tegen Aäron: </VERS>
      <VERS vnumber="9">'Jij en je zonen mogen geen wijn of andere drank drinken voor je naar de ontmoetingstent komt, anders sterven jullie. Deze bepaling blijft voor jullie en je nakomelingen voor altijd van kracht. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Jullie moeten onderscheid kunnen maken tussen wat heilig is en wat niet, tussen wat rein is en wat onrein, </VERS>
      <VERS vnumber="11">en de Israëlieten uitleg geven over alle bepalingen die de HEER bij monde van Mozes aan hen bekendgemaakt heeft.' </VERS>
      <VERS vnumber="12">Mozes zei tegen Aäron en zijn overgebleven zonen, Eleazar en Itamar: 'Neem wat er over is van het graanoffer dat aan de HEER is aangeboden, en eet het in de vorm van ongedesemd brood, naast het altaar, want het is allerheiligst. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Jullie moeten het eten op een heilige plaats; het is voor jou en je zonen bestemd als jullie aandeel in de offergaven voor de HEER. Zo is het mij opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Maar het borststuk en de rechterachterbout mogen jij en je zonen en dochters op elke reine plaats eten; ze zijn voor jou en je zonen bestemd als jullie aandeel in de vredeoffers van de Israëlieten. </VERS>
      <VERS vnumber="15">De Israëlieten moeten behalve de vette delen ook de rechterachterbout en het borststuk naar de HEER brengen en die moeten ten overstaan van de HEER omhooggeheven worden; ze zijn voor altijd voor jou en je zonen bestemd. Zo heeft de HEER het ons opgedragen.' </VERS>
      <VERS vnumber="16">Toen ging Mozes overal navraag doen naar de bok die als reinigingsoffer was aangeboden, maar die bleek te zijn verbrand. Boos vroeg Mozes aan Eleazar en Itamar, de overgebleven zonen van Aäron: </VERS>
      <VERS vnumber="17">'Waarom hebben jullie het vlees van het reinigingsoffer niet opgegeten, op een heilige plaats? Het is allerheiligst en de HEER heeft het aan jullie gegeven om de schuld van het volk weg te nemen en voor hen verzoening te bewerken. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Het bloed van het offerdier was niet het heiligdom binnengebracht, dus hadden jullie het vlees in het heiligdom moeten eten, zoals ik bevolen had.' </VERS>
      <VERS vnumber="19">Aäron zei tegen Mozes: 'Mijn zonen hebben vandaag hun reinigingsoffer en hun brandoffer aangeboden aan de HEER, maar je weet wat mij vandaag overkomen is. Als ik vandaag van het vlees van het reinigingsoffer gegeten zou hebben, zou dat dan goed zijn geweest in de ogen van de HEER?' </VERS>
      <VERS vnumber="20">Toen Mozes dit hoorde, vond hij het goed. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="11">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes en Aäron: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Zeg tegen de Israëlieten: "Dit zijn de dieren die jullie mogen eten: Van alles wat op het land leeft, mogen jullie de dieren eten </VERS>
      <VERS vnumber="3">die gespleten hoeven hebben-dus hoeven die helemaal gedeeld zijn-en bovendien hun voedsel herkauwen. Die mag je eten. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Maar dieren die alleen herkauwen of alleen gespleten hoeven hebben, mag je niet eten. Kamelen zijn herkauwers maar hebben geen gespleten hoeven en gelden daarom voor jullie als onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Klipdassen zijn herkauwers maar hebben geen gespleten hoeven en gelden daarom voor jullie als onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Hazen zijn herkauwers maar hebben geen gespleten hoeven en gelden daarom voor jullie als onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Zwijnen hebben wel volledig gespleten hoeven maar herkauwen niet en gelden daarom voor jullie als onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Eet geen vlees dat van zulke dieren afkomstig is en raak hun kadavers niet aan. Ze gelden voor jullie als onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Alles wat in het water leeft, in de zee of in de rivieren, en vinnen en schubben heeft, mag je eten. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Maar alle kleine en grote waterdieren zonder vinnen of schubben gelden voor jullie als oneetbaar. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Je mag er niet van eten; ook hun kadavers moet je als weerzinwekkend beschouwen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Alle waterdieren zonder vinnen en schubben gelden voor jullie als oneetbaar. </VERS>
      <VERS vnumber="13">De volgende vogelsoorten gelden voor jullie als oneetbaar; je mag er niet van eten en moet ze als weerzinwekkend beschouwen: de vale gier, de lammergier, de zwarte gier, </VERS>
      <VERS vnumber="14">de rode wouw en de verschillende soorten buizerds, </VERS>
      <VERS vnumber="15">alle soorten kraaien en raven, </VERS>
      <VERS vnumber="16">de struisvogel, de velduil, de bosuil, alle soorten valken, </VERS>
      <VERS vnumber="17">de steenuil, de visuil, de ransuil, </VERS>
      <VERS vnumber="18">de katuil, de dwergooruil, de visarend, </VERS>
      <VERS vnumber="19">de ooievaar, de verschillende soorten reigers, de hop en de vleermuis. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Ook gevleugelde insecten gelden voor jullie als oneetbaar. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Van deze dieren mag je alleen die eten die ook een stel springpoten hebben. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Dat zijn de verschillende soorten veldsprinkhanen, sabelsprinkhanen, krekels en dwergsprinkhanen. Die mag je wel eten. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Alle andere gevleugelde insecten gelden voor jullie als oneetbaar. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Wie een kadaver van een onrein dier aanraakt, is tot de avond onrein, </VERS>
      <VERS vnumber="25">en wie iets van zo'n kadaver meeneemt, moet zijn kleren wassen en is tot de avond onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Dit geldt voor alle dieren die geen volledig gespleten hoeven hebben en alle dieren die niet herkauwen; deze dieren gelden voor jullie als onrein. Wie het kadaver van zo'n dier aanraakt, wordt zelf ook onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Ook alle zoolgangers onder de viervoetige dieren gelden voor jullie als onrein. Wie het kadaver van zo'n dier aanraakt, is tot de avond onrein, </VERS>
      <VERS vnumber="28">en wie zo'n kadaver meeneemt, moet zijn kleren wassen en blijft tot de avond onrein. Zulke dieren gelden voor jullie als onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Van de kruipende dieren gelden de volgende voor jullie als onrein: blindmuizen, ratten en muizen, de verschillende soorten padden, </VERS>
      <VERS vnumber="30">gekko's, varanen, hagedissen, skinken en kameleons. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Deze kruipende dieren gelden voor jullie als onrein. Wie het kadaver ervan aanraakt, is tot de avond onrein, </VERS>
      <VERS vnumber="32">en alles waarop het kadaver van zo'n dier wordt aangetroffen, is ook onrein. Houten, stoffen, leren of geitenharen gebruiksvoorwerpen die hierdoor onrein zijn geworden, moeten in water worden ondergedompeld. Ze blijven tot de avond onrein en daarna zijn ze weer rein. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Wanneer zo'n kadaver in een aarden kruik wordt aangetroffen, is de inhoud onrein; de kruik moet worden stukgeslagen. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Voedsel in een vat waarop zo'n kadaver is aangetroffen, is onrein wanneer het met water in aanraking is geweest; drank in zo'n vat is in alle gevallen onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Ook al het overige waarop het kadaver van een onrein dier wordt aangetroffen, is onrein. Ovens en kookstellen die met zo'n kadaver in aanraking zijn geweest, zijn en blijven onrein en moeten worden stukgeslagen. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Een bron of een waterput echter blijft rein als er een kadaver van een onrein dier in aangetroffen wordt, maar ieder die dat kadaver aanraakt, is onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Als zo'n kadaver op zaaigoed gevonden wordt, blijft het zaad rein, </VERS>
      <VERS vnumber="38">maar als het wordt gevonden op zaad dat in water staat, geldt dat zaad voor jullie als onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="39">Als een dier dat gegeten mag worden dood gevonden wordt en iemand raakt het kadaver aan, is hij tot de avond onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="40">Wie van het kadaver eet, moet zijn kleren wassen en blijft tot de avond onrein, en ook wie het kadaver meeneemt, moet zijn kleren wassen en blijft tot de avond onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="41">Alle dieren die op de grond rondkruipen gelden voor jullie als oneetbaar; je mag er niet van eten. </VERS>
      <VERS vnumber="42">Of ze nu op hun buik kruipen, op vier poten lopen of veelpotig zijn, je moet ze als weerzinwekkend beschouwen en mag ze niet eten. </VERS>
      <VERS vnumber="43">Jullie mogen je keel niet verontreinigen met deze kruipende dieren, je mag je niet met zulke dieren verontreinigen en zodoende onrein worden. </VERS>
      <VERS vnumber="44">Ik ben de HEER, jullie God. Jullie moeten heilig zijn. Wees heilig, want ik ben heilig. Verontreinig je keel niet met dieren die op de grond rondkruipen. </VERS>
      <VERS vnumber="45">Ik ben de HEER, die jullie uit Egypte heeft geleid om jullie God te zijn. Wees heilig, want ik ben heilig."' </VERS>
      <VERS vnumber="46">Tot zover de voorschriften omtrent de dieren die op het land leven, de vogels, alle levende wezens in het water en alle dieren die over de grond kruipen. </VERS>
      <VERS vnumber="47">Er moet onderscheid worden gemaakt tussen wat rein is en wat onrein en tussen dieren die wel en dieren die niet gegeten mogen worden. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="12">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Zeg tegen de Israëlieten: "Wanneer een vrouw een kind baart en het is een jongen, blijft ze zeven dagen onrein; ze is dan op dezelfde manier onrein als tijdens haar menstruatie. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Op de achtste dag moet het kind besneden worden. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Daarna duurt het nog drieëndertig dagen voor ze rein is na haar bloeding bij de bevalling; tijdens deze periode mag ze niets aanraken dat heilig is en de HEER toebehoort, en mag ze het heiligdom niet binnengaan. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Wanneer ze een dochter baart, blijft ze veertien dagen onrein; ze is dan op dezelfde manier onrein als tijdens haar menstruatie. Daarna duurt het nog zesenzestig dagen voor ze rein is na haar bloeding bij de bevalling. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Wanneer de periode van haar reiniging is verstreken, moet ze-of ze nu van een zoon of van een dochter bevallen is-een eenjarige ram als brandoffer aanbieden en een jonge gewone duif of een tortelduif als reinigingsoffer. Ze moet de offerdieren naar de priester brengen, bij de ingang van de ontmoetingstent. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Hij biedt de offers aan de HEER aan en voltrekt voor haar de verzoeningsrite. Dan is ze, na haar bloedverlies, weer rein. Dit zijn de voorschriften omtrent de kraamvrouw, hetzij na de geboorte van een zoon, hetzij na de geboorte van een dochter. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Als ze zich geen ram kan veroorloven, moet ze twee tortelduiven meebrengen of twee jonge gewone duiven, ‚‚n als brandoffer en ‚‚n als reinigingsoffer. De priester voltrekt voor haar de verzoeningsrite en zij is weer rein."' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="13">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes en Aäron: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Als iemand een zwelling, uitslag of een lichte plek op zijn huid heeft die aan huidvraat doet denken, moet hij naar de priester worden gebracht, naar Aäron of een van diens nakomelingen, </VERS>
      <VERS vnumber="3">die de aandoening moet bekijken. Als de priester vaststelt dat het haar op de aangetaste plek wit geworden is en de plek diep in de huid ligt, is het huidvraat en moet de priester de persoon in kwestie onrein verklaren. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Als de huid een lichte, witte plek vertoont die niet diep in de huid ligt en het haar niet wit geworden is, moet de priester de betreffende persoon zeven dagen afzonderen. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Op de zevende dag onderzoekt de priester hem opnieuw. Als blijkt dat de plek zich niet heeft uitgebreid en de huid niet verder is aangetast, moet hij hem opnieuw zeven dagen afzonderen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Zeven dagen later onderzoekt de priester hem nogmaals, en als de plek dof geworden is en zich niet heeft uitgebreid, moet hij hem rein verklaren. Het is dan gewone uitslag. De persoon in kwestie moet zijn kleren wassen en is dan weer rein. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Maar als hij na onderzoek door de priester rein verklaard is en de plek zich later toch uitbreidt, moet hij zich opnieuw aan de priester laten zien. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Als de priester vaststelt dat de plek zich inderdaad heeft uitgebreid, moet hij hem onrein verklaren. Dan is het huidvraat. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Wanneer iemand dus aan een aandoening lijdt die aan huidvraat doet denken, moet hij naar de priester worden gebracht. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Als de priester een witte zwelling op de huid ziet, met wit haar erop, en er een rauwe plek ontstaan is, </VERS>
      <VERS vnumber="11">is het huidvraat in een vergevorderd stadium en moet de priester hem onrein verklaren. Hij hoeft hem niet af te zonderen, want hij is onmiskenbaar onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="12">(12-13) Wanneer het ernaar uitziet dat de aandoening zich over het hele lichaam heeft uitgebreid, moet de priester de betreffende persoon nader onderzoeken. Als hij vaststelt dat de aandoening het lichaam inderdaad van hoofd tot voeten heeft aangetast, moet hij hem rein verklaren. Aangezien hij helemaal wit is geworden, is hij rein. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Maar zodra er rauwe plekken bij hem te zien zijn, is hij onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Als de priester een rauwe plek ziet, moet hij hem onrein verklaren. De rauwe plek is onrein, het is een teken van huidvraat. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Maar als de rauwe plek weer wit wordt, moet hij naar de priester teruggaan. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Als de priester vaststelt dat de huid wit geworden is, moet hij hem rein verklaren; hij is dan rein. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Als er een zweer op iemands huid verschijnt die weer geneest, </VERS>
      <VERS vnumber="19">maar er op de plaats van de zweer een witte of bleekrode zwelling of vlek ontstaat, moet die persoon zich door de priester laten onderzoeken. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Als de priester vaststelt dat de plek diep in de huid ligt en het haar erop wit geworden is, moet hij hem onrein verklaren. Er is dan op de plek van de zweer huidvraat ontstaan. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Maar als de priester bij het bekijken van de plek vaststelt dat het haar niet wit is, de plek niet diep in de huid ligt en dof is, moet hij hem zeven dagen afzonderen. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Als de vlek zich in die tijd heeft uitgebreid, moet de priester hem onrein verklaren. Dan is het huidvraat. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Maar als de lichte plek zich niet heeft uitgebreid en de huid niet verder heeft aangetast, is het een litteken van de zweer en moet de priester hem rein verklaren. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Als iemand een brandwond heeft opgelopen en de gewonde plek wordt bleekrood of wit, </VERS>
      <VERS vnumber="25">moet de priester ernaar kijken. Als hij vaststelt dat het haar op de plek wit geworden is en dat de plek diep in de huid ligt, is er huidvraat ontstaan op de plaats van de brandwond en moet hij die persoon onrein verklaren. Dan is het huidvraat. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Als de priester vaststelt dat het haar op de lichte plek niet wit is, de plek niet diep in de huid ligt en dof is, moet hij hem zeven dagen afzonderen. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Op de zevende dag onderzoekt de priester hem opnieuw. Als de plek zich in die tijd heeft uitgebreid, moet de priester hem onrein verklaren. Dan is het huidvraat. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Maar als de lichte plek zich niet heeft uitgebreid en de huid niet verder heeft aangetast en dof gebleven is, is het gewoon een zwelling als gevolg van de brandwond en moet de priester hem rein verklaren. De plek is dan het litteken van de brandwond. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Als iemand een aandoening onder zijn of haar hoofdhaar heeft, of een aandoening onder zijn baard, </VERS>
      <VERS vnumber="30">moet de priester ernaar kijken. Als hij vaststelt dat de aandoening diep in de huid ligt en het haar op de aangetaste plek geel en dun is, moet hij de betreffende persoon onrein verklaren. Het is dan een ziekelijke uitslag, huidvraat aan hoofd of kin. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Als de priester echter vaststelt dat de plek niet diep in de huid ligt maar er toch geen donker haar op groeit, moet hij hem zeven dagen afzonderen. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Op de zevende dag onderzoekt de priester hem opnieuw. Als blijkt dat de uitslag zich in die tijd niet heeft uitgebreid, het haar op de aangetaste plek niet geel geworden is en de plek niet diep in de huid ligt, </VERS>
      <VERS vnumber="33">moet de persoon in kwestie al het haar rond de aangetaste plek afscheren. De priester zondert hem daarna opnieuw zeven dagen af. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Op de zevende dag bekijkt de priester de plek opnieuw, en als de uitslag zich niet heeft uitgebreid en niet diep in de huid ligt, moet hij de betreffende persoon rein verklaren. Die moet zijn kleren wassen en is dan weer rein. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Maar als de huiduitslag zich uitbreidt nadat hij rein is verklaard, </VERS>
      <VERS vnumber="36">moet de priester hem opnieuw onderzoeken. Als blijkt dat de ziekelijke uitslag zich inderdaad heeft uitgebreid, hoeft hij niet te zoeken naar geel haar; de persoon in kwestie is dan onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Wanneer de priester later vaststelt dat de uitslag zich niet verder heeft uitgebreid en dat er donker haar op de plek groeit, is de kwaal werkelijk genezen. De betreffende persoon is dan rein en de priester moet hem rein verklaren. </VERS>
      <VERS vnumber="38">Als een man of een vrouw lichte, witte vlekken op de huid heeft, </VERS>
      <VERS vnumber="39">moet de priester ernaar kijken. Als hij vaststelt dat de lichte witte plekken op de huid dof zijn, is het onschuldige uitslag die de huid heeft aangetast en is die man of vrouw rein. </VERS>
      <VERS vnumber="40">Als bij een man het haar op de kruin uitvalt, is dat gewoon kaalheid en is hij rein. </VERS>
      <VERS vnumber="41">Ook als zijn haar aan zijn voorhoofd uitvalt, is dat gewoon kaalheid en is hij rein. </VERS>
      <VERS vnumber="42">Maar als er een bleekrode plek op zijn kale kruin of voorhoofd verschijnt, zou de kale plek aangetast kunnen zijn door huidvraat </VERS>
      <VERS vnumber="43">en moet de priester ernaar kijken. Als hij vaststelt dat de bleekrode aandoening op het kale hoofd eruitziet zoals huidvraat op de onbehaarde huid, </VERS>
      <VERS vnumber="44">is de man door huidvraat aangetast en is hij onrein. De priester moet hem onrein verklaren; hij heeft dan huidvraat aan zijn hoofd. </VERS>
      <VERS vnumber="45">Wie door huidvraat aangetast is, moet zijn kleren scheuren, zijn haar los laten hangen, baard en snor bedekken en "Onrein, onrein!" roepen. </VERS>
      <VERS vnumber="46">Zo iemand blijft onrein zolang de aandoening duurt. Als onreine moet hij apart wonen en buiten het kamp verblijven. </VERS>
      <VERS vnumber="47">Als er plekken op wollen of linnen stof verschijnen, </VERS>
      <VERS vnumber="48">of op ketting- of inslaggaren van linnen of wol, of op leer of op iets dat van leer gemaakt is, </VERS>
      <VERS vnumber="49">en die plekken op de stof, het leer of het garen of het leren voorwerp zijn groen- of roodachtig, zou het desbetreffende voorwerp aangetast kunnen zijn door vraat en moet het aan de priester worden getoond. </VERS>
      <VERS vnumber="50">De priester moet ernaar kijken en het aangetaste voorwerp zeven dagen apart houden. </VERS>
      <VERS vnumber="51">Op de zevende dag onderzoekt hij het voorwerp opnieuw. Als hij vaststelt dat de plek op de stof, het garen of op het leren voorwerp zich in die tijd heeft uitgebreid, is het vraat. Het voorwerp is dan onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="52">In dat geval moet hij de stof, het linnen of wollen garen of het aangetaste leren voorwerp verbranden. Aangezien het vraat betreft, moet het voorwerp in het vuur worden verbrand. </VERS>
      <VERS vnumber="53">Maar als de priester ziet dat de plek op de stof, het garen of het leren voorwerp zich niet heeft uitgebreid, </VERS>
      <VERS vnumber="54">moet hij het aangetaste voorwerp laten wassen en het opnieuw zeven dagen apart houden. </VERS>
      <VERS vnumber="55">Daarna moet hij het voorwerp opnieuw onderzoeken. Als blijkt dat de aangetaste plek zich weliswaar niet heeft uitgebreid, maar evenmin van kleur veranderd is, is het voorwerp toch onrein. Het moet worden verbrand, want het materiaal is volledig bedorven. </VERS>
      <VERS vnumber="56">Maar als de priester ziet dat de plek na het wassen dof geworden is, moet hij de plek uit de stof, het leer of het garen scheuren. </VERS>
      <VERS vnumber="57">Als er daarna toch weer plekken op de stof, het garen of het leren voorwerp verschijnen, gaat het om een voortwoekerende aandoening en moet het aangetaste voorwerp worden verbrand. </VERS>
      <VERS vnumber="58">Als de stof, het garen of het leren voorwerp na het wassen geen aangetaste plek meer vertoont, moet het nogmaals worden gewassen en dan is het rein.' </VERS>
      <VERS vnumber="59">Dit zijn de voorschriften die bepalen wanneer door vraat aangetaste wollen of linnen stoffen, ketting- of inslaggarens en leren voorwerpen rein of onrein moeten worden verklaard. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="14">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Dit zijn de voorschriften die van toepassing zijn wanneer iemand die door huidvraat getroffen is, weer rein kan worden verklaard. Zo iemand moet naar de priester worden gebracht, </VERS>
      <VERS vnumber="3">en de priester moet buiten het kamp onderzoeken of hij van zijn huidvraat genezen is. Als dat zo is, </VERS>
      <VERS vnumber="4">moet de priester opdracht geven om voor degene aan wie de reiniging moet worden voltrokken twee levende, reine vogels te halen, en cederhout, karmozijn en majoraan. </VERS>
      <VERS vnumber="5">De ene vogel laat hij slachten boven een met bronwater gevulde aarden schaal. </VERS>
      <VERS vnumber="6">De andere, levende vogel moet hij, net als het cederhout, het karmozijn en de majoraan, in het bloed van de boven het bronwater geslachte vogel dopen, </VERS>
      <VERS vnumber="7">en met dat bloed moet hij degene die na zijn huidvraat moet worden gereinigd zevenmaal besprenkelen. Daarna verklaart hij hem rein. De levende vogel moet hij vrijlaten in het open veld. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Degene aan wie de reiniging wordt voltrokken, moet zijn kleren wassen, al zijn haar afscheren en zich met water wassen. Dan is hij weer rein. Daarna mag hij in het kamp terugkeren, maar hij moet zeven dagen buiten zijn tent blijven. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Op de zevende dag moet hij opnieuw al zijn haar afscheren, zijn hoofdhaar, zijn baard en zijn wenkbrauwen. Al zijn haar moet hij afscheren en zijn kleren en zijn lichaam moet hij met water wassen; dan is hij weer rein. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Op de achtste dag moet hij twee jonge rammen zonder enig gebrek en een eenjarige ooi zonder enig gebrek meenemen, en als graanoffer drie tiende efa tarwebloem vermengd met olijfolie, en een maat olijfolie. </VERS>
      <VERS vnumber="11">De priester die de reiniging voltrekt, moet hem met zijn offergaven naar de ingang van de ontmoetingstent brengen en hem daar, ten overstaan van de HEER, laten plaatsnemen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">De priester neemt een van de jonge rammen en biedt die samen met de olie als hersteloffer aan de HEER aan, na het offer ten overstaan van de HEER omhoog te hebben geheven. </VERS>
      <VERS vnumber="13">De ram moet worden geslacht op de plaats in het heiligdom waar de dieren voor het reinigingsoffer en het brandoffer geslacht worden, want net als het reinigingsoffer is het hersteloffer bestemd voor de priester; het is allerheiligst. </VERS>
      <VERS vnumber="14">De priester strijkt wat van het bloed van het offerdier aan de rechteroorlel van degene aan wie de reiniging wordt voltrokken. Hij strijkt ook wat bloed op de duim van zijn rechterhand en op de grote teen van zijn rechtervoet. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Daarna giet de priester een klein deel van de olie in zijn linkerhandpalm, </VERS>
      <VERS vnumber="16">doopt zijn rechterwijsvinger in de olie en sprenkelt met zijn vinger zevenmaal wat olie in de richting van de ontmoetingstent. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Vervolgens strijkt hij wat van de olie die hij in zijn handpalm heeft uitgegoten aan de rechteroorlel van de persoon in kwestie, op de duim van zijn rechterhand en op de grote teen van zijn rechtervoet, over het bloed van het hersteloffer heen. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Wat er nog aan olie in zijn hand over is, strijkt hij op diens hoofd. Zo voltrekt de priester voor hem ten overstaan van de HEER de verzoeningsrite. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Vervolgens brengt de priester het reinigingsoffer en voltrekt zo voor degene die van zijn onreinheid moet worden gereinigd de verzoeningsrite. Daarna wordt het dier voor het brandoffer geslacht. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Tot slot verbrandt de priester het graanoffer en het brandoffer op het altaar. Zo voltrekt de priester voor hem de verzoeningsrite en wordt hij weer rein. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Als de persoon in kwestie arm is en zich dit alles niet kan veroorloven, moet hij ‚‚n jonge ram meenemen, die voor het voltrekken van de verzoeningsrite als hersteloffer omhoog moet worden geheven, een tiende efa tarwebloem vermengd met olijfolie als graanoffer, een maat olijfolie </VERS>
      <VERS vnumber="22">en twee tortelduiven of twee jonge gewone duiven-al naargelang hij zich kan veroorloven-‚‚n als reinigingsoffer en ‚‚n als brandoffer. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Hij brengt alles op de achtste dag van zijn reiniging naar de priester, bij de ingang van de ontmoetingstent. Daar, ten overstaan van de HEER, </VERS>
      <VERS vnumber="24">moet de priester de ram en de olie nemen en die ten overstaan van de HEER omhoogheffen. </VERS>
      <VERS vnumber="25">De ram voor het hersteloffer wordt geslacht, en de priester neemt wat bloed van het offerdier en strijkt dat aan de rechteroorlel van degene aan wie de reiniging wordt voltrokken, op de duim van zijn rechterhand en op de grote teen van zijn rechtervoet. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Daarna giet de priester wat olie in zijn linkerhandpalm </VERS>
      <VERS vnumber="27">en sprenkelt met zijn rechterwijsvinger zevenmaal wat olie in de richting van de ontmoetingstent. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Een klein deel van de olie in zijn linkerhandpalm strijkt hij aan de rechteroorlel van de persoon in kwestie, op de duim van zijn rechterhand en op de grote teen van zijn rechtervoet, over het bloed van het hersteloffer heen. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Wat er nog aan olie in zijn hand over is, strijkt hij op diens hoofd. Zo voltrekt de priester voor hem ten overstaan van de HEER de verzoeningsrite. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Hij draagt een van de tortelduiven of een van de jonge gewone duiven-al naargelang de betreffende persoon zich heeft kunnen veroorloven- </VERS>
      <VERS vnumber="31">als reinigingsoffer op en de andere, samen met het graanoffer, als brandoffer. Zo voltrekt de priester voor hem de verzoeningsrite ten overstaan van de HEER.' </VERS>
      <VERS vnumber="32">Dit zijn de voorschriften die van toepassing zijn wanneer iemand die door huidvraat is getroffen, zich de normale offergaven voor zijn reiniging niet kan veroorloven. </VERS>
      <VERS vnumber="33">De HEER zei tegen Mozes en Aäron: </VERS>
      <VERS vnumber="34">'Wanneer jullie eenmaal in Kanaän zijn, het land dat ik jullie in bezit zal geven, en ik daar een huis door vraat laat aantasten, </VERS>
      <VERS vnumber="35">moet de eigenaar bij de priester melden dat zijn huis is aangetast. </VERS>
      <VERS vnumber="36">De priester moet het huis laten ontruimen voordat hij het verschijnsel komt onderzoeken; zo voorkomt hij dat alles wat zich in het huis bevindt onrein verklaard moet worden. Vervolgens komt de priester het aangetaste huis onderzoeken. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Als hij vaststelt dat er groen- of roodachtige putjes in de muren zijn ingevreten, </VERS>
      <VERS vnumber="38">gaat hij naar buiten en verbiedt voor zeven dagen de toegang tot het huis. </VERS>
      <VERS vnumber="39">Op de zevende dag komt hij terug om te zien of de muren van het huis verder zijn aangetast. Als dat zo is, </VERS>
      <VERS vnumber="40">moet hij de aangetaste stenen laten wegbreken en ze laten weggooien buiten de stad, op een onreine plaats. </VERS>
      <VERS vnumber="41">Vanbinnen moeten de muren van het huis worden afgekrabd en het afgekrabde pleisterwerk moet buiten de stad, op een onreine plaats, worden weggegooid. </VERS>
      <VERS vnumber="42">De uitgebroken stenen moeten door andere worden vervangen en het huis moet opnieuw worden bepleisterd. </VERS>
      <VERS vnumber="43">Als de stenen zijn uitgebroken en de muren zijn afgekrabd en opnieuw bepleisterd, en het huis later toch weer wordt aangetast, </VERS>
      <VERS vnumber="44">moet de priester opnieuw komen. Als hij vaststelt dat de aantasting zich heeft uitgebreid, is het vraat. Het huis is dan onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="45">Het moet worden afgebroken, en de stenen, het hout en al het pleisterwerk moeten buiten de stad worden gebracht, naar een onreine plaats. </VERS>
      <VERS vnumber="46">Wie het huis binnengaat gedurende de tijd dat het afgesloten is, is tot de avond onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="47">Wie in het huis slaapt of wie er eet, moet zijn kleren wassen. </VERS>
      <VERS vnumber="48">Als de priester, nadat het huis opnieuw bepleisterd is, bij zijn onderzoek vaststelt dat de aantasting zich niet heeft uitgebreid, moet hij het huis rein verklaren; de aantasting is dan onschuldig gebleken. </VERS>
      <VERS vnumber="49">Om het huis van zonde te reinigen, moet hij twee vogels laten brengen, en cederhout, karmozijn en majoraan. </VERS>
      <VERS vnumber="50">De ene vogel moet worden geslacht boven een met bronwater gevulde aarden schaal. </VERS>
      <VERS vnumber="51">Vervolgens moet hij het cederhout, de majoraan en het karmozijn en de andere, levende vogel in het bloed van de geslachte vogel en in het bronwater dopen en dat zevenmaal in de richting van het huis sprenkelen. </VERS>
      <VERS vnumber="52">Zo reinigt hij het huis van zonde, met het bloed van de vogel en het bronwater en met de levende vogel en het cederhout, de majoraan en het karmozijn. </VERS>
      <VERS vnumber="53">De levende vogel laat hij vrij in het open veld buiten de stad. Zo voltrekt hij aan het huis de verzoeningsrite en wordt het weer rein.' </VERS>
      <VERS vnumber="54">Tot zover de voorschriften in verband met de verschillende soorten vraat: de voorschriften in geval van ziekelijke uitslag aan hoofdhuid of kin, </VERS>
      <VERS vnumber="55">van vraat aan stoffen of huizen, </VERS>
      <VERS vnumber="56">en van zwellingen, huiduitslag en vlekken op de huid. </VERS>
      <VERS vnumber="57">Zo kan men nauwkeurig bepalen wat er gedaan moet worden wanneer iets of iemand onrein is of rein. Tot zover de voorschriften omtrent vraat. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="15">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes en Aäron: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Zeg tegen de Israëlieten: "Wanneer bij een man onrein vocht uit zijn lid vloeit, </VERS>
      <VERS vnumber="3">is hij onrein. Of er nu afscheiding uit zijn lid druipt of zijn lid door afscheiding verstopt raakt, hij is in beide gevallen onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Alles waar hij op ligt of zit, wordt onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Wie het bed van zo'n man aanraakt, moet zijn kleren en zichzelf met water wassen en blijft tot de avond onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Wie gaat zitten op iets waarop zo'n man gezeten heeft, moet zijn kleren en zichzelf met water wassen en blijft tot de avond onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Wie het lichaam van zo'n man aanraakt, moet zijn kleren en zichzelf met water wassen en blijft tot de avond onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Als zo'n man iemand die rein is bespuwt, moet deze zijn kleren en zichzelf met water wassen en blijft hij tot de avond onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Elk zadel waarop zo'n man rijdt, wordt onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Wie iets aanraakt waarop hij gezeten heeft, is tot de avond onrein; wie een dergelijk voorwerp optilt, moet zijn kleren en zichzelf met water wassen en blijft tot de avond onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Ieder die door zo'n man wordt aangeraakt zonder dat deze zijn handen met water heeft afgespoeld, moet zijn kleren en zichzelf wassen en blijft tot de avond onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Raakt zo'n man een voorwerp van aardewerk aan, dan moet het worden stukgeslagen; raakt hij een houten voorwerp aan, dan moet het met water worden schoongespoeld. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Wanneer de man van zijn kwaal genezen is, moet hij zeven dagen wachten voor hij gereinigd kan worden. Dan moet hij zijn kleren en zijn lichaam met bronwater wassen en is hij weer rein. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Op de achtste dag moet hij met twee tortelduiven of twee jonge gewone duiven naar de ingang van de ontmoetingstent gaan; daar, ten overstaan van de HEER, moet hij zijn offergaven aan de priester geven. </VERS>
      <VERS vnumber="15">De priester draagt de ene duif op als reinigingsoffer en de andere als brandoffer. Zo voltrekt hij voor de man in kwestie na zijn vloeiing de verzoeningsrite ten overstaan van de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Wanneer een man een zaadlozing heeft gehad, moet hij zijn kleren en zijn hele lichaam met water wassen en blijft hij tot de avond onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Alles van stof of leer waarop het zaad is terechtgekomen, moet met water worden gewassen en blijft tot de avond onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Wanneer een man en een vrouw gemeenschap hebben gehad en er bij de man een zaadlozing heeft plaatsgevonden, moeten beiden zich met water wassen en blijven ze tot de avond onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Wanneer bij een vrouw bloed uit haar schede vloeit, duurt de periode van haar onreinheid zeven dagen. Ieder die haar gedurende die periode aanraakt is tot de avond onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Alles waarop ze tijdens haar menstruatie ligt of zit, wordt onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="21">(21-22) Ieder die haar bed aanraakt, of iets waarop ze gezeten heeft, moet zijn kleren en zichzelf met water wassen en blijft tot de avond onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Wie iets aanraakt dat op haar bed ligt of op een voorwerp waarop ze heeft gezeten, is tot de avond onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Wanneer een man gemeenschap met haar heeft, zodat hij met haar bloed in aanraking komt, blijft hij zeven dagen onrein. Alles waarop hij ligt, wordt ook onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Wanneer een vrouw langer ongesteld is dan normaal, of bloed verliest terwijl ze niet ongesteld is, is ze onrein zolang ze bloed verliest, net zoals ze onrein is tijdens haar menstruatie. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Alles waar ze tijdens haar bloedverlies op ligt of zit, wordt onrein, net als tijdens haar menstruatie. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Wie zo'n voorwerp aanraakt, wordt onrein en moet zijn kleren en zichzelf met water wassen en blijft tot de avond onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Wanneer de vrouw van haar kwaal genezen is, moet ze zeven dagen wachten tot ze weer rein is. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Op de achtste dag moet ze twee tortelduiven of twee jonge gewone duiven naar de priester brengen, bij de ingang van de ontmoetingstent. </VERS>
      <VERS vnumber="30">De priester draagt de ene duif op als reinigingsoffer en de andere als brandoffer. Zo voltrekt hij voor de vrouw in kwestie na haar onreine vloeiing de verzoeningsrite ten overstaan van de HEER." </VERS>
      <VERS vnumber="31">Wijs de Israëlieten erop dat ze zich bewust moeten zijn van hun onreinheid, anders sterven ze wanneer ze in hun onreinheid mijn tabernakel, die in hun midden staat, verontreinigen.' </VERS>
      <VERS vnumber="32">(32-33) Tot zover de voorschriften omtrent mensen die vloeien uit hun geslachtsorganen: mannen die onrein zijn geworden door een zaadlozing, vrouwen die menstrueren, mannen die onrein vocht verliezen, vrouwen die aan bloedingen lijden, en mannen die gemeenschap hebben gehad met een vrouw die onrein was. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="16">
      <VERS vnumber="1">Na de dood van de twee zonen van Aäron die stierven toen ze in de nabijheid van de HEER kwamen, </VERS>
      <VERS vnumber="2">zei de HEER tegen Mozes: 'Zeg tegen je broer Aäron dat hij niet zomaar de heilige ruimte achter het voorhangsel mag binnengaan. Het zou zijn dood betekenen, want daar, boven de verzoeningsplaat die op de ark ligt, is de plaats waar ik in een wolk verschijn. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Dit moet Aäron bij zich hebben wanneer hij de heilige ruimte betreedt: een stier voor een reinigingsoffer en een ram voor een brandoffer. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Hij moet een heilige linnen tuniek aantrekken en een linnen broek dragen. Hij moet een linnen gordel om zijn middel binden en zijn hoofd met een linnen tulband bedekken. Dat is heilige kleding; voordat hij die aantrekt, moet hij zijn lichaam met water wassen. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Van de Israëlieten moet hij twee bokken voor een reinigingsoffer in ontvangst nemen en een ram voor een brandoffer. </VERS>
      <VERS vnumber="6">De stier biedt Aäron aan als reinigingsoffer namens zichzelf, om voor zichzelf en zijn familie verzoening te bewerken. </VERS>
      <VERS vnumber="7">De beide bokken moet hij naar de ingang van de ontmoetingstent brengen, en daar, ten overstaan van de HEER, </VERS>
      <VERS vnumber="8">moet hij door loting vaststellen welke bok bestemd is voor de HEER en welke voor Azazel. </VERS>
      <VERS vnumber="9">De bok die door het lot voor de HEER bestemd is, moet hij als reinigingsoffer opdragen; </VERS>
      <VERS vnumber="10">de bok die door het lot bestemd is voor Azazel moet levend voor de HEER blijven staan om verzoening mee te bewerken, en daarna de woestijn in worden gestuurd, naar Azazel. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Aäron moet de stier voor zijn eigen reinigingsoffer aan de HEER opdragen, om voor zichzelf en zijn familie verzoening te bewerken. Hij moet de stier slachten </VERS>
      <VERS vnumber="12">en een vuurbak vullen met gloeiende houtskool van het altaar dat bij de ingang van de ontmoetingstent staat. Hij moet twee handen fijngestampt geurig reukwerk nemen en dat alles naar de heilige ruimte achter het voorhangsel brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Daar moet hij het reukwerk ten overstaan van de HEER op het vuur leggen opdat de wolk van het reukwerk de verzoeningsplaat op de ark met de verbondstekst aan het oog onttrekt, anders sterft hij. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Hij moet met zijn vinger wat bloed van de stier op de verzoeningsplaat sprenkelen en zevenmaal wat bloed op de grond ervoor. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Daarna moet hij de bok voor het reinigingsoffer van het volk slachten, en het bloed naar de heilige ruimte achter het voorhangsel brengen. Met het bloed moet hij hetzelfde doen als met het bloed van de stier: hij moet het op de verzoeningsplaat en op de grond ervoor sprenkelen. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Zo voltrekt hij aan de heilige ruimte de verzoeningsrite voor de onreinheden en overtredingen van de Israëlieten, voor al hun zonden. Hetzelfde moet hij doen met het voorste deel van de ontmoetingstent, die in hun kamp staat, te midden van alle onreinheid van het volk. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Er mag niemand in de ontmoetingstent zijn, vanaf het moment dat hij die binnengaat om de verzoeningsrite te voltrekken tot het ogenblik waarop hij de tent verlaat. Nadat hij voor zichzelf en zijn familie en voor de hele gemeenschap van Israël de verzoeningsrite heeft voltrokken, </VERS>
      <VERS vnumber="18">moet hij naar buiten gaan, naar het altaar dat bij de ingang staat. Ook daaraan moet hij de verzoeningsrite voltrekken. Hij moet wat bloed van de stier en van de bok aan de horens van het altaar strijken, </VERS>
      <VERS vnumber="19">en vervolgens met zijn vinger het altaar zevenmaal met het bloed besprenkelen. Zo reinigt hij het van de onreinheid van de Israëlieten en heiligt hij het weer. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Nadat Aäron de verzoeningsrite heeft voltrokken aan de heilige ruimte, het voorste deel van de ontmoetingstent en het altaar, moet hij de andere, nog levende bok laten brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Hij legt dan zijn beide handen op de kop van de bok en spreekt alle wandaden en vergrijpen van de Israëlieten openlijk uit, alle zonden die ze hebben begaan. Zo legt hij alle zonden op de kop van de bok. Daarna moet hij het dier de woestijn in sturen, onder de hoede van iemand die daarvoor is aangewezen. </VERS>
      <VERS vnumber="22">De bok neemt alle zonden van het volk met zich mee, naar een verlaten gebied. Nadat de bok in de woestijn is losgelaten, </VERS>
      <VERS vnumber="23">moet Aäron de ontmoetingstent binnengaan. Hij moet de linnen kleren uitdoen die hij had aangetrokken toen hij de heilige ruimte binnenging, en ze daar laten liggen. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Op een heilige plaats moet hij zijn lichaam met water wassen en zijn gewone kleren weer aantrekken. Dan gaat hij naar buiten en brengt zijn eigen brandoffer en het brandoffer van het volk, om voor zichzelf en voor het volk verzoening te bewerken. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Het vet van de reinigingsoffers moet hij op het altaar verbranden. </VERS>
      <VERS vnumber="26">De man die de bok naar Azazel heeft gestuurd, moet zijn kleren en zijn lichaam met water wassen voordat hij het kamp weer in mag. </VERS>
      <VERS vnumber="27">De stier en de bok voor het reinigingsoffer, waarvan het bloed het heiligdom is binnengebracht voor de verzoeningsrite, worden buiten het kamp gebracht, waar de huid en het vlees en de ingewanden moeten worden verbrand. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Degene die ze verbrand heeft, moet zijn kleren en zijn lichaam met water wassen voordat hij het kamp weer in mag. </VERS>
      <VERS vnumber="29">De volgende bepaling blijft voor jullie voor altijd van kracht: De tiende dag van de zevende maand moeten jullie in onthouding doorbrengen en je mag dan geen enkele bezigheid verrichten, geboren Israëlieten evenmin als de vreemdelingen die bij jullie wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Want op die dag wordt voor jullie de verzoeningsrite voltrokken opdat jullie van al je zonden gereinigd worden en de HEER weer rein tegemoet kunnen treden. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Die dag moet in volstrekte rust en onthouding worden doorgebracht; deze bepaling blijft voor altijd van kracht. </VERS>
      <VERS vnumber="32">De priester die gezalfd is en tot opvolger van zijn vader is aangesteld, zal dan de verzoeningsrite voltrekken. Gehuld in zijn heilige linnen kleding </VERS>
      <VERS vnumber="33">moet hij de verzoeningsrite voltrekken aan de heilige ruimte in het heiligdom, en ook aan het voorste deel van de ontmoetingstent en aan het altaar. Zo bewerkt hij verzoening voor de priesters en de hele gemeenschap. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Deze bepaling blijft voor jullie voor altijd van kracht: eenmaal per jaar moet voor de Israëlieten verzoening bewerkt worden voor al hun zonden.' Mozes deed wat de HEER hem had opgedragen. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="17">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Zeg tegen Aäron en zijn zonen en tegen alle Israëlieten: "De HEER heeft het volgende bepaald: </VERS>
      <VERS vnumber="3">'Wanneer een Israëliet een rund, een schaap of een geit slacht, hetzij binnen hetzij buiten het kamp, </VERS>
      <VERS vnumber="4">zonder het dier naar de ingang van de ontmoetingstent te brengen om het bij de tabernakel van de HEER als offergave aan de HEER aan te bieden, wordt hem dat als doodslag aangerekend. Hij heeft bloed vergoten en zal uit de gemeenschap gestoten worden.' </VERS>
      <VERS vnumber="5">De Israëlieten moeten dus de offerdieren die ze nu nog in het open veld slachten, aan de HEER aanbieden en ze naar de priester brengen, bij de ingang van de ontmoetingstent, om ze te slachten als vredeoffer voor de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="6">De priester moet immers het bloed tegen het altaar van de HEER gieten, dat bij de ingang van de ontmoetingstent staat, en het vet verbranden als een geurige gave die de HEER behaagt. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Men mag geen offerdieren meer slachten voor bokken die als goden vereerd worden. Deze bepaling blijft voor de Israëlieten en hun nakomelingen voor altijd van kracht. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Zeg dus tegen hen: 'Wanneer een Israëliet of een vreemdeling die bij jullie woont een dier offert </VERS>
      <VERS vnumber="9">en het niet naar de ingang van de ontmoetingstent brengt om het aan de HEER op te dragen, zal hij worden uitgestoten.' </VERS>
      <VERS vnumber="10">Wanneer een Israëliet of een vreemdeling die bij jullie woont bloed eet, zal ik mij tegen hem keren en hem uit de gemeenschap stoten. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Want het bloed is de levenskracht van een levend wezen. Ik heb het jullie gegeven om er op het altaar de verzoeningsrite mee te voltrekken, want bloed kan, als levenskracht, verzoening bewerken. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Daarom heb ik tegen de Israëlieten gezegd: 'Niemand van jullie mag bloed eten, ook de vreemdelingen die bij jullie wonen niet.' </VERS>
      <VERS vnumber="13">En als een Israëliet of een vreemdeling die bij jullie woont wilde dieren of vogels jaagt die gegeten mogen worden, moet hij het bloed laten weglopen en het met droge aarde bedekken, </VERS>
      <VERS vnumber="14">want het bloed is de levenskracht van elk levend wezen. Daarom heb ik tegen de Israëlieten gezegd: 'Vlees met bloed erin mag je niet eten, want het bloed is de levenskracht van elk levend wezen, en ieder die ervan eet zal worden uitgestoten.' </VERS>
      <VERS vnumber="15">Elke geboren Israëliet en elke vreemdeling die een dier eet dat een natuurlijke dood gestorven is of is doodgebeten, moet zijn kleren en zichzelf met water wassen en blijft tot de avond onrein; daarna is hij weer rein. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Wie nalaat zijn kleren en zijn lichaam te wassen, moet de gevolgen van zijn zonde dragen."' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="18">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Zeg tegen de Israëlieten: "Ik ben de HEER, jullie God. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Volg niet de levenswijze van de Egyptenaren, bij wie je gewoond hebt, noch de levenswijze van de Kanaänieten, naar wie ik je breng. Leef niet volgens hun bepalingen, </VERS>
      <VERS vnumber="4">maar volgens mijn regels, houd je aan mijn bepalingen en leef ze na. Ik ben de HEER, jullie God. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Mijn bepalingen en regels schenken leven aan wie ze volgt, houd ze dus in ere. Ik ben de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Niemand van jullie mag de eer van een bloedverwant aantasten. Ik ben de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Je mag geen gemeenschap hebben met je moeder, daarmee onteer je je vader; zij is je moeder en je mag geen gemeenschap met haar hebben. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Heb geen gemeenschap met een andere vrouw van je vader, daarmee onteer je je vader. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Heb geen gemeenschap met je zuster, of ze nu de dochter van je vader of van je moeder is; zelfs al is ze niet uit hetzelfde huwelijk geboren als jij, je mag geen gemeenschap met haar hebben. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Heb geen gemeenschap met de dochter van je zoon of de dochter van je dochter, daarmee onteer je jezelf. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Heb geen gemeenschap met de dochter van een vrouw van je vader die door je vader verwekt is; zij is je zuster en je mag geen gemeenschap met haar hebben. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Heb geen gemeenschap met de zuster van je vader; zij is een bloedverwante van je vader. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Heb geen gemeenschap met de zuster van je moeder; zij is een bloedverwante van je moeder. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Tast de eer van je vaders broer niet aan; je mag zijn vrouw niet te na komen, ze is je tante. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Heb geen gemeenschap met je schoondochter; zij is de vrouw van je zoon en je mag geen gemeenschap met haar hebben. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Heb geen gemeenschap met de vrouw van je broer, daarmee onteer je je broer. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Heb geen gemeenschap met de dochter van je vrouw, noch met de dochter van haar zoon of de dochter van haar dochter; zij zijn haar bloedverwanten en daarom zou dat een schanddaad zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Je mag niet naast je vrouw haar zuster als bijvrouw nemen, je mag geen gemeenschap hebben met de ene zuster zolang de andere leeft. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Heb geen gemeenschap met een vrouw wanneer zij vanwege haar menstruatie onrein is. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Verontreinig jezelf niet door seksuele omgang te hebben met de vrouw van een ander. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Ontwijd de naam van je God niet door een van je kinderen aan Moloch te offeren. Ik ben de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Je mag niet het bed delen met een man zoals met een vrouw, dat is gruwelijk. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Verontreinig jezelf niet door de geslachtsdaad te verrichten met een dier. En een vrouw mag niet een dier uitlokken om met haar te paren, dat is pervers. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Verontreinig jezelf niet door dergelijke dingen te doen. De volken die ik voor jullie verdrijf hebben zich met al deze dingen verontreinigd, </VERS>
      <VERS vnumber="25">waardoor het land onrein werd. Vanwege de wandaden die er gepleegd zijn, heb ik het land geteisterd, zodat het zijn inwoners is gaan uitbraken. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Jullie echter moeten mijn bepalingen en regels in ere houden, jullie mogen geen van deze gruwelen begaan. Dat geldt zowel voor geboren Israëlieten als voor de vreemdelingen die bij jullie wonen </VERS>
      <VERS vnumber="27">-de mensen die v¢¢r jullie in het land woonden hebben al deze gruwelen bedreven, waardoor het land onrein werd- </VERS>
      <VERS vnumber="28">anders zal het land jullie uitbraken omdat jullie het verontreinigen, zoals het volk dat er voor jullie tijd woonde werd uitgebraakt. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Wie toch een dergelijke gruweldaad bedrijft, zal uit de gemeenschap gestoten worden. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Houd je aan je verplichtingen tegenover mij en volg geen van de gruwelijke gewoonten na die voor jullie tijd in zwang waren, opdat je er niet door verontreinigd wordt. Ik ben de HEER, jullie God."' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="19">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Zeg tegen de gemeenschap van Israël: "Wees heilig, want ik, de HEER, jullie God, ben heilig. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Toon ontzag voor je moeder en je vader, en neem steeds mijn sabbat in acht. Ik ben de HEER, jullie God. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Laat je niet in met afgoden en maak geen godenbeelden. Ik ben de HEER, jullie God. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Wanneer je de HEER een vredeoffer aanbiedt, moet je, wil het offer aanvaard worden, </VERS>
      <VERS vnumber="6">het vlees eten op de dag dat het dier wordt geslacht, of op de volgende dag. Wat er op de derde dag nog over is, moet worden verbrand. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Als er op de derde dag nog van het offervlees gegeten wordt, is dat verwerpelijk en zal het offer niet worden aanvaard. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Wie ervan eet moet de gevolgen van zijn zonde dragen. Hij heeft ontwijd wat de HEER toebehoort en wordt uit de gemeenschap gestoten. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Wanneer je de graanoogst binnenhaalt, oogst dan niet tot aan de rand van de akker en raap wat blijft liggen niet bijeen. </VERS>
      <VERS vnumber="10">En wanneer je bij de wijnoogst druiven plukt, loop dan niet alles nog eens na en raap niet bijeen wat op de grond is gevallen, maar laat het liggen voor de armen en de vreemdelingen. Ik ben de HEER, jullie God. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Steel niet, lieg niet en bedrieg je naaste niet. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Leg geen valse eed af als je bij mijn naam zweert, want daarmee ontwijd je de naam van je God. Ik ben de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Beroof niemand en pers een ander niet af. Betaal een dagloner zijn loon nog op dezelfde dag uit. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Spreek geen vloek uit over een dove en plaats geen obstakel voor de voeten van een blinde. Toon ontzag voor je God. Ik ben de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Wees niet partijdig wanneer je rechtspreekt. Trek onaanzienlijken niet voor en zie machthebbers niet naar de ogen. Spreek rechtvaardig recht over je naasten. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Breng het leven van een ander niet in gevaar door lasterpraat over hem rond te strooien. Ik ben de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Wees niet haatdragend. Als je iemand iets te verwijten hebt, roep hem dan ter verantwoording en laad niet omwille van een ander schuld op je </VERS>
      <VERS vnumber="18">door je te wreken of wrok te blijven koesteren. Heb je naaste lief als jezelf. Ik ben de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Leef mijn bepalingen na. Laat je vee niet paren met dieren van een andere soort. Zaai je akker niet in met verschillende soorten gewassen. Draag geen kleren die zijn geweven uit twee soorten garen. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Als een man seksuele omgang heeft met een slavin die voor een andere man bestemd was, en ze was nog niet vrijgekocht of vrijgelaten, moet hij een schadeloosstelling betalen. Ze hoeven niet ter dood gebracht te worden, want de vrouw was nog niet vrij. </VERS>
      <VERS vnumber="21">De man moet als hersteloffer voor de HEER een ram naar de ingang van de ontmoetingstent brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Door de ram ten overstaan van de HEER te offeren, voltrekt de priester voor de man in kwestie de verzoeningsrite voor datgene waaraan hij zich schuldig heeft gemaakt, en krijgt hij vergeving voor zijn zonde. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Wanneer jullie eenmaal in het land zijn dat ik je zal geven en je daar vruchtbomen plant, moet je de eerste vruchten laten hangen. De eerste drie jaar moet je de vruchten laten hangen en mag je er niet van eten. </VERS>
      <VERS vnumber="24">In het vierde jaar moeten jullie alle vruchten tijdens een dankfeest aan de HEER afstaan. </VERS>
      <VERS vnumber="25">In het vijfde jaar mag je de vruchten eten. De opbrengst zal des te groter zijn. Ik ben de HEER, jullie God. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Eet geen vlees waar nog bloed in zit. Laat je niet in met waarzeggerij en wolkenschouwerij. </VERS>
      <VERS vnumber="27">(27-28) Wanneer je een dode te betreuren hebt, scheer dan het haar aan je slapen niet weg en knip geen stukken uit je baard, kerf geen tekens in je lichaam en breng geen tatoeages aan. Ik ben de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Ontwijd je dochters niet door hoeren van hen te maken, want dan verspreidt de ontucht zich onder het volk en zal er in het hele land zedeloosheid heersen. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Neem steeds mijn sabbat in acht en heb eerbied voor mijn heiligdom. Ik ben de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Raadpleeg geen geesten en schimmen van doden. Wie zich tot hen wendt, verontreinigt zichzelf. Ik ben de HEER, jullie God. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Sta op voor oude mensen en betoon hun respect. Toon ontzag voor je God. Ik ben de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Iemand die als vreemdeling in jullie land verblijft, mag je niet onderdrukken. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Behandel vreemdelingen die bij jullie wonen als geboren Israëlieten. Heb hen lief als jezelf, want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte. Ik ben de HEER, jullie God. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Knoei niet met lengtematen, gewichten en inhoudsmaten. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Gebruik een zuivere weegschaal met zuivere gewichten, een zuivere efa en een zuivere hin. Ik ben de HEER, jullie God, die jullie uit Egypte heeft geleid. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Houd je aan al mijn bepalingen en regels en leef ze na. Ik ben de HEER."' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="20">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Zeg tegen de Israëlieten: "Wanneer een Israëliet of een vreemdeling die in Israël woont een van zijn kinderen aan Moloch offert, moet hij ter dood gebracht worden; het volk moet hem stenigen. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Ikzelf zal mij tegen zo iemand keren en hem uit de gemeenschap stoten, omdat hij een van zijn kinderen aan Moloch heeft geofferd en daarmee mijn heiligdom heeft verontreinigd en mijn heilige naam heeft ontwijd. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Mocht het volk oogluikend toestaan dat zo'n man zijn kinderen aan Moloch offert en hem niet ter dood brengen, </VERS>
      <VERS vnumber="5">dan zal ik mij tegen die man en zijn familie keren. Ik zal hem en allen die zich met hem en met Moloch inlaten, uit de gemeenschap stoten. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Ook wie zich met geesten en schimmen inlaat zal ik straffen en uitstoten. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Zorg ervoor dat jullie heilig zijn, en blijf heilig, want ik ben de HEER, jullie God. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Houd je aan mijn bepalingen en leef ze na; ik ben de HEER, ik heilig jullie. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Wie een vloek uitspreekt over zijn vader of zijn moeder, moet ter dood gebracht worden. Hij heeft zijn eigen vader of moeder vervloekt en heeft zijn dood aan zichzelf te wijten. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Wie overspel pleegt met een getrouwde vrouw, een vrouw die een ander toebehoort, moet ter dood gebracht worden. Beide echtbrekers moeten worden gedood. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Wie het bed deelt met de vrouw van zijn vader, onteert zijn vader. Man en vrouw moeten beiden ter dood gebracht worden en hebben hun dood aan zichzelf te wijten. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Wanneer iemand het bed deelt met zijn schoondochter, moeten zij beiden ter dood gebracht worden. Ze hebben zich pervers gedragen en hebben hun dood aan zichzelf te wijten. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Wie met een man het bed deelt als met een vrouw, begaat een gruweldaad. Beiden moeten ter dood gebracht worden en hebben hun dood aan zichzelf te wijten. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Wie met een vrouw trouwt en ook met haar moeder, begaat een schanddaad. Hij en beide vrouwen moeten worden verbrand, want dergelijke schanddaden mogen bij jullie niet voorkomen. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Wie de geslachtsdaad bedrijft met een dier, moet ter dood gebracht worden; ook het dier moet worden gedood. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Wanneer een vrouw een dier uitlokt om met haar te paren, moet zowel de vrouw als het dier gedood worden. Ze moeten ter dood gebracht worden en hebben hun dood aan zichzelf te wijten. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Wanneer iemand met zijn zuster trouwt, of ze nu de dochter van zijn vader of van zijn moeder is, en zij dus met elkaar gemeenschap hebben, is dat een schanddaad en zullen beiden publiekelijk uitgestoten worden. Zo iemand heeft gemeenschap gehad met zijn zuster en moet de gevolgen van zijn zonde dragen. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Wanneer iemand het bed deelt met een vrouw die ongesteld is en gemeenschap met haar heeft-wanneer hij dus de bron van haar bloeding ontbloot of zij voor hem de bron van haar bloeding ontbloot-zullen beiden uitgestoten worden. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Je mag geen gemeenschap hebben met de zuster van je moeder of de zuster van je vader. Wie de eer van een bloedverwant aantast, moet de gevolgen van zijn zonde dragen. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Wanneer iemand gemeenschap heeft met zijn tante, onteert hij zijn oom. Beiden zullen ten gevolge van hun zonde kinderloos sterven. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Wie trouwt met een vrouw die zijn broer heeft toebehoord, begaat een wandaad, want hij onteert zijn broer. Het huwelijk zal kinderloos zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Houd je aan al mijn bepalingen en regels en leef ze na, anders zal het land waarheen ik jullie breng om er te gaan wonen, jullie uitbraken. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Neem niet de gewoonten over van het volk dat ik voor jullie verdrijf. Zij hebben al deze dingen gedaan, en daarom heb ik een afkeer van hen gekregen. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Toen heb ik jullie gezegd: 'Jullie zullen hun land in bezit krijgen. Ik zal jullie het land dat overvloeit van melk en honing in bezit geven.' </VERS>
      <VERS vnumber="Ik">ben de HEER, jullie God, die jullie van alle andere volken heeft onderscheiden. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Daarom moeten jullie onderscheid maken tussen reine dieren en onreine, tussen onreine vogels en reine, opdat je je keel niet verontreinigt met lopende dieren, vogels of kruipende dieren die ik voor jullie heb onderscheiden als onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Wees heilig omwille van mij, want ik, de HEER, ben heilig en ik heb jullie van de andere volken onderscheiden om mijn volk te zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Een man of een vrouw die geesten of schimmen van doden laat spreken, moet ter dood gebracht worden. Zulke mensen moeten worden gestenigd en hebben hun dood aan zichzelf te wijten."' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="21">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes: 'Zeg tegen de priesters, de zonen van Aäron: "Een priester mag zich niet verontreinigen wanneer zich in zijn familie een sterfgeval voordoet. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Alleen als het een naaste bloedverwant betreft: zijn moeder of vader, zijn zoon of dochter, zijn broer </VERS>
      <VERS vnumber="3">of zijn ongehuwde zuster, die nog niet aan een man toebehoort en dus deel uitmaakt van zijn naaste familie, mag hij zich verontreinigen door in de nabijheid van de overledene te komen. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Maar hij mag zich niet ontwijden door zich te verontreinigen vanwege een sterfgeval in zijn schoonfamilie. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Priesters mogen hun hoofd niet kaalscheren en geen stukken uit hun baard knippen. Ook mogen ze geen tekens in hun huid kerven. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Ze zijn voor hun God geheiligd en mogen de naam van hun God niet ontwijden. Zij bieden de HEER de offergaven aan, het voedsel van hun God, en daarom mogen ze zich niet ontwijden. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Een priester mag niet trouwen met een door hoererij ontwijde vrouw of een vrouw die door haar man verstoten is, want hij is voor zijn God geheiligd. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Respecteer zijn heilige status, want hij biedt jullie God voedsel aan. Hij moet als heilig beschouwd worden, want ik, de HEER, ben heilig en ik heilig jullie. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Als de dochter van een priester zich door hoererij ontwijdt, ontwijdt ze haar vader en moet ze worden verbrand. </VERS>
      <VERS vnumber="10">De priester die aan het hoofd van zijn verwanten staat, over wiens hoofd de zalfolie werd uitgegoten en die werd aangesteld om de heilige kleding te dragen, mag zijn haar niet los laten hangen en zijn kleren niet scheuren. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Hij mag nooit in de nabijheid van een lijk komen, zelfs omwille van zijn vader of moeder mag hij zich niet verontreinigen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Hij mag het heiligdom niet verlaten, anders zou hij het heiligdom van zijn God ontwijden, hij is immers met de zalfolie van zijn God gewijd. Ik ben de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="13">De gezalfde priester moet trouwen met een vrouw die nog maagd is. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Hij mag niet trouwen met een weduwe of een verstoten of door hoererij ontwijde vrouw. Hij moet een maagd uit de priesterfamilie trouwen, </VERS>
      <VERS vnumber="15">anders zou hij zijn nageslacht ontwijden. Ik ben de HEER, ik heilig hem."' </VERS>
      <VERS vnumber="16">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="17">'Zeg tegen Aäron: "Als een van je nakomelingen een gebrek heeft, mag hij niet aantreden om voedsel aan te bieden aan zijn God. Dat geldt voor alle komende generaties. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Niemand met enigerlei gebrek mag als priester aantreden: niemand die blind is of verlamd, niemand met een misvormd gelaat of abnormaal ontwikkelde ledematen, </VERS>
      <VERS vnumber="19">niemand wiens ledematen na een botbreuk vergroeid zijn, </VERS>
      <VERS vnumber="20">niemand met een gebochelde of dwergachtige gestalte, niemand met staar, niemand met zweren of uitslag, niemand met verpletterde zaadballen. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Geen enkele nakomeling van de priester Aäron die een gebrek heeft, mag aantreden om de offergaven aan de HEER aan te bieden. Omdat hij een gebrek heeft mag hij niet aantreden om voedsel aan zijn God aan te bieden. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Hij mag wel eten van het voedsel van zijn God, zowel van de heilige als van de allerheiligste offergaven. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Maar omdat hij een gebrek heeft, mag hij de ruimte waar het voorhangsel hangt niet betreden en niet bij het altaar dienst doen, anders zou hij mijn heilige plaatsen ontwijden; ik ben de HEER, ik heilig ze."' </VERS>
      <VERS vnumber="24">Mozes zei dit alles tegen Aäron en zijn zonen en tegen alle Israëlieten. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="22">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Zeg tegen Aäron en zijn zonen dat zij op gepaste wijze moeten omgaan met de heilige gaven die de Israëlieten aan mij afstaan, opdat ze mijn heilige naam niet ontwijden. Ik ben de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Zeg tegen hen: "Wanneer een van jullie nakomelingen in onreine toestand in de nabijheid komt van de heilige gaven die de Israëlieten aan de HEER hebben afgestaan, zal hij van omgang met mij worden uitgesloten. Dit geldt voor alle komende generaties. Ik ben de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Wanneer een van de nakomelingen van Aäron aan huidvraat of een geslachtsziekte lijdt, mag hij niet van de heilige offergaven eten tot hij weer rein is. En wie mensen of dingen heeft aangeraakt die door aanraking met een lijk onrein geworden zijn, wie een zaadlozing heeft gehad, </VERS>
      <VERS vnumber="5">wie in aanraking is geweest met een kruipend dier dat onreinheid veroorzaakt of met een persoon die onreinheid veroorzaakt, van welke aard die onreinheid ook is, </VERS>
      <VERS vnumber="6">zo iemand is tot de avond onrein en mag niet van de heilige gaven eten voor hij zijn lichaam met water heeft gewassen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Pas als de zon ondergaat is hij weer rein en mag hij eten van de heilige gaven, want daar moet hij van leven. </VERS>
      <VERS vnumber="8">De nakomelingen van Aäron mogen zich niet verontreinigen door dieren te eten die een natuurlijke dood gestorven zijn of zijn doodgebeten. Ik ben de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Ze moeten zich houden aan hun verplichtingen tegenover mij en mogen op dit punt niet zondigen, want als ze wat heilig is ontwijden, zullen ze sterven. Ik ben de HEER, ik heilig hen. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Wie niet tot de priesterfamilie behoort, mag niet van de heilige gaven eten. Iemand die bij een priester te gast is of bij hem in loondienst is, mag er niet van eten. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Maar wanneer een priester iemand als slaaf heeft gekocht, mag die er wel van eten. Ook allen die in zijn huishouden geboren zijn, mogen van het priestervoedsel eten. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Als de dochter van een priester getrouwd is met een man die niet tot de priesterfamilie behoort, mag ze niet eten van de heilige gaven die de Israëlieten afdragen. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Maar als die dochter weduwe wordt of verstoten wordt zonder dat ze kinderen heeft gekregen, en dus weer in het huishouden van haar vader wordt opgenomen, zoals toen ze nog een meisje was, mag ze wel van het voedsel van haar vader eten. Maar niemand van buiten de priesterfamilie mag ervan eten. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Wanneer iemand anders per vergissing toch van de heilige gaven eet, moet hij dat aan de priester vergoeden, vermeerderd met een vijfde. </VERS>
      <VERS vnumber="15">De priesters mogen de heilige gaven die de Israëlieten aan de HEER schenken niet ontwijden </VERS>
      <VERS vnumber="16">en geen schuld op het volk laden door het van de heilige gaven te laten eten, want ik, de HEER, heb het geheiligd."' </VERS>
      <VERS vnumber="17">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="18">'Zeg tegen Aäron en zijn zonen en tegen alle Israëlieten: "Wanneer een geboren Israëliet of een vreemdeling een offer aanbiedt, hetzij ter nakoming van een gelofte hetzij als vrijwillige gave, en het dier wordt als brandoffer aan de HEER aangeboden, </VERS>
      <VERS vnumber="19">dan moet hij, wil het offer aanvaard worden, daarvoor een mannelijk dier nemen zonder enig gebrek, en wel een rund, een schaap of een geit. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Dieren met een gebrek mogen niet als offer worden aangeboden; ze zullen niet worden aanvaard. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Wanneer iemand een dier als vredeoffer voor de HEER wil slachten, ter nakoming van een gelofte of als vrijwillige gave, moet het een rund, een schaap of een geit zijn zonder enig gebrek, anders zal het niet worden aanvaard. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Dieren die blind zijn, vergroeide poten hebben of anderszins verminkt zijn, of etterende wonden, zweren of huiduitslag hebben, mogen niet aan de HEER worden aangeboden. Zulke dieren mogen niet als offergave op het altaar aan de HEER worden opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Dieren met te lange of te korte poten mogen wel worden geofferd als vrijwillige gave, maar als gelofteoffer zullen ze niet worden aanvaard. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Een dier waarvan de zaadballen zijn afgekneld, verpletterd, afgescheurd of afgesneden mag niet aan de HEER worden aangeboden. Dergelijke praktijken zijn bij jullie verboden </VERS>
      <VERS vnumber="25">en ook van vreemdelingen mag je zulke dieren niet aannemen om ze als voedsel aan jullie God aan te bieden, want ze zijn verminkt. Ze hebben een gebrek en zullen daarom niet als offer aanvaard worden."' </VERS>
      <VERS vnumber="26">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="27">'Het jong van een rund, een schaap of een geit moet na zijn geboorte minstens zeven dagen bij zijn moeder blijven. Pas als het acht dagen of ouder is zal het als offergave voor de HEER worden aanvaard. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Een rund, schaap of geit mag niet worden geslacht op dezelfde dag als een eigen jong. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Wanneer jullie een dankoffer voor de HEER slachten, moeten jullie, wil het offer worden aanvaard, </VERS>
      <VERS vnumber="30">het vlees op diezelfde dag eten, het mag niet tot de volgende dag bewaard worden. Ik ben de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Houd je aan mijn voorschriften en leef ze na. Ik ben de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Doen jullie dat niet, dan ontwijden jullie mijn heilige naam en moet ik mijn heiligheid tegenover jullie bewijzen. Ik ben de HEER, ik heilig jullie. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Ik ben het die jullie uit Egypte heeft weggeleid om jullie God te zijn. Ik ben de HEER.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="23">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Zeg tegen de Israëlieten: "Dit zijn de hoogtijdagen van de HEER, die je als heilige dagen samen moet vieren. Dit zijn mijn hoogtijdagen: </VERS>
      <VERS vnumber="3">Zes dagen kun je werken, maar de zevende dag is het sabbat, een dag van volstrekte rust, die je als heilige dag samen moet vieren. Je mag die dag geen enkele bezigheid verrichten. Waar je ook woont, het moet een rustdag zijn die aan de HEER gewijd is. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Dit zijn de hoogtijdagen van de HEER, die je als heilige dagen samen moet vieren, elk op de aangewezen tijd: </VERS>
      <VERS vnumber="5">Op de veertiende dag van de eerste maand wordt ter ere van de HEER het pesachoffer bereid, in de avondschemer. </VERS>
      <VERS vnumber="6">En op de vijftiende dag van die maand begint ter ere van de HEER het feest van het Ongedesemde brood: zeven dagen lang moeten jullie dan ongedesemd brood eten. </VERS>
      <VERS vnumber="7">De eerste dag moet je als heilige dag samen vieren; je mag dan niet werken. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Elk van de zeven dagen moeten jullie de HEER een offergave aanbieden. De zevende dag moet je opnieuw als heilige dag samen vieren, en ook dan mag je niet werken."' </VERS>
      <VERS vnumber="9">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="10">'Zeg tegen de Israëlieten: "Wanneer jullie eenmaal in het land zijn dat ik jullie zal geven en je daar de oogst binnenhaalt, moeten jullie de eerste schoof van je gersteoogst naar de priester brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">De priester moet de schoof ten overstaan van de HEER omhoogheffen opdat die als offer zal worden aanvaard. De priester moet de schoof omhoogheffen op de dag na de sabbat. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Op de dag dat de schoof wordt aangeboden, moeten jullie ook een eenjarige ram zonder enig gebrek als brandoffer aan de HEER opdragen, </VERS>
      <VERS vnumber="13">met het bijbehorende graanoffer van twee tiende efa tarwebloem vermengd met olijfolie, als een geurige gave die de HEER behaagt, en het bijbehorende wijnoffer van een kwart hin wijn. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Tot op de dag dat deze gave aan jullie God is gebracht, mag je geen brood, geroosterd graan of vers graan eten. Deze bepaling blijft voor jullie voor altijd van kracht, generatie na generatie, waar je ook woont. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Vanaf die dag na de sabbat, vanaf de dag dat de schoof omhooggeheven is, moeten zeven volle weken worden afgeteld, </VERS>
      <VERS vnumber="16">tot de dag na de zevende sabbat. Vijftig dagen moeten jullie aftellen, en dan moeten jullie de HEER een graanoffer aanbieden uit de nieuwe tarweoogst. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Jullie moeten dan uit je woonplaats brood meenemen om het voor de HEER omhoog te heffen: twee broden van twee tiende efa tarwebloem, met zuurdesem gebakken, als gave voor de HEER uit de eerste opbrengst van de nieuwe oogst. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Tegelijk met het brood moeten zeven eenjarige rammen zonder enig gebrek, een stier en twee volwassen rammen worden aangeboden. Die dienen als brandoffer voor de HEER en vormen samen met de bijbehorende graan- en wijnoffers een geurige gave die de HEER behaagt. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Als reinigingsoffer moet een bok worden geofferd, en als vredeoffer twee eenjarige rammen. </VERS>
      <VERS vnumber="20">De twee jonge rammen moet de priester tegelijk met het brood uit de eerste opbrengst van de nieuwe oogst ten overstaan van de HEER omhoogheffen. Zo worden deze offers voor de HEER geheiligd; ze zijn bestemd voor de priester. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Jullie moeten die dag als heilige dag samen vieren en mogen dan niet werken. Dit voorschrift blijft voor jullie voor altijd van kracht, generatie na generatie, waar je ook woont. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Ga bij het binnenhalen van de oogst niet tot aan de rand van de akker en raap wat blijft liggen niet bijeen, maar laat het liggen voor de armen en de vreemdelingen. Ik ben de HEER, jullie God."' </VERS>
      <VERS vnumber="23">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="24">'Zeg tegen de Israëlieten: "De eerste dag van de zevende maand moeten de hoorns schallen. Het zal voor jullie een rustdag zijn, die je als heilige dag samen moet vieren. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Je mag die dag niet werken en moet de HEER een offergave aanbieden."' </VERS>
      <VERS vnumber="26">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="27">'Neem dit in acht: De tiende dag van de zevende maand is het Grote verzoendag, een dag die jullie als heilige dag samen moeten vieren. Jullie moeten die dag in onthouding doorbrengen en de HEER een offergave aanbieden. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Je mag dan geen enkele bezigheid verrichten, want het is Grote verzoendag, waarop voor jullie ten overstaan van de HEER, jullie God, de verzoeningsrite zal worden voltrokken. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Wie deze dag niet in onthouding doorbrengt, zal uit de gemeenschap gestoten worden. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Wie die dag enige bezigheid verricht, zal ik zelf uit de gemeenschap wegvagen. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Je mag die dag geen enkele bezigheid verrichten; deze bepaling geldt voor jullie voor altijd, generatie na generatie, waar je ook woont. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Het zal voor jullie een dag van volstrekte rust zijn, die je in onthouding moet doorbrengen. Deze dag moet in volstrekte rust worden doorgebracht, vanaf de avond van de negende dag van die maand tot aan de avond daarop.' </VERS>
      <VERS vnumber="33">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="34">'Zeg tegen de Israëlieten: "Op de vijftiende dag van de zevende maand begint ter ere van de HEER het Loofhuttenfeest, dat zeven dagen duurt. </VERS>
      <VERS vnumber="35">De eerste dag moet je als heilige dag samen vieren; je mag dan niet werken. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Elk van de zeven dagen moeten jullie de HEER een offergave aanbieden. De achtste dag moet je opnieuw als heilige dag samen vieren, en ook dan moeten jullie een offergave aanbieden aan de HEER. Er zal dan een feestelijke samenkomst zijn en er mag niet gewerkt worden. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Dit zijn de hoogtijdagen van de HEER, die je als heilige dag samen moet vieren en waarop jullie de HEER een offergave moeten aanbieden, brandoffers, graanoffers, vredeoffers en wijnoffers, al naar gelang voor een bepaalde dag is voorgeschreven. </VERS>
      <VERS vnumber="38">Deze offers vallen buiten wat jullie de HEER elke sabbat geven en buiten je wijgeschenken, gelofteoffers en vrijwillige gaven. </VERS>
      <VERS vnumber="39">Neem dit in acht: Op de vijftiende dag van de zevende maand, wanneer je de oogst van het land hebt gehaald, begint het feest van de HEER, dat zeven dagen duurt. De eerste dag en de achtste dag moeten voor jullie rustdagen zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="40">De eerste dag moeten jullie mooie vruchten plukken en takken afsnijden van dadelpalmen, loofbomen en beekwilgen. Zeven dagen lang moeten jullie feestvieren ten overstaan van de HEER, jullie God. </VERS>
      <VERS vnumber="41">Elk jaar moet dit feest ter ere van de HEER zeven dagen lang gevierd worden. Dit voorschrift geldt voor altijd, generatie na generatie. Vier dit feest in de zevende maand. </VERS>
      <VERS vnumber="42">Zeven dagen lang moeten jullie in hutten wonen, elke geboren Israëliet moet in een loofhut wonen, </VERS>
      <VERS vnumber="43">om jullie kinderen eraan te herinneren dat ik de Israëlieten in hutten liet wonen toen ik hen uit Egypte wegleidde. Ik ben de HEER, jullie God."' </VERS>
      <VERS vnumber="44">En Mozes maakte de hoogtijdagen van de HEER aan het volk bekend. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="24">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="2">(2-3) 'Draag de Israëlieten op om je voor de verlichting zuivere olijfolie te brengen: er moet in de ontmoetingstent, buiten het voorhangsel dat de ark met de verbondstekst afschermt, altijd licht branden. Aäron moet ervoor zorgen dat de lampen de hele nacht voor de HEER blijven branden. Dit voorschrift blijft voor altijd van kracht, voor alle komende generaties. </VERS>
      <VERS vnumber="4">De lampen moeten elke nacht voor de HEER branden, in een lampenstandaard van zuiver goud. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Bak van tarwebloem twaalf broden van twee tiende efa per stuk. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Leg ze voor de HEER neer in twee rijen, twee rijen van zes, op de met zuiver goud overtrokken tafel. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Brand bij elke rij zuivere wierook, als teken voor de hele gave, als offergave voor de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Elke sabbat opnieuw moet de priester twee rijen brood voor de HEER neerleggen, uit naam van alle Israëlieten. Deze verplichting geldt voor altijd. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Het brood is bestemd voor Aäron en zijn zonen. Ze moeten het eten op een heilige plaats, want het is allerheiligst. Het is voor altijd voor hen bestemd, als hun aandeel in de offergaven voor de HEER.' </VERS>
      <VERS vnumber="10">Met de Israëlieten was een man meegekomen die geboren was uit een Israëlitische vrouw en een Egyptische man. Toen deze man op zekere dag slaags raakte met een Israëliet </VERS>
      <VERS vnumber="11">en een vloek uitsprak waarin hij Gods naam lasterde, werd hij aan Mozes voorgeleid. Zijn moeder heette Selomit; ze was een dochter van Dibri en behoorde tot de stam Dan. </VERS>
      <VERS vnumber="12">De man werd in voorlopige hechtenis genomen tot een uitspraak van de HEER uitsluitsel zou geven over wat er moest gebeuren. </VERS>
      <VERS vnumber="13">En de HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="14">'Breng degene die gevloekt heeft buiten het kamp. Allen die het gehoord hebben, moeten hun hand op zijn hoofd leggen en hij moet door de voltallige gemeenschap gestenigd worden. </VERS>
      <VERS vnumber="15">En tegen de Israëlieten moet je zeggen: "Wie zijn God vervloekt, zal de gevolgen van zijn zonde dragen. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Wie de naam van de HEER lastert moet ter dood gebracht worden, die moet door de voltallige gemeenschap worden gestenigd. Of het nu een vreemdeling is of een geboren Israëliet, wie mijn naam lastert moet ter dood gebracht worden. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Ook wie een mens doodt moet ter dood gebracht worden, </VERS>
      <VERS vnumber="18">en wie een dier uit andermans veestapel doodt, moet het vergoeden: een leven voor een leven. </VERS>
      <VERS vnumber="19">(19-20) Wanneer iemand letsel toebrengt aan een ander, moet hem hetzelfde letsel worden toegebracht: een breuk voor een breuk, een oog voor een oog, een tand voor een tand. Wat hij de ander heeft aangedaan zal ook hem aangedaan worden. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Dus wie een stuk vee doodt moet het vergoeden en wie een mens doodt moet ter dood gebracht worden. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Vreemdelingen en geboren Israëlieten moeten volgens dezelfde norm worden berecht. Ik ben de HEER, jullie God."' </VERS>
      <VERS vnumber="23">Nadat Mozes dit tegen de Israëlieten had gezegd, werd de godslasteraar buiten het kamp gebracht en gestenigd. Zo voerden de Israëlieten uit wat de HEER Mozes had opgedragen. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="25">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes, op de Sinai: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Zeg tegen de Israëlieten: "Wanneer jullie eenmaal in het land zijn dat ik je zal geven, moet het land rust krijgen, een sabbatsrust gewijd aan de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Zes jaar achtereen mogen jullie je land inzaaien, je wijngaard snoeien en de oogst binnenhalen. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Maar het zevende jaar moeten jullie het land laten rusten. Het is een sabbatsjaar dat aan de HEER gewijd is. Je mag dan je land niet inzaaien, je wijngaarden niet snoeien, </VERS>
      <VERS vnumber="5">het koren dat vanzelf opkomt niet als oogst binnenhalen en niet de druiven oogsten van je ongesnoeide wijnstokken. Het moet een jaar zijn van volstrekte rust voor het land. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Wat er in dat jaar op het land groeit is voor jullie allen. Je mag er zelf van eten, maar ook je slaven en slavinnen, je loonarbeiders en de vreemdelingen die bij je te gast zijn; </VERS>
      <VERS vnumber="7">ook voor je veestapel en voor de in het wild levende dieren kan het als voedsel dienen. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Na verloop van zeven sabbatsjaren, na zeven maal zeven jaar, wanneer er negenenveertig jaren verstreken zijn, </VERS>
      <VERS vnumber="9">moeten jullie op de tiende dag van de zevende maand de ramshoorn luid laten schallen. Op Grote verzoendag moet in heel het land de ramshoorn schallen. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Elk vijftigste jaar zal voor jullie een heilig jaar zijn, waarin kwijtschelding wordt afgekondigd voor alle inwoners van het land. Dit is het jubeljaar, waarin ieder naar zijn eigen grond en zijn eigen familie kan terugkeren. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Elk vijftigste jaar zal voor jullie een jubeljaar zijn. Je mag dan niet zaaien, het koren dat vanzelf opkomt niet als oogst binnenhalen en niet de druiven oogsten van je ongesnoeide wijnstokken. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Het is een jubeljaar, dat als heilig beschouwd moet worden. Jullie zullen dat jaar leven van wat er vanzelf opkomt. </VERS>
      <VERS vnumber="13">In het jubeljaar zal ieder naar zijn eigen grond terugkeren. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Wanneer je een stuk grond aan een ander verpandt of van een ander in pand neemt, mag je elkaar niet benadelen. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Het aantal jaren dat na een jubeljaar verstreken is, bepaalt de prijs die de pandnemer moet betalen; het aantal jaren dat de pandgever heeft kunnen oogsten, bepaalt de prijs die hij mag vragen. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Hoe meer jaren er nog resten, des te hoger de prijs; hoe minder jaren, des te lager, want wat verhandeld wordt is het aantal oogsten. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Benadeel je volksgenoten niet. Toon ontzag voor je God; ik ben de HEER, jullie God. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Leef mijn bepalingen na, houd je aan mijn regels en handel ernaar, dan zul je onbezorgd in je land kunnen leven. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Het land zal vruchtbaar zijn en jullie zullen volop te eten hebben. Je zult er onbezorgd kunnen wonen, </VERS>
      <VERS vnumber="20">en mochten jullie je afvragen waarvan je het zevende jaar moet leven als je niet mag zaaien en oogsten, </VERS>
      <VERS vnumber="21">bedenk dan dat ik jullie het zesde jaar zal zegenen met een oogst die voor drie jaar toereikend is, </VERS>
      <VERS vnumber="22">zodat je in het achtste jaar weer kunt zaaien en tot in het negende jaar kunt leven van de oude oogst, totdat je dat jaar de oogst kunt binnenhalen. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Land mag nooit verkocht worden, alleen verpand, want het land behoort mij toe en jullie zijn slechts vreemdelingen die bij mij te gast zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="24">In heel jullie land moet voor grond altijd het lossingsrecht blijven gelden. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Wanneer een van jullie tot armoede vervalt en een deel van zijn grond moet verpanden, kan zijn losser, zijn naaste verwant, zich aanmelden om het pand voor hem in te lossen. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Gebeurt dat niet, maar beschikt hij na verloop van tijd zelf over voldoende middelen om het pand in te lossen, </VERS>
      <VERS vnumber="27">dan moet hij nagaan hoeveel jaar het verpand is geweest en het resterende deel van het oorspronkelijke bedrag terugbetalen aan degene aan wie hij het verpand had. Dan kan hij naar zijn eigen grond terugkeren. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Vindt hij niet voldoende middelen om het pand in te lossen, dan blijft het tot aan het jubeljaar in handen van de pandnemer. Maar in het jubeljaar valt het aan hem terug en kan hij naar zijn eigen grond terugkeren. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Als iemand een woonhuis in een ommuurde stad verpandt, geldt het lossingsrecht niet langer dan een jaar na het moment van verpanding; in dat geval geldt het lossingsrecht dus tijdelijk. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Wordt het pand niet binnen het jaar ingelost, dan vervalt het huis-indien het dus in een ommuurde stad staat-voorgoed aan de pandnemer en diens nakomelingen. Het valt in het jubeljaar niet aan de oorspronkelijke eigenaar terug. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Huizen in dorpen die niet ommuurd zijn, worden gerekend bij het land waarop ze staan. Daarvoor geldt het gewone lossingsrecht en in het jubeljaar vallen ze aan de oorspronkelijke eigenaars terug. </VERS>
      <VERS vnumber="32">In de door de Levieten bewoonde steden, die zij als grondgebied toebedeeld hebben gekregen, geldt voor hen onbeperkt lossingsrecht voor huizen. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Zo'n huis kan door een Leviet worden ingelost en valt-indien het op hun grondgebied staat-in het jubeljaar aan de oorspronkelijke eigenaar terug, want de huizen in de steden die bij de verdeling van het land onder de Israëlieten aan de Levieten zijn toegewezen, gelden als hun grondbezit. </VERS>
      <VERS vnumber="34">De akkers en weidegronden bij die steden mogen helemaal niet verpand worden, want die vormen hun onvervreemdbaar bezit. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Wanneer een van jullie tot armoede vervalt en zich niet kan handhaven, moet je hem bijstand verlenen, zoals je ook een vreemdeling zou helpen die bij je te gast is; je mag hem niet laten verkommeren. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Toon ontzag voor je God en laat je volksgenoten niet verkommeren. Wanneer je een volksgenoot iets leent, mag je hem vooraf noch achteraf rente vragen. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Je mag van hem geen rente vragen als je hem geld leent, en geen winst maken als je hem voedsel geeft. </VERS>
      <VERS vnumber="38">Ik ben de HEER, jullie God, die jullie uit Egypte heeft geleid om jullie Kanaän in bezit te geven en jullie God te zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="39">Wanneer een van jullie tot armoede vervalt en zichzelf aan jou verpandt, mag je hem niet als slaaf behandelen. </VERS>
      <VERS vnumber="40">Je moet hem beschouwen als een loonarbeider of als een vreemdeling die bij je woont. Tot aan het jubeljaar zal hij voor je werken, </VERS>
      <VERS vnumber="41">dan hoeft hij je niet meer te dienen en kan hij met zijn gezin terugkeren naar zijn eigen familie en naar de grond van zijn voorouders. </VERS>
      <VERS vnumber="42">Het volk dat ik uit Egypte heb weggeleid behoort mij toe, Israëlieten kunnen dus niet als slaaf verkocht worden. </VERS>
      <VERS vnumber="43">Toon ontzag voor je God en beul hen niet af als slaven. </VERS>
      <VERS vnumber="44">Als slaven en slavinnen kun je mensen kopen uit de omringende volken, </VERS>
      <VERS vnumber="45">of vreemdelingen die bij jullie wonen of de nakomelingen die zij in jullie land hebben gekregen. Die slaven en slavinnen zijn je eigendom, </VERS>
      <VERS vnumber="46">je kunt hen als erfelijk bezit aan je nakomelingen nalaten; zij zullen voor altijd als slaaf voor je blijven werken. Maar je volksgenoten, de Israëlieten, je eigen verwanten, mag je nooit als slaven afbeulen. </VERS>
      <VERS vnumber="47">Wanneer mensen die als vreemdeling bij jullie wonen, rijkdom vergaren en een van jullie tot armoede vervalt en zich aan zo'n vreemdeling of een afstammeling van een vreemdeling verpandt, </VERS>
      <VERS vnumber="48">behoudt hij het recht op lossing. Hij kan worden vrijgekocht door een broer, </VERS>
      <VERS vnumber="49">een oom of een neef of een andere bloedverwant, of hij kan, wanneer hij weer over voldoende middelen beschikt, zich zelf vrijkopen. </VERS>
      <VERS vnumber="50">Samen met degene aan wie hij zich verpand heeft, moet hij nagaan hoeveel jaren er liggen tussen het jaar van de pandstelling en het eerstvolgende jubeljaar; de pandsom wordt berekend naar het aantal dienstjaren, volgens het tarief van een loonarbeider. </VERS>
      <VERS vnumber="51">Als er nog veel jaren resten, moet een evenredig deel van het bedrag als losgeld worden betaald; </VERS>
      <VERS vnumber="52">als er volgens de berekening nog weinig jaren resten tot aan het jubeljaar, moet een evenredig deel worden afgelost. </VERS>
      <VERS vnumber="53">Zo iemand moet op dezelfde manier behandeld worden als een loonarbeider die per jaar in dienst wordt genomen; jullie mogen niet toestaan dat hij als een slaaf wordt afgebeuld. </VERS>
      <VERS vnumber="54">Wanneer hij niet op de een of andere manier wordt vrijgekocht, komt hij in het jubeljaar met zijn kinderen vrij. </VERS>
      <VERS vnumber="55">Want de Israëlieten behoren mij toe; ik heb hen uit Egypte weggeleid. Ik ben de HEER, jullie God. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="26">
      <VERS vnumber="1">Maak geen afgodsbeelden, zet geen godenbeelden neer, richt geen gewijde stenen op en plaats in jullie land geen stenen met afbeeldingen om je daarvoor neer te buigen, want ik, de HEER, ben jullie God. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Neem steeds mijn sabbat in acht en heb eerbied voor mijn heiligdom. Ik ben de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Als jullie mijn bepalingen opvolgen, je aan mijn geboden houden en ze naleven, </VERS>
      <VERS vnumber="4">zal ik jullie op gezette tijden regen schenken, zodat het land opbrengst geeft en de bomen vrucht dragen. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Dan zal de dorstijd duren tot de druivenpluk, en de druivenpluk tot de zaaitijd. Je zult volop te eten hebben en onbezorgd in je land kunnen wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Ik zal het land rust en vrede geven, zodat je kunt slapen zonder te worden opgeschrikt. Ik zal ervoor zorgen dat de wilde dieren je met rust laten en dat het land niet geteisterd wordt door oorlogsgeweld. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Jullie zullen je vijanden op de vlucht jagen en zij zullen door jullie zwaard worden geveld. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Vijf van jullie zullen volstaan om honderd vijanden te verjagen en met honderd van jullie verjaag je er tienduizend; ze zullen door jullie zwaard worden geveld. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Ik zal naar jullie omzien en je vruchtbaar en talrijk maken, en mijn verbond met jullie gestand doen. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Je zult van je oogst kunnen eten tot je de nieuwe oogst binnenhaalt en het restant van de oude oogst kunt wegdoen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Mijn woning zal in jullie midden staan en ik zal nooit een afkeer van jullie krijgen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Ik zal in je midden verkeren; ik zal jullie God zijn en jullie mijn volk. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Ik ben de HEER, jullie God, die jullie uit Egypte heeft geleid om je uit de slavernij te bevrijden. Ik heb het juk gebroken waaronder je gebukt ging, zodat je weer met opgeheven hoofd kunt rondlopen. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Maar als jullie mij niet gehoorzamen en deze geboden niet naleven, </VERS>
      <VERS vnumber="15">als je mijn bepalingen naast je neerlegt en mijn regels minacht, als je door mijn geboden niet na te leven het verbond met mij verbreekt, </VERS>
      <VERS vnumber="16">dan zal ik van mijn kant jullie het volgende aandoen: Ik zal een verschrikkelijk onheil over jullie brengen, tering en slopende koortsen zullen het licht in je ogen doven en je de adem afknijpen. Je zult je land inzaaien, maar voor niets, want je vijanden zullen ervan eten. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Ik zal mij tegen jullie keren, zodat jullie door je vijanden verslagen worden. Jullie zullen worden overheerst door mensen die je haten, en op de vlucht slaan, zelfs als niemand je verjaagt. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Als jullie mij dan nog niet willen gehoorzamen, zal ik de straf voor jullie zonden zevenmaal zo zwaar maken: </VERS>
      <VERS vnumber="19">Ik zal de kracht waarop jullie je beroemen breken. De hemel boven je hoofd zal van ijzer zijn en de grond onder je voeten van koper. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Je zult je afmatten, maar voor niets, want je land zal geen opbrengst geven en je bomen zullen geen vrucht dragen. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Als jullie tegen mij in blijven gaan en mij niet willen gehoorzamen, zal ik de straf voor jullie zonden nog zevenmaal zo zwaar maken: </VERS>
      <VERS vnumber="22">Ik zal wilde dieren op je afsturen, die je van je kinderen zullen beroven en je vee zullen verscheuren. Ze zullen het volk zo uitdunnen dat de wegen er verlaten bij liggen. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Als jullie hieruit geen lering trekken en tegen mij in blijven gaan, </VERS>
      <VERS vnumber="24">zal ik op mijn beurt ook tegen jullie in gaan. Zevenmaal zo streng zal ik jullie voor je zonden straffen: </VERS>
      <VERS vnumber="25">Ik zal jullie met het zwaard treffen om de schending van het verbond te wreken. Wanneer jullie je dan in de steden verschansen, zal ik de pest op je loslaten, zodat je aan je vijand overgeleverd bent. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Het brood dat jullie staande houdt wordt schaars: tien vrouwen zullen aan ‚‚n oven genoeg hebben om er hun brood in te bakken en ze zullen met afgepaste rantsoenen thuiskomen. Jullie zullen te eten hebben, maar nooit verzadigd raken. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Als jullie hierna nog niet naar mij willen luisteren en tegen mij in blijven gaan, </VERS>
      <VERS vnumber="28">zal ik van mijn kant nog eens zo hard tegen jullie in gaan en je zevenvoudig voor je zonden straffen: </VERS>
      <VERS vnumber="29">Jullie zullen je eigen zonen en dochters opeten, </VERS>
      <VERS vnumber="30">ik zal je offerplaatsen vernietigen, je wierookaltaren omverhalen en jullie lijken neergooien op de lege sokkels van jullie godenbeelden. Ik zal een afkeer van jullie hebben. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Ik zal je steden in puin leggen, je heilige plaatsen verwoesten en me niet laten behagen door de geur die van jullie offers opstijgt. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Ik zal van het land een woestenij maken, tot ontsteltenis van je vijanden, die het zullen bezetten. </VERS>
      <VERS vnumber="33">En jullie zal ik onder vreemde volken verstrooien; je zult moeten vluchten voor het getrokken zwaard. Je land zal een woestenij zijn en je steden zullen in puin liggen. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Zo, doordat het land braak ligt terwijl jullie naar het land van je vijanden verdreven zijn, wordt het schadeloos gesteld voor de rust die het heeft moeten ontberen. Dan zal het rusten ter vergoeding van de sabbatsjaren. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Zolang het land braak ligt, heeft het de rust die jullie het, toen je er woonde, tijdens de sabbatsjaren niet hebben gegund. </VERS>
      <VERS vnumber="36">En wie van jullie nog in leven zijn, zal ik in het land van hun vijanden zo schrikachtig maken dat ze al op de vlucht slaan wanneer ze een blaadje horen ritselen. Ze zullen vluchten alsof ze door het zwaard worden achtervolgd, en neervallen hoewel niemand hen opjaagt. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Ze zullen over elkaar struikelen alsof ze zich voor het zwaard uit de voeten maken, terwijl er niemand is die hen opjaagt. Jullie zullen je tegenover je vijanden niet staande kunnen houden </VERS>
      <VERS vnumber="38">en te midden van vreemde volken ten onder gaan. Het land van je vijanden zal jullie verslinden. </VERS>
      <VERS vnumber="39">Wie van jullie dan nog in leven zijn, zullen vanwege hun eigen zonden en die van hun voorouders wegrotten in het land van hun vijanden. </VERS>
      <VERS vnumber="40">Wanneer zij echter hun zonden en die van hun voorouders openlijk uitspreken, namelijk dat ze mij ontrouw zijn geweest en bovendien tegen mij in zijn gegaan </VERS>
      <VERS vnumber="41">-juist daarom zal ik van mijn kant tegen hen in gaan en hen verdrijven naar het land van hun vijanden-, wanneer ze dus hun koppigheid laten varen en zich verootmoedigen en voor hun schuld boeten, </VERS>
      <VERS vnumber="42">dan zal ik weer denken aan mijn verbond met Jakob en aan mijn verbond met Isaak en met Abraham, en dan zal ik ook weer denken aan mijn land. </VERS>
      <VERS vnumber="43">Wanneer het land eenmaal door hen verlaten is, kan het tijdens hun afwezigheid braak liggen ter vergoeding van de sabbatsjaren, en intussen boeten zij ervoor dat ze mijn regels naast zich neergelegd hebben en mijn bepalingen hebben geminacht. </VERS>
      <VERS vnumber="44">Maar zelfs terwijl ze in het land van hun vijanden verblijven, zal ik hen niet verwerpen en hen niet uit afkeer aan de vernietiging prijsgeven. Ik zal mijn verbond met hen niet verbreken, want ik ben de HEER , hun God. </VERS>
      <VERS vnumber="45">Ik zal denken aan het verbond dat ik sloot met hun voorouders, die ik voor de ogen van alle volken uit Egypte heb weggeleid om hun God te zijn. Ik ben de HEER."' </VERS>
      <VERS vnumber="46">Dit zijn de bepalingen, regels en voorschriften waarin de HEER de betrekkingen tussen hem en de Israëlieten heeft vastgelegd, en die hij op de Sinai aan Mozes heeft bekendgemaakt. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="27">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Zeg tegen de Israëlieten: "Wanneer iemand de HEER de tegenwaarde van een mensenleven belooft, </VERS>
      <VERS vnumber="3">worden de volgende bedragen berekend: Het vaste bedrag voor een man tussen de twintig en de zestig jaar is vijftig sjekel zilver, berekend volgens het ijkgewicht van het heiligdom. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Voor een vrouw geldt een bedrag van dertig sjekel. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Gaat het om iemand tussen de vijf en de twintig jaar, dan geldt er een bedrag van twintig sjekel voor een jongen en tien voor een meisje. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Bij kinderen tussen ‚‚n maand en vijf jaar geldt er een bedrag van vijf sjekel voor een jongen en drie voor een meisje. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Bij mensen van zestig jaar en ouder geldt er een bedrag van vijftien sjekel voor een man en tien voor een vrouw. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Als degene die de gelofte heeft afgelegd zich het vastgestelde bedrag niet kan veroorloven, moet hij de persoon in kwestie aan de priester voorleiden. De priester stelt dan een ander bedrag voor, rekening houdend met wat degene die de gelofte heeft afgelegd zich kan veroorloven. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Wanneer iemand een of ander dier dat als offer geschikt is aan de HEER belooft, is het heilig </VERS>
      <VERS vnumber="10">en mag hij het niet meer omruilen. Hij mag niet een goed dier omruilen voor een slecht of een slecht dier voor een goed, en als hij dat toch doet, zijn ze beide heilig: beide vallen ze toe aan de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Wanneer iemand een onrein dier, dat niet als offer geschikt is, aan de HEER belooft, moet hij het dier ter keuring aan de priester voorleiden, </VERS>
      <VERS vnumber="12">die zal bepalen hoeveel het waard is. De uitspraak van de priester is bindend. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Als de persoon in kwestie zijn gelofte wil afkopen, moet hij het vastgestelde bedrag betalen, vermeerderd met een vijfde. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Wanneer iemand zijn huis als heilige gave aan de HEER opdraagt, moet de priester bepalen hoeveel het waard is. De uitspraak van de priester is bindend. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Als degene die het huis als heilige gave heeft opgedragen zijn gelofte wil afkopen, moet hij het vastgestelde bedrag betalen, vermeerderd met een vijfde. Dan is het huis weer van hem. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Wanneer iemand een stuk grond uit eigen bezit heiligt door het aan de HEER op te dragen, wordt de waarde daarvan bepaald aan de hand van het voor die akker benodigde zaaigoed: vijftig sjekel zilver per ezelslast gerst. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Als hij het stuk grond met ingang van het jubeljaar heiligt, geldt de vastgestelde waarde. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Als hij het na het jubeljaar heiligt, berekent de priester voor hem het bedrag aan de hand van het aantal jaren dat rest tot aan het volgende jubeljaar en is de vastgestelde waarde dus lager. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Als degene die het stuk grond als heilige gave heeft opgedragen zijn gelofte wil afkopen, moet hij het vastgestelde bedrag betalen, vermeerderd met een vijfde. Dan valt het hem weer toe. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Maar als hij het stuk grond verpandt zonder zijn gelofte te hebben afgekocht, kan het niet meer worden ingelost. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Het vervalt dan in het jubeljaar onherroepelijk als heilige gave aan de HEER; het wordt eigendom van de priester. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Wanneer iemand een stuk grond dat hij in pand genomen heeft en dat hem dus niet als erfbezit toebehoort, heiligt door het aan de HEER op te dragen, </VERS>
      <VERS vnumber="23">berekent de priester voor hem de waarde tot aan het eerstvolgende jubeljaar. Dit bedrag moet nog diezelfde dag als heilige gave aan de HEER worden afgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="24">In het jubeljaar valt het land weer terug aan degene die het verpand had, aan wie het als erfbezit toebehoort. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Alle waarden worden berekend volgens het ijkgewicht van het heiligdom, twintig gera per sjekel. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Bij dit alles gelden de volgende restricties: Het eerste jong van een dier uit de veestapel behoort als zodanig de HEER toe en kan niet als heilige gave aan hem worden opgedragen. Als het een rund, schaap of geit is, is het voor de HEER bestemd, </VERS>
      <VERS vnumber="27">als het een onrein dier is, kan het worden vrijgekocht tegen betaling van de vastgestelde waarde, vermeerderd met een vijfde. Wanneer het niet wordt vrijgekocht, moet het voor het vastgestelde bedrag worden verkocht. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Wanneer iemand iets uit zijn bezit onvoorwaardelijk aan de HEER heeft gewijd, of het nu slaven, vee of grond betreft, rust er een ban op. Het kan dan niet worden verpand en de gelofte kan niet worden afgekocht. Alles wat onvoorwaardelijk aan de HEER is gewijd, is allerheiligst. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Wanneer een mens eenmaal onvoorwaardelijk aan de HEER is gewijd, kan hij niet worden vrijgekocht; hij moet ter dood gebracht worden. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Van de opbrengst van het land, zowel de gewassen op de akkers als de vruchten aan de bomen, is een tiende als heilige gave voor de HEER bestemd. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Wanneer iemand een deel van zijn tiende wil afkopen, wordt de afkoopsom met een vijfde vermeerderd. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Van runderen, geiten en schapen moet elk tiende dier dat bij de telling de herdersstaf passeert als heilige gave voor de HEER apart gehouden worden. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Daarbij mag niet naar kwaliteit gekeken worden en mogen geen dieren worden omgewisseld. Als iemand toch een dier voor een ander omruilt, zijn ze beide heilig: beide vallen ze toe aan de HEER. Deze dieren kunnen ook niet worden vrijgekocht."' </VERS>
      <VERS vnumber="34">Tot zover de geboden die de HEER op de Sinai bij monde van Mozes aan de Israëlieten heeft opgelegd. </VERS>
    </CHAPTER>
  </BIBLEBOOK>
  <BIBLEBOOK bnumber="4" bname="Numeri" bsname="Num">
    <CHAPTER cnumber="1">
      <VERS vnumber="1">Op de eerste dag van de tweede maand, in het tweede jaar na het vertrek van de Israëlieten uit Egypte, richtte de HEER zich in de Sinaiwoestijn tot Mozes. Hij sprak tegen hem in de ontmoetingstent en zei: </VERS>
      <VERS vnumber="2">(2-3) 'Houd onder heel Israël een telling van alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder. Tel hen hoofdelijk en schrijf hen met naam en toenaam in, geordend naar geslacht en familie en ingedeeld naar de legerafdelingen waartoe ze behoren. Doe dit samen met Aäron. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Uit elke stam moet iemand die aan het hoofd van een familie staat jullie daarbij behulpzaam zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Dit zijn degenen die jullie zullen helpen: uit de stam Ruben Elisur, de zoon van Seder; </VERS>
      <VERS vnumber="6">uit Simeon Selumiël, de zoon van Surisaddai; </VERS>
      <VERS vnumber="7">uit Juda Nachson, de zoon van Amminadab; </VERS>
      <VERS vnumber="8">uit Issachar Netanel, de zoon van Suar; </VERS>
      <VERS vnumber="9">uit Zebulon Eliab, de zoon van Chelon; </VERS>
      <VERS vnumber="10">wat de nakomelingen van Jozef betreft: uit Efraïm Elisama, de zoon van Ammihud, en uit Manasse Gamliël, de zoon van Pedasur; </VERS>
      <VERS vnumber="11">uit Benjamin Abidan, de zoon van Gidoni; </VERS>
      <VERS vnumber="12">uit Dan Achiëzer, de zoon van Ammisaddai; </VERS>
      <VERS vnumber="13">uit Aser Pagiël, de zoon van Ochran; </VERS>
      <VERS vnumber="14">uit Gad Eljasaf, de zoon van Deel; </VERS>
      <VERS vnumber="15">uit Naftali Achira, de zoon van Enan. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Dit zijn de Israëlieten die het meeste aanzien genieten; ieder van hen komt aan het hoofd van een stam te staan en krijgt het bevel over de legereenheden van die stam.' </VERS>
      <VERS vnumber="17">Mozes en Aäron riepen de mannen die hun genoemd waren bij zich, </VERS>
      <VERS vnumber="18">en nog diezelfde dag, de eerste dag van de tweede maand, lieten ze de voltallige gemeenschap bijeenkomen. Alle mannen van twintig jaar en ouder werden met naam en toenaam geregistreerd, geordend naar geslacht en familie, </VERS>
      <VERS vnumber="19">zoals de HEER het Mozes had opgedragen. Hij stelde in de Sinaiwoestijn de volgende aantallen vast: </VERS>
      <VERS vnumber="20">Afstammelingen van Ruben, Israëls eerstgeborene, alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder, hoofdelijk geteld en met naam en toenaam geregistreerd, geordend naar geslacht en familie- </VERS>
      <VERS vnumber="21">aantal ingeschrevenen voor de stam Ruben: 46.500. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Afstammelingen van Simeon, alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder, hoofdelijk geteld en met naam en toenaam geregistreerd, geordend naar geslacht en familie- </VERS>
      <VERS vnumber="23">aantal ingeschrevenen voor de stam Simeon: 59.300. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Afstammelingen van Gad, alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder, met naam en toenaam, geordend naar geslacht en familie- </VERS>
      <VERS vnumber="25">aantal ingeschrevenen voor de stam Gad: 45.650. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Afstammelingen van Juda, alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder, met naam en toenaam, geordend naar geslacht en familie- </VERS>
      <VERS vnumber="27">aantal ingeschrevenen voor de stam Juda: 74.600. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Afstammelingen van Issachar, alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder, met naam en toenaam, geordend naar geslacht en familie- </VERS>
      <VERS vnumber="29">aantal ingeschrevenen voor de stam Issachar: 54.400. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Afstammelingen van Zebulon, alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder, met naam en toenaam, geordend naar geslacht en familie- </VERS>
      <VERS vnumber="31">aantal ingeschrevenen voor de stam Zebulon: 57.400. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Nakomelingen van Jozef: afstammelingen van Efraïm, alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder, met naam en toenaam, geordend naar geslacht en familie- </VERS>
      <VERS vnumber="33">aantal ingeschrevenen voor de stam Efraïm: 40.500; </VERS>
      <VERS vnumber="34">afstammelingen van Manasse, alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder, met naam en toenaam, geordend naar geslacht en familie- </VERS>
      <VERS vnumber="35">aantal ingeschrevenen voor de stam Manasse: 32.200. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Afstammelingen van Benjamin, alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder, met naam en toenaam, geordend naar geslacht en familie- </VERS>
      <VERS vnumber="37">aantal ingeschrevenen voor de stam Benjamin: 35.400. </VERS>
      <VERS vnumber="38">Afstammelingen van Dan, alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder, met naam en toenaam, geordend naar geslacht en familie- </VERS>
      <VERS vnumber="39">aantal ingeschrevenen voor de stam Dan: 62.700. </VERS>
      <VERS vnumber="40">Afstammelingen van Aser, alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder, met naam en toenaam, geordend naar geslacht en familie- </VERS>
      <VERS vnumber="41">aantal ingeschrevenen voor de stam Aser: 41.500. </VERS>
      <VERS vnumber="42">Afstammelingen van Naftali, alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder, met naam en toenaam, geordend naar geslacht en familie- </VERS>
      <VERS vnumber="43">aantal ingeschrevenen voor de stam Naftali: 53.400. </VERS>
      <VERS vnumber="44">Dit waren de aantallen die Mozes noteerde, samen met Aäron en de twaalf leiders van de Israëlieten, die elk aan het hoofd van een familie stonden. </VERS>
      <VERS vnumber="45">Het aantal weerbare Israëlieten van twintig jaar en ouder dat ingeschreven werd, geordend naar families, </VERS>
      <VERS vnumber="46">bedroeg in totaal 603.550. </VERS>
      <VERS vnumber="47">Degenen die tot de stam Levi behoorden werden niet ingeschreven. </VERS>
      <VERS vnumber="48">De HEER had namelijk tegen Mozes gezegd: </VERS>
      <VERS vnumber="49">'De stam Levi mag je niet inschrijven, je mag hen niet met de andere Israëlieten meetellen. </VERS>
      <VERS vnumber="50">Stel de Levieten aan over de tabernakel, waarin de verbondstekst bewaard wordt, en over alle bijbehorende voorwerpen. Zij moeten de tabernakel en alles wat erbij hoort dragen, ze zijn voor de tabernakel verantwoordelijk en moeten hun tenten eromheen opslaan. </VERS>
      <VERS vnumber="51">Wanneer de tabernakel verplaatst moet worden, dienen de Levieten hem af te breken, en wanneer hij wordt neergezet, is het hun taak hem weer op te bouwen. Iedere onbevoegde die te dicht bij het heiligdom komt zal gedood worden. </VERS>
      <VERS vnumber="52">Wanneer de Israëlieten hun kamp opslaan, ieder bij zijn eigen afdeling en bij zijn eigen vaandel, </VERS>
      <VERS vnumber="53">moeten de Levieten hun tenten opslaan rond de tabernakel met de verbondstekst, om te voorkomen dat het volk door mijn toorn getroffen wordt. De Levieten moeten zorg dragen voor de tabernakel.' </VERS>
      <VERS vnumber="54">De Israëlieten deden alles wat de HEER Mozes had opgedragen. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="2">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes en Aäron: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Wanneer de Israëlieten hun tenten opslaan, moeten ze dat doen rond de ontmoetingstent, op enige afstand ervan, ieder bij zijn eigen vaandel en bij de herkenningstekens van zijn familie. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Aan de oostkant, waar de zon opkomt, moeten de afdelingen van Juda zich bij hun vaandel legeren. Aanvoerder van de Judeeërs is Nachson, de zoon van Amminadab. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Zijn leger is volgens de telling 74.600 man sterk. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Aan dezelfde kant slaat de stam Issachar zijn tenten op. Hun aanvoerder is Netanel, de zoon van Suar. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Zijn leger telt 54.400 man. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Ook de stam Zebulon komt daar. Hun aanvoerder is Eliab, de zoon van Chelon. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Zijn leger telt 57.400 man. </VERS>
      <VERS vnumber="9">In totaal tellen de legerafdelingen van Juda 186.400 man. Zij moeten steeds het eerst opbreken. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Aan de zuidkant moeten de afdelingen van Ruben zich bij hun vaandel legeren. Aanvoerder van de Rubenieten is Elisur, de zoon van Seder. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Zijn leger is volgens de telling 46.500 man sterk. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Aan dezelfde kant slaat de stam Simeon zijn tenten op. Hun aanvoerder is Selumiël, de zoon van Surisaddai. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Zijn leger telt 59.300 man. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Ook de stam Gad komt daar. Hun aanvoerder is Eljasaf, de zoon van Deel. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Zijn leger telt 45.650 man. </VERS>
      <VERS vnumber="16">In totaal tellen de legerafdelingen van Ruben 151.450 man. Zij breken als tweede op. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Het leger van de Levieten, met de ontmoetingstent, bevindt zich midden tussen de andere legerafdelingen wanneer het kamp wordt opgebroken. Zoals de Israëlieten gelegerd zijn, zo moeten ze ook verder trekken, ieder op de voor hem bepaalde plaats, bij zijn eigen vaandel. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Aan de westkant moeten de afdelingen van Efraïm zich bij hun vaandel legeren. Aanvoerder van de Efraïmieten is Elisama, de zoon van Ammihud. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Zijn leger is volgens de telling 40.500 man sterk. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Aan dezelfde kant komt de stam Manasse. Hun aanvoerder is Gamliël, de zoon van Pedasur. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Zijn leger telt 32.200 man. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Ook de stam Benjamin komt daar. Hun aanvoerder is Abidan, de zoon van Gidoni. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Zijn leger telt 35.400 man. </VERS>
      <VERS vnumber="24">In totaal tellen de legerafdelingen van Efraïm 108.100 man. Zij breken als derde op. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Aan de noordkant moeten de afdelingen van Dan zich bij hun vaandel legeren. Aanvoerder van de Danieten is Achiëzer, de zoon van Ammisaddai. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Zijn leger is volgens de telling 62.700 man sterk. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Aan dezelfde kant slaat de stam Aser zijn tenten op. Hun aanvoerder is Pagiël, de zoon van Ochran. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Zijn leger telt 41.500 man. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Ook de stam Naftali komt daar. Hun aanvoerder is Achira, de zoon van Enan. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Zijn leger telt 53.400 man. </VERS>
      <VERS vnumber="31">In totaal tellen de legerafdelingen van Dan 157.600 man. Zij breken het laatst op, elke afdeling bij zijn eigen vaandel.' </VERS>
      <VERS vnumber="32">Het aantal Israëlieten dat ingeschreven was, geordend naar families, bedroeg voor het hele leger, voor alle afdelingen bij elkaar, 603.550. </VERS>
      <VERS vnumber="33">De Levieten waren niet met de andere Israëlieten meegeteld; zo had de HEER het Mozes opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="34">De Israëlieten deden alles wat de HEER Mozes had opgedragen: allen legerden zich bij hun eigen vaandel, en zo trokken ze ook weer verder, ingedeeld naar geslacht en familie. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="3">
      <VERS vnumber="1">Dit waren de nakomelingen van Aäron en Mozes in de tijd dat de HEER op de Sinai met Mozes sprak. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Dit zijn de namen van Aärons zonen: Nadab-de oudste-, Abihu, Eleazar en Itamar. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Dit waren de namen van Aärons zonen; zij waren tot priester gezalfd, zij waren aangesteld om het priesterambt te bekleden. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Nadab en Abihu waren bij het heiligdom gestorven toen ze de HEER in de Sinaiwoestijn vuur hadden aangeboden dat niet voldeed aan de voorschriften. Ze hadden geen zonen, zodat alleen Eleazar en Itamar overbleven om tijdens het leven van hun vader Aäron het priesterambt te bekleden. </VERS>
      <VERS vnumber="5">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="6">'Laat de stam Levi komen om zich in dienst te stellen van Aäron: zij moeten hem, de priester, behulpzaam zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Ze moeten zijn taken en die van de hele gemeenschap op zich nemen door in de ruimte voor de ontmoetingstent dienst te doen en werkzaamheden bij de tabernakel te verrichten. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Zij dragen zorg voor alle voorwerpen die bij de ontmoetingstent horen en verrichten namens de Israëlieten werkzaamheden bij de tabernakel. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Stel de Levieten volledig ter beschikking van Aäron en zijn zonen, zij moeten hem namens alle Israëlieten ten dienste staan. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Aäron en zijn zonen zelf moet je opdragen het priesterschap uit te oefenen. Iedere onbevoegde die te dicht bij het heiligdom komt zal gedood worden.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="12">'Ik maak de Levieten tot mijn eigendom. Zij zullen mij toebehoren in plaats van alle eerstgeboren Israëlieten, allen die als eerste de moederschoot verlaten. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Elke eerstgeborene komt mij immers toe: op de dag dat ik de eerstgeborenen in Egypte doodde, heb ik alle eerstgeborenen van Israël, zowel van de mensen als van de dieren, voor mijzelf bestemd. Mij behoren ze toe. Ik ben de HEER.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">Ook zei de HEER in de Sinaiwoestijn tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="15">'Schrijf de Levieten in, geordend naar familie en geslacht. Alle mannelijke personen van ‚‚n maand en ouder moeten worden ingeschreven.' </VERS>
      <VERS vnumber="16">Hierop schreef Mozes hen in, zoals de HEER hem geboden had. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Dit zijn de namen van de zonen van Levi: Gerson, Kehat en Merari. </VERS>
      <VERS vnumber="18">(18-20) De zonen van Gerson heetten Libni en Simi. De zonen van Kehat: Amram, Jishar, Chebron en Uzziël. De zonen van Merari: Machli en Musi. Naar hen werden de verschillende geslachten genoemd. Dit waren de geslachten van de Levieten, die elk weer onderverdeeld waren in families. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Van Gerson stamden de Libnieten en de Simieten af; dit waren de geslachten van de Gersonieten. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Het aantal mannelijke personen van ‚‚n maand en ouder dat werd ingeschreven, bedroeg 7500. </VERS>
      <VERS vnumber="23">De Gersonieten sloegen hun kamp op achter de tabernakel, aan de westkant. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Hun leider was Eljasaf, de zoon van Laël. </VERS>
      <VERS vnumber="25">De Gersonieten hadden wat de ontmoetingstent betreft de zorg voor de tabernakel, de tent daaroverheen en de dekkleden, het gordijn voor de ingang van de ontmoetingstent, </VERS>
      <VERS vnumber="26">de doeken waarmee de ruimte rond de tabernakel en het altaar afgeschermd was, het gordijn voor de ingang van de afgeschermde ruimte, en de touwen. Alles wat hiermee te maken had, was hun werk. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Van Kehat stamden de Amramieten, Jisharieten, Chebronieten en Uzziëlieten af; dat waren de geslachten van de Kehatieten. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Het aantal mannelijke personen van ‚‚n maand en ouder bedroeg 8600. Zij hadden de zorg voor de heilige ruimte. </VERS>
      <VERS vnumber="29">De Kehatieten sloegen hun kamp op aan een van de lange zijden van de tabernakel, en wel aan de zuidkant. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Hun leider was Elisafan, de zoon van Uzziël. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Zij hadden de zorg voor de ark, de tafel, de lampenstandaard, de altaren, de heilige voorwerpen die bij de dienst gebruikt werden en het voorhangsel. Alles wat hiermee te maken had, was hun werk. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Aan het hoofd van de leiders van de Levieten stond Eleazar, de zoon van de priester Aäron. Hij hield toezicht op degenen die de zorg voor de heilige ruimte hadden. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Van Merari stamden de Machlieten en de Musieten af; dat waren de geslachten van de Merarieten. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Het aantal mannelijke personen van ‚‚n maand en ouder dat werd ingeschreven, bedroeg 6200. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Hun leider was Suriël, de zoon van Abichaïl. Zij sloegen hun kamp op aan de andere lange zijde van de tabernakel, aan de noordkant. </VERS>
      <VERS vnumber="36">De Merarieten waren belast met de zorg voor de planken van de tabernakel, de dwarsbalken, palen en voetstukken en wat daarbij hoorde. Alles wat hiermee te maken had, was hun werk. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Ook droegen ze zorg voor de palen van de afgeschermde ruimte, voor de voetstukken, de pinnen en de touwen. </VERS>
      <VERS vnumber="38">Aan de voorzijde van de tabernakel, aan de oostkant, waar de zon opkomt, sloegen Mozes en Aäron en zijn zonen hun tenten op. Zij verzorgden namens de Israëlieten de dienst in het heiligdom. Iedere onbevoegde die te dicht bij het heiligdom kwam, werd gedood. </VERS>
      <VERS vnumber="39">Het totale aantal mannelijke Levieten van ‚‚n maand en ouder dat Mozes samen met Aäron in opdracht van de HEER inschreef, geordend naar geslacht, bedroeg 22.000. </VERS>
      <VERS vnumber="40">De HEER zei tegen Mozes: 'Leg een lijst aan van alle mannelijke eerstgeboren Israëlieten van ‚‚n maand en ouder en stel hun aantal vast. </VERS>
      <VERS vnumber="41">In de plaats van de eerstgeboren Israëlieten moet je de Levieten voor mij afzonderen, en in de plaats van het eerstgeboren vee van de Israëlieten moet je het vee van de Levieten afzonderen. Ik ben de HEER .' </VERS>
      <VERS vnumber="42">Mozes telde de eerstgeboren Israëlieten, zoals de HEER hem had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="43">Het totale aantal mannelijke eerstgeborenen van ‚‚n maand en ouder bedroeg 22.273. </VERS>
      <VERS vnumber="44">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="45">'Zonder de Levieten voor mij af in de plaats van de eerstgeboren Israëlieten, en het vee van de Levieten in de plaats van het vee van de Israëlieten. De Levieten behoren mij toe. Ik ben de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="46">(46-47) Voor elk van de tweehonderddrieënzeventig eerstgeboren Israëlieten die het aantal Levieten te boven gaan, moet je als losgeld vijf sjekel innen, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, twintig gera per sjekel. </VERS>
      <VERS vnumber="48">Draag dat geld af aan Aäron en zijn zonen, als losprijs voor hen die overblijven.' </VERS>
      <VERS vnumber="49">(49-50) Mozes inde het losgeld voor de eerstgeboren Israëlieten die het aantal dat door de Levieten was vrijgekocht te boven gingen; hij nam dertienhonderdvijfenzestig sjekel in ontvangst, volgens het ijkgewicht van het heiligdom. </VERS>
      <VERS vnumber="51">Hij gaf dit losgeld aan Aäron en zijn zonen, zoals de HEER hem geboden had. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="4">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes en Aäron: </VERS>
      <VERS vnumber="2">(2-3) 'Houd onder de Levieten een telling van de Kehatieten die tussen de dertig en vijftig jaar oud zijn en verplicht zijn werkzaamheden bij de ontmoetingstent te verrichten. Tel hen per geslacht en per familie. </VERS>
      <VERS vnumber="4">De Kehatieten hebben als taak zorg te dragen voor het allerheiligste in de ontmoetingstent. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Wanneer het kamp wordt opgebroken, moeten Aäron en zijn zonen het voorhangsel losmaken en er de ark met de verbondstekst mee bedekken. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Ze leggen er een kleed van zeekoevellen overheen, spreiden daarover een geheel blauwpurperen kleed en brengen de draagbomen aan. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Ook over de tafel voor de toonbroden moeten ze een blauwpurperen kleed spreiden; daar moet het voortdurend aanwezige brood op liggen. De schotels, schalen en kommen en de kannen voor de wijnoffers zetten ze op het kleed. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Daaroverheen spreiden ze een karmozijnrood kleed en een kleed van zeekoevellen, en ze brengen de draagbomen aan. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Met een blauwpurperen kleed moeten ze de lampenstandaard bedekken, de bijbehorende lampen, snuiters en bakjes en alle olievaatjes die erbij gebruikt worden. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Vervolgens zetten ze de standaard en alles wat erbij hoort op een draagbaar waarover een kleed van zeekoevellen ligt. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Over het gouden altaar spreiden ze een blauwpurperen kleed. Dit bedekken ze met een kleed van zeekoevellen, en ze brengen de draagbomen aan. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Alle voorwerpen die ze bij de dienst in het heiligdom gebruiken, moeten ze op een blauwpurperen kleed leggen, met een kleed van zeekoevellen bedekken en op een draagbaar leggen. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Ze verwijderen de as van het brandofferaltaar, spreiden er een roodpurperen kleed over, </VERS>
      <VERS vnumber="14">leggen daarop alle voorwerpen die erbij gebruikt worden-de vuurbakken, vorken, scheppen en offerschalen, kortom, al het altaargerei-, spreiden daar een kleed van zeekoevellen over en brengen de draagbomen aan. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Pas als Aäron en zijn zonen bij het opbreken van het kamp klaar zijn met het bedekken van het heiligdom en alle heilige voorwerpen, mogen de Kehatieten komen om ze te dragen. Zij mogen het heiligdom niet aanraken, anders sterven ze. Dat zijn de voorwerpen uit de ontmoetingstent die de Kehatieten moeten dragen. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Eleazar, de zoon van de priester Aäron, heeft het toezicht op de olie voor het licht, op het geurige reukwerk, het dagelijkse graanoffer en de zalfolie. Hij heeft het toezicht op de tabernakel en alles wat zich daarin bevindt, op het hele heiligdom en alle bijbehorende voorwerpen.' </VERS>
      <VERS vnumber="17">De HEER zei tegen Mozes en Aäron: </VERS>
      <VERS vnumber="18">'Zorg ervoor dat de Kehatitische tak van de Levieten niet wordt uitgeroeid. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Om te voorkomen dat zij te dicht bij het allerheiligste komen en sterven, moeten jullie het volgende doen: Aäron en zijn zonen komen bij hen en wijzen ieder van hen toe wat hij moet dragen. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Zelf mogen ze het heilige niet binnengaan, want als ze er ook maar een glimp van zouden opvangen, zouden ze sterven.' </VERS>
      <VERS vnumber="21">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="22">'Tel ook de Gersonieten, per familie en per geslacht. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Schrijf allen in die tussen de dertig en vijftig jaar oud zijn en verplicht zijn werkzaamheden bij de ontmoetingstent te verrichten. </VERS>
      <VERS vnumber="24">De Gersonieten hebben bij het vervoer de volgende taak: </VERS>
      <VERS vnumber="25">zij dragen de kleden van de tabernakel en van de tent daaroverheen, het dekkleed en het kleed van zeekoevellen dat daaroverheen ligt, het gordijn voor de ingang van de ontmoetingstent, </VERS>
      <VERS vnumber="26">de doeken van de ruimte die rond de tabernakel en het altaar afgeschermd is en het gordijn voor de ingang van de afgeschermde ruimte, met de touwen en alles wat er verder bij hoort. Alle werkzaamheden die hiermee verband houden, maken deel uit van hun taak. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Alle taken die de Gersonieten bij het vervoer hebben, moeten worden verricht volgens de aanwijzingen van Aäron en zijn zonen, en jijzelf moet nauwkeurig aangeven wat ze moeten dragen. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Dit is de taak die de Gersonieten bij het vervoer van de ontmoetingstent hebben. Ze moeten hun werk verrichten onder leiding van Itamar, de zoon van de priester Aäron. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Wat de Merarieten betreft, ook hen moet je geordend naar geslacht en familie inschrijven, </VERS>
      <VERS vnumber="30">en wel allen die tussen de dertig en vijftig jaar oud zijn en verplicht zijn werkzaamheden bij de ontmoetingstent te verrichten. </VERS>
      <VERS vnumber="31">De taak die zij bij het vervoer van de ontmoetingstent hebben, is het dragen van de planken van de tabernakel, de dwarsbalken, de palen en voetstukken, </VERS>
      <VERS vnumber="32">en de palen van de omheining, met de pinnen en de touwen en wat er verder bij hoort. Alles wat hiermee te maken heeft, is hun werk. Leg een lijst aan van alle voorwerpen waarvoor zij bij het vervoer zorg moeten dragen. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Dit is de taak die de Merarieten bij het vervoer van de ontmoetingstent hebben. Ze moeten die verrichten onder leiding van Itamar, de zoon van de priester Aäron.' </VERS>
      <VERS vnumber="34">Mozes, Aäron en de leiders van de gemeenschap schreven, geordend naar geslacht en familie, alle Kehatieten in </VERS>
      <VERS vnumber="35">die tussen de dertig en vijftig jaar oud waren en verplicht waren werkzaamheden bij de ontmoetingstent te verrichten. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Het aantal ingeschrevenen, geordend naar geslacht, bedroeg 2750. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Dit was het aantal Kehatieten dat werkzaam was bij de ontmoetingstent en dat door Mozes en Aäron werd ingeschreven, zoals de HEER het Mozes geboden had. </VERS>
      <VERS vnumber="38">Het aantal Gersonieten dat, geordend naar geslacht en familie, werd ingeschreven, </VERS>
      <VERS vnumber="39">allen die tussen de dertig en vijftig jaar oud waren en verplicht waren werkzaamheden bij de ontmoetingstent te verrichten, </VERS>
      <VERS vnumber="40">dit aantal ingeschrevenen, geordend naar geslacht en familie, bedroeg 2630. </VERS>
      <VERS vnumber="41">Dit was het aantal Gersonieten dat werkzaam was bij de ontmoetingstent en dat door Mozes en Aäron werd ingeschreven, zoals de HEER geboden had. </VERS>
      <VERS vnumber="42">Het aantal Merarieten dat, geordend naar geslacht en familie, werd ingeschreven, </VERS>
      <VERS vnumber="43">allen die tussen de dertig en vijftig jaar oud waren en verplicht waren werkzaamheden bij de ontmoetingstent te verrichten, </VERS>
      <VERS vnumber="44">dit aantal ingeschrevenen, geordend naar geslacht, bedroeg 3200. </VERS>
      <VERS vnumber="45">Dit was het aantal Merarieten dat door Mozes en Aäron werd ingeschreven, zoals de HEER het Mozes geboden had. </VERS>
      <VERS vnumber="46">Het totale aantal Levieten dat door Mozes, Aäron en de leiders van de Israëlieten werd ingeschreven, geordend naar geslacht en familie, </VERS>
      <VERS vnumber="47">allen die tussen de dertig en vijftig jaar oud waren en verplicht waren werkzaamheden bij de ontmoetingstent te verrichten en te helpen bij het dragen ervan, </VERS>
      <VERS vnumber="48">dit aantal bedroeg 8580. </VERS>
      <VERS vnumber="49">Zoals de HEER had geboden, werden ze onder leiding van Mozes ingeschreven overeenkomstig de taak die ieder van hen bij het vervoer had. Zo had de HEER het Mozes opgedragen. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="5">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Geef de Israëlieten opdracht om iedereen die aan huidvraat lijdt of onrein vocht verliest en iedereen die onrein is doordat hij met een lijk in aanraking is geweest, het kamp uit te sturen. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Dit geldt voor zowel mannen als vrouwen. Stuur hen weg, want anders verontreinigen ze het kamp, waarin ik te midden van het volk woon.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">De Israëlieten deden wat de HEER tegen Mozes gezegd had en stuurden hen het kamp uit. </VERS>
      <VERS vnumber="5">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="6">'Zeg tegen de Israëlieten: "Wanneer een man of vrouw een ander iets misdaan heeft en daarmee ontrouw is geworden aan de HEER en schuld op zich geladen heeft, </VERS>
      <VERS vnumber="7">moet zo iemand openlijk uitspreken wat hij heeft misdaan en een volledige schadevergoeding, vermeerderd met een vijfde, betalen aan degene die hij heeft benadeeld. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Is er niemand aan wie de schuld vergoed kan worden, dan valt het verschuldigde toe aan de HEER en komt het de priester ten goede, net als de ram waarmee hij de verzoeningsrite voor de schuldige voltrekt. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Ook krijgt de priester van de heilige gaven van de Israëlieten het deel dat ze aan hem afstaan. </VERS>
      <VERS vnumber="10">De heilige gaven blijven het eigendom van wie ze aanbiedt, maar geeft iemand er iets van aan de priester, dan is dat voor hem."' </VERS>
      <VERS vnumber="11">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="12">'Zeg tegen de Israëlieten: "Stel dat iemands vrouw hem ontrouw is geweest door overspel te plegen, </VERS>
      <VERS vnumber="13">dat een ander gemeenschap met haar heeft gehad; haar man weet er niet van, het is niet aan het licht gekomen dat ze zich verontreinigd heeft, omdat ze niet betrapt is en door niemand is aangeklaagd. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Wanneer zo'n man zijn vrouw, die zich verontreinigd heeft, in een vlaag van jaloezie wantrouwt, of wanneer iemand uit jaloezie zijn vrouw wantrouwt zonder dat ze zich verontreinigd heeft, </VERS>
      <VERS vnumber="15">dan moet die man met zijn vrouw naar de priester gaan en als offergave voor haar een tiende efa gerstemeel meenemen. Hij mag er geen olijfolie over gieten en er geen wierook op leggen, want het is een graanoffer dat uit jaloezie voortkomt, een graanoffer dat een zonde in herinnering brengt. </VERS>
      <VERS vnumber="16">De priester laat de vrouw naar voren komen en brengt haar voor de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Hij vult een kom met heilig water en vermengt dat met stof dat op de vloer van de tabernakel ligt. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Nadat de priester de vrouw voor de HEER heeft gebracht, maakt hij haar hoofdhaar los en legt hij het herinneringsoffer, het graanoffer van de jaloezie, op haar handpalmen. Zelf heeft hij het bittere, vloekbrengende water in zijn hand. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Dan spreekt de priester deze bezwering over de vrouw uit: 'Als niemand anders dan uw eigen man gemeenschap met u heeft gehad, als u zich als gehuwde vrouw niet verontreinigd hebt door overspel te plegen, dan zal dit bittere, vloekbrengende water u niet deren. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Maar als u zich als gehuwde vrouw verontreinigd hebt door overspel te plegen, als een ander dan uw eigen man gemeenschap met u heeft gehad, dan' </VERS>
      <VERS vnumber="21">-zo spreekt de priester de bezwering en vervloeking over de vrouw uit-'zal de HEER maken dat uw naam genoemd wordt in de vervloekingen die er bij uw volk worden uitgesproken: hij zal uw schoot laten verschrompelen en uw buik laten opzwellen. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Wanneer dit vloekbrengende water in uw ingewanden komt, zwelt uw buik op en verschrompelt uw schoot.' De vrouw zegt hierop: 'Amen, amen.' </VERS>
      <VERS vnumber="23">Dan schrijft de priester deze vervloeking op een blad en lost hij het geschrevene op in het bittere water. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Dat bittere, vloekbrengende water moet hij de vrouw te drinken geven, zodat het in haar lichaam komt en zijn bittere uitwerking heeft. </VERS>
      <VERS vnumber="25">De priester neemt het graanoffer van de jaloezie van haar handen, biedt het de HEER als offergave aan en brengt het naar het altaar. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Hij neemt er een handvol van af en verbrandt dat als teken van de hele offergave op het altaar. Vervolgens geeft hij de vrouw het water te drinken. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Als ze zich verontreinigd heeft en ontrouw is geweest aan haar man, zal het vloekbrengende water dat hij haar te drinken geeft in haar lichaam zijn bittere uitwerking hebben. Haar buik zal opzwellen en haar schoot verschrompelen, en de naam van die vrouw zal bij haar volk genoemd worden wanneer men iemand vervloekt. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Maar als de vrouw zich niet verontreinigd heeft, als ze rein is, blijft ze ongedeerd en kan ze nog zwanger worden. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Dit is het voorschrift voor gevallen van jaloezie, als een gehuwde vrouw zich verontreinigt door overspel te plegen, </VERS>
      <VERS vnumber="30">of als een man zijn vrouw in een vlaag van jaloezie wantrouwt. De man moet de vrouw voor de HEER brengen en de priester moet dit voorschrift nauwgezet volgen. </VERS>
      <VERS vnumber="31">De man gaat vrijuit, de vrouw moet boeten voor wat ze misdaan heeft."' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="6">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Zeg tegen de Israëlieten: "Wanneer een man of vrouw een bijzondere gelofte aflegt om zich als nazireeër aan de HEER te wijden, </VERS>
      <VERS vnumber="3">moet zo iemand zich onthouden van wijn en andere drank. Hij mag ook geen verzuurde wijn drinken, geen andere verzuurde drank en geen druivensap, en hij mag geen verse of gedroogde druiven eten. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Zolang zijn nazireeërschap duurt, mag hij niets eten dat van de wijnstok afkomstig is, zelfs niet iets dat van de pitten en velletjes gemaakt wordt. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Ook mag, zolang zijn nazireeërgelofte geldt, zijn hoofd niet door een scheermes worden aangeraakt; gedurende de hele periode dat hij aan de HEER gewijd is, is hij heilig en moet hij zijn hoofdhaar laten groeien. </VERS>
      <VERS vnumber="6">En zolang hij aan de HEER gewijd is, mag hij niet in de buurt van een dode komen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Zelfs als zijn vader of moeder of zijn broer of zuster sterft, mag hij zich niet verontreinigen door bij hen te komen, want op zijn hoofd draagt hij het teken dat hij aan God gewijd is. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Zolang zijn nazireeërschap duurt, is hij aan de HEER gewijd. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Maar wanneer zijn hoofdhaar verontreinigd wordt doordat er geheel onverwachts in zijn nabijheid iemand sterft, moet hij zich op de zevende dag reinigen door zijn hoofdhaar af te scheren. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Op de achtste dag moet hij de priester, bij de ingang van de ontmoetingstent, twee tortelduiven of twee jonge gewone duiven brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">De priester moet dan de ene duif als reinigingsoffer opdragen en de andere als brandoffer en zo verzoening voor hem bewerken, omdat hij schuld op zich heeft geladen door in de nabijheid van de dode te komen. Diezelfde dag moet hij zijn hoofd weer heiligen, </VERS>
      <VERS vnumber="12">zich opnieuw voor eenzelfde tijdsduur als nazireeër aan de HEER wijden, en een eenjarige ram als hersteloffer aanbieden. De vorige periode telt niet meer, vanwege de ontwijding van zijn nazireeërschap. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Wanneer de periode van het nazireeërschap voorbij is, gelden de volgende voorschriften: De nazireeër moet naar de ingang van de ontmoetingstent gebracht worden, </VERS>
      <VERS vnumber="14">en daar moet hij de HEER een offergave aanbieden: een eenjarige ram zonder enig gebrek als brandoffer, een eenjarige ooi zonder enig gebrek als reinigingsoffer en een volwassen ram zonder enig gebrek als vredeoffer, </VERS>
      <VERS vnumber="15">verder een mand met ongedesemd tarwebrood, dikke broden, met olijfolie bereid, en dunne ongedesemde broden, met olijfolie bestreken, en de bijbehorende graan- en wijnoffers. </VERS>
      <VERS vnumber="16">De priester biedt dit aan de HEER aan en draagt het reinigingsoffer en het brandoffer voor de nazireeër op. </VERS>
      <VERS vnumber="17">De volwassen ram bereidt hij als vredeoffer ter ere van de HEER en hij biedt daarbij de mand met ongedesemd brood en het bijbehorende graanoffer en wijnoffer aan. </VERS>
      <VERS vnumber="18">De nazireeër scheert voor de ingang van de ontmoetingstent zijn hoofdhaar af, het teken van zijn nazireeërschap, en gooit dat in het vuur onder het vredeoffer. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Nadat de nazireeër zijn haar afgeschoren heeft, neemt de priester een gekookt schouderstuk van de ram en een dik en een dun ongedesemd brood uit de mand, en legt dit alles op de handpalmen van de nazireeër. </VERS>
      <VERS vnumber="20">De priester biedt het de HEER als offergave aan. Het is heilig en bestemd voor de priester, evenals het borststuk en de rechterachterbout. Daarna mag de nazireeër weer wijn drinken. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Dit zijn de voorschriften voor de nazireeër, die op grond van zijn wijding de HEER een offergave verschuldigd is. Volgens de voorschriften met betrekking tot het nazireeërschap moet hij de belofte die hij gedaan heeft nauwkeurig nakomen. Als hij het zich veroorloven kan, mag hij nog meer geven."' </VERS>
      <VERS vnumber="22">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="23">'Zeg tegen Aäron en zijn zonen dat zij de Israëlieten met deze woorden moeten zegenen: </VERS>
      <VERS vnumber="24">"Moge de HEER u zegenen en u beschermen, </VERS>
      <VERS vnumber="25">moge de HEER het licht van zijn gelaat over u doen schijnen en u genadig zijn, </VERS>
      <VERS vnumber="26">moge de HEER u zijn gelaat toewenden en u vrede geven." </VERS>
      <VERS vnumber="27">Als zij mijn naam over het volk uitspreken, zal ik de Israëlieten zegenen.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="7">
      <VERS vnumber="1">Op de dag waarop Mozes de laatste hand legde aan het opbouwen van de tabernakel, zalfde hij die, met alle toebehoren, en ook het altaar en het altaargerei; zo heiligde hij alles. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Daarna brachten de leiders van de Israëlieten, de familiehoofden die aan het hoofd van de stammen stonden en de leiding hadden bij de inschrijving, </VERS>
      <VERS vnumber="3">de HEER geschenken: zes overhuifde wagens en twaalf ossen-elk tweetal leiders gaf gezamenlijk een wagen en ieder van hen afzonderlijk gaf een os. Toen ze die voor de tabernakel hadden gezet, </VERS>
      <VERS vnumber="4">zei de HEER tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="5">'Neem deze geschenken van hen aan en gebruik ze ten behoeve van de ontmoetingstent. Stel ze ter beschikking van de Levieten, afhankelijk van de taak die ieder heeft.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">Daarop gaf Mozes de wagens en de ossen aan de Levieten. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Aan de Gersonieten gaf hij twee wagens en vier ossen, rekening houdend met hun taken, </VERS>
      <VERS vnumber="8">en aan de Merarieten gaf hij vier wagens en acht ossen, in overeenstemming met de taken die zij onder leiding van Itamar, de zoon van de priester Aäron, zouden verrichten. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Aan de Kehatieten gaf hij niets, omdat zij de zorg hadden gekregen voor de heiligste voorwerpen, die op de schouders gedragen moesten worden. </VERS>
      <VERS vnumber="10">De leiders van Israël brachten ook geschenken voor de inwijding van het altaar. Toen ze op de dag waarop het gezalfd werd met hun geschenken bij het altaar kwamen, </VERS>
      <VERS vnumber="11">zei de HEER tegen Mozes: 'Laat elke dag een van hen zijn geschenken voor de inwijding van het altaar aanbieden.' </VERS>
      <VERS vnumber="12">Degene die op de eerste dag zijn geschenken aanbood was Nachson, de zoon van Amminadab, uit de stam Juda. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sjekel woog, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, en een zilveren offerschaal van zeventig sjekel, beide gevuld met tarwebloem vermengd met olijfolie, bestemd voor een graanoffer; </VERS>
      <VERS vnumber="14">een gouden schaal van tien sjekel, gevuld met reukwerk; </VERS>
      <VERS vnumber="15">een jonge stier, een volwassen ram en een eenjarige ram als brandoffer; </VERS>
      <VERS vnumber="16">een bok als reinigingsoffer, </VERS>
      <VERS vnumber="17">en twee runderen, vijf volwassen rammen, vijf bokken en vijf eenjarige rammen als vredeoffer. Dat was het geschenk van Nachson, de zoon van Amminadab. </VERS>
      <VERS vnumber="18">De tweede dag bood Netanel, de zoon van Suar, het hoofd van de stam Issachar, zijn geschenken aan. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Hij schonk een zilveren schotel die honderddertig sjekel woog, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, en een zilveren offerschaal van zeventig sjekel, beide gevuld met tarwebloem vermengd met olijfolie, bestemd voor een graanoffer; </VERS>
      <VERS vnumber="20">een gouden schaal van tien sjekel, gevuld met reukwerk; </VERS>
      <VERS vnumber="21">een jonge stier, een volwassen ram en een eenjarige ram als brandoffer; </VERS>
      <VERS vnumber="22">een bok als reinigingsoffer, </VERS>
      <VERS vnumber="23">en twee runderen, vijf volwassen rammen, vijf bokken en vijf eenjarige rammen als vredeoffer. Dat was het geschenk van Netanel, de zoon van Suar. </VERS>
      <VERS vnumber="24">De derde dag kwam het hoofd van de Zebulonieten, Eliab, de zoon van Chelon. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sjekel woog, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, en een zilveren offerschaal van zeventig sjekel, beide gevuld met tarwebloem vermengd met olijfolie, bestemd voor een graanoffer; </VERS>
      <VERS vnumber="26">een gouden schaal van tien sjekel, gevuld met reukwerk; </VERS>
      <VERS vnumber="27">een jonge stier, een volwassen ram en een eenjarige ram als brandoffer; </VERS>
      <VERS vnumber="28">een bok als reinigingsoffer, </VERS>
      <VERS vnumber="29">en twee runderen, vijf volwassen rammen, vijf bokken en vijf eenjarige rammen als vredeoffer. Dat was het geschenk van Eliab, de zoon van Chelon. </VERS>
      <VERS vnumber="30">De vierde dag kwam het hoofd van de Rubenieten, Elisur, de zoon van Seder. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sjekel woog, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, en een zilveren offerschaal van zeventig sjekel, beide gevuld met tarwebloem vermengd met olijfolie, bestemd voor een graanoffer; </VERS>
      <VERS vnumber="32">een gouden schaal van tien sjekel, gevuld met reukwerk; </VERS>
      <VERS vnumber="33">een jonge stier, een volwassen ram en een eenjarige ram als brandoffer; </VERS>
      <VERS vnumber="34">een bok als reinigingsoffer, </VERS>
      <VERS vnumber="35">en twee runderen, vijf volwassen rammen, vijf bokken en vijf eenjarige rammen als vredeoffer. Dat was het geschenk van Elisur, de zoon van Seder. </VERS>
      <VERS vnumber="36">De vijfde dag kwam het hoofd van de Simeonieten, Selumiël, de zoon van Surisaddai. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sjekel woog, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, en een zilveren offerschaal van zeventig sjekel, beide gevuld met tarwebloem vermengd met olijfolie, bestemd voor een graanoffer; </VERS>
      <VERS vnumber="38">een gouden schaal van tien sjekel, gevuld met reukwerk; </VERS>
      <VERS vnumber="39">een jonge stier, een volwassen ram en een eenjarige ram als brandoffer; </VERS>
      <VERS vnumber="40">een bok als reinigingsoffer, </VERS>
      <VERS vnumber="41">en twee runderen, vijf volwassen rammen, vijf bokken en vijf eenjarige rammen als vredeoffer. Dat was het geschenk van Selumiël, de zoon van Surisaddai. </VERS>
      <VERS vnumber="42">De zesde dag kwam het hoofd van de Gadieten, Eljasaf, de zoon van Deel. </VERS>
      <VERS vnumber="43">Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sjekel woog, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, en een zilveren offerschaal van zeventig sjekel, beide gevuld met tarwebloem vermengd met olijfolie, bestemd voor een graanoffer; </VERS>
      <VERS vnumber="44">een gouden schaal van tien sjekel, gevuld met reukwerk; </VERS>
      <VERS vnumber="45">een jonge stier, een volwassen ram en een eenjarige ram als brandoffer; </VERS>
      <VERS vnumber="46">een bok als reinigingsoffer, </VERS>
      <VERS vnumber="47">en twee runderen, vijf volwassen rammen, vijf bokken en vijf eenjarige rammen als vredeoffer. Dat was het geschenk van Eljasaf, de zoon van Deel. </VERS>
      <VERS vnumber="48">De zevende dag kwam het hoofd van de Efraïmieten, Elisama, de zoon van Ammihud. </VERS>
      <VERS vnumber="49">Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sjekel woog, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, en een zilveren offerschaal van zeventig sjekel, beide gevuld met tarwebloem vermengd met olijfolie, bestemd voor een graanoffer; </VERS>
      <VERS vnumber="50">een gouden schaal van tien sjekel, gevuld met reukwerk; </VERS>
      <VERS vnumber="51">een jonge stier, een volwassen ram en een eenjarige ram als brandoffer; </VERS>
      <VERS vnumber="52">een bok als reinigingsoffer, </VERS>
      <VERS vnumber="53">en twee runderen, vijf volwassen rammen, vijf bokken en vijf eenjarige rammen als vredeoffer. Dat was het geschenk van Elisama, de zoon van Ammihud. </VERS>
      <VERS vnumber="54">De achtste dag kwam het hoofd van de Manassieten, Gamliël, de zoon van Pedasur. </VERS>
      <VERS vnumber="55">Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sjekel woog, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, en een zilveren offerschaal van zeventig sjekel, beide gevuld met tarwebloem vermengd met olijfolie, bestemd voor een graanoffer; </VERS>
      <VERS vnumber="56">een gouden schaal van tien sjekel, gevuld met reukwerk; </VERS>
      <VERS vnumber="57">een jonge stier, een volwassen ram en een eenjarige ram als brandoffer; </VERS>
      <VERS vnumber="58">een bok als reinigingsoffer, </VERS>
      <VERS vnumber="59">en twee runderen, vijf volwassen rammen, vijf bokken en vijf eenjarige rammen als vredeoffer. Dat was het geschenk van Gamliël, de zoon van Pedasur. </VERS>
      <VERS vnumber="60">De negende dag kwam het hoofd van de Benjaminieten, Abidan, de zoon van Gidoni. </VERS>
      <VERS vnumber="61">Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sjekel woog, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, en een zilveren offerschaal van zeventig sjekel, beide gevuld met tarwebloem vermengd met olijfolie, bestemd voor een graanoffer; </VERS>
      <VERS vnumber="62">een gouden schaal van tien sjekel, gevuld met reukwerk; </VERS>
      <VERS vnumber="63">een jonge stier, een volwassen ram en een eenjarige ram als brandoffer; </VERS>
      <VERS vnumber="64">een bok als reinigingsoffer, </VERS>
      <VERS vnumber="65">en twee runderen, vijf volwassen rammen, vijf bokken en vijf eenjarige rammen als vredeoffer. Dat was het geschenk van Abidan, de zoon van Gidoni. </VERS>
      <VERS vnumber="66">De tiende dag kwam het hoofd van de Danieten, Achiëzer, de zoon van Ammisaddai. </VERS>
      <VERS vnumber="67">Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sjekel woog, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, en een zilveren offerschaal van zeventig sjekel, beide gevuld met tarwebloem vermengd met olijfolie, bestemd voor een graanoffer; </VERS>
      <VERS vnumber="68">een gouden schaal van tien sjekel, gevuld met reukwerk; </VERS>
      <VERS vnumber="69">een jonge stier, een volwassen ram en een eenjarige ram als brandoffer; </VERS>
      <VERS vnumber="70">een bok als reinigingsoffer, </VERS>
      <VERS vnumber="71">en twee runderen, vijf volwassen rammen, vijf bokken en vijf eenjarige rammen als vredeoffer. Dat was het geschenk van Achiëzer, de zoon van Ammisaddai. </VERS>
      <VERS vnumber="72">De elfde dag kwam het hoofd van de Aserieten, Pagiël, de zoon van Ochran. </VERS>
      <VERS vnumber="73">Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sjekel woog, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, en een zilveren offerschaal van zeventig sjekel, beide gevuld met tarwebloem vermengd met olijfolie, bestemd voor een graanoffer; </VERS>
      <VERS vnumber="74">een gouden schaal van tien sjekel, gevuld met reukwerk; </VERS>
      <VERS vnumber="75">een jonge stier, een volwassen ram en een eenjarige ram als brandoffer; </VERS>
      <VERS vnumber="76">een bok als reinigingsoffer, </VERS>
      <VERS vnumber="77">en twee runderen, vijf volwassen rammen, vijf bokken en vijf eenjarige rammen als vredeoffer. Dat was het geschenk van Pagiël, de zoon van Ochran. </VERS>
      <VERS vnumber="78">De twaalfde dag kwam het hoofd van de Naftalieten, Achira, de zoon van Enan. </VERS>
      <VERS vnumber="79">Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sjekel woog, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, en een zilveren offerschaal van zeventig sjekel, beide gevuld met tarwebloem vermengd met olijfolie, bestemd voor een graanoffer; </VERS>
      <VERS vnumber="80">een gouden schaal van tien sjekel, gevuld met reukwerk; </VERS>
      <VERS vnumber="81">een jonge stier, een volwassen ram en een eenjarige ram als brandoffer; </VERS>
      <VERS vnumber="82">een bok als reinigingsoffer, </VERS>
      <VERS vnumber="83">en twee runderen, vijf volwassen rammen, vijf bokken en vijf eenjarige rammen als vredeoffer. Dat was het geschenk van Achira, de zoon van Enan. </VERS>
      <VERS vnumber="84">Dit waren de geschenken die de leiders van de Israëlieten voor de inwijding van het altaar aanboden op de dag dat het gezalfd werd: allereerst twaalf zilveren schotels, twaalf zilveren offerschalen en twaalf gouden schalen. </VERS>
      <VERS vnumber="85">Gewicht per zilveren schotel: honderddertig sjekel; gewicht per offerschaal: zeventig; in totaal wogen deze zilveren voorwerpen vierentwintighonderd sjekel, volgens het ijkgewicht van het heiligdom. </VERS>
      <VERS vnumber="86">Gewicht van elk van de twaalf met reukwerk gevulde gouden schalen: tien sjekel, volgens het ijkgewicht van het heiligdom; in totaal wogen deze gouden schalen honderdtwintig sjekel. </VERS>
      <VERS vnumber="87">Verder in totaal twaalf jonge stieren, twaalf volwassen rammen en twaalf eenjarige rammen als dieren voor de brandoffers, met de bijbehorende graanoffers; twaalf bokken voor de reinigingsoffers, </VERS>
      <VERS vnumber="88">en in totaal vierentwintig jonge stieren, zestig volwassen rammen, zestig bokken en zestig eenjarige rammen als dieren voor de vredeoffers. Dat waren de geschenken die voor de inwijding van het altaar werden aangeboden, nadat het gezalfd was. </VERS>
      <VERS vnumber="89">Telkens als Mozes de ontmoetingstent binnenging om met de HEER te spreken, hoorde hij een stem die tot hem sprak vanaf een plaats boven de verzoeningsplaat op de ark met de verbondstekst, tussen de twee cherubs. Zo sprak de HEER tot hem. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="8">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Zeg tegen Aäron dat hij de lampen zo op de standaard zet dat het licht van alle zeven lampen naar voren valt.' </VERS>
      <VERS vnumber="3">Aäron deed dit; hij zette de lampen zo op de standaard dat het licht naar voren viel, zoals de HEER Mozes had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="4">De hele lampenstandaard, van de voet tot aan de bloemversiering bovenaan, was uit ‚‚n stuk goud gedreven. Hij was gemaakt volgens het voorbeeld dat de HEER aan Mozes had laten zien. </VERS>
      <VERS vnumber="5">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="6">'Zonder de Levieten van de overige Israëlieten af en reinig hen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Je moet hen besprenkelen met reinigingswater, en vervolgens moeten ze hun hele lichaam scheren en hun kleren wassen. Daarna zijn ze rein. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Dan moeten ze een jonge stier brengen met het bijbehorende graanoffer van tarwebloem vermengd met olijfolie. Laat zelf een tweede jonge stier brengen voor een reinigingsoffer. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Draag de Levieten op om naar de ruimte voor de ontmoetingstent te gaan en roep de voltallige gemeenschap van Israël bijeen. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Wanneer je de Levieten zo voor de HEER hebt gebracht, moeten de Israëlieten hun de hand opleggen </VERS>
      <VERS vnumber="11">en moet Aäron hen namens de Israëlieten als offergave aan de HEER aanbieden; zij zijn bestemd voor de dienst van de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Laat de Levieten hun hand op de kop van de jonge stieren leggen, en draag daarna de ene stier als reinigingsoffer en de andere als brandoffer aan de HEER op om verzoening voor de Levieten te bewerken. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Stel de Levieten ter beschikking van Aäron en zijn zonen en bied hen als offergave aan de HEER aan. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Zo zonder je hen van de overige Israëlieten af en worden ze mijn eigendom. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Nadat je de Levieten gereinigd hebt en hen als offergave hebt aangeboden, mogen ze bij de ontmoetingstent dienst doen. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Ze zijn bestemd om volledig aan mij te worden afgestaan. Ik heb hen voor mijzelf uitgekozen in de plaats van alle eerstgeborenen onder de Israëlieten, allen die als eerste de moederschoot verlaten. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Alle eerstgeborenen van Israël, zowel van de mensen als van de dieren, behoren mij immers toe: op de dag dat ik de eerstgeborenen in Egypte doodde, heb ik hen voor mijzelf bestemd, </VERS>
      <VERS vnumber="18">en in de plaats van de eerstgeboren Israëlieten heb ik de Levieten uitgekozen. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Ik heb hen volledig ter beschikking van Aäron en zijn zonen gesteld. De Levieten moeten als vertegenwoordigers van de Israëlieten werkzaamheden bij de ontmoetingstent verrichten en verzoening voor de Israëlieten bewerken. Zo voorkomen zij dat de Israëlieten, wanneer iemand te dicht bij het heiligdom komt, door een plaag getroffen worden.' </VERS>
      <VERS vnumber="20">Mozes en Aäron en heel Israël voerden alles uit wat de HEER Mozes met betrekking tot de Levieten had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="21">De Levieten reinigden zich en wasten hun kleren, en Aäron bood hen als offergave aan de HEER aan en voltrok de verzoeningsrite aan hen. Zo reinigde hij hen. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Daarna konden de Levieten hun werkzaamheden bij de ontmoetingstent verrichten, onder toezicht van Aäron en zijn zonen. Alles wat de HEER Mozes met betrekking tot de Levieten had opgedragen, werd uitgevoerd. </VERS>
      <VERS vnumber="23">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="24">'Voor de Levieten geldt dit voorschrift: iedereen van vijfentwintig jaar of ouder moet werkzaamheden bij de ontmoetingstent verrichten. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Wie vijftig jaar is, is van die verplichting ontslagen en hoeft niet langer dienst te doen. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Wel mag hij zijn verwanten nog behulpzaam zijn bij het verrichten van hun werk bij de ontmoetingstent. Zo moet je het werk van de Levieten regelen.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="9">
      <VERS vnumber="1">In de eerste maand van het tweede jaar na de uittocht uit Egypte richtte de HEER zich in de Sinaiwoestijn tot Mozes. Hij zei: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'De Israëlieten moeten op de daarvoor vastgestelde tijd het pesachoffer bereiden. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Dat moet gebeuren op de veertiende dag van deze maand, in de avondschemer, op de vastgestelde tijd, met inachtneming van alle voorschriften en regels die ervoor gelden.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Mozes droeg de Israëlieten op het pesachoffer te bereiden, </VERS>
      <VERS vnumber="5">en zo vierden ze op de veertiende dag van de eerste maand, in de avondschemer, in de Sinaiwoestijn het pesachfeest; ze vierden het precies zoals de HEER het Mozes geboden had. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Nu waren sommigen onrein doordat ze met een lijk in aanraking waren geweest, zodat ze die dag geen Pesach konden vieren. Ze wendden zich nog dezelfde dag tot Mozes en Aäron. </VERS>
      <VERS vnumber="7">'Wij zijn onrein doordat we met een dode in aanraking zijn geweest, 'zeiden ze. 'Moet dat echt een beletsel zijn om samen met de andere Israëlieten op de vastgestelde tijd ons offer aan de HEER te brengen?' </VERS>
      <VERS vnumber="8">'Wacht hier, 'antwoordde Mozes, 'dan ga ik vragen wat de HEER van u verlangt.' </VERS>
      <VERS vnumber="9">Toen zei de HEER tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="10">'Zeg tegen de Israëlieten: "Wanneer iemand van u of van uw nakomelingen onrein is doordat hij met een lijk in aanraking is geweest of wanneer iemand een verre reis maakt, en hij wil toch ter ere van de HEER het pesachoffer bereiden, </VERS>
      <VERS vnumber="11">dan moet hij dat doen in de tweede maand, op de veertiende dag, in de avondschemer. Hij moet er ongedesemd brood en bittere kruiden bij eten. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Er mag van het offerdier niets overblijven tot de volgende morgen, en de botten mogen niet gebroken worden. Alle voorschriften voor het pesachfeest moeten nauwkeurig in acht genomen worden. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Maar wie rein is en niet op reis en desondanks nalaat het pesachoffer te bereiden, moet uit de gemeenschap gestoten worden omdat hij de HEER niet op de vastgestelde tijd zijn offer heeft gebracht. Zo iemand moet de gevolgen van zijn zonde dragen. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Wil een vreemdeling die bij u woont ter ere van de HEER een pesachoffer bereiden, dan moet hij dat doen met inachtneming van de voorschriften en regels die voor Pesach gelden. Voor vreemdelingen en voor geboren Israëlieten geldt een en dezelfde wet."' </VERS>
      <VERS vnumber="15">Op de dag waarop de tabernakel met de verbondstekst was opgebouwd, werd hij overdekt door een wolk. Die avond was de wolk als een lichtend vuur boven de tabernakel te zien, en dat bleef zo tot de volgende morgen. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Zo was het voortdurend: de wolk overdekte de tabernakel en was 's nachts te zien als een vuur. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Telkens als de wolk zich van de tent verhief trokken de Israëlieten verder, en op de plaats waar de wolk stilhield sloegen ze hun kamp op. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Op bevel van de HEER trokken de Israëlieten verder, en op bevel van de HEER sloegen ze hun kamp op. Zolang de wolk op de tabernakel rustte, bleven ze op de plaats waar ze waren. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Bleef de wolk lange tijd boven de tabernakel hangen, dan braken de Israëlieten al die tijd niet op; ze hielden zich aan de aanwijzingen van de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Soms bleef de wolk maar een paar dagen boven de tabernakel hangen. Ook dan sloegen ze hun kamp op wanneer de HEER daartoe bevel gaf en trokken ze weer verder wanneer de HEER het beval. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Soms ook bleef de wolk alleen van de avond tot de morgen. Als hij zich dan 's morgens verhief, trokken ze verder. Zodra de wolk zich verhief, of dat nu overdag gebeurde of 's nachts, trokken ze verder. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Rustte de wolk langere tijd boven de tabernakel-een paar dagen of een maand of nog langer-dan bleven de Israëlieten al die tijd op de plaats waar ze waren; pas wanneer hij zich verhief trokken ze weer verder. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Op bevel van de HEER sloegen ze hun kamp op, en op bevel van de HEER trokken ze verder. Ze hielden zich aan de aanwijzingen van de HEER, die de HEER hun bij monde van Mozes gegeven had. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="10">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Maak van gedreven zilver twee trompetten om de gemeenschap bijeen te roepen en om het sein tot opbreken van het legerkamp te geven. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Wordt er op beide trompetten geblazen, dan moet de hele gemeenschap zich bij je verzamelen, bij de ingang van de ontmoetingstent. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Als op een ervan geblazen wordt, verzamelen de leiders van Israël, de aanvoerders van de legereenheden, zich bij je. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Wordt er een luid signaal geblazen, dan breken de afdelingen op die aan de oostkant gelegerd zijn; </VERS>
      <VERS vnumber="6">op een tweede luid signaal breken de afdelingen op die aan de zuidkant gelegerd zijn. Telkens als het kamp moet worden opgebroken, moet er een luid signaal gegeven worden. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Voor het bijeenroepen van de gemeenschap gebeurt dat niet: dan wordt er geen luid signaal geblazen, maar een gewone trompetstoot gegeven. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Het blazen op de trompetten is de taak van Aärons nakomelingen, de priesters. Deze bepaling blijft voor altijd van kracht, voor alle komende generaties. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Als jullie in je eigen land door vijanden worden belaagd en ten strijde trekken, blaas dan een alarmsignaal om de HEER, jullie God, aan jullie te herinneren; dan zul je van je vijanden worden verlost. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Ook als jullie feestvieren, op de vaste feesten en bij nieuwemaan, en brandoffers en vredeoffers brengen, moet er op de trompetten geblazen worden om jullie in herinnering te brengen bij jullie God. Ik ben de HEER, jullie God.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">Op de twintigste dag van de tweede maand in het tweede jaar verhief de wolk zich van de tabernakel met de verbondstekst </VERS>
      <VERS vnumber="12">en trokken de Israëlieten in de voorgeschreven volgorde weg uit de Sinaiwoestijn. De wolk bleef rusten in de woestijn van Paran. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Dit was de eerste maal dat ze opbraken zoals de HEER hun bij monde van Mozes had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Het eerst braken de afdelingen op die bij het vaandel van de Judeeërs gelegerd waren. Aanvoerder van het leger van Juda was Nachson, de zoon van Amminadab, </VERS>
      <VERS vnumber="15">aanvoerder van het leger van de stam Issachar was Netanel, de zoon van Suar, </VERS>
      <VERS vnumber="16">aanvoerder van het leger van de stam Zebulon was Eliab, de zoon van Chelon. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Daarna werd de tabernakel afgebroken en braken de Gersonieten en de Merarieten op, die hem vervoerden. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Vervolgens braken de afdelingen op die bij het vaandel van Ruben gelegerd waren. Aanvoerder van het leger van Ruben was Elisur, de zoon van Seder, </VERS>
      <VERS vnumber="19">aanvoerder van het leger van de stam Simeon was Selumiël, de zoon van Surisaddai, </VERS>
      <VERS vnumber="20">aanvoerder van het leger van de stam Gad was Eljasaf, de zoon van Deel. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Na hen braken de Kehatieten op, die de heilige voorwerpen droegen; voordat zij aankwamen, was de tabernakel al weer opgebouwd. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Daarna braken de afdelingen op die bij het vaandel van de Efraïmieten gelegerd waren. Aanvoerder van het leger van Efraïm was Elisama, de zoon van Ammihud, </VERS>
      <VERS vnumber="23">aanvoerder van het leger van de stam Manasse was Gamliël, de zoon van Pedasur, </VERS>
      <VERS vnumber="24">aanvoerder van het leger van de stam Benjamin was Abidan, de zoon van Gidoni. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Ten slotte braken de afdelingen op die bij het vaandel van de Danieten gelegerd waren; zij vormden de achterhoede. Aanvoerder van het leger van Dan was Achiëzer, de zoon van Ammisaddai, </VERS>
      <VERS vnumber="26">aanvoerder van het leger van de stam Aser was Pagiël, de zoon van Ochran, </VERS>
      <VERS vnumber="27">aanvoerder van het leger van de stam Naftali was Achira, de zoon van Enan. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Dit was de volgorde waarin de legerafdelingen van de Israëlieten opbraken, en in die volgorde trokken ze ook verder. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Mozes zei tegen Chobab, de zoon van de Midjaniet Reel, Mozes' schoonvader: 'Wij vertrekken nu naar het gebied dat de HEER ons heeft toegezegd. Ga met ons mee; je zult het goed bij ons hebben, want de HEER heeft Israël voorspoed beloofd.' </VERS>
      <VERS vnumber="30">Maar hij antwoordde dat hij liever naar zijn geboorteland terugging. </VERS>
      <VERS vnumber="31">'Ga alsjeblieft niet bij ons weg, 'zei Mozes. 'Jij weet immers waar wij in de woestijn het best onze tenten kunnen opslaan, je kunt onze gids zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Als je met ons meegaat, zullen wij je laten delen in de voorspoed die de HEER ons zal geven.' </VERS>
      <VERS vnumber="33">Nadat ze bij de berg van de HEER vandaan gegaan waren, trokken ze drie dagen verder. De ark van het verbond met de HEER ging voor hen uit om een rustplaats voor hen te zoeken. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Wanneer ze verder trokken, hing overdag de wolk van de HEER boven hen. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Steeds als de ark verder zou trekken zei Mozes: 'Sta op, HEER, en uw vijanden stuiven uiteen, uw tegenstanders vluchten voor u!' </VERS>
      <VERS vnumber="36">En steeds als de ark stilhield zei hij: 'Keer terug, HEER, naar Israël, keer terug naar de tienduizend maal duizenden!' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="11">
      <VERS vnumber="1">Het volk begon de HEER zijn nood te klagen. Toen de HEER dat hoorde ontstak hij in woede, en het vuur van de HEER laaide op en greep om zich heen aan de rand van het kamp. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Het volk riep Mozes luid om hulp en Mozes bad tot de HEER. Toen doofde het vuur. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Ze noemden die plaats Tabera, omdat daar het vuur van de HEER bij hen was opgelaaid. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Het samenraapsel van vreemdelingen dat met hen meetrok, was onverzadigbaar, en ook de Israëlieten begonnen weer te klagen. 'Hadden we maar vlees te eten!' zeiden ze. </VERS>
      <VERS vnumber="5">'We verlangen terug naar de vis die we in Egypte volop te eten hadden, naar de komkommers en watermeloenen, de prei, uien en knoflook. </VERS>
      <VERS vnumber="6">We drogen uit, we zien nooit iets anders dan dat manna.' </VERS>
      <VERS vnumber="7">(Het manna leek op korianderzaad maar had de kleur van balsemhars. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Ze verzamelden het overal in de omtrek, maalden het met een handmolen of stampten het fijn in een vijzel, kookten het in een pot en maakten er koeken van. Die smaakten alsof ze in olie gebakken waren. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Wanneer het kamp 's nachts door de dauw bedekt werd, daalde ook het manna erop neer.) </VERS>
      <VERS vnumber="10">Mozes hoorde hoe alle families bij de ingang van hun tent zaten te klagen. Toen de HEER in hevige woede ontstak, maakte Mozes zich kwaad. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Hij vroeg de HEER: 'Waarom doet u uw dienaar dit aan? Bent u mij zo weinig genegen, dat u mij de last van heel dit volk te dragen geeft? </VERS>
      <VERS vnumber="12">Ben ik soms zwanger geweest van dit volk, heb ik het ter wereld gebracht? En dan wilt u mij gebieden om het in mijn armen te dragen, zoals een voedster een zuigeling draagt, en het zo naar het land te brengen dat u zijn voorouders onder ede beloofd hebt? </VERS>
      <VERS vnumber="13">Ze komen bij mij klagen dat ze vlees willen. Maar waar haal ik voor dit hele volk vlees vandaan? </VERS>
      <VERS vnumber="14">Ik alleen kan de last van dit hele volk niet dragen, dat is te zwaar voor mij. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Als u mij dit werkelijk wilt aandoen, dood me dan liever meteen. Dan blijft verdere ellende mij tenminste bespaard.' </VERS>
      <VERS vnumber="16">De HEER antwoordde Mozes: 'Breng zeventig van de oudsten van Israël bijeen van wie je weet dat ze hun taak als opzichter van het volk goed vervullen, en laat hen naar de ontmoetingstent komen om zich daar bij je te voegen. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Ik zal neerdalen om daar met jou te spreken, en een deel van de geest die op jou rust zal ik op hen overdragen. Dan kunnen zij samen met jou de last van het volk dragen en hoef je dat niet langer alleen te doen. </VERS>
      <VERS vnumber="18">En tegen het volk moet je zeggen: "Zorg ervoor dat u morgen rein bent, dan krijgt u vlees te eten. U hebt immers bij de HEER geklaagd dat u geen vlees hebt en dat u het in Egypte zo goed had? Welnu, de HEER zal u vlees geven-en vlees eten zult u! </VERS>
      <VERS vnumber="19">Niet zomaar ‚‚n dag, niet twee dagen, niet vijf of tien of twintig dagen, </VERS>
      <VERS vnumber="20">maar een volle maand, tot het u de neus uit komt en u er misselijk van wordt. Want u hebt de HEER, die in uw midden is, geminacht door erover te klagen dat u uit Egypte bent weggegaan."' </VERS>
      <VERS vnumber="21">Mozes zei: 'Ik heb hier een volk van zeshonderdduizend mensen bij me, en u zegt dat u hun vlees zult geven en dat ze daar een volle maand van zullen eten? </VERS>
      <VERS vnumber="22">Hoe zouden er ooit genoeg schapen, geiten en runderen voor hen kunnen worden geslacht? Zelfs als alle vissen van de zee gevangen werden, zouden ze daar niet genoeg aan hebben.' </VERS>
      <VERS vnumber="23">Maar de HEER antwoordde: 'Schiet de macht van de HEER soms tekort? Je zult spoedig zien of ik mijn belofte nakom.' </VERS>
      <VERS vnumber="24">Mozes ging naar buiten en bracht de woorden van de HEER aan het volk over. Daarna bracht hij zeventig oudsten van het volk bijeen en stelde hen rond de tent op. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Toen daalde de HEER af, in de wolk. Hij sprak tot Mozes en droeg een deel van de geest die op hem rustte, op de zeventig oudsten over. Zodra de geest op hen rustte begonnen ze te profeteren. Dat is daarna niet opnieuw gebeurd. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Twee mannen, van wie de een Eldad heette en de ander Medad, waren in het kamp gebleven; ze stonden wel op de lijst van zeventig maar waren niet naar de tent gegaan. Zodra de geest op hen rustte begonnen ook zij te profeteren, in het kamp. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Een jongeman rende naar Mozes toe en zei: 'Eldad en Medad zijn in het kamp aan het profeteren!' </VERS>
      <VERS vnumber="28">'Zeg dat ze daarmee ophouden, heer!' zei Jozua, de zoon van Nun, die van jongs af aan Mozes' rechterhand was geweest. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Maar Mozes zei: 'Denk je soms dat jij voor mijn belangen moet opkomen? Legde de HEER zijn geest maar op heel het volk! Profeteerde iedereen maar!' </VERS>
      <VERS vnumber="30">Daarop keerden Mozes en de oudsten van Israël naar het kamp terug. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Toen liet de HEER een wind opsteken, die vanaf de zee kwartels aanvoerde en ze boven het kamp liet neervallen. Ze lagen overal rond het kamp, tot op een afstand van een dagreis, in een laag van wel twee el dik. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Het volk raapte de kwartels op en was daar de hele dag en de hele nacht mee bezig, en ook de hele volgende dag. Niemand verzamelde minder dan tien ezelslasten. Ze legden ze overal rond het kamp te drogen. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Maar ze hadden het vlees nog niet fijngekauwd of de HEER ontstak in woede tegen het volk en bracht het een grote slag toe. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Die plaats kreeg de naam Kibrot-Hattaäwa, naar het onverzadigbare volk dat daar begraven werd. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Van Kibrot-Hattaäwa trok het volk verder naar Chaserot, en daar bleven ze een tijdlang. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="12">
      <VERS vnumber="1">Mirjam en Aäron maakten aanmerkingen op Mozes vanwege zijn huwelijk met een Nubische vrouw: 'Hij is met een Nubische getrouwd!' </VERS>
      <VERS vnumber="2">Ook zeiden ze: 'Heeft de HEER soms uitsluitend bij monde van Mozes gesproken en niet ook bij monde van ons?' De HEER hoorde dit. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Nu was Mozes een zeer bescheiden man-niemand op de hele wereld was zo bescheiden als hij. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Onmiddellijk gebood de HEER Mozes, Aäron en Mirjam: 'Ga alle drie naar de ontmoetingstent.' Dat deden ze. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Toen daalde de HEER af in de wolkkolom, ging bij de ingang van de tent staan en riep Aäron en Mirjam. Nadat zij beiden naar voren waren gekomen, </VERS>
      <VERS vnumber="6">zei hij: 'Luister goed. Als er bij jullie een profeet van de HEER is, maak ik mij in visioenen aan hem bekend en spreek ik met hem in dromen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Maar met mijn dienaar Mozes, op wie ik volledig kan vertrouwen, ga ik anders om: </VERS>
      <VERS vnumber="8">met hem spreek ik rechtstreeks, duidelijk, niet in raadsels, en hij aanschouwt mijn gestalte. Hoe durven jullie dan aanmerkingen op mijn dienaar Mozes te maken?' </VERS>
      <VERS vnumber="9">De HEER ontstak in woede tegen hen en ging weg. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Nauwelijks had de wolk de tent verlaten of Mirjam werd getroffen door huidvraat, haar huid was wit als sneeuw. Toen Aäron zich naar Mirjam omdraaide en zag dat ze door huidvraat getroffen was, </VERS>
      <VERS vnumber="11">zei hij tegen Mozes: 'Ik smeek je, reken ons de zonde die wij in onze dwaasheid begaan hebben niet aan. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Laat Mirjam niet als een doodgeboren kind blijven, waarvan het lichaam al half vergaan is als het uit de moederschoot komt!' </VERS>
      <VERS vnumber="13">Toen riep Mozes luid de HEER aan: 'Ik smeek u, God, genees haar!' </VERS>
      <VERS vnumber="14">De HEER antwoordde Mozes: 'Als haar vader haar openlijk in haar gezicht had gespuugd, zou ze die schande zeven dagen moeten dragen. Daarom moet ze zeven dagen buiten het kamp gehouden worden, daarna mag ze terugkomen.' </VERS>
      <VERS vnumber="15">Zo werd Mirjam zeven dagen buiten het kamp gehouden, en het volk brak niet op zolang zij niet was teruggekeerd. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Na haar terugkeer trokken ze weg uit Chaserot en sloegen ze hun kamp op in de woestijn van Paran. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="13">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Stuur er een aantal mannen op uit om Kanaän, het land dat ik de Israëlieten geven zal, te verkennen. Kies daartoe uit elke stam ‚‚n man, een familiehoofd.' </VERS>
      <VERS vnumber="3">Mozes deed wat de HEER gebood en stuurde er vanuit de woestijn van Paran mannen op uit, die allen tot de leiders van de Israëlieten behoorden. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Dit zijn hun namen: uit de stam Ruben Sammua, de zoon van Zakkur; </VERS>
      <VERS vnumber="5">uit de stam Simeon Safat, de zoon van Chori; </VERS>
      <VERS vnumber="6">uit de stam Juda Kaleb, de zoon van Jefunne; </VERS>
      <VERS vnumber="7">uit de stam Issachar Jigal, de zoon van Josef; </VERS>
      <VERS vnumber="8">uit de stam Efraïm Hosea, de zoon van Nun; </VERS>
      <VERS vnumber="9">uit de stam Benjamin Palti, de zoon van Rafu; </VERS>
      <VERS vnumber="10">uit de stam Zebulon Gaddiël, de zoon van Sodi; </VERS>
      <VERS vnumber="11">van de afstammelingen van Jozef uit de stam Manasse Gaddi, de zoon van Susi; </VERS>
      <VERS vnumber="12">uit de stam Dan Ammiël, de zoon van Gemalli; </VERS>
      <VERS vnumber="13">uit de stam Aser Setur, de zoon van Michaël; </VERS>
      <VERS vnumber="14">uit de stam Naftali Nachbi, de zoon van Wofsi; </VERS>
      <VERS vnumber="15">uit de stam Gad Geel, de zoon van Machi. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Zo luidden de namen van de mannen die Mozes erop uitstuurde om het land te verkennen. Hosea, de zoon van Nun, noemde hij Jozua. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Toen Mozes hen uitzond om Kanaän te verkennen, droeg hij hun dit op: 'Ga eerst door de Negev en dan de bergen in, </VERS>
      <VERS vnumber="18">en kijk hoe het land is, of de bevolking sterk is of zwak en of er veel of weinig mensen wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Kijk of het land bewoonbaar is of onherbergzaam en hoe de bevolking woont, in gewone dorpen of in vestingsteden, </VERS>
      <VERS vnumber="20">en kijk of de grond vet is of schraal, en of er bomen groeien of niet. En probeer vooral ook vruchten uit het land mee te nemen.' Het was juist de tijd van de eerste druiven. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Ze gingen op weg en verkenden het land van de woestijn van Sin tot aan Rechob, bij Lebo-Hamat. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Ze trokken door de Negev en kwamen daarna in de buurt van Hebron, waar de Enakieten Achiman, Sesai en Talmai woonden. (Hebron is zeven jaar eerder gebouwd dan Soan in Egypte.) </VERS>
      <VERS vnumber="23">In het Eskoldal aangekomen sneden ze een rank met ‚‚n tros druiven af, die ze met zijn tweeën aan een stok moesten dragen, en ook wat granaatappels en vijgen. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Aan de druiventros die de Israëlieten daar afsneden, heeft het Eskoldal zijn naam te danken. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Nadat ze het land veertig dagen lang verkend hadden, keerden ze terug </VERS>
      <VERS vnumber="26">naar Kades in de woestijn van Paran, naar Mozes, Aäron en de andere Israëlieten. Ze brachten aan het hele volk verslag uit en lieten de vruchten uit het land zien. </VERS>
      <VERS vnumber="27">'Wij zijn in het land geweest waar u ons naartoe hebt gestuurd, 'vertelden ze aan Mozes. 'Werkelijk, het vloeit over van melk en honing, en deze vruchten groeien er. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Maar daar staat tegenover dat de bevolking van dat land sterk is. De steden zijn versterkt en heel groot, en ook hebben we er Enakieten gezien. </VERS>
      <VERS vnumber="29">In de Negev wonen Amalekieten, in het bergland Hethieten, Jebusieten en Amorieten, en aan de kust en langs de Jordaan wonen Kanaänieten.' </VERS>
      <VERS vnumber="30">Kaleb, die wilde voorkomen dat het volk zich tegen Mozes zou verzetten, zei: 'We kunnen zonder probleem optrekken en het land in bezit nemen. We kunnen dat volk makkelijk aan.' </VERS>
      <VERS vnumber="31">Maar de mannen die met hem mee waren geweest zeiden: 'We kunnen dat volk niet aanvallen, het is te sterk voor ons.' </VERS>
      <VERS vnumber="32">En ze vertelden de Israëlieten allerlei ongunstigs over het land dat ze verkend hadden. 'Het land dat wij op onze verkenningstocht doorkruist hebben, 'zeiden ze, 'verslindt zijn inwoners, en alle mensen die we er gezien hebben waren uitzonderlijk lang. </VERS>
      <VERS vnumber="33">We hebben daar zelfs reuzen gezien, de Enakieten. Vergeleken bij dat volk van reuzen voelden wij ons maar nietige sprinkhanen, en veel meer zullen we in hun ogen ook niet geweest zijn.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="14">
      <VERS vnumber="1">Hierop barstte het hele volk in tranen uit, heel de nacht door klonk hun gejammer. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Ze begonnen zich allemaal te beklagen. 'Waren we maar in Egypte gestorven, 'zeiden ze tegen Mozes en Aäron, 'of hier in de woestijn. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Waarom brengt de HEER ons naar dat land? Om door het zwaard geveld te worden, en om onze vrouwen en kinderen te laten buitmaken? We kunnen beter teruggaan naar Egypte.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">En tegen elkaar zeiden ze: 'Laten we een leider kiezen en teruggaan naar Egypte.' </VERS>
      <VERS vnumber="5">Toen wierpen Mozes en Aäron zich ter aarde, ten overstaan van de voltallige gemeenschap van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, twee van degenen die het land verkend hadden, scheurden hun kleren </VERS>
      <VERS vnumber="7">en zeiden tegen de Israëlieten: 'Het land dat wij op onze verkenningstocht doorkruist hebben is een buitengewoon goed land, </VERS>
      <VERS vnumber="8">een land dat overvloeit van melk en honing. Als de HEER ons goedgezind is, zal hij ons erheen brengen en het ons geven. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Maar verzet u dan niet tegen de HEER en wees niet bang voor de bevolking van het land: die vermorzelen we met gemak. Zij hebben niemand die hen beschermt en wij worden bijgestaan door de HEER. Wees dus niet bang voor hen.' </VERS>
      <VERS vnumber="10">Het volk dreigde hen te stenigen, maar toen verscheen de majesteit van de HEER in de ontmoetingstent aan de Israëlieten. </VERS>
      <VERS vnumber="11">De HEER zei tegen Mozes: 'Hoe lang zal dit volk mij nog afwijzen? Hoe lang nog zal het weigeren op mij te vertrouwen ondanks alle wonderen die ik verricht heb? </VERS>
      <VERS vnumber="12">Ik zal het met de pest treffen en het verhinderen het land in bezit te nemen, en uit jou zal ik een volk laten voortkomen dat groter en sterker is dan dit.' </VERS>
      <VERS vnumber="13">Maar Mozes zei tegen de HEER: 'Als de Egyptenaren, bij wie u dit volk met krachtige arm hebt weggeleid, dat te weten komen, </VERS>
      <VERS vnumber="14">zullen zij het vertellen aan de inwoners van dit land. Die hebben gehoord dat u, HEER, te midden van dit volk verblijft en dat u persoonlijk aan hen bent verschenen, dat uw wolk boven hen hangt en dat u overdag in een wolkkolom voor hen uit gaat en 's nachts in een vuurzuil. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Als u nu iedereen van dit volk doodt, zullen alle volken die over uw daden hebben gehoord, zeggen: </VERS>
      <VERS vnumber="16">"De HEER was zeker niet in staat om dat volk naar het land te brengen dat hij hun onder ede beloofd had. Daarom heeft hij hen in de woestijn afgeslacht." </VERS>
      <VERS vnumber="17">Laat daarom zien hoe groot uw verdraagzaamheid is, Heer. U hebt immers zelf gezegd: </VERS>
      <VERS vnumber="18">"De HEER is geduldig en trouw, schuld en misdaad vergeeft hij, al laat hij niet alles ongestraft en al laat hij voor de schuld van de ouders de kinderen boeten, en ook het derde geslacht en het vierde." </VERS>
      <VERS vnumber="19">Ik smeek u, toon uw grote trouw en vergeef dit volk zijn schuld, zoals u het steeds vergiffenis hebt geschonken, van Egypte af tot hier toe.' </VERS>
      <VERS vnumber="20">De HEER antwoordde: 'Ik zal vergeving schenken, zoals je vraagt. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Maar zo waar ik leef en de hele aarde vervuld is van de majesteit van de HEER, </VERS>
      <VERS vnumber="22">niemand van degenen die mijn majesteit gezien hebben en de wonderen die ik in Egypte en in de woestijn heb verricht, en die mij nu al tien keer op de proef gesteld hebben door mij niet te gehoorzamen, </VERS>
      <VERS vnumber="23">zal het land zien dat ik hun voorouders onder ede heb beloofd. Niemand van hen die mij hebben afgewezen krijgt het te zien. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Maar mijn dienaar Kaleb, die door een andere geest bezield was en mij volkomen trouw is geweest, hem zal ik naar het land brengen waar hij geweest is, en zijn nakomelingen zullen het bezitten. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Nu wonen daar de Amalekieten en Kanaänieten nog in de valleien. Keer morgen om en trek de woestijn weer in, in de richting van de Rode Zee.' </VERS>
      <VERS vnumber="26">De HEER zei tegen Mozes en Aäron: </VERS>
      <VERS vnumber="27">'Hoe lang blijft dit verdorven volk zich nog tegenover mij beklagen? Ik heb hun voortdurende geklaag lang genoeg aangehoord. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Zeg hun dit: "Zo waar ik leef-spreekt de HEER -,ik zal zeker met jullie doen wat ik je heb horen zeggen. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Hier in de woestijn zullen jullie lijken liggen, de lijken van allen die ingeschreven zijn, allen van twintig jaar en ouder, niemand uitgezonderd, omdat jullie je tegenover mij beklaagd hebben. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Jullie zullen het land waarvan ik gezworen heb dat je er zou wonen, niet binnengaan, met uitzondering van Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Jullie kinderen, die volgens jullie zouden worden buitgemaakt, zal ik er wel brengen. Zij zullen het land dat jullie versmaad hebben, leren kennen. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Maar wat jullie betreft, jullie lijken zullen hier in de woestijn komen te liggen, </VERS>
      <VERS vnumber="33">en je kinderen zullen veertig jaar lang door de woestijn ronddolen om te boeten voor je ontrouw, tot jullie lijken hier in de woestijn vergaan zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Veertig dagen hebben jullie het land verkend, veertig jaar zul je voor je schuld boete doen, ‚‚n jaar voor elke dag. Dan zul je ondervinden wat het betekent als ik mijn handen van je aftrek." </VERS>
      <VERS vnumber="35">Ik, de HEER, zweer dat ik zo zal handelen met heel dit verdorven volk, dat tegen mij heeft samengespannen. Hier in de woestijn zal hun leven een einde nemen, hier zullen ze sterven.' </VERS>
      <VERS vnumber="36">De mannen die Mozes erop uitgestuurd had om het land te verkennen en die na hun terugkeer het volk tot geklaag hadden aangezet door allerlei ongunstigs over dat land te vertellen, </VERS>
      <VERS vnumber="37">die mannen stierven in de buurt van het heiligdom ten gevolge van een plaag, omdat ze het land in een kwaad daglicht hadden gesteld. </VERS>
      <VERS vnumber="38">Twee van de verkenners van het land echter, Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, bleven in leven. </VERS>
      <VERS vnumber="39">Toen Mozes de woorden van de HEER aan de Israëlieten overbracht, werd het volk diepbedroefd. </VERS>
      <VERS vnumber="40">De volgende morgen vroeg wilden ze de bergen in trekken. 'We zijn alsnog bereid om op te trekken naar de plaats waarover de HEER gesproken heeft, 'zeiden ze, 'we hebben gezondigd.' </VERS>
      <VERS vnumber="41">Maar Mozes zei: 'Waarom gaat u in tegen het bevel van de HEER? Zo'n onderneming is gedoemd te mislukken. </VERS>
      <VERS vnumber="42">Trek niet ten strijde, want de HEER is niet in uw midden. Doet u het toch, dan zult u door uw vijanden verslagen worden, </VERS>
      <VERS vnumber="43">want u komt daar tegenover de Amalekieten en de Kanaänieten te staan, en u zult in de strijd omkomen omdat u zich van de HEER hebt afgewend. De HEER zal u niet bijstaan.' </VERS>
      <VERS vnumber="44">Toch waren ze zo overmoedig om de bergen in te trekken, hoewel Mozes en de ark van het verbond met de HEER in het kamp bleven. </VERS>
      <VERS vnumber="45">De Amalekieten en Kanaänieten die daar in het bergland woonden, kwamen hun tegemoet, brachten hun een verpletterende nederlaag toe en dreven hen terug tot Chorma. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="15">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Zeg tegen de Israëlieten: "Wanneer jullie eenmaal in het land zijn dat ik je zal geven om er te wonen, </VERS>
      <VERS vnumber="3">en jullie brengen de HEER een brandoffer of een vredeoffer van je runderen of van je schapen en geiten, om hem met die geurige gave te behagen-of je nu een offer brengt ter nakoming van een gelofte of als vrijwillige gave of omdat het een feestdag is-, </VERS>
      <VERS vnumber="4">(4-5) dan moet degene die de HEER een brandoffer of een vredeoffer brengt daar andere offers aan toevoegen. Bied bij elk schaap een graanoffer aan van een tiende efa tarwebloem vermengd met een kwart hin olijfolie, en een wijnoffer van een kwart hin wijn. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Bij een ram moet je een graanoffer van twee tiende efa tarwebloem vermengd met een derde hin olijfolie aanbieden, </VERS>
      <VERS vnumber="7">en een wijnoffer van een derde hin wijn. Je moet de HEER een geurig offer brengen, om hem daarmee te behagen. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Wanneer je de HEER als brandoffer of vredeoffer een rund aanbiedt ter nakoming van een gelofte, </VERS>
      <VERS vnumber="9">bied dan bij dat rund een graanoffer aan van drie tiende efa tarwebloem vermengd met een halve hin olijfolie, </VERS>
      <VERS vnumber="10">en een wijnoffer van een halve hin wijn; zo is het een geurige gave die de HEER behaagt. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Houd deze hoeveelheden aan voor elke stier, elke ram, elk schaap en elke geit. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Hoeveel dieren je ook offert, houd per dier deze hoeveelheden aan. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Dit geldt voor iedere geboren Israëliet die de HEER een offer wil brengen, een geurige gave die hem behaagt. </VERS>
      <VERS vnumber="14">En hetzelfde geldt voor vreemdelingen die in de toekomst tijdelijk of blijvend bij jullie wonen en die de HEER een offer willen brengen, een geurige gave die hem behaagt. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Voor de hele gemeenschap geldt een en dezelfde wet, voor jullie zelf en voor de vreemdelingen die bij jullie wonen, voor alle komende generaties. Er bestaat voor de HEER geen onderscheid tussen jullie en vreemdelingen. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Voor jullie en voor de vreemdelingen die bij jullie wonen geldt een en hetzelfde voorschrift en een en dezelfde regel."' </VERS>
      <VERS vnumber="17">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="18">'Zeg tegen de Israëlieten: "Wanneer jullie eenmaal in het land zijn waar ik je naartoe breng, </VERS>
      <VERS vnumber="19">en van de opbrengst van de akkers eten, schenk dan een deel ervan aan de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Maak van het eerste deeg een brood en sta dat af, zoals je ook na het dorsen een deel van je graan afstaat. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Van je eerste deeg moet je iets afstaan aan de HEER, jullie en alle komende generaties. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Het kan zich voordoen dat jullie onopzettelijk verzuimen een van de geboden die de HEER aan Mozes gegeven heeft na te leven- </VERS>
      <VERS vnumber="23">welk van de geboden dan ook die de HEER jullie bij monde van Mozes heeft opgelegd op die eerste dag dat hij zijn geboden gaf, of op enig moment daarna. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Maakt de hele gemeenschap zich hieraan schuldig, onopzettelijk en zonder het te beseffen, dan moet ze de HEER een stier als brandoffer aanbieden, een geurige gave die hem behaagt, met het bijbehorende graan- en wijnoffer, zoals voorgeschreven. Ook moet een bok worden aangeboden als reinigingsoffer. </VERS>
      <VERS vnumber="25">De priester moet aan de hele gemeenschap van Israël de verzoeningsrite voltrekken, en dan zal hun vergeving worden geschonken, omdat het een onopzettelijke misstap was en omdat ze de HEER daarvoor een brandoffer en een reinigingsoffer hebben gebracht. </VERS>
      <VERS vnumber="26">De voltallige gemeenschap van Israël zal vergeving krijgen, evenals de vreemdelingen die bij jullie wonen, omdat het een onopzettelijke misstap was. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Zondigt ‚‚n enkele persoon onopzettelijk, dan moet hij een eenjarige geit als reinigingsoffer aanbieden. </VERS>
      <VERS vnumber="28">De priester moet voor zo iemand, die onbedoeld gezondigd heeft, verzoening bij de HEER bewerken door de verzoeningsrite aan hem te voltrekken. Dan krijgt hij vergeving. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Wanneer iemand onopzettelijk iets misdoet, geldt voor geboren Israëlieten en voor vreemdelingen die bij jullie wonen een en dezelfde wet. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Maar wanneer iemand willens en wetens iets misdoet, of het nu een geboren Israëliet is of een vreemdeling, spot hij met de HEER. Zo iemand moet uit de gemeenschap gestoten worden, </VERS>
      <VERS vnumber="31">omdat hij geen ontzag getoond heeft voor de woorden van de HEER en zijn geboden geschonden heeft. Zo iemand moet uitgestoten worden, hij moet de gevolgen van zijn zonde dragen."' </VERS>
      <VERS vnumber="32">Tijdens hun verblijf in de woestijn troffen de Israëlieten eens een man aan die op sabbat hout aan het sprokkelen was. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Degenen die hem aangetroffen hadden, brachten hem voor Mozes en Aäron en voor de hele gemeenschap. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Hij werd in bewaring gesteld, omdat nog niet was bepaald wat er met zo iemand moest gebeuren. </VERS>
      <VERS vnumber="35">De HEER zei tegen Mozes: 'Die man moet gedood worden. De hele gemeenschap moet hem buiten het kamp stenigen.' </VERS>
      <VERS vnumber="36">Toen brachten ze hem met zijn allen buiten het kamp, en daar doodden ze hem door hem te stenigen, zoals de HEER Mozes had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="37">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="38">'Zeg tegen de Israëlieten dat zij en al hun nakomelingen aan de zoom van hun kleren kwastjes moeten bevestigen waarin een blauwpurperen draad verwerkt is. </VERS>
      <VERS vnumber="39">Bij het zien van die kwastjes zullen jullie herinnerd worden aan alle geboden van de HEER, zodat jullie die naleven en mij niet ontrouw worden door de begeerten van je hart en je ogen te volgen. </VERS>
      <VERS vnumber="40">Ze zullen jullie helpen om aan al mijn geboden te denken en die na te leven en jullie God toegewijd te blijven. </VERS>
      <VERS vnumber="41">Ik ben de HEER, jullie God, die je uit Egypte heeft weggeleid om jullie God te zijn. Ik ben de HEER, jullie God.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="16">
      <VERS vnumber="1">(1-2) De Leviet Korach, de zoon van Jishar, de zoon van Kehat, en de Rubenieten Datan en Abiram, de zonen van Eliab, en On, de zoon van Pelet, kwamen tegen Mozes in opstand. Ze werden gesteund door tweehonderdvijftig leiders van de Israëlieten, achtenswaardige mannen, de aanzienlijkste van de gemeenschap. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Ze stelden zich tegenover Mozes en Aäron op en zeiden tegen hen: 'U matigt u te veel aan. Alle leden van de gemeenschap zijn heilig, en de HEER is in hun midden. Waarom voelt u zich dan boven de gemeenschap van de HEER verheven?' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Bij het horen van deze woorden wierp Mozes zich ter aarde. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Daarna zei hij tegen Korach en zijn aanhang: 'Morgen zal de HEER bekendmaken wie hem toebehoort, wie heilig is en in zijn nabijheid mag verkeren. Wie hij zal uitkiezen, mag in zijn nabijheid komen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Luister wat u moet doen, Korach, en u, zijn aanhangers, ook: neem morgen allemaal een vuurbak, </VERS>
      <VERS vnumber="7">doe er gloeiende kolen in en leg daar reukwerk op voor de HEER. Degene die dan door de HEER wordt uitgekozen, die is heilig. U matigt u te veel aan, Levieten.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">Mozes zei verder tegen Korach: 'Luister goed, Levieten. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Is het u niet genoeg dat u door de God van Israël van de andere Israëlieten bent afgezonderd om in zijn nabijheid te verkeren, om werkzaamheden bij de tabernakel van de HEER te verrichten en om de hele gemeenschap ten dienste te staan en die te vertegenwoordigen? </VERS>
      <VERS vnumber="10">Is het u niet genoeg dat hij u en uw stamgenoten, de Levieten, in zijn nabijheid heeft toegelaten? Eist u nu ook nog het priesterschap op? </VERS>
      <VERS vnumber="11">U en al die aanhangers van u spannen tegen de HEER zelf samen, want wie is Aäron dat u zich bij hem zou beklagen?' </VERS>
      <VERS vnumber="12">Mozes liet Datan en Abiram roepen, de zonen van Eliab. Maar zij zeiden: 'We komen niet. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Is het niet genoeg dat u ons uit een land dat overvloeit van melk en honing hebt weggehaald om ons in de woestijn te laten sterven? Moet u zich ook nog als heer en meester over ons opwerpen? </VERS>
      <VERS vnumber="14">U hebt ons bepaald niet naar een land gebracht dat overvloeit van melk en honing, en ons ook geen akkers en wijngaarden gegeven. Denkt u dat u mannen als wij een rad voor ogen kunt draaien? We komen niet.' </VERS>
      <VERS vnumber="15">Toen werd Mozes woedend. 'Schenk geen aandacht aan hun offer, 'zei hij tegen de HEER. 'Niemand van hen heb ik ook maar een ezel afgenomen, niemand van hen heb ik kwaad gedaan.' </VERS>
      <VERS vnumber="16">Tegen Korach zei Mozes: 'Morgen moeten u en al uw aanhangers voor de HEER verschijnen-u en zij, en Aäron. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Iedereen moet dan een vuurbak nemen en er reukwerk in leggen, en alle tweehonderdvijftig vuurbakken moeten in de nabijheid van de HEER worden gebracht, ook die van uzelf en Aäron.' </VERS>
      <VERS vnumber="18">Iedereen nam een vuurbak, deed er gloeiende kolen in, legde daar reukwerk op en stelde zich bij de ingang van de ontmoetingstent op, net als Mozes en Aäron. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Toen Korach al zijn aanhangers bij de ingang van de ontmoetingstent had verzameld en zij daar bij Mozes en Aäron stonden, verscheen de majesteit van de HEER aan het hele volk. </VERS>
      <VERS vnumber="20">De HEER zei tegen Mozes en Aäron: </VERS>
      <VERS vnumber="21">'Zonder je van deze menigte af, dan zal ik die in een oogwenk vernietigen.' </VERS>
      <VERS vnumber="22">Hierop wierpen ze zich ter aarde en zeiden: 'God, u die al wat leeft de levensadem schenkt, als ‚‚n mens zondigt, laat u uw toorn dan op het hele volk neerkomen?' </VERS>
      <VERS vnumber="23">De HEER antwoordde Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="24">'Draag allen op om bij de tenten van Korach, Datan en Abiram weg te gaan.' </VERS>
      <VERS vnumber="25">Gevolgd door de oudsten van Israël ging Mozes naar Datan en Abiram. </VERS>
      <VERS vnumber="26">'Ga bij de tenten van die goddeloze mannen vandaan, 'zei hij tegen het volk, 'en raak niets aan dat van hen is, anders komt u om vanwege hun zonden.' </VERS>
      <VERS vnumber="27">Iedereen ging bij de tenten van Korach, Datan en Abiram weg. Datan en Abiram kwamen naar buiten en bleven bij de ingang van hun tent staan, samen met hun vrouwen en kinderen. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Mozes zei: 'Nu zult u inzien dat het de HEER is die mij gezonden heeft om alles te doen wat ik heb gedaan, en dat het niet uit mijzelf is voortgekomen. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Sterven deze mensen op de manier waarop iedereen sterft, treft hen hetzelfde lot als ieder ander, dan heeft de HEER mij niet gezonden. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Maar als de HEER iets laat gebeuren dat nog nooit gebeurd is, als de aarde haar mond openspert en hen met al hun bezittingen opslokt en zij levend in het dodenrijk afdalen, dan zult u inzien dat die mannen de HEER hebben afgewezen.' </VERS>
      <VERS vnumber="31">Nauwelijks was hij uitgesproken of de grond onder hun voeten spleet open, </VERS>
      <VERS vnumber="32">de aarde opende haar mond en slokte hen op, met hun families, alle mensen van Korach en alles wat ze bezaten. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Zo daalden zij met allen die bij hen hoorden levend in het dodenrijk af. De aarde sloot zich boven hen, en zij waren uit de gemeenschap verdwenen. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Alle Israëlieten die eromheen stonden vluchtten weg toen ze hen hoorden schreeuwen, uit angst dat de aarde ook hen zou opslokken. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Toen kwam er een felle vlam uit het heiligdom, die de tweehonderdvijftig mannen die het reukwerk geofferd hadden dodelijk trof. </VERS>
      <VERS vnumber="36">(17:1) De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="37">(17:2) 'Beveel Eleazar, de zoon van de priester Aäron, de vuurbakken uit de as te halen, en gooi de gloeiende kolen eruit, ver weg, want ze zijn heilig. </VERS>
      <VERS vnumber="38">(17:3) De vuurbakken van de mannen die hun zonde met de dood hebben moeten bekopen zijn de HEER aangeboden, en daarom zijn ze heilig. Sla er platen van en bekleed daarmee het altaar. Zo zullen ze de Israëlieten als waarschuwing dienen.' </VERS>
      <VERS vnumber="39">(17:4) (4-5) De priester Eleazar pakte de bronzen vuurbakken waarmee door hen die door de vlam gedood waren een offer was gebracht; ze werden geplet en met de platen werd het altaar bekleed; zo had de HEER het bij monde van Mozes aan Eleazar opgedragen. Deze platen moeten de Israëlieten eraan herinneren dat een onbevoegde, iemand die niet van Aäron afstamt, niet in de nabijheid van de HEER mag komen om hem een reukoffer te brengen; zo iemand zal het vergaan als Korach en zijn aanhangers. </VERS>
      <VERS vnumber="41">(17:6) De volgende dag echter beklaagden alle Israëlieten zich bij Mozes en Aäron. 'U hebt het volk van de HEER gedood, 'zeiden ze. </VERS>
      <VERS vnumber="42">(17:7) Toen ze tegen Mozes en Aäron te hoop liepen en naar de ontmoetingstent keken, zagen ze hoe die overdekt werd door de wolk en hoe de majesteit van de HEER verscheen. </VERS>
      <VERS vnumber="43">(17:8) Nadat Mozes en Aäron naar de ontmoetingstent waren gegaan, </VERS>
      <VERS vnumber="44">(17:9) zei de HEER tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="45">(17:10) 'Ga weg bij dit volk, dan zal ik het in een oogwenk vernietigen.' Toen wierpen zij zich ter aarde, </VERS>
      <VERS vnumber="46">(17:11) en Mozes zei tegen Aäron: 'Neem een vuurbak, doe er gloeiende kolen van het altaar in, leg daar reukwerk op en ga zo snel mogelijk naar het volk. Bewerk verzoening voor hen, want de toorn van de HEER is ontbrand, de plaag is al begonnen.' </VERS>
      <VERS vnumber="47">(17:12) Aäron deed wat Mozes had gezegd en haastte zich naar het volk. De plaag was al onder hen uitgebroken. Hij legde reukwerk op de gloeiende kolen en bewerkte zo verzoening voor het volk. </VERS>
      <VERS vnumber="48">(17:13) Hij ging tussen de doden en hen die nog leefden staan, en de plaag hield op. </VERS>
      <VERS vnumber="49">(17:14) Aan veertienduizend zevenhonderd mensen had de plaag het leven gekost, nog afgezien van degenen die door het voorval met Korach omgekomen waren. </VERS>
      <VERS vnumber="50">(17:15) Nadat de plaag uitgewoed was, ging Aäron terug naar Mozes, die zich bij de ingang van de ontmoetingstent bevond. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="17">
      <VERS vnumber="1">(17:16) De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="2">(17:17) (17-18) 'Vraag aan het hoofd van elk van de Israëlitische stammen om je een staf te geven, twaalf staven bij elkaar: voor elk stamhoofd moet er een staf zijn. Schrijf ieders naam op zijn staf. Op die van Levi moet je Aärons naam schrijven. </VERS>
      <VERS vnumber="4">(17:19) Leg alle staven in de ontmoetingstent, voor de verbondstekst, waar ik altijd bij jullie kom. </VERS>
      <VERS vnumber="5">(17:20) De staf van de man die ik uitkies, zal gaan bloeien. Zo zal ik dat voortdurende geklaag van de Israëlieten tegen jullie doen verstommen.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">(17:21) Nadat Mozes dit aan de Israëlieten had overgebracht, gaf ieder van de stamhoofden hem een staf, twaalf bij elkaar; daaronder was er ook een voor Aäron. </VERS>
      <VERS vnumber="7">(17:22) Mozes legde de staven voor de HEER, in de tent met de verbondstekst. </VERS>
      <VERS vnumber="8">(17:23) Toen hij de volgende dag de verbondstent binnenging, zag hij dat de staf van Aäron, de staf van de stam Levi, in bloei stond. Er waren knoppen ontsproten en bloemen ontloken, en de staf droeg rijpe amandelen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">(17:24) Mozes nam de staven uit het heiligdom van de HEER en ging ermee naar buiten. Nadat de Israëlieten gezien hadden wat er gebeurd was, nam ieder zijn eigen staf terug. </VERS>
      <VERS vnumber="10">(17:25) 'De staf van Aäron moet je voor de verbondstekst terugleggen, 'zei de HEER tegen Mozes. 'Die moet worden bewaard als waarschuwing voor dat opstandige volk. Er moet een eind komen aan hun geklaag tegen mij, anders zullen ze sterven.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">(17:26) Mozes deed wat de HEER hem had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">(17:27) De Israëlieten zeiden tegen Mozes: 'We komen om, het is met ons gedaan, het is met ons allemaal gedaan. </VERS>
      <VERS vnumber="13">(17:28) Iedereen die in de buurt van de tabernakel van de HEER komt, sterft. Moeten wij dan allemaal omkomen?' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="18">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Aäron: 'Jij en je zonen en je hele familie zullen verantwoordelijk worden gesteld voor overtredingen die in het heiligdom worden begaan, en jij en je zonen alleen worden verantwoordelijk gesteld voor overtredingen die jullie bij het uitoefenen van het priesterschap begaan. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Laat je verwanten, de stam Levi, de stam van je voorvader, samen met jou naar het heiligdom komen; ze moeten zich bij je aansluiten en jou en je zonen behulpzaam zijn wanneer jullie voor de tent met de verbondstekst dienst doen. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Zij moeten de taken verrichten die jij hun geeft en zorg dragen voor de tent zelf. Maar ze mogen niet in de buurt van de heilige voorwerpen of het altaar komen, anders zullen ze sterven, en jullie ook. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Ze moeten zich bij je aansluiten en zorg dragen voor de ontmoetingstent, voor alle werkzaamheden die daar verricht worden. Onbevoegden mogen niet in jullie nabijheid komen </VERS>
      <VERS vnumber="5">wanneer jullie de heilige voorwerpen en het altaar verzorgen. Zo kunnen jullie voorkomen dat de Israëlieten door mijn toorn getroffen worden. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Hierbij zonder ik jullie verwanten, de Levieten, van de andere Israëlieten af, en ik wijs hen aan jullie toe. Zij zijn afgestaan aan de HEER en moeten werkzaamheden bij de ontmoetingstent verrichten. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Maar jij en je zonen verrichten alle priesterlijke taken bij het altaar en in de ruimte achter het voorhangsel. Dat is jullie werk. Ik geef jullie het priesterschap als een geschenk. Iedere onbevoegde daarentegen die te dicht bij het heiligdom komt zal gedood worden.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">De HEER zei verder tegen Aäron: 'Hierbij vertrouw ik de geschenken die mij gebracht worden aan jou toe. Alle heilige gaven die de Israëlieten mij brengen, geef ik aan jou en je zonen. Ze zijn voor jullie bestemd, jullie hebben daar voor altijd recht op. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Wat van de allerheiligste gaven niet verbrand wordt, komt jou toe. Dit geldt voor alle gaven die de Israëlieten mij brengen bij hun graanoffers, hun reinigingsoffers en hun hersteloffers. De allerheiligste gaven komen jou en je zonen toe. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Eet ze op de allerheiligste plaats. Al je mannelijke nakomelingen mogen ervan eten. Respecteer de heiligheid ervan. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Ook komt jou een vast deel toe van alle offergaven van de Israëlieten die omhooggeheven worden. Dit geef ik voor altijd aan jou, je zonen en je dochters. Iedereen in je familie die rein is mag ervan eten. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Ik geef je het beste van de olijfolie en het beste van de wijn en het graan, de allereerste opbrengst, die de Israëlieten aan de HEER afstaan. </VERS>
      <VERS vnumber="13">De eerste opbrengst van hun land, die ze aan de HEER geven, is voor jou. Iedereen in je familie die rein is mag ervan eten. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Alles in Israël waarop mijn ban rust, is voor jou. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Alles wat het eerst de moederschoot verlaat en aan de HEER wordt aangeboden, hetzij mens of dier, is voor jou, maar de eerstgeborenen van de mensen moet je laten vrijkopen, en ook de eerstgeboren onreine dieren. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Zodra een eerstgeborene een maand oud is, moet je hem laten vrijkopen voor een vast bedrag van vijf sjekel zilver, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, twintig gera per sjekel. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Het eerstgeboren jong van een rund of het eerste jong van een schaap of geit mag echter niet worden vrijgekocht, want die zijn heilig. Hun bloed moet je tegen het altaar gieten en hun vet op het altaar verbranden, als een geurige gave die de HEER behaagt. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Maar hun vlees komt jou toe, zowel het borststuk als de rechterachterbout. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Van alle heilige gaven die de Israëlieten aan de HEER brengen, geef ik jou, je zonen en je dochters voor altijd een vast deel. Voor de HEER geldt dit als een eeuwigdurend, met zout bekrachtigd verbond met jou en je nakomelingen.' </VERS>
      <VERS vnumber="20">Ook zei de HEER tegen Aäron: 'Jij krijgt geen eigen grondgebied en geen andere bezittingen zoals de overige Israëlieten. Ik ben je bezit en je grondgebied. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Wat de Levieten betreft, hun geef ik alle tienden van de Israëlieten in bezit, als vergoeding voor de werkzaamheden die ze bij de ontmoetingstent verrichten. </VERS>
      <VERS vnumber="22">De Israëlieten mogen niet langer in de buurt van de ontmoetingstent komen, ze zouden daarmee schuld op zich laden en sterven. </VERS>
      <VERS vnumber="23">De werkzaamheden bij de ontmoetingstent worden verricht door de Levieten, en zij worden verantwoordelijk gesteld voor overtredingen. Dit voorschrift blijft voor altijd van kracht, voor alle komende generaties. De Levieten krijgen geen grondbezit zoals de andere Israëlieten; </VERS>
      <VERS vnumber="24">hun geef ik de tienden in eigendom die de Israëlieten aan de HEER afdragen. Daarom heb ik bepaald dat zij geen grondbezit krijgen zoals de andere Israëlieten.' </VERS>
      <VERS vnumber="25">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="26">'Zeg tegen de Levieten: "Wanneer jullie van de Israëlieten de tienden in ontvangst nemen, die ik jullie in eigendom geef, moeten jullie van die tienden een tiende aan de HEER afdragen. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Dat wordt dan beschouwd als jullie bijdrage, alsof het graan was van jullie dorsvloer en wijn en olijfolie uit jullie perskuip. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Ook jullie moeten dus van alle tienden die je van de Israëlieten ontvangt, een vast deel aan de HEER afstaan en aan de priester Aäron geven. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Houd van alles wat je geschonken wordt een deel apart als bijdrage voor de HEER, het beste deel, als een heilige gave." </VERS>
      <VERS vnumber="30">Zeg hun ook: "Wanneer jullie, Levieten, het beste deel afstaan, wordt dat beschouwd als de opbrengst van jullie dorsvloer en perskuip. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Jullie mogen met je familieleden op elke willekeurige plaats van de tienden eten, want het is je loon, het is een vergoeding voor je werkzaamheden bij de ontmoetingstent. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Als je het beste deel afdraagt, laad je geen schuld op je en ontwijd je de heilige gaven van de Israëlieten niet, maar anders zullen jullie sterven."' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="19">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes en Aäron: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Dit is een wet die de HEER heeft ingesteld: Zeg tegen de Israëlieten dat ze je een koe brengen, een gave rode koe zonder enig gebrek, die nog nooit een juk heeft gevoeld. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Geef die aan de priester Eleazar. Ze moet buiten het kamp worden gebracht en daar in zijn aanwezigheid geslacht worden. </VERS>
      <VERS vnumber="4">De priester Eleazar moet zijn vinger in het bloed dopen en het zevenmaal in de richting van de voorkant van de ontmoetingstent sprenkelen. </VERS>
      <VERS vnumber="5">De koe moet voor zijn ogen worden verbrand: de huid, het vlees, het bloed en de inhoud van de ingewanden. </VERS>
      <VERS vnumber="6">De priester neemt cederhout, majoraan en karmozijn, en gooit dat midden in het vuur waarin de koe verbrand wordt. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Dan moet hij zijn kleren en zijn lichaam met water wassen. Daarna mag hij het kamp weer binnen, maar hij blijft tot de avond onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Ook degene die de koe verbrand heeft moet zijn kleren en zijn lichaam met water wassen. Ook hij blijft tot de avond onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Iemand die rein is, moet de as van de koe verzamelen en op een reine plaats buiten het kamp leggen. Daar moet de as bewaard worden, omdat er reinigingswater mee moet worden bereid dat de Israëlieten van zonde reinigt. </VERS>
      <VERS vnumber="10">De man die de as van de koe verzameld heeft moet zijn kleren wassen. Hij blijft tot de avond onrein. Deze wet blijft voor altijd van kracht, zowel voor de Israëlieten als voor de vreemdelingen die bij jullie wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Wie het lijk van een mens aanraakt is zeven dagen onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Zo iemand moet zich op de derde en op de zevende dag met het water laten reinigen, dan is hij weer rein. Als hij zich niet laat reiningen op zowel de derde als de zevende dag, blijft hij onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Iedereen die een dode aanraakt, het lijk van een mens, en zich niet laat reinigen, verontreinigt de tabernakel van de HEER en moet uit de gemeenschap van Israël gestoten worden. Omdat hij niet met het reinigingswater besprenkeld is blijft hij onrein; zijn onreinheid blijft hem aankleven. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Wanneer iemand gestorven is in een tent geldt deze regel: iedereen die de tent binnengaat en alles wat zich in de tent bevindt, is zeven dagen onrein; </VERS>
      <VERS vnumber="15">alle vaten die niet stevig met een deksel zijn afgesloten, gelden als onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Iedereen die in het open veld het lijk aanraakt van iemand die door een ander gedood is of een natuurlijke dood is gestorven, of de beenderen van een mens, of een graf, is ook zeven dagen onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Als iemand hierdoor onrein is geworden, moet men as nemen van het dier dat verbrand is om hen die onrein geworden zijn te reinigen, de as in een vat doen en er water uit een bron op gieten. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Iemand die rein is moet dan een majoraantak nemen, die in het water dopen en daarmee de tent, alle vaten en de mensen die in de tent geweest zijn besprenkelen. Hetzelfde moet gebeuren met degene die beenderen, het lijk van iemand die gedood of gestorven is, of een graf heeft aangeraakt. </VERS>
      <VERS vnumber="19">De reine persoon moet de onreine op de derde en op de zevende dag besprenkelen. Nadat hij de onreine op de zevende dag gereinigd heeft, moet deze zijn kleren en zijn lichaam met water wassen. 's Avonds is hij dan weer rein. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Maar wie onrein is en zich niet laat reinigen, moet uit de gemeenschap gestoten worden, omdat hij het heiligdom van de HEER verontreinigd heeft. Omdat hij zich niet met reinigingswater heeft laten besprenkelen, blijft hij onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Deze wet blijft voor altijd van kracht. Wie het reinigingswater sprenkelt, moet zijn kleren wassen; wie het reinigingswater aanraakt, blijft tot de avond onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Alles wat iemand die onrein is aanraakt, wordt onrein, en wie zo iemand aanraakt blijft tot de avond onrein.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="20">
      <VERS vnumber="1">In de eerste maand kwamen de Israëlieten, het hele volk, in de woestijn van Sin, en ze bleven lang in Kades. Mirjam stierf daar en werd er begraven. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Toen er geen water meer was, liep het volk tegen Mozes en Aäron te hoop. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Ze maakten Mozes verwijten. 'Waren wij ook maar omgekomen toen een deel van ons volk door het ingrijpen van de HEER stierf, 'zeiden ze. </VERS>
      <VERS vnumber="4">'Waarom hebt u het volk van de HEER naar deze woestijn gebracht? Om ons hier te laten sterven, met ons vee? </VERS>
      <VERS vnumber="5">Waarom hebt u ons weggehaald uit Egypte en ons naar dit afschuwelijke oord gebracht? Er is hier geen koren, er zijn hier geen vijgenbomen, geen wijnstokken en geen granaatappelbomen. En drinkwater is er ook niet.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">Mozes en Aäron verwijderden zich van de gemeenschap en gingen naar de ingang van de ontmoetingstent. Daar wierpen ze zich ter aarde. Toen verscheen de majesteit van de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="7">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="8">'Neem de staf en roep met je broer Aäron de Israëlieten bijeen. In hun bijzijn moeten jullie de rots daar bevelen water te geven. Jullie zullen water voor hen uit de rots laten komen, en mensen en vee te drinken geven.' </VERS>
      <VERS vnumber="9">Mozes nam de staf uit het heiligdom, zoals de HEER hem had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Hij en Aäron lieten iedereen bij de rots samenkomen. 'Luister, opstandig volk, 'zei Mozes, 'zullen wij voor u uit deze rots water laten stromen?' </VERS>
      <VERS vnumber="11">Hij hief zijn hand op, sloeg tweemaal met zijn staf op de rots, en het water stroomde eruit, zodat iedereen te drinken had, en ook het vee. </VERS>
      <VERS vnumber="12">De HEER zei tegen Mozes en Aäron: 'Omdat jullie niet op mij vertrouwd hebben, en in het bijzijn van de Israëlieten geen ontzag hebben getoond voor mijn heiligheid, zullen jullie dit volk niet in het land brengen dat ik het geef.' </VERS>
      <VERS vnumber="13">Dit was het water van Meriba, waar de Israëlieten de HEER verwijten maakten en hij hun zijn heiligheid toonde. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Vanuit Kades stuurde Mozes gezanten naar de koning van Edom met deze boodschap: 'Uw broeder Israël bericht u het volgende: Het is u bekend met welke moeilijkheden wij te kampen hebben gehad. </VERS>
      <VERS vnumber="15">U weet dat onze voorouders naar Egypte zijn getrokken, dat wij daar lang hebben gewoond en dat de Egyptenaren ons en onze voorouders slecht behandeld hebben. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Wij riepen de HEER aan en hij hoorde ons hulpgeroep; hij heeft ons een engel gezonden en ons uit Egypte weggeleid. Nu zijn wij in Kades, een stad aan de grens van uw rijk. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Sta ons toe door uw land te trekken. We zullen niet door akkers en wijngaarden gaan en we zullen geen water uit bronnen drinken. Zolang we ons in uw gebied bevinden, zullen we de koninklijke hoofdweg volgen en daarvan niet afwijken, naar links noch naar rechts.' </VERS>
      <VERS vnumber="18">De Edomieten antwoordden: 'U mag niet door ons gebied trekken; doet u dat wel, dan komen we u gewapend tegemoet.' </VERS>
      <VERS vnumber="19">De Israëlieten zeiden: 'We zullen de gebaande weg volgen, en als wij en ons vee van uw water drinken, zullen we daarvoor betalen wat u wilt. We vragen alleen toestemming om te voet door uw land te mogen trekken, meer niet.' </VERS>
      <VERS vnumber="20">Maar de Edomieten weigerden hun de doortocht en kwamen hun met een groot, sterk leger tegemoet. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Omdat de Edomieten hun geen doortocht verleenden, namen de Israëlieten een omweg. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Nadat ze Kades verlaten hadden, kwamen de Israëlieten, het hele volk, bij de Hor, </VERS>
      <VERS vnumber="23">een berg aan de grens van Edom. Daar zei de HEER tegen Mozes en Aäron: </VERS>
      <VERS vnumber="24">'Aäron zal nu met zijn voorouders verenigd worden. Hij zal het land dat ik de Israëlieten geef niet binnengaan, omdat jullie bij het water van Meriba tegen mijn bevel zijn ingegaan. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Jij, Mozes, moet Aäron en zijn zoon Eleazar mee naar boven nemen, de berg op. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Laat Aäron zijn priesterkleding uittrekken en laat zijn zoon Eleazar die aantrekken. Aäron zal daar sterven en met zijn voorouders verenigd worden.' </VERS>
      <VERS vnumber="27">Ze gingen voor de ogen van het hele volk de berg op, zoals de HEER Mozes had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Mozes liet Aäron zijn priesterkleding uittrekken en droeg Aärons zoon Eleazar op die aan te trekken. Daar, op de top van de berg, stierf Aäron. Daarna ging Mozes met Eleazar weer naar beneden. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Toen de Israëlieten vernamen dat Aäron was gestorven, beweende heel de gemeenschap hem dertig dagen lang. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="21">
      <VERS vnumber="1">De Kanaänitische koning van Arad in de Negev vernam dat de Israëlieten in aantocht waren en dat ze via Atarim kwamen. Hij viel hen aan en maakte een aantal van hen krijgsgevangen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Toen deden de Israëlieten de HEER deze gelofte: 'Als u dit volk aan ons uitlevert, zullen wij hun steden volledig vernietigen.' </VERS>
      <VERS vnumber="3">De HEER kwam Israël te hulp, hij leverde de Kanaänieten aan hen uit. De Israëlieten doodden hen allen en vernietigden hun steden. Die plaats kreeg de naam Chorma. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Van de Hor trokken ze verder in de richting van de Rode Zee; ze moesten immers om Edom heen trekken. Maar onderweg werd het volk ongeduldig. </VERS>
      <VERS vnumber="5">'Waarom hebt u ons weggehaald uit Egypte?' verweten ze God en Mozes. 'Om ons in de woestijn te laten sterven? We hebben geen brood en geen water, en we kunnen dit ellendige eten niet meer zien.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">Toen stuurde de HEER giftige slangen op de Israëlieten af, die hen beten, zodat velen van hen stierven. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Daarop ging het volk naar Mozes. 'We hebben gezondigd, 'zeiden ze, 'want we hebben de HEER en u verwijten gemaakt. Bid tot de HEER dat hij ons van die slangen verlost.' Mozes bad voor het volk, </VERS>
      <VERS vnumber="8">en de HEER zei tegen hem: 'Laat een slang maken en bevestig die op een staak. Iedereen die gebeten is en daarnaar kijkt, blijft in leven.' </VERS>
      <VERS vnumber="9">Mozes liet een koperen slang maken en bevestigde die op een staak. En iedereen die door een slang gebeten was en opkeek naar de koperen slang, bleef in leven. </VERS>
      <VERS vnumber="10">De Israëlieten trokken verder en sloegen hun kamp op in Obot. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Nadat ze uit Obot weggetrokken waren, sloegen ze hun kamp op bij Ijje-Haäbarim, in de woestijn die ten oosten van Moab ligt. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Van daar trokken ze verder, en ze sloegen hun kamp op in het dal waardoor de Zered loopt. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Weer trokken ze verder, en ze sloegen hun kamp op aan de overkant van de Arnon, en wel in de woestijn die aan het gebied van de Amorieten grenst; de Arnon vormt de grens tussen Moab en het gebied van de Amorieten. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Daarom wordt er in het Boek van de oorlogen van de HEER gesproken van 'Waheb in Sufa en de beken die de Arnon vormen, </VERS>
      <VERS vnumber="15">en het stroomgebied van die beken, dat zich uitstrekt tot waar Ar ligt en dat aan het gebied van Moab grenst'. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Van daar ging het verder naar Beër, de bron waar de HEER tegen Mozes gezegd had: 'Roep het volk bijeen, dan zal ik het water geven.' </VERS>
      <VERS vnumber="17">Israël zong toen dit lied: 'Wel op, bron! Zing voor de bron, </VERS>
      <VERS vnumber="18">ontsloten door vorsten, geopend door de hoogsten, met scepter en heersersstaf!' Vanuit de woestijn ging het verder naar Mattana, </VERS>
      <VERS vnumber="19">van Mattana naar Nachaliël, van Nachaliël naar Bamot, </VERS>
      <VERS vnumber="20">en van Bamot naar de vallei in Moab, en vervolgens verder naar de Pisga. Vanaf de top van die berg kijkt men uit over de Jesimon. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Israël stuurde gezanten naar koning Sichon van de Amorieten met deze boodschap: </VERS>
      <VERS vnumber="22">'Sta ons toe door uw land te trekken. We zullen niet door akkers en wijngaarden gaan en we zullen geen water uit bronnen drinken. Zolang we ons in uw gebied bevinden, zullen we de koninklijke hoofdweg volgen.' </VERS>
      <VERS vnumber="23">Maar Sichon weigerde Israël doortocht te verlenen, hij verzamelde zijn troepen en trok de woestijn in, Israël tegemoet. Bij Jahas viel hij hen aan. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Maar de Israëlieten versloegen hem en veroverden zijn land, van de Arnon tot aan de Jabbok, die de grens vormde met de Ammonieten en waarlangs versterkingen lagen. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Israël nam alle steden van de Amorieten in en ging er wonen, ook in Chesbon en de omliggende dorpen. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Chesbon was de hoofdstad van de Amoritische koning Sichon. Hij had oorlog gevoerd tegen de vorige koning van Moab en hem zijn hele land afgenomen, tot aan de Arnon. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Vandaar dat de dichters zeggen: 'Kom naar Chesbon en herbouw de stad, versterk de stad van Sichon. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Vanuit Chesbon verspreidde zich vuur, een vlam kwam uit Sichons woonplaats. Het vuur verteerde Ar-Moab, de heersers over de hoogten, de heuvels langs de Arnon. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Wee Moab! Je ging ten onder, volk van Kemos. De zonen van Kemos moesten vluchten, zijn dochters werden buitgemaakt door Sichon, koning der Amorieten. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Wij bestookten hen met pijlen en hun land ging te gronde, van Chesbon af tot aan Dibon toe. Wij verwoestten Nofach, bij Medeba.' </VERS>
      <VERS vnumber="31">Israël vestigde zich dus in het gebied van de Amorieten. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Nadat Mozes Jazer had laten verkennen, werden de dorpen rond die stad ingenomen. De Amorieten die er woonden, werden verdreven. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Daarna trokken ze verder in de richting van Basan, en koning Og van Basan trok tegen hen ten strijde. Hij rukte met zijn voltallige leger op naar Edreï. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Maar de HEER zei tegen Mozes: 'Je hoeft niet bang voor hem te zijn, want ik lever hem aan je uit, met heel zijn leger en zijn land. Doe met hem hetzelfde als wat je gedaan hebt met Sichon, de koning van de Amorieten, die in Chesbon zetelde.' </VERS>
      <VERS vnumber="35">De Israëlieten versloegen hem en zijn zonen en ook zijn hele leger, tot de laatste man, en namen zijn land in bezit. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="22">
      <VERS vnumber="1">Daarna trokken ze verder en sloegen hun kamp op in de vlakte van Moab, aan de overkant van de Jordaan, ter hoogte van Jericho. </VERS>
      <VERS vnumber="2">(2-4) Balak, de zoon van Sippor, die in die tijd koning van Moab was, hoorde wat Israël de Amorieten had aangedaan. De Moabieten waren buitengewoon bang voor het volk van Israël, omdat het zo talrijk was. Ze raakten in paniek en zeiden tegen de oudsten van Midjan: 'Die horde vreet hier de hele streek nog kaal, als een rund dat een veld afgraast.' </VERS>
      <VERS vnumber="5">Balak stuurde gezanten naar Bileam, de zoon van Beor, die zich in Petor aan de Eufraat bevond, in zijn geboortestreek. Ze moesten hem ontbieden met deze woorden: 'Er is een volk uit Egypte gekomen, dat overal in mijn land is neergestreken. Ze zijn hier vlakbij gelegerd. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Dat volk is te sterk voor mij. Kom daarom hierheen om het voor mij te vervloeken. Misschien kan ik het dan verslaan en het uit mijn land verjagen. Immers, wie door u wordt gezegend is gezegend, en wie door u wordt vervloekt is vervloekt.' </VERS>
      <VERS vnumber="7">De oudsten van Moab en de oudsten van Midjan gingen op weg. Ze hadden een beloning voor de waarzegger bij zich. Bij Bileam gekomen, brachten ze hem Balaks woorden over. </VERS>
      <VERS vnumber="8">'Blijf vannacht hier, 'zei hij, 'dan zal ik u daarna antwoorden wat de HEER mij zal ingeven.' Dus bleven de Moabitische leiders bij Bileam. </VERS>
      <VERS vnumber="9">God verscheen aan Bileam en vroeg: 'Wie zijn die mannen hier bij jou?' </VERS>
      <VERS vnumber="10">Bileam antwoordde God: 'Die zijn naar mij toe gestuurd door koning Balak van Moab, de zoon van Sippor, met deze boodschap: </VERS>
      <VERS vnumber="11">"Er is een volk uit Egypte gekomen, dat overal in mijn land is neergestreken. Kom hierheen en spreek er een vloek over uit. Misschien kan ik het dan aanvallen en verjagen."' </VERS>
      <VERS vnumber="12">God zei tegen Bileam: 'Ga niet met hen mee en vervloek dat volk niet, want het is gezegend.' </VERS>
      <VERS vnumber="13">De volgende morgen zei Bileam tegen Balaks gezanten: 'Keer naar uw land terug. De HEER geeft mij geen toestemming om met u mee te gaan.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">De Moabitische leiders vertrokken, en toen ze weer bij Balak terug waren, meldden ze hem dat Bileam geweigerd had met hen mee te komen. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Opnieuw stuurde Balak gezanten, meer dan de eerste keer en met groter aanzien. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Bij Bileam gekomen zeiden ze: 'Dit zegt Balak, de zoon van Sippor: "Laat niets u ervan weerhouden naar mij toe te komen. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Ik zal u rijk belonen en ik zal alles doen wat u zegt. Kom toch en spreek een vloek over dat volk uit."' </VERS>
      <VERS vnumber="18">Bileam antwoordde Balaks dienaren: 'Ook al gaf Balak me al het zilver en goud uit zijn paleis, dan nog zou ik niets maar dan ook niets kunnen doen dat ingaat tegen het bevel van de HEER, mijn God. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Maar blijft ook u een nacht hier, dan kan ik horen wat de HEER mij ditmaal zal zeggen.' </VERS>
      <VERS vnumber="20">'s Nachts verscheen God aan Bileam en zei: 'Als die mannen gekomen zijn om je te ontbieden, ga dan maar met hen mee. Maar je mag alleen doen wat ik je opdraag.' </VERS>
      <VERS vnumber="21">De volgende morgen maakte Bileam zich gereed, zadelde zijn ezelin en ging met de Moabitische leiders mee. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Maar nauwelijks was hij op weg, rijdend op zijn ezelin en vergezeld door twee van zijn dienaren, of God ontstak in woede, en een engel van de HEER ging op de weg staan om Bileam tegen te houden. </VERS>
      <VERS vnumber="23">De ezelin zag de engel van de HEER op de weg staan, met een getrokken zwaard in de hand, en ze ging opzij, van de weg af het veld in. Bileam sloeg de ezelin om haar weer naar de weg te drijven. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Hierop ging de engel van de HEER op een smalle weg tussen de wijngaarden staan. Aan weerszijden was een muur. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Toen de ezelin de engel van de HEER zag, drukte ze zich tegen de muur, zodat Bileams voet bekneld raakte. Weer sloeg hij haar. </VERS>
      <VERS vnumber="26">De engel van de HEER ging opnieuw een stuk verderop staan, in een nauwe doorgang, waar geen ruimte was om naar links of rechts uit te wijken. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Toen de ezelin de engel van de HEER zag ging ze liggen, met Bileam nog op haar rug. Bileam werd woedend en sloeg de ezelin met een stok. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Toen liet de HEER de ezelin spreken. Ze vroeg Bileam: 'Wat heb ik u misdaan, dat u me nu al drie keer geslagen hebt?' </VERS>
      <VERS vnumber="29">'Je drijft de spot met me, 'zei Bileam. 'Als ik een zwaard bij me had, dan had ik je allang gedood.' </VERS>
      <VERS vnumber="30">De ezelin vroeg Bileam: 'Ben ik niet de ezelin waarop u al uw hele leven rijdt? Heb ik mij soms ooit eerder zo gedragen?' 'Nee, 'antwoordde hij. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Toen opende de HEER Bileam de ogen, zodat hij de engel van de HEER op de weg zag staan, met het getrokken zwaard in de hand. Hij knielde en boog diep voorover. </VERS>
      <VERS vnumber="32">De engel van de HEER vroeg hem: 'Waarom heb je je ezelin nu al drie keer geslagen? Ik ben hier gekomen om je tegen te houden, want deze reis is tegen mijn wil ondernomen, deze weg voert naar de afgrond. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Driemaal zag je ezelin mij, en driemaal is ze voor me opzij gegaan. Had ze dat niet gedaan, dan had ik jou gedood maar haar in leven gelaten.' </VERS>
      <VERS vnumber="34">Bileam zei tegen de engel van de HEER: 'Ik heb gezondigd, want ik wist niet dat u mij de weg versperde. Maar als wat ik doe slecht is in uw ogen, ga ik terug naar huis.' </VERS>
      <VERS vnumber="35">De engel van de HEER zei tegen Bileam: 'Ga maar met die mannen mee. Maar je mag alleen zeggen wat ik je opdraag.' Dus ging Bileam met Balaks gezanten mee. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Toen Balak hoorde dat Bileam eraan kwam, ging hij hem tegemoet tot aan de Moabitische stad die helemaal aan de rand van het stroomgebied van de Arnon ligt. </VERS>
      <VERS vnumber="37">'Ik had u toch dringend ontboden?' zei Balak tegen Bileam. 'Waarom bent u niet eerder gekomen? Dacht u soms dat ik niet in staat zou zijn om u te belonen?' </VERS>
      <VERS vnumber="38">'Ik ben er nu toch?' antwoordde Bileam hem. 'Maar of ik iets zal kunnen zeggen? Alleen wat God mij in de mond legt kan ik zeggen.' </VERS>
      <VERS vnumber="39">Bileam ging met Balak mee naar Kirjat-Chusot. </VERS>
      <VERS vnumber="40">Balak offerde runderen, geiten en schapen en liet stukken daarvan naar Bileam brengen en naar de gezanten die hem vergezelden. </VERS>
      <VERS vnumber="41">De volgende morgen nam Balak Bileam mee naar Bamot-Baäl, een hooggelegen plaats, vanwaar hij een klein deel van de Israëlieten kon zien. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="23">
      <VERS vnumber="1">Bileam droeg Balak op om daar zeven altaren te bouwen, en zeven stieren en zeven rammen gereed te maken voor een offer. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Balak deed wat Bileam had gezegd. Samen met Bileam offerde hij op elk altaar een stier en een ram. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Daarna zei Bileam tegen Balak: 'Blijft u hier bij uw brandoffers wachten, terwijl ik wat verderop ga. Misschien dat de HEER naar mij toe wil komen. Alles wat hij me laat zien zal ik u meedelen.' Hij ging een kale heuvel op, </VERS>
      <VERS vnumber="4">waar God bij hem kwam. 'Ik heb zeven altaren laten oprichten, 'zei Bileam, 'en op elk altaar heb ik een stier en een ram laten offeren.' </VERS>
      <VERS vnumber="5">De HEER droeg Bileam op naar Balak terug te gaan en legde hem in de mond wat hij moest zeggen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Toen Bileam terugkwam, stond Balak nog bij zijn brandoffers, samen met de Moabitische leiders. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Bileam hief een orakelspreuk aan en zei: 'Balak liet mij uit Aram komen, uit het bergland in het oosten riep Moabs koning mij. "Kom Jakob voor mij vervloeken, kom Israël verwensen!" </VERS>
      <VERS vnumber="8">Hoe kan ik vervloeken wie door God niet is vervloekt? Hoe kan ik verwensen wie door de HEER niet is verwenst? </VERS>
      <VERS vnumber="9">Ik zie hen vanaf de top van de rotsen, ik neem hen waar vanaf de heuvels, een volk dat afgezonderd leeft, zich niet verbindt met andere naties. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Wie kan Jakob tellen, wie telt Israël? Wie stelt de omvang van die stofwolk vast? Moge ik sterven als die rechtvaardigen, moge ik heengaan zoals zij.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">Balak zei tegen Bileam: 'Wat hebt u nu gedaan! Ik heb u hierheen laten halen om mijn vijanden te vervloeken, en nu zegent u ze.' </VERS>
      <VERS vnumber="12">Bileam antwoordde: 'Ik zeg niets anders dan wat de HEER mij in de mond legt.' </VERS>
      <VERS vnumber="13">'Komt u mee naar een andere plek vanwaar u hen kunt zien, 'zei Balak, 'niet het hele volk, maar wel een deel ervan. Spreek vanaf daar voor mij een vloek over hen uit.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">En hij nam hem mee naar de top van de Pisga, in de Sofimvlakte, bouwde zeven altaren en offerde op elk ervan een stier en een ram. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Bileam zei tegen Balak: 'Blijft u hier bij uw brandoffers, ik zal daarginds wachten tot de HEER naar mij toe komt.' </VERS>
      <VERS vnumber="16">De HEER kwam bij Bileam, hij droeg hem op naar Balak terug te gaan en legde hem in de mond wat hij moest zeggen. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Toen Bileam terugkwam, stond Balak nog bij zijn brandoffers, samen met de Moabitische leiders. 'Wat heeft de HEER gezegd?' vroeg Balak. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Daarop hief Bileam deze orakelspreuk aan: 'Let goed op, Balak, en luister, zoon van Sippor, leen mij uw oor. </VERS>
      <VERS vnumber="19">God is geen mens, dat hij zijn woord zou breken of terug zou komen op zijn besluit. Zou hij beloven en niet vervullen, zijn woord geven en het niet gestand doen? </VERS>
      <VERS vnumber="20">Hij droeg mij op te zegenen. Hij heeft gezegend-kan ik dat keren? </VERS>
      <VERS vnumber="21">Voor Jakob laat zich geen onheil schouwen, voor Israël laat zich geen rampspoed zien. De HEER, hun God, is in hun midden, gejubel klinkt op rond hun koning. </VERS>
      <VERS vnumber="22">God, die hen uit Egypte leidde, is voor hen als de horens van een wilde stier. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Voortekens lezen is Jakob vreemd, van waarzeggerij houdt Israël zich ver; God zelf spreekt tot Jakob, op zijn eigen tijd, God zelf zegt tegen Israël wat hij bewerken zal. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Zie, een volk richt zich op als een leeuw. Vol majesteit verheft het zich. Het rust pas als het zijn prooi heeft verslonden en het bloed van zijn buit heeft gedronken.' </VERS>
      <VERS vnumber="25">Balak zei tegen Bileam: 'Als u dan blijft weigeren hen te vervloeken, zegen hen dan tenminste niet.' </VERS>
      <VERS vnumber="26">Bileam antwoordde hem: 'Ik heb u toch gezegd dat ik alleen doe wat de HEER mij opdraagt?' </VERS>
      <VERS vnumber="27">Daarop zei Balak: 'Kom met mij mee, ik zal u ergens anders naartoe brengen. Misschien dat het in Gods ogen goed is als u vanaf daar voor mij een vloek over hen uitspreekt.' </VERS>
      <VERS vnumber="28">En hij nam hem mee naar de top van de Peor; van daar kijkt men uit over de Jesimon. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Bileam droeg Balak op om er zeven altaren te bouwen en zeven stieren en zeven rammen gereed te maken voor een offer. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Balak deed wat Bileam had gezegd. Op elk altaar offerde hij een stier en een ram. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="24">
      <VERS vnumber="1">Bileam begreep dat het in de ogen van de HEER goed was als hij Israël zou zegenen. Daarom ging hij niet, zoals de keren daarvoor, op zoek naar voortekens, maar keerde hij zijn gezicht naar de woestijn. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Toen hij zijn blik liet rondgaan en Israël daar gelegerd zag, stam bij stam, werd hij door de geest van God gegrepen </VERS>
      <VERS vnumber="3">en hief hij deze orakelspreuk aan: 'Zo spreekt Bileam, de zoon van Beor, zo spreekt de man wiens oog geopend is, </VERS>
      <VERS vnumber="4">zo spreekt hij die Gods woorden hoort en ziet wat de Ontzagwekkende toont, in vervoering, met ontsloten ogen: </VERS>
      <VERS vnumber="5">Hoe mooi zijn uw tenten, Jakob, hoe mooi uw woningen, Israël, </VERS>
      <VERS vnumber="6">als palmbomen, overal verspreid, als tuinen langs een rivier, als aloë's door de HEER geplant, als ceders langs het water. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Israëls emmers lopen over, zijn zaad krijgt water in overvloed. Zijn koning wordt groter dan Agag, zeer machtig zijn koningschap. </VERS>
      <VERS vnumber="8">God, die hem uit Egypte leidde, is voor hem als de horens van een wilde stier. Vijandige volken verslindt hij, hun botten verbrijzelt hij, hij valt aan en vermorzelt hen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Hij gaat liggen als een leeuw, majesteitelijk vlijt hij zich neer-wie zou hem durven wekken? Gezegend wie u zegent, vervloekt wie u vervloekt!' </VERS>
      <VERS vnumber="10">Toen werd Balak woedend op Bileam. Hij balde zijn vuisten en zei: 'Ik heb u laten roepen om een vloek over mijn vijanden uit te spreken, maar u hebt hen nu al drie keer gezegend. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Verdwijn, ga terug naar waar u vandaan komt. Ik had beloofd dat ik u rijk zou belonen, maar u loopt die beloning mis-door toedoen van de HEER.' </VERS>
      <VERS vnumber="12">Bileam antwoordde: 'Ik heb al tegen uw gezanten gezegd: </VERS>
      <VERS vnumber="13">"Ook al gaf Balak me al het zilver en goud uit zijn paleis, dan nog zou ik niets kunnen doen dat ook maar enigszins ingaat tegen het bevel van de HEER. Uit mezelf kan ik niets ondernemen; alleen wat de HEER zegt, zal ik zeggen." </VERS>
      <VERS vnumber="14">Goed, ik ga terug naar mijn eigen land. Maar eerst zal ik u laten weten wat dit volk uw volk in de toekomst zal aandoen.' </VERS>
      <VERS vnumber="15">Daarop hief hij deze orakelspreuk aan: 'Zo spreekt Bileam, de zoon van Beor, zo spreekt de man wiens oog geopend is, </VERS>
      <VERS vnumber="16">zo spreekt hij die Gods woorden hoort, die weet wat de Allerhoogste weet en ziet wat de Ontzagwekkende toont, in vervoering, met ontsloten ogen: </VERS>
      <VERS vnumber="17">Wat ik zie is niet in het heden, wat ik waarneem is niet nabij. Een ster komt op uit Jakob, een scepter uit Israël. Hij verbrijzelt Moab de slapen, de kinderen van Set slaat hij neer. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Het land van zijn vijand verovert hij, het land van Edom en Seïr. Israël wordt machtig en sterk, </VERS>
      <VERS vnumber="19">uit Jakob staat een heerser op. Wie ontkomt uit de stad brengt hij om.' </VERS>
      <VERS vnumber="20">Toen zag Bileam Amalek en hief hij deze orakelspreuk aan: 'Amalek, vooraanstaand onder de volken, zal ten slotte volledig te gronde gaan.' </VERS>
      <VERS vnumber="21">Toen zag hij de Kenieten en hief hij deze orakelspreuk aan: 'Vast staat uw woning, Kaïn, op een rots is uw nest gebouwd. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Toch zult u worden weggevaagd, weldra voert Assur u weg.' </VERS>
      <VERS vnumber="23">Ook hief hij deze orakelspreuk aan: 'Wee! Wie blijft in leven als God dit alles uitvoert? </VERS>
      <VERS vnumber="24">Van de kust der Kittiërs komen schepen. Assur en Eber onderdrukken zij, maar ooit gaan ook zij te gronde.'25 Hierna keerde Bileam naar zijn woonplaats terug, en ook Balak ging naar huis. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="25">
      <VERS vnumber="1">Toen de Israëlieten in Sittim verbleven, begonnen ze zich in te laten met Moabitische vrouwen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Deze vrouwen nodigden hen uit voor de offerplechtigheden ter ere van hun goden, en het volk at van de offers en boog zich voor die goden neer. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Zo gaf Israël zich af met de Baäl van de Peor. Daarom ontstak de HEER in woede tegen Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="4">'Laat alle familiehoofden van het volk in het openbaar terechtstellen en ophangen, ten overstaan van de HEER, 'zei hij tegen Mozes. 'Dan zal de HEER zijn brandende toorn tegen Israël laten varen.' </VERS>
      <VERS vnumber="5">Hierop droeg Mozes de rechters van Israël op om allen die onder hun bevoegdheid vielen en zich hadden afgegeven met de Baäl van de Peor te doden. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Terwijl Mozes en heel Israël bij de ingang van de ontmoetingstent aan het weeklagen waren, bracht een van de Israëlitische mannen voor hun ogen toch nog een Midjanitische vrouw naar zijn tent. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Toen Pinechas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, dat zag, stond hij op, greep een speer, </VERS>
      <VERS vnumber="8">volgde de Israëliet tot in zijn slaapvertrek en doorstak hem en de vrouw, dwars door hun onderbuik. Op hetzelfde moment werden de Israëlieten van de plaag verlost. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Aan vierentwintigduizend mensen had de plaag het leven gekost. </VERS>
      <VERS vnumber="10">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="11">'Dankzij Pinechas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, heb ik mijn woede tegen de Israëlieten laten varen. Omdat hij bij de Israëlieten voor mij is opgekomen, heb ik hen niet allemaal in mijn afgunst om het leven gebracht. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Maak daarom bekend dat ik een vriendschapsverbond met hem sluit: </VERS>
      <VERS vnumber="13">ik beloof dat hij en zijn nakomelingen voor altijd het priesterschap zullen bekleden, omdat hij voor zijn God is opgekomen en verzoening voor de Israëlieten bewerkt heeft.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">De Israëliet die samen met de Midjanitische vrouw gedood was, heette Zimri. Hij was een zoon van Salu, die aan het hoofd van een Simeonitische familie stond. </VERS>
      <VERS vnumber="15">De Midjanitische vrouw die gedood was, heette Kozbi. Zij was een dochter van Sur, een Midjanitisch stamhoofd. </VERS>
      <VERS vnumber="16">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="17">'Behandel de Midjanieten als jullie vijanden en dood hen, </VERS>
      <VERS vnumber="18">want zij hebben jullie als hun vijanden behandeld door sluwe plannen tegen jullie te smeden; dat is gebleken uit de gebeurtenissen bij de Peor en ook uit wat er is voorgevallen met Kozbi, de dochter van een Midjanitische leider, iemand van hun eigen volk, die gedood werd tijdens de plaag die op de gebeurtenissen bij de Peor volgde.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="26">
      <VERS vnumber="1">(25:19) Na de plaag zei de HEER tegen Mozes en Eleazar, de zoon van de priester Aäron: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Houd onder heel Israël een telling van alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder. Tel hen per familie.' </VERS>
      <VERS vnumber="3">(3-4) Mozes en de priester Eleazar riepen alle mannen van twintig jaar en ouder bijeen, in de vlakte van Moab, aan de Jordaan, ter hoogte van Jericho, zoals de HEER Mozes had opgedragen. Dit waren de nakomelingen van de Israëlieten die weggetrokken waren uit Egypte: </VERS>
      <VERS vnumber="5">De stam Ruben, Israëls eerstgeborene. Afstammelingen van Ruben: van Chanoch stamde het geslacht van de Chanochieten af, van Pallu het geslacht van de Palluïeten, </VERS>
      <VERS vnumber="6">van Chesron het geslacht van de Chesronieten, van Karmi het geslacht van de Karmieten. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Dit waren de geslachten van de Rubenieten; het aantal ingeschrevenen bedroeg 43.730. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Pallu had een zoon, Eliab, </VERS>
      <VERS vnumber="9">en de zonen van Eliab waren Nemuël, Datan en Abiram. Deze Datan en Abiram, zeer aanzienlijke Israëlieten, waren het die zich met de aanhang van Korach tegen Mozes en Aäron verzet hadden en in opstand waren gekomen tegen de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="10">De aarde had haar mond geopend en hen met Korach opgeslokt, terwijl zijn tweehonderdvijftig aanhangers de dood vonden door een verterend vuur. Zo waren zij een afschrikwekkend voorbeeld geworden. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Korachs zonen waren echter niet omgekomen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Afstammelingen van Simeon, geordend naar geslacht: van Nemuël stamde het geslacht van de Nemuëlieten af, van Jamin het geslacht van de Jaminieten, van Jachin het geslacht van de Jachinieten, </VERS>
      <VERS vnumber="13">van Zerach het geslacht van de Zarchieten, van Sal het geslacht van de Salieten. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Dit waren de geslachten van de Simeonieten-22.200. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Afstammelingen van Gad, geordend naar geslacht: van Sefon stamde het geslacht van de Sefonieten af, van Chaggi het geslacht van de Chaggieten, van Suni het geslacht van de Sunieten, </VERS>
      <VERS vnumber="16">van Ozni het geslacht van de Oznieten, van Eri het geslacht van de Erieten, </VERS>
      <VERS vnumber="17">van Arod het geslacht van de Arodieten, van Areli het geslacht van de Arelieten. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Dit waren de geslachten van de Gadieten-40.500 ingeschrevenen. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Zonen van Juda: Er en Onan. Zowel Er als Onan was in Kanaän gestorven. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Afstammelingen van Juda, geordend naar geslacht: van Sela stamde het geslacht van de Selanieten af, van Peres het geslacht van de Parsieten, van Zerach het geslacht van de Zarchieten. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Afstammelingen van Peres: van Chesron stamde het geslacht van de Chesronieten af, van Chamul het geslacht van de Chamulieten. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Dit waren de geslachten van Juda-76.500 ingeschrevenen. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Afstammelingen van Issachar, geordend naar geslacht: van Tola stamde het geslacht van de Tolaïeten af, van Puwwa het geslacht van de Punieten, </VERS>
      <VERS vnumber="24">van Jasub het geslacht van de Jasubieten, van Simron het geslacht van de Simronieten. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Dit waren de geslachten van Issachar-64.300 ingeschrevenen. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Afstammelingen van Zebulon, geordend naar geslacht: van Sered stamde het geslacht van de Sardieten af, van Elon het geslacht van de Elonieten, van Jachleël het geslacht van de Jachleëlieten. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Dit waren de geslachten van de Zebulonieten-60.500 ingeschrevenen. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Zonen van Jozef: Manasse en Efraïm. Van beiden stamden verschillende geslachten af. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Afstammelingen van Manasse: van Machir stamde het geslacht van de Machirieten af, Machir verwekte Gilead, en van Gilead stamde het geslacht van de Gileadieten af. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Dit waren de afstammelingen van Gilead: van Iëzer stamde het geslacht van de Iëzrieten af, van Chelek het geslacht van de Chelkieten, </VERS>
      <VERS vnumber="31">van Asriël het geslacht van de Asriëlieten, van Sechem het geslacht van de Sichmieten, </VERS>
      <VERS vnumber="32">van Semida het geslacht van de Semidaïeten, van Chefer het geslacht van de Chefrieten. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Chefers zoon Selofchad had geen zonen maar wel dochters. De namen van de dochters van Selofchad waren Machla, Noa, Chogla, Milka en Tirsa. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Dit waren de geslachten van Manasse; het aantal ingeschrevenen bedroeg 52.700. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Afstammelingen van Efraïm, geordend naar geslacht: van Sutelach stamde het geslacht van de Sutalchieten af, van Becher het geslacht van de Bachrieten, van Tachan het geslacht van de Tachanieten. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Afstammelingen van Sutelach: van Eran stamde het geslacht van de Eranieten af. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Dit waren de geslachten van de Efraïmieten-32.500 ingeschrevenen. Dit waren de nakomelingen van Jozef, geordend naar geslacht. </VERS>
      <VERS vnumber="38">Afstammelingen van Benjamin, geordend naar geslacht: van Bela stamde het geslacht van de Balieten af, van Asbel het geslacht van de Asbelieten, van Achiram het geslacht van de Achiramieten, </VERS>
      <VERS vnumber="39">van Sefufam het geslacht van de Sufamieten, van Chufam het geslacht van de Chufamieten. </VERS>
      <VERS vnumber="40">De zonen van Bela waren Ard en Naäman. Van Ard stamde het geslacht van de Ardieten af, van Naäman het geslacht van de Naämieten. </VERS>
      <VERS vnumber="41">Dit waren de afstammelingen van Benjamin, geordend naar geslacht; het aantal ingeschrevenen bedroeg 45.600. </VERS>
      <VERS vnumber="42">Afstammelingen van Dan, geordend naar geslacht: van Sucham stamde het geslacht van de Suchamieten af. Dit waren de geslachten van Dan. </VERS>
      <VERS vnumber="43">Voor de geslachten van de Suchamieten bedroeg het aantal ingeschrevenen 64.400. </VERS>
      <VERS vnumber="44">Afstammelingen van Aser, geordend naar geslacht: van Jimna stamde het geslacht Jimna af, van Jiswi het geslacht van de Jiswieten, van Beria het geslacht van de Beriïeten. </VERS>
      <VERS vnumber="45">Wat de afstammelingen van Beria betreft: van Cheber stamde het geslacht van de Chebrieten af, van Malkiël het geslacht van de Malkiëlieten. </VERS>
      <VERS vnumber="46">De naam van de dochter van Aser was Serach. </VERS>
      <VERS vnumber="47">Dit waren de geslachten van de Aserieten-53.400 ingeschrevenen. </VERS>
      <VERS vnumber="48">Afstammelingen van Naftali, geordend naar geslacht: van Jachseël stamde het geslacht van de Jachseëlieten af, van Guni het geslacht van de Gunieten, </VERS>
      <VERS vnumber="49">van Jeser het geslacht van de Jisrieten, van Sillem het geslacht van de Sillemieten. </VERS>
      <VERS vnumber="50">Dit waren de Naftalieten, geordend naar geslacht; het aantal ingeschrevenen bedroeg 45.400. </VERS>
      <VERS vnumber="51">Het aantal ingeschreven Israëlieten bedroeg 601.730. </VERS>
      <VERS vnumber="52">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="53">(53-54) 'Het land moet onder deze stammen verdeeld worden overeenkomstig het aantal ingeschrevenen: geef een grote stam een groot gebied als erfelijk bezit, een kleine stam een klein gebied. </VERS>
      <VERS vnumber="55">Het lot zal beslissen hoe het land verdeeld moet worden en welk gebied elke stam, overeenkomstig het aantal ingeschrevenen, toegewezen krijgt; </VERS>
      <VERS vnumber="56">het lot beslist over de toewijzing van zowel de grote als de kleine stamgebieden.' </VERS>
      <VERS vnumber="57">Dit waren de ingeschrevenen van de Levieten, geordend naar geslacht: afstammend van Gerson het geslacht van de Gersonieten, van Kehat het geslacht van de Kehatieten, van Merari het geslacht van de Merarieten. </VERS>
      <VERS vnumber="58">Dit waren de geslachten van Levi: het geslacht van de Libnieten, het geslacht van de Chebronieten, het geslacht van de Machlieten, het geslacht van de Musieten, het geslacht van de Korchieten. Kehat verwekte Amram. </VERS>
      <VERS vnumber="59">De naam van de vrouw van Amram was Jochebed. Zij was een dochter van Levi, wiens vrouw haar in Egypte gebaard had, en zij baarde aan Amram Aäron, Mozes en hun zuster Mirjam. </VERS>
      <VERS vnumber="60">Aäron kreeg de volgende zonen: Nadab en Abihu, Eleazar en Itamar. </VERS>
      <VERS vnumber="61">Nadab en Abihu stierven toen zij de HEER vuur hadden aangeboden dat niet aan de voorschriften voldeed. </VERS>
      <VERS vnumber="62">Het aantal ingeschreven Levieten, te weten alle mannelijke personen van ‚‚n maand en ouder, bedroeg 23.000. Zij werden apart van de andere Israëlieten ingeschreven, omdat aan hen geen grondgebied werd toegewezen, zoals aan de anderen. </VERS>
      <VERS vnumber="63">Dit waren de Israëlieten die door Mozes en de priester Eleazar in de vlakte van Moab werden ingeschreven, aan de Jordaan, ter hoogte van Jericho. </VERS>
      <VERS vnumber="64">Onder hen bevond zich niemand van degenen die door Mozes en de priester Aäron waren ingeschreven in de Sinaiwoestijn, </VERS>
      <VERS vnumber="65">want de HEER had gezegd dat ze allemaal in de woestijn zouden sterven. Er was niemand van hen overgebleven, behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="27">
      <VERS vnumber="1">(1-2) De dochters van Selofchad, die tot een geslacht behoorden dat van Jozefs zoon Manasse afstamde-Selofchad was een zoon van Chefer, de zoon van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse-kwamen naar de ingang van de ontmoetingstent en wendden zich tot Mozes, de priester Eleazar, de leiders en het hele volk. Deze vrouwen, Machla, Noa, Chogla, Milka en Tirsa genaamd, legden hun het volgende voor: </VERS>
      <VERS vnumber="3">'Onze vader is in de woestijn gestorven. Hij behoorde niet tot de aanhangers van Korach, die tegen de HEER in opstand kwamen, maar is om zijn eigen zonden gestorven. Hij had geen zonen. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Moet de naam van onze vader nu uit de familie verdwijnen omdat hij geen zoon heeft nagelaten? Wijst u ons, net als de broers van onze vader, een stuk grond toe.' </VERS>
      <VERS vnumber="5">Mozes legde hun zaak aan de HEER voor, </VERS>
      <VERS vnumber="6">en de HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="7">'Selofchads dochters hebben gelijk. Je moet hun inderdaad een stuk grond in bezit geven, net als de broers van hun vader. Wat hun vader toekwam moet op hen overgaan. </VERS>
      <VERS vnumber="8">En zeg tegen de Israëlieten: "Wanneer iemand sterft zonder een zoon na te laten, moet zijn bezit overgaan op zijn dochter. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Heeft hij geen dochter, dan moet zijn bezit aan zijn broers gegeven worden. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Heeft hij geen broers, dan moet zijn bezit aan de broers van zijn vader gegeven worden. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Heeft zijn vader geen broers, dan moet zijn bezit aan zijn naaste bloedverwant gegeven worden; dat is dan zijn erfgenaam. Dit is een wettelijke bepaling voor alle Israëlieten, door de HEER aan Mozes gegeven."' </VERS>
      <VERS vnumber="12">De HEER zei tegen Mozes: 'Beklim het Abarimgebergte, zodat je kunt uitkijken over het land dat ik de Israëlieten geef. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Wanneer je het gezien hebt, zul je met je voorouders verenigd worden, net als je broer Aäron. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Dat is omdat jullie in de woestijn van Sin, toen de Israëlieten met verwijten kwamen over water, tegen mijn bevel zijn ingegaan en in hun bijzijn geen ontzag hebben getoond voor mijn heiligheid.' (Dat was het water van Meribat-Kades in de woestijn van Sin.) </VERS>
      <VERS vnumber="15">Mozes antwoordde de HEER: </VERS>
      <VERS vnumber="16">'Moge de HEER, de God die aan al wat leeft de levensadem schenkt, dan iemand over het volk aanstellen </VERS>
      <VERS vnumber="17">die het kan leiden en de troepen kan aanvoeren, zodat het volk van de HEER niet wordt als een kudde schapen zonder herder.' </VERS>
      <VERS vnumber="18">De HEER zei tegen Mozes: 'Laat Jozua, de zoon van Nun, bij je komen; hij is een man die geestkracht bezit. Leg hem de hand op </VERS>
      <VERS vnumber="19">en laat hem plaatsnemen voor de priester Eleazar en voor de hele gemeenschap. Draag in ieders aanwezigheid de leiding aan hem over </VERS>
      <VERS vnumber="20">en laat hem delen in het aanzien dat jij geniet. Dan zal heel Israël hem voortaan gehoorzamen. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Wanneer er een beslissing moet worden genomen, moet hij zich tot de priester Eleazar wenden, en die raadpleegt dan ten overstaan van de HEER de orakelstenen. Zijn uitspraak bepaalt of Jozua met de andere Israëlieten een veldtocht moet ondernemen of niet.' </VERS>
      <VERS vnumber="22">Mozes deed wat de HEER hem had opgedragen: hij liet Jozua bij zich komen, liet hem plaatsnemen voor de priester Eleazar en voor de hele gemeenschap, </VERS>
      <VERS vnumber="23">legde hem de handen op en droeg de leiding aan hem over. Zo had de HEER het bij monde van Mozes bevolen. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="28">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Laat de Israëlieten ervoor zorgen dat ze mij op de vastgestelde tijden mijn offers brengen, het voedsel dat mij wordt aangeboden als een geurige gave die mij behaagt. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Zeg tegen hen: "Elke dag moet u de HEER een offergave aanbieden. Draag hem dagelijks twee eenjarige rammen zonder enig gebrek als brandoffer op, </VERS>
      <VERS vnumber="4">de ene ram 's morgens, de andere tegen het vallen van de avond, </VERS>
      <VERS vnumber="5">met een graanoffer van een tiende efa tarwebloem vermengd met een kwart hin zuivere olijfolie. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Dit is een brandoffer dat u dagelijks moet brengen en dat op de Sinai is ingesteld; het is een geurige gave die de HEER behaagt. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Bij de eerste ram hoort een wijnoffer van een kwart hin wijn. De wijn die de HEER geofferd wordt, moet in het heiligdom worden uitgegoten. </VERS>
      <VERS vnumber="8">De tweede ram offert u tegen het vallen van de avond, met eenzelfde graanoffer en eenzelfde wijnoffer als 's morgens, een geurige gave die de HEER behaagt. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Op sabbat biedt u twee eenjarige rammen zonder enig gebrek aan, met een graanoffer van twee tiende efa tarwebloem vermengd met olijfolie, en het bijbehorende wijnoffer. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Dit brandoffer moet elke sabbat gebracht worden, naast het dagelijkse brandoffer en het daarbij horende wijnoffer. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Bij elke nieuwemaan moet u de HEER als brandoffer twee stieren, een volwassen ram en zeven eenjarige rammen zonder enig gebrek opdragen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Bij elke stier komt een graanoffer van drie tiende efa tarwebloem vermengd met olijfolie, bij de volwassen ram een graanoffer van twee tiende efa tarwebloem vermengd met olijfolie, </VERS>
      <VERS vnumber="13">en bij elke jonge ram een graanoffer van ‚‚n tiende efa tarwebloem vermengd met olijfolie. Dit alles is bestemd als brandoffer, als een geurige gave die de HEER behaagt. </VERS>
      <VERS vnumber="14">De bijbehorende wijnoffers zijn een halve hin wijn bij elke stier, een derde hin bij de volwassen ram en een kwart hin bij elke jonge ram. Dit is het maandelijkse brandoffer; het moet elke maand van het jaar gebracht worden. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Ook moet als reinigingsoffer een bok aan de HEER worden opgedragen, naast het dagelijkse brandoffer en het daarbij horende wijnoffer. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Op de veertiende dag van de eerste maand wordt ter ere van de HEER het pesachoffer bereid. </VERS>
      <VERS vnumber="17">En op de vijftiende dag van die maand begint het feest waarop er zeven dagen lang ongedesemd brood gegeten wordt. </VERS>
      <VERS vnumber="18">De eerste dag moet u als heilige dag samen vieren; u mag dan niet werken. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Draag de HEER als brandoffer twee stieren, een volwassen ram en zeven eenjarige rammen op; ze mogen geen enkel gebrek hebben. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Bied daarbij een graanoffer aan van tarwebloem vermengd met olijfolie: drie tiende efa bij elke stier, twee tiende efa bij de volwassen ram </VERS>
      <VERS vnumber="21">en ‚‚n tiende efa bij elk van de zeven jonge rammen. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Ook moet u, als reinigingsoffer, een bok aanbieden, om verzoening voor uw zonden te bewerken. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Deze offers komen niet in mindering op het brandoffer dat elke morgen gebracht wordt. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Elk van de zeven dagen moet u dit voedsel als offergave aanbieden, een geurige gave die de HEER behaagt. Met het bijbehorende wijnoffer moet het naast het dagelijkse brandoffer worden aangeboden. </VERS>
      <VERS vnumber="25">De zevende dag moet u als heilige dag samen vieren; u mag dan niet werken. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Ook de dag van de eerste opbrengst, de dag van het Wekenfeest, waarop u de HEER een graanoffer uit de nieuwe oogst aanbiedt, moet u als heilige dag samen vieren; u mag dan niet werken. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Bied die dag als brandoffer, als een geurige gave die de HEER behaagt, twee stieren aan, een volwassen ram en zeven eenjarige rammen, </VERS>
      <VERS vnumber="28">met het bijbehorende graanoffer van tarwebloem vermengd met olijfolie: drie tiende efa bij elke stier, twee tiende efa bij de volwassen ram, </VERS>
      <VERS vnumber="29">en ‚‚n tiende efa bij elk van de zeven jonge rammen. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Bied ook een bok aan, om verzoening voor u te bewerken. </VERS>
      <VERS vnumber="31">De dieren mogen geen enkel gebrek hebben. Deze offers, met de bijbehorende wijnoffers, komen niet in mindering op het dagelijkse brandoffer en het daarbij horende graanoffer. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="29">
      <VERS vnumber="1">De eerste dag van de zevende maand zullen de hoorns schallen. Vier die dag gezamenlijk als heilige dag; u mag dan niet werken. </VERS>
      <VERS vnumber="2">U moet de HEER die dag als brandoffer, als een geurige gave die de HEER behaagt, een stier opdragen, een volwassen ram en zeven eenjarige rammen zonder enig gebrek, </VERS>
      <VERS vnumber="3">met het bijbehorende graanoffer van tarwebloem vermengd met olijfolie: drie tiende efa bij de stier, twee tiende efa bij de volwassen ram </VERS>
      <VERS vnumber="4">en ‚‚n tiende efa bij elk van de zeven jonge rammen. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Bied ook een bok aan, als reinigingsoffer, om verzoening voor u te bewerken. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Deze offers komen niet in mindering op het maandelijkse brandoffer en het daarbij horende graanoffer en ook niet op het dagelijkse brandoffer en de voorgeschreven graan- en wijnoffers die daarbij horen. Dit is een geurige offergave die de HEER behaagt. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Ook de tiende dag van de zevende maand moet u als heilige dag samen vieren. U moet die dag in onthouding doorbrengen en mag geen enkele bezigheid verrichten. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Bied de HEER die dag als brandoffer, als een geurige gave, een stier aan, een volwassen ram en zeven eenjarige rammen, alle zonder enig gebrek, </VERS>
      <VERS vnumber="9">met het bijbehorende graanoffer van tarwebloem vermengd met olijfolie: drie tiende efa bij de stier, twee tiende efa bij de volwassen ram </VERS>
      <VERS vnumber="10">en ‚‚n tiende efa bij elk van de zeven jonge rammen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Als reinigingsoffer moet u een bok aanbieden. Deze offers komen niet in mindering op het reinigingsoffer waarmee de verzoeningsrite voltrokken wordt, en ook niet op het dagelijkse brandoffer en de daarbij horende graan- en wijnoffers. </VERS>
      <VERS vnumber="12">De vijftiende dag van de zevende maand moet u eveneens als heilige dag samen vieren; u mag dan niet werken. Vier ter ere van de HEER zeven dagen lang feest. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Bied als brandoffer, als een geurige offergave die de HEER behaagt, dertien stieren aan, twee volwassen rammen en veertien eenjarige rammen, dieren zonder enig gebrek, </VERS>
      <VERS vnumber="14">met het bijbehorende graanoffer van tarwebloem vermengd met olijfolie: drie tiende efa bij elk van de dertien stieren, twee tiende efa bij elk van de twee volwassen rammen, </VERS>
      <VERS vnumber="15">en ‚‚n tiende efa bij elk van de veertien jonge rammen. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Bied als reinigingsoffer een bok aan. Deze offers komen niet in mindering op het dagelijkse brandoffer en het daarbij horende graan- en wijnoffer. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Op de tweede dag biedt u twaalf stieren aan, twee volwassen rammen en veertien eenjarige rammen zonder enig gebrek, </VERS>
      <VERS vnumber="18">en bij elk van de stieren en bij elk van de volwassen en jonge rammen de bijbehorende graan- en wijnoffers, zoals voorgeschreven. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Verder als reinigingsoffer een bok. Deze offers komen niet in mindering op het dagelijkse brandoffer en het daarbij horende graan- en wijnoffer. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Op de derde dag elf stieren, twee volwassen rammen en veertien eenjarige rammen zonder enig gebrek, </VERS>
      <VERS vnumber="21">en bij elk van de stieren en bij elk van de volwassen en jonge rammen de bijbehorende graan- en wijnoffers, zoals voorgeschreven. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Verder als reinigingsoffer een bok. Deze offers komen niet in mindering op het dagelijkse brandoffer en het daarbij horende graan- en wijnoffer. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Op de vierde dag tien stieren, twee volwassen rammen en veertien eenjarige rammen zonder enig gebrek, </VERS>
      <VERS vnumber="24">en bij elk van de stieren en bij elk van de volwassen en jonge rammen de bijbehorende graan- en wijnoffers, zoals voorgeschreven. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Verder als reinigingsoffer een bok. Deze offers komen niet in mindering op het dagelijkse brandoffer en het daarbij horende graan- en wijnoffer. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Op de vijfde dag negen stieren, twee volwassen rammen en veertien eenjarige rammen zonder enig gebrek, </VERS>
      <VERS vnumber="27">en bij elk van de stieren en bij elk van de volwassen en jonge rammen de bijbehorende graan- en wijnoffers, zoals voorgeschreven. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Verder als reinigingsoffer een bok. Deze offers komen niet in mindering op het dagelijkse brandoffer en het daarbij horende graan- en wijnoffer. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Op de zesde dag acht stieren, twee volwassen rammen en veertien eenjarige rammen zonder enig gebrek, </VERS>
      <VERS vnumber="30">en bij elk van de stieren en bij elk van de volwassen en jonge rammen de bijbehorende graan- en wijnoffers, zoals voorgeschreven. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Verder als reinigingsoffer een bok. Deze offers komen niet in mindering op het dagelijkse brandoffer en het daarbij horende graan- en wijnoffer. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Op de zevende dag zeven stieren, twee volwassen rammen en veertien eenjarige rammen zonder enig gebrek, </VERS>
      <VERS vnumber="33">en bij elk van de stieren en bij elk van de volwassen en jonge rammen de bijbehorende graan- en wijnoffers, zoals voorgeschreven. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Verder als reinigingsoffer een bok. Deze offers komen niet in mindering op het dagelijkse brandoffer en het daarbij horende graan- en wijnoffer. </VERS>
      <VERS vnumber="35">De achtste dag moet er een feestelijke samenkomst zijn; u mag dan niet werken. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Bied dan als brandoffer, als een geurige offergave die de HEER behaagt, een stier aan, een volwassen ram en zeven eenjarige rammen zonder enig gebrek, </VERS>
      <VERS vnumber="37">en bied bij de stier, bij de volwassen ram en bij elk van de jonge rammen het bijbehorende graan- en wijnoffer aan, zoals voorgeschreven. </VERS>
      <VERS vnumber="38">Verder als reinigingsoffer een bok. Deze offers komen niet in mindering op het dagelijkse brandoffer en het daarbij horende graan- en wijnoffer. </VERS>
      <VERS vnumber="39">Dit zijn de brandoffers, graanoffers, wijnoffers en vredeoffers die u de HEER op uw hoogtijdagen moet opdragen. Ze vallen buiten uw gelofteoffers en uw vrijwillige gaven."' </VERS>
      <VERS vnumber="40">(30:1) Mozes bracht alles wat de HEER hem had geboden aan de Israëlieten over. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="30">
      <VERS vnumber="1">(30:2) Mozes zei tegen de stamhoofden van de Israëlieten: 'De HEER heeft het volgende bepaald: </VERS>
      <VERS vnumber="2">(30:3) Wanneer een man de HEER belooft iets te zullen doen of onder ede de verplichting op zich neemt zich van iets te onthouden, mag hij zijn woord niet breken; aan alles wat hij met zoveel woorden zegt, moet hij zich houden. </VERS>
      <VERS vnumber="3">(30:4) Wanneer een vrouw de HEER belooft iets te zullen doen of de verplichting aangaat zich van iets te onthouden terwijl ze nog als meisje bij haar vader woont, </VERS>
      <VERS vnumber="4">(30:5) en haar vader zegt er niets van wanneer hij hoort van haar gelofte of van de verplichting die ze op zich heeft genomen, dan blijven al haar geloften en alle verplichtingen die ze op zich heeft genomen geldig. </VERS>
      <VERS vnumber="5">(30:6) Maar als haar vader bezwaar maakt zodra hij ervan hoort, verliezen al haar geloften en alle verplichtingen die ze op zich genomen heeft hun geldigheid. De HEER ontheft haar ervan omdat haar vader bezwaar heeft gemaakt. </VERS>
      <VERS vnumber="6">(30:7) Is ze bij haar trouwen nog gebonden door geloften die ze heeft gedaan of door een onbezonnen toezegging, </VERS>
      <VERS vnumber="7">(30:8) en zegt haar man er niets van zodra hij ervan hoort, dan blijven haar geloften en de verplichtingen die ze op zich genomen heeft geldig. </VERS>
      <VERS vnumber="8">(30:9) Maar als haar man bezwaar maakt zodra hij ervan hoort, doet hij de gelofte waardoor ze gebonden is of de onbezonnen toezegging die ze heeft gedaan teniet, en de HEER ontheft haar ervan. </VERS>
      <VERS vnumber="9">(30:10) Wat de geloften van weduwen en verstoten vrouwen betreft: alles waartoe zij zich verplicht hebben, moeten ze nakomen. </VERS>
      <VERS vnumber="10">(30:11) Als een vrouw getrouwd is en ze doet een gelofte of neemt onder ede een verplichting op zich, </VERS>
      <VERS vnumber="11">(30:12) en haar man zegt er niets van en maakt geen bezwaar wanneer hij ervan hoort, dan blijven al haar geloften en alle verplichtingen die ze is aangegaan geldig. </VERS>
      <VERS vnumber="12">(30:13) Maar als haar man ze nadrukkelijk ongeldig verklaart zodra hij ervan hoort, verliest alles wat ze heeft toegezegd zijn geldigheid, elke gelofte en iedere verplichting. Haar man doet alles teniet, en de HEER ontheft haar ervan. </VERS>
      <VERS vnumber="13">(30:14) Elke gelofte en elke verplichting tot onthouding die ze onder ede aangaat, kan haar man zowel bekrachtigen als ongeldig verklaren. </VERS>
      <VERS vnumber="14">(30:15) Heeft haar man er binnen een etmaal niets van gezegd, dan bekrachtigt hij al haar geloften en alle verplichtingen die ze zichzelf heeft opgelegd; door er niets van te zeggen zodra hij ervan hoort, bekrachtigt hij ze. </VERS>
      <VERS vnumber="15">(30:16) Maar verklaart hij ze nadrukkelijk ongeldig als hij ervan hoort, dan draagt hij de volle verantwoordelijkheid.' </VERS>
      <VERS vnumber="16">(30:17) Dit zijn de wetten die de HEER Mozes heeft opgelegd met betrekking tot een man en zijn vrouw en met betrekking tot een vader en een dochter die nog als meisje bij hem woont. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="31">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Spoor de Israëlieten ertoe aan wraak te nemen op de Midjanieten, daarna zul je met je voorouders verenigd worden.' </VERS>
      <VERS vnumber="3">Hierop zei Mozes tegen het volk: 'Een deel van de mannen moet zich klaarmaken voor de strijd. Ze moeten de Midjanieten aanvallen om de wraak van de HEER aan Midjan te voltrekken. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Elke stam van Israël moet duizend man in het veld brengen.' </VERS>
      <VERS vnumber="5">Zo werden er twaalfduizend weerbare mannen gerekruteerd, duizend man uit elke stam van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Mozes liet deze mannen, duizend uit elke stam, uitrukken samen met Pinechas, de zoon van de priester Eleazar, die de heilige voorwerpen en de trompetten bij zich droeg. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Ze trokken tegen de Midjanieten ten strijde, zoals de HEER Mozes had bevolen, en doodden alle mannen, </VERS>
      <VERS vnumber="8">onder wie de koningen van Midjan: Ewi, Rekem, Sur, Chur en Reba. En naast de vijf Midjanitische koningen doodden ze ook Bileam, de zoon van Beor. </VERS>
      <VERS vnumber="9">De Israëlieten namen de Midjanitische vrouwen en kinderen gevangen, maakten zich meester van de runderen en het overige vee van de Midjanieten en van al hun bezittingen, </VERS>
      <VERS vnumber="10">en legden de steden waarin ze woonden en hun tentenkampen in de as. </VERS>
      <VERS vnumber="11">De geroofde bezittingen en de hele buit aan mensen en dieren namen ze mee, </VERS>
      <VERS vnumber="12">en ze brachten zowel de gevangenen als de buitgemaakte goederen naar Mozes, de priester Eleazar en het volk van Israël, naar het kamp in de vlakte van Moab, aan de Jordaan, ter hoogte van Jericho. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Mozes, de priester Eleazar en de leiders van de gemeenschap verlieten het kamp en gingen hun tegemoet. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Toen werd Mozes woedend op de bevelhebbers, de aanvoerders van duizend en de aanvoerders van honderd man, die daar uit de strijd terugkeerden. </VERS>
      <VERS vnumber="15">'U hebt de vrouwen in leven gelaten?!' zei hij. </VERS>
      <VERS vnumber="16">'Juist zij waren het die de Israëlieten, op aanraden van Bileam, destijds bij de Peor verleid hebben tot ontrouw aan de HEER, en dat veroorzaakte de plaag die de gemeenschap van de HEER getroffen heeft. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Dood daarom alle kinderen van het mannelijk geslacht en alle vrouwen die met een man hebben geslapen, </VERS>
      <VERS vnumber="18">maar laat meisjes die nog nooit met een man hebben geslapen in leven. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Zelf moet u zeven dagen buiten het kamp blijven. Iedereen die iemand gedood heeft en iedereen die een gesneuvelde heeft aangeraakt, moet zich op de derde en op de zevende dag laten reinigen. Dit geldt niet alleen voor uzelf maar ook voor de gevangenen. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Ook alle kleren moeten gereinigd worden, en alle voorwerpen die gemaakt zijn van leer, geitenhaar of hout.' </VERS>
      <VERS vnumber="21">De priester Eleazar zei tegen de mannen die aan de strijd hadden deelgenomen: 'Dit is een wet die de HEER heeft ingesteld en die hij aan Mozes bekend heeft gemaakt: </VERS>
      <VERS vnumber="22">Alles van goud of zilver, van koper, ijzer, tin of lood, </VERS>
      <VERS vnumber="23">alles wat vuurbestendig is, moet door het vuur gehaald worden om weer rein te worden, en het moet bovendien met reinigingswater worden gereinigd. Alles wat niet tegen vuur bestand is, moet door het water gehaald worden. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Was op de zevende dag uw kleren, dan bent u weer rein en mag u weer in het kamp komen.' </VERS>
      <VERS vnumber="25">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="26">'Ga samen met de priester Eleazar en de familiehoofden van de gemeenschap na hoe groot de buit aan mensen en dieren is; </VERS>
      <VERS vnumber="27">geef de ene helft aan de mannen die aan de strijd hebben deelgenomen en de andere helft aan de rest van de gemeenschap. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Leg degenen die aan de strijd hebben deelgenomen een heffing op van ‚‚n op de vijfhonderd mensen, runderen, ezels, schapen en geiten; dit moeten zij aan de HEER afstaan. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Houd dit op hun aandeel in en geef het aan de priester Eleazar, als een geschenk voor de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Op het aandeel van de andere Israëlieten moet je ‚‚n op de vijftig mensen, runderen, ezels, schapen, geiten en andere dieren inhouden. Geef ze aan de Levieten die zorg dragen voor de tabernakel van de HEER .' </VERS>
      <VERS vnumber="31">Mozes en de priester Eleazar deden wat de HEER Mozes had geboden. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Afgezien van de buitgemaakte goederen die de troepen al hadden verbruikt, bedroeg de buit 675.000 schapen en geiten, </VERS>
      <VERS vnumber="33">72.000 runderen </VERS>
      <VERS vnumber="34">en 61.000 ezels, </VERS>
      <VERS vnumber="35">en verder mensen, namelijk 32.000 vrouwen die nog nooit met een man geslapen hadden. </VERS>
      <VERS vnumber="36">De helft, het aandeel van hen die aan de strijd hadden deelgenomen, bedroeg dus 337.500 schapen en geiten, </VERS>
      <VERS vnumber="37">waarvan er 675 aan de HEER moesten worden afgestaan, </VERS>
      <VERS vnumber="38">36.000 runderen, waarvan er 72 aan de HEER werden afgestaan, </VERS>
      <VERS vnumber="39">30.500 ezels, waarvan er 61 aan de HEER werden afgestaan, </VERS>
      <VERS vnumber="40">en 16.000 mensen, van wie er 32 aan de HEER werden afgestaan. </VERS>
      <VERS vnumber="41">Mozes droeg alles wat als geschenk aan de HEER moest worden afgestaan, over aan de priester Eleazar, zoals de HEER hem had geboden. </VERS>
      <VERS vnumber="42">Op het aandeel dat Mozes apart gehouden had voor de Israëlieten die niet aan de strijd hadden deelgenomen </VERS>
      <VERS vnumber="43">-de voor hen bestemde helft omvatte 337.500 schapen en geiten, </VERS>
      <VERS vnumber="44">36.000 runderen, </VERS>
      <VERS vnumber="45">30.500 ezels </VERS>
      <VERS vnumber="46">en 16.000 mensen- </VERS>
      <VERS vnumber="47">op dat aandeel van de Israëlieten hield Mozes ‚‚n op de vijftig mensen en dieren in, en hij gaf die aan de Levieten die zorg droegen voor de tabernakel van de HEER, zoals de HEER hem had geboden. </VERS>
      <VERS vnumber="48">(48-49) De bevelhebbers van het leger, de aanvoerders van duizend man en die van honderd, kwamen Mozes zeggen: 'We hebben de manschappen die onder ons bevel stonden geteld, heer, en er ontbreekt niemand. </VERS>
      <VERS vnumber="50">Wat wijzelf aan gouden voorwerpen hebben aangetroffen, bieden we de HEER als offergave aan: enkelkettinkjes, armbanden, vingerringen, oorringen en halssieraden. Hiermee willen we bij de HEER verzoening voor onszelf bewerken.' </VERS>
      <VERS vnumber="51">Mozes en de priester Eleazar namen de gouden sieraden van hen aan. </VERS>
      <VERS vnumber="52">Het goud dat ze als geschenk voor de HEER in ontvangst namen van de aanvoerders van duizend man en die van honderd, woog 16.750 sjekel. </VERS>
      <VERS vnumber="53">De manschappen hielden de buit die ze veroverd hadden zelf. </VERS>
      <VERS vnumber="54">Mozes en de priester Eleazar brachten het goud dat ze van de aanvoerders van duizend en van honderd man in ontvangst hadden genomen naar de ontmoetingstent, opdat de HEER aan de Israëlieten zou blijven denken. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="32">
      <VERS vnumber="1">De Rubenieten en de Gadieten bezaten bijzonder veel vee. Toen ze zagen dat het gebied van Jazer en Gilead bij uitstek geschikt was om er vee te houden, </VERS>
      <VERS vnumber="2">gingen ze naar Mozes en de priester Eleazar en de leiders van de gemeenschap en zeiden: </VERS>
      <VERS vnumber="3">'Het gebied van Atarot, Dibon, Jazer, Nimra, Chesbon, Elale, Sebam, Nebo en Beon, </VERS>
      <VERS vnumber="4">dat de HEER voor het volk van Israël veroverd heeft, dat gebied is zeer geschikt voor vee. En wij hebben veel vee.' </VERS>
      <VERS vnumber="5">En ze vervolgden: 'Wees zo goed uw dienaren dit gebied in bezit te geven, laat ons niet de Jordaan oversteken.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">Mozes antwoordde de Gadieten en Rubenieten: 'U wilt hier blijven terwijl uw broeders ten strijde trekken? </VERS>
      <VERS vnumber="7">Wilt u de Israëlieten de moed ontnemen om over te steken naar het land dat de HEER hun gegeven heeft? </VERS>
      <VERS vnumber="8">Dat hebben uw voorouders ook gedaan, toen ik hen er vanuit Kades-Barnea op uitstuurde om te gaan kijken hoe het land was. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Ze verkenden het land tot aan het Eskoldal en ontnamen de Israëlieten de moed om het land dat de HEER hun gegeven had binnen te trekken. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Toen ontstak de HEER in woede, en hij zwoer: </VERS>
      <VERS vnumber="11">"Omdat zij niet volledig op mij hebben vertrouwd, zal geen van de mannen van twintig jaar en ouder die uit Egypte zijn weggetrokken, het land zien dat ik Abraham, Isaak en Jakob onder ede heb beloofd, </VERS>
      <VERS vnumber="12">met uitzondering van de Kenizziet Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun, die wel volledig op de HEER hebben vertrouwd." </VERS>
      <VERS vnumber="13">De woede van de HEER was zo hevig dat hij de Israëlieten veertig jaar in de woestijn liet rondzwerven, totdat die hele generatie, die gedaan had wat slecht is in de ogen van de HEER, gestorven was. </VERS>
      <VERS vnumber="14">En nu wilt u precies hetzelfde doen als uw zondige voorouders en zo de woede van de HEER tegen de Israëlieten nog aanwakkeren! </VERS>
      <VERS vnumber="15">Als u zich van hem afwendt, zal hij hen nog langer in de woestijn laten en zult u dit hele volk in het verderf storten.' </VERS>
      <VERS vnumber="16">Maar zij antwoordden, dichterbij komend: 'We willen hier schaapskooien bouwen voor ons vee en steden voor onze kinderen. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Dan kunnen onze kinderen in de vestingsteden wonen, veilig voor de inwoners van het land, en dan zullen wijzelf ons wapenen en voor de andere Israëlieten uit trekken, totdat we hen op de plaats van hun bestemming hebben gebracht. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Wij gaan niet naar huis voordat ieder van de Israëlieten een eigen stuk grond heeft gekregen. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Maar als wij ten oosten van de Jordaan ons deel krijgen, hoeven wij niet net als zij grond te hebben aan de overkant van de Jordaan of nog verder weg.' </VERS>
      <VERS vnumber="20">Hierop zei Mozes tegen hen: 'Als u dat doet, als u zich ten overstaan van de HEER opmaakt voor de strijd, </VERS>
      <VERS vnumber="21">(21-22) en als al uw weerbare mannen voor de HEER de Jordaan overtrekken en niet terugkeren voordat de HEER zijn vijanden verdreven heeft en het land aan hem onderworpen is, dan zult u zich volledig van uw plicht tegenover de HEER en Israël gekweten hebben en wordt dit gebied ten overstaan van de HEER uw eigendom. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Maar doet u dit niet, dan zondigt u tegen de HEER en zult u de gevolgen van uw zonde ondervinden. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Bouw steden voor uw kinderen en bouw schaapskooien, en doe wat u hebt beloofd.' </VERS>
      <VERS vnumber="25">De Gadieten en de Rubenieten antwoordden Mozes: 'We zullen doen wat u ons opdraagt, heer. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Onze vrouwen en kinderen, ons vee, al onze dieren, zullen in de steden van Gilead blijven, </VERS>
      <VERS vnumber="27">maar alle weerbare mannen zullen doen wat u zegt, heer: wij zullen voor de HEER naar de overkant gaan om daar strijd te leveren.' </VERS>
      <VERS vnumber="28">Daarna gaf Mozes instructies aan de priester Eleazar, aan Jozua, de zoon van Nun, en aan de stamhoofden van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Hij zei tegen hen: 'Als de weerbare mannen van de Gadieten en de Rubenieten samen met u de Jordaan overtrekken om onder bevel van de HEER te strijden, dan moet u hun, wanneer het land aan u onderworpen is, Gilead in eigendom geven. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Maar wapenen ze zich niet en steken ze niet samen met u over, dan moeten ze net als u land in Kanaän krijgen.' </VERS>
      <VERS vnumber="31">De Gadieten en de Rubenieten beloofden te doen wat de HEER hun had opgedragen: </VERS>
      <VERS vnumber="32">'We zullen onder bevel van de HEER gewapend naar Kanaän oversteken, maar we zullen grondbezit krijgen aan deze kant van de Jordaan.' </VERS>
      <VERS vnumber="33">Daarop gaf Mozes aan de Gadieten en de Rubenieten en aan de helft van de stam Manasse, de zoon van Jozef, het rijk van koning Sichon van de Amorieten en het rijk van koning Og van Basan-alle steden binnen de landsgrenzen en al het gebied rondom die steden. </VERS>
      <VERS vnumber="34">(34-36) De Gadieten herbouwden de vestingsteden Dibon, Atarot, Aroër, Atrot-Sofan, Jazer, Jogbeha, Bet-Nimra en Bet-Haran, en herstelden de schaapskooien. </VERS>
      <VERS vnumber="37">De Rubenieten herbouwden Chesbon, Elale, Kirjataïm </VERS>
      <VERS vnumber="38">en de plaatsen die voordat hun naam veranderd werd Nebo en Baäl-Meon heetten, en Sibma, en ze gaven alle herbouwde steden een nieuwe naam. </VERS>
      <VERS vnumber="39">De zonen van Machir, de zoon van Manasse, gingen naar Gilead en namen het in. De Amorieten die er woonden werden verdreven. </VERS>
      <VERS vnumber="40">Mozes gaf Gilead aan Machir, de zoon van Manasse, en deze vestigde zich daar. </VERS>
      <VERS vnumber="41">Jaïr, ook een zoon van Manasse, trok erop uit, nam een aantal dorpen van de Amorieten in en noemde die de Dorpen van Jaïr. </VERS>
      <VERS vnumber="42">Ook Nobach trok erop uit, nam Kenat met de omliggende dorpen in en noemde het naar zichzelf, Nobach. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="33">
      <VERS vnumber="1">Dit zijn de pleisterplaatsen die de Israëlieten aandeden, nadat ze onder leiding van Mozes en Aäron, geordend in legerafdelingen, waren weggetrokken uit Egypte. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Op bevel van de HEER heeft Mozes de plaatsen waar ze hun kamp hadden opgeslagen genoteerd. Ze trokken als volgt van de ene pleisterplaats naar de andere: </VERS>
      <VERS vnumber="3">Op de vijftiende dag van de eerste maand verlieten de Israëlieten Rameses; voor de ogen van de Egyptenaren trokken ze de dag na het pesachmaal onbevreesd weg. </VERS>
      <VERS vnumber="4">De Egyptenaren waren toen hun eerstgeborenen, die de HEER gedood had, aan het begraven; hun goden waren door de HEER van hun voetstuk gestoten. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Nadat de Israëlieten Rameses verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Sukkot. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Nadat ze Sukkot verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Etam, aan de rand van de woestijn. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Nadat ze Etam verlaten hadden, keerden ze terug naar Pi-Hachirot, tegenover Baäl-Sefon, en sloegen ze hun kamp op voor Migdol. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Nadat ze Pi-Hachirot verlaten hadden, trokken ze dwars door de zee naar de woestijn. Ze trokken drie dagreizen ver de woestijn van Etam in en sloegen hun kamp op in Mara. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Nadat ze Mara verlaten hadden, kwamen ze in Elim. In Elim waren twaalf waterbronnen en zeventig dadelpalmen; daar sloegen ze hun kamp op. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Nadat ze Elim verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op aan de Rode Zee. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Nadat ze de Rode Zee verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in de woestijn van Sin. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Nadat ze de woestijn van Sin verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Dofka. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Nadat ze Dofka verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Alus. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Nadat ze Alus verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Refidim; daar was geen drinkwater voor het volk. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Nadat ze Refidim verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in de Sinaiwoestijn. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Nadat ze de Sinaiwoestijn verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Kibrot-Hattaäwa. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Nadat ze Kibrot-Hattaäwa verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Chaserot. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Nadat ze Chaserot verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Ritma. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Nadat ze Ritma verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Rimmon-Peres. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Nadat ze Rimmon-Peres verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Libna. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Nadat ze Libna verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Rissa. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Nadat ze Rissa verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Kehelata. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Nadat ze Kehelata verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op bij de Seferberg. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Nadat ze de Seferberg verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Charada. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Nadat ze Charada verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Makhelot. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Nadat ze Makhelot verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Tachat. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Nadat ze Tachat verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Terach. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Nadat ze Terach verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Mitka. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Nadat ze Mitka verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Chasmona. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Nadat ze Chasmona verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Moserot. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Nadat ze Moserot verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Bene-Jaäkan. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Nadat ze Bene-Jaäkan verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Chor-Haggidgad. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Nadat ze Chor-Haggidgad verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Jotbata. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Nadat ze Jotbata verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Abrona. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Nadat ze Abrona verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Esjon-Geber. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Nadat ze Esjon-Geber verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in de woestijn van Sin, en wel in Kades. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Nadat ze Kades verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op bij de Hor, een berg aan de grens van Edom. </VERS>
      <VERS vnumber="38">Toen ging de priester Aäron op bevel van de HEER de berg op, en hij stierf daar, op de Hor, in het veertigste jaar na de uittocht van de Israëlieten uit Egypte, op de eerste dag van de vijfde maand. </VERS>
      <VERS vnumber="39">Aäron was honderddrieëntwintig jaar toen hij op de Hor stierf. </VERS>
      <VERS vnumber="40">De Kanaänitische koning van Arad, die in de Negev in Kanaän woonde, vernam dat de Israëlieten in aantocht waren. </VERS>
      <VERS vnumber="41">Nadat ze de Hor verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Salmona. </VERS>
      <VERS vnumber="42">Nadat ze Salmona verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Punon. </VERS>
      <VERS vnumber="43">Nadat ze Punon verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Obot. </VERS>
      <VERS vnumber="44">Nadat ze Obot verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op bij Ijje-Haäbarim aan de grens van Moab. </VERS>
      <VERS vnumber="45">Nadat ze Ijje-Haäbarim verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Dibon-Gad. </VERS>
      <VERS vnumber="46">Nadat ze Dibon-Gad verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Almon-Diblataïm. </VERS>
      <VERS vnumber="47">Nadat ze Almon-Diblataïm verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in het Abarimgebergte, bij de Nebo. </VERS>
      <VERS vnumber="48">Nadat ze het Abarimgebergte verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in de vlakte van Moab, bij de Jordaan, tegenover Jericho; </VERS>
      <VERS vnumber="49">ze sloegen hun tenten op langs de Jordaan, van Bet-Hajjesimot tot aan Abel-Hassittim, in de vlakte van Moab. </VERS>
      <VERS vnumber="50">In de vlakte van Moab, aan de Jordaan ter hoogte van Jericho, zei de HEER tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="51">'Zeg tegen de Israëlieten: "Wanneer jullie de Jordaan oversteken naar Kanaän, </VERS>
      <VERS vnumber="52">moeten jullie de bewoners van dat land verdrijven. Vernietig al hun stenen met afbeeldingen en al hun gegoten beelden, en verwoest de offerplaatsen. </VERS>
      <VERS vnumber="53">Neem het land in bezit en ga er wonen, ik geef jullie dit land in eigendom. </VERS>
      <VERS vnumber="54">Jullie moeten het land door middel van loting onder de verschillende geslachten verdelen. Geef een groot geslacht een groot stuk grond in bezit, een klein geslacht een klein stuk. Het lot bepaalt wat elk geslacht krijgt. Zo moeten jullie het land onder de verschillende stammen verdelen. </VERS>
      <VERS vnumber="55">Maar als jullie de bewoners ervan niet verdrijven, zullen degenen die je van hen overlaat zich vijandig tegenover je opstellen wanneer jullie eenmaal in het land wonen; ze zullen tot stekels in je zij en tot dorens in je ogen worden. </VERS>
      <VERS vnumber="56">En dan zal ik met jullie doen wat ik van plan was met hen te doen."' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="34">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Deel de Israëlieten het volgende mee: "Wanneer jullie in Kanaän zijn aangekomen, zullen dit de grenzen zijn van het grondgebied dat jullie toevalt: </VERS>
      <VERS vnumber="3">Jullie zuidgrens loopt vanaf de woestijn van Sin langs het gebied van Edom, en begint dus bij de uiterste zuidoostpunt van de Zoutzee. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Hij loopt in een bocht zuidelijk om de Schorpioenenpas heen, gaat dan verder naar Sin, loopt vervolgens rechtstreeks naar een punt ten zuiden van Kades-Barnea, en gaat via Chasar-Addar verder naar Asmon. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Bij Asmon buigt de grens af naar de wadi die de grens met Egypte vormt, en van daar loopt hij rechtstreeks naar de zee. </VERS>
      <VERS vnumber="6">De westgrens wordt gevormd door de Grote Zee; houd dat als westgrens aan. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Jullie noordgrens loopt als volgt: Trek een lijn van de Grote Zee naar de Hor, </VERS>
      <VERS vnumber="8">en trek van deze berg een lijn naar Lebo-Hamat. De grens loopt daarna rechtstreeks naar Sedad, </VERS>
      <VERS vnumber="9">vervolgens naar Zifron, en eindigt bij Chasar-Enan. Houd dit als noordgrens aan. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Voor de grens in het oosten moeten jullie een lijn trekken van Chasar-Enan naar Sefam. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Van Sefam loopt de grens naar beneden, naar Haribla, ten oosten van Aïn, vervolgens gaat hij verder omlaag en loopt hij vlak langs de bergketen ten oosten van het Meer van Kinneret. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Daarna loopt hij nog verder omlaag, volgt de Jordaan en komt uit bij de Zoutzee. Dat zijn de grenzen van het land dat voor jullie bestemd is."' </VERS>
      <VERS vnumber="13">Mozes deelde de Israëlieten mee: 'Dit is het land dat u door middel van loting onder elkaar moet verdelen en dat aan negeneneenhalve stam gegeven moet worden, zoals de HEER geboden heeft. </VERS>
      <VERS vnumber="14">De families van de stam Ruben en van de stam Gad, en ook de helft van de stam Manasse, hebben immers het grondgebied dat hun toekomt al ontvangen; </VERS>
      <VERS vnumber="15">tweeëneenhalve stam hebben grondbezit ontvangen aan deze kant van de Jordaan, ter hoogte van Jericho, aan de oostkant, waar de zon opkomt.' </VERS>
      <VERS vnumber="16">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="17">'Degenen die het land onder jullie moeten verdelen, zijn de priester Eleazar en Jozua, de zoon van Nun. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Wijs in elke stam iemand aan die de leiding heeft bij de verdeling van het land. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Dit zijn hun namen: voor de stam Juda Kaleb, de zoon van Jefunne; </VERS>
      <VERS vnumber="20">voor de stam Simeon Semuël, de zoon van Ammihud; </VERS>
      <VERS vnumber="21">voor de stam Benjamin Elidad, de zoon van Kislon; </VERS>
      <VERS vnumber="22">voor de stam Dan het familiehoofd Bukki, de zoon van Jogli; </VERS>
      <VERS vnumber="23">wat de nakomelingen van Jozef betreft: voor de stam Manasse het familiehoofd Channiël, de zoon van Efod, </VERS>
      <VERS vnumber="24">en voor de stam Efraïm het familiehoofd Kemuël, de zoon van Siftan; </VERS>
      <VERS vnumber="25">voor de stam Zebulon het familiehoofd Elisafan, de zoon van Parnach; </VERS>
      <VERS vnumber="26">voor de stam Issachar het familiehoofd Paltiël, de zoon van Azzan; </VERS>
      <VERS vnumber="27">voor de stam Aser het familiehoofd Achihud, de zoon van Selomi; </VERS>
      <VERS vnumber="28">voor de stam Naftali het familiehoofd Pedaël, de zoon van Ammihud.' </VERS>
      <VERS vnumber="29">Dit waren degenen aan wie de HEER opdroeg om Kanaän onder de Israëlieten te verdelen. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="35">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Mozes, in de vlakte van Moab, aan de Jordaan, ter hoogte van Jericho: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Geef de Israëlieten opdracht om van het gebied dat ze als eigendom ontvangen een aantal steden af te staan aan de Levieten, zodat die daarin kunnen wonen. Ook de weidegronden rond die steden moeten jullie aan de Levieten geven. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Zij kunnen in de steden wonen, de omliggende weidegronden zijn voor hun vee, voor al hun dieren. </VERS>
      <VERS vnumber="4">De weidegronden bij de steden die jullie aan de Levieten afstaan, moeten zich vanaf de stadsmuur naar alle kanten duizend el uitstrekken. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Meet vanuit het midden van de stad aan de oostkant tweeduizend el af, aan de zuidkant tweeduizend el, aan de westkant tweeduizend el en aan de noordkant tweeduizend el. Dat gebied hoort als weidegrond bij hun steden. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Wat betreft de steden die jullie aan de Levieten moeten afstaan: zes daarvan dienen als vrijplaatsen waarheen iemand die een ander gedood heeft kan uitwijken, en daarnaast moeten jullie nog tweeënveertig steden afstaan. </VERS>
      <VERS vnumber="7">In totaal moet je de Levieten achtenveertig steden met de omliggende weidegronden afstaan. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Bij het toewijzen van deze steden moet rekening gehouden worden met het aantal steden dat de Israëlieten bezitten. Van degenen die er veel hebben, moeten er meer genomen worden dan van hen die er weinig hebben; het aantal steden dat aan de Levieten moet worden afgestaan, wordt bepaald door de omvang van het gebied dat elke stam als zijn eigendom ontvangen heeft.' </VERS>
      <VERS vnumber="9">De HEER zei tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="10">'Zeg tegen de Israëlieten: "Wanneer jullie de Jordaan oversteken naar Kanaän, </VERS>
      <VERS vnumber="11">moeten jullie een aantal steden uitkiezen die als vrijplaats kunnen dienen; dan kan iemand die zonder opzet een ander heeft gedood daarheen uitwijken. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Die steden dienen als vrijplaats tegen bloedwrekers, zodat voorkomen wordt dat iemand die een ander gedood heeft, sterft voordat hij voor de gemeenschap heeft terechtgestaan. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Van de steden die jullie afstaan, moeten er zes een vrijplaats zijn: </VERS>
      <VERS vnumber="14">(14-15) drie steden aan de overkant van de Jordaan en drie in Kanaän. Deze zes steden moeten een vrijplaats zijn voor zowel de Israëlieten als de vreemdelingen die bij jullie wonen of tijdelijk bij je verblijven, zodat iedereen die zonder opzet een ander heeft gedood, daarheen kan vluchten. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Wie een ander echter met een ijzeren voorwerp zo hard slaat dat deze sterft, is een moordenaar en moet ter dood gebracht worden. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Ook wie een ander met een steen waarmee je iemand kunt doden zo hard slaat dat deze sterft, is een moordenaar en moet ter dood gebracht worden. </VERS>
      <VERS vnumber="18">En ook wie een ander met een houten voorwerp waarmee je iemand kunt doden zo hard slaat dat deze sterft, is een moordenaar en moet ter dood gebracht worden. </VERS>
      <VERS vnumber="19">De bloedwreker moet hem doden zodra hij hem aantreft. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Als iemand een ander uit haat een duw geeft of met opzet iets naar hem gooit en de ander sterft daardoor, </VERS>
      <VERS vnumber="21">of als iemand een ander uit vijandschap zo'n vuistslag geeft dat hij sterft, dan moet de dader ter dood gebracht worden. Hij is een moordenaar en de bloedwreker moet hem doden zodra hij hem vindt. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Maar als iemand een ander per ongeluk een duw geeft zonder dat er van vijandschap sprake is, of onopzettelijk een voorwerp naar hem gooit, </VERS>
      <VERS vnumber="23">of uit onoplettendheid een steen die de dood kan veroorzaken op hem laat vallen, en de ander sterft zonder dat hij hem vijandig gezind was of erop uit was hem kwaad te doen, </VERS>
      <VERS vnumber="24">dan moet de gemeenschap met behulp van deze regels rechtspreken over de dader en de bloedwreker. </VERS>
      <VERS vnumber="25">De gemeenschap moet de dader tegen de bloedwreker beschermen en hem laten terugkeren naar de vrijplaats waar hij zijn toevlucht had gezocht. Daar moet hij blijven tot de dood van de hogepriester, die met de heilige olie gezalfd is. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Maar begeeft de dader zich ook maar even buiten de grenzen van de vrijplaats waarheen hij is uitgeweken </VERS>
      <VERS vnumber="27">en treft de bloedwreker hem dan buiten die vrijplaats aan en doodt hij hem, dan laadt de bloedwreker daarmee geen bloedschuld op zich. </VERS>
      <VERS vnumber="28">De dader is verplicht in de vrijplaats te blijven tot de dood van de hogepriester en mag pas na diens dood naar zijn eigen gebied terugkeren. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Dit zijn wettelijke bepalingen die voor jullie en voor alle komende generaties gelden, waar jullie ook wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Als iemand een ander gedood heeft, mag hij alleen op grond van getuigenverklaringen ter dood gebracht worden, maar de verklaring van ‚‚n getuige is niet voldoende om iemand ter dood te veroordelen. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Je mag geen losprijs aannemen voor het leven van een moordenaar die schuldig bevonden en ter dood veroordeeld is; zo iemand moet ter dood gebracht worden. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Je mag ook geen losgeld aannemen van iemand die naar een vrijplaats is uitgeweken en nog voor de dood van de priester wil terugkeren naar zijn eigen woonplaats. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Jullie mogen het land waarin je woont niet ontwijden. Bloed ontwijdt het land, en wanneer er bloed vergoten is, kan er alleen verzoening voor het land bewerkt worden door het bloed van degene die bloed vergoten heeft. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Jullie mogen het land waarin jullie wonen en waarin ik woon, niet verontreinigen, want ik, de HEER, woon te midden van de Israëlieten."' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="36">
      <VERS vnumber="1">De familiehoofden van het geslacht dat afstamde van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse, een van de geslachten die van Jozef afstamden, kwamen naar Mozes en legden hem en de leiders en familiehoofden van de Israëlieten het volgende voor: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'De HEER heeft u geboden, heer, om het land door middel van loting onder de Israëlieten te verdelen en om dat wat onze stamgenoot Selofchad toekwam, aan zijn dochters te geven. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Maar stel nu dat zij trouwen met een Israëliet uit een andere stam, dan zou hun eigendom onttrokken worden aan het bezit van onze voorouders en toegevoegd worden aan het bezit van de stam waartoe zij dan zouden behoren; het zou worden afgenomen van dat wat ons door loting toegewezen is. </VERS>
      <VERS vnumber="4">En wanneer de Israëlieten dan een jubeljaar vieren, zou hun bezit voorgoed worden toegevoegd aan het bezit van de stam waartoe ze dan zouden behoren en aan het bezit van onze eigen stam worden onttrokken.' </VERS>
      <VERS vnumber="5">Op bevel van de HEER deed Mozes toen deze uitspraak. 'De nakomelingen van Jozef hebben gelijk, 'zei hij tegen de Israëlieten. </VERS>
      <VERS vnumber="6">'De HEER heeft ten aanzien van Selofchads dochters het volgende bepaald: ze mogen trouwen met wie ze willen, mits het iemand is uit een geslacht van hun eigen stam. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Want erfelijk bezit van de Israëlieten mag niet van de ene stam overgaan op de andere; iedere Israëliet moet ervoor zorgen dat erfelijk bezit binnen de eigen stam blijft. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Daarom moet ieder meisje dat in een van de stammen van Israël bezit verwerft, trouwen met iemand uit een geslacht van haar eigen stam. Zo kan iedere Israëliet erven wat zijn voorouders is toegewezen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Erfelijk bezit mag niet van de ene stam op de andere overgaan; iedere Israëliet moet ervoor zorgen dat erfelijk bezit binnen de eigen stam blijft.' </VERS>
      <VERS vnumber="10">De dochters van Selofchad deden wat de HEER Mozes geboden had: </VERS>
      <VERS vnumber="11">Machla, Tirsa, Chogla, Milka en Noa trouwden met zonen van hun ooms, </VERS>
      <VERS vnumber="12">mannen uit geslachten die afstamden van Manasse, de zoon van Jozef. Zo bleef hun bezit binnen de stam waartoe het geslacht van hun vader behoorde. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Tot zover de geboden en regels die de HEER de Israëlieten bij monde van Mozes heeft opgelegd in de vlakte van Moab, aan de Jordaan, ter hoogte van Jericho. </VERS>
    </CHAPTER>
  </BIBLEBOOK>
  <BIBLEBOOK bnumber="5" bname="Deuteronomium" bsname="Deut">
    <CHAPTER cnumber="1">
      <VERS vnumber="1">Dit is de toespraak die Mozes tot heel Israël heeft gehouden in de dorre vlakte aan de overkant van de Jordaan, ter hoogte van Suf, tussen Paran aan de ene kant en Tofel, Laban, Chaserot en Di-Zahab aan de andere. </VERS>
      <VERS vnumber="2">(Het is elf dagreizen van de Horeb naar Kades-Barnea, als men de route door het Seïrgebergte volgt.) </VERS>
      <VERS vnumber="3">Veertig jaar na het vertrek uit Egypte, op de eerste dag van de elfde maand, sprak Mozes het volk van Israël toe zoals de HEER hem had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Dat gebeurde nadat hij Sichon, de koning van de Amorieten, die in Chesbon zetelde, had verslagen, alsook koning Og van Basan, die zetelde in Astarot en Edreï. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Aan de overkant van de Jordaan, in Moab, begon Mozes het volk te onderrichten, duidelijk en uitvoerig: </VERS>
      <VERS vnumber="6">De HEER, onze God, heeft bij de Horeb tegen ons gezegd: ‘Jullie zijn nu lang genoeg bij deze berg gebleven. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Breek het kamp op en trek naar het bergland van de Amorieten en naar het gebied van de naburige volken: de Jordaanvallei, het bergland, het heuvelland, de Negev en de kuststrook-de gebieden van de Kanaänieten-en de Libanon tot aan de grote rivier de Eufraat. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Heel dat gebied schenk ik jullie. Trek het binnen en neem het in bezit, want dat is het land dat de HEER jullie voorouders Abraham, Isaak en Jakob en hun nageslacht onder ede heeft beloofd.’ </VERS>
      <VERS vnumber="9">Daarna heb ik tegen u gezegd: ‘Ik alleen kan de verantwoordelijkheid voor u niet dragen. </VERS>
      <VERS vnumber="10">De HEER, uw God, heeft u zo in aantal doen toenemen dat u nu zo talrijk bent als de sterren aan de hemel, </VERS>
      <VERS vnumber="11">en moge hij, de God van uw voorouders, u nog duizendmaal zo talrijk maken en u zegenen zoals hij heeft beloofd. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Maar hoe zou ik alleen de last van uw problemen en geschillen kunnen dragen? </VERS>
      <VERS vnumber="13">Wijs daarom in elke stam bekwame, verstandige en ervaren mannen aan, dan zal ik hen als leiders over u aanstellen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="14">Toen antwoordde u: ‘Uw voorstel is goed, dat zullen we doen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="15">Daarop koos ik de hoofden van uw stammen uit, bekwame, ervaren mannen, en gaf hun de leiding over groepen van duizend man, van honderd, van vijftig en van tien; anderen stelde ik voor uw stammen als schrijver aan. </VERS>
      <VERS vnumber="16">De rechters gaf ik toen deze instructie: ‘Hoor beide partijen en doe rechtvaardig uitspraak, zowel tussen twee volksgenoten als wanneer er een vreemdeling bij betrokken is. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Oordeel zonder aanzien des persoons, hoor de arme evengoed als de rijke. Laat u door niemand bang maken, want u spreekt recht namens God. Wanneer iets u te moeilijk is, leg het dan aan mij voor en ik zal me erover buigen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="18">En zo heb ik u destijds vele aanwijzingen gegeven. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Vanaf de Horeb zijn we dwars door die grote, verschrikkelijke woestijn getrokken, die u nog lang zal heugen, naar het bergland van de Amorieten, zoals de HEER, onze God, ons had opgedragen. Ten slotte kwamen we bij Kades-Barnea. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Toen zei ik tegen u: ‘U bent nu het bergland van de Amorieten genaderd, dat de HEER, onze God, ons zal geven. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Hij is het die u dat gebied schenkt. Welnu, trek verder en neem het in bezit, want zo heeft de HEER, de God van uw voorouders, het bepaald. Wees niet bang en laat u door niets ontmoedigen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="22">Toen bent u allemaal bij me gekomen en u zei: ‘We willen mannen vooruitsturen om het land te verkennen. Dan kunnen zij ons verslag uitbrengen en ons vertellen welke route we moeten nemen en langs welke steden we komen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="23">Ik vond dat een goed voorstel en koos twaalf mannen uit, één per stam. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Zij zijn erop uitgegaan, het bergland in getrokken en uiteindelijk in het Eskoldal aangekomen. Na verkenning van het dal </VERS>
      <VERS vnumber="25">plukten ze daar vruchten, namen die mee en deden ons verslag. ‘Het is prachtig, ‘vertelden ze, ‘dat land dat de HEER, onze God, ons zal geven!’ </VERS>
      <VERS vnumber="26">Maar u wilde niet verder trekken en verzette u tegen het bevel van de HEER, uw God. </VERS>
      <VERS vnumber="27">U zat in uw tenten te klagen: ‘De HEER moet ons wel haten! Hij heeft ons alleen maar uit Egypte weggehaald om ons uit te leveren aan de Amorieten en om ons te laten uitroeien. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Waar gaan we eigenlijk heen? De moed is ons in de schoenen gezonken toen onze verkenners vertelden dat de mensen daar sterker en langer zijn dan wij, dat ze in grote steden met hemelhoge versterkingen wonen en dat er zelfs reuzen leven.’ </VERS>
      <VERS vnumber="29">Toen heb ik u geantwoord: ‘Er is geen enkele reden om bang voor hen te zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="30">De HEER, uw God, die voor u uit gaat, zal immers voor u strijden. U hebt toch gezien hoe hij het in Egypte voor u opnam, </VERS>
      <VERS vnumber="31">en ook in de woestijn, waar u ervaren hebt dat de HEER, uw God, u gedragen heeft zoals een vader zijn kind draagt, de hele weg die u gegaan bent tot uw aankomst hier.’ </VERS>
      <VERS vnumber="32">Desondanks vertrouwde u niet op de HEER, uw God, </VERS>
      <VERS vnumber="33">hoewel hij u voorging op uw weg om een plaats voor u te zoeken waar u uw kamp kon opslaan, en u ‘s nachts met een vuur en overdag met een wolk de weg wees die u moest gaan. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Toen de HEER u hoorde klagen, ontstak hij in woede. Hij zwoer: </VERS>
      <VERS vnumber="35">‘Niemand van deze verdorven generatie zal het goede land zien dat ik jullie voorouders onder ede heb beloofd. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Alleen Kaleb, de zoon van Jefunne, zal het zien; aan hem en zijn zonen zal ik het gebied geven dat hij verkend heeft, want hij bleef volledig op de HEER vertrouwen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="37">Door uw schuld werd de HEER ook kwaad op mij: ‘Ook jij mag het land niet in, ‘zei hij. </VERS>
      <VERS vnumber="38">‘Maar je rechterhand Jozua, de zoon van Nun, zal het wél binnengaan. Bereid hem voor op zijn taak; hij zal het land aan Israël in bezit geven. </VERS>
      <VERS vnumber="39">En jullie kinderen, die volgens jullie buitgemaakt zouden worden, jullie kinderen die zich nog niet bewust zijn van goed en kwaad, mogen dat land ook binnengaan. Aan hen zal ik het geven, zij zullen het in bezit nemen. </VERS>
      <VERS vnumber="40">Maar jullie moeten nu omkeren en de woestijn weer in trekken, in de richting van de Rode Zee.’ </VERS>
      <VERS vnumber="41">Toen hebt u mij geantwoord: ‘Wij hebben gezondigd tegen de HEER. Maar nu zullen we ten strijde trekken, zoals de HEER, onze God, ons heeft opgedragen.’ En nadat ieder van u zijn wapens had aangegord, wilde u in uw overmoed naar de bergen trekken. </VERS>
      <VERS vnumber="42">Maar de HEER droeg mij op u te waarschuwen: ‘Trek niet ten strijde-anders zullen jullie door je vijanden verslagen worden, want ik ben niet in jullie midden.’ </VERS>
      <VERS vnumber="43">Ik heb u dat gezegd, maar u wilde niet luisteren en verzette u tegen het bevel van de HEER. U had de euvele moed om toch naar de bergen op te trekken. </VERS>
      <VERS vnumber="44">De Amorieten, die daar wonen, kwamen op u af en achtervolgden u als een zwerm bijen. Ze brachten u in het Seïrgebergte een verpletterende nederlaag toe en joegen u na tot aan Chorma. </VERS>
      <VERS vnumber="45">Na terugkomst klaagde u uw nood bij de HEER, maar hij wilde niet naar u luisteren en hield zich doof. </VERS>
      <VERS vnumber="46">Zo bent u lange tijd in Kades gebleven. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="2">
      <VERS vnumber="1">Ten slotte zijn we omgekeerd en de woestijn weer in getrokken, in de richting van de Rode Zee, zoals de HEER mij had opgedragen. Jarenlang trokken we om het Seïrgebergte heen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Toen zei de HEER tegen mij: </VERS>
      <VERS vnumber="3">‘Jullie zijn nu lang genoeg om dit gebergte heen getrokken. Keer om en ga naar het noorden. </VERS>
      <VERS vnumber="4">En jij moet het volk voorhouden: “Straks komen jullie door het gebied van jullie broeders, de afstammelingen van Esau, die in de Seïr wonen. Zij zullen bang voor jullie zijn, maar jullie moeten jezelf goed in acht nemen </VERS>
      <VERS vnumber="5">en hen niet uitdagen. Ik geef jullie nog niet het kleinste stukje van hun land; het Seïrgebergte heb ik immers aan Esau in eigendom gegeven. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Het voedsel dat jullie nodig hebben moet je gewoon van hen kopen, en ook voor je drinkwater moet je hun betalen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Want de HEER, jullie God, heeft jullie gezegend in alles wat je ondernomen hebt. Hij heeft op heel die tocht door de grote woestijn over je gewaakt. De HEER, jullie God, stond jullie ter zijde, veertig jaar lang, en het heeft je aan niets ontbroken.”’ </VERS>
      <VERS vnumber="8">Toen wij onze broeders in de Seïr, Esaus afstammelingen, achter ons gelaten hadden, verlieten we de route die van Elat en Esjon-Geber door de Araba loopt, en trokken we naar de woestijn van Moab. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Toen zei de HEER tegen mij: ‘Je mag de Moabieten niet vijandig bejegenen en hen niet uitdagen, want ik geef je van hun land niets in bezit; ik heb Ar immers aan de nakomelingen van Lot in eigendom gegeven.’ </VERS>
      <VERS vnumber="10">(Vroeger woonden daar de Emieten, een groot en machtig volk van reuzen zoals de Enakieten. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Evenals de Enakieten worden zij tot de Refaïeten gerekend; in Moab worden ze Emieten genoemd. </VERS>
      <VERS vnumber="12">En in de Seïr woonden vroeger de Chorieten, maar de afstammelingen van Esau hebben zich van hun land meester gemaakt door hen uit te roeien en zich in hun plaats daar te vestigen, net zoals de Israëlieten gedaan hebben met het land dat de HEER hun in bezit heeft gegeven.) </VERS>
      <VERS vnumber="13">De HEER zei: ‘Breek op en steek het dal van de Zered over, ‘en dat hebben we gedaan. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Tussen ons vertrek uit Kades-Barnea en de oversteek van de Zered waren er achtendertig jaar verstreken. Uiteindelijk was er van de eerste generatie geen weerbare man meer over in ons kamp, zoals de HEER gezworen had. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Ook had de HEER er eigenhandig voor gezorgd dat ze in paniek het kamp uit gevlucht waren en ten slotte allemaal de dood hadden gevonden. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Toen dus alle weerbare mannen waren gestorven, </VERS>
      <VERS vnumber="17">zei de HEER tegen mij: </VERS>
      <VERS vnumber="18">‘Vandaag trek je door Ar heen, het gebied van Moab. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Je zult dan in de buurt komen van de Ammonieten. Bejegen ook hen niet vijandig en daag hen niet uit. Ook van het land van de Ammonieten geef ik je niets in bezit; ik heb het aan de nakomelingen van Lot in eigendom gegeven.’ </VERS>
      <VERS vnumber="20">(Ook dat wordt beschouwd als land van de Refaïeten, die daar vroeger woonden; in Ammon worden ze Zamzummieten genoemd. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Het was een groot en machtig volk van reuzen zoals de Enakieten, maar de HEER heeft hen uitgeroeid, zodat de Ammonieten zich meester konden maken van hun land en zich daar in hun plaats konden vestigen. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Hetzelfde heeft hij gedaan voor de afstammelingen van Esau in de Seïr. Ter wille van hen heeft hij de Chorieten uitgeroeid, waarna zij zich meester maakten van hun land en zich daar in hun plaats vestigden; zij wonen er tot op de dag van vandaag. </VERS>
      <VERS vnumber="23">En zo hebben ook de Kaftorieten, afkomstig van Kreta, de Awwieten uitgeroeid die in de buurt van Gaza in dorpen woonden, en zich daar in hun plaats gevestigd.) </VERS>
      <VERS vnumber="24">De HEER zei: ‘Breek nu het kamp op en steek het dal van de Arnon over. Hierbij lever ik Sichon, de Amoritische koning van Chesbon, met zijn land aan je uit. Val aan, daag hem uit en neem zijn land in bezit. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Vanaf dit moment laat ik alle volken ter wereld van angst voor jullie sidderen. Wanneer ze de geruchten over jullie horen, zullen ze jullie komst met schrik en beven tegemoet zien.’ </VERS>
      <VERS vnumber="26">Ik stuurde toen vanuit de woestijn van Kedemot gezanten naar koning Sichon van Chesbon met een vredelievende boodschap. Ik vroeg hem: </VERS>
      <VERS vnumber="27">‘Sta mij toe door uw land te trekken. Ik verzeker u dat ik de hoofdweg zal volgen en er niet van zal afwijken, naar links noch naar rechts. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Verkoop me het voedsel dat ik nodig heb en laat me voor mijn drinkwater betalen. Vergun me slechts om te voet uw land door te trekken, </VERS>
      <VERS vnumber="29">zoals Esaus afstammelingen in de Seïr en de Moabieten in Ar me dat hebben toegestaan, tot ik de Jordaan ben overgestoken naar het land dat de HEER, onze God, ons zal geven.’ </VERS>
      <VERS vnumber="30">Maar koning Sichon van Chesbon weigerde ons door zijn land te laten trekken. Want de HEER, uw God, had hem koppig en onverzettelijk gemaakt omdat hij hem aan u wilde uitleveren, wat ook gebeurd is. </VERS>
      <VERS vnumber="31">De HEER zei tegen mij: ‘Ik laat je zegevieren over Sichon en zijn land. Val hem aan en neem zijn land in bezit.’ </VERS>
      <VERS vnumber="32">Sichon trok tegen ons ten strijde. Hij rukte met zijn hele leger op naar Jahas. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Maar de HEER, onze God, schonk ons de overwinning. We brachten Sichon en zijn zonen ter dood en versloegen zijn hele leger. </VERS>
      <VERS vnumber="34">We veroverden toen al zijn steden en doodden er de mannen, vrouwen en kinderen; we lieten niemand in leven. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Maar het vee en de goederen van de veroverde steden maakten we voor onszelf buit. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Vanaf Aroër aan de rand van het Arnondal-vanaf de stad in het dal-tot aan Gilead toe was geen stad voor ons onneembaar; de HEER, onze God, liet ons over dit hele gebied zegevieren. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Maar het land van de Ammonieten, het hele stroomgebied rond de bovenloop van de Jabbok en de steden in de bergen, hebben we ongemoeid gelaten, want die gebieden had de HEER, onze God, ons ontzegd. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="3">
      <VERS vnumber="1">Daarna zijn we verder getrokken, in de richting van Basan. Maar koning Og van Basan trok tegen ons ten strijde. Hij rukte met zijn voltallige leger op naar Edreï. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Toen zei de HEER tegen mij: ‘Je hoeft niet bang voor hem te zijn, want ik lever hem aan je uit, met heel zijn leger en zijn land. Doe met hem hetzelfde als wat je gedaan hebt met Sichon, de koning van de Amorieten, die in Chesbon zetelde.’ </VERS>
      <VERS vnumber="3">En zo leverde de HEER, onze God, koning Og van Basan met zijn voltallige leger aan ons uit. We versloegen hem en doodden al de zijnen-niemand van hen bleef in leven. </VERS>
      <VERS vnumber="4">We veroverden al zijn steden, zestig in getal, en bezetten het hele gebied van Argob, het rijk waarover Og in Basan heerste. Er was geen stad die we hem niet afnamen </VERS>
      <VERS vnumber="5">-zonder uitzondering steden die met hoge muren en poorten met grendels waren versterkt-, en verder een zeer groot aantal nederzettingen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">We doodden alle inwoners, zoals we eerder hadden gedaan bij Sichon, de koning van Chesbon. In elke stad doodden we de mannen, vrouwen en kinderen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Het vee en de goederen van de steden maakten we echter voor onszelf buit. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Zo hebben wij toen het gebied aan de oostkant van de Jordaan, vanaf het Arnondal tot aan het Hermongebergte, op die twee Amoritische koningen veroverd. </VERS>
      <VERS vnumber="9">(De inwoners van Sidon noemen de Hermon Sirjon, de Amorieten Senir.) </VERS>
      <VERS vnumber="10">Het omvatte alle steden van de hoogvlakte, heel Gilead en heel Basan tot aan Salka en Edreï toe, kortom, alle steden in het rijk van Og. </VERS>
      <VERS vnumber="11">(Koning Og van Basan was de enig overgebleven afstammeling van de Refaïeten. Zijn bed-te zien in Rabba, de hoofdstad van Ammon-is van ijzer en maar liefst negen el lang en vier breed, gemeten in de gewone el.) </VERS>
      <VERS vnumber="12">Wij hebben dat land in bezit genomen, en ik heb het gebied met alle steden vanaf Aroër op de rand van het Arnondal tot halverwege het bergland van Gilead toegewezen aan de stammen Ruben en Gad. </VERS>
      <VERS vnumber="13">De rest van Gilead en heel Basan, het rijk van Og, het hele gebied van Argob, heb ik aan de helft van de stam Manasse toegewezen. (Heel Basan wordt ook wel het land van de Refaïeten genoemd.) </VERS>
      <VERS vnumber="14">Jaïr, een nakomeling van Manasse, veroverde het gebied van Argob tot aan de grens met Gesur en Maächa en noemde Basan de Dorpen van Jaïr, naar zichzelf, en zo heet het tot op de dag van vandaag. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Aan Manasses zoon Machir wees ik dus Gilead toe. </VERS>
      <VERS vnumber="16">De stammen Ruben en Gad gaf ik het stuk ten zuiden van Gilead tot aan het Arnondal, vanaf het midden van de Arnon, die een natuurlijke grens vormt, tot aan het dal van de Jabbok, de grens met het land van de Ammonieten. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Verder de Jordaanvallei, met de Jordaan als natuurlijke grens, tussen het Meer van Kinneret en de Zoutzee, ofwel de Dode Zee, tot aan de rotskloven van de Pisga aan de oostkant daarvan. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Ik heb u toen het volgende opgedragen: ‘De HEER, uw God, heeft u dit land gegeven om het in bezit te nemen. Nu moeten uw weerbare mannen als voorhoede voor uw broeders, het volk van Israël, uit trekken. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Alleen uw vrouwen, kinderen en vee-ik weet hoeveel vee u hebt-mogen in de steden blijven die ik u heb toegewezen, </VERS>
      <VERS vnumber="20">totdat de HEER ook uw broeders vrede heeft gegeven en ook zij het land in bezit hebben genomen dat de HEER, uw God, hun geeft aan de overkant van de Jordaan. Pas dan mag ieder van u teruggaan naar zijn eigen grond, die hij van mij heeft gekregen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="21">Jozua heb ik toen op het hart gedrukt: ‘Jij hebt met eigen ogen gezien wat de HEER, je God, met die twee koningen heeft gedaan. Precies zo zal de HEER doen met alle vorsten die je na de oversteek zult treffen. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Je hoeft niet bang voor hen te zijn, want het is de HEER, je God, zelf die voor jullie strijdt.’ </VERS>
      <VERS vnumber="23">En ik heb de HEER gesmeekt: </VERS>
      <VERS vnumber="24">‘HEER, mijn God, u bent begonnen uw dienaar uw grootheid en kracht te tonen. Welke god in de hemel of op aarde kan uw daden en uw macht evenaren? </VERS>
      <VERS vnumber="25">Sta mij toch toe over te steken en dat goede land aan de overkant van de Jordaan te zien, die mooie bergen en de Libanon.’ </VERS>
      <VERS vnumber="26">Maar door uw schuld was de HEER tegen mij in woede ontstoken en hij weigerde naar mij te luisteren. Hij zei: ‘Genoeg, zwijg hier verder over! </VERS>
      <VERS vnumber="27">Beklim de Pisga en kijk vanaf de top uit naar het westen, het noorden, het oosten en het zuiden. Kijk goed om je heen, want je zult de Jordaan niet oversteken. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Draag het bevel over aan Jozua en bereid hem voor op zijn taak. Hij zal het volk voorgaan en hun het land in bezit geven dat jij zult zien liggen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="29">Zo bleven wij in de vallei, ter hoogte van Bet-Peor. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="4">
      <VERS vnumber="1">Luister dus, Israël, naar de wetten en de regels waarin ik u onderwijs en kom ze na. Dan blijft u in leven en kunt u het land in bezit nemen dat de HEER, de God van uw voorouders, u zal geven. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Voeg niets toe aan wat ik u voorschrijf en doe er niets van af. Houd u aan de geboden die ik u geef; het zijn de geboden van de HEER, uw God. </VERS>
      <VERS vnumber="3">U hebt met eigen ogen gezien wat de HEER in Baäl-Peor heeft gedaan. Iedereen die zich met de Baäl van de Peor had afgegeven, heeft hij uit uw midden weggevaagd. </VERS>
      <VERS vnumber="4">U daarentegen bleef de HEER, uw God, toegedaan en bent nu allemaal nog in leven. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Zoals de HEER, mijn God, mij heeft opgedragen, leer ik u wetten en regels waarnaar u moet handelen in het land dat u in bezit zult nemen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Leef ze strikt na, dan toont u wijsheid en inzicht. Alle volken die dat zien en van deze wetten horen, zullen zeggen: ‘Wat is dat grote volk wijs en verstandig!’ </VERS>
      <VERS vnumber="7">Want welk volk, hoe groot ook, heeft goden zo dichtbij als wij de HEER, onze God, telkens als wij hem om hulp roepen? </VERS>
      <VERS vnumber="8">En welk volk, hoe groot ook, heeft wetten en regels zo rechtvaardig als het onderricht dat ik u nu geef? </VERS>
      <VERS vnumber="9">Wees gewaarschuwd en neem u zorgvuldig in acht, zodat u nooit vergeet wat u met eigen ogen hebt gezien, maar de herinnering daaraan levendig houdt en alles aan uw kinderen en kleinkinderen doorvertelt. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Vertel ze hoe u bij de Horeb voor de HEER, uw God, verscheen, nadat hij tegen mij had gezegd: ‘Roep het volk bijeen, dan maak ik hun mijn geboden bekend. Dan leren ze ontzag voor mij te hebben zolang ze leven, en brengen ze dat ook hun kinderen bij.’ </VERS>
      <VERS vnumber="11">Op die dag kwam u schoorvoetend naar de voet van de berg, waaruit vuur hemelhoog opvlamde, te midden van duisternis en dreigende, donkere wolken. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Toen sprak de HEER tot u vanuit het vuur. U hoorde een stem spreken, maar een gedaante zag u niet; er was alleen die stem. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Hij maakte de regels van het verbond bekend, de tien geboden. Hij schreef ze op twee stenen platen en eiste dat u zich eraan zou houden. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Mij droeg de HEER toen op om u de wetten en regels te leren die u moet nakomen in het land aan de overkant, dat u in bezit zult nemen. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Maar aangezien u geen gedaante hebt gezien toen de HEER u op de Horeb vanuit het vuur toesprak, moet u zich zorgvuldig in acht nemen: </VERS>
      <VERS vnumber="16">misdraag u niet door een godenbeeld te maken, een afbeelding van welk wezen dan ook, man of vrouw, </VERS>
      <VERS vnumber="17">of van een dier dat op het land leeft of van de vogels in de lucht, </VERS>
      <VERS vnumber="18">van kruipende dieren of van vissen in het water onder de aarde. </VERS>
      <VERS vnumber="19">En als u omhoog kijkt en de zon, de maan en de sterren ziet, al die lichten aan de hemel, laat u er dan niet toe verleiden daarvoor neer te knielen en te vereren wat de HEER, uw God, voor de andere volken op aarde heeft bestemd. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Want u bent door de HEER uitgekozen en uit de smeltoven van Egypte weggehaald om hem als zijn eigen volk toe te behoren, zoals nu het geval is. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Door uw schuld is de HEER kwaad op mij geworden. Hij zwoer dat ik de Jordaan niet zou oversteken en het goede land niet binnen zou gaan dat hij u als grondgebied zou geven. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Ik moet hier sterven, ik zal de Jordaan niet oversteken, maar u mag wel oversteken en het land in bezit nemen. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Zorg er dan voor dat u het verbond dat de HEER, uw God, met u heeft gesloten niet vergeet door tegen zijn gebod in iets af te beelden en een godenbeeld te maken. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Want de HEER, uw God, is een verterend vuur, hij duldt geen andere goden naast zich. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Als u eenmaal in dat land geworteld bent en er kinderen en kleinkinderen hebt gekregen, en u gaat u misdragen door een godenbeeld te maken, een afbeelding van wat dan ook, en u tergt de HEER, uw God, door te doen wat slecht is in zijn ogen- </VERS>
      <VERS vnumber="26">ik roep vandaag de hemel en de aarde op als getuigen tegen u, dat u dan spoedig zult worden verdreven uit het land aan de overkant van de Jordaan, dat u in bezit zult nemen. Daar zal u dan geen lang leven beschoren zijn, integendeel, u zult worden weggevaagd. </VERS>
      <VERS vnumber="27">De HEER zal u uiteenjagen en u wegvoeren naar vreemde volken, waar maar een klein aantal van u zal overblijven. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Daar zult u dan andere goden vereren, goden van hout en van steen, door mensen gemaakt, goden die niet kunnen horen en zien, niet eten en niet ruiken. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Maar ten slotte zult u de HEER, uw God, weer zoeken, en hem ook vinden, als u hem tenminste met hart en ziel zoekt. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Wanneer dit alles u overkomt zult u, door de nood gedreven, naar de HEER, uw God, terugkeren en naar hem luisteren. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Want de HEER, uw God, is een God van liefde. Hij zal u niet verlaten en u niet in het verderf storten. Wat hij uw voorouders onder ede heeft beloofd, vergeet hij niet. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Ga de hele geschiedenis maar eens na, vanaf de dag dat God de mens op aarde schiep, en doorkruis de hele wereld van het uiterste oosten tot het uiterste westen: is zoiets geweldigs ooit voorgekomen, heeft men ooit iets dergelijks vernomen? </VERS>
      <VERS vnumber="33">Is er ooit een volk geweest dat net als u vanuit een vuur de stem van een god heeft gehoord en dat heeft overleefd? </VERS>
      <VERS vnumber="34">Is er ooit een god geweest die het heeft aangedurfd zich een volk toe te eigenen waarover een ander volk macht uitoefende, en die dat deed met grootse daden, met tekenen en wonderen en felle strijd, met sterke hand en opgeheven arm, en op angstaanjagende wijze-zoals u met eigen ogen de HEER, uw God, in Egypte hebt zien doen? </VERS>
      <VERS vnumber="35">U bent er getuige van geweest opdat u zou beseffen dat de HEER de enige God is; er is geen ander naast hem. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Vanuit de hemel heeft hij zijn stem laten horen om u op te voeden, en op aarde heeft hij u dat grote vuur laten zien en vanuit het vuur zijn geboden bekendgemaakt. </VERS>
      <VERS vnumber="37">De HEER heeft uw voorouders liefgehad en hun nageslacht uitgekozen, en hij zelf heeft u met zijn grote macht uit Egypte bevrijd </VERS>
      <VERS vnumber="38">en ter wille van u volken verdreven die groter en machtiger waren dan u, om u hun land binnen te leiden en het u in eigendom te geven, zoals dat nu gebeurt. </VERS>
      <VERS vnumber="39">Wees u er daarom van bewust en laat goed tot u doordringen dat de HEER de enige God is, boven in de hemel en hier beneden op de aarde; een ander is er niet. </VERS>
      <VERS vnumber="40">Houd u altijd aan zijn wetten en geboden, zoals ik ze u vandaag geef. Dan zal het u en uw kinderen goed gaan, en zult u lang mogen leven in het land dat de HEER, uw God, u geven zal. </VERS>
      <VERS vnumber="41">Toen wees Mozes in het gebied ten oosten van de Jordaan drie steden aan </VERS>
      <VERS vnumber="42">waarheen iemand kon uitwijken die zonder opzet en zonder hem ooit te hebben gehaat een ander had gedood. Zo iemand kon in leven blijven als hij naar een van die steden vluchtte. </VERS>
      <VERS vnumber="43">Voor de stam Ruben was het Beser op het onontgonnen deel van de hoogvlakte, voor Gad Ramot in Gilead, en voor Manasse Golan in Basan. </VERS>
      <VERS vnumber="44">Dit is het onderricht dat Mozes de Israëlieten heeft gegeven. </VERS>
      <VERS vnumber="45">Hier volgen de bepalingen, wetten en regels die Mozes ten overstaan van de Israëlieten heeft afgekondigd nadat ze uit Egypte weggetrokken waren. </VERS>
      <VERS vnumber="46">Dat gebeurde aan de overkant van de Jordaan, in het dal tegenover Bet-Peor, in het land dat had toebehoord aan Sichon, de koning van de Amorieten, die in Chesbon zetelde en die evenals koning Og van Basan door Mozes en de Israëlieten op hun tocht uit Egypte verslagen werd, </VERS>
      <VERS vnumber="47">waarbij het hele gebied van deze twee Amoritische koningen ten oosten van de Jordaan door hen in bezit werd genomen, </VERS>
      <VERS vnumber="48">vanaf Aroër op de rand van het Arnondal tot aan de Sionberg, ofwel de Hermon, </VERS>
      <VERS vnumber="49">met de hele vallei aan de oostkant van de Jordaan tot waar de rotskloven van de Pisga in de Dode Zee afdalen. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="5">
      <VERS vnumber="1">Mozes riep het hele volk van Israël bijeen en sprak het als volgt toe: Luister, Israël, naar de wetten en de regels die ik u vandaag bekendmaak. Maak ze u eigen en leef ze strikt na. </VERS>
      <VERS vnumber="2">De HEER, onze God, heeft bij de Horeb een verbond met ons gesloten. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Niet met onze voorouders heeft hij dit verbond gesloten, maar met ons, zoals wij hier nu levend en wel bij elkaar zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="4">De HEER heeft zich daar vanuit het vuur rechtstreeks tot u gericht. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Ik stond toen tussen hem en u in om zijn woorden aan u door te geven, want u was bang voor het vuur en durfde de berg niet op. Dit zei de HEER: </VERS>
      <VERS vnumber="6">‘Ik ben de HEER, uw God, die u uit Egypte, uit de slavernij, heeft bevrijd. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Vereer naast mij geen andere goden. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hier boven is of van iets beneden op de aarde of in het water onder de aarde. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Kniel voor zulke beelden niet neer, vereer ze niet, want ik, de HEER, uw God, duld geen andere goden naast mij. Voor de schuld van de ouders laat ik de kinderen boeten, en ook het derde geslacht en het vierde, wanneer ze mij haten; </VERS>
      <VERS vnumber="10">maar als ze mij liefhebben en doen wat ik gebied, bewijs ik hun mijn liefde tot in het duizendste geslacht. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Misbruik de naam van de HEER, uw God, niet, want wie zijn naam misbruikt laat hij niet vrijuit gaan. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Neem de sabbat in acht, zoals de HEER, uw God, u heeft geboden; het is een heilige dag. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Zes dagen lang kunt u werken en al uw arbeid verrichten, </VERS>
      <VERS vnumber="14">maar de zevende dag is een rustdag, die gewijd is aan de HEER, uw God; dan mag u niet werken. Dat geldt voor u, voor uw zonen en dochters, voor uw slaven en slavinnen, voor uw runderen, uw ezels en al uw andere dieren, en ook voor vreemdelingen die bij u in de stad wonen; want uw slaaf en slavin moeten evengoed rusten als u. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Bedenk dat u zelf slaaf was in Egypte totdat de HEER, uw God, u met sterke hand en opgeheven arm bevrijdde. Daarom heeft hij u opgedragen de sabbat te houden. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Toon eerbied voor uw vader en uw moeder, zoals de HEER, uw God, u heeft geboden. Dan wordt u gezegend met een lang leven en met voorspoed in het land dat de HEER, uw God, u geven zal. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Pleeg geen moord. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Pleeg geen overspel. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Steel niet. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Leg over een ander geen vals getuigenis af. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Zet uw zinnen niet op de vrouw van een ander, en laat evenmin uw oog vallen op zijn huis, of op zijn akker, zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of zijn ezel, of wat hem ook maar toebehoort.’ </VERS>
      <VERS vnumber="22">De HEER heeft deze woorden-deze, en niet meer-tot u gesproken toen u daar bijeen was. Met een geweldig stemgeluid kondigde hij op de berg zijn geboden af, vanuit vuur en dreigende, donkere wolken, en hij schreef ze op twee stenen platen en gaf die aan mij. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Toen u die stem had gehoord vanuit de duisternis, terwijl de berg in vuur en vlam stond, zijn uw stamhoofden en oudsten bij mij gekomen </VERS>
      <VERS vnumber="24">met de woorden: ‘Zojuist heeft de HEER, onze God, ons zijn luister en zijn grootheid laten zien en hebben we zijn stem uit het vuur gehoord. We hebben vandaag ondervonden dat God met mensen spreekt zonder dat het hun het leven hoeft te kosten. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Maar moeten we ons leven nu opnieuw op het spel zetten? Dit enorme vuur zal ons levend verbranden! Als we de stem van de HEER, onze God, nogmaals horen, zullen we zeker sterven. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Want er is toch geen mens die net als wij de stem van de levende God vanuit het vuur heeft horen spreken en het heeft kunnen navertellen? </VERS>
      <VERS vnumber="27">Kunt u niet gaan om te horen wat de HEER zeggen wil? Als u zijn woorden dan aan ons overbrengt, zullen wij luisteren en ernaar handelen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="28">Toen de HEER hoorde wat u me vroeg, zei hij tegen mij: ‘Ik heb gehoord wat het volk tegen je zei; ze hebben goed gesproken. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Hadden ze altijd maar zo’n verlangen om mij te vereren en mijn geboden na te leven; voor eeuwig zou het hun en hun kinderen goed gaan.’ </VERS>
      <VERS vnumber="30">En hij vervolgde: ‘Stuur hen nu maar terug naar hun tenten. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Maar jij moet hier blijven, bij mij, dan zal ik jou alle geboden, wetten en regels bekendmaken die je hun moet leren en die zij moeten naleven in het land dat ik hun in bezit zal geven.’ </VERS>
      <VERS vnumber="32">Het is nu aan u om ze in acht te nemen, zoals de HEER, uw God, u heeft opgedragen; wijk er op geen enkele manier van af. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Volg steeds de weg die hij u heeft gewezen, dan zult u in leven blijven en er wél bij varen en lang mogen wonen in het land dat u in bezit krijgt. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="6">
      <VERS vnumber="1">Dit zijn de geboden, wetten en regels die ik u in opdracht van de HEER, uw God, moet leren en die u moet naleven in het land aan de overkant, dat u in bezit zult nemen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">U moet voor de HEER, uw God, ontzag tonen door u te houden aan zijn wetten en geboden, zoals ik die nu aan u geef; dat geldt voor u, zolang u leeft, en voor uw kinderen en uw kleinkinderen. Dan zult u met een lang leven gezegend worden. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Luister dus, Israël, en neem ze nauwlettend in acht. Dan zal het u goed gaan in het land dat overvloeit van melk en honing, en zult u sterk in aantal toenemen, zoals de HEER, de God van uw voorouders, u heeft toegezegd. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Luister, Israël: de HEER, onze God, de HEER is de enige! </VERS>
      <VERS vnumber="5">Heb daarom de HEER lief met hart en ziel en met inzet van al uw krachten. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Houd de geboden die ik u vandaag opleg steeds in gedachten. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Prent ze uw kinderen in en spreek er steeds over, thuis en onderweg, als u naar bed gaat en als u opstaat. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Draag ze als een teken om uw arm en als een band op uw voorhoofd. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Schrijf ze op de deurposten van uw huis en op de poorten van de stad. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Straks brengt de HEER, uw God, u naar het land dat hij u zal geven, zoals hij uw voorouders Abraham, Isaak en Jakob onder ede heeft beloofd. U krijgt daar grote, mooie steden, die u niet zelf hebt gebouwd, </VERS>
      <VERS vnumber="11">huizen vol voorraden, die u niet hebt aangelegd, regenputten, die u niet hebt uitgehouwen, en wijnstokken en olijfbomen, die u niet hebt geplant. Als u daar in overvloed leeft, </VERS>
      <VERS vnumber="12">zorg er dan voor dat u de HEER niet vergeet, die u uit de slavernij in Egypte heeft bevrijd. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Heb alleen ontzag voor de HEER, uw God, dien hem en zweer alleen bij zijn naam. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Laat u niet in met de goden van de omringende volken; </VERS>
      <VERS vnumber="15">u zou daarmee de toorn van de HEER over u afroepen en hij zou u van de aardbodem wegvagen. Want de HEER, uw God, die in uw midden is, duldt geen andere goden naast zich. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Stel hem niet op de proef, zoals u bij Massa deed. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Leef de geboden, de bepalingen en de wetten die de HEER, uw God, u heeft voorgehouden, zorgvuldig na </VERS>
      <VERS vnumber="18">en doe wat goed is in zijn ogen. Dan zal het u goed gaan en kunt u het goede land in bezit nemen dat hij uw voorouders onder ede heeft toegezegd. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Al uw vijanden zal hij voor u op de vlucht drijven, zoals hij heeft beloofd. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Wanneer uw kinderen u later vragen: ‘Wat betekenen al die bepalingen en wetten en regels die de HEER, onze God, u heeft voorgehouden?’ </VERS>
      <VERS vnumber="21">geef dan dit antwoord: ‘Wij waren in Egypte slaven van de farao, maar met sterke hand heeft de HEER ons uit Egypte bevrijd. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Wij zagen met eigen ogen hoe hij tekenen en indrukwekkende wonderen deed, die groot onheil brachten over de Egyptenaren, de farao en zijn hof. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Maar ons leidde hij weg uit Egypte, om ons hierheen te brengen en ons het land te geven dat hij onze voorouders onder ede had beloofd. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Daarom gebood de HEER, onze God, ons al deze wetten na te komen en ontzag voor hem te tonen. Dan zou het ons goed gaan en zou hij ons leven sparen, zoals hij tot nu toe heeft gedaan. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Als wij voor het oog van de HEER, onze God, deze geboden altijd naleven, zoals hij ons heeft opgedragen, zal het ons ten goede worden aangerekend.’ </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="7">
      <VERS vnumber="1">Straks zal de HEER, uw God, u naar het land brengen dat u in bezit zult nemen en veel volken voor u op de vlucht jagen: de Hethieten, de Girgasieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Perizzieten, de Chiwwieten en de Jebusieten-zeven volken die groter en machtiger zijn dan u. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Wanneer de HEER, uw God, u de overwinning op hen schenkt, moet u hen doden. U mag geen vredesverdrag met hen sluiten en hen niet sparen. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Sta ook geen huwelijksverbintenissen met hen toe; sta uw dochter niet af aan een van hun zonen en zoek bij hen geen vrouw voor uw eigen zoon. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Want zij zouden uw kinderen ertoe verleiden de HEER ontrouw te worden en andere goden te dienen. Daarmee zou u zijn toorn over u afroepen en dat zou u meteen met de dood moeten bekopen. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Nee, dít staat u te doen: u moet hun altaren slopen en hun gewijde stenen verbrijzelen, hun Asjerapalen omhakken en hun godenbeelden verbranden. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Want u bent een volk dat aan de HEER, uw God, is gewijd. U bent door hem uitgekozen om, anders dan alle andere volken op aarde, zijn kostbaar bezit te zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Het is niet omdat u talrijker was dan de andere volken dat hij u lief kreeg en uitkoos-u was het kleinste van allemaal! </VERS>
      <VERS vnumber="8">Maar omdat hij u liefhad en zich wilde houden aan wat hij uw voorouders onder ede had beloofd, heeft de HEER u met sterke hand bevrijd uit de slavernij, uit de macht van de farao, de koning van Egypte. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Besef dus goed: alleen de HEER, uw God, is God en hij houdt woord; hij komt zijn beloften na en is trouw aan ieder die hem liefheeft en die doet wat hij gebiedt, tot in het duizendste geslacht. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Maar ieder die hem haat zal daarvoor boeten met zijn leven; de HEER zal hem niet laten begaan, hij laat hem persoonlijk boeten. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Neem daarom de geboden, wetten en regels die ik u vandaag voorhoud zorgvuldig in acht. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Wanneer u zich gehoorzaam houdt aan deze voorschriften zal de HEER, uw God, zich van zijn kant houden aan wat hij uw voorouders in zijn goedheid heeft beloofd. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Hij zal u zijn liefde betonen, u zegenen en u talrijk maken. Zijn zegen zal rusten op de vrucht van uw schoot en de vrucht van het land-koren, wijn en olie-, op de dracht van uw runderen, schapen en geiten, in het land dat hij u zal geven, zoals hij uw voorouders onder ede heeft beloofd. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Meer dan alle andere volken zult u gezegend worden. Onvruchtbaarheid zal bij u niet voorkomen, niet onder mannen en niet onder vrouwen, en evenmin bij uw dieren. </VERS>
      <VERS vnumber="15">De HEER zal u vrijwaren voor elke ziekte, hij zal u alle kwalen die u zich uit Egypte herinnert besparen en ze voor uw vijanden bestemmen. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Daarom moet u alle volken die hij aan u uitlevert vernietigen, zonder medelijden te tonen. Dien hun goden niet, want dat zou uw ondergang betekenen. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Misschien denkt u bij uzelf: Die volken zijn groter dan wij, hoe zouden wij ze kunnen verslaan? </VERS>
      <VERS vnumber="18">Wees niet bang voor hen; bedenk wat de HEER, uw God, de farao en heel Egypte heeft aangedaan. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Herinner u de grootse daden die u met eigen ogen hebt gezien, de tekenen en wonderen en uw bevrijding met sterke hand en opgeheven arm! Zo zal de HEER ook optreden tegen alle volken die u angst aanjagen. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Daarna zal hij horzels op hen afsturen, tot iedereen die er nog over is of zich voor u schuilhoudt, zal zijn omgekomen. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Wees dus niet bang voor hen, want de HEER, uw God, een machtige en ontzagwekkende God, is in uw midden. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Wanneer hij die volken voor u op de vlucht drijft zal hij dat geleidelijk doen. U moet hen niet in één keer uitroeien, anders krijgt u te maken met grote aantallen roofdieren. </VERS>
      <VERS vnumber="23">De HEER zal u de overwinning schenken en paniek onder hen zaaien, tot ze zijn uitgeroeid. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Hij zal hun koningen aan u uitleveren en u zult het land zuiveren van alles wat aan hen herinnert; steeds verder zullen ze teruggedrongen worden, tot u ze allemaal uitgeroeid hebt. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Hun godenbeelden moet u verbranden, zonder u het zilver en goud ervan toe te eigenen, want dat zou uw ondergang worden omdat de HEER, uw God, ze verafschuwt. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Geef die gruwelijke beelden geen plaats in uw huizen, anders wordt u net als zij aan de vernietiging prijsgegeven. U moet er een diepe afschuw, een hartgrondige afkeer van hebben; de ban van de HEER rust erop. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="8">
      <VERS vnumber="1">Leef alle geboden die ik u vandaag voorhoud strikt na. Dan zult u in leven blijven, in aantal toenemen en het land dat de HEER uw voorouders onder ede heeft beloofd, binnengaan en het in bezit nemen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Denk aan de tocht die de HEER, uw God, u door de woestijn heeft laten maken, veertig jaar lang. Hij wilde u zijn macht laten voelen en u op de proef stellen, om te ontdekken wat er in uw hart leefde: gehoorzaamheid aan zijn geboden of niet. </VERS>
      <VERS vnumber="3">U hébt zijn macht leren kennen: hij liet u honger lijden en gaf u toen manna te eten, voedsel dat u nooit eerder had gezien en uw voorouders evenmin. Zo maakte hij u duidelijk dat een mens niet leeft van brood alleen, maar van alles wat de mond van de HEER voortbrengt. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Veertig jaar lang raakten uw kleren niet versleten en zwollen uw voeten niet op. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Laat ieder van u dan beseffen dat de HEER, uw God, u opvoedt zoals een vader zijn kind opvoedt. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Leef daarom zijn geboden na door de weg te volgen die hij u wijst en door ontzag voor hem te tonen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Straks brengt de HEER, uw God, u naar een goed land, een land van beken, bronnen en waterstromen, die ontspringen in de valleien en op de bergen, </VERS>
      <VERS vnumber="8">een land van tarwe en gerst, van wijnstokken, vijgenbomen en granaatappelbomen, een land van olijven en honing, </VERS>
      <VERS vnumber="9">een land waar u niet slechts schamel brood zult eten, maar waar het u aan niets zal ontbreken, een land waar u ijzer vindt in het gesteente en waar u koper delft uit de bergen. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Wanneer u daar in overvloed leeft, dank de HEER, uw God, dan voor het goede land dat hij u gegeven heeft. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Zorg ervoor dat u hem niet vergeet, waardoor u zijn geboden, wetten en regels, die ik u vandaag voorhoud, zou veronachtzamen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Wanneer u volop te eten hebt en mooie huizen bouwt om in te wonen, </VERS>
      <VERS vnumber="13">wanneer u steeds meer runderen, schapen en geiten krijgt, steeds meer goud en zilver, wanneer uw hele bezit toeneemt, </VERS>
      <VERS vnumber="14">mag u daardoor niet hoogmoedig worden en de HEER, uw God, vergeten. Was hij het niet die u uit de slavernij in Egypte bevrijdde; </VERS>
      <VERS vnumber="15">die u veilig door die grote, verschrikkelijke woestijn leidde, dat dorre land waar geen water te vinden is en waar giftige slangen en schorpioenen huizen; die voor u water liet ontspringen uit de steenharde rots; </VERS>
      <VERS vnumber="16">die u in de woestijn manna te eten gaf, voedsel dat uw voorouders nog nooit hadden gezien-en dat alles om u zijn macht te laten voelen en u op de proef te stellen, zodat hij u later zou kunnen zegenen? </VERS>
      <VERS vnumber="17">En dan zou u bij uzelf denken: Al die voorspoed hebben we op eigen kracht verworven!? </VERS>
      <VERS vnumber="18">Nee, u moet beseffen dat het de HEER, uw God, is die u in staat stelt om die welvaart te verwerven, omdat hij zich wil houden aan wat hij uw voorouders onder ede heeft beloofd, zoals hij dat tot nu toe heeft gedaan. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Maar als u de HEER, uw God, toch vergeet en achter andere goden aan loopt, ze vereert en voor ze neerknielt-ik waarschuw u op voorhand dat u dan zeker zult omkomen. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Het zal u net zo vergaan als de volken die de HEER ter wille van u uitroeit: u zult omkomen omdat u niet naar hem hebt geluisterd. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="9">
      <VERS vnumber="1">Luister, Israël! U staat op het punt de Jordaan over te steken om het land van die andere volken binnen te gaan en het in bezit te nemen. Zij zijn groter en machtiger dan u en hebben grote steden met hemelhoge versterkingen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Onder hen is ook het grote volk van de Enakieten, de beruchte reuzen, tegen wie volgens de verhalen niemand opgewassen is. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Laat vandaag echter goed tot u doordringen dat het de HEER, uw God, is die u voorgaat als een verterend vuur. Hij zal hun ondergang bewerken en hen op de knieën dwingen. Zo zult u hen in korte tijd kunnen uitroeien, zoals de HEER u heeft beloofd. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Maar wanneer hij hen zo voor u op de vlucht jaagt, moet u niet bij uzelf denken: We hebben het ook wel verdiend dat de HEER ons hierheen heeft gebracht om ons dit land in bezit te geven. Nee, het is omdat die volken zo slecht zijn dat hij ze voor u verdrijft. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Niet uw eigen rechtvaardigheid of uw zuivere geweten geeft u toegang tot hun land. De HEER, uw God, verdrijft die volken voor u omdat ze zo slecht zijn, en omdat hij zich wil houden aan de eed die hij uw voorouders Abraham, Isaak en Jakob heeft gezworen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Onthoud goed dat de HEER u dit goede land niet in bezit geeft omdat u het verdiend hebt, want u bent een onhandelbaar volk. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Herinner u hoe u in de woestijn de woede van de HEER, uw God, hebt gewekt. Vanaf het moment dat u Egypte verliet tot uw aankomst hier hebt u zich steeds weer tegen de HEER verzet. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Vooral bij de Horeb hebt u hem kwaad gemaakt, zo kwaad dat hij u wilde vernietigen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Ik was de berg opgegaan om de stenen platen van het verbond dat de HEER met u gesloten had, in ontvangst te nemen. Veertig dagen en nachten bleef ik op de berg, zonder iets te eten of te drinken; </VERS>
      <VERS vnumber="10">daarna overhandigde de HEER mij twee stenen platen, met Gods vinger beschreven. Op die platen stonden alle geboden die de HEER u vanuit het vuur had bekendgemaakt, toen u bij de berg bijeengekomen was. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Na veertig dagen en nachten gaf hij mij de twee stenen platen van het verbond, </VERS>
      <VERS vnumber="12">en zei: ‘Haast je naar beneden. Jouw volk, dat jij uit Egypte hebt meegenomen, misdraagt zich. Nu al zijn ze afgeweken van de weg die ik hun heb gewezen: ze hebben een godenbeeld gemaakt.’ </VERS>
      <VERS vnumber="13">En de HEER voegde eraan toe: ‘Ik weet inmiddels hoe onhandelbaar dit volk is. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Houd me niet tegen: ik roei hen uit, zodat niets op aarde nog aan hen zal herinneren. Maar uit jou zal ik een volk laten voortkomen dat groter en machtiger is dan dit.’ </VERS>
      <VERS vnumber="15">Toen ging ik terug; ik daalde de berg af, die in vuur en vlam stond, en de twee platen van het verbond droeg ik met beide handen. </VERS>
      <VERS vnumber="16">En toen zag ik hoe u tegen de HEER, uw God, had gezondigd: u had een beeld gemaakt in de vorm van een stierkalf. Zo snel was u al afgeweken van de weg die de HEER u gewezen had. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Ik heb toen in uw bijzijn de twee platen die ik in mijn handen had, stukgesmeten. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Ik wierp me ter aarde voor de HEER, net als de eerste keer, en bleef veertig dagen en nachten zo liggen, zonder iets te eten of te drinken. Dat was omdat u zo zwaar gezondigd had: u had gedaan wat slecht is in de ogen van de HEER en hem daarmee getergd. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Ik vreesde de toorn van de HEER, want hij was zo kwaad op u dat hij u wilde uitroeien. Maar ook ditmaal gaf hij mij gehoor. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Ik heb toen in het bijzonder voor Aäron gebeden, want ook hem wilde de HEER doden, zo groot was zijn woede. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Het bewijs van uw wangedrag, het stierenbeeld dat u gemaakt had, heb ik verbrand en verbrijzeld, versplinterd en verpulverd; het stof dat overbleef heb ik in de bergstroom gegooid. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Ook later, in Tabera, in Massa, in Kibrot-Hattaäwa, zou u steeds opnieuw de woede van de HEER wekken. </VERS>
      <VERS vnumber="23">En ook toen de HEER u vanuit Kades-Barnea op weg stuurde met de woorden: ‘Trek op, neem het land dat ik je geef in bezit, ‘verzette u zich nog tegen zijn bevel, in plaats van hem te vertrouwen en te gehoorzamen. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Vanaf het moment dat ik met u te maken kreeg, hebt u zich tegen de HEER verzet. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Ik had me dus voor de HEER ter aarde geworpen, en bleef veertig dagen en nachten op de grond liggen, omdat hij tot uw ondergang besloten had. </VERS>
      <VERS vnumber="26">En ik bad tot de HEER: ‘Ach HEER, mijn God, spaar toch het volk dat u toebehoort en dat u zelf in uw grootheid hebt gered en met sterke hand uit Egypte hebt weggeleid. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Denk terug aan uw dienaren Abraham, Isaak en Jakob. Blijf niet stilstaan bij het halsstarrige, slechte en zondige gedrag van dit volk. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Laat de mensen in het land waaruit u dit volk hebt weggeleid, niet kunnen zeggen: “De HEER was zeker niet in staat om ze naar het land te brengen dat hij hun beloofd had. Hij moet hen wel gehaat hebben, dat hij ze hier heeft weggehaald om ze in de woestijn te laten omkomen!” </VERS>
      <VERS vnumber="29">Ach HEER, het is toch het volk dat u toebehoort en dat u door uw grote macht met opgeheven arm hebt bevrijd?’ </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="10">
      <VERS vnumber="1">Toen zei de HEER tegen mij: ‘Hak twee stenen platen uit, gelijk aan de vorige, maak een kist en kom naar mij toe, op de berg. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Dan zal ik op die platen de geboden schrijven die ook op de eerste stonden, voor jij ze stuksloeg. Daarna moet je ze in de kist leggen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="3">Ik heb toen van acaciahout een kist gemaakt en twee nieuwe stenen platen gehouwen. Daarna ben ik met de twee stenen platen de berg opgegaan. </VERS>
      <VERS vnumber="4">En de HEER heeft er hetzelfde op geschreven als de eerste keer: de tien geboden die hij u vanuit het vuur had bekendgemaakt, toen u bij de berg bijeen was. Hij overhandigde mij de platen, </VERS>
      <VERS vnumber="5">waarna ik terugging, de berg af. Ik heb ze in de ark gelegd, de kist die ik in opdracht van de HEER gemaakt had, en daar liggen ze nog. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Vervolgens zijn de Israëlieten van de bronnen van Bene-Jaäkan naar Mosera getrokken. Aäron is daar toen gestorven en er begraven; zijn zoon Eleazar volgde hem op als priester. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Ze zijn daarna verder gereisd naar Gudgod en van daar naar Jotbata, dat in een gebied met veel wadi’s ligt. </VERS>
      <VERS vnumber="8">In die tijd wees de HEER de stam Levi aan om de ark van het verbond met de HEER te dragen, om voor hem dienst te doen en in zijn naam de zegen uit te spreken. Zo is het tot op de dag van vandaag. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Daarom bezitten de Levieten geen eigen grond zoals de anderen; zij mogen immers bestaan van de dienst aan de HEER, zoals hij hun heeft beloofd. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Net als de eerste keer heb ik dus veertig dagen en nachten op de berg doorgebracht, en ook ditmaal gaf de HEER mij gehoor: hij besloot u te sparen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">En de HEER zei tegen mij: ‘Ga aan het hoofd van het volk weer op weg, dan kunnen ze het land binnengaan dat ik hun voorouders onder ede heb beloofd, en het in bezit nemen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="12">Israël, bedenk dus dat de HEER, uw God, niets anders van u vraagt dan dat u ontzag voor hem toont, dat u de weg volgt die hij u wijst, dat u hem liefhebt, hem met hart en ziel dient </VERS>
      <VERS vnumber="13">en zijn geboden en wetten, die ik u vandaag voorhoud, naleeft; dan zal het u goed gaan. </VERS>
      <VERS vnumber="14">De HEER, die vrij kan beschikken over de hoogste hemel en over de aarde en alles wat daarop leeft, </VERS>
      <VERS vnumber="15">heeft toch alleen voor úw voorouders liefde opgevat en uit alle volken juist u, hun nazaten, uitgekozen! </VERS>
      <VERS vnumber="16">Besnijd daarom uw hart en wees niet langer halsstarrig. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Want de HEER, uw God, is de hoogste God en Heer. Hij is de grote, de machtige, de ontzagwekkende God. Hij handelt zonder aanzien des persoons en is onomkoopbaar; </VERS>
      <VERS vnumber="18">hij verschaft weduwen en wezen recht, neemt vreemdelingen in bescherming en voorziet hen van voedsel en kleding. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Ook u moet vreemdelingen met liefde behandelen, want u bent zelf vreemdelingen geweest in Egypte. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Toon ontzag voor de HEER, uw God, dien hem, wees hem toegedaan en zweer alleen bij zijn naam. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Zing zijn lof, hij is uw God! U hebt met eigen ogen gezien welke grootse, indrukwekkende daden hij voor u heeft verricht: </VERS>
      <VERS vnumber="22">met zeventig personen trokken uw voorouders naar Egypte, maar nu heeft hij u zo talrijk gemaakt als de sterren aan de hemel! </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="11">
      <VERS vnumber="1">Heb daarom de HEER, uw God, lief en houd u aan uw verplichtingen tegenover hem. Leef zijn wetten, regels en geboden elke dag na. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Wees u ervan bewust dat uw kinderen geen getuige zijn geweest van de opvoeding die de HEER u gaf, en niet met eigen ogen zijn grootheid hebben gezien, zijn sterke hand en opgeheven arm. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Wat weten zij van de wonderen en daden die hij in Egypte verrichtte, ten koste van de farao en zijn hele volk? </VERS>
      <VERS vnumber="4">Of van wat hij met het leger van Egypte en al zijn paarden en wagens heeft gedaan, hoe hij ze liet verdwijnen in het water van de Rietzee toen ze u achtervolgden, waarmee hij hun macht heeft gebroken tot op de dag van vandaag? </VERS>
      <VERS vnumber="5">Uw kinderen weten toch niet wat hij in de woestijn voor u heeft gedaan voordat u hier aankwam? </VERS>
      <VERS vnumber="6">En wat hij ten overstaan van het hele volk deed met Datan en Abiram, de zonen van de Rubeniet Eliab: hoe de aarde haar mond opensperde en hen opslokte met hun families, hun tenten en al het vee dat ze bezaten? </VERS>
      <VERS vnumber="7">U daarentegen hebt al die machtige daden die de HEER verrichtte met eigen ogen gezien. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Daarom moet u alle geboden die ik u vandaag voorhoud naleven. Daaruit zult u de moed putten om het land aan de overkant binnen te gaan en het in bezit te nemen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Dan zult u lang leven in het land dat de HEER onder ede aan uw voorouders en hun nageslacht heeft beloofd, het land dat overvloeit van melk en honing. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Want het land dat u in bezit zult nemen is heel anders dan Egypte, waar u vandaan komt. Daar moest u de akkers na het zaaien kunstmatig bevloeien als een groentetuin. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Maar het land aan de overkant is een land met bergen en dalen, dat zijn dorst lest met het water uit de hemel. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Het is een land waaraan de HEER, uw God, veel zorg besteedt en waarover hij waakt, het hele jaar door, van de eerste tot de laatste dag. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Als u de geboden gehoorzaamt die ik u vandaag voorhoud, en de HEER, uw God, liefhebt en hem met hart en ziel dient, </VERS>
      <VERS vnumber="14">belooft de HEER: ‘Ik zal jullie akkers op de juiste tijd regen geven, in het najaar en in het voorjaar. Je zult je oogst binnenhalen, koren, wijn en olie, </VERS>
      <VERS vnumber="15">en ik zal groene weiden geven voor je vee. Je zult er leven in overvloed.’ </VERS>
      <VERS vnumber="16">Maar pas op: laat u er niet toe verleiden een dwaalspoor te volgen, voor andere goden neer te knielen en ze te vereren. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Want dan roept u de woede van de HEER over u af en zal hij de hemel sluiten. Er zal geen regen meer vallen en de hele oogst zal mislukken, en spoedig zult u verdwenen zijn uit het goede land dat de HEER u zal geven. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Houd mijn woorden dus in gedachten, maak ze u eigen, draag ze als een teken om uw arm en als een band op uw voorhoofd. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Prent ze uw kinderen in en spreek er steeds over, thuis en onderweg, als u naar bed gaat en als u opstaat. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Schrijf ze op de deurposten van uw huis en op de poorten van de stad. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Dan zullen u en uw kinderen lang mogen wonen in het land dat de HEER uw voorouders onder ede heeft beloofd, zolang de hemel boven de aarde staat. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Wanneer u alle geboden die ik u geef zorgvuldig naleeft, en u de HEER, uw God, liefhebt, hem bent toegedaan en de weg volgt die hij wijst, </VERS>
      <VERS vnumber="23">dan zal hij ter wille van u al die volken, die groter en machtiger zijn dan u, verdrijven en hun land aan u in bezit geven. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Elk stuk grond dat u zult betreden is voor u. Uw gebied zal zich uitstrekken van de woestijn tot aan de Libanon, en van de rivier de Eufraat tot aan de zee in het westen. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Er zal niemand zijn die tegen u kan standhouden. De HEER, uw God, laat in het land dat u binnengaat iedereen van angst voor u beven, zoals hij u heeft beloofd. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Besef goed, vandaag stel ik u voor de keuze tussen zegen en vloek. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Zegen, als u gehoorzaam bent aan de geboden van de HEER, uw God, zoals ik ze u vandaag voorhoud. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Vloek, als u zijn geboden niet gehoorzaamt en afwijkt van de weg die ik u vandaag wijs en achter andere goden aan loopt die u eerst niet kende. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Wanneer u straks door zijn toedoen in het land aankomt dat u in bezit zult nemen, moet u op de Gerizim de zegen uitspreken, en op de Ebal de vloek. </VERS>
      <VERS vnumber="30">(Deze bergen liggen ten westen van de Jordaan, ter hoogte van Gilgal, vlak bij de eiken van More. Ze zijn te bereiken over de weg die door het gebied van de Kanaänieten in de Jordaanvallei naar het westen loopt.) </VERS>
      <VERS vnumber="31">Straks steekt u de Jordaan over om het land binnen te gaan dat de HEER u zal geven. Wanneer u het in bezit hebt genomen en er woont, </VERS>
      <VERS vnumber="32">leef dan alle wetten en regels die ik u vandaag voorhoud strikt na. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="12">
      <VERS vnumber="1">Dit zijn de wetten en regels waaraan u zich moet houden zolang u leeft in het land dat de HEER, de God van uw voorouders, u in bezit geeft. </VERS>
      <VERS vnumber="2">De volken die u zult verdrijven, vereren hun goden op heuveltoppen en hoge bergen en onder bladerrijke bomen. U moet hun gewijde plaatsen met de grond gelijk maken, </VERS>
      <VERS vnumber="3">hun altaren slopen en hun gewijde stenen verbrijzelen; hun Asjerapalen moet u verbranden en hun godenbeelden in stukken hakken. Er mag niets overblijven dat aan die goden herinnert. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Het is u verboden om de HEER, uw God, op allerlei plaatsen te vereren. </VERS>
      <VERS vnumber="5">U mag u daarvoor alleen naar de plaats begeven die hij in een van uw stamgebieden zal kiezen om er zijn naam te laten wonen. Ga dus naar de plaats waar hij woont </VERS>
      <VERS vnumber="6">en neem de dieren mee die u voor de brandoffers en vredeoffers hebt bestemd, en ook uw tienden en andere heffingen, de offers die u brengt ter nakoming van een gelofte en uw vrijwillige gaven, en uw eerstgeboren runderen, schapen en geiten. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Richt daar ten overstaan van de HEER, uw God, een feestmaal aan en geniet met uw familie van de zegeningen waarmee hij uw inspanningen heeft beloond. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Wij zijn hier nu gewend dat iedereen offert naar het hem goeddunkt, maar dat mag niet zo blijven. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Weliswaar bent u nu nog niet binnen de veilige grenzen van het gebied dat de HEER, uw God, u zal geven, </VERS>
      <VERS vnumber="10">maar straks steekt u de Jordaan over om u in het land dat de HEER u in eigendom geeft, te vestigen. Als hij u eenmaal vrede heeft gegeven door u te verlossen van de vijanden die u omringen, en u leeft er ongestoord, </VERS>
      <VERS vnumber="11">dan mag u zich alleen maar naar de ene plaats begeven die de HEER, uw God, zal uitkiezen om er zijn naam te laten wonen. Ga daar met alles wat u moet afdragen heen: de dieren voor uw brandoffers en vredeoffers, uw tienden en andere heffingen, en de bijzondere offers die u ter nakoming van een gelofte aan de HEER brengt. </VERS>
      <VERS vnumber="12">En vier dan feest ten overstaan van de HEER, samen met uw zonen en dochters, uw slaven, uw slavinnen, en de Levieten bij u in de stad, die immers geen grondgebied hebben zoals u. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Denk erom dat u geen brandoffers brengt op een willekeurige plaats. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Alleen op de plaats die de HEER in een van uw stamgebieden kiest mag u offers brengen en aan uw andere verplichtingen voldoen. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Maar verder mag u, naar de mate waarin de HEER, uw God, u zal zegenen, dieren slachten en vlees eten wanneer u maar wilt, overal waar u woont. Iedereen mag dat, rein of onrein, zoals dat ook geldt voor het eten van gazellen of herten. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Onthoud u alleen wel van het bloed; laat dat als water op de grond weglopen. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Het is niet toegestaan om in uw eigen woonplaats een feestmaal aan te richten van de tienden van uw koren, wijn en olie, of van uw eerstgeboren runderen, schapen en geiten, van uw gelofteoffers, uw vrijwillige gaven en de andere heffingen. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Want dat mag alleen gebeuren ten overstaan van de HEER, uw God, op de plaats die hij uitkiest. Dat geldt voor ieder van u, voor uw zonen en dochters, uw slaven, uw slavinnen, en voor de Levieten die bij u in de stad wonen. In tegenwoordigheid van de HEER, uw God, zult u genieten van de vrucht van uw arbeid. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Maar vergeet, zolang u in dat land woont, de Levieten niet. </VERS>
      <VERS vnumber="20">(20-21) Wanneer de HEER, uw God, u de beschikking heeft gegeven over het hele gebied dat hij u beloofd heeft, ligt de plaats die hij zal kiezen om er zijn naam te laten wonen misschien te ver weg. In dat geval kunt u, als u zomaar eens vlees wilt eten, dat toch met een gerust hart doen. U mag runderen, schapen of geiten die u van de HEER hebt gekregen, slachten zoals ik u heb voorgeschreven, en het vlees eten wanneer u wilt, overal waar u woont. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Net zoals u gazellen of herten vrijuit mag eten, mag dat ook met zulk vlees, en dat geldt voor iedereen, rein of onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Maar wees er wel op bedacht dat u zich van het bloed onthoudt, want bloed is leven; vlees met leven erin mag u niet eten. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Nogmaals, onthoud u van bloed, laat het als water op de grond weglopen. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Als u dit ter harte neemt, zal het u en uw nageslacht goed gaan, want dan doet u wat goed is in de ogen van de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Maar alle gaven die de HEER toekomen en alles wat u hem hebt toegezegd, moet u meenemen naar de plaats die hij zal uitkiezen. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Van de brandoffers moet u zowel het vlees als het bloed offeren op het altaar van de HEER, uw God. Bij uw vredeoffers moet alleen het bloed tegen het altaar worden gegoten, en mag het vlees gegeten worden. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Ga zorgvuldig te werk in alles wat ik u vandaag heb voorgehouden. Daar zullen u en uw nageslacht tot in lengte van dagen wél bij varen, omdat u dan doet wat goed is in de ogen van de HEER, uw God. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Straks zal de HEER, uw God, voor u de volken uitroeien die nu nog het land bewonen dat voor u bestemd is. Als u het eenmaal in bezit hebt gekregen en er bent gaan wonen, </VERS>
      <VERS vnumber="30">zorg er dan voor dat die volken, die voor u zijn uitgeroeid, niet alsnog uw ondergang worden. Wees niet nieuwsgierig naar hun goden en vraag u niet af: Hoe hebben die volken hun goden vereerd? Zo willen wij het ook doen! </VERS>
      <VERS vnumber="31">Nee, de HEER, uw God, verbiedt u dat. Want zij hebben voor hun goden alles gedaan wat de HEER verafschuwt; ze hebben zelfs hun zonen en dochters als offer voor hen verbrand. </VERS>
      <VERS vnumber="32">(13:1) U daarentegen moet alles wat ik u gebied strikt naleven; voeg er niets aan toe en doe er ook niets van af. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="13">
      <VERS vnumber="1">(13:2) Wanneer een profeet of een droomuitlegger uit uw midden een teken of een wonder voorspelt, </VERS>
      <VERS vnumber="2">(13:3) dat vervolgens uitkomt, en hij verbindt daaraan een oproep om andere, u onbekende goden te volgen en te dienen- </VERS>
      <VERS vnumber="3">(13:4) luister dan niet naar wat hij zegt. Want de HEER, uw God, wil u daarmee op de proef stellen, om te ontdekken of u hem wel met hart en ziel liefhebt. </VERS>
      <VERS vnumber="4">(13:5) Blijf de HEER, uw God, volgen en heb alleen voor hem ontzag. Leef zijn geboden na en luister naar hem; dien alleen hem en blijf hem toegedaan. </VERS>
      <VERS vnumber="5">(13:6) En die profeet of droomuitlegger moet ter dood gebracht worden omdat hij u wilde opzetten tegen de HEER, uw God, die u uit Egypte heeft weggehaald en u uit de slavernij heeft bevrijd. Die man heeft immers geprobeerd u af te brengen van de weg die de HEER, uw God, u had gewezen. Zo moet u het kwaad dat zich bij u aandient in de kiem smoren. </VERS>
      <VERS vnumber="6">(13:7) Wanneer iemand-uw volle broer, uw zoon of uw dochter, of de vrouw die u bemint, of uw beste vriend-u in het geheim probeert over te halen om andere goden te dienen, goden die u nog niet kende en ook uw voorouders niet, </VERS>
      <VERS vnumber="7">(13:8) goden van de naburige volken, vlakbij of ver weg of waar ook ter wereld, </VERS>
      <VERS vnumber="8">(13:9) luister dan niet naar zo iemand en geef niet toe; wees onverbiddelijk, heb geen medelijden met hem en houd hem niet de hand boven het hoofd. </VERS>
      <VERS vnumber="9">(13:10) (10-11) U moet hem ter dood brengen; samen met uw volksgenoten moet u hem stenigen tot de dood erop volgt, en zelf moet u de eerste steen werpen. Dat is zijn straf, want hij heeft geprobeerd u te vervreemden van de HEER, uw God, die u uit de slavernij in Egypte heeft bevrijd. </VERS>
      <VERS vnumber="11">(13:12) Het hele volk van Israël moet daardoor worden afgeschrikt, zodat dergelijke wandaden zich niet herhalen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">(13:13) Wanneer in een van de steden die u van de HEER, uw God, krijgt om u daar te vestigen, het gerucht de ronde doet </VERS>
      <VERS vnumber="13">(13:14) dat er onder uw volk nietswaardige figuren zijn opgestaan die de andere inwoners van hun stad tot ontrouw hebben aangezet en hen naar andere goden hebben laten overlopen-goden die u onbekend zijn-, </VERS>
      <VERS vnumber="14">(13:15) dan moet u navraag doen, een onderzoek instellen en de zaak tot op de bodem uitzoeken. Als blijkt dat het waar is, als onomstotelijk vaststaat dat zoiets afschuwelijks bij u heeft plaatsgevonden, </VERS>
      <VERS vnumber="15">(13:16) dan moet u de inwoners van die stad ter dood brengen. De hele stad, iedereen die er woont, en alle dieren moeten onvoorwaardelijk aan de HEER worden gewijd en gedood worden, </VERS>
      <VERS vnumber="16">(13:17) en alle goederen van de stad moeten op het plein bijeengebracht worden. Daarna moet u de stad en de goederen in brand steken, als een brandoffer voor de HEER, uw God. De stad wordt zo voor eeuwig tot een ruïne gemaakt, ze mag nooit meer herbouwd worden. </VERS>
      <VERS vnumber="17">(13:18) Van de goederen waarop de ban van de HEER rust mag u niets verduisteren. Als u zo handelt zal de woede van de HEER bekoelen en zal hij u genadig zijn. Hij zal zich over u ontfermen en u in aantal doen toenemen, zoals hij uw voorouders onder ede heeft beloofd. </VERS>
      <VERS vnumber="18">(13:19) Want dan bent u de HEER, uw God, gehoorzaam: u leeft de geboden na die ik u vandaag voorhoud en u doet wat goed is in zijn ogen. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="14">
      <VERS vnumber="1">Omdat u kinderen van de HEER, uw God, bent is het u niet geoorloofd als teken van rouw uw lichaam te kerven of het haar op uw voorhoofd weg te scheren. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Want u bent een volk dat aan de HEER, uw God, is gewijd: u heeft hij uitgekozen om, anders dan alle andere volken op aarde, zijn kostbaar bezit te zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="3">U mag niets eten dat door de HEER wordt verafschuwd. </VERS>
      <VERS vnumber="4">De volgende dieren mag u eten: runderen, schapen, geiten, </VERS>
      <VERS vnumber="5">herten, gazellen, reeën, steenbokken, spiesbokken, antilopen, wilde schapen, </VERS>
      <VERS vnumber="6">en alle andere dieren die gespleten hoeven hebben-dus hoeven die helemaal gedeeld zijn-en bovendien hun voedsel herkauwen. Dat zijn de dieren die u wel mag eten. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Maar dieren die alleen herkauwen of alleen gespleten hoeven hebben, mag u niet eten. Kamelen, hazen en klipdassen zijn herkauwers, maar hebben geen gespleten hoeven; daarom gelden ze voor u als onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="8">En zwijnen hebben wel gespleten hoeven, maar herkauwen niet; daarom moet u ook die als onrein beschouwen. Eet geen vlees dat van zulke dieren afkomstig is en raak hun kadavers niet aan. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Alles wat in het water leeft en vinnen en schubben heeft mag u eten, </VERS>
      <VERS vnumber="10">maar dieren zonder vinnen of schubben niet; die gelden voor u als onrein. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Alle vogelsoorten die rein zijn mag u eten. </VERS>
      <VERS vnumber="12">De volgende vogels mag u niet eten: de vale gier, de lammergier, de zwarte gier, </VERS>
      <VERS vnumber="13">de rode wouw en de verschillende soorten buizerds, </VERS>
      <VERS vnumber="14">alle soorten kraaien en raven, </VERS>
      <VERS vnumber="15">de struisvogel, de velduil, de bosuil, alle soorten valken, </VERS>
      <VERS vnumber="16">de steenuil, de ransuil, de katuil, </VERS>
      <VERS vnumber="17">de dwergooruil, de visarend, de visuil, </VERS>
      <VERS vnumber="18">de ooievaar, de verschillende soorten reigers, de hop en de vleermuis. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Ook gevleugelde insecten moet u als onreine dieren beschouwen, die u niet mag eten, </VERS>
      <VERS vnumber="20">met uitzondering van enkele reine soorten. </VERS>
      <VERS vnumber="21">U mag geen vlees eten van dieren die dood gevonden zijn. Laat het aan de vreemdelingen die bij u in de stad wonen, of verkoop het aan een buitenlander. Want u bent een volk dat aan de HEER, zijn God, gewijd is. U mag een geitenbokje niet koken in de melk van zijn moeder. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Ieder jaar moet u het tiende deel van de opbrengst van uw akkers afdragen. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Van de tienden van uw koren, wijn en olie en uw eerstgeboren runderen, schapen en geiten moet u een feestmaal aanrichten ten overstaan van de HEER, uw God, op de plaats die hij zal uitkiezen om er zijn naam te laten wonen. Zo leert u steeds opnieuw te leven in ontzag voor de HEER, uw God. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Voor het geval u niet in staat bent om uw tienden en uw offergaven die hele afstand mee te nemen-zeker wanneer de HEER u rijk gezegend heeft-omdat de plaats die hij uitkiest te ver weg is, </VERS>
      <VERS vnumber="25">moet u uw afdracht te gelde maken en met dat geld in een buidel naar de plaats van zijn keuze gaan. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Daar mag u het uitgeven aan alles wat u maar wilt: runderen, schapen en geiten, wijn en andere drank en wat maar in u opkomt, en daarvan richt u dan, ten overstaan van de HEER, uw God, een feestmaal aan met uw hele familie. </VERS>
      <VERS vnumber="27">En vergeet daarbij de Levieten die bij u in de stad wonen niet, want zij bezitten geen eigen grond zoals u. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Elk derde jaar moet u het tiende deel van de opbrengst in zijn geheel afstaan en het opslaan in de stad. </VERS>
      <VERS vnumber="29">De Levieten, die geen grond bezitten zoals u, en de vreemdelingen, de weduwen en de wezen die bij u in de stad wonen, mogen daarvan dan nemen zo veel als ze nodig hebben. De HEER, uw God, zal u erom zegenen in alles wat u onderneemt. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="15">
      <VERS vnumber="1">Elk zevende jaar moet u algemene kwijtschelding verlenen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Dat houdt het volgende in: elke schuldeiser moet iedereen die iets van hem heeft geleend zijn schuld kwijtschelden; hij mag zijn volksgenoot, zijn broeder, niet tot afbetaling dwingen, want de kwijtschelding is afgekondigd in de naam van de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Van een buitenlander mag u wel betaling vorderen, maar wat u van een volksgenoot te goed hebt moet u kwijtschelden. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Overigens zal niemand van u in armoede leven, zozeer zal de HEER u zegenen in het land dat hij u in bezit zal geven, </VERS>
      <VERS vnumber="5">tenminste, als u hem gehoorzaamt en de geboden die ik u vandaag voorhoud zorgvuldig naleeft; </VERS>
      <VERS vnumber="6">dan zal de HEER, uw God, u zeker zegenen, zoals hij beloofd heeft. U zult aan veel volken leningen verstrekken, maar zelf hoeft u niet te lenen. U zult over veel volken macht uitoefenen, maar zij niet over u. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Zou er in een van de steden in het land dat de HEER, uw God, u zal geven toch iemand uit uw eigen volk gebrek lijden, dan mag dat u niet koud laten. U mag uw hand niet op de zak houden, </VERS>
      <VERS vnumber="8">maar u moet diep in de buidel tasten en hem lenen zo veel als hij nodig heeft. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Wees niet zo berekenend om bij uzelf te denken: Het zevende jaar, het jaar van de kwijtschelding, komt eraan-waardoor u zich afsluit voor de ellende van uw volksgenoot en hem met lege handen laat gaan. Als hij dan de HEER zijn nood klaagt om wat u hem hebt aangedaan, zal het u als zonde worden aangerekend. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Geef hem dus ruimhartig en zonder spijt, en de HEER, uw God, zal u erom zegenen in alles wat u doet en onderneemt. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Armen zullen er altijd zijn bij u. Daarom druk ik u op het hart om vrijgevig te zijn tegenover iedereen in uw land die in armoede leeft of er slecht aan toe is. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Wanneer iemand uit uw volk, een Hebreeuwse man of vrouw, zich als slaaf of slavin aan u verkoopt, moet deze u zes jaar lang dienen; in het zevende jaar moet u hem of haar de vrijheid teruggeven. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Wanneer u dan de betreffende persoon in vrijheid laat vertrekken, mag u hem niet met lege handen laten gaan. </VERS>
      <VERS vnumber="14">U moet hem met gulle hand een deel geven van uw kudde, van uw graan en uw wijn, of van wat de HEER u ook maar heeft toebedeeld. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Bedenk dat u zelf slaaf bent geweest in Egypte totdat de HEER, uw God, u bevrijdde. Daarom geef ik u vandaag dit gebod. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Maar indien hij niet bij u weg wil, omdat hij het goed bij u heeft en aan u en uw familie gehecht is geraakt, </VERS>
      <VERS vnumber="17">moet u een priem door zijn oor in uw deur steken. Daarmee wordt hij voorgoed uw slaaf. En met een slavin moet u hetzelfde doen. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Laat het u niet hard vallen als u hen moet laten gaan, want zij hebben in zes jaar trouwe dienst hetzelfde gedaan als een dagloner, voor de helft van het geld. De HEER, uw God, zal u erom zegenen in alles wat u doet. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Elk eerstgeboren mannelijk dier dat uw koeien, geiten en schapen werpen, moet u aan de HEER, uw God, wijden. Zo’n eerstgeboren kalf mag u niet voor u laten werken en zo’n lam of bokje mag u niet scheren. </VERS>
      <VERS vnumber="20">U moet die eerstgeboren dieren elk jaar samen met uw familie eten ten overstaan van de HEER, uw God, op de plaats die hij uitkiest. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Maar als zo’n dier een gebrek heeft, als het kreupel of blind is of wat dan ook, dan mag u het niet ter ere van de HEER, uw God, slachten. </VERS>
      <VERS vnumber="22">In dat geval moet u het in uw eigen stad eten, net zoals iedereen, rein of onrein, gazellen of herten mag eten. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Onthoud u alleen wel van het bloed; laat het als water op de grond weglopen. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="16">
      <VERS vnumber="1">Ieder jaar in de maand abib moet u voor de HEER, uw God, het pesachoffer bereiden. Hij heeft u immers op een nacht in die maand uit Egypte weggeleid. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Voor het pesachoffer ter ere van de HEER moet u geiten, schapen of runderen slachten op de plaats die hij zal kiezen om er zijn naam te laten wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Bij dat vlees mag u geen gedesemd brood eten, maar alleen ongedesemd brood, gedurende zeven dagen. Het is het tranenbrood dat u, zolang u leeft, zal herinneren aan de dag waarop u wegtrok uit Egypte, aan dat overhaaste vertrek. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Zeven dagen lang mag er in het hele land bij u geen stukje zuurdesem te vinden zijn. En van het vlees dat de slacht van de eerste avond oplevert, mag niets tot de volgende dag bewaard worden. </VERS>
      <VERS vnumber="5">U mag de dieren voor het pesachoffer niet slachten in elk van de steden die de HEER, uw God, u zal geven, </VERS>
      <VERS vnumber="6">maar u moet dat op de ene plaats doen die hij zal uitkiezen om er zijn naam te laten wonen, en wel ‘s avonds, bij zonsondergang, het tijdstip waarop u uit Egypte vertrok. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Daar moet u het vlees bereiden en eten; de volgende morgen kunt u weer naar uw eigen woonplaats terugkeren. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Zes dagen lang moet u ongedesemd brood eten, en de zevende dag is er een feestelijke samenkomst voor de HEER, uw God; dan mag u niet werken. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Zeven weken moet u aftellen: zeven weken nadat de eerste sikkel in het koren is gezet </VERS>
      <VERS vnumber="10">moet u voor de HEER, uw God, het Wekenfeest vieren, zo uitbundig als uw vrijwillige gaven het toelaten, naar de mate waarin de HEER, uw God, u zegent. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Ten overstaan van hem moet u dan feestvieren, samen met uw zonen en dochters, uw slaven, uw slavinnen, de Levieten die bij u in de stad wonen, en de vreemdelingen, de weduwen en de wezen. Doe dat op de plaats die de HEER, uw God, zal kiezen om er zijn naam te laten wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Bedenk dat u zelf in Egypte slaaf bent geweest; houd u daarom zorgvuldig aan deze voorschriften. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Wanneer het graan is gedorst en de druiven zijn geperst, moet u gedurende zeven dagen het Loofhuttenfeest vieren. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Vier dan uitbundig feest, samen met uw zonen en dochters, uw slaven, uw slavinnen, en de Levieten, de vreemdelingen, de weduwen en de wezen die bij u in de stad wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Zeven dagen lang moet u voor de HEER, uw God, feestvieren op de plaats van zijn keuze. Hij zal immers al uw werk zegenen en u een rijke oogst geven. Vier daarom uitbundig feest. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Driemaal per jaar moeten alle mannen dus voor de HEER, uw God, verschijnen op de plaats die hij zal kiezen: voor het feest van het Ongedesemde brood, het Wekenfeest en het Loofhuttenfeest. Ze mogen daar niet met lege handen komen; </VERS>
      <VERS vnumber="17">ieder moet geven naar de mate waarin de HEER, uw God, hem heeft gezegend. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Stel in alle steden die de HEER, uw God, u in uw stamgebieden zal geven, rechters en griffiers aan, die zorg moeten dragen voor een zuivere rechtspraak. </VERS>
      <VERS vnumber="19">U mag de rechtsgang niet beïnvloeden en niet partijdig zijn. U mag geen steekpenningen aannemen, want steekpenningen maken het oog van de wijze blind en de stem van de rechtvaardige vals. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Zoek het recht en niets dan het recht. Dan zult u in leven blijven en mag u het land dat de HEER, uw God, u zal geven, in bezit nemen. </VERS>
      <VERS vnumber="21">U mag naast het altaar dat u voor de HEER, uw God, gaat bouwen geen Asjerapaal of wat voor gewijde paal ook plaatsen, </VERS>
      <VERS vnumber="22">en ook geen gewijde steen, want de HEER heeft daarvan een afschuw. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="17">
      <VERS vnumber="1">Ook mag u hem geen rund, schaap of geit met een of ander gebrek offeren, want ook daarvan heeft hij een afschuw. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Wanneer zich in een van de steden die de HEER, uw God, u zal geven, iemand bevindt, man of vrouw, die doet wat slecht is in de ogen van de HEER door de regels van het verbond te overtreden, </VERS>
      <VERS vnumber="3">door andere goden te vereren, de zon, de maan of de sterren, en daarvoor neer te knielen, hoewel ik dat verboden heb, </VERS>
      <VERS vnumber="4">en het komt u ter ore, dan moet u zorgvuldig navraag doen. Als blijkt dat het waar is, als onomstotelijk vaststaat dat deze gruwelijke dingen onder het volk van Israël hebben plaatsgevonden, </VERS>
      <VERS vnumber="5">dan moet u de man of vrouw die zich zo misdragen heeft de stad uit brengen en buiten de poort stenigen tot de dood erop volgt. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Het doodvonnis mag alleen op grond van de verklaring van ten minste twee getuigen worden voltrokken, één getuigenverklaring is onvoldoende. </VERS>
      <VERS vnumber="7">De getuigen moeten, samen met de rest van het volk, de dader stenigen tot de dood erop volgt, en zelf moeten zij de eerste steen werpen. Zo moet u het kwaad dat zich bij u aandient in de kiem smoren. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Met betrekking tot moord of doodslag, rechtsvordering en geweldpleging kunnen zich in uw steden rechtszaken voordoen waarin het te moeilijk is om vonnis te wijzen. In dergelijke gevallen moet u naar de plaats gaan die de HEER, uw God, zal uitkiezen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Daar raadpleegt u de Levitische priesters en de rechter die daar op dat moment zetelt, en zij zullen uitspraak doen. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Doe precies wat zij u voorschrijven en volg de aanwijzingen die u van hen krijgt nauwkeurig op. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Houd u aan de uitleg die zij u geven en aan het vonnis dat ze uitspreken. Probeer in geen enkel opzicht te schikken en te plooien. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Degene die de euvele moed heeft om de woorden van de rechter of van de priester die daar voor de HEER, uw God, dienst doet in de wind te slaan, moet ter dood gebracht worden. Zo moet u het kwaad dat zich bij de Israëlieten aandient in de kiem smoren. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Het hele volk moet daardoor worden afgeschrikt, zodat ze zoiets geen tweede keer wagen. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Wanneer u in het land gekomen bent dat de HEER, uw God, u zal geven en u het in bezit hebt genomen en er woont, zegt u misschien: ‘Laten we een koning aanstellen, net zoals de volken om ons heen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="15">Dat is geoorloofd: u mag uit uw midden iemand die door de HEER, uw God, zal worden uitgekozen, als koning aanstellen. Maar het mag niet iemand uit een ander land of van een ander volk zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Hij mag geen paarden gaan houden, want hij zou zijn volksgenoten naar Egypte kunnen terugsturen om voor uitbreiding van zijn stallen te zorgen, in strijd met de waarschuwing van de HEER dat we nooit meer die weg terug mogen gaan. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Evenmin is het de koning toegestaan er veel vrouwen op na te houden, want dat zou hem tot afgodendienst kunnen verleiden. En verder mag hij ook geen zilver en goud ophopen. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Als de koning eenmaal over zijn rijk heerst moet hij een afschrift van dit wetboek laten maken, naar de tekst die bij de Levitische priesters berust. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Hij moet het onder handbereik hebben en erin lezen zolang hij leeft. Zo leert hij ontzag te hebben voor de HEER, zijn God, en alle wetten uit dit boek in acht te nemen. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Dan zal hij zich niet inbeelden dat hij meer is dan anderen en in enig opzicht boven de wet staat, en zal zijn koningschap over Israël bestendigd worden en op zijn zonen overgaan. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="18">
      <VERS vnumber="1">De Levitische priesters, ofwel de hele stam Levi, zullen geen eigen grond bezitten zoals de andere Israëlieten. Zij mogen de offergaven eten die de HEER toekomen, </VERS>
      <VERS vnumber="2">maar eigen grond zoals de anderen hebben ze niet; zij mogen immers bestaan van de dienst aan de HEER, zoals hij hun heeft beloofd. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Van de gaven van het volk komt de priesters het volgende deel toe: van het offerdier-of het nu om een rund, een schaap of een geit gaat-moeten de schouder, de wangen en de lebmaag aan de priester worden afgestaan. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Ook het eerste en beste deel van uw koren, wijn en olie en van de wol van uw schapen en geiten moet u hem geven. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Want uit uw midden heeft de HEER, uw God, de Levieten gekozen om hem voor altijd als priester te dienen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Als iemand die als Leviet ergens in het land van Israël woont zich aandient in de plaats die de HEER zal uitkiezen, dan is hij welkom. Hij mag zich wanneer het maar bij hem opkomt naar die plaats begeven </VERS>
      <VERS vnumber="7">en daar deelnemen aan de dienst voor de HEER, zijn God, net als zijn Levitische broeders die er al dienst doen. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Hij moet dan eenzelfde aandeel als zij ontvangen, ongeacht de waarde van de bezittingen die hij geërfd heeft. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Wanneer u in het land komt dat de HEER, uw God, u geven zal, mag u de verfoeilijke praktijken van de volken daar niet navolgen. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Er mag bij u geen plaats zijn voor mensen die hun zoon of dochter als offer verbranden, en evenmin voor waarzeggers, wolkenschouwers, wichelaars, tovenaars, </VERS>
      <VERS vnumber="11">bezweerders, en voor hen die geesten raadplegen of doden oproepen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Want de HEER verafschuwt mensen die zulke dingen doen, en om die verfoeilijke praktijken verdrijft hij deze volken voor u. </VERS>
      <VERS vnumber="13">U moet volledig op de HEER, uw God, gericht zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Ook al luisteren de volken in het land dat u in bezit zult nemen wel naar wolkenschouwers en waarzeggers, ú heeft de HEER, uw God, dat verboden. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Hij zal in uw midden profeten laten opstaan, profeten zoals ik. Naar hen moet u luisteren. </VERS>
      <VERS vnumber="16">U hebt de HEER daar immers zelf om gevraagd, toen u bij de Horeb bijeen was? U zei: ‘Wij kunnen het stemgeluid van de HEER, onze God, en de aanblik van dit enorme vuur niet langer verdragen; dat overleven we niet.’ </VERS>
      <VERS vnumber="17">De HEER heeft toen tegen mij gezegd: ‘Zij hebben goed gesproken. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Ik zal in hun midden profeten laten opstaan zoals jij. Ik zal hun mijn woorden ingeven, en zij zullen het volk alles overbrengen wat ik hun opdraag. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Wie niet wil luisteren naar de woorden die zij in mijn naam spreken, zal ik ter verantwoording roepen. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Maar als een profeet de euvele moed heeft om in mijn naam iets te zeggen dat ik hem niet heb opgedragen, of om in de naam van andere goden te spreken, dan moet hij ter dood gebracht worden.’ </VERS>
      <VERS vnumber="21">Misschien vraagt u zich af: Is er een manier om te bepalen of een profetie al dan niet van de HEER komt? </VERS>
      <VERS vnumber="22">Die is er inderdaad: als een profeet zegt te spreken in de naam van de HEER, maar zijn woorden komen niet uit en er gebeurt niets, dan is dat geen profetie van de HEER geweest. Heb geen ontzag voor een profeet die zich dat aanmatigt. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="19">
      <VERS vnumber="1">Wanneer de HEER, uw God, de volken in het land dat hij u zal geven heeft uitgeroeid, en u hun land in bezit hebt genomen en in hun steden en hun huizen bent gaan wonen, </VERS>
      <VERS vnumber="2">dan moet u in dat land drie steden aanwijzen als vrijplaats. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Stel de afmetingen vast van het gehele gebied dat u van de HEER, uw God, krijgt, en verdeel het land in drieën, zodat iedereen die iemand heeft gedood een plaats heeft waarheen hij kan uitwijken. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Het recht om daarheen te vluchten en zo het eigen leven te redden is voorbehouden aan degene die per ongeluk iemand heeft gedood, zonder hem ooit te hebben gehaat. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Iemand die bijvoorbeeld samen met een ander hout gaat hakken in het bos en zijn bijl zwaait om een boom te vellen, waarbij het blad van de steel schiet en de ander dodelijk treft, kan zijn leven redden als hij naar een van die steden kan uitwijken. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Op die manier wordt voorkomen dat hij, omdat de afstand naar de vrijplaats te groot is, wordt ingehaald en gedood door de bloedwreker die hem belust op wraak achtervolgt; zo’n wraakneming zou ook niet terecht zijn, want hij had zijn slachtoffer nooit gehaat. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Daarom draag ik u op drie steden aan te wijzen. </VERS>
      <VERS vnumber="8">En wanneer de HEER, uw God, uw grondgebied uitbreidt, zoals hij uw voorouders onder ede heeft beloofd, en u heel het land geeft dat hij hun heeft toegezegd- </VERS>
      <VERS vnumber="9">als u tenminste alle geboden die ik u vandaag geef strikt naleeft, de HEER, uw God, liefhebt en altijd de weg volgt die hij wijst-, dan moet u nog drie andere steden aanwijzen. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Dan hoeft er in het land dat de HEER u toekent geen onschuldig bloed te vloeien, en laadt u geen schuld op u. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Als echter iemand een ander uit haat en met voorbedachten rade doodt, en dan naar een van die steden uitwijkt, </VERS>
      <VERS vnumber="12">moeten de oudsten van zijn stad hem daar laten ophalen en hem aan de bloedwreker uitleveren. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Wees daarin onverbiddelijk. Zo bevrijdt u zich van de bloedschuld die op Israël rust, en u zult er wél bij varen. </VERS>
      <VERS vnumber="14">U mag in het gebied dat de HEER, uw God, u toewijst in het land dat hij u in bezit geeft, de stenen die al generaties lang andermans grond begrenzen niet verplaatsen. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Eén enkel getuigenis dat iemand een overtreding heeft begaan of een misdrijf of wat dan ook, is niet geldig. Een aanklacht krijgt pas rechtsgeldigheid op grond van de verklaring van ten minste twee getuigen. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Als een getuige tracht een ander ten val te brengen door een leugenachtige verklaring over hem af te leggen, </VERS>
      <VERS vnumber="17">dan moeten de twee partijen in het geding samen voor de HEER verschijnen, voor de priesters en de rechters die op dat moment in functie zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="18">De rechters moeten de zaak zorgvuldig onderzoeken. Als blijkt dat de getuige heeft gelogen en een vals getuigenis heeft afgelegd, </VERS>
      <VERS vnumber="19">dan moet u hem de straf opleggen die hij de ander had toebedacht. Zo moet u het kwaad dat zich bij u aandient in de kiem smoren. </VERS>
      <VERS vnumber="20">De anderen moeten daardoor worden afgeschrikt, zodat dergelijke wandaden zich niet herhalen. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Heb geen medelijden en eis een leven voor een leven, een oog voor een oog, een tand voor een tand, een hand voor een hand, een voet voor een voet. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="20">
      <VERS vnumber="1">Als u ten strijde trekt tegen de vijand en u stuit op een overmacht, met paarden en strijdwagens, wees dan niet bang, want de HEER, uw God, die u uit Egypte heeft weggeleid, staat u bij. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Voor het tot een treffen komt, moet de priester naar voren treden en het krijgsvolk zo toespreken: </VERS>
      <VERS vnumber="3">‘Luister, Israël. Vandaag bindt u de strijd aan met de vijand. Wees sterk en moedig, laat u niet afschrikken en wees niet bang voor hem: </VERS>
      <VERS vnumber="4">de HEER, uw God, gaat met u mee, hij is het die de strijd voor u voert tegen de vijand; hij schenkt u de overwinning.’ </VERS>
      <VERS vnumber="5">Daarna krijgen de schrijvers het woord: ‘Wie net een huis heeft gebouwd en het nog niet in gebruik heeft kunnen nemen, mag naar huis terugkeren; anders neemt een ander het in gebruik als hij in de strijd sneuvelt. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Wie een wijngaard heeft geplant en nog niet zelf de eerste druiven heeft kunnen plukken, mag naar huis terugkeren; anders plukt een ander die als hij in de strijd sneuvelt. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Ook wie een bruid heeft maar haar nog niet heeft kunnen huwen, mag naar huis terugkeren; anders huwt een ander haar als hij in de strijd sneuvelt.’ </VERS>
      <VERS vnumber="8">Verder moeten ze tegen het krijgsvolk zeggen: ‘Wie bang is, wie het aan moed ontbreekt, mag naar huis terugkeren; anders verliezen de anderen misschien ook de moed.’ </VERS>
      <VERS vnumber="9">Als al deze dingen gezegd zijn, moeten ze officieren over de manschappen aanstellen. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Voordat u een stad aanvalt, moet u eerst een vredesregeling aanbieden. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Als men op het voorstel ingaat en de poorten voor u opent, moeten alle inwoners van de stad tot herendienst worden gedwongen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Als ze echter geen vrede willen sluiten en liever de strijd met u aangaan, </VERS>
      <VERS vnumber="13">en de HEER, uw God, u de belegerde stad in handen geeft, moet u alle mannelijke inwoners ter dood brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Maar de vrouwen en kinderen en het vee en alles wat er aan goederen in de stad is mag u buitmaken. U mag van de buit eten wat u wilt, want u krijgt het van de HEER, uw God. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Zo moet u te werk gaan bij de steden die op grote afstand van u liggen, buiten het gebied dat u nu gaat veroveren. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Maar daarbinnen, in de steden van het land dat de HEER, uw God, u als grondgebied zal geven, mag u geen mens in leven laten. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Alle Hethieten, Amorieten, Kanaänieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten moet u doden, zoals de HEER, uw God, u heeft opgedragen, </VERS>
      <VERS vnumber="18">om te voorkomen dat u de gruwelijke dingen die zij voor hun goden doen van hen overneemt, waardoor u tegen de HEER, uw God, zou zondigen. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Als u een stad langdurig moet belegeren, mag u haar boomgaarden niet vernietigen. Laat de bijl rusten en laat de bomen staan, want u moet er zelf van eten, en bovendien: is een boom soms een mens, dat u tegen hem moet strijden? </VERS>
      <VERS vnumber="20">Alleen de bomen waarvan u weet dat ze geen vruchten geven, mag u vernietigen of omhakken om ze te gebruiken voor de belegering van de stad waarmee u in oorlog bent. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="21">
      <VERS vnumber="1">Als in het land dat de HEER, uw God, u in bezit zal geven, ergens in het open veld het lichaam wordt gevonden van iemand die vermoord is en de dader is niet te achterhalen, </VERS>
      <VERS vnumber="2">dan moeten uw oudsten en rechters de afstand tussen het lijk en de steden in de directe omgeving meten. </VERS>
      <VERS vnumber="3">De oudsten van de dichtstbijgelegen stad moeten een jonge koe, waarmee nog niet gewerkt is en die geen juk gedragen heeft, </VERS>
      <VERS vnumber="4">meevoeren naar een beek die nooit droog komt te staan en waarvan de oevers niet bewerkt of ingezaaid worden. Daar moeten ze het dier de nek breken. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Daarna moeten de Levitische priesters, die door de HEER, uw God, zijn uitgekozen om hem te dienen en in zijn naam de zegen uit te spreken, naar voren treden. Zij zijn het immers die bij geschillen en in geval van geweldpleging uitspraak doen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">De oudsten van de stad het dichtst bij het lijk moeten dan boven de dode koe hun handen wassen, </VERS>
      <VERS vnumber="7">onder het uitspreken van de volgende woorden: ‘Onze handen hebben dit bloed niet vergoten, onze ogen hebben het niet gezien. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Ach HEER, houd Israël, het volk dat u bevrijd hebt, niet verantwoordelijk voor deze moord, en reken het ons niet aan dat er onder uw volk een onschuldige is gedood.’ Dan zal die moord hun niet worden aangerekend. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Zo bevrijdt u zich van de bloedschuld. Daarmee doet u wat goed is in de ogen van de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Als u ten strijde trekt tegen de vijand, en de HEER, uw God, levert hem aan u uit, </VERS>
      <VERS vnumber="11">(11-12) en u ziet onder de mensen die u krijgsgevangen maakt een mooi meisje dat bij u in de smaak valt en dat u tot uw vrouw wilt maken, en u neemt haar mee naar huis, dan moet zij haar hoofd kaalscheren, haar nagels knippen </VERS>
      <VERS vnumber="13">en de kleren die ze als krijgsgevangene droeg afleggen. Gedurende een maand mag ze in uw huis om haar vader en haar moeder treuren. Daarna mag u met haar slapen en kan ze uw vrouw worden. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Als u haar op een gegeven moment niet meer wilt, moet u haar laten gaan waarheen ze wil. U mag haar niet verkopen en haar evenmin als een slavin behandelen, want u hebt haar al haar eer ontnomen. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Als iemand twee vrouwen heeft, van wie hij de een meer liefheeft dan de ander, en beiden baren hem een zoon, de minst geliefde vrouw het eerst, </VERS>
      <VERS vnumber="16">dan mag hij, wanneer hij zijn bezit aan zijn zonen vermaakt, de zoon van de vrouw die hij liefheeft niet bevoordelen ten koste van de zoon van de minst geliefde vrouw, die het eerst geboren is. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Hij moet de zoon van de minst geliefde vrouw als eerstgeborene erkennen, en hem dus een dubbel deel van zijn bezittingen geven. Deze zoon is immers de eerste vrucht van zijn mannelijkheid, daarom heeft hij het eerstgeboorterecht. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Als ouders een opstandige, onhandelbare zoon hebben, die niet naar hen luistert en ook na hardhandige bestraffing nog niet wil gehoorzamen, </VERS>
      <VERS vnumber="19">dan moeten zijn vader en zijn moeder hem meevoeren naar de stadspoort en hem aan de oudsten voorgeleiden. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Ze moeten tegenover de stadsoudsten verklaren: ‘Onze zoon is opstandig en onhandelbaar. Hij wil niet naar ons luisteren. Hij is een losbol en hij drinkt te veel.’ </VERS>
      <VERS vnumber="21">De inwoners van de stad moeten hem dan stenigen tot de dood erop volgt. Zo moet u het kwaad dat zich bij u aandient in de kiem smoren. Het hele volk van Israël moet erdoor worden afgeschrikt. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Als iemand een misdrijf heeft gepleegd waarop de doodstraf staat, en u hangt hem na voltrekking van het vonnis op aan een paal, </VERS>
      <VERS vnumber="23">dan moet u zijn lijk voor het einde van de dag begraven en het daar niet ‘s nachts nog laten hangen; anders maakt u het land dat de HEER, uw God, u als grondgebied geeft onrein. Want op een gehangene rust Gods vloek. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="22">
      <VERS vnumber="1">Als u een verdwaald rund of schaap van een ander aantreft, moet u daar niet uw schouders over ophalen, maar het hem meteen terugbezorgen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Woont de eigenaar ver weg of is hij u onbekend, dan moet u het dier onder uw hoede nemen totdat hij het komt halen; geef het dan aan hem terug. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Op dezelfde wijze moet u handelen met de ezel of met een kledingstuk van een ander, of met wat iemand ook maar kwijtgeraakt is; als u iets vindt, moet u daar niet uw schouders over ophalen. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Als u ziet dat een ezel of rund van een ander op straat onder zijn last bezwijkt, mag u niet werkeloos toezien. Help hem het dier weer op de been te krijgen. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Een vrouw mag geen kleren en attributen van een man dragen en een man mag geen vrouwenkleren dragen. Want de HEER verafschuwt ieder die zulke dingen doet. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Als u onderweg toevallig een vogelnest vindt in een boom of op de grond, een nest waarin een vogel op haar jongen of haar eieren zit, dan moet u het moederdier zelf ontzien als u het nest mocht uithalen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">De jongen mag u meenemen, maar de moeder moet u in elk geval laten gaan. U zult er wél bij varen, een lang leven zal u beschoren zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Als u een huis bouwt, moet u het dak voorzien van een balustrade; anders bent u aansprakelijk wanneer iemand eraf valt. </VERS>
      <VERS vnumber="9">U mag uw wijngaard niet inzaaien met verschillende soorten zaad, want dan zou de hele oogst-dat wat u gezaaid hebt evenals de opbrengst van de wijngaard-niet door u gebruikt mogen worden. </VERS>
      <VERS vnumber="10">U mag een rund en een ezel niet samen voor de ploeg spannen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">U mag geen kleding dragen van tweeërlei weefsel, van wol en linnen samen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Aan de vier hoeken van het kleed dat u draagt moet u kwastjes maken. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Het volgende kan zich voordoen: Een man trouwt een vrouw, slaapt met haar en krijgt dan een afkeer van haar. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Hij begint haar vals te beschuldigen en leugens over haar rond te strooien: ‘Ik ben met deze vrouw getrouwd, maar tijdens de huwelijksnacht ontdekte ik dat ze geen maagd meer was.’ </VERS>
      <VERS vnumber="15">Laten haar vader en moeder dan met het bewijs van haar maagdelijkheid naar de oudsten in de stadspoort gaan. </VERS>
      <VERS vnumber="16">De vader van het meisje moet de oudsten vertellen: ‘Ik heb mijn dochter aan deze man ten huwelijk gegeven, maar hij heeft een afkeer van haar gekregen. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Nu beschuldigt hij haar er ten onrechte van dat ze geen maagd meer was. Maar hier is het kleed dat bewijst dat mijn dochter nog wel maagd was.’ En vervolgens moeten de ouders het kleed voor de stadsoudsten uitspreiden. </VERS>
      <VERS vnumber="18">De oudsten moeten die man hardhandig bestraffen </VERS>
      <VERS vnumber="19">en hem een boete van honderd sjekel zilver laten betalen aan de vader van het meisje, omdat hij twijfel heeft gezaaid over de maagdelijkheid van een Israëlitisch meisje. Verder zal hij haar als zijn vrouw moeten aanvaarden, en zolang hij leeft mag hij niet van haar scheiden. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Maar als het wél waar is en de maagdelijkheid van het meisje niet kan worden aangetoond, </VERS>
      <VERS vnumber="21">moet zij naar haar ouderlijk huis worden teruggebracht en daar voor de deur door de andere inwoners van de stad worden gestenigd tot de dood erop volgt. Want zij heeft onder het volk van Israël een schanddaad begaan door met iemand te slapen terwijl ze nog bij haar vader thuis woonde. Zo moet u het kwaad dat zich bij u aandient in de kiem smoren. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Als een man wordt betrapt met een getrouwde vrouw moeten beiden ter dood gebracht worden, zowel de man als de vrouw met wie hij geslapen heeft. Zo moet u het kwaad dat zich bij de Israëlieten aandient in de kiem smoren. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Als iemand in de stad een meisje ontmoet dat al uitgehuwelijkt is, en gemeenschap met haar heeft, </VERS>
      <VERS vnumber="24">dan moet u hen allebei mee de stad uit nemen en hen stenigen tot de dood erop volgt. Want het meisje heeft nagelaten om hulp te roepen, en de man heeft zich vergrepen aan de bruid van een ander. Zo moet u het kwaad dat zich bij u aandient in de kiem smoren. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Maar als het meisje in het open veld wordt belaagd en de man heeft dan gemeenschap met haar, dan verdient alleen de man de doodstraf </VERS>
      <VERS vnumber="26">en gaat het meisje vrijuit, want zij heeft niets gedaan waarvoor ze ter dood gebracht zou moeten worden. Het geval is vergelijkbaar met moord met voorbedachten rade: </VERS>
      <VERS vnumber="27">de man heeft het uitgehuwelijkte meisje belaagd in het open veld, waar niemand haar kon redden als ze om hulp zou roepen. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Als iemand betrapt wordt met een meisje, een maagd die nog vrij is, </VERS>
      <VERS vnumber="29">dan moet de man die zich aan het meisje heeft vergrepen vijftig sjekel zilver aan haar vader betalen. Bovendien moet hij met haar trouwen en zolang hij leeft mag hij niet van haar scheiden, omdat hij haar onteerd heeft. </VERS>
      <VERS vnumber="30">(23:1) Een man mag een vrouw die heeft toebehoord aan zijn vader niet huwen; anders schendt hij het bed van zijn vader. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="23">
      <VERS vnumber="1">(23:2) Mannen bij wie de zaadballen zijn geplet of het lid is afgesneden, mogen niet deelnemen aan de dienst van de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="2">(23:3) Ook bastaards en hun nakomelingen tot in het tiende geslacht zullen er nooit aan mogen deelnemen. </VERS>
      <VERS vnumber="3">(23:4) Hetzelfde geldt voor Ammonieten en Moabieten: nooit ofte nimmer zullen ze tot de dienst van de HEER worden toegelaten, </VERS>
      <VERS vnumber="4">(23:5) omdat ze u op uw tocht uit Egypte niet van voedsel en water hebben voorzien, en omdat ze Bileam, de zoon van Beor, uit Petor in Aram-Naharaïm hebben ingehuurd om u te vervloeken. </VERS>
      <VERS vnumber="5">(23:6) Maar omdat de HEER, uw God, u liefhad, heeft hij Bileam geen gehoor geschonken en de vervloeking in een zegening omgezet. </VERS>
      <VERS vnumber="6">(23:7) Draag dus, zolang u leeft, in geen enkel opzicht bij aan hun voorspoed en geluk. </VERS>
      <VERS vnumber="7">(23:8) Edomieten moet u echter met respect behandelen, want dat zijn uw broeders. Ook Egyptenaren moet u respectvol behandelen, want u hebt als vreemdeling in hun land gewoond. </VERS>
      <VERS vnumber="8">(23:9) En wat hun nageslacht betreft: vanaf de derde generatie kunnen ze worden toegelaten tot de dienst van de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="9">(23:10) Tijdens een veldtocht tegen de vijand moet u zich in acht nemen voor onbetamelijkheden. </VERS>
      <VERS vnumber="10">(23:11) Zo moet een man die ‘s nachts door een zaadlozing onrein is geworden het legerkamp uit gaan en buiten blijven. </VERS>
      <VERS vnumber="11">(23:12) Tegen het vallen van de avond moet hij zich baden; na zonsondergang mag hij dan het kamp weer binnenkomen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">(23:13) Verder moet er buiten het kamp een gelegenheid zijn waar u uw behoefte kunt doen. </VERS>
      <VERS vnumber="13">(23:14) U moet een tentpin bij uw uitrusting steken, die u kunt gebruiken om een gat te maken waar u boven hurkt, en om uw uitwerpselen te bedekken. </VERS>
      <VERS vnumber="14">(23:15) Want de HEER, uw God, is tijdens zo’n veldtocht in uw midden, om u te beschermen en u te laten zegevieren over uw vijand. Daarom moet u het kamp rein houden, opdat hij niets onbetamelijks bij u aantreft en hij zich niet van u afkeert. </VERS>
      <VERS vnumber="15">(23:16) U mag een slaaf die bij u zijn toevlucht zoekt, niet uitleveren aan zijn meester. </VERS>
      <VERS vnumber="16">(23:17) U moet hem opnemen en hem een plaats gunnen in de stad die hij uitkiest. U mag hem niet uitbuiten. </VERS>
      <VERS vnumber="17">(23:18) Geen enkel Israëlitisch meisje mag als hoer bij een tempel zitten en geen enkele Israëlitische jongen als schandknaap. </VERS>
      <VERS vnumber="18">(23:19) U mag in de tempel van de HEER, uw God, geen hoerenloon of schandegeld gebruiken voor het inlossen van een gelofte, want de HEER, uw God, heeft van beide een afschuw. </VERS>
      <VERS vnumber="19">(23:20) U mag geen rente vragen als u iets aan een volksgenoot leent, of het nu gaat om geld of voedsel of wat u ook maar tegen rente te leen kunt geven. </VERS>
      <VERS vnumber="20">(23:21) Van een buitenlander mag u wel rente heffen, maar niet van iemand uit uw eigen volk. Als u zich hieraan houdt zal de HEER, uw God, u zegenen in alles wat u onderneemt in het land dat u in bezit zult nemen. </VERS>
      <VERS vnumber="21">(23:22) Als u de HEER, uw God, een gelofte doet, los die dan ook spoedig in. Want hij zal zijn aanspraak zeker laten gelden, en dan wordt uw laksheid u als zonde aangerekend. </VERS>
      <VERS vnumber="22">(23:23) Als u echter helemaal geen gelofte doet, valt u niets aan te rekenen. </VERS>
      <VERS vnumber="23">(23:24) Maar als u uw woord gegeven hebt, moet u het nakomen; u hebt zelf, uit eigen vrije wil, de HEER, uw God, een gelofte gedaan. </VERS>
      <VERS vnumber="24">(23:25) Als u door andermans wijngaard loopt mag u zo veel druiven eten als u maar wilt, tot u genoeg hebt, maar u mag ze niet ergens in meenemen. </VERS>
      <VERS vnumber="25">(23:26) En wanneer u door andermans korenveld loopt mag u wel aren plukken met de hand, maar niet de sikkel in zijn koren slaan. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="24">
      <VERS vnumber="1">Het volgende kan zich voordoen: Iemand heeft een vrouw getrouwd, maar om een of andere reden is hij ontevreden over haar. Hij schrijft een scheidingsbrief, die hij bij haar vertrek aan haar meegeeft. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Ze gaat bij hem weg en wordt de vrouw van een ander. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Maar dan krijgt die tweede man een afkeer van haar, en ook hij schrijft een scheidingsbrief en geeft haar die bij haar vertrek mee; of de man die als tweede met haar is getrouwd, komt te overlijden. </VERS>
      <VERS vnumber="4">In zo’n geval mag de eerste man, die van haar gescheiden is, haar niet opnieuw tot vrouw nemen, nu zij voor hem onrein geworden is. Want de HEER verafschuwt zulke dingen. Wanneer u zoiets doet, werpt u een smet op het land dat de HEER, uw God, u in eigendom zal geven. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Als een man pas een vrouw heeft getrouwd, hoeft hij niet onder de wapens te gaan of enige dienst in het leger te verrichten. Hij is een jaar lang vrijgesteld en mag thuisblijven om zijn vrouw gelukkig te maken. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Het is verboden een handmolen of een maalsteen in pand te nemen, want daarmee neemt u iemands leven in pand. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Als wordt ontdekt dat iemand een van zijn volksgenoten, een Israëliet, heeft ontvoerd en hem als slaaf behandelt of verkoopt, moet die mensendief ter dood gebracht worden. Zo moet u het kwaad dat zich bij u aandient in de kiem smoren. </VERS>
      <VERS vnumber="8">In geval van huidvraat dient u de aanwijzingen die u van de Levitische priesters krijgt nauwgezet op te volgen; houd u precies aan wat ik hun heb voorgeschreven. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Bedenk wat de HEER, uw God, tijdens uw tocht uit Egypte met Mirjam heeft gedaan. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Wanneer u iemand het een of ander leent, mag u niet zijn huis binnengaan om het onderpand op te halen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">U moet buiten wachten tot degene aan wie u de lening geeft met het onderpand naar buiten komt. </VERS>
      <VERS vnumber="12">En als hij zo arm is dat hij zijn overkleed moet afstaan, mag u zich daar niet ‘s nachts mee toedekken. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Voor zonsondergang moet u hem zijn onderpand terugbrengen, zodat hij onder zijn eigen overkleed kan slapen. Hij zal u dan de zegen van de HEER, uw God, toewensen, en de HEER zal het u ten goede aanrekenen. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Een dagloner, die het al moeilijk genoeg heeft, mag u niet uitbuiten, of het nu iemand van uw eigen volk betreft of een vreemdeling die in een van uw steden woont. </VERS>
      <VERS vnumber="15">U moet hem nog dezelfde dag, voor zonsondergang, uitbetalen; want hij is arm en het gaat hem juist om dat loon. Anders zal hij de HEER zijn nood klagen, en dan zal u wat u hem hebt aangedaan als zonde worden aangerekend. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Ouders mogen niet ter dood gebracht worden om wat hun kinderen hebben misdaan, en kinderen niet om de misdaden van hun ouders; alleen om wat iemand zelf misdaan heeft, mag hij ter dood gebracht worden. </VERS>
      <VERS vnumber="17">U moet de rechten van vreemdelingen en wezen eerbiedigen; van weduwen mag u het overkleed niet in pand nemen. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Bedenk dat u zelf slaaf bent geweest in Egypte totdat de HEER, uw God, u heeft bevrijd. Daarom gebied ik u zo te handelen. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Wanneer u bij de graanoogst op de akker een schoof vergeet, mag u niet teruggaan om die op te halen. Laat hem achter voor de vreemdelingen, weduwen en wezen. De HEER, uw God, zal u erom zegenen in alles wat u onderneemt. </VERS>
      <VERS vnumber="20">En wanneer u bij de olijvenoogst tegen de takken slaat, mag u achteraf niet nagaan of u wel alles hebt. De rest is voor de vreemdelingen, weduwen en wezen. </VERS>
      <VERS vnumber="21">En wanneer u bij de wijnoogst druiven plukt, mag u niet alles nog eens nalopen. De rest is voor de vreemdelingen, weduwen en wezen. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Bedenk dat u zelf slaaf bent geweest in Egypte. Daarom gebied ik u zo te handelen. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="25">
      <VERS vnumber="1">Wanneer twee mannen een geschil hebben en ermee naar de rechter gaan, en in het vonnis wordt de een vrijgesproken en de ander veroordeeld, </VERS>
      <VERS vnumber="2">dan moet de rechter de schuldige, als die tot stokslagen veroordeeld is, op de grond laten neerleggen en hem in zijn bijzijn het aantal slagen laten toedienen dat past bij het misdrijf. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Ten hoogste veertig stokslagen mogen hem gegeven worden, niet meer. Anders wordt er geen maat gehouden, en zou een volksgenoot voor uw ogen zijn eer verliezen. </VERS>
      <VERS vnumber="4">U mag een rund bij het dorsen niet muilkorven. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Wanneer twee broers bij elkaar wonen en een van hen sterft zonder dat hij een zoon heeft, dan mag zijn weduwe niet de vrouw worden van iemand buiten de familie. Haar zwager moet met haar slapen; hij moet haar tot vrouw nemen en de zwagerplicht tegenover haar vervullen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">De eerste zoon die zij baart geldt dan als zoon van zijn gestorven broer, opdat diens naam onder het volk van Israël zal voortleven. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Maar als de man weigert met zijn schoonzuster te trouwen, dan moet zij naar de stadsoudsten in de poort gaan en zeggen: ‘Mijn zwager wil geen nageslacht voor zijn broer verwekken. Hij weigert zijn zwagerplicht tegenover mij te vervullen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="8">Dan moeten de stadsoudsten hem erop aanspreken. Als hij blijft bij zijn weigering om met zijn schoonzuster te trouwen, </VERS>
      <VERS vnumber="9">moet zij ten overstaan van de oudsten op hem afgaan, hem zijn sandaal uittrekken en hem in zijn gezicht spugen, waarbij ze hem toevoegt: ‘Zo vergaat het de man die zijn broer nageslacht onthoudt.’ </VERS>
      <VERS vnumber="10">En bij de Israëlieten zal zijn familie bekendstaan als de familie Zonder Schoen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Als twee mannen aan het vechten zijn en de vrouw van een van hen mengt zich erin om haar man te helpen en grijpt de ander bij zijn schaamdelen, </VERS>
      <VERS vnumber="12">dan moet zonder pardon haar hand worden afgehakt. </VERS>
      <VERS vnumber="13">U mag niet twee verschillende gewichten, waarvan er één te zwaar of te licht is, in uw buidel hebben. </VERS>
      <VERS vnumber="14">En u mag ook niet twee verschillende maatkannen, waarvan er één te groot of te klein is, in huis hebben. </VERS>
      <VERS vnumber="15">U moet het doen met één gewicht en één maatkan die zuiver en geijkt zijn. Dan wordt u gezegend met een lang leven in het land dat de HEER, uw God, u geven zal. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Want de HEER heeft een afschuw van iedereen die oneerlijk zaken doet. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Vergeet niet wat de Amalekieten u hebben aangedaan tijdens uw tocht uit Egypte. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Toen u uitgehongerd en uitgeput was hebben ze gewetenloos, zonder enig ontzag voor God, de achterhoede overvallen, waar de zwaksten zich bevonden. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Vergeet het niet! En wanneer straks de HEER, uw God, u vrede heeft gegeven in het land dat u als grondgebied van hem krijgt, door u te verlossen van de vijanden die u omringen, zorg er dan voor dat niets op aarde nog aan het volk van Amalek herinnert. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="26">
      <VERS vnumber="1">Straks zult u het land binnengaan dat de HEER, uw God, u als grondgebied zal geven. U zult het in bezit nemen en er gaan wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">U zult er de oogst kunnen binnenhalen. Als u daarvan dan het eerste en beste deel in een mand meeneemt naar de plaats die de HEER, uw God, zal uitkiezen om er zijn naam te laten wonen, </VERS>
      <VERS vnumber="3">en u verschijnt er voor de priester die daar op dat moment dienst doet, zeg dan het volgende tegen hem: ‘Hiermee verklaar ik voor de HEER, uw God, dat ik het land waarvan de HEER onze voorouders onder ede heeft beloofd dat hij het ons zou geven, ben binnengegaan.’ </VERS>
      <VERS vnumber="4">Als de priester de mand in ontvangst heeft genomen en die voor het altaar van de HEER, uw God, heeft neergezet, </VERS>
      <VERS vnumber="5">moet u het volgende voor de HEER belijden: ‘Mijn vader was een zwervende Arameeër. Hij trok naar Egypte en woonde daar als vreemdeling met een handvol mensen, maar ze groeiden uit tot een zeer groot en machtig volk. </VERS>
      <VERS vnumber="6">De Egyptenaren begonnen ons slecht te behandelen: ze onderdrukten ons en dwongen ons tot slavenarbeid. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Toen klaagden we de HEER, de God van onze voorouders, onze nood. Hij hoorde ons hulpgeroep en zag ons ellendig slavenbestaan. </VERS>
      <VERS vnumber="8">En de HEER bevrijdde ons uit Egypte, met sterke hand en opgeheven arm, op angstaanjagende wijze, met tekenen en wonderen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Hij bracht ons hierheen en gaf ons dit land, dat overvloeit van melk en honing. </VERS>
      <VERS vnumber="10">HEER, hierbij breng ik u de eerste opbrengst van het land dat u me gegeven hebt.’ Bied de HEER, uw God, zo uw gaven aan en kniel voor hem neer. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Daarna mag u, samen met de Levieten en de vreemdelingen die bij u wonen, een feestmaal houden met al het goede dat u en uw familie van hem hebben ontvangen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Als u in het derde jaar, het jaar van de tienden, het tiende deel van de opbrengst hebt afgestaan aan de Levieten, de vreemdelingen, de weduwen en de wezen, zodat zij bij u in de stad voldoende te eten hebben, </VERS>
      <VERS vnumber="13">dan moet u tegenover de HEER, uw God, verklaren: ‘Ik heb niets van de gaven die de HEER toekomen achtergehouden. Ik heb alles aan de Levieten, vreemdelingen, weduwen en wezen gegeven, geheel overeenkomstig de geboden die u mij hebt opgelegd. Ik heb geen enkel gebod overtreden en ben in niets nalatig geweest. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Ik heb niet van deze gaven gegeten in een tijd dat ik in de rouw was, ik heb er niets van afgedragen terwijl ik onrein was, en ik heb er niets van aan een dode meegegeven. Ik ben de HEER, mijn God, gehoorzaam geweest en heb me gehouden aan alles wat hij me geboden heeft. </VERS>
      <VERS vnumber="15">HEER, zie vanuit uw heilige woning in de hemel neer en schenk uw volk Israël en het land dat u ons hebt gegeven uw zegen, zoals u onze voorouders hebt gezworen; zegen dit land van melk en honing.’ </VERS>
      <VERS vnumber="16">Vandaag draagt de HEER, uw God, u op om u aan deze wetten en regels te houden. Neem ze zorgvuldig in acht en leef ze met hart en ziel na. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Vandaag hebt u de HEER verzekerd dat hij uw God zal zijn, dat u de weg zult volgen die hij u wijst, en dat u zijn wetten, geboden en regels zult naleven en hem gehoorzaam zult zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Vandaag heeft de HEER u verzekerd dat u, zoals hij u heeft beloofd, zijn volk zult zijn, zijn kostbaar bezit. U moet al zijn geboden naleven. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Hij zal u hoog verheffen boven alle volken die hij geschapen heeft. U zult lof oogsten en met roem overladen worden. U zult het volk zijn dat aan de HEER, uw God, is gewijd, zoals hij heeft beloofd. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="27">
      <VERS vnumber="1">Mozes droeg, samen met de oudsten van Israël, het volgende aan het volk op: ‘Leef alle geboden na die ik u vandaag gegeven heb. </VERS>
      <VERS vnumber="2">En op de dag dat u de Jordaan oversteekt om het land binnen te gaan dat de HEER, uw God, u zal geven, moet u daar aan de overkant grote stenen oprichten. Nadat u daarop een kalklaag hebt aangebracht, </VERS>
      <VERS vnumber="3">moet u de wetten waarin ik u onderwezen heb erop schrijven. Dan mag u het land van melk en honing, dat de HEER, de God van uw voorouders, u heeft beloofd, binnentrekken. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Plaats, zodra u de Jordaan bent overgestoken, de stenen op de Ebal, zoals ik u nu voorschrijf, en voorzie ze van een kalklaag. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Bouw daar bovendien een altaar voor de HEER, uw God, van stenen die niet met ijzeren gereedschap bewerkt zijn, </VERS>
      <VERS vnumber="6">en breng hem brandoffers op het uit ruwe steen opgetrokken altaar. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Breng er vredeoffers en houd een feestmaal ten overstaan van de HEER, uw God. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Schrijf alle bepalingen van deze wet heel duidelijk op die stenen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="9">Omringd door de Levitische priesters zei Mozes tegen heel Israël: ‘Wees stil en luister, Israël. Vandaag bent u het volk van de HEER, uw God, geworden. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Wees hem daarom gehoorzaam en leef zijn geboden en wetten na, zoals ik ze u nu heb voorgehouden.’ </VERS>
      <VERS vnumber="11">Daarna gaf Mozes het volk deze aanwijzingen: </VERS>
      <VERS vnumber="12">‘Wanneer u de Jordaan bent overgestoken, moeten de stammen Simeon, Levi, Juda, Issachar, Jozef en Benjamin zich op de Gerizim opstellen en daar de zegen uitspreken. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Op de Ebal moeten zich de stammen Ruben, Gad, Aser, Zebulon, Dan en Naftali opstellen om de vloek uit te spreken. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Verder moeten de Levitische priesters alle Israëlieten luid en duidelijk het volgende toeroepen: </VERS>
      <VERS vnumber="15">“Vervloekt is eenieder die een godenbeeld maakt en het op een geheime plaats bewaart; in de ogen van de HEER is het een gruwelijk maaksel van mensenhanden.” En heel het volk moet antwoorden: “Amen.” </VERS>
      <VERS vnumber="16">“Vervloekt is eenieder die geen eerbied heeft voor zijn vader en moeder.” Dan antwoordt heel het volk: “Amen.” </VERS>
      <VERS vnumber="17">“Vervloekt is eenieder die de grensstenen van een ander verplaatst.” Dan antwoordt heel het volk: “Amen.” </VERS>
      <VERS vnumber="18">“Vervloekt is eenieder die een blinde de verkeerde richting wijst.” Dan antwoordt heel het volk: “Amen.” </VERS>
      <VERS vnumber="19">“Vervloekt is eenieder die de rechten van vreemdelingen, weduwen en wezen schendt.” Dan antwoordt heel het volk: “Amen.” </VERS>
      <VERS vnumber="20">“Vervloekt is eenieder die het bed van zijn vader schendt door gemeenschap te hebben met een vrouw van zijn vader.” Dan antwoordt heel het volk: “Amen.” </VERS>
      <VERS vnumber="21">“Vervloekt is eenieder die gemeenschap heeft met een dier.” Dan antwoordt heel het volk: “Amen.” </VERS>
      <VERS vnumber="22">“Vervloekt is eenieder die gemeenschap heeft met zijn zuster of zijn halfzuster.” Dan antwoordt heel het volk: “Amen.” </VERS>
      <VERS vnumber="23">“Vervloekt is eenieder die gemeenschap heeft met zijn schoonmoeder.” Dan antwoordt heel het volk: “Amen.” </VERS>
      <VERS vnumber="24">“Vervloekt is eenieder die in het geheim een ander vermoordt.” Dan antwoordt heel het volk: “Amen.” </VERS>
      <VERS vnumber="25">“Vervloekt is eenieder die zich laat betalen om een onschuldige te vermoorden.” Dan antwoordt heel het volk: “Amen.” </VERS>
      <VERS vnumber="26">“Vervloekt is eenieder die zich niet houdt aan de bepalingen van deze wet.” Dan antwoordt heel het volk: “Amen.”’ </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="28">
      <VERS vnumber="1">Mozes sprak: ‘Als u de HEER, uw God, gehoorzaam bent en al zijn geboden, zoals ik ze u vandaag heb voorgehouden, zorgvuldig naleeft, zal hij u hoog boven alle andere volken op aarde verheffen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">En omdat u hem gehoorzaamt, zullen u deze zegeningen toevallen: </VERS>
      <VERS vnumber="3">Gezegend zult u zijn in de stad en gezegend op het land. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Gezegend is de vrucht van uw schoot, de vrucht van uw land en de vrucht van uw vee: de dracht van uw runderen, schapen en geiten. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Gezegend is de oogst die u binnenhaalt en het deeg dat u kneedt. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Gezegend zult u zijn in uw komen en uw gaan. </VERS>
      <VERS vnumber="7">De HEER zal u de overwinning schenken op alle vijanden die u aanvallen: als één man zullen ze op u afkomen, maar naar alle kanten stuiven ze uiteen. </VERS>
      <VERS vnumber="8">De HEER zal zijn zegen laten rusten op uw voorraadschuren en op alle arbeid die u verricht. Hij zal u zegenen in het land dat hij u geeft. </VERS>
      <VERS vnumber="9">De HEER zal zijn plechtige belofte gestand doen en u tot een volk maken dat aan hem is gewijd; u leeft immers de geboden van de HEER, uw God, na en volgt de weg die hij wijst. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Alle andere volken zullen opmerken dat u de HEER toebehoort, en ze zullen hoog tegen u opzien. </VERS>
      <VERS vnumber="11">De HEER zal u ruim bedelen met kinderen en ook uw vee en uw akkers overvloedig zegenen, wanneer u straks het land bewoont dat de HEER u zal geven, zoals hij uw voorouders onder ede heeft beloofd. </VERS>
      <VERS vnumber="12">De HEER zal de rijk gevulde schatkamer van de hemel openen om uw akkers op de juiste tijd regen te geven. Hij zal uw arbeid op het land zo zegenen dat u aan veel volken leningen kunt verschaffen, zonder ooit zelf te hoeven lenen. </VERS>
      <VERS vnumber="13">De HEER zal u altijd de eerste plaats laten bekleden en nooit de laatste. U zult iedereen voorbijstreven en nooit achteropraken, als u de geboden van de HEER, uw God, gehoorzaamt en ze strikt naleeft. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Wijk dan ook op geen enkele manier van de geboden af zoals ik ze u vandaag heb voorgehouden, door achter andere goden aan te lopen en die te vereren. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Maar als u de HEER, uw God, niet gehoorzaamt en zijn geboden en wetten, zoals ik ze u vandaag heb voorgehouden, niet nauwkeurig naleeft, zullen deze vervloekingen u treffen: </VERS>
      <VERS vnumber="16">Vervloekt zult u zijn in de stad en vervloekt op het land. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Vervloekt is de oogst die u binnenhaalt en het deeg dat u kneedt. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Vervloekt is de vrucht van uw schoot, de vrucht van uw land en de dracht van uw runderen, schapen en geiten. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Vervloekt zult u zijn in uw komen en uw gaan. </VERS>
      <VERS vnumber="20">De HEER zal aan alle arbeid die u verricht een vloek laten kleven; hij sticht verwarring en vijandschap. Omdat u zich slecht hebt gedragen en zich van hem hebt afgekeerd, zult u spoedig ten onder gaan. </VERS>
      <VERS vnumber="21">De HEER zal u met de pest treffen, tot u geheel en al bent weggevaagd uit het land dat u in bezit zult nemen. </VERS>
      <VERS vnumber="22">De HEER zal u treffen met tering en ontstekingen, met koorts en waanzin, met droogte, korenbrand en meeldauw, die u zullen achtervolgen en te gronde richten. </VERS>
      <VERS vnumber="23">De hemel boven uw hoofd zal van koper zijn en de grond onder uw voeten van ijzer. </VERS>
      <VERS vnumber="24">De HEER zal het stof laten regenen op uw akkers: fijn zand zal uit de hemel op u neerdalen. Zo zult u ten onder gaan. </VERS>
      <VERS vnumber="25">De HEER zal de overwinning aan uw vijanden schenken: als één man gaat u op hen af, maar naar alle kanten zult u uiteenstuiven. Voor alle koninkrijken op aarde zult u als afschrikwekkend voorbeeld gelden. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Vogels en roofdieren zullen zich aan uw lijken te goed doen, zonder dat iemand ze verjaagt. </VERS>
      <VERS vnumber="27">De HEER zal u treffen met zweren als Egypte destijds, met builen, uitslag en schurft, met ongeneeslijke ziekten. </VERS>
      <VERS vnumber="28">De HEER zal u treffen met krankzinnigheid, blindheid en verstandsverbijstering. </VERS>
      <VERS vnumber="29">U zult op klaarlichte dag in het duister tasten, zoals een blinde op de tast zijn weg moet zoeken. Alles wat u onderneemt zal mislukken. Dag in dag uit zult u worden beroofd en uitgebuit, en er is niemand die u komt redden. </VERS>
      <VERS vnumber="30">U zult een bruid hebben gevonden, maar een ander zal met haar slapen. U zult een huis bouwen, maar er niet in wonen. U zult een wijngaard planten, maar niet zelf van de eerste vruchten genieten. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Uw runderen worden voor uw ogen geslacht, maar van het vlees zult u geen stukje krijgen. Uw ezel wordt u afgenomen en u ziet hem niet meer terug. Uw schapen en geiten worden aan uw vijand gegeven, en er is niemand die u te hulp komt. </VERS>
      <VERS vnumber="32">U zult moeten aanzien dat uw zonen en dochters aan een ander volk uitgeleverd worden. Met smart wacht u op hun terugkeer, elke dag opnieuw, maar u staat machteloos. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Een onbekend volk zal zich te goed doen aan alles wat uw land voortbrengt en waarvoor u zich hebt ingespannen. En u wordt mishandeld en uitgebuit, dag in dag uit. </VERS>
      <VERS vnumber="34">U zult gek worden van alles wat u voor uw ogen ziet gebeuren. </VERS>
      <VERS vnumber="35">De HEER zal u treffen met vreselijke, ongeneeslijke zweren aan knieën en dijen, die u ten slotte van voetzool tot kruin bedekken. </VERS>
      <VERS vnumber="36">De HEER zal u, met de koning die u hebt aangesteld, laten wegvoeren naar een land dat u vreemd is en dat ook uw voorouders onbekend was. Daar zult u andere goden vereren, goden van hout en van steen. </VERS>
      <VERS vnumber="37">U zult voor de inwoners van al die landen waarheen de HEER u verbant een schrikbeeld zijn, en een doelwit voor hun spotwoorden en schimpscheuten. </VERS>
      <VERS vnumber="38">U zult uw akkers overvloedig inzaaien, maar doordat de sprinkhanen ze kaalvreten zal het een schrale oogst worden. </VERS>
      <VERS vnumber="39">U zult wijngaarden planten en bewerken, maar door vraat van rupsen zal er geen druivenoogst zijn en zult u geen wijn kunnen drinken. </VERS>
      <VERS vnumber="40">U zult overal olijfbomen hebben staan, maar doordat ze hun vruchten voortijdig verliezen zal uw huid het zonder olie moeten stellen. </VERS>
      <VERS vnumber="41">U zult zonen en dochters verwekken, maar ze niet zien opgroeien, want ze zullen in ballingschap worden weggevoerd. </VERS>
      <VERS vnumber="42">Sprinkhanen zullen zich meester maken van uw bomen, van alles wat op uw land groeit. </VERS>
      <VERS vnumber="43">De vreemdelingen die bij u wonen zullen u volkomen voorbijstreven, en u raakt steeds verder achterop. </VERS>
      <VERS vnumber="44">Zij zullen u leningen verschaffen, maar u zult zelf nooit iets te leen kunnen geven. Zij zullen de eerste plaats bekleden en u de laatste. </VERS>
      <VERS vnumber="45">Al deze vervloekingen zullen u treffen en u achtervolgen tot er niemand meer over is, omdat u de HEER, uw God, ongehoorzaam bent geweest en de geboden en wetten die hij u voorhield niet hebt nageleefd. </VERS>
      <VERS vnumber="46">Door de ellende getekend zult u met uw nageslacht voor altijd een afschrikwekkend voorbeeld zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="47">Omdat u de HEER, uw God, niet met vreugde hebt gediend, blij met alles wat u bezat, </VERS>
      <VERS vnumber="48">zult u de vijand die de HEER op u afstuurt moeten dienen, en dat zal gepaard gaan met honger en dorst, met een tekort aan kleding, met gebrek aan alles. U krijgt een loodzwaar juk opgelegd, tot er niemand meer over is. </VERS>
      <VERS vnumber="49">Zoals een arend onverwacht opdoemt, zo zal uit de verste uithoek van de wereld een volk op u afkomen. De HEER stuurt een volk dat een onverstaanbare taal spreekt </VERS>
      <VERS vnumber="50">en meedogenloos optreedt, zonder uw oude mensen te ontzien en uw kinderen te sparen. </VERS>
      <VERS vnumber="51">Ze verslinden alles wat uw vee en uw land voortbrengen, tot u niets meer over hebt. U zult van uw koren, wijn en olie niets overhouden, en geen enkel jong van uw runderen, schapen en geiten; zo zullen ze u te gronde richten. </VERS>
      <VERS vnumber="52">Ze belegeren alle steden in het land dat de HEER, uw God, u heeft gegeven, totdat de hoge, versterkte muren waar u zo op vertrouwt, allemaal gevallen zijn. De nood in die steden zal zo hoog stijgen </VERS>
      <VERS vnumber="53">dat u de zonen en dochters die u van de HEER, uw God, hebt gekregen, zult eten-uw eigen vlees en bloed; tot zo grote wanhoop zal de vijand u tijdens het beleg drijven. </VERS>
      <VERS vnumber="54">De gevoeligste, zachtaardigste man zal zijn eigen broer of de vrouw die hij bemint of de kinderen die hem resten </VERS>
      <VERS vnumber="55">nog geen stukje vlees van zijn kinderen gunnen, maar ze helemaal alleen opeten, omdat hij niets anders heeft; tot zo grote wanhoop zal de vijand u tijdens het beleg drijven. </VERS>
      <VERS vnumber="56">En ook de gevoeligste, zachtaardigste vrouw, een vrouw zo verfijnd dat ze nooit een voet op de grond heeft hoeven zetten, zal de man die ze bemint en haar eigen zoon en dochter </VERS>
      <VERS vnumber="57">nog geen stukje gunnen van het kind dat ze baart en van de nageboorte die haar lichaam verlaat, maar in het geheim alles zelf opeten; zo’n gebrek zal er in uw steden zijn, tot zo grote wanhoop zal de vijand u tijdens het beleg drijven. </VERS>
      <VERS vnumber="58">Als u niet zorgvuldig de wetten naleeft waarin ik u onderwezen heb en die in dit boek zijn opgetekend, en de glorierijke en ontzagwekkende naam van de HEER, uw God, de eerbied onthoudt die hem toekomt, </VERS>
      <VERS vnumber="59">zal hij u en uw nageslacht zeer zwaar straffen. Hij zal u treffen met ongehoorde plagen, waar geen einde aan komt, en met vreselijke, ongeneeslijke ziekten. </VERS>
      <VERS vnumber="60">Hij zal opnieuw al die gevreesde kwalen uit Egypte op u afsturen en u ermee treffen. </VERS>
      <VERS vnumber="61">Maar ook de ziekten en plagen waarover dit wetboek zwijgt zal hij op u afsturen, tot er niemand meer over is. </VERS>
      <VERS vnumber="62">Al bent u eerst zo talrijk als de sterren aan de hemel, u zult maar met een handvol mensen overblijven, omdat u niet naar de HEER, uw God, hebt geluisterd. </VERS>
      <VERS vnumber="63">En zoals de HEER er eerst vreugde in vond om u te zegenen en in aantal te doen toenemen, zo zal hij u dan met vreugde te gronde richten en uitroeien. U zult worden weggerukt uit het land dat u in bezit zult nemen, </VERS>
      <VERS vnumber="64">want de HEER zal u uiteenjagen en onder alle volken verstrooien, tot in de verste uithoeken van de aarde. Daar zult u andere goden vereren, goden die u nog niet kende en ook uw voorouders niet, goden van hout en van steen. </VERS>
      <VERS vnumber="65">Denk niet dat u bij die volken op adem kunt komen of een plek krijgt om te rusten. De HEER zal u daar in angst laten leven en u, met doffe ogen, een kwijnend bestaan laten leiden. </VERS>
      <VERS vnumber="66">U zult er voortdurend op uw hoede moeten zijn, want u zult uw leven niet zeker zijn en dag en nacht het ergste vrezen. </VERS>
      <VERS vnumber="67">‘s Morgens zegt u: “Ach, was het maar avond, ”en ‘s avonds verzucht u: “Was het maar ochtend.” Zo groot zal dan de angst zijn waarin u verkeert, zo bedreigend is het wat u ziet. </VERS>
      <VERS vnumber="68">De HEER zal u in schepen terugsturen naar Egypte, ook al had ik gezegd dat u nooit meer daarheen zou teruggaan. En hoewel u zichzelf daar aan uw vijanden te koop aanbiedt als slaven en slavinnen, is er niemand die u wil kopen.’ </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="29">
      <VERS vnumber="1">(28:69) Met deze woorden heeft de HEER Mozes in Moab een verbond laten sluiten met het volk van Israël, als aanvulling op het verbond dat hij bij de Horeb met hen gesloten had. </VERS>
      <VERS vnumber="2">(29:1) Mozes riep het hele volk van Israël bijeen en sprak het als volgt toe: ‘U hebt in Egypte met eigen ogen gezien wat de HEER allemaal heeft gedaan met de farao en zijn onderdanen, met heel zijn land. </VERS>
      <VERS vnumber="3">(29:2) U was getuige van zijn grootse daden en tekenen en wonderen, </VERS>
      <VERS vnumber="4">(29:3) maar pas vandaag heeft de HEER u werkelijk inzicht gegeven, u de ogen en oren geopend. </VERS>
      <VERS vnumber="5">(29:4) Veertig jaar lang heeft hij u door de woestijn geleid en in al die tijd raakten uw kleren en uw sandalen niet versleten, </VERS>
      <VERS vnumber="6">(29:5) en had u geen brood en geen wijn of andere drank nodig. Dat moest u ervan doordringen dat hij, de HEER, uw God is. </VERS>
      <VERS vnumber="7">(29:6) Toen wij vervolgens hier aankwamen, trokken koning Sichon van Chesbon en koning Og van Basan tegen ons ten strijde. Maar wij versloegen hen </VERS>
      <VERS vnumber="8">(29:7) en namen hun land in bezit; dat hele gebied werd aan de stammen Ruben en Gad en aan de helft van de stam Manasse toegewezen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">(29:8) Houd u daarom aan de regels van dit verbond, opdat u slaagt in alles wat u doet. </VERS>
      <VERS vnumber="10">(29:9) Hier bent u allen nu bijeen, ten overstaan van de HEER, uw God: de stamhoofden, de oudsten, de schrijvers, alle mannen, </VERS>
      <VERS vnumber="11">(29:10) vrouwen en kinderen van Israël, en alle vreemdelingen die als houthakker of waterputter in het kamp werken- </VERS>
      <VERS vnumber="12">(29:11) bijeen om toe te treden tot het verbond dat de HEER, uw God, vandaag met u sluit, en de sancties die erbij horen te aanvaarden. </VERS>
      <VERS vnumber="13">(29:12) Zo wil hij u vandaag tot zijn volk maken, en dan zal hij uw God zijn, zoals hij u heeft beloofd en zoals hij ook uw voorouders Abraham, Isaak en Jakob onder ede heeft toegezegd. </VERS>
      <VERS vnumber="14">(29:13) Niet alleen met u, die hier nu ten overstaan van de HEER, onze God, bijeen bent, sluit ik dit verbond, </VERS>
      <VERS vnumber="15">(29:14) maar ook met degenen die er nu nog niet bij zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="16">(29:15) U herinnert u de tijd dat we in Egypte woonden en hoe we daarna door het gebied van andere volken trokken. </VERS>
      <VERS vnumber="17">(29:16) U hebt toen kennisgemaakt met de gruwelijke afgodsbeelden van hout, steen, zilver en goud die zij erop na hielden. </VERS>
      <VERS vnumber="18">(29:17) Mogelijk is er hier een man of vrouw, of zelfs een familie of stam, die op dit moment liever de HEER, onze God, zou willen verlaten om de goden van die volken te gaan vereren; mogelijk sluimert er zo’n giftige kiem in ons midden. </VERS>
      <VERS vnumber="19">(29:18) Mocht zo iemand bij het horen van de vervloekingen menen: Als ik mijn eigen koppige hart volg zal het me evengoed voor de wind gaan, en zichzelf daarmee geruststellen, dan zet hij alles wat hij is en heeft op het spel. </VERS>
      <VERS vnumber="20">(29:19) Want de HEER zal het hem niet willen vergeven; de HEER zal zijn gekrenkte liefde wreken en al zijn woede tegen hem laten losbarsten. Alle vervloekingen die in dit boek beschreven zijn zullen hem treffen, en de HEER zal ervoor zorgen dat niets op aarde nog aan hem herinnert. </VERS>
      <VERS vnumber="21">(29:20) De HEER zal hem afzonderen van de stammen van Israël en hem voor het ongeluk bestemmen overeenkomstig de vervloekingen van het verbond dat in dit wetboek is opgetekend. </VERS>
      <VERS vnumber="22">(29:21) Dan zal de vraag rijzen bij de komende generaties, zowel uw eigen nakomelingen als buitenlanders uit verre streken, wanneer ze zien hoe uw land te lijden heeft en met welke plagen de HEER het heeft getroffen- </VERS>
      <VERS vnumber="23">(29:22) heel de bodem door zwavel en zout vergiftigd, zodat zaaien geen zin meer heeft en er helemaal niets meer wil groeien, net zoals toen de HEER in zijn grote woede Sodom en Gomorra, Adma en Seboïm weggevaagd had-, </VERS>
      <VERS vnumber="24">(29:23) bij ieder volk rijst dan de vraag: “Waarom behandelt de HEER dit land zo? Waarom is zijn toorn zo hevig opgelaaid?” </VERS>
      <VERS vnumber="25">(29:24) Dit zal het antwoord zijn: “Zij hebben het verbond geschonden dat de HEER, de God van hun voorouders, met hen sloot toen hij hen wegleidde uit Egypte; </VERS>
      <VERS vnumber="26">(29:25) ze zijn andere goden gaan vereren en hebben neergeknield voor goden die ze nog niet kenden en die de HEER niet voor hen had bestemd. </VERS>
      <VERS vnumber="27">(29:26) Dat is de reden waarom de HEER in woede tegen dit land is uitgebarsten en alle vervloekingen die in dit boek beschreven staan over hen heeft uitgestort. </VERS>
      <VERS vnumber="28">(29:27) Zo kwaad, zo woedend, zo razend was de HEER dat hij hen van hun eigen grond heeft gerukt en naar een ander land heeft weggeslingerd. Zover is het nu gekomen.” </VERS>
      <VERS vnumber="29">(29:28) Wat verborgen is, behoort de HEER, onze God, toe; wat openbaar is, komt ons toe. Wij en onze kinderen dienen ons altijd te richten naar alle bepalingen van deze wet. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="30">
      <VERS vnumber="1">Wanneer alles werkelijkheid is geworden wat ik u beschreven heb, zegeningen en vervloekingen, en wanneer u ten slotte, door de HEER, uw God, uiteengejaagd en verstrooid onder alle volken, daar lering uit getrokken hebt </VERS>
      <VERS vnumber="2">en samen met uw kinderen naar de HEER, uw God, terugkeert en hem weer met hart en ziel gaat gehoorzamen-daartoe heb ik u vandaag aangespoord-, </VERS>
      <VERS vnumber="3">dan zal de HEER, uw God, in uw lot een keer brengen: hij zal zich over u ontfermen en u, na u eerst verstrooid te hebben, weer uit al die landen bijeenbrengen. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Zelfs al zijn sommigen verbannen naar het eind van de wereld, de HEER, uw God, zal u terughalen en weer bij elkaar brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Hij zal u terugbrengen naar het land dat uw voorouders ooit bezaten en het u weer in bezit geven. Hij zal u meer nog dan uw voorouders zegenen en in aantal doen toenemen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">De HEER, uw God, zal uw hart besnijden en ook dat van uw nakomelingen, zodat u hem weer met hart en ziel zult liefhebben en in leven zult blijven. </VERS>
      <VERS vnumber="7">De vervloekingen zal hij bestemmen voor uw vijanden en voor iedereen die op uw ondergang uit was. </VERS>
      <VERS vnumber="8">En u zult de HEER weer gehoorzaam zijn en al zijn geboden, zoals ik ze u vandaag heb voorgehouden, in acht nemen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">De HEER, uw God, zal u voorspoed geven in alles wat u onderneemt, u kinderrijk maken en uw vee en uw land vruchtbaar maken. Hij zal er weer vreugde in vinden om u te zegenen, zoals voorheen bij uw voorouders. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Want u toont de HEER, uw God, dan uw gehoorzaamheid door de geboden en bepalingen in dit wetboek in acht te nemen, en u wilt hem weer met hart en ziel toebehoren. </VERS>
      <VERS vnumber="11">De geboden die ik u vandaag heb gegeven, zijn niet te zwaar voor u en liggen niet buiten uw bereik. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Ze zijn niet in de hemel, dus u hoeft niet te zeggen: “Wie stijgt voor ons op naar de hemel om ze daar te halen en ze ons bekend te maken, zodat wij ernaar kunnen handelen?” </VERS>
      <VERS vnumber="13">Ook zijn ze niet aan de overkant van de zee, dus u hoeft niet te zeggen: “Wie steekt de zee voor ons over om ze daar te halen en ze ons bekend te maken, zodat wij ernaar kunnen handelen?” </VERS>
      <VERS vnumber="14">Nee, die geboden zijn heel dichtbij, u kunt ze in u opnemen en ze u eigen maken; u kunt ze volbrengen. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Besef goed, vandaag stel ik u voor de keuze tussen voorspoed en tegenspoed, tussen leven en dood. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Wanneer u zich houdt aan de geboden van de HEER, uw God, zoals ik ze u vandaag heb gegeven, door hem lief te hebben, door de weg te volgen die hij wijst, en zijn geboden, wetten en regels in acht te nemen, dan zult u in leven blijven en in aantal toenemen, en dan zal de HEER, uw God, u zegenen in het land dat u in bezit zult nemen. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Maar als u hem de rug toekeert en weigert te luisteren, als u zich ertoe laat verleiden neer te knielen voor andere goden en die te vereren, </VERS>
      <VERS vnumber="18">dan zeg ik u op voorhand dat u te gronde zult gaan. Uw verblijf aan de overkant van de Jordaan, in het land dat u in bezit zult nemen, zal dan van korte duur zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Ik roep vandaag hemel en aarde als getuigen op: u staat voor de keuze tussen leven en dood, tussen zegen en vloek. Kies voor het leven, voor uw eigen toekomst en die van uw nakomelingen, </VERS>
      <VERS vnumber="20">door de HEER, uw God, lief te hebben, hem te gehoorzamen en hem toegedaan te blijven. Dan zult u lang blijven wonen in het land dat hij uw voorouders Abraham, Isaak en Jakob onder ede heeft beloofd.’ </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="31">
      <VERS vnumber="1">Hierna sprak Mozes de Israëlieten opnieuw toe. Hij zei: </VERS>
      <VERS vnumber="2">‘Ik ben nu honderdtwintig jaar oud en niet in staat om nog langer leiding te geven. Bovendien heeft de HEER me gezegd dat ik de Jordaan niet mag oversteken. </VERS>
      <VERS vnumber="3">De HEER, uw God, zal zelf voor u uit gaan en de volken aan de overkant voor u uitroeien, zodat u hun land in bezit kunt nemen. Jozua zal u daarbij aanvoeren, zoals de HEER heeft gezegd. </VERS>
      <VERS vnumber="4">De HEER zal hen het lot laten delen van de Amoritische koningen Sichon en Og, die hij met heel hun land heeft vernietigd. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Wanneer hij u de overwinning op die volken geschonken heeft, moet u met hen precies zo handelen als ik u heb opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Wees vastberaden en standvastig. Er is geen enkele reden om bang voor hen te zijn, want het is de HEER, uw God, die met u meegaat. Hij zal niet van uw zijde wijken en u niet verlaten.’ </VERS>
      <VERS vnumber="7">Toen riep Mozes Jozua bij zich en ten overstaan van alle Israëlieten zei hij tegen hem: ‘Wees vastberaden en standvastig, want jij zult het volk het land binnenleiden dat de HEER onder ede aan hun voorouders had beloofd, en onder jouw leiding zullen ze het in bezit nemen. </VERS>
      <VERS vnumber="8">De HEER zelf gaat voor je uit, hij zal je bijstaan en geen moment van je zijde wijken. Wees niet bang en laat je door niets ontmoedigen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="9">Mozes stelde zijn hele onderricht op schrift en gaf de boekrol aan de Levitische priesters, die de ark van het verbond met de HEER moesten dragen, en aan de oudsten van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="10">(10-11) Hij droeg hun daarbij het volgende op: ‘Lees deze voorschriften elk zevende jaar, het jaar van de kwijtschelding, tijdens het Loofhuttenfeest voor aan alle Israëlieten. Want dan komt heel Israël naar de plaats die de HEER uitkiest, om daar voor hem te verschijnen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Roep dan het volk bijeen, met inbegrip van de vrouwen en kinderen en de vreemdelingen die bij u in de stad wonen. Laat iedereen naar de voorlezing luisteren en zo leren ontzag te tonen voor de HEER, uw God, en de wetten waarin u onderwezen bent, strikt na te leven. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Ook hun kinderen, die nog van niets weten, moeten luisteren en leren om ontzag te tonen voor de HEER, uw God, al de tijd dat u aan de overkant van de Jordaan leeft in het land dat u in bezit zult nemen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="14">De HEER zei tegen Mozes: ‘Je leven loopt ten einde. Roep Jozua en kom samen naar de ontmoetingstent; dan zal ik hem als jouw opvolger aanstellen.’ Nadat Mozes en Jozua de tent waren binnengetreden, </VERS>
      <VERS vnumber="15">verscheen de HEER in een wolkkolom, die boven de ingang bleef staan. </VERS>
      <VERS vnumber="16">De HEER zei tegen Mozes: ‘Als jij bij je voorouders te ruste bent gegaan, zal het volk mij ontrouw worden en zich afgeven met de vreemde goden die zij zullen aantreffen in het land waar ze heen gaan. Ze zullen mij verlaten en het verbond dat ik met hen gesloten heb verbreken. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Dan zal ik in toorn tegen hen ontsteken, ik zal hen aan hun lot overlaten en me van hen afkeren. Wanneer ze zo kwetsbaar zijn geworden, zullen ze ten prooi vallen aan allerlei ellende en tegenspoed. Dan zullen ze zeggen: “Deze ellende overkomt ons zeker doordat onze goden ons verlaten hebben.” </VERS>
      <VERS vnumber="18">Nee, ik ben het die zich van hen afkeert, omdat ze zoveel kwaad hebben gedaan en zich met andere goden hebben ingelaten. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Daarom moet jij het volgende lied opschrijven en het de Israëlieten uit hun hoofd laten leren; ik zal het tegen hen laten getuigen. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Want zo zal het gaan: Ik breng hen naar het land dat ik hun voorouders onder ede heb beloofd, een land dat overvloeit van melk en honing. Ze zullen zich te goed doen aan alle overvloed en als ze helemaal verzadigd zijn, laten ze zich met andere goden in om die te dienen; maar mij wijzen ze af en het verbond dat ik met hen gesloten heb, verbreken ze. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Wanneer ze eenmaal aan allerlei ellende en tegenspoed ten prooi zijn gevallen, zal dit lied, dat ook onder hun nakomelingen nog algemeen bekend zal zijn, tegen hen getuigen. Ik weet nu al waar hun hart naar uitgaat, nog voor ik hen in het land gebracht heb dat ik hun onder ede heb beloofd.’ </VERS>
      <VERS vnumber="22">Zo schreef Mozes die dag het lied op en hij leerde het de Israëlieten. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Jozua, de zoon van Nun, werd aangesteld als zijn opvolger, en de HEER zei tegen hem: ‘Wees vastberaden en standvastig, want jij zult de Israëlieten naar het land brengen dat ik hun onder ede heb beloofd, en ik zal je ter zijde staan.’ </VERS>
      <VERS vnumber="24">Toen Mozes alle bepalingen van de wet op schrift had gesteld, </VERS>
      <VERS vnumber="25">gaf hij de Levieten die de ark van het verbond met de HEER moesten dragen de volgende opdracht: </VERS>
      <VERS vnumber="26">‘Leg dit wetboek naast de ark van het verbond met de HEER, uw God; het moet daar blijven om tegen dit volk te getuigen. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Want, Israël, ik weet hoe opstandig en onhandelbaar u bent: tijdens mijn leven hebt u zich al steeds tegen de HEER verzet, hoe zal het dan niet gaan na mijn dood! </VERS>
      <VERS vnumber="28">Roep alle oudsten van uw stammen bijeen, evenals uw schrijvers, dan zal ik hun mijn waarschuwing laten horen, en daarbij hemel en aarde als getuigen oproepen. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Want ik weet dat u zich na mijn dood zult gaan misdragen en zult afwijken van de weg die ik u gewezen heb. Daarom zal ellende uiteindelijk uw deel zijn, want u zult doen wat slecht is in de ogen van de HEER : hem tergen met uw zelfgemaakte goden.’ </VERS>
      <VERS vnumber="30">En terwijl de verzamelde Israëlieten er getuige van waren, zong Mozes dit lied, van begin tot eind: </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="32">
      <VERS vnumber="1">‘Leen mij uw oor, hemel, nu ik ga spreken, luister, aarde, naar wat ik zeggen zal. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Moge mijn onderricht neerdalen als regen, mogen mijn woorden zijn als milde dauw, als regen die de grond doordrenkt, lenteregen die het groen in bloei zet. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Want de naam van de HEER roep ik uit: de HEER is onze God, laat iedereen hem prijzen! </VERS>
      <VERS vnumber="4">Hij is een rots, hij staat voor recht; alles wat hij doet is volmaakt. Trouw is God, rechtvaardig en zuiver, in hem is geen spoor van kwaad. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Maar zijn kinderen werden hem ontrouw: tot hun schande gaven zij hun kindschap op. Vals en trouweloos is dit volk. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Is dit uw antwoord aan de HEER? Hoe komt u zo dwaas? Waar is uw verstand? Is hij niet uw vader, uw schepper? Hij heeft u gemaakt, hij riep u tot leven. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Denk aan de tijden van weleer, verdiep u in het verre verleden. Vraag uw vader ernaar, hij zal het vertellen; vraag de oudsten en zij zullen verhalen. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Toen de Allerhoogste land toewees aan elk volk en de mensen ieder hun deel gaf, bepaalde hij de grenzen voor alle volken naar het aantal nazaten van Israël, </VERS>
      <VERS vnumber="9">want voor de HEER gold dat volk als het zijne, Jakob was het deel dat hij zichzelf toemat. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Hij vond het in een dorre woestijn, in een niemandsland vol van gevaar. Hij omringde het met zorg en met liefde, koesterde het als zijn oogappel. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Zoals een arend over zijn jongen waakt en voortdurend erboven blijft zweven, zijn vleugels uitspreidt en zijn jongen daarop draagt, </VERS>
      <VERS vnumber="12">zo heeft de HEER zijn volk geleid, hij alleen: geen andere god stond hem bij. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Hij legde het bergland voor hen open, de oogst van het land viel hun in de schoot. Hij laafde hen met honing uit de rotsen, met olijfolie uit steenharde rots, </VERS>
      <VERS vnumber="14">met melk van koeien en geiten, met vlees van Basans rammen, met vet van lammeren en bokken, met de fijnste bloem van tarwe en met wijn, het bloed van druiven. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Toen werd Jesurun vadsig en vet, het raakte verzadigd, werd dik en rond. Het kwam in verzet, liep weg van zijn schepper, versmaadde zijn stut en steun, zijn rots. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Ze tergden hem met vreemde goden, met gruwelijke beelden krenkten ze hem. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Ze brachten offers aan demonen, aan goden die geen goden zijn, goden die zij eerst niet kenden, nieuwkomers, nog maar net in zwang, die voor hun voorouders niet eens bestonden. </VERS>
      <VERS vnumber="18">U vergat de God die u gebaard heeft, u verwierp de rots die u ter wereld bracht. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Toen de HEER zag wat u deed, bemerkte hoe zijn kinderen hem krenkten, ontstak hij in hevige toorn en zei: </VERS>
      <VERS vnumber="20">“Ik zal me van hen afkeren en dan eens zien hoe het hun vergaat. Want dit is een verdorven geslacht, niemand van hen is te vertrouwen. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Ze tergden mij met wat geen god is en daagden mij uit met hun nietige afgoden. Daarom terg ik hen met wat geen volk is, ik daag hen uit met een volk zonder verstand. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Als het vuur van mijn toorn is ontstoken zal het branden tot in het diepste dodenrijk; het zal de aarde verschroeien en alles wat daar groeit, het zal de grondvesten van de bergen verteren. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Ramp na ramp breng ik over hen, al mijn pijlen schiet ik op hen af. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Honger zal hen uitmergelen, de pest hen verteren, ziekten zullen hen te gronde richten. Ik geef hen ten prooi aan wilde dieren, giftige slangen laat ik hen bijten. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Buiten eist de oorlog zijn tol, binnen heerst de angst voor de dood. Niemand wordt ontzien, man noch vrouw, jong noch oud. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Ik zou hen wel willen wegvagen, elke herinnering aan hen willen uitwissen, </VERS>
      <VERS vnumber="27">maar ik vrees de hoon van hun vijanden. Die zullen immers de feiten verdraaien, de overwinning voor zichzelf opeisen en de hand van de HEER daarin ontkennen. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Zo kortzichtig zijn die vijanden, het ontbreekt hun aan elk begrip. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Waren ze wijs, dan hadden ze inzicht en begrepen ze hoe het hunzelf zal vergaan. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Want hoe zouden zij met één man duizend van jullie kunnen achtervolgen, met twee er tienduizend verjagen, als de HEER, jullie rots, je niet uitleverde? </VERS>
      <VERS vnumber="31">Jullie vijanden zullen het erkennen: de rots waarop zij steunen is niets naast jullie rots. </VERS>
      <VERS vnumber="32">De wijn die ik hun te drinken geef is afkomstig van Sodoms wijnstok, hij komt uit Gomorra’s wijngaarden; bittere, giftige druiven brengen die voort, </VERS>
      <VERS vnumber="33">de wijn ervan is vol venijn, dodelijk als het gif van slangen. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Ik heb dat allemaal bewaard, het opgeborgen in mijn schatkamers </VERS>
      <VERS vnumber="35">voor de dag dat ik wraak ga nemen, het tijdstip waarop ik hun kwaad vergeld, wanneer aan hun voorspoed een einde komt. Want de dag van hun ongeluk is nabij, hun noodlot komt onafwendbaar op hen af.” </VERS>
      <VERS vnumber="36">Want de HEER zal zijn volk recht doen, hij ontfermt zich weer over zijn dienaren. Als hij ziet dat alle krachten hun begeven en weldra iedereen bezwijkt, </VERS>
      <VERS vnumber="37">zal hij zeggen: “Waar zijn je goden nu? Waar is de rots waarop je steunde? </VERS>
      <VERS vnumber="38">Hebben ze niet het vet van je offers gegeten, niet gedronken van de wijn die je ze aanbood? Laten die goden je dan te hulp schieten, laten zij een schuilplaats voor je zijn! </VERS>
      <VERS vnumber="39">Zie het toch in: ik ben de enige, naast mij is er geen andere god. Ik laat sterven, ik geef leven, ik sla wonden en ik genees. Wanneer ik mijn macht laat gelden is er niemand die redding bieden kan. </VERS>
      <VERS vnumber="40">Ik hef mijn hand op naar de hemel en zweer: ‘Zo waar ik eeuwig leef: </VERS>
      <VERS vnumber="41">Ik wet mijn bliksemend zwaard, ik ga het vonnis voltrekken. Ik zal mij wreken op mijn vijanden, ik reken af met wie mij haatten. </VERS>
      <VERS vnumber="42">Mijn pijlen maak ik dronken van het bloed van vijanden, gevallen en gevangen; mijn zwaard verslindt het vlees van hun mannen die zo dreigend hun haren hadden losgeworpen.’” </VERS>
      <VERS vnumber="43">Laat alle volken zijn volk toejuichen, omdat hij het bloed van zijn dienaren wreekt; hij neemt wraak op zijn vijanden en de schuld van zijn land en zijn volk wist hij uit.’ </VERS>
      <VERS vnumber="44">Heel dit lied heeft Mozes samen met Jozua, de zoon van Nun, gezongen en het volk was er getuige van. </VERS>
      <VERS vnumber="45">Toen Mozes zijn toespraak tot heel Israël beëindigd had, </VERS>
      <VERS vnumber="46">besloot hij: ‘Neem mijn waarschuwingen ter harte, en draag ook uw kinderen op om zich strikt te houden aan de wetten waarin u onderwezen bent. </VERS>
      <VERS vnumber="47">Want het gaat hier niet om iets onbeduidends, het is een zaak van levensbelang! Als u er gehoor aan geeft, zult u lang mogen leven in het land aan de overkant van de Jordaan, dat u in bezit zult nemen.’ </VERS>
      <VERS vnumber="48">Op diezelfde dag zei de HEER tegen Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="49">‘Ga het Abarimgebergte in en beklim de Nebo, die in Moab ligt, tegenover Jericho. Daar kun je uitkijken over Kanaän, het land dat ik de Israëlieten in bezit ga geven. </VERS>
      <VERS vnumber="50">Op die berg zul je sterven en met je voorouders verenigd worden, zoals je broer Aäron op de Hor stierf en met zijn voorouders werd verenigd. </VERS>
      <VERS vnumber="51">Want bij het water van Meribat-Kades, in de woestijn van Sin, kwamen jullie tegen mij in opstand; in het bijzijn van heel Israël toonden jullie geen ontzag voor mijn heiligheid. </VERS>
      <VERS vnumber="52">Alleen van een afstand zul je het land zien dat ik hun zal geven, je zult het niet binnengaan.’ </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="33">
      <VERS vnumber="1">Dit is de zegen die Mozes, de godsman, uitsprak over de stammen van Israël, voor hij stierf. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Hij zei: ‘De HEER verscheen vanaf de Sinai, zijn licht bescheen hen van de Seïr, met luister kwam hij van de bergen van Paran. Talloze engelen vergezelden hem, bliksem flitste uit zijn rechterhand. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Hij kreeg Israëls stammen lief, hij hield al de zijnen in zijn hand. Ze waren gezeten aan zijn voeten en ontvingen zijn onderwijzing. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Mozes gaf ons zijn onderricht als een kostbaar bezit voor Jakobs volk. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Zo werd de HEER koning van Jesurun, terwijl de oudsten van het volk bijeen waren en de stammen van Israël zich verzameld hadden. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Ruben, hij moge leven, en niet sterven, hoe gering zijn aantal ook is.’ </VERS>
      <VERS vnumber="7">Dit zei hij over Juda: ‘O HEER, hoor Juda’s hulpgeroep, laat zijn strijders behouden huiswaarts keren, want ze voeren een eenzame strijd. Sta hun ter zijde tegen hun vijanden.’ </VERS>
      <VERS vnumber="8">Over Levi zei hij: ‘HEER, u vertrouwt uw orakelstenen toe aan Levi, uw vertrouweling. U stelde hem op de proef bij Massa, daagde hem uit bij het water van Meriba. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Hij had geen mededogen met zijn vader en moeder, zijn eigen broers ontzag hij niet, zijn kinderen waren als vreemden voor hem. Want de Levieten hielden zich aan wat u gebood, het verbond dat u sloot bleven ze trouw. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Laat hen uw regels onderwijzen aan Jakob, uw voorschriften doorgeven aan Israël. Laat hun geurige gave u behagen, laat hen brandoffers brengen op uw altaar. </VERS>
      <VERS vnumber="11">HEER, zegen hen met voorspoed en zie welwillend op hun verrichtingen neer. Maar breek hun tegenstanders de heup, verlam hun vijanden voor altijd.’ </VERS>
      <VERS vnumber="12">Over Benjamin zei hij: ‘De HEER laat zijn lieveling bij zich schuilen. Zijn kind omarmt hem van vroeg tot laat, het nestelt zich veilig op zijn rug.’ </VERS>
      <VERS vnumber="13">Over Jozef zei hij: ‘Moge de HEER zijn land rijk zegenen met de gaven van hemelwater, met dauw, en met de oervloed die onderaards woont; </VERS>
      <VERS vnumber="14">met al wat de zon laat groeien, met de zegening van de jaargetijden; </VERS>
      <VERS vnumber="15">met de weelde van oeroude bergen, met de gaven van eeuwige heuvels; </VERS>
      <VERS vnumber="16">met al wat de aarde te bieden heeft. Moge de gunst van hem die in de doornstruik was rusten op Jozef, de uitverkorene onder zijn broers. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Machtig als een eerstgeboren stier is hij; hij heeft twee horens als een oeros, waarmee hij vijandige volken wegstoot tot voorbij de einden der aarde: het zijn de duizenden van Efraïm, de tienduizenden van Manasse.’ </VERS>
      <VERS vnumber="18">Over Zebulon zei hij: ‘Een voorspoedige vaart, Zebulon! En moge Issachar geluk vinden in zijn tenten! </VERS>
      <VERS vnumber="19">Zij nodigen de anderen naar de berg waar ze waardige offers brengen. Zij halen overvloed van overzee, graven rijkdom op van onder het zand.’ </VERS>
      <VERS vnumber="20">Over Gad zei hij: ‘Geloofd is hij die ruimte gaf aan Gad. Gad waakt over zijn deel als een leeuwin, die alles verslindt wat in haar klauwen valt. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Het beste land koos hij voor zichzelf: dat land was een aanvoerder waardig, daar verzamelden zich de oudsten van het volk. Hij volbracht de wil van de HEER, hij volvoerde zijn bevrijding van Israël.’ </VERS>
      <VERS vnumber="22">Over Dan zei hij: ‘Dan is als een jonge leeuw die uit Basans bossen te voorschijn springt.’ </VERS>
      <VERS vnumber="23">Over Naftali zei hij: ‘Naftali is door de HEER ruim bedeeld, rijk gezegend door zijn gunst. Laat hij het westen en zuiden veroveren.’ </VERS>
      <VERS vnumber="24">En over Aser zei hij: ‘Gezegend is Aser, nog meer dan zijn broeders, moge hij bij hen allen geliefd zijn. Hij zal waden door de olijfolie, </VERS>
      <VERS vnumber="25">en al zijn steden zijn versterkt met grendels van ijzer en brons. Niets zal hem deren zolang hij leeft.’ </VERS>
      <VERS vnumber="26">‘Wie, Jesurun, wie evenaart uw God? Als een vorst rijdt hij langs de hemel en over de wolken, om u te hulp te komen. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Van oudsher is God een schuilplaats, zijn armen dragen u voor eeuwig. Hij dreef uw vijand op de vlucht en droeg u op: “Vernietig hem!” </VERS>
      <VERS vnumber="28">Israël mocht in vrede leven, Jakob woonde ongestoord in een land van koren en most, waarop dauw van de hemel neerdaalt. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Wie is zo gelukkig als u, Israël? Geen ander volk liet de HEER de overwinning. Hij is het schild dat u beschermt, het zwaard dat u triomfen brengt. De vijand moet uw macht erkennen, hij zal het stof van uw voeten likken.’ </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="34">
      <VERS vnumber="1">Toen verliet Mozes de vlakte van Moab en hij beklom de Nebo, een van de toppen van de Pisga, tegenover Jericho. Daar liet de HEER hem het hele land zien: het hele gebied van Gilead tot aan Dan, </VERS>
      <VERS vnumber="2">Naftali, het gebied van Efraïm en Manasse, heel Juda tot aan de zee in het westen, </VERS>
      <VERS vnumber="3">de Negev, de Jordaanvallei en de vlakte bij de palmstad Jericho, tot aan Soar. </VERS>
      <VERS vnumber="4">De HEER zei tegen hem: ‘Dit is het land waarvan ik aan Abraham, Isaak en Jakob onder ede heb beloofd dat ik het aan hun nakomelingen zou geven. Ik laat het je nu zien, maar erheen oversteken zul je niet.’ </VERS>
      <VERS vnumber="5">Zo stierf Mozes, de dienaar van de HEER, daar in Moab, zoals de HEER gezegd had. </VERS>
      <VERS vnumber="6">En de HEER begroef hem in een vallei in Moab, tegenover Bet-Peor. Tot op de dag van vandaag weet niemand waar zijn graf is. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Honderdtwintig jaar oud was Mozes toen hij stierf. Tot het laatst toe waren zijn krachten niet afgenomen en zijn ogen niet verzwakt. </VERS>
      <VERS vnumber="8">De Israëlieten, die in de vlakte van Moab bijeen waren, treurden om Mozes’ dood tot de dertig dagen van rouw voorbij waren. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Ze luisterden naar Jozua, de zoon van Nun, omdat hij vervuld was met de geest van wijsheid sinds Mozes hem de handen had opgelegd. Daarmee deden de Israëlieten wat de HEER tegen Mozes had gezegd. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Nooit meer heeft Israël een profeet gekend als Mozes, met wie de HEER zo vertrouwelijk omging. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Door zijn toedoen heeft de HEER in Egypte tekenen en wonderen laten zien aan de farao en zijn onderdanen, aan heel zijn land. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Van alles wat Mozes’ krachtige hand verrichtte en van de daden waarmee hij alom ontzag inboezemde, is heel Israël getuige geweest. </VERS>
    </CHAPTER>
  </BIBLEBOOK>
  <BIBLEBOOK bnumber="6" bname="Jozua" bsname="Jozu">
    <CHAPTER cnumber="1">
      <VERS vnumber="1">Na de dood van Mozes, de dienaar van de HEER, zei de HEER tegen Jozua, de zoon van Nun en de rechterhand van Mozes: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Nu mijn dienaar Mozes is gestorven, moet jij je gereedmaken om met heel dit volk de Jordaan over te trekken. Ga naar het land dat ik het volk van Israël zal geven. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Elk stuk grond dat jullie zullen betreden geef ik jullie, zoals ik Mozes heb beloofd. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Jullie gebied zal zich uitstrekken van de woestijn tot aan de Libanon, en van de grote rivier, de Eufraat, met het land van de Hethieten, tot aan de Grote Zee in het westen. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Zolang je leeft zal niemand tegen je kunnen standhouden. Zoals ik Mozes heb bijgestaan, zo zal ik ook jou bijstaan. Ik zal niet van je zijde wijken en je niet verlaten. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Wees vastberaden en standvastig, want jij moet dit volk leiden wanneer ze het land veroveren dat ik hun zal geven, zoals ik hun voorouders gezworen heb. </VERS>
      <VERS vnumber="7">En houd je vóór alles vastberaden en standvastig aan de wet waarin mijn dienaar Mozes je heeft onderwezen. Houd je daar altijd aan en wijk er op geen enkele manier van af, opdat je in alles wat je doet zult slagen. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Leg dat wetboek geen moment ter zijde en verdiep je er dag en nacht in, opdat je je aan alles houdt wat erin geschreven staat. Dan zal alles wat je onderneemt voorspoedig verlopen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Ik gebied je dus: wees vastberaden en standvastig, laat je door niets weerhouden of ontmoedigen, want waar je ook gaat, de HEER, je God, staat je bij.' </VERS>
      <VERS vnumber="10">Jozua gaf toen de schrijvers van het volk de opdracht: </VERS>
      <VERS vnumber="11">'Ga het hele kamp door en zeg tegen het volk dat het voor proviand moet zorgen. Het zal over drie dagen de Jordaan overtrekken om het land in bezit te nemen dat de HEER, hun God, hun zal geven.' </VERS>
      <VERS vnumber="12">Tegen de stammen Ruben en Gad en de eerste helft van de stam Manasse zei hij: </VERS>
      <VERS vnumber="13">'Houd u aan de opdracht die Mozes, de dienaar van de HEER, u gegeven heeft. Mozes heeft gezegd: "De HEER, uw God, zal u vrede schenken en u dit gebied geven." </VERS>
      <VERS vnumber="14">En Mozes zei verder dat uw vrouwen, kinderen en vee in dit gebied mogen blijven dat hij u aan deze zijde van de Jordaan heeft toegewezen. Maar alle weerbare mannen onder u moeten hun broeders in slagorde voorgaan in de strijd om ze te steunen, </VERS>
      <VERS vnumber="15">totdat de HEER u allemaal vrede geeft en ook zij het gebied in bezit hebben genomen dat de HEER, uw God, hun geeft. Pas dan mag u teruggaan en uw eigen gebied in bezit nemen dat Mozes, de dienaar van de HEER, u ten oosten van de Jordaan heeft toegewezen.' </VERS>
      <VERS vnumber="16">Zij antwoordden Jozua: 'We zullen alles doen wat u ons bevolen hebt en overal naartoe gaan waar u ons heen stuurt. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Zoals we naar Mozes hebben geluisterd, zo zullen we naar u luisteren. Moge de HEER, uw God, u bijstaan, zoals hij Mozes heeft bijgestaan. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Iedereen die niet naar u luistert en zich tegen uw bevelen verzet, tegen welk bevel dan ook, zal worden gedood. Wees vastberaden en standvastig.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="2">
      <VERS vnumber="1">Hierna stuurde Jozua, de zoon van Nun, er vanuit Sittim in het geheim twee spionnen op uit. Hij gaf hun de opdracht: 'Verken het hele gebied, maar vooral Jericho.' De mannen vertrokken. Toen ze in Jericho waren gekomen, vonden ze onderdak bij een hoer, Rachab genaamd, bij wie ze wilden overnachten. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Maar toen de koning van Jericho hoorde dat er die nacht spionnen van Israël waren gekomen, </VERS>
      <VERS vnumber="3">liet hij Rachab het volgende bevel geven: 'Lever ze uit, die mannen die bij je zijn, want ze zijn hier om te spioneren.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Maar Rachab-die de twee mannen verborgen had-zei: 'Die mannen hebben mij inderdaad bezocht, maar ik weet niet waar ze vandaan kwamen. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Ze zijn vertrokken vlak voordat het donker werd en de poort zou worden gesloten. Ik heb geen idee waar ze naartoe zijn gegaan. Ga ze snel achterna, dan haalt u ze nog in.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">Rachab had de mannen naar het dak gebracht en ze daar verborgen onder bundels vlas. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Hun achtervolgers vertrokken meteen in de richting van de Jordaan, naar de oversteekplaatsen. Zodra ze de stad hadden verlaten werd de poort gesloten. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Rachab ging naar het dak voordat de mannen in slaap zouden zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="9">'Ik weet, 'zei ze tegen hen, 'dat de HEER dit land aan jullie heeft gegeven. Wij zijn door angst overmand. Alle inwoners van dit land zijn doodsbang voor jullie, </VERS>
      <VERS vnumber="10">want we hebben gehoord dat de HEER de Rietzee voor jullie heeft drooggelegd toen jullie uit Egypte wegtrokken en dat jullie Sichon en Og, de twee koningen van de Amorieten ten oosten van de Jordaan, hebben vernietigd. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Toen we dat hoorden, sloeg de angst ons om het hart en werden we wanhopig. De HEER, jullie God, is immers een God die macht heeft in de hemel en op aarde. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Zweer me dan bij de HEER dat jullie mijn familie en mij goed zullen behandelen. Ik heb jullie toch ook goed behandeld? Zweer het me, geef me de zekerheid </VERS>
      <VERS vnumber="13">dat jullie mijn vader en moeder, mijn broers en zusters en hun kinderen zullen sparen. Red ons van de dood!' </VERS>
      <VERS vnumber="14">De mannen antwoordden haar: 'We staan voor jullie borg met ons leven, op voorwaarde dat jullie onze plannen niet verraden. Wanneer de HEER ons dit land gegeven heeft, zullen we onze belofte nakomen.' </VERS>
      <VERS vnumber="15">Rachab woonde in een huis in de stadsmuur. Ze liet de spionnen langs een touw door het venster naar beneden zakken. </VERS>
      <VERS vnumber="16">'Probeer in de bergen te komen, 'zei ze, 'anders vinden de achtervolgers jullie. Houd je daar drie dagen schuil, totdat ze teruggekomen zijn. Ga daarna pas weg.' </VERS>
      <VERS vnumber="17">De mannen zeiden: 'We zijn niet in alle gevallen gebonden aan de eed die je ons hebt laten zweren. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Wanneer we dit land binnentrekken, moet je dit rode koord aan het venster binden waardoor je ons hebt laten zakken. Zorg er dan voor dat je vader en moeder, je broers en je hele verdere familie bij je in huis zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Wie van jullie dan naar buiten gaat, is zelf schuldig aan zijn dood. In dat geval zijn we niet aan onze eed gebonden. Maar wordt er ook maar iemand kwaad gedaan die binnen blijft, dan zijn wij schuldig. </VERS>
      <VERS vnumber="20">En we zijn ook niet gebonden aan de eed die je ons hebt laten zweren als je onze plannen verraadt.' </VERS>
      <VERS vnumber="21">Rachab stemde hiermee in en liet de mannen gaan. En ze bond het rode koord aan het venster. </VERS>
      <VERS vnumber="22">De mannen gingen de bergen in en bleven daar drie dagen, totdat de achtervolgers waren teruggekeerd. Ze hadden overal gezocht, maar niemand gevonden. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Toen kwamen de twee mannen de bergen uit, staken de Jordaan over en meldden zich bij Jozua, de zoon van Nun, aan wie ze alles vertelden wat hun overkomen was. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Ze zeiden hem: 'De HEER heeft ons het hele land in handen gegeven, de inwoners zijn doodsbang voor ons.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="3">
      <VERS vnumber="1">De volgende ochtend vroeg trok Jozua met het hele volk weg uit Sittim. Ze kwamen tot aan de Jordaan, waar ze drie dagen bleven voor ze overtrokken. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Op de derde dag gingen de schrijvers het kamp door </VERS>
      <VERS vnumber="3">om het volk te zeggen: 'Wanneer u de Levitische priesters de ark van het verbond met de HEER, uw God, ziet dragen, dan moet u het kamp opbreken en de ark volgen. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Maar blijf op grote afstand, ongeveer tweeduizend el, kom niet dichterbij. Dan kunt u zien welke weg u moet volgen, want u bent hier nooit eerder geweest.' </VERS>
      <VERS vnumber="5">En Jozua zei tegen het volk: 'Reinig u, want morgen zal de HEER in uw midden wonderen verrichten.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">De volgende dag gaf hij de priesters de opdracht: 'Ga met de ark van het verbond voor het volk uit.' De priesters namen toen de ark van het verbond op en gingen voor het volk uit, </VERS>
      <VERS vnumber="7">en de HEER zei tegen Jozua: 'Vandaag zal ik ervoor zorgen dat je bij alle Israëlieten hoog in aanzien komt te staan, zodat ze weten dat ik je zal bijstaan, zoals ik Mozes heb bijgestaan. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Zeg tegen de priesters die de ark van het verbond dragen dat ze, zodra ze bij de oever van de Jordaan zijn gekomen, in het water moeten blijven staan.' </VERS>
      <VERS vnumber="9">Jozua riep toen het volk bij elkaar en zei: 'Luister naar de woorden van de HEER, uw God.' En hij vervolgde: </VERS>
      <VERS vnumber="10">'U zult merken dat de levende God in uw midden is en beseffen dat hij het is die de Kanaänieten en de Hethieten, de Chiwwieten en de Perizzieten, de Girgasieten, de Amorieten en de Jebusieten voor u op de vlucht zal jagen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">De ark van het verbond met de Heer van de hele aarde gaat immers voor u uit de Jordaan in. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Kies nu twaalf mannen, één uit elke stam van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Op het moment dat de priesters die de ark van de HEER dragen, de Heer van de hele aarde, de Jordaan in gaan, zal de stroom tot stilstand komen en zal het water oprijzen als een dam.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">Toen het volk het kamp had opgebroken om de Jordaan over te trekken, gingen de priesters die de ark van het verbond droegen voor het volk uit. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Zodra de priesters bij de Jordaan waren gekomen en hun voeten door het water werden omspoeld-de Jordaan stond de hele oogsttijd buiten zijn oevers-, </VERS>
      <VERS vnumber="16">kwam het water tot stilstand en vormde het een dam, heel in de verte bij de stad Adam, die vlak bij Saretan ligt. Het water dat naar de Zoutzee ging, ofwel de Dode Zee, stroomde helemaal weg. Het volk trok over ter hoogte van Jericho. </VERS>
      <VERS vnumber="17">De priesters die de ark van het verbond met de HEER droegen, bleven precies in het midden van de bedding van de Jordaan staan, terwijl heel Israël overtrok, tot de laatste man. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="4">
      <VERS vnumber="1">Nadat het hele volk de Jordaan was overgetrokken, zei de HEER tegen Jozua: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Kies nu twaalf mannen, één uit elke stam, </VERS>
      <VERS vnumber="3">en zeg hun dat ze van de plaats waar de priesters in de Jordaan staan twaalf stenen moeten halen. Die moeten ze meenemen en in het kamp leggen waar ze vanaf deze nacht zullen verblijven.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Jozua liet twaalf mannen aanwijzen, één uit elke stam van Israël, en nadat hij hen bij elkaar geroepen had, </VERS>
      <VERS vnumber="5">zei hij tegen hen: 'Ga voor de ark van de HEER, uw God, de Jordaan in. U moet allemaal één steen op uw schouders nemen, één voor elke stam van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Ze zullen een gedenkteken voor u zijn. Wanneer uw kinderen later zullen vragen wat die stenen betekenen, </VERS>
      <VERS vnumber="7">dan moet u ze vertellen dat het water van de Jordaan werd tegengehouden door de aanwezigheid van de ark van het verbond met de HEER. Vertel ze dat toen de ark de Jordaan in ging het water werd afgesneden en dat deze stenen daarvan voor Israël een eeuwig gedenkteken zijn.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">De mannen deden wat Jozua hun had gezegd. Ze haalden twaalf stenen uit de Jordaan, één voor elke stam, zoals de HEER aan Jozua had opgedragen. Ze droegen de stenen met zich mee naar hun kamp en legden ze daar neer. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Jozua richtte ook twaalf stenen op in het midden van de Jordaan, op de plaats waar de priesters stonden die de ark van het verbond droegen. Die stenen staan daar tot op de dag van vandaag. </VERS>
      <VERS vnumber="10">De priesters die de ark droegen stonden in het midden van de Jordaan, totdat de opdracht die Jozua het volk in naam van de HEER gegeven had volledig was uitgevoerd, volgens de opdracht die hij al van Mozes gekregen had. Het volk trok zo snel mogelijk over, </VERS>
      <VERS vnumber="11">en toen het volledig aan de overkant was gingen ook de priesters met de ark van de HEER naar de overkant en trokken ze verder voor het volk uit. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Ook de stammen Ruben en Gad en de eerste helft van de stam Manasse trokken in slagorde voor Israël uit, zoals Mozes hun bevolen had. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Deze voorhoede van het leger, zo'n veertigduizend man, trok nog voor de ark van de HEER uit ten strijde naar de vlakte van Jericho. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Op die dag verhoogde de HEER het aanzien van Jozua bij de Israëlieten, zodat ze zijn leven lang ontzag voor hem hadden, zoals ze ook voor Mozes hadden gehad. </VERS>
      <VERS vnumber="15">De HEER zei tegen Jozua: </VERS>
      <VERS vnumber="16">'Zeg tegen de priesters die de ark met de tekst van het verbond dragen dat ze uit de Jordaan komen.' </VERS>
      <VERS vnumber="17">Jozua gaf hun die opdracht, </VERS>
      <VERS vnumber="18">en toen de priesters die de ark van het verbond met de HEER droegen uit de Jordaan kwamen en de oever betraden, hernam het water zijn loop en trad het weer buiten zijn oevers, zoals het eerder had gedaan. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Het volk bereikte de overkant van de Jordaan op de tiende dag van de eerste maand, en het sloeg zijn kamp op bij Gilgal, dat oostelijk van Jericho ligt. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Jozua richtte daar de twaalf stenen op die ze uit de Jordaan hadden meegenomen. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Hij zei tegen de Israëlieten: 'Wanneer uw kinderen later vragen wat deze stenen betekenen, </VERS>
      <VERS vnumber="22">dan moet u hun het volgende vertellen: "Israël is de Jordaan overgetrokken, en wel over de droge bedding. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Want de HEER, jullie God, heeft de Jordaan voor jullie drooggelegd totdat jullie waren overgetrokken, zoals hij ook de Rietzee voor ons heeft drooggelegd totdat we die waren overgetrokken. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Want alle volken op aarde moeten weten hoe machtig de HEER, jullie God, is, en jullie moeten altijd vol ontzag voor hem zijn."' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="5">
      <VERS vnumber="1">Toen de koningen van de Amorieten ten westen van de Jordaan en de koningen van de Kanaänieten bij de zee hoorden dat de HEER de Jordaan had drooggelegd, zodat de Israëlieten konden oversteken, sloeg de angst voor Israël hun om het hart en werden ze door wanhoop bevangen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Na de overtocht zei de HEER tegen Jozua: 'Maak messen van vuursteen en besnijd de Israëlieten opnieuw.' </VERS>
      <VERS vnumber="3">Jozua maakte die messen en hij besneed de Israëlieten opnieuw bij de Voorhuidenheuvel. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Hij besneed hen omdat alle weerbare mannen die uit Egypte waren weggetrokken, na de uittocht waren gestorven, onderweg in de woestijn. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Van het volk dat weggetrokken was waren alle mannen besneden geweest, maar de mannen die na de uittocht waren geboren, toen het volk onderweg was in de woestijn, waren niet besneden. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Want Israël trok veertig jaar door de woestijn, totdat alle weerbare mannen die uit Egypte waren weggetrokken, gestorven waren. Ze hadden niet geluisterd naar de HEER, en daarom had de HEER hun gezworen dat hij hun niet het land zou laten zien dat hij ons zou geven, zoals hij onze voorouders had beloofd: het land dat overvloeit van melk en honing. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Maar hij liet hun zonen hun plaats innemen. Dus besneed Jozua deze zonen, omdat dit onderweg niet gedaan was. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Nadat ze allemaal waren besneden, moesten ze in hun tenten blijven tot ze waren genezen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">En de HEER zei tegen Jozua: 'Vandaag heb ik de schande van Egypte van jullie afgewenteld,' en Jozua noemde die plaats Gilgal. Zo heet die plaats tot op de dag van vandaag. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Toen de Israëlieten in hun kamp bij Gilgal waren, op de vlakte van Jericho, bereidden ze in de avond van de veertiende dag van die eerste maand het pesachoffer. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Al één dag na het pesachoffer aten ze ongedesemd brood en geroosterd graan van de opbrengst van het land. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Er kwam die dag geen manna meer; de Israëlieten kregen vanaf toen nooit meer manna. Ze aten dat jaar van de opbrengst van de akkers van Kanaän. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Toen Jozua eens in de omgeving van Jericho liep, zag hij plotseling een man tegenover zich met een getrokken zwaard in de hand. Jozua ging op hem af en vroeg: 'Hoor je bij ons of bij de vijand?' </VERS>
      <VERS vnumber="14">De man antwoordde: 'Bij geen van beide, ik ben de aanvoerder van het leger van de HEER. Daarom ben ik hier.' Jozua viel op zijn knieën, boog diep voorover en vroeg hem: 'Mijn heer, ik ben uw dienaar, wat beveelt u mij?' </VERS>
      <VERS vnumber="15">De aanvoerder van het leger van de HEER zei tegen Jozua: 'Trek je sandalen uit, want de plaats waarop je staat is heilig.' Jozua deed wat hem bevolen was. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="6">
      <VERS vnumber="1">Jericho was toen al volkomen afgegrendeld uit angst voor de Israëlieten, er kon niemand in of uit. </VERS>
      <VERS vnumber="2">De HEER zei tegen Jozua: 'Ik lever Jericho met zijn koning en al zijn dappere helden aan je uit. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Jullie moeten om de stad trekken; alle weerbare mannen moeten eenmaal om de stad gaan, en dat zes dagen achter elkaar. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Er moeten zeven priesters met zeven ramshoorns voor de ark van het verbond uit gaan. Maar op de zevende dag moeten jullie zevenmaal om de stad trekken. De priesters moeten op de ramshoorns blazen, </VERS>
      <VERS vnumber="5">en als het volk die hoort klinken moet het uitbarsten in luid geschreeuw. De muur van de stad zal dan instorten en iedereen zal de stad binnenklimmen vanaf de plaats waar hij zich bevindt.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">Jozua, de zoon van Nun, liet toen de priesters komen en gaf hun de opdracht: 'Neem de ark van het verbond op. Zeven priesters moeten met zeven ramshoorns voor de ark van de HEER uit gaan.' </VERS>
      <VERS vnumber="7">En tegen het volk zei hij: 'Trek op naar de stad, trek eromheen en laat de voorhoede van het leger voor de ark van de HEER uit gaan.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">Het gebeurde zoals Jozua het volk had opgedragen. Zeven priesters gingen met zeven ramshoorns voor de HEER uit; ze trokken al blazend op de ramshoorns op naar de stad. De ark van het verbond met de HEER kwam achter hen aan, </VERS>
      <VERS vnumber="9">de voorhoede ging voor de priesters uit die op de ramshoorns bliezen en de rest van het volk kwam achter de ark. De ramshoorns klonken onophoudelijk, </VERS>
      <VERS vnumber="10">maar Jozua had strijdkreten verboden. 'Laat uw stem niet horen, 'had hij gezegd, 'slaak geen enkele kreet tot het moment waarop ik u dat beveel.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">Jozua liet de ark van de HEER eenmaal om de hele stad trekken. Daarna ging het volk terug naar het kamp, waar het overnachtte. </VERS>
      <VERS vnumber="12">De volgende dag stond Jozua in alle vroegte op. De priesters namen de ark van de HEER op, </VERS>
      <VERS vnumber="13">de zeven priesters met de zeven ramshoorns trokken al blazend op de hoorns voor de ark van de HEER uit, de voorhoede ging voor hen uit en de rest van het volk kwam achter de ark van de HEER. Onophoudelijk klonken de ramshoorns. </VERS>
      <VERS vnumber="14">De Israëlieten trokken ook op de tweede dag eenmaal om de stad en gingen daarna terug naar het kamp. Zo deden ze zes dagen. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Op de zevende dag stonden ze bij dageraad op en trokken op dezelfde wijze zevenmaal om de stad. Alleen op deze dag trokken ze zevenmaal om de stad, </VERS>
      <VERS vnumber="16">en bij de zevende maal, toen de priesters de ramshoorns lieten klinken, riep Jozua tegen het volk: 'Schreeuw, want de HEER heeft u Jericho in handen gegeven! </VERS>
      <VERS vnumber="17">Maar op de stad en alles wat erin is rust de ban van de HEER: ze is onvoorwaardelijk aan de HEER gewijd en moet vernietigd worden. Alleen de hoer Rachab mag in leven blijven, samen met iedereen die bij haar in huis is, want zij heeft onze verkenners een schuilplaats gegeven. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Maar denk eraan dat op al het andere een ban rust. Dus vernietig de stad maar maak niets buit, zodat u niet Israëls eigen kamp aan de vernietiging prijsgeeft en Israël in het ongeluk stort. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Al het zilver en goud en alle voorwerpen van koper, brons en ijzer zijn aan de HEER gewijd; alles gaat naar de schatkamer van de HEER.' </VERS>
      <VERS vnumber="20">Toen de ramshoorns klonken, brak het volk uit in een donderend geschreeuw. De muur stortte in en iedereen klom de stad binnen vanaf de plaats waar hij zich bevond. Ze namen de stad in </VERS>
      <VERS vnumber="21">en doodden alles wat erin was, zowel mannen als vrouwen, zowel kinderen als bejaarden, zowel runderen en schapen als ezels. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Maar Jozua zei tegen de twee mannen die het gebied hadden verkend: 'Ga naar het huis van die hoer en breng haar met haar hele familie naar buiten, zoals jullie haar hebben gezworen.' </VERS>
      <VERS vnumber="23">De verkenners brachten Rachab naar buiten, samen met haar vader en moeder, broers en verdere familie. Kortom, ze brachten haar met al haar verwanten naar buiten en gaven hun een verblijfplaats buiten het kamp van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="24">De Israëlieten lieten de stad met alles wat erin was in vlammen opgaan; alleen het zilver en goud en de koperen, bronzen en ijzeren voorwerpen brachten ze in de schatkamer van het heiligdom van de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Maar de hoer Rachab werd door Jozua gespaard, samen met iedereen die tot haar familie behoorde. Hun nakomelingen wonen tot op de dag van vandaag onder de Israëlieten, want Rachab had de mannen die in opdracht van Jozua Jericho moesten verkennen een schuilplaats gegeven. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Jozua liet het volk de volgende eed zweren: 'Wij vervloeken ten overstaan van de HEER iedere man die het waagt deze stad, Jericho, weer op te bouwen. Hij zal de fundamenten leggen ten koste van zijn oudste zoon en de poortdeuren bevestigen ten koste van zijn jongste zoon.' </VERS>
      <VERS vnumber="27">En de HEER stond Jozua bij en zijn roem ging door het hele land. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="7">
      <VERS vnumber="1">Maar Israël schond de ban. Er was een zekere Achan: hij was een zoon van Karmi, die een zoon was van Zabdi, de zoon van Zerach, en hij was afkomstig uit de stam Juda. Deze Achan vergreep zich aan de goederen die onvoorwaardelijk aan de HEER gewijd waren. Hierop ontstak de HEER in woede tegen het volk van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Jozua stuurde een paar mannen van Jericho naar Ai, dat bij Bet-Awen ligt, ten oosten van Betel. Hij droeg hun op dat gebied te verkennen. De mannen verkenden Ai, </VERS>
      <VERS vnumber="3">en toen ze teruggekomen waren rapporteerden ze aan Jozua: 'U hoeft niet het hele leger naar Ai te laten uitrukken. Zo'n twee- of drieduizend man is voldoende om de stad te verslaan. Het is echt niet nodig dat u het hele leger met een veldtocht naar die stad vermoeit, want Ai heeft maar weinig inwoners.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Er gingen toen een drieduizend man. Maar ze werden op de vlucht gejaagd door het leger van Ai, </VERS>
      <VERS vnumber="5">dat hen achtervolgde vanaf de poort tot op de helling even voorbij het ravijn. Daar doodde het zesendertig man. Toen sloeg de angst het volk om het hart en het werd radeloos. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Jozua en de oudsten van Israël scheurden hun kleren, wierpen zich voor de ark van de HEER ter aarde en gooiden stof over hun hoofd. Zo bleven ze tot de avond liggen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Jozua riep uit: 'Nee, HEER ! Nee, mijn God! Waarom hebt u dit volk eigenlijk de Jordaan laten overtrekken? Alleen om ons over te leveren aan de Amorieten en ons door hen te laten doden? Waren we maar zo verstandig geweest aan de overzijde van de Jordaan te blijven. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Ach Heer, wat kan ik anders zeggen nu Israël voor zijn vijanden op de vlucht geslagen is? </VERS>
      <VERS vnumber="9">Als de Kanaänieten en alle andere inwoners van dit land het horen, zullen ze ons van alle kanten aanvallen en onze naam van de aardbodem wegvagen. En hoe wilt u dan uw grote naam instandhouden?' </VERS>
      <VERS vnumber="10">De HEER sprak hierop tot Jozua: 'Sta op! Wat lig je daar nu op de grond! </VERS>
      <VERS vnumber="11">Israël heeft gezondigd. Ze hebben het gewaagd de regels van het verbond te overtreden die ik hun gegeven heb. Ze hebben zich vergrepen aan de goederen waarop mijn ban rustte. Ze hebben die gestolen, en dat ook nog eens proberen te verdoezelen door ze tussen hun eigen bezittingen te verbergen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Daarom kan het volk van Israël niet standhouden tegen zijn vijanden. Het zal voor zijn vijanden op de vlucht slaan, omdat het nu zelf aan de vernietiging is prijsgegeven. Ik zal jullie niet meer bijstaan als jullie je niet van de gestolen goederen ontdoen. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Zorg ervoor dat het volk zich reinigt. Geef het volgende bevel: "Wees morgen rein, want dit zegt de HEER, de God van Israël: jullie hebben goederen in je bezit waarop mijn ban rust, Israëlieten. Jullie zullen niet kunnen standhouden tegen je vijanden totdat jullie die hebben weggedaan. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Treed morgenochtend aan volgens jullie stammen. De stam die de HEER aanwijst moet volgens de geslachten aantreden. En het geslacht dat de HEER aanwijst moet volgens de families aantreden. En van de familie die de HEER aanwijst moeten de mannen aantreden. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Dan moet degene die wordt aangewezen als de schuldige, verbrand worden, hij en al de zijnen, want hij heeft het verbond met de HEER geschonden. Wat hij gedaan heeft is voor het volk van Israël een schanddaad."' </VERS>
      <VERS vnumber="16">De volgende ochtend vroeg liet Jozua Israël aantreden volgens de stammen en de stam Juda werd aangewezen. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Daarna liet Jozua de stam Juda aantreden en de HEER wees het geslacht van Zerach aan. Daarna liet Jozua van het geslacht van Zerach de familiehoofden aantreden en Zabdi werd aangewezen. </VERS>
      <VERS vnumber="18">En van diens familie liet Jozua de mannen aantreden en Achan werd aangewezen: een zoon van Karmi, die een zoon was van Zabdi, de zoon van Zerach, en afkomstig uit de stam Juda. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Jozua zei tegen hem: 'Kom, Achan, eerbiedig de HEER, de God van Israël, en leg voor hem een bekentenis af. Zeg me wat je hebt gedaan. Houd het niet voor me verborgen.' </VERS>
      <VERS vnumber="20">Achan antwoordde: 'Ik beken dat ik heb gezondigd tegen de HEER, de God van Israël. Dit is wat ik heb gedaan: </VERS>
      <VERS vnumber="21">Ik zag dat er onder de buit een prachtige mantel uit Sinear was en tweehonderd sjekel zilver en een goudstaaf die wel vijftig sjekel woog. Ik kon mijn ogen er niet vanaf houden en heb het gestolen. Het ligt allemaal in mijn tent onder de grond verborgen. Het zilver ligt onder de mantel.' </VERS>
      <VERS vnumber="22">Jozua stuurde een paar mannen, die snel naar de tent gingen en daar de mantel vonden, met het zilver eronder. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Ze namen het allemaal mee uit de tent, brachten het naar Jozua en de Israëlieten en spreidden het voor de ark van de HEER uit op de grond. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Hierna brachten Jozua en de Israëlieten Achan, de nakomeling van Zerach, naar het Achordal, samen met het zilver, de mantel en de goudstaaf, en met zijn zonen en dochters, runderen en ezels, schapen en geiten en zijn tent-kortom, met alles wat hij bezat. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Jozua zei: 'Jij hebt ons in het ongeluk gestort! Daarom zal de HEER jou vandaag in het ongeluk storten.' Hij en al de zijnen werden door heel Israël gestenigd en verbrand. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Daarna bedolven ze hen onder een grote hoop stenen. Toen bekoelde de woede van de HEER. Deze steenhoop is er tot op de dag van vandaag en deze plaats wordt het Achordal genoemd, tot op de dag van vandaag. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="8">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Jozua: 'Maak je gereed om met het voltallige leger tegen Ai ten strijde te trekken. Wees niet bang en laat je door niets ontmoedigen. Ik lever de koning van Ai met heel zijn leger, heel zijn stad en heel zijn gebied aan je uit. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Doe met Ai en de koning hetzelfde als wat je met Jericho en de koning hebt gedaan. Maar nu mogen jullie de goederen en het vee voor jezelf buitmaken. Laat een troepenmacht zich verdekt achter de stad opstellen.' </VERS>
      <VERS vnumber="3">Jozua en het leger maakten zich toen gereed om tegen Ai ten strijde te trekken. Jozua koos dertigduizend soldaten uit, die hij 's nachts naar Ai stuurde. </VERS>
      <VERS vnumber="4">'Stel je verdekt op achter de stad, 'beval hij hun, 'maar niet al te ver ervandaan. Blijf paraat. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Wanneer ik met het leger de stad nader, zullen ze net als de vorige keer op ons afkomen. Dan slaan we voor hen op de vlucht. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Ze denken dan natuurlijk dat we net als de vorige keer echt vluchten en zullen ons achterna komen. We vluchten net zo lang tot we ze van de stad hebben weggelokt. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Dan moeten jullie te voorschijn komen en haar innemen. De HEER, jullie God, zal jullie de stad in handen geven. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Dus neem haar in en steek haar in brand, zoals de HEER heeft opgedragen. Dit zijn jullie orders.' </VERS>
      <VERS vnumber="9">Hierna liet Jozua de mannen vertrekken, die zich ten westen van Ai, tussen Ai en Betel, verdekt opstelden. Jozua zelf sliep die nacht bij het leger. </VERS>
      <VERS vnumber="10">De volgende ochtend vroeg inspecteerde Jozua het leger. Daarna trok hij samen met de oudsten van Israël aan het hoofd van het leger ten strijde naar Ai. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Al het krijgsvolk rukte met hem op, en toen ze in de omgeving van Ai waren gekomen, sloegen ze hun kamp op ten noorden van de stad. Ze werden alleen van haar gescheiden door een dal. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Verder liet Jozua ongeveer vijfduizend man zich ten westen van de stad, tussen Ai en Betel, verdekt opstellen. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Daar bevond zich dus de achterhoede van het leger, terwijl het leger zelf zijn kamp ten noorden van Ai had opgeslagen. </VERS>
      <VERS vnumber="De">nacht daarop trok Jozua met het leger het dal door. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Toen de koning van Ai hen zag naderen, rukte hij onmiddellijk met al zijn mannen uit om Israël aan te vallen. Hij trok regelrecht naar het terrein dat uitziet op de Jordaanvallei. Hij wist echter niet dat zich achter de stad een troepenmacht schuilhield. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Jozua liet zich met heel Israël terugdringen. Ze sloegen op de vlucht in de richting van de woestijn, </VERS>
      <VERS vnumber="16">en de inwoners van Ai zweepten elkaar op om hen na te jagen, maar door achter hen aan te gaan werden ze van de stad weggelokt. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Er bleef in Ai en Betel niet één man over die niet achter Israël aan ging, maar door de achtervolging in te zetten lieten ze de stad onbeschermd achter. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Toen zei de HEER tegen Jozua: 'Strek je zwaard uit naar Ai, want ik geef je de stad in handen.' Jozua strekte zijn zwaard uit naar Ai, </VERS>
      <VERS vnumber="19">en op dat teken kwam de achterhoede onmiddellijk te voorschijn, stormde de stad binnen, nam haar in en stak haar in brand. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Toen de soldaten van Ai omkeken en zagen dat er uit de stad rook opsteeg, stonden ze zo verlamd van schrik dat ze niet in staat waren om nog te vluchten. Ook werden ze nu bestookt door het leger van Israël, dat niet langer naar de woestijn vluchtte. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Want toen Jozua en het leger zagen dat de achterhoede de stad had ingenomen en dat er rook uit opsteeg, keerden ze om en vielen het leger van Ai aan. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Tegelijkertijd werd het vanuit de stad door de achterhoede aangevallen, zodat het door de Israëlieten was omsingeld. Israël doodde de soldaten van Ai tot er niemand meer over was, </VERS>
      <VERS vnumber="23">maar de koning van Ai namen ze levend gevangen en ze brachten hem naar Jozua. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Zo doodde Israël alle soldaten van Ai op de akkers en in de woestijn waar ze Israël hadden achtervolgd; ze werden omgebracht tot de laatste man. Daarna ging Israël opnieuw naar Ai en doodde het de rest van de bevolking. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Er stierven op die dag twaalfduizend mannen en vrouwen uit Ai, </VERS>
      <VERS vnumber="26">want Jozua hield zijn zwaard uitgestrekt totdat alle inwoners van Ai waren gedood. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Maar het vee en de goederen van die stad maakte Israël voor zichzelf buit, zoals de HEER aan Jozua had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Jozua liet Ai in vlammen opgaan en maakte die stad voor eeuwig tot een ruïne. Deze is daar tot op de dag van vandaag. </VERS>
      <VERS vnumber="29">De koning van Ai hing hij op aan een boom en hij liet hem hangen tot de avond. Pas bij zonsondergang gaf Jozua bevel het lijk van de boom te halen en het in de stadspoort neer te gooien. Daar bedolven ze hem onder een grote hoop stenen, en die is er tot op de dag van vandaag. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Hierna bouwde Jozua op de Ebal een altaar voor de HEER, de God van Israël, </VERS>
      <VERS vnumber="31">zoals Mozes, de dienaar van de HEER, het volk van Israël had opgedragen. Hij bouwde het altaar volgens de voorschriften van Mozes: een altaar van ruwe stenen, die niet met ijzeren gereedschap bewerkt waren. De Israëlieten brachten daarop brandoffers en vredeoffers voor de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Jozua maakte op stenen een afschrift van de wet die Mozes in aanwezigheid van het volk had opgeschreven. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Ondertussen stond Israël, met alle oudsten, griffiers en rechters ter weerszijden van de ark van het verbond met de HEER, tegenover de Levitische priesters die de ark droegen. Zowel de geboren Israëlieten als de vreemdelingen die bij hen woonden waren aanwezig. De ene helft van het volk keek uit op de Gerizim en de andere helft keek uit op de Ebal, zoals Mozes, de dienaar van de HEER, had opgedragen. Eerst zegende Jozua het volk van Israël, zoals Mozes had opgedragen, </VERS>
      <VERS vnumber="34">en daarna las hij heel diens wetboek voor, woord voor woord, ook alle zegeningen en vervloekingen die in dat boek zijn opgeschreven. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Er was geen voorschrift van Mozes dat Jozua niet voorlas aan de Israëlieten, die daar allemaal bijeengekomen waren. Ook de vrouwen en kinderen en de vreemdelingen die bij hen woonden waren daar aanwezig. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="9">
      <VERS vnumber="1">(1-2) Toen de koningen ten westen van de Jordaan, die van het bergland, het heuvelland en het hele kustgebied bij de Grote Zee, tot aan de Libanon toe, van Israëls zegetocht hoorden, sloten ze een bondgenootschap. Zij, de koningen van de Hethieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Perizzieten, de Chiwwieten en de Jebusieten, besloten gezamenlijk tegen Jozua en Israël te strijden. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Maar toen de Chiwwieten uit Gibeon te weten kwamen wat Jozua met Jericho en Ai had gedaan, </VERS>
      <VERS vnumber="4">namen ze hun toevlucht tot een list: een aantal van hen ging naar Jozua onder de dekmantel van een gezantschap. Ze bepakten hun ezels met versleten zadeltassen en oude, gebarsten wijnzakken </VERS>
      <VERS vnumber="5">en trokken opgelapte sandalen en afgedragen kleren aan. Als proviand namen ze alleen uitgedroogd en verkruimeld brood mee. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Zo gingen ze naar het kamp bij Gilgal, naar Jozua. Ze zeiden tegen hem en de Israëlieten: 'We komen uit een ver land en willen een vredesverdrag met u sluiten.' </VERS>
      <VERS vnumber="7">'Dat kunnen we niet zomaar doen, 'antwoordden de Israëlieten. 'Misschien woont u wel in dit gebied, hoe kunnen wij dan een verdrag met u sluiten?' </VERS>
      <VERS vnumber="8">Hierop wendden de Chiwwieten zich tot Jozua. 'We zijn bereid ons aan u te onderwerpen, 'zeiden ze. Jozua vroeg: 'Wie bent u en waar komt u vandaan?' </VERS>
      <VERS vnumber="9">'Uw dienaren komen uit een zeer ver land, 'antwoordden ze. 'De naam van de HEER, uw God, heeft ons hier gebracht, want zijn roem is tot bij ons doorgedrongen. We hebben gehoord wat hij allemaal in Egypte heeft gedaan, </VERS>
      <VERS vnumber="10">en ook wat hij met de twee Amoritische koningen ten oosten van de Jordaan heeft gedaan: koning Sichon van Chesbon en koning Og van Basan, die in Astarot zetelde. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Onze oudsten en alle inwoners van ons land zeiden ons daarom proviand in te slaan en naar u op reis te gaan. Bij u aangekomen moesten we u onze onderwerping aanbieden en u vragen een vredesverdrag met ons te sluiten. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Kijk, dit is ons brood. We hebben het op de dag van ons vertrek als verse proviand uit onze huizen meegenomen, maar nu is het uitgedroogd en verkruimeld. </VERS>
      <VERS vnumber="13">En kijkt u eens naar deze wijnzakken: ze waren nieuw toen we ze vulden, maar nu zijn ze gebarsten. En dit zijn onze kleren en sandalen: u ziet dat ze op onze lange tocht helemaal versleten zijn.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">De stamhoofden van Israël namen toen wat van de proviand aan, maar ze verzuimden de HEER om raad te vragen. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Jozua sloot een vredesverdrag met hen en beloofde hun dat hun leven zou worden gespaard. De stamhoofden bekrachtigden dit met een eed. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Maar drie dagen nadat ze dit verdrag met hen gesloten hadden, ontdekten ze dat de Chiwwieten niet ver weg maar juist dichtbij woonden. </VERS>
      <VERS vnumber="17">De Israëlieten waren namelijk verder getrokken en na drie dagen bij hun steden gekomen: Gibeon, Kefira, Beërot en Kirjat-Jearim. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Maar de Chiwwieten werden niet door hen gedood, omdat de stamhoofden hun dat bij de HEER, de God van Israël, hadden gezworen. De hele volksvergadering beklaagde zich hierover bij de stamhoofden, </VERS>
      <VERS vnumber="19">maar die zeiden: 'We hebben het hun gezworen bij de HEER, de God van Israël, dus we kunnen ze niets doen. </VERS>
      <VERS vnumber="20">We moeten onze eed gestand doen en ze in leven laten, anders roepen we de woede van de HEER over ons af omdat we onze eed hebben geschonden. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Dus ze moeten blijven leven.' De stamhoofden voegden hier echter aan toe: 'Maar we kunnen ze voortaan voor heel Israël hout laten hakken en water laten putten.' Aldus werd besloten. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Jozua liet hen bij zich roepen en vroeg hun: 'Waarom hebt u ons bedrogen door te zeggen dat u heel ver van ons vandaan woont, terwijl u in dit gebied woont? </VERS>
      <VERS vnumber="23">Vervloekt bent u! U zult voor altijd onze slaven zijn, houthakkers en waterputters voor het heiligdom van mijn God.' </VERS>
      <VERS vnumber="24">De Chiwwieten antwoordden Jozua: 'We hoorden steeds weer dat de HEER, uw God, zijn dienaar Mozes had opgedragen het hele land tot uw bezit te maken en alle inwoners uit te roeien. We werden doodsbang voor u. Daarom hebben we het gedaan. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Maar nu zijn we in uw macht. Doe met uw dienaren wat naar uw oordeel goed en rechtvaardig is.' </VERS>
      <VERS vnumber="26">En Jozua deed dat. Hij beschermde hen tegen de Israëlieten: hij doodde hen niet, </VERS>
      <VERS vnumber="27">maar maakte hen op die dag tot houthakkers en waterputters voor heel Israël en voor het altaar van de HEER, dat op een plaats zou komen die de HEER zou kiezen. Ze zijn dit tot op de dag van vandaag. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="10">
      <VERS vnumber="1">Toen Adonisedek, de koning van Jeruzalem, hoorde dat Jozua Ai had ingenomen en alle inwoners had gedood, dat hij met Ai en de koning van die stad hetzelfde had gedaan als met Jericho en zijn koning, en dat de inwoners van Gibeon een vredesverdrag met Israël hadden gesloten en in hun midden woonden, </VERS>
      <VERS vnumber="2">toen werden hij en zijn volk doodsbang. Gibeon was namelijk even groot als de koningssteden, zelfs nog groter dan Ai, en de mannen die er woonden waren buitengewoon dapper. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Koning Adonisedek stuurde boden naar Hoham, de koning van Hebron, Piram, de koning van Jarmut, Jafia, de koning van Lachis, en Debir, de koning van Eglon. Hij vroeg hun: </VERS>
      <VERS vnumber="4">'De inwoners van Gibeon hebben een vredesverdrag met Jozua en Israël gesloten. Kom me te hulp, dan kunnen we ze samen verslaan.' </VERS>
      <VERS vnumber="5">De vijf Amoritische koningen sloten zich aaneen. Zij, de koningen van Jeruzalem, Hebron, Jarmut, Lachis en Eglon, trokken met hun legers ten strijde tegen Gibeon, sloegen het beleg voor die stad en voerden er aanvallen op uit. </VERS>
      <VERS vnumber="6">De Gibeonieten stuurden toen een bode naar het kamp bij Gilgal. Ze smeekten Jozua: 'Laat ons niet in de steek, kom snel naar ons toe om ons te helpen. Red ons, want de Amoritische koningen uit de bergen hebben zich allemaal tegen ons aaneengesloten.' </VERS>
      <VERS vnumber="7">Hierop trok Jozua met zijn hele leger, geen enkele soldaat uitgezonderd, vanuit Gilgal ten strijde. </VERS>
      <VERS vnumber="8">De HEER zei tegen hem: 'Je hoeft voor die koningen niet bang te zijn, want ik lever ze aan je uit. Geen van hen zal tegen je kunnen standhouden.' </VERS>
      <VERS vnumber="9">Jozua wist de vijand vanuit Gilgal in één nachtelijke mars te bereiken, en hij verraste hem in een plotselinge aanval. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Toen de soldaten van de vijand het leger van Israël zagen verschijnen, zaaide de HEER paniek in hun gelederen, zodat de Israëlieten hun bij Gibeon een zware nederlaag konden toebrengen. Ze achtervolgden hen tot aan de pas van Bet-Choron, en nog verder-ja, ze sloegen hen zelfs vlak voor Azeka en Makkeda nog neer. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Toen hun vijanden de pas van Bet-Choron afvluchtten, wierp de HEER vanuit de hemel grote hagelstenen op hen, tot aan Azeka toe. Er stierven meer soldaten door die hagelstenen dan door de zwaarden van de Israëlieten. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Want op die dag, de dag dat de HEER de Amorieten aan Israël overleverde, had Jozua gebeden tot de HEER. In aanwezigheid van Israël sprak hij: 'Zon, sta stil boven Gibeon, maan, blijf staan boven de vlakte van Ajjalon.' </VERS>
      <VERS vnumber="13">En de zon stond stil en de maan bleef staan, tot Israël zijn vijanden had afgestraft. Dit staat opgetekend in het Boek van de Oprechte. De zon bleef een volle dag boven aan de hemel staan voordat ze onderging. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Het is voor noch na die dag ooit voorgekomen dat de HEER op die manier gehoor gaf aan de bede van een mens, maar de HEER streed dan ook voor Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Na deze overwinning keerde Jozua met het hele leger terug naar het kamp bij Gilgal. </VERS>
      <VERS vnumber="16">De vijf koningen waren gevlucht en hadden zich in een grot bij Makkeda verscholen. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Toen Jozua hoorde dat ze daar waren ontdekt, </VERS>
      <VERS vnumber="18">gaf hij bevel die grot met grote stenen af te sluiten en er een wachtpost bij te zetten. </VERS>
      <VERS vnumber="19">'Maar het leger mag hier niet blijven, 'zei hij. 'Ga de vijand achterna. Vernietig wat er nog van over is. Laat ze niet ontkomen naar hun steden nu de HEER, jullie God, ze aan jullie heeft overgeleverd.' </VERS>
      <VERS vnumber="20">(20-21) En het leger van Israël keerde pas terug naar Jozua, naar de legerplaats bij Makkeda, nadat het de vijand vernietigend verslagen had, tot de laatste man, en nadat de paar vijanden die nog konden vluchten, waren ontkomen in hun vestingsteden. Van Israël was geen enkele soldaat ook maar een haar gekrenkt. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Nadat het leger was teruggekeerd, beval Jozua: 'Haal die vijf koningen uit de grot en breng ze bij me.' </VERS>
      <VERS vnumber="23">Zijn bevel werd uitgevoerd, de vijf koningen werden bij Jozua gebracht: de koningen van Jeruzalem, Hebron, Jarmut, Lachis en Eglon. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Jozua liet het hele leger aantreden en riep de aanvoerders naar voren, de mannen die hem in de strijd ter zijde hadden gestaan. 'Zet jullie voet op de nek van die koningen, 'beval hij hun. Nadat ze dit hadden gedaan, </VERS>
      <VERS vnumber="25">zei hij: 'Wees niet bang en laat je door niets ontmoedigen, blijf vastberaden en standvastig. De HEER zal met alle vijanden die jullie nog moeten bevechten hetzelfde doen als met deze koningen.' </VERS>
      <VERS vnumber="26">En met die woorden sloeg Jozua de vijf koningen dood, waarna hij hen aan vijf bomen liet ophangen. Daar hingen ze tot de avond. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Bij zonsondergang gaf Jozua bevel hen van de bomen te halen, hen in de grot te gooien waarin ze zich hadden verscholen en die met grote stenen af te sluiten. Die stenen liggen er tot op de dag van vandaag. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Jozua had op dezelfde dag Makkeda ingenomen en de koning en alle inwoners gedood. Hij bracht iedereen die er woonde om, hij liet geen mens in leven. Met de koning van Makkeda deed hij hetzelfde als hij met de koning van Jericho had gedaan. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Vervolgens trok Jozua met het hele leger van Makkeda naar Libna. Hij viel Libna aan, </VERS>
      <VERS vnumber="30">en de HEER leverde ook die stad en haar koning aan Israël uit. Jozua doodde iedereen die er woonde, hij liet geen mens in leven. Met de koning van Libna deed hij hetzelfde als hij met de koning van Jericho had gedaan. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Vervolgens trok Jozua met het leger van Libna naar Lachis. Hij sloeg het beleg voor die stad en viel haar aan. </VERS>
      <VERS vnumber="32">De HEER gaf Israël Lachis in handen; Jozua nam de stad in op de tweede dag van het beleg en hij doodde iedereen die er woonde, zoals hij in Libna had gedaan. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Horam, de koning van Gezer, kwam Lachis te hulp, maar Jozua versloeg hem. Hij doodde hem en zijn soldaten tot er niemand meer over was. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Vervolgens trok Jozua met het leger van Lachis naar Eglon. Ze sloegen het beleg voor die stad en vielen haar aan. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Ze namen Eglon in één dag in en doodden alle inwoners. Jozua bracht iedereen die er woonde om, zoals hij in Lachis had gedaan. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Vervolgens trok Jozua met het leger van Eglon naar Hebron. Ze vielen Hebron aan, </VERS>
      <VERS vnumber="37">namen die stad in en doodden er evenals in Eglon de koning en alle inwoners. Jozua liet ook van de omliggende steden geen mens in leven, hij bracht iedereen om. </VERS>
      <VERS vnumber="38">Op zijn terugtocht ging Jozua met het leger naar Debir. Hij viel die stad aan, </VERS>
      <VERS vnumber="39">nam haar in en veroverde ook de omliggende steden. Hij doodde de koning en alle inwoners. De Israëlieten brachten iedereen om, Jozua liet geen mens in leven. Wat hij met Hebron en Libna en de koningen ervan had gedaan, deed hij ook met Debir en zijn koning. </VERS>
      <VERS vnumber="40">Zo veroverde Jozua het volgende gebied: het bergland, de Negev, het heuvelland en de streek van de rotskloven. Hij liet geen enkele koning in leven, hij bracht iedereen die er woonde om, zoals de HEER, de God van Israël, had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="41">Jozua trok van Kades-Barnea tot aan Gaza en van het hele gebied rond Gosen tot aan Gibeon, en hij doodde er iedereen. </VERS>
      <VERS vnumber="42">Hij veroverde de gebieden van al die koningen op één veldtocht doordat de HEER, de God van Israël, voor Israël streed. </VERS>
      <VERS vnumber="43">Daarna keerde Jozua met het leger terug naar het kamp bij Gilgal. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="11">
      <VERS vnumber="1">Toen Jabin, de koning van Hasor, van Israëls zegetocht hoorde, stuurde hij boden naar Jobab, de koning van Madon, naar de koningen van Simron en Achsaf </VERS>
      <VERS vnumber="2">en naar de overige koningen van het noorden: het bergland, de Jordaanvallei ten zuiden van het Meer van Kinneret, het heuvelland en het kustgebied van Dor in het westen. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Het betrof de koningen van de Kanaänieten in het oosten en het westen, de Amorieten, de Hethieten, de Perizzieten, de Jebusieten in het bergland en de Chiwwieten aan de voet van de Hermon, in de streek van Mispa. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Die koningen trokken met hun legers ten strijde: het was een onafzienbare menigte soldaten, zo talrijk als zandkorrels aan de zee, met een groot aantal paarden en strijdwagens. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Al die koningen troffen elkaar bij de bronnen van Merom, waar ze hun kamp opsloegen. Daar kwamen ze samen om de strijd aan te binden tegen Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Maar de HEER zei tegen Jozua: 'Je hoeft niet bang voor ze te zijn. Ik zorg ervoor dat jullie ze morgen om deze tijd allemaal dood op de grond zien liggen. Dan moet je hun paarden de pezen doorsnijden en hun strijdwagens verbranden.' </VERS>
      <VERS vnumber="7">Jozua ging toen met zijn leger de strijd met hen aan. De Israëlieten verrasten hen in een plotselinge aanval bij de bronnen van Merom, </VERS>
      <VERS vnumber="8">en de HEER leverde hen uit aan Israël. Ze brachten hun een nederlaag toe en achtervolgden hen tot aan Groot-Sidon, Misrefot-Maïm en de Mispevallei in het oosten. Ze doodden hen tot er niemand meer over was. </VERS>
      <VERS vnumber="9">En Jozua deed wat de HEER hem had opgedragen: hij liet hun paarden de pezen doorsnijden en hun strijdwagens verbranden. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Op zijn terugtocht ging Jozua naar Hasor. Die stad was destijds de machtigste van al die koninkrijken en dus nam Jozua haar in en doodde hij de koning. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Hij doodde bovendien alle inwoners. De Israëlieten brachten iedereen die er woonde om, geen mens uitgezonderd. Jozua liet Hasor in vlammen opgaan </VERS>
      <VERS vnumber="12">en daarna nam hij de steden van de andere koningen in. Hij nam hen gevangen en doodde hen, en doodde eveneens alle inwoners. Hij bracht iedereen om, zoals Mozes, de dienaar van de HEER, had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Maar Jozua liet alleen Hasor verbranden; alle andere, nu nog bestaande steden werden door de Israëlieten niet verbrand. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Van deze steden maakten ze de goederen en het vee voor zichzelf buit, ze doodden echter alle mensen. Ze roeiden de inwoners zonder uitzondering uit. </VERS>
      <VERS vnumber="15">De HEER had dit aan zijn dienaar Mozes opgedragen, en Mozes had het aan Jozua opgedragen, en Jozua voerde het uit. Hij liet niets achterwege van wat de HEER aan Mozes had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Zo veroverde Jozua het hele land: de bergen van Juda, de hele Negev, het hele gebied rond Gosen, het heuvelland, de Jordaanvallei en de bergen van Israël met hun uitlopers. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Dit is het gebied vanaf de Kale Bergen, die oplopen naar Seïr, tot aan Baäl-Gad in de Libanonvallei aan de voet van het Hermongebergte. Jozua nam alle koningen gevangen en doodde hen zonder uitzondering. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Hij voerde lange tijd oorlog tegen die koningen, </VERS>
      <VERS vnumber="19">want er was geen enkele stad die een vredesverdrag met de Israëlieten had gesloten, behalve Gibeon, de stad van de Chiwwieten. Er viel Israël niets zonder slag of stoot in handen. </VERS>
      <VERS vnumber="20">De HEER had namelijk alle volken zo eigenzinnig gemaakt dat ze hoe dan ook oorlog tegen Israël wilden voeren. Daarom hoefden de Israëlieten die volken niet te sparen en konden ze die vernietigen. Ja, zo konden ze die volken uitroeien, zoals de HEER aan Mozes had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Jozua roeide in die tijd ook de Enakieten uit die in de bergen van Juda woonden, in Hebron, Debir en Anab, en in de bergen van Israël. Hij doodde hen en liet hun steden aan de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Er bleven in het land van Israël geen Enakieten meer over, behalve in Gaza, Gat en Asdod. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Nadat Jozua het hele land veroverd had, zoals de HEER aan Mozes had opgedragen, gaf hij het Israël als grondgebied volgens de indeling in stammen. Hiermee eindigde de oorlog. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="12">
      <VERS vnumber="1">De Israëlieten veroverden eerst het gebied ten oosten van de Jordaan, van het Arnondal tot aan het Hermongebergte met de oostkant van de Jordaanvallei. Ze versloegen de twee volgende koningen: </VERS>
      <VERS vnumber="2">Koning Sichon van de Amorieten, die in Chesbon zetelde. Hij heerste vanaf Aroër aan de rand van het Arnondal, beter gezegd, vanaf de middenloop van de Arnon, tot aan het dal van de Jabbok, dat de grens met het land van de Ammonieten vormde. Zijn gebied omvatte de ene helft van Gilead </VERS>
      <VERS vnumber="3">en dat deel van de Jordaanvallei dat zich vanaf de oostkant van het Meer van Kinneret uitstrekte tot aan de oostkant van de Zoutzee, ofwel de Dode Zee, tot aan Bet-Hajjesimot. Verder liep het in zuidelijke richting tot aan de rotskloven van de Pisga, </VERS>
      <VERS vnumber="4">die een natuurlijke grens vormden. En koning Og van Basan, die nog van de Refaïeten afstamde en in Astarot en Edreï zetelde. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Hij heerste over het Hermongebergte, Salka en heel Basan tot aan de gebieden Gesur en Maächa, en verder over de andere helft van Gilead tot aan het gebied van koning Sichon uit Chesbon. </VERS>
      <VERS vnumber="6">De Israëlieten hebben deze twee koningen verslagen onder aanvoering van Mozes, de dienaar van de HEER. Mozes gaf hun gebieden in bezit aan de stammen Ruben en Gad en de eerste helft van de stam Manasse. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Daarna veroverde Israël onder aanvoering van Jozua het gebied ten westen van de Jordaan, van Baäl-Gad in de Libanonvallei tot aan de Kale Bergen, die oplopen naar Seïr. Jozua gaf Israël dit gebied in bezit volgens de indeling in stammen. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Het omvatte het bergland, het heuvelland, de westkant van de Jordaanvallei, de streek van de rotskloven, de woestijn en de Negev. Dit waren de gebieden van de Hethieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Perizzieten, de Chiwwieten en de Jebusieten. Israël versloeg de volgende koningen: </VERS>
      <VERS vnumber="9">die van Jericho, Ai (dat vlak bij Betel ligt), </VERS>
      <VERS vnumber="10">Jeruzalem, Hebron, </VERS>
      <VERS vnumber="11">Jarmut, Lachis, </VERS>
      <VERS vnumber="12">Eglon, Gezer, </VERS>
      <VERS vnumber="13">Debir, Geder, </VERS>
      <VERS vnumber="14">Chorma, Arad, </VERS>
      <VERS vnumber="15">Libna, Adullam, </VERS>
      <VERS vnumber="16">Makkeda, Betel, </VERS>
      <VERS vnumber="17">Tappuach, Chefer, </VERS>
      <VERS vnumber="18">Afek en de koning van de Saronvlakte, </VERS>
      <VERS vnumber="19">die van Madon, Hasor, </VERS>
      <VERS vnumber="20">Simron-Meron, Achsaf, </VERS>
      <VERS vnumber="21">Taänach, Megiddo, </VERS>
      <VERS vnumber="22">Kedes, Jokneam (bij de Karmel), </VERS>
      <VERS vnumber="23">Dor (in het kustgebied van die stad), Goïm (in Galilea) </VERS>
      <VERS vnumber="24">en Tirsa. In totaal eenendertig koningen. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="13">
      <VERS vnumber="1">Toen Jozua op hoge leeftijd was gekomen, zei de HEER tegen hem: 'Je bent nu oud, maar er wacht nog heel veel land dat veroverd moet worden. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Dit zijn de overgebleven gebieden: Allereerst alle streken waar de Filistijnen en de Gesurieten wonen, </VERS>
      <VERS vnumber="3">vanaf de wadi die de oostgrens van Egypte vormt tot aan Ekron in het noorden. Dit hele gebied wordt tot Kanaän gerekend. Het wordt geregeerd door de vijf stadsvorsten van de Filistijnen: die van Gaza, Asdod, Askelon, Gat en Ekron. Ook de Awwieten wonen er, </VERS>
      <VERS vnumber="4">ten zuiden van de Filistijnen. Verder is er het hele gebied van de Kanaänieten vanaf Ara, een stad van de Sidoniërs, tot aan Afek op de grens met het land van de Amorieten. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Er is bovendien het land van de Giblieten en, ten oosten daarvan, de hele Libanon vanaf Baäl-Gad aan de voet van de Hermon tot aan Lebo-Hamat; </VERS>
      <VERS vnumber="6">kortom, het hele berggebied van de Libanon tot aan Misrefot-Maïm, dus met inbegrip van de streek waar de Sidoniërs wonen. Ik zal al die volken zelf voor Israël verdrijven. Jij hoeft het land alleen maar door loting onder de Israëlieten te verdelen, zoals ik je heb opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Verdeel het daarom in gebieden voor de negen overgebleven stammen en de tweede helft van de stam Manasse.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">De stammen Ruben en Gad en de eerste helft van de stam Manasse hadden reeds het grondgebied ontvangen dat Mozes, de dienaar van de HEER, hun ten oosten van de Jordaan had toegewezen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">(9-10) Het liep vanaf de stad Aroër aan de rand van het Arnondal, beter gezegd, vanaf de stad die in het dal zelf ligt, tot aan het land van de Ammonieten en omvatte de hele hoogvlakte van Medeba tot Dibon, met alle steden van koning Sichon van de Amorieten, die in Chesbon heerste. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Verder omvatte het Gilead en de gebieden Gesur en Maächa, het hele Hermongebergte en heel Basan tot aan Salka; </VERS>
      <VERS vnumber="12">kortom, het hele rijk van koning Og uit Basan, die in Astarot en Edreï heerste en nog van de Refaïeten afstamde. Mozes had de Amorieten verslagen en uitgeroeid. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Maar Israël roeide de Gesurieten en de Maächatieten niet uit, zodat deze volken in hun midden bleven wonen, tot op de dag van vandaag. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Mozes had de Levieten geen grondgebied toegewezen. Zij zouden mogen delen in de offergaven aan de HEER, de God van Israël, zoals hij hun had beloofd. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Mozes had aan de families van de stam Ruben het volgende grondgebied toegewezen: </VERS>
      <VERS vnumber="16">Het begon bij de stad Aroër aan de rand van het Arnondal, beter gezegd, bij de stad die in het dal zelf ligt, en omvatte verder de hele hoogvlakte tot aan Medeba, </VERS>
      <VERS vnumber="17">dat wil zeggen Chesbon met de omliggende steden; verder Dibon, Bamot-Baäl, Bet-Baäl-Meon, </VERS>
      <VERS vnumber="18">Jahas, Kedemot, Mefaät, </VERS>
      <VERS vnumber="19">Kirjataïm, Sibma en Seret-Hassachar, dat in de uitlopers van de bergen ligt. </VERS>
      <VERS vnumber="20">En verder nog Bet-Peor, de rotskloven van de Pisga en Bet-Hajjesimot. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Kortom, alle steden op de hoogvlakte, ofwel het hele rijk van Sichon, de koning van de Amorieten, die in Chesbon heerste en door Mozes verslagen was. (Mozes versloeg tegelijk de Midjanitische stamhoofden Ewi, Rekem, Sur, Chur en Reba, die in Sichons rijk woonden en diens legeraanvoerders waren. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Bovendien hadden de Israëlieten de waarzegger Bileam, de zoon van Beor, gedood.) </VERS>
      <VERS vnumber="23">Dit was het gebied dat met alle steden en dorpen toebehoorde aan de families van de stam Ruben. De natuurlijke grens werd gevormd door de Jordaan. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Mozes had aan de stam Gad, aan de families van die stam, het volgende grondgebied toegewezen: </VERS>
      <VERS vnumber="25">(25-26) Het begon even boven Chesbon en strekte zich uit tot aan Ramat-Hammispe en Betonim, en vanaf Machanaïm tot aan het gebied rond Lo-Debar. Het omvatte Jazer, alle steden van Gilead en de helft van het land van de Ammonieten tot aan Aroër bij Rabba. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Het omvatte bovendien een aantal steden in de Jordaanvallei: Bet-Haram, Bet-Nimra, Sukkot en Safon. Kortom, de rest van het rijk van Sichon, de koning van Chesbon, ten oosten van de Jordaan. Hierbij vormde de Jordaan de natuurlijke grens, precies tot de zuidkant van het Meer van Kinneret. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Dit was het gebied dat met alle steden en dorpen toebehoorde aan de families van de stam Gad. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Mozes had aan de families van de eerste helft van de stam Manasse het volgende grondgebied toegewezen: </VERS>
      <VERS vnumber="30">Het strekte zich uit ten noorden van Machanaïm en omvatte heel Basan, dus het hele rijk van koning Og, met inbegrip van alle dorpen van Jaïr, zo'n zestig nederzettingen. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Verder omvatte het de helft van Gilead en de beide koningssteden die Og in Basan had: Astarot en Edreï. Dit was het gebied dat toebehoorde aan de eerste helft van de families die van Manasses zoon Machir afstamden. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Tot zover de gebieden die Mozes op de vlakte van Moab, ten oosten van de Jordaan en Jericho, had verdeeld. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Hij wees de stam van de Levieten echter geen grondgebied toe. Zij zouden mogen bestaan van de dienst aan de HEER, de God van Israël, zoals hij hun had beloofd. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="14">
      <VERS vnumber="1">(1-2) Dan volgen nu de gebieden die de Israëlieten in Kanaän in bezit kregen en die door de priester Eleazar, door Jozua, de zoon van Nun, en door de stamhoofden van Israël door loting werden toegewezen aan de tweede helft van de stam Manasse en aan de negen andere stammen, zoals de HEER hun bij monde van Mozes had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="3">(3-4) Er waren nog negeneneenhalve stam overgebleven. Dit kwam doordat Mozes aan de eerste helft van Manasse en aan Ruben en Gad al een gebied had toegewezen ten oosten van de Jordaan, doordat Jozefs nakomelingen twee stammen vormden, Manasse en Efraïm, en doordat de Levieten nergens grondgebied kregen, maar alleen steden om in te wonen en weidegronden voor hun vee. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Kortom, de Israëlieten gingen bij de verdeling van het land precies zo te werk als de HEER aan Mozes had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Er kwamen enige mannen van de stam Juda bij Jozua in Gilgal. Een van hen was Kaleb, een Kenizziet, een zoon van Jefunne. Hij zei tegen Jozua: 'U weet wat de HEER aan Mozes, de godsman, in Kades-Barnea over ons beiden heeft gezegd. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Ik was veertig jaar oud toen Mozes, de dienaar van de HEER, mij er vanuit Kades-Barnea op uitstuurde om dit land te verkennen. Ik bracht hem naar eer en geweten verslag uit. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Mijn metgezellen joegen ons volk de schrik op het lijf, maar ik bleef volledig op de HEER, mijn God, vertrouwen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Mozes beloofde me toen: "Omdat je op de HEER, mijn God, bent blijven vertrouwen, zweer ik je dat de hele streek die je hebt verkend voor altijd het grondgebied van jou en je nageslacht zal zijn." </VERS>
      <VERS vnumber="10">Welnu, de HEER heeft mijn leven gespaard, zoals hij had beloofd. Het is nu vijfenveertig jaar geleden dat hij Mozes die belofte gaf, toen Israël nog door de woestijn trok. Ik ben nu vijfentachtig jaar oud, </VERS>
      <VERS vnumber="11">maar nog altijd even sterk als op de dag dat Mozes me op verkenning stuurde. Ik ben nog even goed als toen in staat te vechten en het bevel te voeren. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Geef me dus dit bergland dat de HEER me indertijd heeft beloofd. U hebt toen toch gehoord dat er Enakieten wonen, in grote en versterkte steden? Als de HEER me maar bijstaat zal ik ze wel meester worden, zoals hij heeft beloofd.' </VERS>
      <VERS vnumber="13">Nadat Kaleb dit had gezegd, zegende Jozua hem en gaf hem Hebron als grondgebied. </VERS>
      <VERS vnumber="14">(14-15) Hebron heette destijds Kirjat-Arba, naar Arba, de grootste reus onder de Enakieten. Omdat Kaleb, een Kenizziet, een zoon van Jefunne, op de HEER, de God van Israël, was blijven vertrouwen, kregen hij en zijn nageslacht Hebron als grondgebied, tot op de dag van vandaag. Hiermee eindigde de oorlog. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="15">
      <VERS vnumber="1">Het grondgebied dat door loting aan de families van de stam Juda werd toegewezen, lag in het uiterste zuiden. Het strekte zich uit tot in de woestijn van Sin, waar de grens met Edom liep. </VERS>
      <VERS vnumber="2">De zuidgrens begon bij het zuidelijkste punt van de Zoutzee, </VERS>
      <VERS vnumber="3">liep vervolgens zuidelijk langs de Schorpioenenpas, ging verder naar Sin en liep daarna ten zuiden van Kades-Barnea omhoog. Vervolgens liep de grens naar Chesron en ging hij verder omhoog naar Addar. Hij boog af naar Karka, </VERS>
      <VERS vnumber="4">ging naar Asmon en bereikte de wadi die de grens met Egypte vormde. Van daar liep hij rechtstreeks naar de zee. (Deze grens moet voor heel Israël de zuidgrens zijn.) </VERS>
      <VERS vnumber="5">De oostgrens werd gevormd door de Zoutzee tot aan de monding van de Jordaan. De noordgrens begon bij de noordkant van de Zoutzee, bij de monding van de Jordaan. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Hij liep naar Bet-Chogla, passeerde Bet-Araba aan de noordkant en ging omhoog in de richting van de rots van Bohan. (Bohan was een nakomeling van Ruben.) </VERS>
      <VERS vnumber="7">Vervolgens liep hij vanuit het Achordal omhoog naar Debir en boog in noordelijke richting af naar Gilgal, dat tegenover de Adummimpas ligt, ten zuiden van de wadi. Hij ging naar de Semesbron en van daar rechtstreeks naar de Rogelbron. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Vervolgens liep de grens via het Ben-Hinnomdal om het zuiden van de heuvelrug waarop Jebus lag (het huidige Jeruzalem). Daarna ging hij omhoog naar de top van de berg die westelijk van het Hinnomdal en noordelijk van de vallei van Refaïm ligt. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Van daar liep hij in een lichte bocht naar de bron van Me-Neftoach, daarna naar Ijjim in het berggebied van Efron, en vervolgens in een lichte bocht naar Baäla (het huidige Kirjat-Jearim). </VERS>
      <VERS vnumber="10">Bij Baäla boog de grens af naar het westen, naar de bergen van Seïr. Vervolgens passeerde hij de noordkant van de beboste heuvelrug waarop Kesalon ligt, daalde naar Bet-Semes en liep door naar Timna. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Hij passeerde de noordkant van de heuvelrug van Ekron, maakte een lichte bocht naar Sikkaron en liep via de berg van Baäla naar Jabneël en van daar rechtstreeks naar de zee. </VERS>
      <VERS vnumber="12">De westgrens werd op natuurlijke wijze gevormd door de Grote Zee. Dit waren de grenzen van het grondgebied van de families van de stam Juda. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Jozua wees, zoals de HEER hem had opgedragen, een deel van Juda's grondgebied toe aan Kaleb, de zoon van Jefunne: hij kreeg Hebron, dat toen nog Kirjat-Arba heette, naar Arba, de vader van Enak. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Kaleb verdreef er de drie zonen van Enak: Sesai, Achiman en Talmai; </VERS>
      <VERS vnumber="15">vervolgens trok hij op tegen Debir, dat toen nog Kirjat-Sefer heette. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Kaleb beloofde: 'Wie Kirjat-Sefer verovert zal ik mijn dochter Achsa tot vrouw geven.' </VERS>
      <VERS vnumber="17">Otniël, een zoon van Kalebs broer Kenaz, veroverde de stad en kreeg Achsa tot vrouw. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Bij haar aankomst spoorde Achsa hem aan om aan haar vader een stuk vruchtbaar land te vragen. Toen ze van haar ezel was afgestegen, vroeg Kaleb haar wat ze verlangde. </VERS>
      <VERS vnumber="19">'Geef me toch een geschenk waar ik wat aan heb, 'antwoordde ze. 'U hebt me dit dorre stuk land gegeven, geef me dan ook bronnen.' Hierop gaf Kaleb haar zowel de hoog- als de laaggelegen bronnen. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Dit was het grondgebied van de families van de stam Juda. </VERS>
      <VERS vnumber="21">In het gebied van de stam Juda lagen de volgende steden: In het uiterste zuiden bij de grens met Edom, dus in de Negev: Kabseël, Eder, Jagur, </VERS>
      <VERS vnumber="22">Kina, Dimona, Adada, </VERS>
      <VERS vnumber="23">Kedes, Hasor, Jitnan, </VERS>
      <VERS vnumber="24">Zif, Telem, Bealot, </VERS>
      <VERS vnumber="25">Chasor-Chadatta, Keriot-Chesron (dat ook Hasor genoemd wordt), </VERS>
      <VERS vnumber="26">Amam, Sema, Molada, </VERS>
      <VERS vnumber="27">Chasar-Gadda, Chesmon, Bet-Pelet, </VERS>
      <VERS vnumber="28">Chasar-Sual, Berseba met de omliggende dorpen, </VERS>
      <VERS vnumber="29">Baäla, Ijjim, Esem, </VERS>
      <VERS vnumber="30">Eltolad, Kesil, Chorma, </VERS>
      <VERS vnumber="31">Siklag, Madmanna, Sansanna, </VERS>
      <VERS vnumber="32">Lebaot, Silchim, Aïn en Rimmon. In totaal negenentwintig steden met de omliggende dorpen. </VERS>
      <VERS vnumber="33">In het heuvelland: Estaol, Sora, Asna, </VERS>
      <VERS vnumber="34">Zanoach, En-Gannim, Tappuach, Enam, </VERS>
      <VERS vnumber="35">Jarmut, Adullam, Socho, Azeka, </VERS>
      <VERS vnumber="36">Saäraïm, Aditaïm, Gedera en Gederotaïm. Veertien steden met de omliggende dorpen. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Verder Senan, Chadasa, Migdal-Gad, </VERS>
      <VERS vnumber="38">Dilan, Mispe, Jokteël, </VERS>
      <VERS vnumber="39">Lachis, Boskat, Eglon, </VERS>
      <VERS vnumber="40">Kabbon, Lachmas, Kitlis, </VERS>
      <VERS vnumber="41">Gederot, Bet-Dagon, Naäma en Makkeda. Zestien steden met de omliggende dorpen. </VERS>
      <VERS vnumber="42">Verder Libna, Eter, Asan, </VERS>
      <VERS vnumber="43">Jiftach, Asna, Nesib, </VERS>
      <VERS vnumber="44">Keïla, Achzib en Maresa. Negen steden met de omliggende dorpen. </VERS>
      <VERS vnumber="45">Verder Ekron met de omliggende dorpen en gehuchten, </VERS>
      <VERS vnumber="46">alle dorpen tussen Ekron en de zee, alle dorpen en gehuchten rond Asdod, </VERS>
      <VERS vnumber="47">Asdod en Gaza met de omliggende dorpen en gehuchten tot aan de wadi die de grens met Egypte vormde, en verder tot aan de Grote Zee, die een natuurlijke grens vormde. </VERS>
      <VERS vnumber="48">In het bergland: Samir, Jattir, Socho, </VERS>
      <VERS vnumber="49">Danna, Kirjat-Sefer (het huidige Debir), </VERS>
      <VERS vnumber="50">Anab, Estemoa, Anim, </VERS>
      <VERS vnumber="51">Gosen, Cholon en Gilo. Elf steden met de omliggende dorpen. </VERS>
      <VERS vnumber="52">Verder Arab, Ruma, Esan, </VERS>
      <VERS vnumber="53">Janum, Bet-Tappuach, Afeka, </VERS>
      <VERS vnumber="54">Chumta, Kirjat-Arba (het huidige Hebron) en Sior. Negen steden met de omliggende dorpen. </VERS>
      <VERS vnumber="55">Verder Maon, Karmel, Zif, Jutta, </VERS>
      <VERS vnumber="56">Jizreël, Jokdeam, Zanoach, </VERS>
      <VERS vnumber="57">Kaïn, Gibea en Timna. Tien steden met de omliggende dorpen. </VERS>
      <VERS vnumber="58">Verder Chalchul, Bet-Sur, Gedor, </VERS>
      <VERS vnumber="59">Maärat, Bet-Anot en Eltekon. Zes steden met de omliggende dorpen. </VERS>
      <VERS vnumber="60">Verder Kirjat-Baäl (het huidige Kirjat-Jearim) en Rabba. Twee steden met de omliggende dorpen. </VERS>
      <VERS vnumber="61">In de woestijn: Bet-Araba, Middin, Sechacha, </VERS>
      <VERS vnumber="62">Nibsan, Ir-Hammelach en Engedi. Zes steden met de omliggende dorpen. </VERS>
      <VERS vnumber="63">Maar de inwoners van Jeruzalem, de Jebusieten, konden door de stam Juda niet worden verdreven; ze wonen tot op de dag van vandaag te midden van de nakomelingen van Juda in Jeruzalem. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="16">
      <VERS vnumber="1">Het lot wees de nakomelingen van Jozef het volgende grondgebied toe: de zuidgrens begon bij de Jordaan, ter hoogte van Jericho. Hij liep vervolgens oostelijk langs de bronnen van Jericho, ging door de bergen van de woestijn en kwam bij Betel. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Van daar liep hij naar Luz en vervolgens naar Atarot, dat in het gebied van de Arkieten ligt. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Daarna daalde de grens naar het westen: hij liep eerst door het gebied van de Jafletieten, daarna door de streek rond Laag-Bet-Choron, vervolgens kwam hij bij Gezer en ten slotte eindigde hij bij de zee. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Dit was het grondgebied dat de nakomelingen van Jozef, de stammen Manasse en Efraïm, in bezit kregen. </VERS>
      <VERS vnumber="5">De families van de stam Efraïm kregen het volgende grondgebied: De zuidgrens begon ten oosten van Atrot-Addar, liep naar Hoog-Bet-Choron </VERS>
      <VERS vnumber="6">en eindigde bij de zee. De oostgrens begon bij Michmetat in het noorden. Hij liep in zuidoostelijke richting naar Taänat-Silo, passeerde die stad in het oosten en liep verder naar Janoach. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Vervolgens daalde hij naar Atarot en Naära, ging vlak langs Jericho en eindigde bij de Jordaan. </VERS>
      <VERS vnumber="8">De noordgrens liep vanaf Tappuach via de wadi Kana naar het westen. Hij eindigde bij de zee. Dit was het grondgebied van de families van de stam Efraïm. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Verder kregen ze nog enkele steden in het gebied van Manasse, met inbegrip van de omliggende dorpen. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Maar de Kanaänieten uit Gezer konden ze niet verdrijven; die bleven in hun midden wonen, tot op de dag van vandaag. Ze werden echter gedwongen tot herendienst. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="17">
      <VERS vnumber="1">Het lot werd ook geworpen voor de stam Manasse. Manasse was Jozefs oudste zoon. De oudste zoon van Manasse zelf was Machir, de vader van Gilead. Omdat Machir een krijgshaftig man was, had hij al eerder de streken Gilead en Basan gekregen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Het lot wees nu ook grondgebied toe aan de overige mannelijke nakomelingen van Manasse en hun families. Het waren Abiëzer, Chelek, Asriël, Sechem, Chefer en Semida. Zij, de mannelijke nakomelingen van Jozefs zoon Manasse, zijn de stamvaders van de families van Manasse. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Maar Selofchad, die een zoon was van Chefer, de zoon van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse-Selofchad had geen zonen, maar alleen dochters. Hun namen waren Machla, Noa, Chogla, Milka en Tirsa. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Ze verschenen voor de priester Eleazar, voor Jozua, de zoon van Nun, en voor de stamhoofden en zeiden tegen hen: 'U bent toch niet vergeten dat de HEER aan Mozes heeft opgedragen om ons net als onze ooms een deel van het land te geven?' Jozua gaf hun toen vanwege deze opdracht van de HEER een deel van het land, net als hun ooms. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Zo werd het grondgebied van Manasse-uitgezonderd het oostelijk van de Jordaan gelegen Gilead en Basan-in tien stukken verdeeld, </VERS>
      <VERS vnumber="6">want de vrouwen van die stam kregen net als de mannen een deel van het land. Maar Gilead was voor de overige nakomelingen van Manasse. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Het grondgebied van Manasse liep van het gebied van de stam Aser tot aan Michmetat, dat bij Sichem ligt. Van daar liep de zuidgrens naar Jasib en En-Tappuach. </VERS>
      <VERS vnumber="8">De streek bij Tappuach behoorde aan Manasse, maar Tappuach zelf, dat precies op de grens van Manasse lag, behoorde aan Efraïm. </VERS>
      <VERS vnumber="9">(9-10) De grens daalde vervolgens naar de wadi Kana, liep via de zuidkant ervan verder en eindigde bij de zee. Dus het gebied ten zuiden van de wadi Kana behoorde aan Efraïm, het gebied ten noorden ervan aan Manasse. Er lagen echter tussen de steden van Manasse ook enkele steden die van Efraïm waren. Het gebied van Manasse grensde in het westen aan de zee, in het noordwesten aan het gebied van Aser en in het noordoosten aan dat van Issachar. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Verder kreeg Manasse in het gebied van Issachar en Aser een aantal steden met de omliggende dorpen: Bet-San, Jibleam, Dor, met een deel van de kust, Endor, Taänach en Megiddo. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Maar Manasse kon zich niet van deze steden meester maken; in dit gebied wisten de Kanaänieten zich te handhaven. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Toen de Israëlieten sterker werden, legden ze de Kanaänieten herendienst op, maar ze konden hen niet verdrijven. </VERS>
      <VERS vnumber="14">De nakomelingen van Jozef kwamen zich bij Jozua beklagen. 'Waarom, 'vroegen ze, 'hebt u voor ons het lot maar één keer geworpen en ons slechts het gebied van één stam toebedeeld? Wij zijn toch met zeer velen, omdat de HEER ons tot nu toe altijd heeft gezegend?' </VERS>
      <VERS vnumber="15">Jozua antwoordde hun: 'Als het bergland van Efraïm te klein voor u is omdat u met zo velen bent, ga dan naar de bossen van de Perizzieten en de Refaïeten. Daar kunt u voor uzelf land ontginnen.' </VERS>
      <VERS vnumber="16">De nakomelingen van Jozef zeiden echter: 'Ook dan is het bergland niet groot genoeg voor ons. En in de laagvlakte wonen de Kanaänieten. Die hebben allemaal ijzeren strijdwagens, zowel die uit Bet-San en de dorpen eromheen als die in de vallei van Jizreël.' </VERS>
      <VERS vnumber="17">Hierop antwoordde Jozua de twee stammen die Jozef als voorvader hadden, de stammen Efraïm en Manasse: 'U bent met zo velen en zo sterk, dat u uw gebied makkelijk kunt uitbreiden. </VERS>
      <VERS vnumber="18">U hebt toch bergen? En die bergen hebben toch bossen? Rooi die dan eerst! Dan krijgt u ook de uitlopers van het gebergte. En op den duur zult u ook de Kanaänieten kunnen verdrijven, ook al hebben die ijzeren strijdwagens en zijn ze sterk.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="18">
      <VERS vnumber="1">De hele volksvergadering van Israël kwam bijeen in Silo. Daar werd ook de ontmoetingstent opgezet. Het land was al veroverd, </VERS>
      <VERS vnumber="2">maar er waren zeven stammen overgebleven die hun grondgebied nog niet hadden verdeeld. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Jozua zei tegen de Israëlieten: 'Hoe lang moet die besluiteloosheid nog duren? Wanneer neemt u nu eindelijk het land in bezit dat de HEER, de God van uw voorouders, u geschonken heeft? </VERS>
      <VERS vnumber="4">Wijs per stam drie mannen aan. Die zal ik dan naar dat gebied sturen om het te verkennen en te beschrijven, zodat het kan worden verdeeld. Wanneer ze bij me teruggekomen zijn, </VERS>
      <VERS vnumber="5">moeten ze het in zeven gebieden verdelen. Het gebied van Juda in het zuiden moet echter blijven zoals het is, evenals dat van de nakomelingen van Jozef ten noorden daarvan. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Daarna moet u een beschrijving van die zeven gebieden maken en die aan mij geven. Ik zal dan hier in Silo ten overstaan van de HEER, onze God, het lot voor u werpen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Maar de Levieten zullen niet zoals u delen in het land; hun is het toebedeeld priesters van de HEER te zijn. Gad, Ruben en de eerste helft van Manasse hebben al eerder het grondgebied ontvangen dat Mozes, de dienaar van de HEER, hun ten oosten van de Jordaan heeft toegewezen.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">Jozua herhaalde deze opdracht tegen de mannen die het gebied gingen verkennen. Toen zij zich gereedmaakten om te vertrekken, zei hij tegen hen: 'Verken het gebied, beschrijf het en kom bij mij terug. Dan zal ik hier in Silo ten overstaan van de HEER het lot voor u werpen.' </VERS>
      <VERS vnumber="9">De mannen verkenden toen het gebied, maakten een lijst van de steden, verdeelden het gebied in zeven stukken en gingen terug naar het kamp in Silo, naar Jozua. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Deze wierp daar ten overstaan van de HEER het lot en verdeelde het land onder de Israëlieten volgens de indeling in stammen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Het eerste lot viel op de stam Benjamin. Het grondgebied dat aan de families van deze stam werd toegewezen, lag tussen de gebieden van Jozef en Juda. </VERS>
      <VERS vnumber="12">De noordgrens begon bij de Jordaan. Hij ging langs de noordkant van de heuvelrug bij Jericho omhoog, liep door de bergen naar het westen en kwam uit bij de woestijn van Bet-Awen. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Hij liep vervolgens naar Luz (het huidige Betel), ging zuidelijk langs de berg bij die stad, daalde naar Atrot-Addar en liep verder over de berg die ten zuiden van Laag-Bet-Choron ligt. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Daar maakte hij een bocht, waarmee hij overging in de westgrens. De westgrens liep vanaf de berg die ten zuiden van Bet-Choron ligt naar het zuiden tot aan de grens met Kirjat-Baäl (het huidige Kirjat-Jearim), een stad die aan de stam Juda toebehoorde. Zo liep de westgrens. </VERS>
      <VERS vnumber="15">De zuidgrens begon boven Kirjat-Jearim en liep van daar via Ijjim naar de bron van Me-Neftoach. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Hij daalde naar de voet van de berg die westelijk van het Ben-Hinnomdal en noordelijk van de vallei van Refaïm ligt, en daalde vervolgens verder naar het Hinnomdal. Via dat dal liep hij om het zuiden van de heuvelrug waarop Jebus lag. Hij daalde naar de Rogelbron </VERS>
      <VERS vnumber="17">en liep in een lichte bocht naar het noordoosten. Daarna ging hij in een rechte lijn naar de Semesbron en vervolgens naar Gelilot, dat tegenover de Adummimpas ligt, en daalde af naar de rots van Bohan. (Bohan was een nakomeling van Ruben.) </VERS>
      <VERS vnumber="18">De grens liep vervolgens langs de noordkant van de heuvelrug die ter hoogte van Bet-Araba ligt, daalde naar de Jordaanvallei, </VERS>
      <VERS vnumber="19">liep langs de noordkant van de heuvelrug die bij Bet-Chogla ligt en ging daarna in zuidelijke richting verder tot aan de monding van de Jordaan. Daar, bij de noordkant van de Zoutzee, eindigde hij. Zo liep de zuidgrens van de stam Benjamin. </VERS>
      <VERS vnumber="20">De oostgrens werd gevormd door de Jordaan. Dit waren de grenzen van het grondgebied dat aan de families van de stam Benjamin toebehoorde. </VERS>
      <VERS vnumber="21">In het gebied van de stam Benjamin lagen de volgende steden: Jericho, Bet-Chogla, Emek-Kesis, </VERS>
      <VERS vnumber="22">Bet-Araba, Semaraïm, Betel, </VERS>
      <VERS vnumber="23">Awwim, Para, Ofra, </VERS>
      <VERS vnumber="24">Kefar-Haämmoni, Ofni en Geba. Twaalf steden met de omliggende dorpen. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Verder Gibeon, Rama, Beërot, </VERS>
      <VERS vnumber="26">Mispa, Kefira, Mosa, </VERS>
      <VERS vnumber="27">Rekem, Jirpeël, Tarala, </VERS>
      <VERS vnumber="28">Sela, Elef en Jebus (het huidige Jeruzalem), Gibea en Kirjat-Jearim. Veertien steden met de omliggende dorpen. Dit was het grondgebied van de families van de stam Benjamin. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="19">
      <VERS vnumber="1">Het tweede lot viel op de stam Simeon. Het grondgebied dat aan de families van deze stam werd toegewezen, lag binnen het gebied van Juda. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Het omvatte Berseba, Sema, Molada, </VERS>
      <VERS vnumber="3">Chasar-Sual, Bala, Esem, </VERS>
      <VERS vnumber="4">Eltolad, Betul, Chorma, </VERS>
      <VERS vnumber="5">Siklag, Bet-Hammarkabot, Chasar-Susa, </VERS>
      <VERS vnumber="6">Bet-Lebaot en Saruchen. Dertien steden met de omliggende dorpen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">En verder Aïn, Rimmon, Eter en Asan. Vier steden met de omliggende dorpen. </VERS>
      <VERS vnumber="8">De dorpen rond al deze steden reikten helemaal tot aan Baälat-Beër en Ramat-Negev. Dit was het gebied dat toebehoorde aan de families van de stam Simeon. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Het vormde een afgescheiden deel van het gebied van Juda, dat voor die stam te groot was. Daarom kreeg Simeon een gebied binnen dat van Juda. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Het derde lot viel op de stam Zebulon. De zuidgrens van het grondgebied dat aan de families van deze stam werd toegewezen, begon bij Sarid. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Hij liep vervolgens in westelijke richting omhoog naar Marala, ging vlak langs Dabbeset en kwam precies uit bij de wadi die tegenover Jokneam ligt. </VERS>
      <VERS vnumber="12">De grens liep vanaf Sarid in oostelijke richting langs de streek rond Kislot-Tabor, ging rechtstreeks naar Daberat, ging omhoog naar Jafia </VERS>
      <VERS vnumber="13">en liep van daar verder naar het oosten. Hij passeerde Gat-Hachefer en Et-Kasin en liep rechtstreeks naar Rimmon. Vervolgens boog hij af naar Nea. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Daarna boog de grens opnieuw af ten noorden van Channaton, waarna hij uitkwam in de vallei van Jiftach-El. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Andere steden zijn Kattat, Nahalal, Simron, Jidala en Bet-Lechem. Twaalf steden met de omliggende dorpen. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Dit was het gebied dat met alle steden en dorpen toebehoorde aan de families van de stam Zebulon. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Het vierde lot wees de families van de stam Issachar het volgende grondgebied toe: </VERS>
      <VERS vnumber="18">De steden Jizreël, Kesullot, Sunem, </VERS>
      <VERS vnumber="19">Chafaraïm, Sion, Anacharat, </VERS>
      <VERS vnumber="20">Rabbit, Kisjon, Ebes, </VERS>
      <VERS vnumber="21">Remet, En-Gannim, En-Chadda en Bet-Passes. </VERS>
      <VERS vnumber="22">De grens van hun gebied liep vlak langs de Tabor, passeerde vervolgens Sachasim en Bet-Semes, en eindigde bij de Jordaan. Het omvatte zestien steden met de omliggende dorpen. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Dit was het gebied dat met alle steden en dorpen toebehoorde aan de families van de stam Issachar. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Het vijfde lot wees de families van de stam Aser het volgende grondgebied toe: </VERS>
      <VERS vnumber="25">De steden Chelkat, Chali, Beten, Achsaf, </VERS>
      <VERS vnumber="26">Allammelech, Amad en Misal. De grens van hun gebied liep helemaal langs de Karmel, via de rivier de Libnat, naar de zee. </VERS>
      <VERS vnumber="27">De andere kant op, in oostelijke richting, liep hij naar Bet-Dagon; daarna viel hij even ten noorden van het dal van Jiftach-El samen met de grens van Zebulon. Vervolgens ging hij in noordelijke richting naar Bet-Haëmek, Neïel en Kabul. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Andere steden daar zijn Abdon, Rechob, Chammon, Kana en Groot-Sidon. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Vanaf Groot-Sidon liep de grens terug in de richting van Rama, hij passeerde de vestingstad Tyrus, boog af naar Chosa en eindigde ten slotte bij de zee. Dit gebied omvatte verder de steden Machaleb, Achzib, </VERS>
      <VERS vnumber="30">Akko, Afek en Rechob. Tweeëntwintig steden met de omliggende dorpen. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Dit was het gebied dat met alle steden en dorpen toebehoorde aan de families van de stam Aser. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Het zesde lot wees de families van de stam Naftali het volgende grondgebied toe: </VERS>
      <VERS vnumber="33">De zuidgrens liep vanaf Chelef, vanaf de eik in Saänannim, via Adami-Nekeb en Jabneël naar Lakkum, waarna hij eindigde bij de Jordaan. </VERS>
      <VERS vnumber="34">De andere kant op, in westelijke richting, liep de grens vanaf Chelef naar Aznot-Tabor; van daar liep hij naar Chukok. Hij viel in het zuiden samen met de grens van Zebulon, in het westen met de grens van Aser, en in het oosten eindigde hij bij de Jordaan, bij Jehuda. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Dit gebied omvatte de vestingsteden Siddim, Ser, Chammat, Rakkat, Kinneret, </VERS>
      <VERS vnumber="36">Adama, Rama, Hasor, </VERS>
      <VERS vnumber="37">Kedes, Edreï, En-Chasor, </VERS>
      <VERS vnumber="38">Jiron, Migdal-El, Chorem, Bet-Anat en Bet-Semes. Negentien steden met de omliggende dorpen. </VERS>
      <VERS vnumber="39">Dit was het gebied dat met alle steden en dorpen toebehoorde aan de families van de stam Naftali. </VERS>
      <VERS vnumber="40">Het zevende lot wees de families van de stam Dan het volgende grondgebied toe: </VERS>
      <VERS vnumber="41">De steden Sora, Estaol, Ir-Semes, </VERS>
      <VERS vnumber="42">Saälabbin, Ajjalon, Jitla, </VERS>
      <VERS vnumber="43">Elon, Timna, Ekron, </VERS>
      <VERS vnumber="44">Elteke, Gibbeton, Baälat, </VERS>
      <VERS vnumber="45">Jehud, Bene-Berak, Gat-Rimmon, </VERS>
      <VERS vnumber="46">Me-Hajjarkon en Rakkon met het gebied tegenover Jafo. </VERS>
      <VERS vnumber="47">Maar de Danieten verloren hun gebied. Ze ondernamen daarom een veldtocht naar Lesem, namen die stad in en doodden iedereen die er woonde. Ze namen Lesem in bezit, vestigden zich in die stad en noemden haar Dan, naar hun stamvader. </VERS>
      <VERS vnumber="48">Dit was het gebied dat met alle steden en dorpen toebehoorde aan de families van de stam Dan. </VERS>
      <VERS vnumber="49">Toen de Israëlieten de verdeling van het land hadden voltooid, wezen ze ook een gebied toe aan Jozua, de zoon van Nun. </VERS>
      <VERS vnumber="50">Overeenkomstig de opdracht van de HEER gaven ze hem de stad waarom hij had gevraagd: Timnat-Serach in het bergland van Efraïm. Jozua bouwde die stad weer op en ging er wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="51">Tot zover de gebieden die de priester Eleazar, Jozua, de zoon van Nun, en de stamhoofden van Israël in Silo, voor de ingang van de ontmoetingstent, ten overstaan van de HEER, door loting hebben toegewezen. Daarmee was de verdeling van het land voltooid. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="20">
      <VERS vnumber="1">De HEER zei tegen Jozua: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Zeg tegen het volk van Israël dat het de vrijplaatsen moet aanwijzen waarover ik al bij monde van Mozes met jullie gesproken heb. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Iemand die per ongeluk, zonder enige opzet, een ander heeft gedood, kan daarheen uitwijken voor de bloedwreker. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Hij kan naar een van die steden vluchten en in de stadspoort zijn zaak aan de oudsten voorleggen. Ze moeten hem in hun stad opnemen en een plek geven waar hij kan wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Als de bloedwreker hem dan achterhaalt, mogen ze hem niet uitleveren. Tenslotte heeft hij zijn slachtoffer niet opzettelijk gedood en hem nooit gehaat. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Hij kan in de stad blijven tot hij voor de volksvergadering moet verschijnen, en wanneer hij vrijgesproken wordt mag hij er blijven wonen tot aan de dood van de dan zittende hogepriester. Daarna kan hij rustig huiswaarts keren naar de stad waaruit hij was gevlucht.' </VERS>
      <VERS vnumber="7">De Israëlieten verklaarden de volgende steden tot vrijplaats: Kedes in Galilea, in het bergland van Naftali; Sichem in het bergland van Efraïm; Kirjat-Arba (het huidige Hebron) in het bergland van Juda; </VERS>
      <VERS vnumber="8">Beser op het onontgonnen deel van de hoogvlakte ten oosten van de Jordaan, ter hoogte van Jericho, op het grondgebied van Ruben; Ramot in Gilead, op het grondgebied van Gad; en Golan in Basan, op het grondgebied van Manasse. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Dit waren voor alle Israëlieten en voor de vreemdelingen die bij hen woonden de aangewezen vrijplaatsen, waarheen iedereen kon vluchten die per ongeluk iemand had gedood. Zo zou hij niet door de bloedwreker kunnen worden gedood voordat hij voor de volksvergadering terechtgestaan had. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="21">
      <VERS vnumber="1">De familiehoofden van de Levieten kwamen in Silo, in Kanaän, bij de priester Eleazar, bij Jozua, de zoon van Nun, en bij de stamhoofden van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Ze zeiden tegen hen: 'De HEER heeft u bij monde van Mozes opgedragen ons steden te geven om in te wonen en weidegronden voor ons vee.' </VERS>
      <VERS vnumber="3">Hierop stonden de Israëlieten van hun eigen grondgebied een reeks steden en weidegronden af aan de Levieten, overeenkomstig deze opdracht van de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Er werden door loting eerst steden toegewezen aan de Levitische families die van Kehat afstamden. Hiervan kregen de nakomelingen van de priester Aäron dertien steden; deze kwamen van de stammen Juda, Simeon en Benjamin. </VERS>
      <VERS vnumber="5">De overige nakomelingen van Kehat kregen door loting tien steden toegewezen; deze kwamen van de families van de stammen Efraïm en Dan en van de tweede helft van de stam Manasse. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Vervolgens kregen de nakomelingen van Gerson door loting dertien steden toegewezen; deze kwamen van de families van de stammen Issachar, Aser en Naftali en van de eerste helft van de stam Manasse in Basan. </VERS>
      <VERS vnumber="7">De families die van Merari afstamden kregen twaalf steden toegewezen; deze kwamen van de stammen Ruben, Gad en Zebulon. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Zo wezen de Israëlieten door loting aan de Levieten een reeks steden en weidegronden toe, zoals de HEER hun bij monde van Mozes had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">(9-10) Het eerste lot viel op de families van de Kehatieten die nakomelingen waren van Aäron. Deze Levieten kregen de volgende, hieronder opgesomde steden van de stammen Juda en Simeon: </VERS>
      <VERS vnumber="11">Kirjat-Arba met de omliggende weidegronden, in het bergland van Juda. (Arba was de vader van Enak; Kirjat-Arba is het huidige Hebron.) </VERS>
      <VERS vnumber="12">De Israëlieten gaven echter de akkers rond deze stad en de omliggende dorpen aan Kaleb, de zoon van Jefunne. </VERS>
      <VERS vnumber="13">De nakomelingen van de priester Aäron kregen behalve Hebron (een vrijplaats ter bescherming tegen bloedwrekers) eveneens Libna, </VERS>
      <VERS vnumber="14">Jattir, Estemoa, </VERS>
      <VERS vnumber="15">Cholon, Debir, </VERS>
      <VERS vnumber="16">Asan, Jutta en Bet-Semes. Negen steden van de stammen Juda en Simeon, elk met de omliggende weidegronden. </VERS>
      <VERS vnumber="17">En van de stam Benjamin kregen ze Gibeon, Geba, </VERS>
      <VERS vnumber="18">Anatot en Almon. Vier steden, elk met de omliggende weidegronden. </VERS>
      <VERS vnumber="19">In totaal kregen de priesters, de nakomelingen van Aäron, dertien steden met de omliggende weidegronden. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Het lot wees de overige Levitische families die van Kehat afstamden de volgende steden van de stam Efraïm toe: </VERS>
      <VERS vnumber="21">Sichem in het bergland van Efraïm (een vrijplaats ter bescherming tegen bloedwrekers), Gezer, </VERS>
      <VERS vnumber="22">Kibsaïm en Bet-Choron. Vier steden, elk met de omliggende weidegronden. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Van de stam Dan kregen ze Elteke, Gibbeton, </VERS>
      <VERS vnumber="24">Ajjalon en Gat-Rimmon. Vier steden, elk met de omliggende weidegronden. </VERS>
      <VERS vnumber="25">En van de tweede helft van de stam Manasse kregen ze Taänach en Jibleam. Twee steden, beide met de omliggende weidegronden. </VERS>
      <VERS vnumber="26">In totaal kregen de overige families die van Kehat afstamden tien steden met de omliggende weidegronden. </VERS>
      <VERS vnumber="27">De Israëlieten gaven aan de Levitische families die van Gerson afstamden de volgende steden van de eerste helft van de stam Manasse: Golan in Basan (een vrijplaats ter bescherming tegen bloedwrekers) en Astarot. Twee steden, beide met de omliggende weidegronden. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Van de stam Issachar gaven ze Kisjon, Daberat, </VERS>
      <VERS vnumber="29">Jarmut en En-Gannim. Vier steden, elk met de omliggende weidegronden. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Verder Misal, Abdon, </VERS>
      <VERS vnumber="31">Chelkat en Rechob van de stam Aser. Vier steden, elk met de omliggende weidegronden. </VERS>
      <VERS vnumber="32">En van de stam Naftali gaven ze Kedes in Galilea (een vrijplaats ter bescherming tegen bloedwrekers), Chammot-Dor en Kartan. Drie steden, elk met de omliggende weidegronden. </VERS>
      <VERS vnumber="33">In totaal kregen de families die van Gerson afstamden dertien steden met de omliggende weidegronden. </VERS>
      <VERS vnumber="34">De Israëlieten gaven aan de families die van Merari afstamden, de Levieten die nog resteerden, de volgende steden van de stam Zebulon: Jokneam, Karta, </VERS>
      <VERS vnumber="35">Dimna en Nahalal. Vier steden, elk met de omliggende weidegronden. </VERS>
      <VERS vnumber="38">En van de stam Gad gaven ze Ramot in Gilead (een vrijplaats ter bescherming tegen bloedwrekers), Machanaïm, </VERS>
      <VERS vnumber="39">Chesbon en Jazer. Vier steden, elk met de omliggende weidegronden. </VERS>
      <VERS vnumber="40">In totaal kregen de families die van Merari afstamden, de nog resterende Levitische families, door loting twaalf steden toegewezen. </VERS>
      <VERS vnumber="41">Tot zover de steden die de Levieten op het grondgebied van Israël kregen toegewezen. In totaal achtenveertig steden met de omliggende weidegronden. </VERS>
      <VERS vnumber="42">Bij al deze steden moesten de omliggende weidegronden worden meegerekend; dit gold voor elke stad. </VERS>
      <VERS vnumber="43">Zo schonk de HEER Israël het hele land, zoals hij hun voorouders onder ede beloofd had. De Israëlieten namen het in bezit en gingen er wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="44">En de HEER gaf hun vrede aan al hun grenzen, precies zoals hij hun voorouders beloofd had. Geen van hun vijanden kon tegen hen standhouden, de HEER leverde al hun vijanden aan hen uit. </VERS>
      <VERS vnumber="45">Hij brak niet één van de beloften die hij Israël had gedaan. Hij deed ze alle gestand. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="22">
      <VERS vnumber="1">Jozua liet de stammen Ruben en Gad en de eerste helft van de stam Manasse bij zich komen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Hij zei tegen hen: 'U hebt alles gedaan wat Mozes, de dienaar van de HEER, u heeft opgedragen en u bent ook mij in alles gehoorzaam geweest. </VERS>
      <VERS vnumber="3">U hebt uw broeders al die jaren nooit in de steek gelaten, maar de opdracht die de HEER, uw God, u gegeven heeft getrouw uitgevoerd, tot op de dag van vandaag. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Nu heeft hij uw broeders vrede gegeven, zoals hij hun heeft beloofd. Ga daarom terug naar uw eigen woonplaatsen, ga naar uw eigen gebied dat Mozes, de dienaar van de HEER, u heeft toegewezen ten oosten van de Jordaan. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Maar houd u altijd aan de geboden die hij u in zijn onderricht gegeven heeft: heb de HEER, uw God, lief en volg de weg die hij u wijst, leef zijn geboden na, wees hem toegedaan en dien hem met hart en ziel.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">Hierna zegende Jozua hen en nam afscheid, waarna ze huiswaarts gingen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">(Aan de eerste helft van Manasse had Mozes al grondgebied in Basan toegewezen. Jozua wees aan de tweede helft een grondgebied toe bij dat van de andere stammen ten westen van de Jordaan.) Jozua zegende hen bij het afscheid </VERS>
      <VERS vnumber="8">met de woorden: 'Ga terug naar huis, beladen met vele rijkdommen, met zeer veel vee, met zilver en goud, koper, brons en ijzer, met kleding in overvloed, en deel deze oorlogsbuit met uw stamgenoten.' </VERS>
      <VERS vnumber="9">Hierop verlieten de nakomelingen van Ruben en Gad en de eerste helft van de stam Manasse de andere Israëlieten; vanuit Silo in Kanaän gingen ze terug naar Gilead, hun eigen gebied, om zich daar te vestigen, zoals de HEER hun bij monde van Mozes had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Toen ze bij de Jordaan waren gekomen bouwden ze, nog op de westelijke oever in Kanaän, een opvallend, groot altaar. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Dit kwam de andere Israëlieten ter ore. Ze hoorden dat Ruben, Gad en half Manasse op de oever van de Jordaan, aan de grens van Kanaän, een altaar hadden gebouwd. </VERS>
      <VERS vnumber="12">De volksvergadering werd bijeengeroepen in Silo en er werd besloten om tegen Ruben, Gad en half Manasse ten strijde te trekken. </VERS>
      <VERS vnumber="13">De Israëlieten stuurden echter eerst een afvaardiging naar hen toe. Deze bestond uit Pinechas, de zoon van de priester Eleazar, </VERS>
      <VERS vnumber="14">en tien vooraanstaande Israëlieten: familiehoofden die ook aan het hoofd van een stam stonden. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Toen ze in Gilead waren aangekomen, bij de nakomelingen van Ruben en Gad en de eerste helft van de stam Manasse, zeiden ze tegen hen: </VERS>
      <VERS vnumber="16">'Wij spreken namens het volk van de HEER. De volksvergadering wil weten waarom u de God van Israël ontrouw bent geworden door dat altaar te bouwen. Vanwaar deze ontrouw waarmee u zich van de HEER hebt afgekeerd en tegen hem in opstand bent gekomen? </VERS>
      <VERS vnumber="17">Waren de wandaden bij de Peor nog niet rampzalig genoeg voor ons? Daar hebben we ons tot op de dag van vandaag nog niet van gereinigd, en het volk van de HEER heeft er zwaar onder te lijden gehad. </VERS>
      <VERS vnumber="18">En nu wilt u zich opnieuw van de HEER afkeren? Zodra u tegen hem in opstand komt, treft zijn woede onmiddellijk het hele volk. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Is uw eigen land soms onrein? Kom dan naar het land van de HEER, waar hij zijn tabernakel heeft; kom bij ons wonen. Maar kom niet in opstand tegen de HEER; en kom ook niet in opstand tegen ons door nog een tweede altaar te bouwen, naast het altaar van de HEER, onze God. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Heeft Achan, de nakomeling van Zerach, zich soms niet vergrepen aan goederen waarop de ban van de HEER rustte? Trof de woede van de HEER toen niet het hele volk? Achan was niet de enige die om die misdaad stierf.' </VERS>
      <VERS vnumber="21">De stammen Ruben en Gad en de eerste helft van de stam Manasse antwoordden de stamhoofden van Israël: </VERS>
      <VERS vnumber="22">'Maar de God der goden, de HEER, weet Toch...en ook Israël moet weten dat wij beslist niet tegen hem in opstand zijn gekomen en hem niet ontrouw zijn geweest. Als het wel zo Is...heer, God der goden, trek dan onmiddellijk uw handen van ons af. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Als wij dit altaar inderdaad zouden hebben gebouwd om ons van de HEER af te keren, om er brand- of graanoffers op te brengen of vredeoffers, dan mag de HEER ons daarvoor laten boeten. </VERS>
      <VERS vnumber="24">We hebben het alleen maar uit voorzorg gedaan. We wilden voorkomen dat uw nakomelingen tegen die van ons zouden zeggen: "Wat hebt u eigenlijk met de HEER, de God van Israël, te maken? </VERS>
      <VERS vnumber="25">De HEER heeft immers tussen u, nakomelingen van Ruben en Gad, en ons de Jordaan als grens gesteld. U hoort helemaal niet bij de HEER." Kortom, we waren bang dat uw nakomelingen die van ons zouden beletten de HEER te dienen. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Daarom zeiden we tegen elkaar: "Laten we een eigen altaar bouwen." Het is geen altaar voor brandoffers en vredeoffers, </VERS>
      <VERS vnumber="27">maar een altaar dat kan getuigen van de afspraak tussen u en ons en onze nakomelingen. Want ook wij willen de HEER dienen bij zijn tabernakel en hem daar onze brandoffers en vredeoffers brengen. Dan kunnen uw nakomelingen nooit tegen die van ons zeggen dat ze niet bij de HEER horen. </VERS>
      <VERS vnumber="28">En als ze dat later toch zeggen, dan kunnen die van ons hun antwoorden: "Kijk, hier staat een kopie van het altaar van de HEER dat onze voorouders hebben gebouwd. Het dient niet voor brandoffers en vredeoffers, maar getuigt van de afspraak tussen u en ons." </VERS>
      <VERS vnumber="29">Werkelijk, het is verre van ons om tegen de HEER in opstand te komen en ons nu van hem af te keren door nog een tweede altaar voor brand- en graanoffers en vredeoffers te bouwen, naast het altaar van de HEER, onze God, dat voor zijn tabernakel staat.' </VERS>
      <VERS vnumber="30">Deze verklaring van Ruben, Gad en half Manasse stelde de priester Pinechas en de hoofden van de volksvergadering, de stamhoofden van Israël, gerust. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Pinechas, de zoon van de priester Eleazar, zei tegen hen: 'Nu weten we dat de HEER in ons midden is, want u bent hem niet ontrouw geweest. Met deze verklaring hebt u het volk van Israël voor zijn ingrijpen behoed.' </VERS>
      <VERS vnumber="32">Hierop namen Pinechas, de zoon van de priester Eleazar, en de stamhoofden afscheid van de Rubenieten en Gadieten en gingen van Gilead terug naar Kanaän, naar het volk van Israël. Ze brachten verslag uit, </VERS>
      <VERS vnumber="33">en ook de Israëlieten waren gerustgesteld. Ze prezen God en zagen ervan af tegen de Rubenieten en Gadieten ten strijde te trekken en hun gebied te verwoesten. </VERS>
      <VERS vnumber="34">De Rubenieten en Gadieten noemden het altaar 'Getuige'. 'Want, 'zeiden ze, 'het getuigt er voor u en voor ons van dat de HEER onze God is.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="23">
      <VERS vnumber="1">(1-2) De HEER had Israël aan alle grenzen rust gegeven door het volledig van zijn vijanden te verlossen. Vele jaren later riep Jozua, die toen op hoge leeftijd was gekomen, heel Israël, de oudsten, stamhoofden, rechters en griffiers bijeen. Hij zei tegen hen: 'Ik heb niet lang meer te leven. </VERS>
      <VERS vnumber="3">U hebt zelf kunnen zien wat de HEER, uw God, met al die volken heeft gedaan. Hij was het immers die voor u streed. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Ik heb voor uw stammen door loting het land verdeeld van de volken die ik heb uitgeroeid, van de Jordaan tot aan de Grote Zee in het westen; en eveneens het land van de volken die nog zijn overgebleven. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Die zal de HEER, uw God, zelf voor u verdrijven en uitroeien. Dan kunt u hun land in bezit nemen, zoals hij heeft beloofd. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Wees daarom zeer standvastig met betrekking tot de voorschriften van Mozes. Wijk daar op geen enkele manier van af. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Vermeng u niet met die vreemde volken die nog bij u overgebleven zijn. Neem de naam van hun goden niet in de mond en zweer er nooit bij, dien die niet en buig u nooit voor ze neer. </VERS>
      <VERS vnumber="8">U moet alleen de HEER, uw God, zijn toegedaan, zoals u dat tot nu toe bent geweest. </VERS>
      <VERS vnumber="9">De HEER roeide grote en machtige volken voor u uit, niemand kon tegen u standhouden, tot op de dag van vandaag. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Hoe vaak kwam het niet voor dat slechts een van u wel duizend man achtervolgde? Dat kwam doordat het de HEER was, uw God, die voor u streed, zoals hij had beloofd. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Daarom is het voor u van levensbelang hem lief te hebben. </VERS>
      <VERS vnumber="12">(12-13) Weet dat wanneer u zich van hem afwendt en bevriend raakt met die volken die nog bij u overgebleven zijn, wanneer u zich daarmee vermengt door huwelijken met ze aan te gaan, dan zal de HEER , uw God, die volken niet meer voor u uitroeien. Dan worden ze voor u een klapnet en een valstrik, een zweep die u geselt en een doorntak die u de ogen uitsteekt, net zolang tot u allemaal bent weggevaagd uit dit goede land dat de HEER , uw God, u gegeven heeft. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Luister. Nu ik de weg moet gaan die ieder mens wacht, moet u goed beseffen dat de HEER, uw God, geen van de beloften heeft gebroken die hij u heeft gedaan. Hij heeft ze alle gestand gedaan, hij heeft er niet één gebroken. </VERS>
      <VERS vnumber="15">(15-16) Maar zoals hij u de voorspoed heeft geschonken die hij had beloofd, zo zal hij elk mogelijk onheil over u brengen wanneer u de regels van het verbond overtreedt die hij u heeft opgelegd. Wanneer u andere goden gaat dienen en u voor ze neerbuigt, zal hij u wegvagen uit dit goede land dat hij u gegeven heeft. Dan zal zijn woede tegen u losbarsten en zult u heel snel worden weggevaagd uit dit goede land, dat u van hem gekregen hebt.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="24">
      <VERS vnumber="1">Jozua riep alle stammen van Israël bijeen in Sichem. Nadat hij de oudsten, stamhoofden, rechters en griffiers zich ten overstaan van God had laten opstellen, </VERS>
      <VERS vnumber="2">sprak hij tot het volk: 'Dit zegt de HEER, de God van Israël: Jullie voorouders woonden lang geleden ten oosten van de Eufraat. Het waren Terach en zijn zonen Abraham en Nachor. Ze dienden andere goden. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Maar ik heb jullie stamvader Abraham daar weggehaald en hem door heel Kanaän laten trekken. Ik schonk hem een groot aantal nakomelingen. Ik gaf hem Isaak als zoon </VERS>
      <VERS vnumber="4">en Isaak gaf ik Jakob en Esau. Esau kreeg van mij het Seïrgebergte in bezit, maar Jakob en zijn zonen trokken naar Egypte. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Ik stuurde Mozes en Aäron, teisterde Egypte, jullie weten hoe, en leidde jullie het land uit. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Ik heb jullie voorouders uit Egypte bevrijd. Ze kwamen bij de Rietzee, terwijl de Egyptenaren hen achtervolgden met strijdwagens en ruiters. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Toen riepen ze mij, de HEER, om hulp, en ik scheidde hen van de Egyptenaren door een zware duisternis en liet de Egyptenaren door de zee verzwelgen. Jullie hebben met eigen ogen gezien wat ik met hen heb gedaan. Vervolgens bleven jullie jarenlang in de woestijn, </VERS>
      <VERS vnumber="8">tot ik jullie naar het land van de Amorieten bracht, die ten oosten van de Jordaan woonden. Ze namen de wapens tegen jullie op, maar ik leverde hen aan jullie uit en vernietigde hen, en jullie namen hun land in bezit. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Daarna verscheen koning Balak van Moab, de zoon van Sippor, om de strijd tegen jullie aan te binden. Hij liet Bileam, de zoon van Beor, komen; die moest jullie vervloeken, </VERS>
      <VERS vnumber="10">maar ik schonk hem geen gehoor. Ik beschermde jullie tegen hem; meer nog, hij zegende jullie zelfs. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Vervolgens trokken jullie de Jordaan over en kwamen jullie bij Jericho. De inwoners van Jericho verdedigden zich tegen jullie, net als de Amorieten, Perizzieten, Kanaänieten, Hethieten, Girgasieten, Chiwwieten en Jebusieten, maar ik leverde ze allemaal aan jullie uit. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Ik stuurde een zwerm horzels voor jullie uit die ze op de vlucht joeg, zoals eerder de twee koningen van de Amorieten op de vlucht werden gejaagd. Jullie zwaarden en bogen hoefden er niet aan te pas te komen. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Ik heb jullie een land gegeven waarvoor jullie niets hebben hoeven te doen, steden die jullie niet hebben gebouwd en waarin jullie zomaar konden gaan wonen, wijngaarden en olijfbomen die jullie niet hebben geplant en waarvan jullie zomaar kunnen eten. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Nu dan, 'vervolgde Jozua, 'eerbiedig de HEER, dien hem met onvoorwaardelijke trouw en doe de goden weg die uw voorouders ten oosten van de Eufraat en in Egypte hebben gediend. Dien alleen de HEER . </VERS>
      <VERS vnumber="15">Wanneer u daar niet toe bereid bent, kies dan nu wie u wel wilt dienen: de goden van uw voorouders ten oosten van de Eufraat of de goden van de Amorieten, van wie u nu het land bewoont. In ieder geval zullen ik en mijn familie de HEER dienen.' </VERS>
      <VERS vnumber="16">Hierop antwoordde het volk: 'Het is verre van ons de HEER te verlaten om andere goden te dienen. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Hij is het, de HEER, onze God, die ons en onze voorouders uit de slavernij in Egypte heeft bevrijd. Hij heeft grote wonderen voor ons verricht; dat hebben we met eigen ogen gezien. Hij heeft ons op onze hele tocht beschermd tegen alle volken waarvan we het gebied doortrokken. </VERS>
      <VERS vnumber="18">De HEER heeft ze allemaal voor ons verdreven, en ook de Amorieten, die vroeger in dit land woonden. Natuurlijk zullen wij de HEER dienen, want hij is onze God.' </VERS>
      <VERS vnumber="19">Jozua antwoordde het volk echter: 'U zult niet in staat zijn de HEER te dienen, want hij is een heilige God, hij duldt niemand naast zich, hij zal u uw overtredingen en zonden niet vergeven. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Wanneer u de HEER verlaat en andere goden gaat dienen, zal hij zich tegen u keren. Dan zal hij u niet langer weldaden bewijzen, maar u kwaad doen en u vernietigen.' </VERS>
      <VERS vnumber="21">Maar het volk zei opnieuw: 'Wees ervan verzekerd dat we de HEER zullen dienen.' </VERS>
      <VERS vnumber="22">'In dat geval, 'antwoordde Jozua, 'bent u zelf de getuigen van uw keuze om hem, de HEER, te dienen.' 'Ja, dat zijn wij, 'bevestigde het volk, </VERS>
      <VERS vnumber="23">waarop Jozua zei: 'Doe dan die vreemde goden weg en richt u volledig op de HEER, de God van Israël.' </VERS>
      <VERS vnumber="24">En het volk beloofde: 'We zullen de HEER, onze God, dienen en gehoorzamen.' </VERS>
      <VERS vnumber="25">Zo legde Jozua het volk die dag in Sichem deze verplichting op en hij gaf het wetten en regels, </VERS>
      <VERS vnumber="26">die hij in het wetboek van God opschreef. Ook richtte hij een grote steen op onder de terebint bij het heiligdom van de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="27">'Deze steen, 'zei hij tegen het volk, 'is getuige, want hij heeft alles gehoord wat de HEER tegen ons heeft gezegd. Hij is dus getuige opdat u uw God niet afvallig wordt.' </VERS>
      <VERS vnumber="28">Daarna liet Jozua het volk vertrekken, iedereen ging naar zijn eigen grondgebied. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Korte tijd later stierf Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van de HEER, op de leeftijd van honderdtien jaar. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Hij werd begraven in het gebied dat hem was toegewezen: in Timnat-Serach in het bergland van Efraïm, ten noorden van de Gaäs. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Zolang Jozua leefde diende het volk de HEER. Ook na zijn dood bleven ze de HEER dienen zolang de stammen werden aangevoerd door Jozua's leeftijdsgenoten, die getuige waren geweest van de grootse daden die de HEER voor Israël had verricht. </VERS>
      <VERS vnumber="32">De beenderen van Jozef, die het volk van Israël uit Egypte had meegevoerd, werden begraven in Sichem, op het stuk land dat Jakob voor honderd qesita had gekocht van de zonen van Chamor, onder wie Sichem. De nakomelingen van Jozef kregen dit stuk land in bezit. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Ook Eleazar, de zoon van Aäron, stierf. Hij werd begraven in het bergland van Efraïm op de heuvel die zijn zoon Pinechas was toegewezen. </VERS>
    </CHAPTER>
  </BIBLEBOOK>
  <BIBLEBOOK bnumber="7" bname="Richteren" bsname="Rich">
    <CHAPTER cnumber="1">
      <VERS vnumber="1">Na de dood van Jozua raadpleegden de Israëlieten de HEER: 'Wie van ons moet als eerste de strijd aanbinden met de Kanaänieten?' </VERS>
      <VERS vnumber="2">De HEER antwoordde: 'Juda moet als eerste oprukken; hun geef ik het land in handen.' </VERS>
      <VERS vnumber="3">Toen zeiden de Judeeërs tegen de stam Simeon, hun broeders: 'Trek met ons op naar het grondgebied dat ons door het lot is toegewezen en bind samen met ons de strijd aan tegen de Kanaänieten. Daarna zullen wij op onze beurt met u meegaan naar het grondgebied dat u door het lot is toegewezen.' Hierop ging Simeon met hen mee. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Juda rukte op, en de HEER leverde de Kanaänieten en Perizzieten aan hen uit; bij Bezek versloegen ze er tienduizend. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Ze kwamen daar tegenover Adonibezek te staan, bonden de strijd met hem aan en versloegen de Kanaänieten en Perizzieten. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Adonibezek sloeg op de vlucht, maar na een achtervolging kregen ze hem te pakken en hakten hem zijn duimen en zijn grote tenen af. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Adonibezek verklaarde: 'Ik heb aan mijn hof wel zeventig koningen van wie ik de duimen en grote tenen heb afgehakt en die zich in leven houden met de kruimels onder mijn tafel. God vergeldt mij nu wat ik hun heb aangedaan!' Hij werd naar Jeruzalem gebracht, en daar is hij gestorven. </VERS>
      <VERS vnumber="8">De Judeeërs deden een aanval op Jeruzalem en veroverden de stad. Ze doodden alle inwoners en lieten de stad in vlammen opgaan. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Toen trokken ze verder om de strijd aan te binden tegen de Kanaänieten die in het bergland woonden, in de Negev en in het heuvelland. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Eerst vielen ze de Kanaänieten in Hebron aan, dat toen nog Kirjat-Arba heette. Daar versloegen ze Sesai, Achiman en Talmai. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Vervolgens trokken ze op tegen Debir, dat toen nog Kirjat-Sefer heette. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Kaleb beloofde: 'Wie Kirjat-Sefer verovert zal ik mijn dochter Achsa tot vrouw geven.' </VERS>
      <VERS vnumber="13">Otniël, een zoon van Kalebs jongere broer Kenaz, veroverde de stad en kreeg Achsa tot vrouw. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Bij haar aankomst spoorde Achsa hem aan om aan haar vader een stuk vruchtbaar land te vragen. Toen ze van haar ezel was afgestegen, vroeg Kaleb haar wat ze verlangde. </VERS>
      <VERS vnumber="15">'Geef me toch een geschenk waar ik wat aan heb, 'antwoordde ze. 'U hebt me dit dorre stuk land gegeven, geef me dan ook bronnen.' Hierop gaf Kaleb haar zowel de hoog- als de laaggelegen bronnen. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Vanuit de Palmstad waren met de Judeeërs ook de Kenieten, stamgenoten van de schoonvader van Mozes, naar de woestijn van Juda opgetrokken. Zij vestigden zich te midden van de bewoners van het gebied rond Arad. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Samen met de stam Simeon versloegen de Judeeërs vervolgens de Kanaänieten in Sefat en vernietigden de stad. Sindsdien heet die stad Chorma. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Ook veroverden de Judeeërs het hele gebied van Gaza, het hele gebied van Askelon en het hele gebied van Ekron. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Met de hulp van de HEER maakte Juda zich meester van het bergland, maar het lukte niet om de bewoners van de laagvlakte te verdrijven, want die beschikten over ijzeren strijdwagens. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Hebron werd, overeenkomstig de woorden van Mozes, toegewezen aan Kaleb, die de drie zonen van Enak uit de stad verdreef. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Maar de Jebusieten in Jeruzalem werden door de stam Benjamin niet verdreven; zij wonen er tot op de dag van vandaag samen met de Benjaminieten. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Ook de nakomelingen van Jozef rukten op, naar Betel, en de HEER stond hen bij. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Ze stuurden verkenners naar Betel, dat vroeger Luz heette. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Toen de verkenners een man uit de stad zagen komen, zeiden ze tegen hem: 'Als u ons wijst hoe we in de stad kunnen komen, zullen wij u goed behandelen.' </VERS>
      <VERS vnumber="25">De man wees hun hoe ze de stad konden binnenkomen. Ze doodden alle inwoners, maar lieten de man met heel zijn familie in leven. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Hij trok naar het land van de Hethieten. Daar bouwde hij een stad die hij Luz noemde, en die zo heet tot op de dag van vandaag. </VERS>
      <VERS vnumber="27">De stam Manasse heeft zich niet meester gemaakt van Bet-San en Taänach en de omliggende dorpen. Ze verdreven ook de inwoners van Dor, Jibleam en Megiddo en de omliggende dorpen niet; in dit gebied handhaafden de Kanaänieten zich. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Toen de Israëlieten sterker werden, legden ze de Kanaänieten herendienst op, maar ze verdreven hen niet. </VERS>
      <VERS vnumber="29">De stam Efraïm heeft de inwoners van Gezer niet verdreven; de Kanaänieten daar bleven in hun midden wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="30">De stam Zebulon heeft de inwoners van Kitron en Nahalol niet verdreven; de Kanaänieten bleven in hun midden wonen en werden gedwongen tot herendienst. </VERS>
      <VERS vnumber="31">De stam Aser heeft de inwoners van Akko en Sidon niet verdreven en Achlab, Achzib, Chelba, Afek en Rechob niet veroverd; </VERS>
      <VERS vnumber="32">de Aserieten vestigden zich te midden van de Kanaänieten die er woonden en verdreven hen niet. </VERS>
      <VERS vnumber="33">De stam Naftali heeft de inwoners van Bet-Semes en Bet-Anat niet verdreven; ze vestigden zich te midden van de Kanaänieten die er woonden en dwongen hen tot herendienst. </VERS>
      <VERS vnumber="34">De stam Dan werd door de Amorieten teruggedrongen tot in het bergland en kreeg geen kans naar de laagvlakte af te dalen. </VERS>
      <VERS vnumber="35">De Amorieten handhaafden zich in Har-Cheres, Ajjalon en Saälbim, maar toen de nakomelingen van Jozef sterker werden, dwongen zij hen tot herendienst. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Het gebied van de Amorieten reikte tot aan de Schorpioenenpas, tot aan Sela en verder. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="2">
      <VERS vnumber="1">Er kwam een engel van de HEER uit Gilgal naar Bochim. Daar zei hij: 'Ik heb jullie uit Egypte geleid naar het land dat ik jullie voorouders onder ede had beloofd. Ik heb gezegd dat ik mijn verbond met jullie nooit zou verbreken. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Maar jullie mochten geen verdragen sluiten met de inwoners van dit land en hun altaren moesten jullie afbreken. Maar jullie hebben niet geluisterd naar wat ik heb gezegd. Hoe hebben jullie dat kunnen doen? </VERS>
      <VERS vnumber="3">Daarom heb ik besloten dat ik de inwoners van dit land niet voor jullie zal verdrijven. Zij zullen jullie in hun netten verstrikken en hun goden zullen jullie ondergang worden.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Toen de engel van de HEER deze woorden tot de Israëlieten had gesproken, barstte het volk in gejammer uit. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Ze noemden die plaats Bochim en brachten er offers aan de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Toen Jozua de volksvergadering had ontbonden, waren de Israëlieten erop uitgetrokken om het land in bezit te nemen, elke stam het gebied dat hun was toegewezen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Zolang Jozua leefde, had het volk de HEER gediend. Ook na zijn dood waren ze de HEER blijven dienen zolang de stammen werden aangevoerd door Jozua's leeftijdsgenoten, die getuige waren geweest van de grootse daden die de HEER voor Israël had verricht. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van de HEER, was gestorven toen hij honderdtien jaar oud was. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Hij was begraven in het gebied dat hem was toegewezen: in Timnat-Cheres in het bergland van Efraïm, ten noorden van de Gaäs. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Toen ook zijn leeftijdsgenoten met hun voorouders waren verenigd, kwam er een volgende generatie, die niet vertrouwd was met de HEER en wat hij voor Israël had gedaan. </VERS>
      <VERS vnumber="11">De Israëlieten begonnen te doen wat slecht is in de ogen van de HEER: ze gingen de Baäls dienen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Ze keerden de HEER de rug toe, de God van hun voorouders, die hen uit Egypte had geleid, en begonnen achter andere goden aan te lopen die werden vereerd door de volken waartussen ze woonden. Door voor die vreemde goden te buigen krenkten ze de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Ze keerden hem de rug toe om Baäl en de Astartes te dienen. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Toen ontstak de HEER in woede tegen de Israëlieten. Hij leverde hen uit aan roversbenden en aan de hen omringende vijanden, zodat ze daartegen geen stand meer hielden. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Telkens als ze iets tegen hun vijanden ondernamen, werkte de HEER hen tegen, zoals hij hun gezegd en gezworen had. Steeds weer kregen de Israëlieten het zwaar te verduren. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Dan liet de HEER een rechter optreden om het volk te leiden en het te bevrijden van de roversbenden. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Maar ook naar hun rechters luisterden ze niet; ze gaven zich af met andere goden en bogen zich voor hen neer. Binnen de kortste keren dwaalden ze weer af van de weg die hun voorouders waren gegaan: die hadden de geboden van de HEER gehoorzaamd, maar zij niet. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Steeds wanneer de HEER een rechter liet optreden, stond hij die bij. Want wanneer het volk zuchtte onder het juk van onderdrukkers, kreeg de HEER medelijden en verloste hij hen van hun vijanden zolang die rechter leefde. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Maar wanneer de rechter dan stierf, verviel het volk van kwaad tot erger. Meer nog dan hun voorouders liepen ze achter andere goden aan om die te dienen en bogen ze zich voor hen neer. Ze weigerden hardnekkig hun kwalijke praktijken op te geven. </VERS>
      <VERS vnumber="20">De HEER ontstak in woede tegen Israël en zei: 'Dit volk overtreedt de regels van het verbond die ik hun voorouders heb opgelegd en het luistert niet naar mij. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Ik zal daarom geen enkel volk meer verdrijven dat nog in het land woonde toen Jozua stierf.' </VERS>
      <VERS vnumber="22">(22-23) De HEER had die volken namelijk in het land laten blijven en ze niet onmiddellijk verdreven omdat hij de Israëlieten op de proef wilde stellen. Hij had ze niet aan Jozua uitgeleverd, omdat hij wilde zien of de Israëlieten zich net als hun voorouders zouden houden aan de weg die hij hun had gewezen of niet. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="3">
      <VERS vnumber="1">(1-2) Om de Israëlieten die de strijd tegen de Kanaänieten niet hadden meegemaakt te leren hoe het er in de oorlog aan toegaat (dus alleen om de nieuwe generaties die nog geen ervaring met de strijd hadden opgedaan daarmee vertrouwd te maken), had de HEER de volgende volken in het land laten blijven: </VERS>
      <VERS vnumber="3">de Filistijnen in hun vijf vorstendommen en verder de Kanaänieten, de Sidoniërs en de Chiwwieten die in het Libanongebergte leefden, vanaf de Baäl-Hermon tot aan Lebo-Hamat. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Deze volken waren overgebleven om de Israëlieten op de proef te stellen, opdat de HEER te weten zou komen of zij de geboden zouden gehoorzamen die hij hun voorouders bij monde van Mozes had opgelegd. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Maar toen de Israëlieten eenmaal tussen de volken van Kanaän woonden, te weten de Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten, </VERS>
      <VERS vnumber="6">namen ze hun dochters tot vrouw en gaven ze hun eigen dochters aan de zonen van die volken, en dienden hun goden. </VERS>
      <VERS vnumber="7">De Israëlieten deden wat slecht is in de ogen van de HEER: ze vergaten de HEER, hun God, en dienden de Baäls en de Asjera's. </VERS>
      <VERS vnumber="8">De HEER werd woedend op de Israëlieten en leverde ze uit aan Kusan-Risataïm, de koning van Aram-Naharaïm; acht jaar moesten ze hem dienen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">De Israëlieten riepen de HEER te hulp, en de HEER zond iemand om hen te bevrijden: Otniël, een zoon van Kalebs jongere broer Kenaz. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Gedreven door de geest van de HEER trad hij op als rechter over Israël. Hij trok ten strijde, en de HEER leverde koning Kusan-Risataïm van Aram aan hem uit, zodat hij hem een zware nederlaag kon toebrengen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Veertig jaar had het land rust. Toen stierf Otniël. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Weer deden de Israëlieten wat slecht is in de ogen van de HEER. Daarom zette de HEER koning Eglon van Moab aan om de wapens tegen Israël op te nemen. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Eglon wist ook de Ammonieten en de Amalekieten op zijn hand te krijgen. In een gezamenlijke aanval versloegen ze Israël en maakten zich meester van de Palmstad. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Achttien jaar moesten de Israëlieten koning Eglon van Moab dienen. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Toen riepen ze de HEER te hulp, en de HEER zond iemand om hen te bevrijden: Ehud, de zoon van Gera uit de stam Benjamin, een linkshandige. Deze Ehud ging namens de Israëlieten schatting afdragen aan koning Eglon. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Maar eerst liet hij zich een kort tweesnijdend zwaard maken dat hij onder zijn kleding verborg, op zijn rechterheup. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Nadat hij de schatting aan de vadsig dikke koning Eglon had aangeboden, </VERS>
      <VERS vnumber="18">deed hij zijn dragers uitgeleide, </VERS>
      <VERS vnumber="19">maar zelf maakte hij bij de stenen beelden bij Gilgal rechtsomkeert. Hij liet zich bij de koning aandienen met de mededeling dat hij een geheime boodschap voor hem had. Op een wenk van de koning verlieten alle aanwezigen de zaal. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Ehud ging naar de koning, die zich had teruggetrokken in de koelte van zijn bovenvertrek, en zei: 'Ik heb voor u een boodschap van God.' Toen de koning opstond van zijn troon, </VERS>
      <VERS vnumber="21">trok Ehud met zijn linkerhand het zwaard van zijn rechterheup en stak het in Eglons buik. </VERS>
      <VERS vnumber="22">De kling verdween tussen de vetkwabben, die zich daarna ook om het gevest sloten, want Ehud trok het zwaard niet terug maar liep snel de kamer uit, </VERS>
      <VERS vnumber="23">de galerij op, nadat hij de deuren van het vertrek van binnenuit vergrendeld had. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Hij was nog niet weg, of de dienaren van de koning kwamen de zaal weer binnen. Ze merkten dat de deuren van het bovenvertrek waren vergrendeld en zeiden tegen elkaar: 'Hij heeft zich zeker weer afgezonderd om zijn behoefte te doen.' </VERS>
      <VERS vnumber="25">Ze wachtten een hele tijd, maar de deuren van het vertrek werden niet geopend. Ten slotte haalden ze een sleutel en openden de deur van buitenaf-en daar lag hun heer, dood op de grond. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Ehud had van hun getalm gebruik gemaakt om te ontsnappen. Hij passeerde de stenen beelden en ontkwam naar Seïra. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Bij zijn aankomst in het bergland van Efraïm blies hij op de ramshoorn. Onder zijn aanvoering kwamen de Israëlieten uit de bergen. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Hij zei tegen hen: 'Volg mij, want de HEER heeft uw vijanden, de Moabieten, aan u uitgeleverd.' Ze volgden hem en bezetten de oversteekplaatsen in de Jordaan, zodat er geen Moabiet meer langs kon. </VERS>
      <VERS vnumber="29">De Israëlieten versloegen ongeveer tienduizend Moabieten. Hoewel het stuk voor stuk stevige, strijdbare mannen waren, ontkwam er niet een. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Moab moest die dag buigen voor Israël, en het land had tachtig jaar rust. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Na Ehud kwam Samgar, de zoon van Anat. Hij doodde zeshonderd Filistijnen met een ossenprik. Zo bevrijdde ook hij Israël. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="4">
      <VERS vnumber="1">Na de dood van Ehud deden de Israëlieten weer wat slecht is in de ogen van de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Daarom leverde de HEER hen uit aan koning Jabin van Kanaän, die regeerde in Hasor. Diens legeraanvoerder heette Sisera; hij had zijn legerkamp in Charoset-Haggojim. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Jabin beschikte over negenhonderd ijzeren strijdwagens en heerste met harde hand over Israël, wel twintig jaar lang. Daarom riepen de Israëlieten de HEER te hulp. </VERS>
      <VERS vnumber="4">In die tijd was een zekere Debora rechter over Israël. Deze Debora, de vrouw van Lappidot, was profetes. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Ze hield zitting onder de Deborapalm tussen Rama en Betel, in het bergland van Efraïm, en daar kwamen de Israëlieten haar hun rechtsgeschillen voorleggen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Debora liet Barak, de zoon van Abinoam, afkomstig uit Kedes in Naftali, bij zich komen en zei tegen hem: 'De HEER, de God van Israël, gebiedt u: "Trek met tienduizend man uit de stammen Naftali en Zebulon op naar de Tabor. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Dan zal ik Jabins legeraanvoerder Sisera met al zijn strijdwagens en soldaten laten optrekken tot in het dal van de Kison en hem aan je uitleveren."' </VERS>
      <VERS vnumber="8">'Als u meegaat, zal ik gaan, 'antwoordde Barak, 'maar als u niet meegaat, ga ik niet.' </VERS>
      <VERS vnumber="9">'Goed, 'zei Debora, 'ik zal met u meegaan. Maar let wel, u zult geen eer behalen aan deze veldtocht, want de HEER zal Sisera uitleveren aan een vrouw.' Zo besloot Debora met Barak mee te gaan op zijn veldtocht naar Kedes. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Barak riep de mannen van Zebulon en Naftali onder de wapenen en trok aan het hoofd van tienduizend man naar Kedes op. Debora ging met hem mee. </VERS>
      <VERS vnumber="11">In de buurt van Kedes had een zekere Cheber zijn tenten opgeslagen bij de eik in Saänannim. Deze Cheber was een Keniet die zich had afgescheiden van zijn stamgenoten, nakomelingen van Mozes' schoonvader Chobab. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Sisera kreeg bericht dat Barak de Tabor was opgegaan. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Daarom riep hij zijn soldaten onder de wapenen en trok met al zijn negenhonderd ijzeren strijdwagens en zijn hele leger vanuit Charoset-Haggojim op naar het dal van de Kison. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Debora spoorde Barak aan: 'Vooruit! Vandaag levert de HEER Sisera aan u uit. Hij zal voor u uit gaan.' Toen kwam Barak de Tabor af met tienduizend man achter zich aan. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Op het moment dat de manschappen van Sisera Barak zagen verschijnen, zaaide de HEER paniek onder hen en ontstond er grote verwarring. Sisera sprong van zijn wagen en maakte zich uit de voeten. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Barak achtervolgde de strijdwagens en de soldaten tot in Charoset-Haggojim. Alle soldaten van Sisera sneuvelden; niet een bleef er in leven. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Sisera vluchtte te voet naar de tent van Jaël, de vrouw van de Keniet Cheber, want hij wist dat er een bondgenootschap bestond tussen de familie van Cheber en koning Jabin van Hasor. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Jaël kwam hem tegemoet en zei: 'Kom binnen, heer, kom binnen. Wees niet bevreesd.' Hij ging bij haar de tent binnen en zij verborg hem onder een deken. </VERS>
      <VERS vnumber="19">'Geef me wat water te drinken, 'vroeg hij, 'ik heb zo'n dorst.' Jaël opende een melkzak, gaf hem te drinken en dekte hem weer toe. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Toen zei hij: 'Ga in de tentopening staan. Als er dan iemand komt vragen of er een man bij u is, moet u zeggen: "Nee, er is hier niemand."' </VERS>
      <VERS vnumber="21">Jaël nam een tentpin en een hamer en sloop de tent binnen. Ze sloeg, terwijl hij daar uitgeput in slaap lag, de tentpin dwars door zijn hoofd de grond in, zodat hij stierf. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Op dat moment kwam Barak eraan, op jacht naar Sisera. Jaël ging hem tegemoet en zei: 'Kom, ik zal u de man laten zien die u zoekt.' Barak ging met haar naar binnen-en daar lag Sisera, dood, met de tentpin door zijn hoofd. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Zo bracht God koning Jabin van Kanaän in zijn strijd met de Israëlieten een zware nederlaag toe. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Daarna wist Israël koning Jabin steeds verder terug te dringen, totdat ze hem hadden vernietigd. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="5">
      <VERS vnumber="1">Die dag zongen Debora en Barak, de zoon van Abinoam, dit lied: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Loof de HEER, omdat Israël zijn haren dreigend loswierp, loof de HEER, omdat Israël zich meldde voor de strijd. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Koningen en vorsten, luister en hoor toe hoe ik de HEER bezing, een lied zing voor de HEER, de God van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="4">HEER, de aarde beefde toen u voortschreed vanuit Seïr; toen u optrok vanuit Edom stortte water uit de hemel en de wolken neer. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Voor de heerser van de Sinai wankelden de bergen, voor u, HEER, u, de God van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Onder Samgar, de zoon van Anat, in de tijd van Jaël, begaf geen karavaan zich nog op weg. Wie toch op reis moest, nam de kronkelpaden. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Aanvoerders ontbraken, het land kende geen leiding totdat jij, Debora, kwam en Israël tot leidsvrouw werd. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Verkoos men andere goden, dan stond de vijand voor de poorten; ons leger telde veertigduizend man, maar van schild of speer geen spoor. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Loof de HEER ! Ik dank hen die niet aarzelden de strijders aan te voeren. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Reizigers, gezeten op gezadelde ezelinnen, en ook jullie die te voet moeten gaan, </VERS>
      <VERS vnumber="11">overstem met je verhalen het geklets bij de bronnen en laat ieder bij het drenken zingen van de HEER die overwon, van de overwinning door zijn aanvoerders voor Israël behaald. Daar trok het volk van de HEER ten strijde, voorwaarts vanuit de steden. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Ga voorop, Debora, vuur ons aan en zing een lied! Barak, val aan! Grijp de vijand, jij zoon van Abinoam! </VERS>
      <VERS vnumber="13">Daar trokken toen de ware aanvoerders ten strijde, het volk van de HEER trok met zijn helden op. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Uit Efraïm kwamen zij die in Amalek wonen en voegden zich bij jou en je verwanten, Benjamin. Uit Machir kwamen aanvoerders, uit Zebulon de leiders van het leger. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Uit Issachar sloten de vorsten zich bij Debora aan. Na Issachar kwam Barak; hij ging het volk voor in de vlakte. Maar de stam Ruben bleef steeds maar overleggen. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Wat hield je bij je schaapskooi en het fluitspel van je herders? Ruben bleef maar overleggen, </VERS>
      <VERS vnumber="17">Gilead kwam de Jordaan niet over, Dan bleef bij zijn schepen, Aser bleef aan zee en verliet zijn havens niet, </VERS>
      <VERS vnumber="18">maar Zebulon en Naftali waagden hun leven op de heuvels. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Daar kwamen de koningen, de stadsvorsten van Kanaän. Zij streden bij Taänach, bij Megiddo, aan de oever van de stroom, maar er viel voor hen geen zilver buit te maken. </VERS>
      <VERS vnumber="20">De sterren aan de hemel streden mee tegen de vijand, zij hadden in hun baan zich tegen Sisera gekeerd. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Vorsten werden meegesleurd door het water van de Kison, de Kison, die aloude en snelstromende rivier. Ga voort, mijn ziel, ga voort! </VERS>
      <VERS vnumber="22">Dreunend klonk de hoefslag van zijn wegstormende paarden, van zijn schitterende paarden, in onstuimige galop. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Vervloekt zij Meroz, dat de HEER geen hulp bood, vervloekt! -zo spreekt de engel van de HEER -,vervloekt zijn inwoners, zij sloten zich niet bij de helden aan. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Geloofd zij Jaël, de beste aller vrouwen, Jaël, de vrouw van Cheber, de Keniet. Was ooit een tent gezegend met een vrouw als zij? </VERS>
      <VERS vnumber="25">Sisera vroeg om water en zij gaf hem melk te drinken, room bracht ze hem te drinken, in een rijk versierde schaal. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Met één hand vatte ze een tentpin, met de andere een hamer. Ze dreef de tentpin door zijn slaap, spleet met een hamerslag zijn hoofd. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Aan haar voeten viel hij neer, bezweek hij en bleef liggen. Aan haar voeten bezweek hij, daar viel hij neer. Waar hij bezweek, daar bleef hij liggen, verpletterend verslagen. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Aan haar venster stond zijn moeder, ze tuurde en ze klaagde: "Waar blijft zijn wagen toch? Klinkt het geratel van de wielen al?" </VERS>
      <VERS vnumber="29">De wijste van haar vrouwen gaf haar antwoord en zei haar wat zij zelf reeds had bedacht: </VERS>
      <VERS vnumber="30">"Wellicht zijn ze nog bezig om hun schatten te verdelen: elke man een meisje, of misschien wel twee. En voor Sisera gekleurde stoffen met borduursel, stoffen met borduursel waarmee hij zijn schatjes tooit." </VERS>
      <VERS vnumber="31">HEER, laat zo al uw vijanden ten onder gaan, en maak wie u liefhebben onstuitbaar als de opgaande zon.' Veertig jaar had het land rust. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="6">
      <VERS vnumber="1">(1-2) Maar de Israëlieten deden wat slecht is in de ogen van de HEER. Daarom leverde hij hen uit aan het volk van Midjan, dat hen zeven jaar achtereen kwam plunderen. Uit angst voor de Midjanieten richtten de Israëlieten in bergspleten, grotten en op andere moeilijk bereikbare plekken schuilplaatsen in. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Elk jaar wanneer het gewas op het veld stond, kwamen de Midjanieten, de Amalekieten en nog andere woestijnvolken uit het oosten aanzetten en vielen ze Israël binnen. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Ze sloegen er hun tenten op en vernietigden de oogsten, tot helemaal in Gaza. Niets lieten ze voor de Israëlieten over om van te leven, nog geen schaap, geen rund en geen ezel. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Als een zwerm sprinkhanen kwamen ze aanzetten met hun vee en hun tenten: een onafzienbare massa mensen en kamelen die het land binnenviel en alles verwoestte. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Door toedoen van Midjan verviel Israël tot bittere armoede, en het volk riep de HEER te hulp. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Toen de Israëlieten de HEER tegen de Midjanieten te hulp riepen, </VERS>
      <VERS vnumber="8">stuurde hij een profeet, die hun zei: 'Dit zegt de HEER, de God van Israël: Ik ben het die jullie uit Egypte heeft geleid, ik heb jullie verlost uit de slavernij. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Ik heb jullie bevrijd uit de greep van de Egyptenaren en van de volken die jullie hier bedreigden; die heb ik voor jullie weggejaagd en ik heb jullie hun land gegeven. </VERS>
      <VERS vnumber="10">En ik heb jullie gezegd: Ook al wonen jullie nu in het land van de Amorieten, hun goden mogen jullie niet vereren want ik, de HEER, ben jullie God. Maar jullie hebben niet geluisterd naar wat ik zei.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">Toen kwam er een engel van de HEER. Hij nam plaats onder de terebint bij Ofra, op het land van Joas, een afstammeling van Abiëzer. Joas' zoon Gideon was juist bezig tarwe te dorsen. Om te zorgen dat de Midjanieten de tarwe niet zouden zien, deed hij dat in de wijnpers. </VERS>
      <VERS vnumber="12">De engel van de HEER vertoonde zich aan hem en zei: 'De HEER zij met je, dappere krijgsman.' </VERS>
      <VERS vnumber="13">'Mag ik u vragen, 'antwoordde Gideon, 'als de HEER ons werkelijk bijstaat, waarom overkomt dit ons dan allemaal? Waar blijft hij dan met zijn wonderbaarlijke daden, waarover onze voorouders hebben verteld? Uit Egypte heeft hij ze geleid, zeiden ze toch? Nu trekt hij zich in elk geval niets van ons aan en zijn we overgeleverd aan de Midjanieten!' </VERS>
      <VERS vnumber="14">Toen wendde de HEER zich tot Gideon en zei: 'Toon je moed en bevrijd Israël, dat is mijn opdracht.' </VERS>
      <VERS vnumber="15">'Mag ik u vragen, 'antwoordde Gideon, 'hoe zou ik Israël kunnen bevrijden? Mijn familie heeft in onze stam, Manasse, niets in te brengen, en ikzelf ben de jongste van de familie.' </VERS>
      <VERS vnumber="16">De HEER antwoordde: 'Dat kun je omdat ik je bijsta. Je zult de Midjanieten verslaan alsof je met niet meer dan één man te doen had.' </VERS>
      <VERS vnumber="17">Toen zei Gideon: 'Heer, als ú het bent die tot mij spreekt en ik uw gunst geniet, geef me dan een teken. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Gaat u vooral niet weg, ik wil iets halen om u aan te bieden.' 'Goed, 'antwoordde de HEER, 'ik blijf hier totdat je terugkomt.' </VERS>
      <VERS vnumber="19">Gideon ging snel naar huis, maakte een geitenbokje klaar en bakte ongedesemd brood van een efa tarwebloem. Hij legde het vlees in een mand en goot het kookvocht in een kom, bracht het naar degene die onder de terebint zat te wachten en bood het hem aan. </VERS>
      <VERS vnumber="20">De engel van God zei tegen hem: 'Leg het vlees en de broden hier op dit rotsblok en giet het kookvocht erover uit.' Gideon deed wat hem gevraagd was. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Toen raakte de engel van de HEER met het uiteinde van zijn staf het voedsel aan en meteen laaide er een vuur uit het rotsblok op dat het vlees en de broden verteerde. Tegelijk was ook de engel van de HEER verdwenen. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Toen begreep Gideon dat het een engel van de HEER was geweest, en hij riep uit: 'Nee, HEER! Nee, mijn God! Ik heb oog in oog gestaan met een engel van de HEER!' </VERS>
      <VERS vnumber="23">Maar de HEER stelde hem gerust: 'Je hoeft niet bang te zijn, je zult niet sterven.' </VERS>
      <VERS vnumber="24">Gideon bouwde op die plek een altaar voor de HEER, en noemde het 'De HEER geeft rust'. Tot op de dag van vandaag staat dat altaar op het land van de afstammelingen van Abiëzer in Ofra. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Diezelfde nacht zei de HEER tegen Gideon: 'Neem de stier van je vader, dat prachtbeest dat nu al zeven jaar gespaard is. Sloop het altaar dat je vader voor Baäl heeft opgericht en hak de Asjerapaal die ernaast staat om. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Bouw voor de HEER, je God, een altaar op het hoogste punt van het ommuurde terrein, zoals het hoort. Maak met het hout van de omgehakte Asjerapaal een vuur om de stier te offeren.' </VERS>
      <VERS vnumber="27">Gideon nam tien van zijn knechten mee en deed wat de HEER hem had opgedragen. Uit vrees voor zijn familie en stadsgenoten durfde hij het niet overdag te doen, daarom deed hij het 's nachts. </VERS>
      <VERS vnumber="28">De volgende ochtend zagen de inwoners van de stad dat het altaar van Baäl was afgebroken en dat de Asjerapaal ernaast was omgehakt. Ze zagen ook dat de stier was geofferd, en wel op een nieuw altaar. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Ze vroegen zich af wie dat gedaan kon hebben, en na enig onderzoek kwamen ze erachter dat Gideon, de zoon van Joas, de schuldige was. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Toen eisten ze van Joas: 'Lever uw zoon aan ons uit. Hij moet sterven, want hij heeft het altaar van Baäl gesloopt en de Asjerapaal omgehakt.' </VERS>
      <VERS vnumber="31">Maar Joas zei tegen de mensen die bij zijn huis te hoop waren gelopen: 'U wilt het voor Baäl opnemen? U wilt hem te hulp komen? Wie het voor Baäl opneemt, zal nog voor de ochtend sterven! Als Baäl een god is, zal hij wel voor zichzelf opkomen wanneer iemand zijn altaar heeft gesloopt.' </VERS>
      <VERS vnumber="32">En hij gaf Gideon de naam Jerubbaäl, en zei: 'Laat Baäl het maar tegen hem opnemen omdat hij zijn altaar heeft gesloopt.' </VERS>
      <VERS vnumber="33">Weer sloten de Midjanieten, de Amalekieten en andere woestijnvolken uit het oosten zich aaneen. Ze staken de Jordaan over en sloegen hun tenten op in de vallei van Jizreël. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Toen kwam de geest van de HEER over Gideon. Hij blies op de ramshoorn om de afstammelingen van Abiëzer onder de wapenen te roepen </VERS>
      <VERS vnumber="35">en zond boden naar het gebied van Manasse om daar iedereen op te roepen. Hij stuurde ook boden naar de stammen Aser, Zebulon en Naftali, en ook die voegden zich bij hem. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Toen zei Gideon tegen God: 'Ik wil graag weten of het werkelijk uw bedoeling is door mijn toedoen Israël te bevrijden, zoals u hebt gezegd. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Daarom leg ik hier op de dorsvloer een wollen vacht. Als er morgenochtend dauw ligt op de wol terwijl de grond eromheen droog is, dan weet ik zeker dat u inderdaad door mijn toedoen Israël zult bevrijden.' </VERS>
      <VERS vnumber="38">En zo gebeurde het. De volgende morgen wrong Gideon de wol uit. En er kwam water uit, wel een kom vol. </VERS>
      <VERS vnumber="39">Toen zei Gideon tegen God: 'U moet niet kwaad op me worden als ik nog één keer aandring, maar ik wil nog een laatste proef nemen: nu moet de wol droog blijven en de grond eromheen nat zijn van dauw.' </VERS>
      <VERS vnumber="40">Die nacht deed God wat Gideon had gevraagd: de wol bleef droog en de grond eromheen werd nat van dauw. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="7">
      <VERS vnumber="1">De volgende morgen vroeg sloeg Jerubbaäl, Gideon dus, met zijn troepen zijn kamp op bij de Charodbron. De Midjanieten lagen iets noordelijker, in de vallei aan de voet van de More. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Toen zei de HEER tegen Gideon: 'Het leger dat je bij je hebt is te groot. Ik lever de Midjanieten niet aan jullie uit, want ik wil niet dat Israël zich erop beroemt dat het zich op eigen kracht heeft bevrijd. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Maak daarom bekend dat iedereen die bang is, kan vertrekken en via het bergland van Gilead terug naar huis kan gaan.' Daarop vertrokken tweeëntwintigduizend man; tienduizend bleven er over. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Maar de HEER zei tegen Gideon: 'Het leger is nog steeds te groot. Laat je manschappen naar het water gaan, daar zal ik voor jou een keus uit hen maken. Ik zal je zeggen wie er met je mee moeten gaan en wie niet.' </VERS>
      <VERS vnumber="5">Gideon liet de mannen naar het water gaan, en de HEER zei tegen hem: 'Degenen die het water met hun tong oplikken, zoals honden doen, die moet je apart zetten van degenen die knielen om te drinken.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">Driehonderd man likten het water op met hun tong, de overigen knielden om te drinken. </VERS>
      <VERS vnumber="7">'Met die driehonderd man die het water met hun tong oplikten, zal ik jullie bevrijden, 'zei de HEER tegen Gideon. 'Door hun toedoen zal ik Midjan aan je uitleveren. De rest van het leger kan naar huis terugkeren.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">Gideon hield dus alleen die driehonderd man bij zich en stuurde de rest van de Israëlieten weg, elk naar zijn eigen woonplaats. Maar eerst had hij hun proviand overgenomen, en al hun ramshoorns. Het kamp van de Midjanieten lag beneden hem, in de vallei. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Die nacht zei de HEER tegen Gideon: 'Het is zover! Doe een aanval op hun kamp; ik geef het je in handen. </VERS>
      <VERS vnumber="10">En als je geen aanval durft te wagen, sluip dan met je knecht Pura naar beneden </VERS>
      <VERS vnumber="11">om te horen waar ze het over hebben. Dat zal je moed geven voor de aanval.' Samen met zijn knecht Pura sloop Gideon tot vlak bij de voorposten van de vijand. </VERS>
      <VERS vnumber="12">De Midjanieten waren met de Amalekieten en nog andere woestijnvolken als sprinkhanen over de vlakte uitgezwermd. Hun kamelen waren ontelbaar als zandkorrels aan de zee. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Toen Gideon aankwam, was er juist iemand aan het vertellen wat hij had gedroomd. 'Wat ik nu toch gedroomd heb!' zei hij. 'Een gerstebrood rolde razendsnel rond door het kamp, botste tegen een tent aan en kegelde die omver, zodat hij in elkaar zakte.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">'Dat kan niets anders zijn dan het zwaard van de Israëliet Gideon, de zoon van Joas, 'verklaarde zijn kameraad. 'Dat betekent dat God hem ons met ons hele kamp in handen heeft gegeven.' </VERS>
      <VERS vnumber="15">Zodra Gideon de droom en de uitleg ervan had gehoord, boog hij zich dankbaar neer. Terug in het kamp spoorde hij de Israëlieten aan: 'Het is zover! De HEER geeft jullie het kamp van Midjan in handen!' </VERS>
      <VERS vnumber="16">Hij verdeelde de driehonderd man in drie groepen en gaf ieder van hen een ramshoorn en een lege waterkruik met een brandende fakkel erin. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Toen zei hij: 'Let goed op wat ik doe. Wanneer ik de voorposten van het kamp ben genaderd, moeten jullie precies hetzelfde doen als ik. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Blazen wij, ik en mijn groep, op de ramshoorn, dan moeten jullie ook op je ramshoorn blazen, rond heel het kamp, en schreeuwen: "Voor de HEER en Gideon!"' </VERS>
      <VERS vnumber="19">Aan het begin van de middelste nachtwake, vlak na de wisseling van de wacht, kwam Gideon met zijn groep van honderd man bij de voorposten van het kamp. Ze bliezen op hun ramshoorns en sloegen de kruiken die ze bij zich hadden aan stukken. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Alle drie de groepen bliezen nu op hun ramshoorns en sloegen hun kruiken kapot. Ze hielden hun fakkels in de linkerhand en hun ramshoorns in de rechter en schreeuwden: 'Te wapen voor de HEER en Gideon!' </VERS>
      <VERS vnumber="21">Ze bleven rond het kamp staan en brachten de Midjanieten in rep en roer. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Terwijl de driehonderd Israëlieten op hun ramshoorns bliezen, liet de HEER de Midjanieten in heel het kamp het zwaard tegen elkaar opnemen, tot ze uiteindelijk op de vlucht sloegen in de richting van Serera, naar Bet-Hassitta, tot aan de rivieroever bij Abel-Mechola, boven Tabbat. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Gideon liet de weerbare Israëlieten uit Naftali, Aser en Manasse terugroepen om de Midjanieten te achtervolgen. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Ook stuurde hij een afvaardiging naar het bergland van Efraïm, met de boodschap: 'Ga de Midjanieten tegemoet en snijd hun de pas af door de Jordaanoever te bezetten tot aan Bet-Bara.' Na deze oproep bezetten de mannen van Efraïm de Jordaanoever tot aan Bet-Bara. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Ze overmeesterden Oreb en Zeëb, de beide legeraanvoerders van de Midjanieten. Oreb werd gedood bij de Rots van Oreb en Zeëb bij de Perskuip van Zeëb. Ze zetten de achtervolging op de Midjanieten in en brachten de hoofden van Oreb en Zeëb naar Gideon, die inmiddels de Jordaan was overgestoken. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="8">
      <VERS vnumber="1">Daarbij zeiden ze: 'Waarom hebt u ons er niet bij betrokken toen u tegen Midjan ten strijde trok? Dat is toch geen manier van doen!' Ze maakten hem de heftigste verwijten, </VERS>
      <VERS vnumber="2">maar Gideon antwoordde: 'Wat ik deed, is toch niets vergeleken bij wat u gedaan hebt? Efraïm heeft de kroon gezet op het werk van Abiëzer. </VERS>
      <VERS vnumber="3">God heeft de beide legeraanvoerders van Midjan, Oreb en Zeëb, aan u uitgeleverd. Daarbij valt alles wat ik heb kunnen doen toch in het niet?' Toen Gideon de zaak zo voorstelde, bedaarde de woede van de mannen van Efraïm. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Ook Gideon was dus met zijn driehonderd manschappen de Jordaan overgestoken om de Midjanieten te achtervolgen, hoewel ze de uitputting nabij waren. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Daarom vroeg hij aan de burgers van Sukkot: 'Ik zit Zebach en Salmunna achterna, de koningen van Midjan. Geef mijn soldaten wat te eten, want ze zijn uitgeput.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">Maar het stadsbestuur van Sukkot zei: 'Waarom zouden wij uw leger te eten geven? Hebt u Zebach en Salmunna soms al in handen gekregen?' </VERS>
      <VERS vnumber="7">'Nee, dat niet, 'antwoordde Gideon. 'Maar zodra de HEER Zebach en Salmunna aan mij uitlevert, zal ik u komen afranselen met doorntakken en distels uit de woestijn, daar kunt u van op aan!' </VERS>
      <VERS vnumber="8">Van Sukkot ging hij verder naar Penuël. Hij deed de burgers van Penuël hetzelfde verzoek als hij de burgers van Sukkot had gedaan, en kreeg van hen hetzelfde antwoord. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Daarop bedreigde hij ook de burgers van Penuël, met de woorden: 'Zodra ik ongedeerd terugkeer, zal ik uw toren met de grond gelijk maken.' </VERS>
      <VERS vnumber="10">Zebach en Salmunna hadden intussen hun kamp opgeslagen in Karkor. Ze waren met ongeveer vijftienduizend man, meer was er van het leger van de woestijnvolken niet over. Honderdtwintigduizend geoefende krijgslieden waren al gesneuveld. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Gideon volgde de nomadenroute ten oosten van Nobach en Jogbeha en slaagde erin het kamp van de Midjanieten, die zich veilig waanden, te overrompelen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">De beide koningen Zebach en Salmunna probeerden in de algemene verwarring te ontkomen, maar hij haalde ze in en nam ze gevangen. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Gideon, de zoon van Joas, keerde via de Cherespas uit de strijd terug. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Onderweg kreeg hij een jongen uit Sukkot te pakken. Hij hoorde hem uit en liet hem de namen opschrijven van de oudsten en de leden van het stadsbestuur; het waren er zevenenzeventig. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Toen ging hij naar Sukkot en zei: 'Kijk, hier heb ik Zebach en Salmunna, met wie u mij hebt gehoond door te zeggen: "Waarom zouden wij uw leger te eten geven? Hebt u Zebach en Salmunna soms al in handen gekregen?"' </VERS>
      <VERS vnumber="16">Hij nam de oudsten gevangen en liet doorntakken en distels uit de woestijn halen. En de burgers van Sukkot hebben het geweten! </VERS>
      <VERS vnumber="17">Ook haalde hij de toren van Penuël omver en doodde hij de inwoners van die stad. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Gideon vroeg aan Zebach en Salmunna: 'Wat waren dat voor mannen die u bij de Tabor hebt gedood?' 'Ze zagen er net zo uit als u, 'antwoordden ze. 'Het leken stuk voor stuk wel koningszonen.' </VERS>
      <VERS vnumber="19">Toen zei Gideon: 'Dat waren mijn volle broers, de zonen van mijn eigen moeder. Zo waar de HEER leeft, als u hen toen in leven had gelaten, zou ik u nu niet doden.' </VERS>
      <VERS vnumber="20">En hij droeg zijn oudste zoon Jeter op: 'Vooruit, dood ze!' Maar de jongen trok zijn zwaard niet; hij durfde niet, omdat hij nog zo jong was. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Zebach en Salmunna zeiden: 'Doet u het dan zelf. U bent mans genoeg.' Toen doodde Gideon hen zelf. De gouden maantjes die de nek van hun kamelen sierden nam hij mee. </VERS>
      <VERS vnumber="22">De Israëlieten zeiden tegen Gideon: 'U hebt ons bevrijd uit de greep van Midjan. Wees daarom onze heerser, en na u uw zoon, en de zoon van uw zoon.' </VERS>
      <VERS vnumber="23">Maar Gideon antwoordde: 'Ik zal uw heerser niet zijn, en mijn zoon zal uw heerser niet zijn, want de HEER is uw heerser. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Maar ik wil u iets anders vragen: laat ieder mij een ring geven uit de buit die hij op de Midjanieten heeft behaald.' (Deze afstammelingen van Ismaël droegen hun rijkdommen immers in de vorm van gouden sieraden bij zich.) </VERS>
      <VERS vnumber="25">'Maar natuurlijk!' antwoordden ze, en er werd een mantel uitgespreid waarin iedereen een ring wierp. </VERS>
      <VERS vnumber="26">De gouden ringen die hij van de Israëlieten ontving wogen samen wel zeventienhonderd sjekel. Daar kwamen dan nog bij de gouden maantjes en oorringen en de purperen mantels van de Midjanitische koningen, en de halssieraden van hun kamelen. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Gideon liet van dit alles een priestergewaad maken. Hij gaf het een plaats in Ofra, waar heel Israël het als een afgod kwam vereren. Dit zou uiteindelijk leiden tot de ondergang van Gideon en zijn familie. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Midjan kwam de nederlaag niet meer te boven en moest het hoofd buigen voor Israël. Onder Gideon had het land veertig jaar rust. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Gideon zelf, de zoon van Joas, die ook wel Jerubbaäl wordt genoemd, ging weer in Ofra wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Hij verwekte zeventig zonen, want hij had vele vrouwen. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Een van zijn bijvrouwen woonde in Sichem. Ook zij schonk hem een zoon, en die gaf hij de naam Abimelech. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Gideon, de zoon van Joas, stierf op hoge leeftijd. Hij werd bijgezet in het graf van zijn vader Joas in Ofra, waar de afstammelingen van Abiëzer wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Na de dood van Gideon begonnen de Israëlieten opnieuw achter de Baäls aan te lopen. Ze verhieven Baäl-Berit tot god </VERS>
      <VERS vnumber="34">en vergaten de HEER, hun God, die hen had bevrijd van de hen omringende vijanden. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Ook bewezen ze de familie van Jerubbaäl niet de verschuldigde dankbaarheid voor al het goede dat hij, Gideon, voor Israël had gedaan. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="9">
      <VERS vnumber="1">Abimelech, de zoon van Jerubbaäl, ging naar Sichem, waar de familie van zijn moeder woonde, en zei tegen zijn ooms en zijn neven: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Leg de burgers van Sichem de vraag voor wie ze liever als heerser hebben: de zeventig zonen van Jerubbaäl gezamenlijk of één man, die bovendien hun bloedverwant is.' </VERS>
      <VERS vnumber="3">Toen zijn ooms zijn vraag voorlegden aan de burgers van Sichem, spraken die hun voorkeur uit voor Abimelech, met als argument dat hij familie van hen was. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Ze gaven hem zeventig sjekel uit de tempel van Baäl-Berit. Met dat geld huurde Abimelech een legertje gewetenloze avonturiers. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Daarmee ging hij naar Ofra, naar het huis van zijn vader, waar hij zijn broers, de zeventig zonen van Jerubbaäl, stuk voor stuk ter dood bracht op een en dezelfde steen. Alleen Jotam, de jongste, wist te ontkomen, want hij had zich verstopt. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Daarop kwamen de burgers van Sichem en Bet-Millo bij de eik bij het gedenkteken in Sichem bijeen en riepen Abimelech tot koning uit. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Toen Jotam dit vernam, ging hij de Gerizim op en riep met stemverheffing vanaf de top: 'Hoor mij aan, burgers van Sichem, en God zal u verhoren! </VERS>
      <VERS vnumber="8">Eens gingen de bomen eropuit om een koning te kiezen. Ze vroegen de olijfboom: "Wilt u onze koning zijn?" </VERS>
      <VERS vnumber="9">Maar de olijfboom antwoordde: "Zou ik ophouden mijn olie af te staan, waarmee mensen en goden worden vereerd, om wat te wuiven boven de andere bomen uit?" </VERS>
      <VERS vnumber="10">Toen vroegen ze het aan de vijgenboom: "En u, wilt u onze koning zijn?" </VERS>
      <VERS vnumber="11">Maar de vijgenboom antwoordde: "Zou ik ophouden mijn zoete vruchten af te staan, om wat te wuiven boven de andere bomen uit?" </VERS>
      <VERS vnumber="12">Toen vroegen ze het aan de wijnstok: "En u, wilt u onze koning zijn?" </VERS>
      <VERS vnumber="13">Maar de wijnstok antwoordde: "Zou ik ophouden mijn sap af te staan, dat goden en mensen verblijdt, om wat te wuiven boven de andere bomen uit?" </VERS>
      <VERS vnumber="14">Ten slotte vroegen de bomen aan de doornstruik: "En u, wilt u onze koning zijn?" </VERS>
      <VERS vnumber="15">En de doornstruik antwoordde: "Als u mij werkelijk tot uw koning wilt zalven, kom dan maar hier, in mijn schaduw is het goed toeven. Maar zo niet, dan zal er uit mijn takken een vuur komen dat de ceders van de Libanon zal verteren." </VERS>
      <VERS vnumber="16">Welnu, burgers van Sichem, als u te goeder trouw gehandeld hebt toen u Abimelech tot koning uitriep, als u Jerubbaäl en zijn familie de verschuldigde dankbaarheid hebt bewezen, als u mijn vader naar zijn verdienste hebt beloond- </VERS>
      <VERS vnumber="17">hij is immers voor u ten strijde getrokken, hij heeft voor u zijn leven op het spel gezet, hij heeft u bevrijd uit de greep van Midjan, </VERS>
      <VERS vnumber="18">maar u bent vandaag tegen mijn familie in opstand gekomen, u hebt de zonen van mijn vader, zeventig man, op een en dezelfde steen ter dood gebracht, u hebt Abimelech, de zoon van zijn slavin, tot uw koning uitgeroepen omdat hij familie van u is-, </VERS>
      <VERS vnumber="19">als u kortom vandaag te goeder trouw gehandeld hebt ten opzichte van Jerubbaäl en zijn familie, dan wens ik u veel geluk met Abimelech en hem met u! </VERS>
      <VERS vnumber="20">Maar zo niet, dan zal er uit Abimelech een vuur komen dat de burgers van Sichem en Bet-Millo zal verteren, en er zal uit de burgers van Sichem en Bet-Millo een vuur komen dat Abimelech zal verteren.' </VERS>
      <VERS vnumber="21">Daarop nam Jotam de vlucht. Hij week uit naar Beër en bleef daar wonen, buiten bereik van zijn broer Abimelech. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Drie jaar had Abimelech het in Israël voor het zeggen. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Toen zaaide God onenigheid tussen Abimelech en de burgers van Sichem, zodat de burgers van Sichem hun belofte van trouw aan Abimelech braken. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Dat was om de moord op de zeventig zonen van Jerubbaäl te wreken op hun broer Abimelech, die hen had gedood, en op de burgers van Sichem, die hem daarbij hadden geholpen. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Om Abimelech te benadelen, lieten de burgers van Sichem een groep mannen zich hoog in de bergen verdekt opstellen; vanuit hun hinderlaag beroofden die iedereen die daar langskwam. Dit kwam Abimelech ter ore. </VERS>
      <VERS vnumber="26">In diezelfde tijd kwam Gaäl, de zoon van Ebed, met zijn verwanten in Sichem aan, en de burgers van Sichem schonken hem hun vertrouwen. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Ze gingen weer naar hun wijngaarden, plukten de druiven en persten die uit. Daarna hielden ze een oogstfeest, en tijdens het feestmaal in de tempel van hun god begonnen ze Abimelech te beschimpen. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Gaäl zei: 'Wie is die Abimelech eigenlijk? Waarom zou een stad als Sichem onderworpen zijn aan de zoon van Jerubbaäl en Zebul, zijn gevolmachtigde? Zouden wij er niet beter aan doen de nakomelingen van Chamor te dienen, de vader van Sichem, in plaats van Abimelech? </VERS>
      <VERS vnumber="29">Als ik het hier voor het zeggen had, zou ik Abimelech afzetten. Ik zou tegen hem zeggen: "Kom maar op met je leger, hoe groot het ook is!"' </VERS>
      <VERS vnumber="30">Zebul, de stadscommandant van Sichem, werd woedend bij het horen van deze woorden. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Heimelijk stuurde hij boden naar Abimelech om hem te zeggen: 'Gaäl, de zoon van Ebed, is met zijn verwanten naar Sichem gekomen, en nu stoken zij de stad tegen u op! </VERS>
      <VERS vnumber="32">Kom daarom vannacht nog met uw leger hierheen en stel u verdekt op in het veld. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Doe morgen bij zonsopgang een aanval op de stad. Als hij dan met zijn manschappen vanuit de stad tegen u uitrukt, kunt u uw kans grijpen.' </VERS>
      <VERS vnumber="34">Diezelfde nacht betrok Abimelech met zijn leger vier verdekte stellingen in de buurt van Sichem. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Toen Gaäl de volgende morgen in de stadspoort verscheen, kwamen Abimelech en zijn soldaten uit hun stellingen te voorschijn. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Gaäl zag hen en zei tegen Zebul: 'Kijk, daar komt een leger aan vanuit de bergen.' Zebul antwoordde: 'Dat is de schaduw van de bergen, die u voor een leger aanziet.' </VERS>
      <VERS vnumber="37">Maar Gaäl hield vol: 'Nee, kijk maar, er komt een leger aanzetten vanaf de Gerizim, en daarginds komt nog een eenheid aan van de kant van de Waarzeggerseik.' </VERS>
      <VERS vnumber="38">Toen zei Zebul tegen hem: 'U moest toch zo nodig zeggen: "Wie is die Abimelech eigenlijk, dat wij aan hem onderworpen zouden zijn?" Hier is het leger waarover u zo laatdunkend hebt gesproken. Vooruit, bind nu de strijd maar met hem aan!' </VERS>
      <VERS vnumber="39">Gaäl rukte uit aan het hoofd van de burgers van Sichem en bond de strijd aan met Abimelech. </VERS>
      <VERS vnumber="40">Abimelech sloeg hem terug en joeg hem op de vlucht. Het slagveld was tot aan de stadspoort toe met lijken bezaaid. </VERS>
      <VERS vnumber="41">Abimelech woonde in Aruma; Gaäl en zijn verwanten werden door Zebul uit Sichem verbannen. </VERS>
      <VERS vnumber="42">De volgende dag gingen de inwoners van Sichem weer aan het werk op het land. Toen Abimelech hiervan op de hoogte werd gesteld, </VERS>
      <VERS vnumber="43">verdeelde hij zijn leger in drie groepen en stelde zich verdekt op in het veld. Zodra hij de mensen de stad uit zag komen, overviel hij hen. </VERS>
      <VERS vnumber="44">Terwijl Abimelech met zijn groep een aanval op de stadspoort deed en die bezette, overmanden de twee andere groepen de mensen op het land. </VERS>
      <VERS vnumber="45">Na een dag van strijd nam Abimelech de stad in. Hij doodde er iedereen, maakte de stad met de grond gelijk en bestrooide de resten met zout. </VERS>
      <VERS vnumber="46">Toen de inwoners van Migdal-Sichem dit vernamen, trokken zij zich terug in de versterkte toren bij de tempel van El-Berit. </VERS>
      <VERS vnumber="47">Abimelech werd ervan op de hoogte gesteld dat de inwoners van Migdal-Sichem zich hadden verschanst. </VERS>
      <VERS vnumber="48">Hij ging met al zijn manschappen de Salmon op. Daar kapte hij met zijn bijl wat kreupelhout, legde de takken op zijn schouder en gaf zijn soldaten bevel vlug zijn voorbeeld te volgen. </VERS>
      <VERS vnumber="49">Ook de soldaten kapten allemaal een bos takken en volgden Abimelech terug naar beneden. Ze plaatsten hun takkenbossen tegen de versterking en staken die in brand, zodat de mensen daarbinnen in de vlammen omkwamen. Zo vonden ook alle inwoners van Migdal-Sichem de dood, ongeveer duizend mannen en vrouwen. </VERS>
      <VERS vnumber="50">Enige tijd later trok Abimelech op tegen Tebes. Hij belegerde de stad en nam haar in. </VERS>
      <VERS vnumber="51">In het midden van de stad stond een versterkte toren, en daarin namen de burgers van de stad hun toevlucht, zowel mannen als vrouwen. Ze vergrendelden de poort en klommen naar het dak. </VERS>
      <VERS vnumber="52">Abimelech bestookte de toren van dichtbij. Toen hij de poort naderde om de toren in brand te steken, </VERS>
      <VERS vnumber="53">gooide een vrouw een maalsteen op zijn hoofd, waardoor zijn schedel werd verbrijzeld. </VERS>
      <VERS vnumber="54">Hij kon nog net zijn wapendrager roepen en vragen: 'Trek je zwaard en dood mij, zodat er niet van mij gezegd zal worden: "Een vrouw heeft hem gedood."' Zijn wapendrager doorstak hem, en hij stierf. </VERS>
      <VERS vnumber="55">Toen het leger van Israël zag dat Abimelech dood was, keerden de soldaten naar huis terug. </VERS>
      <VERS vnumber="56">Zo vergold God Abimelech het kwaad dat hij tegen zijn vader had begaan door zijn zeventig broers te doden, </VERS>
      <VERS vnumber="57">en liet hij ook het kwaad van de burgers van Sichem op hun eigen hoofd neerkomen. Zo werd de vloek van Jotam, de zoon van Jerubbaäl, aan hen voltrokken. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="10">
      <VERS vnumber="1">Na Abimelech kwam Tola, die optrad als bevrijder van Israël. Hij was een zoon van Pua, de zoon van Dodo, en behoorde tot de stam Issachar. Maar hij woonde in Samir, in het bergland van Efraïm. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Drieëntwintig jaar was hij rechter over Israël. Toen stierf hij en werd begraven in Samir. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Na hem kwam Jaïr uit Gilead. Tweeëntwintig jaar was hij rechter over Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Hij had dertig zonen, die allemaal een ezelshengst als rijdier hadden en aan het hoofd van een nederzetting stonden. Tot op de dag van vandaag worden deze dorpen in Gilead de Dorpen van Jaïr genoemd. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Na zijn dood werd Jaïr begraven in Kamon. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Weer deden de Israëlieten wat slecht is in de ogen van de HEER: weer begonnen ze de Baäls en Astartes te vereren, en ook de goden van Aram, Sidon en Moab en de goden van de Ammonieten en de Filistijnen. Ze keerden de HEER de rug toe en dienden hem niet meer. </VERS>
      <VERS vnumber="7">De HEER ontstak in woede en leverde hen uit aan de Filistijnen en de Ammonieten. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Nog datzelfde jaar begonnen zij Israël te knechten en te knevelen: achttien jaar lang onderdrukten ze de Israëlieten die aan de overkant van de Jordaan woonden, in Gilead, het gebied dat ooit aan de Amorieten had toebehoord. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Uiteindelijk staken de Ammonieten zelfs de Jordaan over om de strijd aan te binden met Juda, Benjamin en Efraïm. De Israëlieten kregen het zo zwaar te verduren </VERS>
      <VERS vnumber="10">dat ze de HEER te hulp riepen en zeiden: 'We hebben tegen u, onze God, gezondigd door u de rug toe te keren en de Baäls te dienen.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">De HEER antwoordde: 'Ik heb jullie vaak genoeg gered: van de Egyptenaren en de Amorieten, en van de Ammonieten en de Filistijnen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Ook toen jullie onderdrukt werden door de Sidoniërs, de Amalekieten en de Maonieten hebben jullie mij te hulp geroepen en heb ik jullie uit hun greep bevrijd. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Maar telkens keren jullie mij weer de rug toe om andere goden te dienen. Daarom bevrijd ik jullie niet meer. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Roep die goden maar te hulp aan wie jullie de voorkeur hebben gegeven. Laten zij jullie nu maar uitkomst brengen!' </VERS>
      <VERS vnumber="15">Toen zeiden de Israëlieten tot de HEER: 'Wij hebben gezondigd. Doe met ons wat u goeddunkt, alleen, bevrijd ons nog deze ene keer.' </VERS>
      <VERS vnumber="16">En ze deden de vreemde goden weg en dienden de HEER. Toen kon de HEER niet langer aanzien hoe moeilijk Israël het had. </VERS>
      <VERS vnumber="17">De Ammonieten brachten een leger op de been en sloegen hun kamp op in Gilead. De Israëlieten verzamelden zich en sloegen hun kamp op in Mispa. </VERS>
      <VERS vnumber="18">De leiders van Gilead zeiden tegen elkaar: 'Degene die als eerste de strijd durft aan te binden met de Ammonieten, komt aan het hoofd te staan van heel Gilead.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="11">
      <VERS vnumber="1">Nu was er in die tijd een zekere Jefta, een krijgshaftig man, afkomstig uit Gilead. Hij was door zijn vader Gilead verwekt bij een hoer, </VERS>
      <VERS vnumber="2">maar Gilead had ook zonen bij zijn eigen vrouw. Toen die volwassen waren, hadden ze Jefta weggejaagd met de woorden: 'Jij krijgt geen erfdeel uit het bezit van onze vader, want je bent de zoon van een andere vrouw.' </VERS>
      <VERS vnumber="3">Jefta had voor zijn broers de wijk moeten nemen en zich gevestigd in Tob. Daar sloot zich een stel avonturiers bij hem aan, die met hem erop uittrokken. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Enige tijd nadat de Ammonieten hun kamp hadden opgeslagen in Gilead, bonden ze de strijd aan met Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Toen de oorlog eenmaal was uitgebroken, gingen de oudsten van Gilead naar Tob om Jefta terug te halen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">'Kom terug, 'zeiden ze tegen hem, 'en wees onze aanvoerder in de strijd tegen de Ammonieten.' </VERS>
      <VERS vnumber="7">Maar Jefta zei: 'Uit minachting hebt u mij uit het huis van mijn vader verdreven. En nu u in het nauw zit, komt u bij mij?' </VERS>
      <VERS vnumber="8">'U hebt gelijk, 'antwoordden de oudsten van Gilead. 'Maar nu willen we ons met u verzoenen. Als u met ons meegaat en de strijd aanbindt met de Ammonieten, komt u aan het hoofd te staan van heel Gilead.' </VERS>
      <VERS vnumber="9">Jefta antwoordde: 'Als u me terughaalt om de strijd aan te binden met de Ammonieten en als de HEER ze in mijn macht geeft, mag ik dus uw leider zijn?' </VERS>
      <VERS vnumber="10">'Daar kunt u op rekenen, 'zwoeren ze. 'Het zal gebeuren zoals u zegt, de HEER is onze getuige.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">Jefta ging met de oudsten mee naar Gilead, waar hij door het volk tot aanvoerder en leider werd aangesteld. En in Mispa herhaalde hij ten overstaan van de HEER nog eens alles wat hij had gezegd. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Jefta stuurde gezanten naar de koning van de Ammonieten met de vraag: 'Wat bezielt u om mij op mijn eigen grondgebied aan te vallen?' </VERS>
      <VERS vnumber="13">De koning van Ammon antwoordde de afgezanten van Jefta: 'Dat weet u heel goed! Israël heeft, toen het uit Egypte wegtrok, land van mij in bezit genomen: het hele gebied vanaf de Arnon tot aan de Jabbok en de Jordaan. Ik raad u aan mij dat nu zonder slag of stoot terug te geven.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">Toen stuurde Jefta opnieuw gezanten naar de koning van de Ammonieten. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Ditmaal moesten ze de volgende boodschap overbrengen: 'Dit zegt Jefta: "Israël heeft nooit land van de Moabieten of de Ammonieten afgenomen! </VERS>
      <VERS vnumber="16">Zo is het gegaan: Toen de Israëlieten weggingen uit Egypte, trokken ze door de woestijn naar de Rietzee en kwamen daarna bij Kades. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Israël stuurde gezanten naar de koning van Edom met het verzoek of ze door zijn land mochten trekken, maar hij gaf daaraan geen gehoor. Aan de koning van Moab werd hetzelfde verzoek voorgelegd, maar ook hij willigde het niet in. Dus moest Israël in Kades blijven. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Ten slotte kozen ze hun weg door de woestijn, om het gebied van Edom en Moab heen. Ze bleven ten oosten van Moab en sloegen hun tenten op aan de overkant van de Arnon. Ze zijn dus nooit op het grondgebied van Moab geweest, want ze zijn de grensrivier de Arnon niet overgestoken. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Vervolgens stuurde Israël gezanten naar Chesbon, naar koning Sichon van de Amorieten, met het verzoek of ze over zijn grondgebied naar hun eigen land mochten trekken. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Sichon vertrouwde Israël echter niet binnen zijn grenzen. Hij verzamelde zijn troepen, sloeg zijn kamp op in Jahas en deed een aanval op Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Maar de HEER, de God van Israël, leverde Sichon met zijn hele leger aan Israël uit, zodat ze werden verslagen. Israël nam het hele gebied in bezit dat aan de Amorieten had toebehoord. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Ze namen al het land van de Amorieten in bezit: het hele gebied van de Arnon tot aan de Jabbok en van de woestijn tot aan de Jordaan. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Welnu, de HEER, de God van Israël, heeft de Amorieten voor zijn eigen volk verdreven. En ú meent aanspraak te kunnen maken op hun bezit? </VERS>
      <VERS vnumber="24">Nee! Wat u dankzij uw god Kemos in bezit hebt gekregen kunt u uw eigendom noemen, maar het bezit van degenen die de HEER, onze God, voor ons verdreven heeft, is ons eigendom! </VERS>
      <VERS vnumber="25">Bent u soms meer dan koning Balak van Moab, de zoon van Sippor? Heeft hij ons ooit ons grondgebied betwist en ons daarom aangevallen? </VERS>
      <VERS vnumber="26">De Israëlieten wonen nu al driehonderd jaar in Chesbon en Aroër en de omliggende dorpen en in de steden langs de Arnon. Waarom hebben de Ammonieten dan niet eerder geprobeerd dat gebied te bevrijden? </VERS>
      <VERS vnumber="27">Ik heb u niets misdaan, maar u doet mij onrecht door mij aan te vallen. Laat de HEER, de hoogste rechter, vandaag rechtspreken tussen de Israëlieten en de Ammonieten."' </VERS>
      <VERS vnumber="28">Maar de koning van de Ammonieten trok zich niets aan van de boodschap die Jefta hem had laten overbrengen. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Toen werd Jefta gegrepen door de geest van de HEER. Hij trok door heel Gilead en Manasse, ging daarna weer terug naar Mispa in Gilead en trok van daar op tegen de Ammonieten. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Hij beloofde de HEER: 'Als u de Ammonieten aan mij uitlevert, </VERS>
      <VERS vnumber="31">dan zal het eerste dat me bij mijn behouden thuiskomst tegemoet komt voor u zijn; dat zal ik als brandoffer aan u opdragen.' </VERS>
      <VERS vnumber="32">Toen trok hij op tegen de Ammonieten en bond de strijd met hen aan, en de HEER leverde ze aan hem uit. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Jefta sloeg hen terug van Aroër tot Minnit en Abel-Keramim en nam daarbij niet minder dan twintig steden in. Zo bracht hij een zware nederlaag toe aan de Ammonieten, die het hoofd moesten buigen voor de Israëlieten. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Toen Jefta terugkwam in zijn woonplaats Mispa, werd hij met reidansen en trommelspel verwelkomd. Zijn dochter ging voorop. Zij was zijn enige kind, andere zonen of dochters had hij niet. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Meteen toen hij haar zag scheurde hij zijn kleren en riep uit: 'Ach mijn kind, dat jij me deze slag moet toebrengen, dat juist jij het bent die me in het ongeluk stort! Ik heb de HEER een gelofte gedaan en daar kan ik niet op terugkomen.' </VERS>
      <VERS vnumber="36">'U hebt de HEER een gelofte gedaan, vader, 'antwoordde ze. 'Nu hij u gewroken heeft op uw vijanden, de Ammonieten, moet u met mij doen zoals u hebt beloofd. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Maar dit wil ik nog vragen: gun me voordat u uw gelofte ten uitvoer brengt nog twee maanden tijd, zodat ik met mijn vriendinnen de bergen in kan trekken om erover te treuren dat ik nooit iemands vrouw zal zijn.' </VERS>
      <VERS vnumber="38">'Goed, 'zei Jefta, en hij liet haar voor twee maanden de bergen in gaan om met haar vriendinnen om haar maagdelijkheid te treuren. </VERS>
      <VERS vnumber="39">Toen die twee maanden voorbij waren keerde ze naar haar vader terug, en hij bracht zijn gelofte ten uitvoer. Nooit had ze met een man geslapen. Sindsdien is het in Israël de gewoonte </VERS>
      <VERS vnumber="40">dat de jonge meisjes elk jaar vier dagen lang rouwklagen om Jefta's dochter. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="12">
      <VERS vnumber="1">De Efraïmieten brachten een leger op de been en staken de Jordaan over naar Safon. 'Waarom bent u tegen de Ammonieten opgetrokken zonder ons erbij te betrekken?' wilden ze van Jefta weten. 'We zullen u met huis en al verbranden!' </VERS>
      <VERS vnumber="2">Jefta antwoordde hun: 'Toen mijn volk en ik in oorlog waren met de Ammonieten heb ik u opgeroepen, maar u bent me niet te hulp gekomen. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Dus toen ik merkte dat er van uw kant geen hulp te verwachten was, ben ik met gevaar voor eigen leven zelf tegen de Ammonieten ten strijde getrokken, en de HEER heeft ze aan mij uitgeleverd. Waarom valt u mij nu dan aan?' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Daarop riep hij alle mannen van Gilead op, bond de strijd aan met de Efraïmieten en versloeg hen. De Efraïmieten hadden namelijk gezegd: 'Jullie zijn niets anders dan een stel gevluchte Efraïmieten. Gilead hoort bij Manasse, en dus evengoed bij Efraïm!' </VERS>
      <VERS vnumber="5">Daarna bezetten de Gileadieten de oversteekplaatsen van de Jordaan om de Efraïmieten de terugtocht te beletten. Wanneer een Efraïmiet die wilde vluchten vroeg of hij de rivier mocht oversteken, vroegen ze hem: 'Kom jij uit Efraïm?' Dat ontkende hij natuurlijk, </VERS>
      <VERS vnumber="6">maar dan vroegen ze: 'Zeg eens: "sjibbolet".' Als hij dan 'sibbolet' zei, en het woord dus niet goed uitsprak, grepen ze hem en doodden ze hem ter plekke. Op die dag sneuvelden al met al tweeënveertigduizend Efraïmieten. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Zes jaar was de Gileadiet Jefta rechter over Israël. Toen stierf hij en werd begraven in zijn woonplaats in Gilead. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Na Jefta was Ibsan uit Bet-Lechem rechter over Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Hij had dertig zonen. Zijn dertig dochters huwelijkte hij buiten zijn eigen familie uit, en ook voor zijn zonen koos hij dertig bruiden van buiten de familie. Zeven jaar leidde hij Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Toen stierf hij en werd begraven in Bet-Lechem. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Na hem was Elon uit de stam Zebulon rechter over Israël. Tien jaar leidde hij het land. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Toen stierf hij en werd begraven in Ajjalon in Zebulon. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Na hem was Abdon, de zoon van Hillel, uit Piraton rechter over Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Hij had veertig zonen en dertig kleinzonen, die allemaal een ezelshengst als rijdier hadden. Acht jaar leidde hij Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Toen stierf hij en werd begraven in Piraton in Efraïm, in het bergland dat ooit aan de Amalekieten had toebehoord. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="13">
      <VERS vnumber="1">Weer deden de Israëlieten wat slecht is in de ogen van de HEER. Daarom leverde de HEER hen veertig jaar lang over aan de Filistijnen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">In die tijd leefde er in de omgeving van Sora een zekere Manoach, die tot de stam Dan behoorde. Zijn vrouw was onvruchtbaar en had nooit kinderen gekregen. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Op een dag verscheen bij haar een engel van de HEER. 'Tot nu toe was u onvruchtbaar en hebt u geen kinderen gekregen, 'zei hij. 'Maar nu zult u zwanger worden en een zoon baren. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Onthoud u daarom van wijn en andere drank en eet geen voedsel dat onrein is. </VERS>
      <VERS vnumber="5">U zult zwanger worden en een zoon krijgen. Zijn haar mag nooit door een scheermes worden aangeraakt, want hij zal al vanaf de moederschoot als nazireeër aan God gewijd zijn. Hij zal een begin maken met de bevrijding van Israël uit de greep van de Filistijnen.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">De vrouw ging naar haar man en vertelde hem dat er een godsman bij haar was geweest. 'Hij zag er bijzonder ontzagwekkend uit, 'zei ze, 'het leek wel een engel van God. Ik heb hem niet gevraagd waar hij vandaan kwam en hij heeft me zijn naam niet gezegd. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Hij zei tegen me dat ik zwanger zou worden en een zoon zou krijgen. Van nu af aan mag ik geen wijn of andere drank drinken en niets onreins eten, want onze zoon zal vanaf de moederschoot tot aan de dag van zijn dood als nazireeër aan God gewijd zijn.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">Manoach bad tot de HEER: 'Mag ik u vragen, Heer, laat de godsman die u gezonden hebt toch opnieuw bij ons komen, om ons te vertellen wat we moeten doen wanneer de jongen eenmaal geboren is.' </VERS>
      <VERS vnumber="9">God verhoorde hem en de engel van God kwam opnieuw naar de vrouw toe. Zij was bezig op het land, Manoach was op dat moment niet bij haar. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Ze haastte zich naar haar man: 'Hij is er weer, 'riep ze, 'die man die laatst bij me was!' </VERS>
      <VERS vnumber="11">Manoach ging meteen met haar mee. Bij de vreemdeling aangekomen vroeg hij: 'Bent u degene die met mijn vrouw gesproken heeft?' 'Inderdaad, 'antwoordde hij, </VERS>
      <VERS vnumber="12">en Manoach vroeg: 'Wanneer uw woorden uitgekomen zijn, hoe moet de jongen zich dan gedragen en wat moet hij doen?' </VERS>
      <VERS vnumber="13">De engel van de HEER antwoordde: 'Uw vrouw moet zich onthouden van alle dingen die ik heb genoemd: </VERS>
      <VERS vnumber="14">ze mag niet eten van de vruchten van de wijnstok en geen wijn of andere drank drinken of iets eten dat onrein is; ze moet zich nauwkeurig houden aan wat ik haar heb opgedragen.' </VERS>
      <VERS vnumber="15">Toen zei Manoach tegen de engel van de HEER: 'Wij zouden graag zien dat u nog bleef, zodat we voor u een geitenbokje kunnen klaarmaken.' </VERS>
      <VERS vnumber="16">Maar de engel van de HEER antwoordde: 'Ik wil nog wel even blijven, maar ik zal niet eten van wat u mij aanbiedt. Als u echter een brandoffer aan de HEER wilt opdragen, mag u dat doen.' Manoach wist nog altijd niet dat hij met een engel van de HEER te maken had. </VERS>
      <VERS vnumber="17">'Zeg ons uw naam, 'vroeg hij, 'zodat wij u eer kunnen bewijzen wanneer uw woorden uitgekomen zijn.' </VERS>
      <VERS vnumber="18">Maar de engel van de HEER antwoordde: 'Waarom vraagt u naar mijn naam? Die is voor u toch te wonderbaarlijk.' </VERS>
      <VERS vnumber="19">Manoach nam een geitenbokje en wat brood en bracht dit op een rotsblok ten offer aan de HEER. Toen gebeurde er voor de ogen van Manoach en zijn vrouw iets wonderbaarlijks: </VERS>
      <VERS vnumber="20">in de vlam die van het altaar opschoot naar de hemel steeg de engel van de HEER op. Manoach en zijn vrouw zagen het gebeuren; ze vielen op hun knieën en bogen diep voorover. </VERS>
      <VERS vnumber="21">De engel van de HEER zou zich niet meer aan hen laten zien. Nu besefte Manoach dat het een engel van de HEER was geweest. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Hij zei tegen zijn vrouw: 'We hebben God gezien. Dat wordt onze dood!' </VERS>
      <VERS vnumber="23">Maar zijn vrouw antwoordde: 'Als God ons had willen doden, had hij vast ons offer niet aanvaard en ons niet laten zien wat we nu gezien hebben. En dan had hij ons daarnet zeker niet zulke beloften gedaan.' </VERS>
      <VERS vnumber="24">De vrouw bracht een zoon ter wereld en noemde hem Simson. De jongen genoot de zegen van de HEER en groeide voorspoedig op. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Tussen Sora en Estaol, waar de Danieten hun tenten hadden opgeslagen, werd hij voor het eerst door de geest van de HEER tot daden aangezet. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="14">
      <VERS vnumber="1">Op een keer ging Simson naar Timna. Daar viel zijn oog op een Filistijns meisje. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Toen hij thuiskwam vertelde hij zijn ouders: 'Ik heb in Timna een Filistijns meisje gezien. Ik zou willen dat u haar voor mij ten huwelijk vraagt.' </VERS>
      <VERS vnumber="3">Maar zijn ouders zeiden: 'Waarom zoek je een bruid bij die onbesneden Filistijnen? Er is onder de dochters van je verwanten toch wel een vrouw voor je te vinden, of in elk geval onder de meisjes van ons eigen volk.' 'Nee, vader, 'antwoordde Simson. 'Dit meisje moet u voor me vragen, want zij bevalt me.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Zijn ouders wisten niet dat het de HEER was die hierop aanstuurde, omdat hij een aanleiding zocht om de strijd met de Filistijnen aan te gaan. De Filistijnen waren in die tijd namelijk heer en meester in Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Simson ging met zijn vader en moeder op weg naar Timna. In de buurt van de wijngaarden van Timna kwam opeens een leeuw brullend op hem af. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Toen voer de geest van de HEER in hem en met zijn blote handen verscheurde hij de leeuw, alsof het een geitenbokje was. Maar tegen zijn vader en moeder sprak hij er met geen woord over. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Hij vervolgde zijn weg en sprak met het meisje, en zij beviel hem nog steeds. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Niet lang daarna maakte hij de reis opnieuw, nu om haar tot vrouw te nemen. Onderweg verliet hij even het pad om naar de dode leeuw te kijken. Daar zag hij dat zich in het kadaver een zwerm bijen had genesteld, en dat er honing in zat. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Met zijn blote handen haalde hij de honing eruit, en al etend liep hij terug naar zijn ouders. Hij gaf hun er ook wat van te eten, maar hij zei er niet bij dat hij die honing uit het kadaver van een leeuw had gehaald. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Zijn vader ging naar het ouderlijk huis van het meisje. Simson gaf daar een feest, want zo hoorde dat wanneer een jongeman ging trouwen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Na de kennismaking werden dertig van zijn leeftijdsgenoten uitgekozen om het feest bij te wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Simson zei tegen hen: 'Laat ik jullie een raadsel opgeven. Als jullie me binnen de zeven dagen van dit feest de oplossing vertellen, krijgen jullie alle dertig een stel onder- en bovenkleren van mij. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Maar als jullie de oplossing niet kunnen vinden, krijg ik van jullie dertig stel onder- en bovenkleren.' 'Afgesproken!' antwoordden ze. 'Laat je raadsel maar horen.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">Toen zei Simson: 'Het is sterk en het verslindt altijd, nu biedt het een maal van zoetigheid.' Na drie dagen hadden ze de oplossing nog niet gevonden. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Daarom zeiden ze op de vierde dag tegen Simsons vrouw: 'Jij moet je man overhalen om ons de oplossing van het raadsel te vertellen, anders steken we jullie huis in brand zodat jij en je familie in de vlammen omkomen. Wat denken jullie wel! Hebben jullie ons soms uitgenodigd om ons tot de bedelstaf te brengen?' </VERS>
      <VERS vnumber="16">Snikkend viel Simsons vrouw haar man om de hals en verweet hem: 'Je houdt niet van me, het lijkt wel of je een hekel aan me hebt. Je hebt mijn stadsgenoten een raadsel opgegeven maar mij niet eens de oplossing verteld.' 'Die heb ik zelfs niet aan mijn eigen vader en moeder verteld, 'zei Simson. 'Waarom zou ik het dan aan jou verklappen?' </VERS>
      <VERS vnumber="17">Maar de hele feestweek door bleef ze hem in tranen verwijten maken, en op de zevende dag gaf hij ten slotte toe, zo had ze hem met haar verwijten bestookt. Ze vertelde de oplossing van het raadsel door aan haar stadsgenoten, </VERS>
      <VERS vnumber="18">en die stelden op die zevende dag, vlak voor zonsondergang, aan Simson de wedervraag: 'Wat zou er zoeter zijn dan honing en sterker dan de leeuwenkoning?' 'Ja ja, 'zei Simson. 'Jullie hebben met mijn vaars geploegd, anders waren jullie er nooit achter gekomen.' </VERS>
      <VERS vnumber="19">De geest van de HEER voer in hem en hij ging naar Askelon en doodde daar dertig man. Hij nam hun kleren mee en gaf die aan de jongemannen die de oplossing van het raadsel hadden gegeven. Hij was zo kwaad dat hij terugging naar het huis van zijn vader. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Zijn vrouw werd aan een ander gegeven, aan degene die bij zijn huwelijk als getuige was opgetreden. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="15">
      <VERS vnumber="1">Niet lang daarna, in de tijd van de tarweoogst, wilde Simson zijn vrouw een bezoek brengen. Hij had een geitenbokje voor haar meegenomen. 'Ik wil graag mijn vrouw bezoeken in haar eigen vertrek, 'zei hij, maar haar vader weigerde hem de toegang. </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Ik was er vast van overtuigd dat je niets meer van haar wilde weten, 'zei hij. 'Daarom heb ik haar aan een ander gegeven. Maar haar jongere zuster is nog mooier dan zij. Waarom zou je die niet nemen in haar plaats?' </VERS>
      <VERS vnumber="3">Toen zei Simson: 'Ik zal ze krijgen, die Filistijnen. En deze keer valt mij niets te verwijten!' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Hij ging weg, ving driehonderd vossen en legde fakkels klaar. De vossen bond hij twee aan twee met de staarten aan elkaar, steeds met een fakkel ertussen. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Toen stak hij de fakkels aan en stuurde de vossen de korenvelden van de Filistijnen in. Zo stak hij alles in brand, niet alleen de korenschoven en het koren dat nog op de akker stond, maar ook de wijngaarden en de olijfgaarden. </VERS>
      <VERS vnumber="6">De Filistijnen wilden weten wie daarvoor verantwoordelijk was. Toen ze erachter kwamen dat Simson het had gedaan, omdat zijn schoonvader hem zijn vrouw had afgenomen en haar aan een ander had gegeven, staken ze het huis van Simsons schoonvader in Timna in brand, zodat Simsons vrouw en haar vader in de vlammen omkwamen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Toen zei Simson: 'O, gaat het er hier zo aan toe? Dan zal ik niet rusten voor ik me gewroken heb!' </VERS>
      <VERS vnumber="8">En hij sloeg er ongenadig op los en maakte talloze slachtoffers. Daarna trok hij zich terug onder een overhangende rots bij Etam. </VERS>
      <VERS vnumber="9">De Filistijnen vielen daarop Juda binnen, sloegen hun kamp op bij Lechi en begonnen zich van daar te verspreiden. </VERS>
      <VERS vnumber="10">De Judeeërs vroegen hun waarom ze hun gebied waren binnengevallen en kregen als antwoord: 'We zijn gekomen om Simson gevangen te nemen. We willen hem betaald zetten wat hij ons heeft aangedaan.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">Toen gingen drieduizend Judeeërs naar Simsons rotshol bij Etam. 'Hoe kon je ons dit aandoen?' vroegen ze. 'Je weet toch dat de Filistijnen hier de baas zijn!' Maar Simson zei: 'Ik heb hun alleen betaald gezet wat zij mij hebben aangedaan.' </VERS>
      <VERS vnumber="12">'We zijn gekomen om je gevangen te nemen, 'zeiden de Judeeërs. 'We gaan je uitleveren aan de Filistijnen.' 'Zweer me dan dat jullie me niet zullen doden, 'zei Simson. </VERS>
      <VERS vnumber="13">'Nee, daar is geen sprake van, 'verzekerden ze hem. 'We binden je vast en leveren je aan hen uit, maar doden zullen we je niet.' Ze boeiden hem met twee nieuwe touwen, leidden hem uit zijn rotshol </VERS>
      <VERS vnumber="14">en brachten hem naar Lechi, waar de Filistijnen juichend op hem afstormden. Toen voer de geest van de HEER in hem. De touwen waarmee hij was gebonden leken wel vlas dat wegschroeit in het vuur, zo makkelijk vielen ze van zijn armen en zijn polsen. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Hij zag een ezelskaak liggen; het bot was nog hard. Hij raapte het op en sloeg er duizend man mee dood. </VERS>
      <VERS vnumber="16">'Met een ezelskaak heb ik hun botten gekraakt. Met een ezelskaak heb ik er duizend geraakt!' riep hij uit, </VERS>
      <VERS vnumber="17">en gooide het bot weer weg. Hij noemde die plek Ramat-Lechi. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Hij had ondertussen erge dorst gekregen, en daarom riep hij tot de HEER: 'Aan u, Heer, heb ik deze geweldige overwinning te danken. Moet ik nu sterven van de dorst en alsnog in handen vallen van die onbesnedenen?' </VERS>
      <VERS vnumber="19">Toen liet God in de kom van het dal bij Lechi de aarde openbarsten. Er kwam water uit en Simson dronk ervan, zodat hij weer helemaal op krachten kwam. En hij noemde die bron, die tot op de dag van vandaag bij Lechi is te vinden, En-Hakkore. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Tijdens de Filistijnse overheersing trad Simson twintig jaar lang op als rechter. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="16">
      <VERS vnumber="1">Op een keer was Simson in Gaza. Daar viel zijn oog op een hoer en hij ging bij haar naar binnen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">De inwoners van Gaza kwamen erachter dat Simson in de stad was. De waakzaamheid in de stad werd verhoogd en bij de stadspoort hield een aantal mannen zich gereed om hem te overmeesteren; verder deden ze die nacht nog niets. 'Zodra het licht wordt zullen we hem doden, 'zeiden ze. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Maar Simson sliep niet langer dan tot middernacht, toen stond hij op. Bij de stadspoort gekomen greep hij de beide deurposten vast en rukte ze los met deuren en sluitbalk en al; hij nam het hele gevaarte op zijn schouders en droeg het weg, helemaal naar een van de bergtoppen tegenover Hebron. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Enige tijd later begon Simson een verhouding met een vrouw uit het Sorekdal, een zekere Delila. </VERS>
      <VERS vnumber="5">De Filistijnse stadsvorsten gingen naar Delila toe en zeiden tegen haar: 'Haal Simson over om u te vertellen waarin zijn geweldige kracht schuilt en wat we moeten doen om hem weerloos te maken. Dan kunnen we hem gevangennemen, zodat we geen last meer van hem hebben, en krijgt u van ieder van ons elfhonderd sjekel zilver.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">Dus vroeg Delila aan Simson: 'Vertel me eens: waarin schuilt toch je geweldige kracht? Hoe kan iemand je zo boeien dat je weerloos wordt?' </VERS>
      <VERS vnumber="7">Simson antwoordde: 'Als ik geboeid word met zeven verse, soepele pezen, dan ben ik even zwak als ieder ander.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">De Filistijnse vorsten stuurden Delila zeven verse, soepele pezen. Daarmee bond ze hem vast, </VERS>
      <VERS vnumber="9">terwijl in het vertrek ernaast een aantal Filistijnen klaarstond om hem te overmeesteren. Toen riep ze: 'De Filistijnen komen je halen, Simson!' Maar hij liet de pezen knappen als hennepvezels die te dicht bij het vuur komen. Het geheim van zijn kracht bleef in raadselen gehuld. </VERS>
      <VERS vnumber="10">'Wat is dat nu?' zei Delila tegen Simson. 'Je hebt me voor de gek gehouden en leugens opgedist! Vertel me nu echt hoe je geboeid moet worden.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">Simson antwoordde: 'Als ik word vastgebonden met nieuwe, ongebruikte touwen, dan ben ik even zwak als ieder ander.' </VERS>
      <VERS vnumber="12">Toen nam Delila nieuwe touwen en bond hem daarmee vast. Weer riep ze: 'De Filistijnen komen je halen, Simson!' Maar terwijl de Filistijnen al klaarstonden om hem te overmeesteren, liet Simson de touwen als draadjes van zijn armen knappen. </VERS>
      <VERS vnumber="13">'Je hebt me weer voor de gek gehouden en met leugens afgescheept!' zei Delila. 'Vertel me nu eindelijk hoe je geboeid moet worden.' En Simson zei: 'Als je mijn zeven haarvlechten inweeft in het weefgetouw en ze met een pin vastzet in de wand, dan ben ik even zwak als ieder ander.' Zodra hij in slaap was gevallen, weefde Delila zijn zeven haarvlechten door de schering van haar weefgetouw </VERS>
      <VERS vnumber="14">en stak het weefsel vast met een pin. Toen riep ze: 'De Filistijnen komen je halen, Simson!' Simson werd wakker, rukte de pin los en trok zijn haarvlechten uit het weefgetouw, met schering en al. </VERS>
      <VERS vnumber="15">'Hoe kun je zeggen dat je van me houdt?' zei Delila. 'Je vertrouwt me niet eens! Tot drie keer toe heb je me voor de gek gehouden in plaats van me te vertellen waarin je geweldige kracht schuilt.' </VERS>
      <VERS vnumber="16">Zo bleef ze hem dag in dag uit met verwijten bestoken en drong net zo lang aan tot hij het niet meer uithield en bezweek. </VERS>
      <VERS vnumber="17">'Nog nooit heeft een scheermes mijn hoofd aangeraakt, 'vertrouwde hij haar toe. 'Dat is omdat ik al vanaf de moederschoot als nazireeër aan God gewijd ben. Als mijn hoofdhaar zou worden afgeschoren, zou mijn kracht me in de steek laten en zou ik net zo zwak zijn als ieder ander.' </VERS>
      <VERS vnumber="18">Delila voelde dat hij ditmaal de waarheid had verteld en stuurde de Filistijnse vorsten de boodschap: 'Deze keer moet u zelf komen, want nu heeft hij mij de waarheid toevertrouwd.' Ze kwamen naar haar toe en brachten het geld voor haar mee. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Zodra Simson in haar schoot in slaap was gevallen liet ze een van de Filistijnen binnenkomen, en in diens bijzijn schoor ze Simsons zeven haarvlechten af. Daardoor week zijn kracht en zo maakte zij hem weerloos. </VERS>
      <VERS vnumber="20">'De Filistijnen zijn er om je te halen, Simson!' riep ze. Simson werd wakker en wilde opspringen en zich losrukken, net als de vorige keren, want hij wist niet dat de HEER hem verlaten had. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Maar de Filistijnen grepen hem, staken zijn ogen uit en voerden hem mee naar Gaza, geboeid met bronzen ketenen. In Gaza werd hij in de gevangenis gezet, waar hij meel moest malen. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Maar zijn afgeschoren haar begon meteen weer aan te groeien. </VERS>
      <VERS vnumber="23">'Onze god heeft onze vijand Simson aan ons uitgeleverd, 'verklaarden de Filistijnse vorsten, en daarom hielden ze een groot offerfeest ter ere van hun god Dagon. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Bij het zien van Simson juichte het volk: 'Geloofd zij onze god, want hij levert aan ons uit onze vijand, die ons land verwoestte, onze vijand, die zovelen van ons doodde.' </VERS>
      <VERS vnumber="25">Ze waren in een steeds vrolijker stemming geraakt, en ten slotte had iemand voorgesteld: 'Laten we Simson erbij halen, dan kunnen we lachen.' Simson werd uit de gevangenis gehaald en moest om de feestgangers te vermaken tussen de zuilen van de tempel gaan staan. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Hij vroeg aan de jongen die hem geleidde: 'Zet me zo neer dat ik de zuilen kan aanraken waarop de tempel rust, dan kan ik daartegen steunen.' </VERS>
      <VERS vnumber="27">De tempel was vol mensen, onder wie de Filistijnse stadsvorsten, en er waren ook nog zo'n drieduizend mannen en vrouwen op het dak geklommen om naar Simson te kijken en hem uit te jouwen. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Maar Simson riep de HEER om hulp en bad: 'HEER, mijn God, denk toch aan mij! Geef me alstublieft nog eenmaal genoeg kracht, zodat ik me voor minstens een van mijn beide ogen op de Filistijnen kan wreken.' </VERS>
      <VERS vnumber="29">Voorzichtig betastte hij de twee middelste steunpilaren van de tempel, zette zich met beide handen schrap </VERS>
      <VERS vnumber="30">en riep uit: 'Mijn dood zal de dood zijn van de Filistijnen!' Toen duwde hij uit alle macht. De tempel stortte in en alle aanwezigen, ook de stadsvorsten, werden bedolven. Zo maakte Simson bij zijn dood meer slachtoffers dan tijdens zijn hele leven. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Zijn verwanten, zijn hele familie van vaderskant, kwamen naar Gaza om zijn lichaam op te halen. Ze namen het mee en begroeven het tussen Sora en Estaol, in het graf van zijn vader Manoach. Twintig jaar lang had hij Israël geleid. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="17">
      <VERS vnumber="1">In die tijd leefde er in het bergland van Efraïm een man met de naam Micha. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Op zekere dag zei hij tegen zijn moeder: 'Laatst is er toch elfhonderd sjekel zilver van u gestolen? U hebt toen in mijn bijzijn een vloek uitgesproken. Dat geld heb ik, ik heb het gestolen.' 'Moge de HEER je zegenen, mijn zoon, 'antwoordde zijn moeder. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Hij gaf de elfhonderd sjekel zilver aan haar terug, maar zij zei: 'Ter wille van mijn zoon wijd ik mijn zilver aan de HEER om er een beeld mee te laten beslaan. Hier heb je het geld terug.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Maar hij gaf het weer aan zijn moeder en zij bracht tweehonderd sjekel naar de zilversmid, die er een houten beeld mee besloeg dat in Micha's huis kwam te staan. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Micha had namelijk voor zichzelf een heiligdom ingericht. Hij had een priestergewaad en verschillende godenbeeldjes laten maken en een van zijn zonen als priester aangesteld. </VERS>
      <VERS vnumber="6">In die tijd was er geen koning in Israël; iedereen deed wat in zijn eigen ogen goed was. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Nu was er een jonge Leviet die verblijf hield in het stamgebied van Juda en in Betlehem woonde. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Op zekere dag vertrok hij uit Betlehem om een andere verblijfplaats te zoeken. Zijn weg voerde hem door het bergland van Efraïm, langs het huis van Micha. </VERS>
      <VERS vnumber="9">'Waar komt u vandaan?' vroeg Micha, en de Leviet antwoordde: 'Ik ben een Leviet. Ik heb een tijdlang in Betlehem in Juda gewoond en nu zoek ik elders onderdak.' </VERS>
      <VERS vnumber="10">Toen zei Micha: 'Kom dan bij mij wonen. Als u mijn raadgever en priester wilt worden, zal ik u tien sjekel zilver per jaar betalen en u van kleding en levensmiddelen voorzien.' Na enige aarzeling </VERS>
      <VERS vnumber="11">besloot de Leviet bij Micha te blijven. Micha behandelde hem als een eigen zoon </VERS>
      <VERS vnumber="12">en stelde hem als priester aan. Zo kwam de Leviet bij Micha in huis terecht. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Micha dacht bij zichzelf: Nu ik een Leviet als priester in dienst heb, ben ik ervan verzekerd dat ik van de HEER niets dan goeds te verwachten heb. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="18">
      <VERS vnumber="1">Er was in die tijd geen koning in Israël. De stam Dan was nog steeds op zoek naar een eigen grondgebied om zich blijvend te vestigen, want het was de enige stam van Israël waaraan nog geen grondgebied was toegevallen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Vanuit hun verblijfplaats tussen Sora en Estaol hadden ze vijf van hun dapperste mannen erop uitgestuurd met de opdracht het land grondig te verkennen. Onderweg kwamen ze door het bergland van Efraïm, waar ze bij het huis van Micha overnachtten. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Daar viel hun het accent van de jonge Leviet op. Ze gingen naar hem toe en vroegen hem: 'Hoe bent u hier zo terechtgekomen? Wie heeft u hierheen gehaald en wat doet u hier?' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Hij vertelde hun van Micha's aanbod. 'Hij heeft me in dienst genomen, 'zei hij, 'en nu ben ik zijn priester.' </VERS>
      <VERS vnumber="5">Toen vroegen de Danieten: 'Wilt u dan God voor ons raadplegen en hem vragen of onze tocht iets zal opleveren?' </VERS>
      <VERS vnumber="6">'Ga gerust verder, 'antwoordde de priester. 'Uw onderneming is de HEER welgevallig.' </VERS>
      <VERS vnumber="7">De vijf mannen trokken verder, tot ze in Laïs kwamen. Ze zagen dat de bevolking daar een rustig en onbezorgd leven leidde, net als die van Sidon. Ze hadden van niemand iets te vrezen want ze werden door niemand bedreigd, maar aan de andere kant hadden ze ook geen enkele bondgenoot. Sidon was ver weg. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Toen de verkenners terugkwamen bij hun stamgenoten, vroegen die hun: 'En, hoe is het jullie vergaan?' </VERS>
      <VERS vnumber="9">'Laten we meteen ten strijde trekken, 'antwoordden ze. 'We hebben een gebied gevonden dat bijzonder geschikt is, dus waar zouden jullie op wachten? Treuzel niet maar ga erheen en neem het in bezit. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Jullie zullen er een volk aantreffen dat op geen gevaar bedacht is. Het kan niet anders of God zal jullie dat uitgestrekte gebied, waar werkelijk aan niets gebrek is, in handen geven.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">Hierop vertrokken de Danieten uit hun verblijfplaats tussen Sora en Estaol. Het leger bestond uit zeshonderd gewapende mannen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Ze gingen op weg en sloegen hun kamp op bij Kirjat-Jearim in Juda. Daarom wordt die plek sindsdien Machane-Dan genoemd. Het ligt iets ten westen van Kirjat-Jearim. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Van daar trokken ze verder door het bergland van Efraïm. Toen ze langs de plaats kwamen waar Micha woonde, </VERS>
      <VERS vnumber="14">vertelden de vijf die het gebied verkend hadden aan hun stamgenoten dat zich in een van die gebouwen een priestergewaad en godenbeeldjes bevonden, en ook een zilveren beeld. 'Jullie weten dus wat je te doen staat, 'zeiden ze. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Ze sloegen de weg naar het huis van Micha in, waar de jonge Leviet woonde, en begroetten hem hartelijk. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Terwijl de zeshonderd gewapende Danieten postvatten bij de toegangspoort, </VERS>
      <VERS vnumber="17">liepen de vijf verkenners door. Ze drongen het huis binnen en namen het priestergewaad en de godenbeeldjes mee, en ook het beeld met het zilverbeslag. De priester stond dus met de zeshonderd gewapende mannen bij de toegangspoort, </VERS>
      <VERS vnumber="18">terwijl de vijf het huis van Micha binnengingen en het beeld met het zilverbeslag, het priestergewaad en de godenbeeldjes meenamen. 'Wat moet dat daar?' riep de priester. </VERS>
      <VERS vnumber="19">'Stil, 'antwoordden ze. 'Zeg niets, maar ga met ons mee en word onze raadgever en priester. U kunt toch beter priester zijn voor een hele stam Israëlieten dan voor het huishouden van één man?' </VERS>
      <VERS vnumber="20">Daar stemde de priester van harte mee in. Hij nam zelf het priestergewaad, de godenbeeldjes en het zilveren beeld en sloot zich bij hen aan. </VERS>
      <VERS vnumber="21">De Danieten vervolgden hun tocht; de vrouwen en kinderen lieten ze voorop gaan, samen met het vee en hun andere bezittingen. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Ze waren al een flink eind op weg, toen de inderhaast bij elkaar geroepen knechten die bij Micha woonden hen achterop kwamen </VERS>
      <VERS vnumber="23">en tegen hen begonnen te schreeuwen. De Danieten draaiden zich om en vroegen aan Micha: 'Wat is er aan de hand? Waarom hebt u al die mensen op de been gebracht?' </VERS>
      <VERS vnumber="24">'U hebt de goden gestolen die ik heb laten maken, 'antwoordde Micha. 'Ook mijn priester hebt u meegenomen. Niets heb ik meer over! Hoe kunt u dan nog vragen wat er aan de hand is?' </VERS>
      <VERS vnumber="25">Maar de Danieten antwoordden: 'U kunt maar beter niet zo'n grote mond tegen ons opzetten, want wanneer deze heetgebakerde mannen zich op u storten, is het met u en uw mensen gedaan.' </VERS>
      <VERS vnumber="26">Hierop vervolgden de Danieten hun weg. En Micha, die inzag dat hij toch niets tegen hen kon beginnen, keerde terug naar huis. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Zo kwamen de Danieten met de beelden die Micha had laten maken en de priester die bij hem in dienst was geweest, bij Laïs aan. Ze overvielen de inwoners, die een rustig leven leidden en zich van geen gevaar bewust waren, doodden ze allemaal en staken de stad in brand. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Er was niemand die de bevolking van Laïs te hulp kwam, want Sidon lag ver weg en ze hadden geen enkele bondgenoot. Daarna herbouwden de Danieten de stad, die in de vallei van Bet-Rechob lag, en gingen er wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Ze noemden hun stad Dan, naar hun stamvader, een van de zonen van Israël; daarvoor heette die stad Laïs. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Ze gaven er het zilveren godenbeeld een plaats, en Jonatan, die een zoon was van Gersom, de zoon van Mozes, werd hun priester. Na hem bleven zijn nakomelingen bij de Danieten het priesterambt vervullen, totdat de bevolking werd weggevoerd. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Zolang het heiligdom van God in Silo bestond, bleef het godenbeeld dat Micha had laten maken bij de Danieten. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="19">
      <VERS vnumber="1">In die tijd, toen er geen koning in Israël was, woonde er een Leviet diep in het bergland van Efraïm. Hij had een meisje uit Betlehem in Juda als bijvrouw genomen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Na een hevige ruzie liep ze van hem weg en ging terug naar het huis van haar vader in Betlehem. Vier maanden later </VERS>
      <VERS vnumber="3">ging haar man haar achterna om haar te overreden bij hem terug te komen. Hij had zijn knecht bij zich en een span ezels. Zijn vrouw liet hem binnen in het huis van haar vader, die zijn schoonzoon allerhartelijkst ontving </VERS>
      <VERS vnumber="4">en er bij hem op aandrong om nog wat te blijven. Drie dagen bleef de man bij de vader van zijn vrouw te gast: hij at en dronk er en bleef overnachten. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Op de vierde dag maakte hij zich 's ochtends vroeg klaar om te vertrekken, maar zijn schoonvader zei: 'Eet eerst nog wat om krachten op te doen voor de reis.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">Samen zetten zij zich aan de maaltijd. Daarna zei de vader van de vrouw: 'Blijf nog een nacht hier, gun jezelf dat genoegen.' </VERS>
      <VERS vnumber="7">De man wilde eerst toch gaan, maar zijn schoonvader drong zo aan dat hij toegaf en bleef overnachten. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Toen hij op de morgen van de vijfde dag wilde vertrekken, zei zijn schoonvader: 'Eet toch eerst wat en wacht tot de zon over haar hoogste punt is.' En weer aten ze samen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Toen de man aanstalten maakte om met zijn vrouw en zijn knecht te vertrekken, zei de vader van de vrouw: 'Het is al laat op de dag. Blijf toch hier slapen. Kijk maar, de zon begint al te dalen. Blijf nog een nacht hier, gun jezelf toch dat genoegen. Dan kunnen jullie morgenvroeg voor dag en dauw vertrekken.' </VERS>
      <VERS vnumber="10">Maar de man wilde niet nog een nacht blijven. Hij zadelde zijn ezels en ging met zijn vrouw op weg. Toen ze ter hoogte van Jebus waren, het huidige Jeruzalem, </VERS>
      <VERS vnumber="11">stond de zon al zo laag dat de knecht tegen zijn meester zei: 'Daar ligt de stad van de Jebusieten. Zouden we er niet goed aan doen om daar voor vannacht onderdak te zoeken?' </VERS>
      <VERS vnumber="12">'Nee, 'antwoordde zijn meester. 'We gaan geen stad vol vreemden binnen die niet tot het volk van Israël behoren. We kunnen beter doorgaan naar Gibea </VERS>
      <VERS vnumber="13">en misschien halen we zelfs Rama nog. Dan kunnen we in een van die plaatsen overnachten.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">Ze liepen dus de stad voorbij en gingen verder. Juist bij zonsondergang kwamen ze bij Gibea, in het gebied van Benjamin. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Ze gingen de stad binnen om er de nacht door te brengen. Op het stadsplein hield de man halt, maar er was niemand die hen uitnodigde om bij hem thuis te overnachten. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Na een tijdje kwam er een oude man aan, die juist terugkwam van zijn werk op het land. Hij was afkomstig uit Efraïm en woonde als vreemdeling in Gibea; de inwoners van de stad zelf waren Benjaminieten. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Toen hij de reizigers op het stadsplein zag staan, sprak hij de man aan en vroeg: 'Waar gaat u naartoe? Waar komt u vandaan?' </VERS>
      <VERS vnumber="18">'Wij zijn op weg van Betlehem in Juda naar onze woonplaats diep in het bergland van Efraïm, waar ik vandaan kom, 'antwoordde de Leviet. 'Ik ben in Betlehem geweest en nu ben ik op weg naar huis. Maar niemand biedt me onderdak. </VERS>
      <VERS vnumber="19">We hebben zelf alles bij ons, heer: stro en voer voor onze ezels, en ook voedsel en wijn voor mezelf en voor mijn vrouw hier en mijn knecht.' </VERS>
      <VERS vnumber="20">'Bij mij bent u welkom, 'zei de oude man. 'Maar ik sta erop dat u mij laat zorgen voor alles wat u nodig hebt. Breng in elk geval niet hier op het plein de nacht door.' </VERS>
      <VERS vnumber="21">Hij nodigde hen binnen in zijn huis, en nadat hij hun ezels had gevoerd, wasten ze hun voeten en gingen ze aan tafel. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Terwijl de reiziger en zijn gastheer genoeglijk aan de maaltijd zaten, liepen de mannen van de stad bij het huis te hoop. Deze onverlaten bonsden op de deur en riepen tegen de oude heer des huizes: 'Laat die gast van u naar buiten komen, we willen hem nemen!' </VERS>
      <VERS vnumber="23">De gastheer ging naar buiten en zei tegen hen: 'Mensen, bega toch geen schanddaad. Zoiets kunt u niet doen: deze man is bij mij te gast! </VERS>
      <VERS vnumber="24">Ik heb hier mijn dochter, die nog maagd is, en de bijvrouw van mijn gast; laat me die naar buiten sturen. Neem hen maar en doe met hen wat u wilt, maar doe deze man hier zoiets schandelijks niet aan.' </VERS>
      <VERS vnumber="25">De belagers gingen daar niet op in, maar toen de Leviet zijn vrouw de straat op duwde, naar hen toe, verkrachtten en misbruikten ze haar de hele nacht lang. Pas bij het eerste ochtendgloren lieten ze haar gaan. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Terwijl het langzaam licht werd, sleepte ze zich naar het huis waar haar man te gast was. Voor de drempel viel ze neer. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Toen haar man die ochtend bij de eerste zonnestralen de deur opende en naar buiten ging om zijn reis te vervolgen, zag hij zijn vrouw daar liggen, haar handen uitgestrekt naar de drempel. </VERS>
      <VERS vnumber="28">'Sta op, 'zei hij tegen haar. 'Kom, we vertrekken.' Maar er kwam geen antwoord. Hij tilde haar op de ezel en vertrok naar zijn woonplaats. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Bij zijn thuiskomst nam hij zijn mes en sneed het lichaam van zijn vrouw in twaalf stukken; naar elk stamgebied van Israël stuurde hij een stuk. </VERS>
      <VERS vnumber="30">En ieder die het zag zei: 'Zoiets is nog nooit gebeurd! Nog nooit hebben we in Israël zoiets meegemaakt, vanaf de uittocht uit Egypte tot op de dag van vandaag. Dit kunnen we niet toestaan. We moeten ons beraden en besluiten wat we zullen doen.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="20">
      <VERS vnumber="1">Uit heel Israël, van Dan tot Berseba, en zelfs uit Gilead, kwamen de Israëlieten naar het heiligdom van de HEER in Mispa om daar een volksvergadering te houden. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Deze vergadering van het volk van God, vierhonderdduizend man die de wapens konden hanteren, werd geleid door de aanvoerders van het volk, de hoofden van de stammen van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Het bleef in Benjamin niet onopgemerkt dat de andere Israëlieten naar Mispa waren gekomen. De Israëlieten vroegen: 'Wie kan ons vertellen hoe dit misdrijf heeft plaatsgevonden?' </VERS>
      <VERS vnumber="4">De Leviet, de man van de vermoorde vrouw, nam het woord en zei: 'Toen ik met mijn bijvrouw op doorreis was in Gibea in Benjamin, </VERS>
      <VERS vnumber="5">kwamen de burgers van de stad mij lastigvallen. Ze liepen 's nachts te hoop bij het huis waar we onderdak hadden gekregen. Mij bedreigden ze met de dood en mijn vrouw hebben ze zo gruwelijk verkracht dat ze het niet heeft overleefd. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Ik heb haar lichaam in stukken gesneden en die naar alle delen van het gebied van Israël gestuurd om te laten zien dat er een misdaad is begaan die voor Israël geldt als een schandelijk en ontoelaatbaar vergrijp. </VERS>
      <VERS vnumber="7">U bent hier bijeengekomen, Israëlieten, om gezamenlijk te beslissen wat er moet gebeuren.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">Hierop stond het hele volk als één man op en verklaarde: 'Niemand van ons gaat terug naar zijn tent of huis. </VERS>
      <VERS vnumber="9">We zullen Gibea niet ongemoeid laten! Door loting </VERS>
      <VERS vnumber="10">zullen tien op de honderd van elke stam van Israël worden aangewezen, ofwel honderd op de duizend of duizend op de tienduizend. Die moeten proviand bijeenbrengen voor het leger dat in Gibea de schanddaad zal vergelden die de inwoners ervan Israël hebben aangedaan.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">Zo sloten de Israëlieten zich aaneen om als één man tegen Gibea op te trekken. </VERS>
      <VERS vnumber="12">De stammen van Israël stuurden boden uit die in heel Benjamin moesten vragen: 'Hoe heeft er bij u zo'n misdaad kunnen plaatsvinden? </VERS>
      <VERS vnumber="13">Lever die onverlaten in Gibea aan ons uit, dan zullen we hen doden en zo afrekenen met het kwaad dat in Israël werd begaan.' Maar de Benjaminieten gaven geen gehoor aan de oproep van hun volksgenoten. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Uit alle steden in hun stamgebied kwamen ze naar Gibea om de strijd aan te binden tegen de andere Israëlieten. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Afgezien van de inwoners van Gibea zelf meldden zich uit de steden van Benjamin zesentwintigduizend man die de wapens konden hanteren. Zevenhonderd van hen waren uitzonderlijk goede krijgslieden: </VERS>
      <VERS vnumber="16">dat waren zevenhonderd linkshandige slingeraars die zo haarscherp konden mikken dat ze hun doel nooit misten. </VERS>
      <VERS vnumber="17">De overige Israëlieten, met uitzondering dus van Benjamin, telden vierhonderdduizend man die de wapens konden hanteren; het waren stuk voor stuk ervaren krijgslieden. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Voor de aanvang van de strijd gingen de Israëlieten naar Betel om God te raadplegen: 'Wie van ons moet als eerste oprukken tegen de Benjaminieten?' vroegen ze. 'Juda, 'antwoordde de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="19">De volgende morgen vroeg sloegen de Israëlieten hun kamp op bij Gibea. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Ze rukten uit tegen de Benjaminieten en stelden zich in slagorde op om de stad aan te vallen. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Het leger van Benjamin deed een uitval vanuit de stad en doodde die dag tweeëntwintigduizend man van Israëls leger. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Maar de Israëlieten gaven de moed niet op en stelden op dezelfde plaats als de keer daarvoor nieuwe linies op. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Ze waren na afloop van de slag naar Betel gegaan en hadden daar tot de avond viel ten overstaan van de HEER hun leed geklaagd. Ten slotte hadden ze de HEER geraadpleegd en gevraagd of ze hun broeders, de Benjaminieten, opnieuw moesten aanvallen. 'Ja, 'had de HEER geantwoord, 'val hen aan.' </VERS>
      <VERS vnumber="24">Toen de Israëlieten op de tweede dag nogmaals tot de aanval overgingen, </VERS>
      <VERS vnumber="25">deden de Benjaminieten opnieuw een uitval vanuit de stad en doodden nog eens achttienduizend bedreven Israëlitische krijgslieden. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Daarop ging het voltallige leger van de Israëlieten naar Betel. Ze vastten de hele dag en klaagden op de grond gezeten hun leed ten overstaan van de HEER. Toen de avond was gevallen, brachten ze de HEER brandoffers en vredeoffers. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Daarna raadpleegden ze de HEER. De ark van het verbond met God bevond zich in die tijd namelijk in Betel, </VERS>
      <VERS vnumber="28">en de priester Pinechas, die een zoon was van Eleazar, de zoon van Aäron, deed er dienst in het heiligdom. 'Moeten we onze broeders, de Benjaminieten, nog een keer aanvallen of moeten we het opgeven?' vroegen ze, en de HEER antwoordde: 'Val aan, morgen lever ik hen aan jullie uit.' </VERS>
      <VERS vnumber="29">Enkele Israëlitische eenheden stelden zich verdekt op rondom Gibea. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Ook op de derde dag rukte de hoofdmacht op tegen de Benjaminieten, en net als de vorige keren stelde men zich in slagorde op om de stad aan te vallen. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Weer deden de Benjaminieten een uitval naar het leger van Israël, maar nu werden ze weggelokt van de stad. Even buiten de stad, bij de splitsing van de weg naar Gibea en de weg naar Betel kwam het tot een eerste treffen, waarbij net als de vorige keren slachtoffers vielen onder het leger van Israël, ongeveer dertig man. </VERS>
      <VERS vnumber="32">De Benjaminieten dachten al dat ze voor de derde maal de overwinning hadden behaald, maar de Israëlieten hadden afgesproken om te doen alsof ze vluchtten en zo de Benjaminieten via de gebaande wegen van de stad weg te lokken. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Terwijl de hoofdmacht van de Israëlieten zich terugtrok en zich in slagorde opstelde bij Baäl-Tamar, kwamen de mannen die zich aan de onbeschermde kant van Gibea schuilhielden te voorschijn </VERS>
      <VERS vnumber="34">en rukten op naar de stad: tienduizend van de beste Israëlitische krijgslieden. Bij Baäl-Tamar brandde de strijd nu in alle hevigheid los; de Benjaminieten wisten nog niet welk onheil hun boven het hoofd hing. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Die dag schonk de HEER de overwinning aan Israël: de Israëlieten doodden vijfentwintigduizend en honderd bewapende Benjaminieten. </VERS>
      <VERS vnumber="36">De Benjaminieten moesten ondervinden dat de strijd voor hen verloren was. De Israëlieten waren immers zo ver teruggeweken omdat ze rekenden op de mannen die zich bij Gibea verdekt hadden opgesteld. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Die hadden ondertussen een verrassingsaanval op de stad uitgevoerd en alle inwoners gedood. </VERS>
      <VERS vnumber="38">Met de hoofdmacht van het leger was afgesproken dat er rook uit de stad zou opstijgen wanneer het zover was. </VERS>
      <VERS vnumber="39">De hoofdmacht van het leger week dus terug, en de Benjaminieten zagen kans om onder de Israëlieten meteen zo'n dertig slachtoffers te maken. Daarom dachten ze al dat ze de slag gewonnen hadden, net als de vorige keren. </VERS>
      <VERS vnumber="40">Maar op dat moment begonnen uit de stad dikke rookwolken op te stijgen. Toen de Benjaminieten omkeken, zagen ze hoe achter hen de hele stad in vlammen opging. </VERS>
      <VERS vnumber="41">Op hetzelfde moment stortte de hoofdmacht van het Israëlitische leger zich op hen. Nu begrepen de Benjaminieten welk onheil hun boven het hoofd hing. In paniek </VERS>
      <VERS vnumber="42">sloegen ze voor de Israëlieten op de vlucht, de kant van de woestijn uit. Maar ze konden de strijd niet ontlopen, want de Israëlieten uit Gibea sneden hun de pas af en sloegen hen neer. </VERS>
      <VERS vnumber="43">Ze sloten de Benjaminieten in en achtervolgden hen; zonder hun rust te gunnen joegen ze hen op tot ver ten oosten van Gibea. </VERS>
      <VERS vnumber="44">Er sneuvelden achttienduizend Benjaminieten, stuk voor stuk moedige krijgslieden. </VERS>
      <VERS vnumber="45">De overigen probeerden te ontkomen in de richting van de woestijn, naar de rotsen van Rimmon. Maar de Israëlieten haalden hen in en doodden nog eens vijfduizend man. Ter hoogte van Gidom versloegen ze er nog tweeduizend. </VERS>
      <VERS vnumber="46">Al met al sneuvelden er die dag vijfentwintigduizend bedreven Benjaminitische soldaten, zonder uitzondering moedige krijgslieden. </VERS>
      <VERS vnumber="47">Slechts zeshonderd Benjaminieten wisten te ontkomen naar de woestijn, waar ze zich vier maanden lang schuilhielden in de rotsholen van Rimmon. </VERS>
      <VERS vnumber="48">Het leger van Israël ging terug om af te rekenen met de Benjaminieten die niet aan de strijd hadden deelgenomen. Ze trokken van stad tot stad en doodden er mens en dier zonder ook maar iets of iemand te ontzien. En elke stad waar ze geweest waren, lieten ze in vlammen opgaan. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="21">
      <VERS vnumber="1">De Israëlieten hadden in Mispa gezworen dat niemand van hen zijn dochter aan een Benjaminiet tot vrouw zou geven. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Nadat ze met Benjamin hadden afgerekend, kwamen de Israëlieten opnieuw in Betel bij elkaar. Tot de avond viel zaten ze daar op de grond en klaagden ten overstaan van God met groot misbaar hun leed. </VERS>
      <VERS vnumber="3">'HEER, God van Israël, 'vroegen ze, 'hoe heeft het zover met ons kunnen komen dat er nu een van de stammen van Israël ontbreekt?' </VERS>
      <VERS vnumber="4">De volgende morgen bouwden ze een altaar waarop ze brandoffers en vredeoffers brachten. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Daarna vroegen ze: 'Wie van ons heeft er niet deelgenomen aan de volksvergadering in Mispa?' De Israëlieten hadden namelijk plechtig gezworen dat ieder die niet naar het heiligdom van de HEER in Mispa was gekomen, ter dood zou worden gebracht. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Nu voelden ze zich bezwaard vanwege hun broeders, de Benjaminieten: 'Een van de stammen van Israël is vandaag verloren gegaan, 'zeiden ze. </VERS>
      <VERS vnumber="7">'Wat kunnen we doen om de overlevenden vrouwen te bezorgen? We hebben immers bij de HEER gezworen dat wij hun onze dochters niet tot vrouw zouden geven.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">Vandaar de vraag wie van hen er niet aan de volksvergadering in Mispa had deelgenomen. Het bleek dat er uit Jabes in Gilead niemand naar het heiligdom van de HEER in Mispa was gekomen: </VERS>
      <VERS vnumber="9">toen de strijders zich meldden, was er niemand uit Jabes bij. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Dus stuurden de Israëlieten twaalfduizend van hun beste soldaten naar Jabes, met als opdracht: 'Dood alle inwoners van Jabes: mannen, vrouwen en kinderen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Let wel, dood alle mannen, maar van de vrouwen alleen degenen die met een man hebben geslapen.' </VERS>
      <VERS vnumber="12">In Jabes bleken vierhonderd jonge meisjes nog nooit met een man te hebben geslapen. Zij werden overgebracht naar de verzamelplaats in Silo in Kanaän. </VERS>
      <VERS vnumber="13">De volksvergadering van de Israëlieten stuurde een afvaardiging naar de Benjaminieten die zich ophielden in de rotswand van Rimmon, om vrede met hen te sluiten. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Daarop keerden de Benjaminieten terug en de Israëlieten gaven hun de vrouwen uit Jabes die ze in leven hadden gelaten. Maar er waren er niet genoeg voor allemaal. </VERS>
      <VERS vnumber="15">De HEER had een bres geslagen in de stammen van Israël, en daarover voelden de Israëlieten zich nu bezwaard. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Daarom vroegen de leiders van de volksvergadering: 'Wat kunnen we doen om de overlevenden van de stam Benjamin vrouwen te bezorgen nu al hun vrouwen zijn gedood? </VERS>
      <VERS vnumber="17">Het grondgebied van Benjamin moet kunnen overgaan op een volgende generatie, want er mag geen enkele stam van Israël verloren gaan. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Maar wij kunnen hun onze dochters niet tot vrouw geven, want we hebben onder elkaar een vloek afgeroepen over ieder die een vrouw aan Benjamin geeft.' </VERS>
      <VERS vnumber="19">Toen dachten ze aan het feest ter ere van de HEER dat elk jaar in Silo werd gevierd (Silo ligt ten noorden van Betel en ten zuiden van Lebona, iets ten oosten van de weg van Betel naar Sichem), </VERS>
      <VERS vnumber="20">en ze raadden de Benjaminieten aan: 'Ga naar Silo en houd u daar in de wijngaarden verborgen </VERS>
      <VERS vnumber="21">tot u de meisjes uit de stad in reidansen naar buiten ziet komen. Kom dan te voorschijn en roof voor ieder van u een meisje om als vrouw mee te nemen naar uw eigen stamgebied. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Wanneer hun vaders of broers zich bij ons komen beklagen, zullen we zeggen: "Wees zo goed hen aan ons af te staan; niet iedereen heeft in de strijd een vrouw kunnen bemachtigen, en tenslotte hebt u hun uw dochters niet vrijwillig tot vrouw gegeven, dus u treft geen schuld."' </VERS>
      <VERS vnumber="23">De Benjaminieten deden wat hun was aangeraden. Elk van hen greep een van de dansende meisjes en nam haar als vrouw mee naar zijn eigen stamgebied. Daar teruggekeerd herbouwden ze de steden en gingen er weer wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="24">De volksvergadering van de Israëlieten werd ontbonden. Ieder keerde terug naar zijn eigen grondgebied, elk naar zijn eigen stam en zijn eigen familie. </VERS>
      <VERS vnumber="25">In die tijd was er geen koning in Israël; iedereen deed wat in zijn eigen ogen goed was. </VERS>
    </CHAPTER>
  </BIBLEBOOK>
  <BIBLEBOOK bnumber="8" bname="Ruth" bsname="Ruth">
    <CHAPTER cnumber="1">
      <VERS vnumber="1">In de tijd dat de rechters het volk leidden, brak er een hongersnood uit in het land. Een man trok daarom met zijn vrouw en zijn twee zonen weg uit Betlehem in Juda, om een tijdlang in de vlakte van Moab te gaan wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">De naam van de man was Elimelech, die van zijn vrouw Noömi, en zijn twee zonen heetten Machlon en Kiljon; het waren Efratieten uit Betlehem in Juda. Toen ze in Moab waren aangekomen, bleven ze daar als vreemdeling wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Na enige tijd stierf Elimelech, de man van Noömi, en zij bleef achter met haar twee zonen. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Zij trouwden allebei met een Moabitische vrouw. De naam van de ene was Orpa, die van de andere was Ruth. Nadat ze daar ongeveer tien jaar gewoond hadden, </VERS>
      <VERS vnumber="5">stierven ook Machlon en Kiljon, en de vrouw bleef alleen achter, zonder haar twee zonen en zonder haar man. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Toen Noömi hoorde, daar in Moab, dat de HEER zich het lot van zijn volk had aangetrokken en dat het weer te eten had, maakte ze zich samen met haar twee schoondochters gereed om Moab te verlaten en terug te keren. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Samen met hen verliet ze de plaats waar ze gewoond had. Maar toen ze eenmaal op de terugweg waren naar Juda, </VERS>
      <VERS vnumber="8">zei Noömi: 'Gaan jullie nu maar allebei terug naar het huis van je moeder. Moge de HEER zo goed voor jullie zijn als jullie voor mij en mijn gestorven zonen zijn geweest. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Moge hij ervoor zorgen dat jullie allebei geborgenheid vinden in het huis van een man, 'en ze kuste hen. Toen barstten zij in tranen uit </VERS>
      <VERS vnumber="10">en zeiden: 'Maar we willen met u terugkeren naar uw volk!' </VERS>
      <VERS vnumber="11">'Ga terug, mijn dochters, 'zei Noömi, 'waarom zouden jullie met mij meegaan? Kan ik soms nog zonen krijgen die jullie mannen kunnen worden? </VERS>
      <VERS vnumber="12">Ga toch terug, want ik ben te oud voor een man. Zelfs al zou ik nog hoop koesteren, zelfs al sliep ik vannacht nog met een man en al bracht ik nog zonen ter wereld- </VERS>
      <VERS vnumber="13">zouden jullie dan wachten tot ze groot zijn en je ervan laten weerhouden met een andere man te trouwen? Nee, mijn dochters, mijn lot is te bitter voor jullie; de HEER heeft zich tegen mij gekeerd.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">Opnieuw begonnen zij te huilen. Orpa kuste haar schoonmoeder vaarwel, maar Ruth week niet van haar zijde. </VERS>
      <VERS vnumber="15">'Kijk, je schoonzuster gaat terug naar haar volk en haar god, 'zei Noömi, 'ga haar toch achterna!' </VERS>
      <VERS vnumber="16">Maar Ruth antwoordde: 'Vraag me toch niet langer u te verlaten en terug te gaan, weg van u. Waar u gaat, zal ik gaan, waar u slaapt, zal ik slapen; uw volk is mijn volk en uw God is mijn God. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Waar u sterft, zal ook ik sterven, en daar zal ik begraven worden. De HEER is mijn getuige: alleen de dood zal mij van u scheiden!' </VERS>
      <VERS vnumber="18">Noömi zag dat Ruth vastbesloten was om met haar mee te gaan en drong niet langer aan. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Zo gingen zij samen verder, tot in Betlehem. Hun aankomst in Betlehem baarde veel opzien. Overal in de stad riepen de vrouwen: 'Dat is toch Noömi?' </VERS>
      <VERS vnumber="20">Maar ze zei tegen hen: 'Noem me niet Noömi, noem me Mara, want de Ontzagwekkende heeft mijn lot zeer bitter gemaakt. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Toen ik hier wegging had ik alles, maar de HEER heeft mij met lege handen laten terugkomen. Waarom mij nog Noömi noemen, nu de HEER zich tegen mij heeft gekeerd, nu de Ontzagwekkende me kwaad heeft gedaan?' </VERS>
      <VERS vnumber="22">Zo kwamen ze samen terug uit Moab, Noömi en haar schoondochter Ruth, de Moabitische. Ze kwamen in Betlehem aan bij het begin van de gersteoogst. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="2">
      <VERS vnumber="1">Nu was Noömi van de kant van haar echtgenoot Elimelech verwant aan een belangrijk man, die Boaz heette. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Ruth, de Moabitische, zei tegen Noömi: 'Ik zou graag naar het land willen gaan om aren te lezen bij iemand die me dat toestaat.' Noömi antwoordde: 'Doe dat maar, mijn dochter.' </VERS>
      <VERS vnumber="3">Ze ging dus naar het land om aren te lezen, achter de maaiers aan. Het toeval wilde dat de akker waar ze kwam van Boaz was, het familielid van Elimelech. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Na enige tijd kwam Boaz zelf eraan, uit Betlehem. 'De HEER zij met jullie, 'groette hij de maaiers. 'De HEER zegene u, 'groetten zij terug. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Boaz vroeg de voorman van zijn maaiers: 'Bij wie hoort die jonge vrouw daar?' </VERS>
      <VERS vnumber="6">De man antwoordde: 'Dat is de Moabitische vrouw die met Noömi is teruggekeerd. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Toen ze hier aankwam zei ze: "Ik zou graag achter de maaiers aan willen gaan om aren te lezen bij de schoven, "en nu is ze hier al de hele dag, vanaf de vroege ochtend-ze heeft maar even gezeten.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">Daarop zei Boaz tegen Ruth: 'Luister goed, mijn dochter. Je moet niet naar een andere akker gaan om aren te lezen; ga hier niet weg maar blijf dicht bij de vrouwen die voor mij werken. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Volg ze op de voet en houd je ogen gericht op het veld waar gemaaid wordt. Ik zal mijn mannen zeggen je niet lastig te vallen. Als je dorst hebt, ga dan naar de kruiken en drink van het water dat ze daar scheppen.' </VERS>
      <VERS vnumber="10">Ze knielde, boog diep voorover en zei: 'Waaraan heb ik het te danken dat u zo goed voor mij bent, terwijl ik toch maar een vreemdeling ben?' </VERS>
      <VERS vnumber="11">En Boaz antwoordde: 'Meer dan eens is mij verteld over alles wat je voor je schoonmoeder hebt gedaan na de dood van je man: dat je je vader en moeder en je geboorteland hebt verlaten en naar een volk bent gegaan dat je volkomen onbekend was. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Moge de HEER je daarvoor rijkelijk belonen-de HEER, de God van Israël, onder wiens vleugels je een toevlucht hebt gezocht.' </VERS>
      <VERS vnumber="13">'Ik dank u, heer, 'zei ze, 'want u hebt zich mijn lot aangetrokken en mij moed ingesproken, terwijl ik niet eens bij u in dienst ben.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">Toen het etenstijd was zei Boaz tegen haar: 'Kom maar hier en neem een stuk brood en doop het in de wijn.' Ze ging naast de maaiers zitten, en hij gaf haar geroosterd graan. Ze at tot ze genoeg had en ze hield zelfs nog over. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Toen ze weer opstond om te gaan werken, gaf Boaz zijn mannen de volgende opdracht: 'Laat haar ook tussen de schoven aren lezen, zeg daar niets van. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Integendeel, jullie moeten juist wat halmen voor haar uit de bundels trekken en die laten liggen, zodat zij ze op kan rapen. Verwijt haar dus niets.' </VERS>
      <VERS vnumber="17">Zij werkte tot de avond op het veld en sloeg de korrels uit de aren die ze geraapt had. Het was ongeveer een efa gerst. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Ze pakte het op en ging terug naar de stad. Toen Noömi zag hoeveel ze verzameld had, en toen Ruth haar ook nog gaf wat ze van het middagmaal had overgehouden, </VERS>
      <VERS vnumber="19">riep ze uit: 'Waar heb jij vandaag aren gelezen, waar heb je gewerkt? Gezegend de man die zo goed voor jou geweest is!' Ruth vertelde haar schoonmoeder dat de man bij wie ze die dag gewerkt had Boaz heette. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Toen zei Noömi tegen haar schoondochter: 'Moge de HEER hem zegenen, want hij heeft trouw bewezen aan de levenden en aan de doden.' En ze vervolgde: 'Hij is een naaste verwant van ons en kan daarom zijn rechten als losser laten gelden.' </VERS>
      <VERS vnumber="21">En Ruth, de Moabitische, zei: 'Hij heeft ook nog tegen me gezegd dat ik bij zijn maaiers moest blijven totdat zijn hele oogst is binnengehaald.' </VERS>
      <VERS vnumber="22">'Het is goed dat je optrekt met de vrouwen op zijn land, mijn dochter, 'zei Noömi tegen Ruth, 'want dan zal niemand je op een ander veld lastig kunnen vallen.' </VERS>
      <VERS vnumber="23">Ze bleef dus aren lezen bij de vrouwen die voor Boaz werkten, tot het einde van de gerste- en de tarweoogst. Al die tijd woonde ze bij haar schoonmoeder. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="3">
      <VERS vnumber="1">Op een dag zei Noömi, haar schoonmoeder: 'Mijn dochter, zal ik niet een thuis voor je zoeken waar het je goed zal gaan? </VERS>
      <VERS vnumber="2">Boaz, bij wie je gewerkt hebt, is zoals je weet familie van ons. Vanavond zal hij op de dorsvloer gerst wannen. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Baad je, wrijf je in met olie, kleed je aan en ga naar de dorsvloer. Zorg dat hij je niet ziet voordat hij klaar is met eten en drinken. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Als hij gaat slapen moet je goed opletten waar hij zich neerlegt, en dan moet je naar hem toe gaan, de deken aan zijn voeteneinde terugslaan en daar gaan liggen. Hij zal je dan wel vertellen wat je moet doen.' </VERS>
      <VERS vnumber="5">Ruth antwoordde: 'Ik zal doen wat u mij zegt.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">Ze ging naar de dorsvloer en deed precies wat haar schoonmoeder haar had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Boaz at en dronk, voelde zich voldaan, en legde zich te slapen tegen een hoop gerst. Toen kwam Ruth stilletjes naar hem toe, sloeg de deken aan zijn voeteneinde terug en ging liggen. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Midden in de nacht schrok hij wakker, draaide zich om en zag een vrouw aan zijn voeteneinde liggen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">'Wie is daar?' vroeg hij. 'Ik ben het, Ruth, 'zei ze. 'Wilt u mij bij u nemen, want u kunt voor ons als losser optreden.' </VERS>
      <VERS vnumber="10">'Moge de HEER je zegenen, mijn dochter, 'zei hij. 'Dit getuigt van nog meer trouw dan wat je voorheen al hebt gedaan. Je hebt niet omgekeken naar jongere mannen, arm of rijk. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Daarom, mijn dochter, wees niet bang. Ik zal doen wat je van me vraagt; iedereen in de stad weet immers dat je een bijzondere vrouw bent. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Maar al is het waar dat ik jullie kan helpen, er is nog iemand anders voor wie dat geldt, en hij staat dichter bij jullie dan ik. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Blijf vannacht hier. Als morgenochtend blijkt dat die man als losser wil optreden is het goed, maar als hij dat niet wil, dan doe ik het, zo waar de HEER leeft. Blijf hier nu maar liggen, tot het ochtend wordt.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">En zij bleef tot de ochtend aan zijn voeteneinde liggen. Voordat het zo licht werd dat men iemand herkennen kon, stond ze op, want hij wilde niet dat bekend werd dat ze op de dorsvloer was geweest. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Hij zei: 'Pak je omslagdoek en houd hem open.' Dat deed ze, en hij goot er zes maten gerst in en hielp haar dit alles op te tillen. Daarna ging hij naar de stad. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Zij ging naar haar schoonmoeder, die haar vroeg hoe het haar was vergaan. Ruth vertelde haar wat Boaz voor haar gedaan had. </VERS>
      <VERS vnumber="17">'Deze zes maten gerst heeft hij me gegeven, "want, "zei hij, "je moet niet met lege handen bij je schoonmoeder aankomen."' </VERS>
      <VERS vnumber="18">Daarop zei Noömi: 'Blijf hier dan maar rustig wachten tot je weet hoe het afloopt, mijn dochter, want ik weet zeker dat deze man niet zal rusten voordat hij de zaak geregeld heeft.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="4">
      <VERS vnumber="1">Boaz was intussen naar de poort gegaan en daar gaan zitten. Toen kwam de man voorbij van wie hij gesproken had-zijn naam is niet van belang-en hij zei: 'Kom hier even bij me zitten.' De man deed wat hem gevraagd werd. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Ook vroeg Boaz tien stadsoudsten plaats te nemen, en ook zij gingen zitten. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Toen zei hij tegen de man die ook als losser kon optreden: 'Het stuk land van onze broeder Elimelech wordt door Noömi, die teruggekeerd is uit Moab, verkocht. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Ik meen dan ook u het volgende te moeten meedelen: U kunt het stuk land kopen ten overstaan van de hier aanwezigen en ten overstaan van de oudsten van het volk. Als u van plan bent uw rechten te doen gelden, dan kunt u dat doen, zo niet dan moet u mij dat laten weten. U bent de eerste die hiervoor in aanmerking komt, en ik kom na u.' 'Ik zal mijn rechten doen gelden, 'zei de man. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Daarop zei Boaz: 'Wanneer u het stuk land koopt van Noömi, koopt u het ook van Ruth, de weduwe uit Moab, en zal de naam van haar overleden man voortleven op zijn land.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">Toen zei de man: 'Dan kan ik mijn rechten niet doen gelden, want dat zou ten koste gaan van mijn eigen familiebezit. Neemt u het maar van mij over, want ik kan het me niet veroorloven. </VERS>
      <VERS vnumber="7">(7-8) Koopt u het land maar!' en hij trok zijn sandaal uit. (Als vroeger een dergelijke koop of ruil rechtsgeldig gemaakt moest worden, bestond er in Israël het gebruik dat men zijn sandaal uittrok en die aan de ander gaf. Zo werd een dergelijke zaak in Israël bekrachtigd.) </VERS>
      <VERS vnumber="9">Daarop sprak Boaz tot de oudsten en alle anderen die daar waren: 'U bent er vandaag getuige van dat ik van Noömi het gehele bezit van Elimelech en dat van Kiljon en Machlon koop. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Daarmee neem ik ook Ruth tot vrouw, de Moabitische, de vrouw van Machlon, om de naam van haar overleden man te laten voortleven op zijn land. Zo zal zijn naam niet verloren gaan bij zijn verwanten en de inwoners van de stad. U bent daar vandaag getuige van.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">'Ja, 'zeiden de oudsten en allen die bij de poort aanwezig waren, 'daarvan zijn wij getuige. De HEER geve dat de vrouw die in uw huis komt zal zijn als Rachel en Lea, die beiden het huis van Israël groot hebben gemaakt, zodat ook u groot zult zijn in Efrata en uw naam in Betlehem zal voortbestaan. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Moge uw huis worden als het huis van Peres, de zoon van Tamar en Juda, en wel door de kinderen die de HEER u bij deze jonge vrouw zal geven.' </VERS>
      <VERS vnumber="13">Daarna nam Boaz Ruth bij zich, zij werd zijn vrouw, en hij sliep met haar. De HEER liet haar zwanger worden en ze baarde een zoon. </VERS>
      <VERS vnumber="14">De vrouwen zeiden tegen Noömi: 'Geprezen zij de HEER, die jou vandaag iemand gegeven heeft die voor je zorgen zal. Moge zijn naam in Israël blijven voortbestaan! </VERS>
      <VERS vnumber="15">Hij zal je je levensvreugde teruggeven en je onderhouden als je oud bent, want je schoondochter, die je liefheeft en die meer waard is dan zeven zonen, heeft hem gebaard.' </VERS>
      <VERS vnumber="16">Noömi nam de jongen op haar schoot en bleef hem vanaf dat moment verzorgen. </VERS>
      <VERS vnumber="17">De buurvrouwen gaven hem zijn naam. 'Noömi heeft een zoon gekregen, 'zeiden ze, en ze noemden hem Obed. Hij is de vader van Isaï, die de vader is van David. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Dit zijn de nakomelingen van Peres: Peres verwekte Chesron, </VERS>
      <VERS vnumber="19">Chesron verwekte Ram, Ram verwekte Amminadab, </VERS>
      <VERS vnumber="20">Amminadab verwekte Nachson, Nachson verwekte Salmon, </VERS>
      <VERS vnumber="21">Salmon verwekte Boaz, Boaz verwekte Obed, </VERS>
      <VERS vnumber="22">Obed verwekte Isaï, en Isaï verwekte David. </VERS>
    </CHAPTER>
  </BIBLEBOOK>
  <BIBLEBOOK bnumber="9" bname="1 Samuël" bsname="1Sam">
    <CHAPTER cnumber="1">
      <VERS vnumber="1">In Rama in de streek Suf, in het bergland van Efraïm, woonde een man die Elkana heette. Hij was een zoon van Jerocham, die een zoon was van Elihu, de zoon van Tochu, de zoon van Suf, en behoorde tot de stam Efraïm. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Hij had twee vrouwen: de ene heette Hanna en de andere Peninna. Peninna had kinderen, maar Hanna niet. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Elk jaar ging deze man vanuit zijn woonplaats naar Silo, om daar de HEER van de hemelse machten te vereren en hem offers te brengen. Chofni en Pinechas, de twee zonen van Eli, waren daar priesters van de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Wanneer Elkana zijn jaarlijkse offer bracht, gaf hij zijn vrouw Peninna en haar zonen en dochters een stuk van het offervlees. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Maar het mooiste stuk gaf hij aan Hanna, want haar had hij lief, ook al hield de HEER haar moederschoot gesloten. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Haar rivale kwetste haar dan diep, door haar te sarren omdat de HEER haar geen kinderen gaf. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Zo ging het jaar in jaar uit. Elke keer als ze naar het heiligdom van de HEER gingen, treiterde Peninna Hanna zo erg dat ze begon te huilen en haar eten liet staan. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Toen dat weer eens gebeurde, vroeg Elkana: 'Waarom huil je, Hanna? Waarom eet je niet en waarom ben je zo bedroefd? Beteken ik niet meer voor je dan tien zonen?' </VERS>
      <VERS vnumber="9">Na de maaltijd stond Hanna op en ging naar het heiligdom van de HEER, waar de priester Eli op een bankje bij de ingang zat. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Diep bedroefd bad Hanna tot de HEER. In tranen </VERS>
      <VERS vnumber="11">legde ze een gelofte af: 'HEER van de hemelse machten, ik smeek u, heb toch oog voor mijn ellende. Denk aan mij, uw dienares, vergeet mij niet. Schenk mij een zoon, dan schenk ik hem voor zijn hele leven aan u: nooit zal zijn haar worden afgeschoren.' </VERS>
      <VERS vnumber="12">Terwijl Hanna zo lang bad, keek Eli opmerkzaam naar haar mond. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Ze bad namelijk in stilte: haar lippen bewogen wel, maar haar stem was niet te horen. Daarom dacht Eli dat ze dronken was. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Hij sprak haar aan en vroeg: 'Gaat dit nog lang zo duren? Als u dronken bent, ga dan uw roes uitslapen!' </VERS>
      <VERS vnumber="15">'U vergist u, heer, 'antwoordde Hanna. 'Ik heb geen wijn of andere drank gedronken. Nee, ik ga gebukt onder een zwaar verdriet en stort mijn hart uit bij de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Denk niet dat ik een slechte vrouw ben; ik bid zo lang omdat ik overstelpt ben door droefheid en ellende.' </VERS>
      <VERS vnumber="17">'Ga dan in vrede, 'antwoordde Eli. 'De God van Israël zal u geven waar u om hebt gevraagd.' </VERS>
      <VERS vnumber="18">'Ik dank u voor uw vriendelijkheid, 'zei Hanna, en ze ging terug naar haar familie. Haar gezicht was opgeklaard en ze at ook weer. </VERS>
      <VERS vnumber="19">De volgende morgen vroeg bogen ze zich neer voor de HEER, waarna ze zich op de terugreis begaven. Thuis in Rama sliep Elkana met zijn vrouw Hanna, en de HEER verhoorde haar. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Hanna werd zwanger en na verloop van tijd baarde ze een zoon. Ze noemde hem Samuël, 'want, 'verklaarde ze, 'ik heb hem aan de HEER gevraagd.' </VERS>
      <VERS vnumber="21">Toen Elkana het jaar daarop weer met zijn familie op weg ging om de HEER zijn jaarlijkse offer te brengen, wilde hij de gelofte inlossen. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Maar Hanna ging niet mee. Ze zei tegen haar man: 'Pas als het kind van de borst is, zal ik hem brengen. Dan zal hij voor de HEER verschijnen en daar voor altijd blijven.' </VERS>
      <VERS vnumber="23">Haar man Elkana antwoordde: 'Doe maar wat jij het beste vindt. Blijf thuis zolang je hem nog zelf voedt. Laten we hopen dat de HEER dan niet van zijn belofte terugkomt.' Hanna bleef dus thuis en voedde haar zoon totdat ze hem de borst ontwend had. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Zodra het zover was, nam ze hem mee naar Silo en bracht hem, zo jong als hij was, naar het heiligdom van de HEER. Ze had ook een driejarige stier bij zich, een efa meel en een zak wijn. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Ze slachtten de stier en brachten de jongen naar Eli. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Daar zei Hanna: 'Neem me niet kwalijk, heer, zo waar u leeft, ik ben de vrouw die destijds hier bij u tot de HEER heeft gebeden. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Om deze zoon heb ik gebeden, en de HEER heeft mij gegeven waar ik om heb gevraagd. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Nu geef ik hem op mijn beurt aan de HEER, voor alle dagen die hem gegeven zijn.' Toen knielde Eli voor de HEER </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="2">
      <VERS vnumber="1">en Hanna bad: 'Nu juicht mijn hart dankzij de HEER, fier heft mijn hoofd zich op, dankzij de HEER, mijn mond spreekt vrijmoedig tegen mijn vijanden, want dankzij uw hulp beleef ik vreugde. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Geen is er heilig als de HEER, er is geen andere God dan u, geen rots is er als onze God. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Gebruik toch geen grote woorden, blaas niet zo hoog van de toren, want de HEER is een alwetende God: door hem worden onze daden gewogen. </VERS>
      <VERS vnumber="4">De boog van de helden is gebroken, en wie wankelen weten zich gesterkt. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Die genoeg hadden, verkopen zich voor brood, en wie hongerden zijn verzadigd. De onvruchtbare baart zeven zonen, en wie veel kinderen heeft, verwelkt. </VERS>
      <VERS vnumber="6">De HEER doet sterven en doet leven, zendt naar het dodenrijk en leidt eruit omhoog. </VERS>
      <VERS vnumber="7">De HEER maakt arm en hij maakt rijk, vernedert diep en heft hoog op. </VERS>
      <VERS vnumber="8">De zwakke en de arme helpt hij overeind, hij haalt hen uit het stof en uit het slijk. Tussen de edelen zet hij hen neer, hij houdt een ereplaats voor hen vrij. Van de HEER zijn de pijlers der aarde waarop hij de wereld heeft vastgezet. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Die hem trouw zijn, behoedt hij op hun pad, maar de zondaars komen om in het duister. Ontoereikend is de menselijke kracht: </VERS>
      <VERS vnumber="10">wie het opneemt tegen de HEER wordt gebroken, vanuit de hemel dondert hij hun toe. De HEER spreekt recht over heel de aarde, hij geeft macht aan de koning die hij kiest en verhoogt het aanzien van zijn gezalfde.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">Daarop ging Elkana terug naar huis, naar Rama. De jongen bleef achter onder de hoede van de priester Eli om de HEER te dienen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">De zonen van Eli waren een stel afpersers. Ze trokken zich niets van de HEER aan </VERS>
      <VERS vnumber="13">en maakten misbruik van de rechten die aan het priesterambt verbonden zijn. Wanneer iemand een offerdier liet slachten, dan kwam er als het vlees gaar was een priesterknecht met een drietandige vork. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Daarmee prikte hij in de pot, de pan, de ketel of de schaal, en alles wat aan de vork bleef hangen, eigende de priester zich toe. Zo verging het alle Israëlieten die in Silo kwamen offeren. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Sterker nog, soms kwam de priesterknecht al voor er rook van het vet opsteeg eisen: 'Geef het vlees aan de priester om het te roosteren. Maar wel rauw; gestoofd vlees wil hij niet!' </VERS>
      <VERS vnumber="16">Als dan degene die aan het offeren was antwoordde: 'Wacht tenminste tot er rook van het vet komt, dan kunt u nemen wat u hebben wilt, 'zei de knecht: 'Geef op! Anders neem ik het met geweld!' </VERS>
      <VERS vnumber="17">De HEER nam het wangedrag van Eli's zonen zeer hoog op; ze toonden geen eerbied voor de gaven die de HEER toekwamen. </VERS>
      <VERS vnumber="18">De kleine Samuël diende de HEER, en droeg daarbij een linnen priesterhemd. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Zijn moeder maakte ieder jaar een nieuw manteltje voor hem, dat ze meebracht wanneer zij en haar man hun jaarlijkse offer kwamen brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Eli zegende Elkana en zijn vrouw met de woorden: 'Moge de HEER u bij deze vrouw nog andere kinderen geven, in plaats van de jongen die zij aan de HEER heeft afgestaan.' Dan gingen ze weer terug naar huis. </VERS>
      <VERS vnumber="21">De HEER zag inderdaad naar Hanna om: ze werd opnieuw zwanger en baarde nog vijf kinderen, drie zonen en twee dochters, terwijl de jonge Samuël dicht bij de HEER opgroeide. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Inmiddels was Eli op hoge leeftijd gekomen. Van tijd tot tijd bereikten hem geruchten over wat zijn zonen de Israëlieten allemaal aandeden, en dat ze zelfs sliepen met de vrouwen die dienst deden bij de ingang van de ontmoetingstent. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Dan verweet hij hun: 'Waarom misdragen jullie je zo? Van alle kanten hoor ik slechte dingen over jullie. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Het is niet veel fraais wat het volk van de HEER over jullie te vertellen heeft. Zo gaat het niet langer! </VERS>
      <VERS vnumber="25">Wanneer mensen elkaar kwaad doen, kan God als scheidsrechter optreden, maar wanneer mensen zondigen tegen de HEER, wie zal dan voor hen pleiten?' Maar de zonen weigerden naar hun vader te luisteren; de HEER had namelijk besloten hen te doden. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Intussen groeide Samuël verder op. Hij was zeer geliefd, zowel bij de HEER als bij de mensen. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Ten slotte kwam een godsman tegen Eli zeggen: 'Dit zegt de HEER: Heb ik mij destijds in Egypte niet aan jouw voorouders geopenbaard, toen zij bij de farao werden vastgehouden? </VERS>
      <VERS vnumber="28">Uit alle stammen van Israël heb ik jouw voorouders gekozen om priester te worden. Zij mogen mijn altaar betreden, reukoffers brengen en in het heiligdom het priestergewaad dragen. Ook heb ik hun een deel geschonken van de offergaven van de Israëlieten. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Maar jullie gaan je te buiten aan het vlees en het brood dat volgens mijn voorschrift bij het heiligdom wordt geofferd. Kennelijk sla je je zonen hoger aan dan mij, want je mest jezelf vet door steeds het beste deel op te eisen van de offers die mijn volk Israël mij brengt. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Welnu-spreekt de HEER, de God van Israël-, ooit heb ik plechtig verklaard dat jouw familie mij van vader op zoon ter zijde zou staan. Maar nu-spreekt de HEER -kom ik daarvan terug. Wie mij hoogachten acht ik hoog, maar verachtelijk zijn zij die mij geringschatten! </VERS>
      <VERS vnumber="31">Er komt een dag dat ik jou en je familie machteloos maak; niemand van hen zal nog een hoge leeftijd bereiken. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Met lede ogen zul je moeten aanzien dat er in jouw familie nooit meer iemand rustig oud wordt, terwijl het Israël voor de wind gaat. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Niemand van jouw familie, op één enkeling na, zal mijn altaar nog betreden. Je ogen zullen dof worden van verdriet en je leven zal alle glans verliezen. Al je mannelijke nakomelingen zal ik laten sterven in de kracht van hun leven. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Ten teken van dit alles zullen je beide zonen Chofni en Pinechas op één dag sterven. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Als priester zal ik iemand aanstellen die mij trouw is en al mijn wensen en verlangens uitvoert. Zijn familie zal ik laten voortbestaan, en hij zal degene die op mijn aanwijzing gezalfd wordt getrouw ter zijde staan. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Wie er dan nog van jouw familie over zijn, zullen hem nederig komen vragen om wat kleingeld en een stuk brood, met het verzoek: "Stel me alstublieft aan als hulppriester, zodat ik tenminste mijn brood kan verdienen."' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="3">
      <VERS vnumber="1">De jonge Samuël diende dus de HEER, onder de hoede van Eli. Er klonken in die tijd zelden woorden van de HEER en er braken geen visioenen door. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Op zekere nacht lag Eli op zijn slaapplaats. Zijn ogen waren dof geworden, hij kon bijna niet meer zien. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Samuël lag te slapen in het heiligdom van de HEER, bij de ark van God. De godslamp was bijna uitgedoofd. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Toen riep de HEER Samuël. 'Ja, 'antwoordde Samuël. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Hij liep snel naar Eli toe en zei: 'Hier ben ik. U hebt me toch geroepen?' Maar Eli antwoordde: 'Ik heb je niet geroepen. Ga maar slapen.' Toen Samuël weer lag te slapen, </VERS>
      <VERS vnumber="6">riep de HEER hem opnieuw. Samuël stond op, ging naar Eli en zei: 'Hier ben ik. U hebt me toch geroepen?' Maar Eli antwoordde: 'Ik heb je niet geroepen, mijn jongen. Ga maar weer slapen.' </VERS>
      <VERS vnumber="7">Samuël had de HEER nog niet leren kennen, want de HEER had zich niet eerder aan hem bekendgemaakt door het woord tot hem te richten. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Opnieuw riep de HEER Samuël, voor de derde keer. Samuël stond op, ging naar Eli en zei: 'Hier ben ik. U hebt me toch geroepen?' Toen begreep Eli dat het de HEER was die de jongen riep. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Hij zei tegen Samuël: 'Ga maar weer slapen. Wanneer je wordt geroepen, moet je antwoorden: "Spreek, HEER, uw dienaar luistert."' Samuël legde zich weer te slapen, </VERS>
      <VERS vnumber="10">en de HEER kwam bij hem staan en riep net als de voorgaande keren: 'Samuël! Samuël!' En Samuël antwoordde: 'Spreek, uw dienaar luistert.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">Toen zei de HEER tot Samuël: 'Let op! Ik ga in Israël iets doen waarvan ieder zo zal ophoren dat zijn beide oren tuiten! </VERS>
      <VERS vnumber="12">Als die tijd aanbreekt zal ik alles, maar dan ook alles ten uitvoer brengen wat ik Eli en zijn familie heb voorzegd. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Ik heb hem aangekondigd dat ik onherroepelijk het vonnis over zijn familie zou voltrekken vanwege het wangedrag van zijn zonen: hij wist dat zij God minachtten, maar hij heeft ze niet terechtgewezen. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Daarom heb ik Eli's familie gezworen dat hun schuld met geen enkel offer kan worden ingelost.' </VERS>
      <VERS vnumber="15">Samuël bleef tot de ochtend liggen en opende toen de deuren van het heiligdom van de HEER. Hij zag ertegen op om Eli te vertellen wat hij had gehoord. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Maar Eli riep hem bij zich: 'Samuël, mijn jongen, kom eens hier!' 'Hier ben ik, 'antwoordde Samuël, </VERS>
      <VERS vnumber="17">en Eli vroeg: 'Wat heeft hij tegen je gezegd? Probeer niet het voor me te verbergen. God mag met je doen wat hij wil, als je ook maar iets achterhoudt van wat hij tegen je heeft gezegd!' </VERS>
      <VERS vnumber="18">Zonder iets achter te houden vertelde Samuël hem alles wat hij had gehoord, en Eli zei: 'Hij is de HEER. Laat hij doen wat hij het beste vindt.' </VERS>
      <VERS vnumber="19">Samuël groeide op. De HEER stond hem bij en bracht alles in vervulling wat hij had voorzegd. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Daardoor kwam iedereen in Israël, van Dan tot Berseba, tot de erkenning dat Samuël door de HEER als profeet was aangewezen. </VERS>
      <VERS vnumber="21">In de jaren daarna bleef de HEER in Silo verschijnen. Hij maakte zich daar aan Samuël bekend door het woord tot hem te richten. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="4">
      <VERS vnumber="1">En heel Israël luisterde naar Samuëls woorden. Enige tijd later trokken de Israëlieten ten strijde tegen de Filistijnen. Ze sloegen hun kamp op bij Eben-Haëzer; de Filistijnen lagen in Afek. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Nadat de Filistijnen zich in slagorde tegenover de Israëlieten hadden opgesteld, brandde de strijd los. Israël werd door de Filistijnen verslagen: vierduizend man sneuvelden in de slag. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Toen het leger naar het kamp was teruggekeerd, vroegen de oudsten van Israël: 'Hoe komt het dat de HEER ons vandaag tegen de Filistijnen een nederlaag heeft laten lijden? De ark van het verbond met de HEER moet uit Silo hierheen worden gehaald. Dan zal de HEER in ons midden zijn en ons bevrijden uit de greep van onze vijanden.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Het leger liet de ark van het verbond uit Silo overbrengen, de ark van de HEER van de hemelse machten, die op de cherubs troont. Chofni en Pinechas, de beide zonen van Eli, kwamen met de ark mee. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Toen de ark van het verbond met de HEER in het legerkamp aankwam, barstten alle Israëlieten uit in luid gejuich, zodat de aarde ervan dreunde. </VERS>
      <VERS vnumber="6">De Filistijnen hoorden het lawaai en vroegen: 'Wat klinkt daar voor gejuich uit het kamp van de Hebreeën?' Toen ze vernamen dat de ark van de HEER in het legerkamp was aangekomen, </VERS>
      <VERS vnumber="7">werden ze bang en zeiden: 'Hun God is naar het legerkamp gekomen. Het ziet er slecht voor ons uit, want zoiets is nooit eerder gebeurd. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Het ziet er slecht voor ons uit! Wie redt ons uit de greep van die machtige God? Het is dezelfde God die in de woestijn de Egyptenaren met allerlei plagen heeft getroffen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Verlies de moed niet, Filistijnen, laat zien wat je kunt! Anders worden wij slaven van de Hebreeën zoals zij het van ons zijn geweest. Laat dus zien wat je kunt. Ten aanval!' </VERS>
      <VERS vnumber="10">De Filistijnen gingen tot de aanval over en de Israëlieten werden verslagen. Ieder vluchtte naar zijn eigen woonplaats. Het was een zware nederlaag voor Israël, waarbij dertigduizend man voetvolk omkwamen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">De ark van God werd buitgemaakt en Chofni en Pinechas, de beide zonen van Eli, vonden de dood. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Een Benjaminiet maakte zich uit de gelederen los en rende naar Silo, waar hij nog dezelfde dag aankwam. Hij had zijn kleren gescheurd en stof over zijn hoofd geworpen. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Toen hij aankwam, zat Eli op een bankje langs de kant van de weg op de uitkijk, want hij maakte zich ernstig ongerust over de ark van God. Zodra de man in de stad verslag had uitgebracht, begon de hele bevolking te jammeren. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Eli hoorde het geschreeuw en vroeg: 'Wat is dat voor lawaai?' De man haastte zich naar Eli om het hem te vertellen. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Eli was toen achtennegentig jaar; zijn ogen waren helemaal star geworden en hij kon niets meer zien. </VERS>
      <VERS vnumber="16">De man zei tegen Eli: 'Ik kom van het slagveld, ik ben zojuist van het slagveld gevlucht.' 'Maar wat is er dan gebeurd?' vroeg Eli, </VERS>
      <VERS vnumber="17">en de bode antwoordde: 'Israël is op de vlucht geslagen voor de Filistijnen. Er is een grote slachting aangericht onder onze soldaten. Ook uw zonen Chofni en Pinechas zijn gesneuveld. En de ark van God is ons ontnomen.' </VERS>
      <VERS vnumber="18">Op het moment dat de man de ark van God noemde, viel Eli van het bankje naast de stadspoort achterover op de grond. Hij was zo oud en zwaar dat hij zijn nek brak en stierf. Veertig jaar was hij rechter over Israël geweest. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Eli's schoondochter, de vrouw van Pinechas, was in de laatste dagen van haar zwangerschap. Toen ze hoorde dat de ark van God was buitgemaakt en dat haar schoonvader en haar man waren gestorven, overvielen haar de weeën. Ze kromp ineen en bracht haar kind ter wereld. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Terwijl ze stervende was, zeiden de vrouwen die haar bijstonden: 'Wees gerust, je hebt een zoon gekregen.' Maar ze reageerde niet en schonk hun geen aandacht. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Ze noemde haar zoon Ichabod en verklaarde: 'Israël is van zijn eer beroofd.' Daarmee doelde ze op het verlies van de ark en op de dood van haar schoonvader en haar man. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Ze zei: 'Israël is van zijn eer beroofd, want de ark van God is ons ontnomen.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="5">
      <VERS vnumber="1">De ark van God, die bij Eben-Haëzer door de Filistijnen was buitgemaakt, werd overgebracht naar Asdod. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Ze namen de ark op, brachten hem naar de tempel van Dagon en zetten hem daar naast het godenbeeld neer. </VERS>
      <VERS vnumber="3">De volgende morgen zagen de inwoners van Asdod dat Dagon voorover was gevallen en voor de ark van de HEER op de grond lag. Ze pakten het beeld op en zetten het weer op zijn plaats, </VERS>
      <VERS vnumber="4">maar toen ze de volgende morgen vroeg terugkwamen, lag Dagon weer voorover op de grond voor de ark. Alleen zijn romp was nog heel; zijn hoofd en zijn beide handen lagen afgehakt op de drempel. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Daarom durven de priesters van Dagon en alle anderen die naar de tempel komen deze drempel tot op de dag van vandaag niet te betreden. </VERS>
      <VERS vnumber="6">De HEER pakte de inwoners van Asdod hard aan. Hij zaaide paniek en trof alle inwoners van het vorstendom met aambeien. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Toen de burgers van Asdod zagen hoe het er voorstond, zeiden ze: 'De ark van de God van Israël kan hier niet blijven, want hij treedt met harde hand op tegen ons en onze god Dagon.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">Ze riepen de Filistijnse stadsvorsten erbij en legden hun de vraag voor: 'Wat moeten we doen met de ark van de God van Israël?' 'Naar Gat brengen, 'luidde het antwoord, en ze besloten de ark weg te brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Toen de ark naar Gat was overgebracht, keerde de HEER zich tegen die stad, zodat ook daar een geweldige paniek ontstond. Hij trof de inwoners van de stad van groot tot klein en iedereen kreeg aambeien. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Ze stuurden de ark van God door naar Ekron, maar zodra hij daar aankwam begon de bevolking te schreeuwen: 'Ze hebben de ark van de God van Israël hierheen gestuurd om ons allemaal te doden!' </VERS>
      <VERS vnumber="11">Weer riepen ze de Filistijnse stadsvorsten erbij en zeiden: 'Stuur de ark van de God van Israël terug naar waar hij vandaan komt, anders worden we allemaal gedood.' In heel de stad heerste namelijk een dodelijke angst, want God pakte de inwoners hard aan. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Wie niet stierf, werd geplaagd door aambeien; het gekerm van de stad steeg op naar de hemel. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="6">
      <VERS vnumber="1">De ark van de HEER was intussen al zeven maanden op Filistijns grondgebied. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Nu riepen ze ook de priesters en de waarzeggers erbij en legden hun de vraag voor: 'Wat moeten we doen met de ark van de HEER? Hoe kunnen we hem het beste terugsturen?' </VERS>
      <VERS vnumber="3">Het antwoord luidde: 'Als u de ark van de God van Israël terugstuurt, laat hem dan niet zonder meer weggaan. Geef in ieder geval een schadeloosstelling mee, dan zult u genezen en te weten komen waarom u al die tijd zo hard bent aangepakt.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">'Waaruit moet die schadeloosstelling bestaan?' vroeg men, en het antwoord luidde: 'Er zijn vijf vorstendommen. Geef daarom vijf gouden gezwellen mee en vijf gouden muizen. Alle vorstendommen hebben immers onder dezelfde plaag geleden, ook de stadsvorsten zelf. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Maak beeldjes van uw gezwellen en van de muizen die uw land hebben geteisterd, om zo eer te bewijzen aan de God van Israël. Misschien laat hij u dan met rust, en ook uw goden en uw land. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Waarom zou u zich tegen hem blijven verzetten, zoals Egypte en de farao hebben gedaan? Toen hij zijn woede op hen botvierde, moesten zij de Israëlieten toch ook laten gaan? </VERS>
      <VERS vnumber="7">Dit moet er gebeuren: Zorg voor een nieuwe wagen en twee zogende koeien die nog nooit een juk hebben gevoeld. Span de koeien voor de wagen, haal hun kalveren bij hen weg en breng die naar de stal. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Zet de ark van de HEER op de wagen met daarnaast een zadeltas met de gouden voorwerpen die u ter genoegdoening meegeeft, en laat die wagen zijn eigen weg gaan. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Als hij voor uw ogen de grens over rijdt in de richting van Bet-Semes, dan betekent dat dat de God van Israël deze ramp over ons heeft voltrokken. Zo niet, dan weten we dat niet hij ons met dit leed heeft getroffen, maar dat het toeval was.' </VERS>
      <VERS vnumber="10">En zo gebeurde het. Ze spanden twee zogende koeien voor de wagen en sloten hun kalveren op in de stal. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Ze zetten de ark op de wagen en daarnaast de zadeltas met de gouden muizen en de beeldjes van hun gezwellen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">De koeien liepen regelrecht naar Bet-Semes. Ze loeiden wel, maar bogen niet af naar links of rechts. De Filistijnse stadsvorsten volgden hen tot aan de grens met Bet-Semes. </VERS>
      <VERS vnumber="13">In de vallei van Bet-Semes waren mensen bezig met de tarweoogst. Toen ze plotseling de ark zagen aankomen, waren ze bijzonder blij die te zien. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Op de akker van Josua, een van de inwoners van Bet-Semes, kwam de wagen tot stilstand. Ze hakten de wagen tot brandhout en offerden daarop de koeien aan de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Maar eerst hadden de Levieten de ark van de HEER van de wagen geladen en hem samen met de zadeltas met de gouden voorwerpen neergezet op een grote steen die daar lag. De bevolking van Bet-Semes bracht die dag brandoffers en vredeoffers aan de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="16">De vijf Filistijnse stadsvorsten hadden alles gezien en keerden nog dezelfde dag terug naar Ekron. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Vijf gouden gezwellen gaven de Filistijnen ter genoegdoening aan de HEER: één voor Asdod, één voor Gaza, één voor Askelon, één voor Gat en één voor Ekron. </VERS>
      <VERS vnumber="18">En ook nog zoveel gouden muizen als er plaatsen waren in de Filistijnse vorstendommen, van de sterkste vestingstad tot het meest afgelegen dorp. De grote steen in de akker van Josua bij Bet-Semes, waarop de ark van de HEER heeft gestaan, herinnert tot op de dag van vandaag aan deze gebeurtenis. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Maar de bevolking van Bet-Semes werd gestraft, omdat ze naar de ark van de HEER hadden gekeken. Er stierven zeventig inwoners van de stad. En het volk treurde, want de HEER had hen zwaar getroffen. </VERS>
      <VERS vnumber="20">De burgers van Bet-Semes vroegen zich af: 'Wie kan de aanwezigheid van de HEER, die heilige God, verdragen? Bij wie kunnen we de ark kwijt?' </VERS>
      <VERS vnumber="21">Toen lieten ze in Kirjat-Jearim vragen: 'De Filistijnen hebben de ark van de HEER teruggebracht. Kunt u hem hier komen halen?' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="7">
      <VERS vnumber="1">Er kwamen mensen uit Kirjat-Jearim om de ark op te halen. Ze brachten hem naar het huis van Abinadab, op de heuvel, en wijdden zijn zoon Elazar om zorg te dragen voor de ark van de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Er verstreek geruime tijd vanaf de dag dat de ark naar Kirjat-Jearim was overgebracht, wel twintig jaar. Steeds meer Israëlieten klaagden hun nood bij de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Ten slotte sprak Samuël het volk als volgt toe: 'Als het u werkelijk ernst is terug te keren naar de HEER, doe dan de vreemde goden zoals Astarte weg en richt u met heel uw hart naar de HEER. Dien hem alleen, dan zal hij u bevrijden uit de greep van de Filistijnen.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Dus deden de Israëlieten de Baäls en Astartes weg en dienden alleen nog de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Toen zei Samuël: 'Laat iedereen naar Mispa komen, dan zal ik voor u tot de HEER bidden.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">Het hele volk kwam in Mispa bij elkaar. Ze putten water dat ze voor de HEER uitgoten, en vastten de hele dag. Ze erkenden: 'We hebben tegen de HEER gezondigd.' Zo gaf Samuël in Mispa richtlijnen aan de Israëlieten. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Toen de Filistijnse stadsvorsten vernamen dat de Israëlieten in Mispa bijeen waren gekomen, trokken ze op naar Israël. De Israëlieten hoorden hiervan en werden bang. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Ze zeiden tegen Samuël: 'Laat ons niet in de steek en roep voor ons de HEER, onze God, te hulp, opdat hij ons redt uit de greep van de Filistijnen.' </VERS>
      <VERS vnumber="9">Samuël nam een lammetje en droeg het in zijn geheel als brandoffer aan de HEER op. Hij riep de HEER om hulp voor Israël, en de HEER verhoorde hem. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Terwijl Samuël nog met het offer bezig was, kwamen de Filistijnen er al aan om Israël aan te vallen. Maar toen donderde de HEER met luide stem tegen de Filistijnen en zaaide zo veel verwarring dat ze tegen Israël wel het onderspit moesten delven. </VERS>
      <VERS vnumber="11">De Israëlieten zetten vanuit Mispa de achtervolging in en dreven hen terug tot onder Bet-Kar. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Na afloop plaatste Samuël tussen Mispa en Sen een steen en noemde die Eben-Haëzer. 'Want, 'verklaarde hij, 'tot hier toe heeft de HEER ons geholpen.' </VERS>
      <VERS vnumber="13">De Filistijnen moesten zich gewonnen geven en waagden het niet nog eens op het grondgebied van Israël te komen. Zo lang Samuël leefde, hield de HEER de Filistijnen in bedwang. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Het hele gebied van Ekron tot Gat werd door Israël op de Filistijnen heroverd, en ook met de Amorieten was er vrede. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Tot het einde van zijn leven bleef Samuël rechter over Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Hij maakte jaarlijks een rondreis langs Betel, Gilgal en Mispa en gaf daar zijn richtlijnen aan het volk. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Dan keerde hij weer terug naar zijn woonplaats Rama, van waaruit hij Israël bestuurde en waar hij een altaar had gebouwd voor de HEER. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="8">
      <VERS vnumber="1">Toen Samuël oud geworden was, benoemde hij zijn zonen tot rechters over Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="2">De oudste heette Joël en de tweede Abia. Ze bestuurden het land vanuit Berseba. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Maar ze volgden het voorbeeld van hun vader niet na: ze waren op eigen voordeel uit, namen steekpenningen aan en verdraaiden het recht. </VERS>
      <VERS vnumber="4">De oudsten van Israël kwamen daarom bij elkaar en gingen naar Rama, naar Samuël. </VERS>
      <VERS vnumber="5">'U bent oud geworden, 'zeiden ze, 'en uw zonen volgen uw voorbeeld niet na. Benoem liever een koning om ons te besturen, zoals alle andere volken er een hebben.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">Samuël vond het ontoelaatbaar dat ze om een koning vroegen. Daarom richtte hij een gebed tot de HEER, </VERS>
      <VERS vnumber="7">maar die antwoordde: 'Geef gehoor aan de stem van het volk, aan alles wat ze je vragen. Jou verwerpen ze niet. Ze verwerpen juist mij als hun koning. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Zo is het altijd gegaan, vanaf de dag dat ik hen uit Egypte heb geleid tot nu toe. Ze hebben mij de rug toegekeerd en andere goden gediend, en zo vergaat het nu ook jou. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Geef dus gehoor aan hun verzoek, maar waarschuw hen door uitdrukkelijk te wijzen op de rechten die aan het koningschap verbonden zijn.' </VERS>
      <VERS vnumber="10">Samuël vertelde alles wat de HEER had gezegd aan het volk, dat om een koning vroeg. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Toen zei hij: 'Dit zijn de rechten die aan het koningschap verbonden zijn: Uw zonen zal een koning u afnemen en ze indelen bij zijn strijdwagens, zijn ruiterij of zijn persoonlijke escorte, </VERS>
      <VERS vnumber="12">of ze aanstellen als bevelhebbers over duizend man of over vijftig. Hij zal ze zijn akkers laten ploegen, zijn oogst laten binnenhalen en zijn wapens en strijdwagens laten maken. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Uw dochters zal hij u afnemen om ze zalf te laten bereiden en te laten koken en bakken. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Uw vruchtbaarste landerijen, wijngaarden en olijfgaarden zal hij u afnemen en toewijzen aan zijn hovelingen. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Van de opbrengst van uw akkers en wijngaarden zal hij een tiende deel opeisen en dat aan zijn hovelingen en hoge ambtenaren geven. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Uw beste slaven en slavinnen en uw sterkste arbeidskrachten zal hij u afnemen om ze voor zichzelf te laten werken, en ook uw ezels. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Van uw schapen en geiten zal hij een tiende deel opeisen en ook uzelf zult hem moeten dienen. </VERS>
      <VERS vnumber="18">En wanneer u dan de HEER te hulp roept tegen de koning die u zelf gewild hebt, dan zal hij u niet verhoren.' </VERS>
      <VERS vnumber="19">Het volk trok zich niets van Samuëls woorden aan en zei: 'Nee, we willen een koning en anders niet! </VERS>
      <VERS vnumber="20">Dan pas zullen we gelijk zijn aan alle andere volken. We willen dat een koning ons bestuurt en recht over ons spreekt, voor ons uittrekt en ons voorgaat in de strijd.' </VERS>
      <VERS vnumber="21">Samuël hoorde aan wat het volk te zeggen had en bracht het over aan de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Toen zei de HEER tegen Samuël: 'Geef gehoor aan hun verzoek en stel een koning over hen aan.' En Samuël zei tegen de Israëlieten dat iedereen naar zijn eigen stad moest terugkeren. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="9">
      <VERS vnumber="1">In Benjamin woonde een man die Kis heette. Hij was een zoon van Abiël, die een zoon was van Seror, de zoon van Bechorat, de zoon van Afiach. Hij behoorde tot de stam Benjamin en was een vermogend man. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Hij had een zoon die Saul heette, een lange, goedgebouwde jongeman die met kop en schouders boven iedereen in Israël uitstak. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Op een keer, toen zijn ezelinnen waren zoekgeraakt, zei Kis tegen zijn zoon: 'Vooruit, ga jij met een van de knechten de ezelinnen zoeken.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Saul doorkruiste het bergland van Efraïm: Hij zocht in de streek Salisa, maar ze vonden ze niet. Hij zocht in de streek Saälim, maar van de ezelinnen geen spoor. Zo doorzochten ze het hele gebied van Benjamin zonder ze te vinden. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Toen ze ten slotte in Suf waren beland, zei Saul tegen zijn knecht: 'Kom, laten we maar teruggaan, anders maakt mijn vader zich nog ongeruster over ons dan over zijn ezelinnen.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">Maar de knecht antwoordde: 'We zijn nu juist bij een stad waar een godsman woont. Hij staat hoog aangeschreven, wat hij zegt komt altijd uit. Laten we naar hem toe gaan. Misschien kan hij ons vertellen waar we heen moeten.' </VERS>
      <VERS vnumber="7">'Als we dat doen, 'vroeg Saul, 'wat kunnen we die man dan geven? Onze mondvoorraad is op, dus we kunnen hem niets te eten aanbieden. En verder hebben we toch niets bij ons?' </VERS>
      <VERS vnumber="8">'Hier heb ik nog een zilverstukje, 'zei de knecht. 'Dat geef ik aan de godsman, dan zal hij zeggen waar we heen moeten.' </VERS>
      <VERS vnumber="9">(Vroeger zei men in Israël wanneer men God om raad wilde vragen: 'Kom, laten we naar de ziener gaan, 'want wat nu een profeet heet, werd vroeger een ziener genoemd.) </VERS>
      <VERS vnumber="10">'Dat is een goed voorstel, 'zei Saul tegen zijn knecht. 'Kom, we gaan.' En ze begaven zich naar de stad waar de godsman woonde. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Toen ze de helling naar de stad op gingen, kwamen ze een paar meisjes tegen die op weg waren om water te putten. 'Is de ziener in de stad?' vroegen ze. </VERS>
      <VERS vnumber="12">'Jazeker, 'antwoordden de meisjes. 'Als u snel bent, treft u hem nog. Hij is juist vandaag naar de stad gekomen ter gelegenheid van het offerfeest. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Als u nu de stad binnengaat, treft u hem nog aan voordat hij naar de offerhoogte gaat voor het offermaal. De genodigden wachten namelijk met eten op hem, omdat hij het offer moet zegenen voor ze aan de maaltijd beginnen. Maak voort, dan kunt u hem niet mislopen.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">Ze liepen door naar de stad, en juist toen ze de poort binnen wilden gaan kwamen ze Samuël tegen, die op weg was naar buiten, naar de offerhoogte. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Een dag voor de komst van Saul had de HEER aan Samuël bekendgemaakt: </VERS>
      <VERS vnumber="16">'Morgen om deze tijd stuur ik je een man uit Benjamin. Hem zul je zalven tot vorst over mijn volk Israël. Hij zal mijn volk bevrijden uit de greep van de Filistijnen, want ik heb me hun lot aangetrokken en hun roep om hulp gehoord.' </VERS>
      <VERS vnumber="17">Zodra Samuël Saul zag, liet de HEER hem weten: 'Dit is nu de man over wie ik je gezegd heb: "Hij zal mijn volk beteugelen."' </VERS>
      <VERS vnumber="18">In de stadspoort sprak Saul Samuël aan en vroeg hem: 'Kunt u mij zeggen waar de ziener woont?' </VERS>
      <VERS vnumber="19">'Ik ben de ziener, 'antwoordde Samuël. 'Wees mijn gast en ga mee naar de offerhoogte. Vandaag zult u met mij eten en morgenvroeg zal ik u uitgeleide doen. Ik zal u vertellen wat er in u schuilt. </VERS>
      <VERS vnumber="20">En wat betreft die ezelinnen die nu al drie dagen zoek zijn: maakt u zich geen zorgen, die zijn terecht. Maar naar wie is heel Israël verlangend op zoek? Naar u en uw familie!' </VERS>
      <VERS vnumber="21">'Maar ik hoor bij Benjamin, een van de kleinste stammen van Israël, 'wierp Saul tegen. 'En in die stam is mijn familie weer de onbelangrijkste. Hoe kunt u dan zoiets zeggen?' </VERS>
      <VERS vnumber="22">Samuël nam Saul en zijn knecht mee naar de eetzaal en gaf hun daar een plaats aan het hoofd van de tafel. Er waren dertig genodigden. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Tegen de offerbereider zei Samuël: 'Dien nu het stuk vlees op dat ik u gegeven heb met het verzoek het apart te houden.' </VERS>
      <VERS vnumber="24">De offerbereider nam de rechterachterbout en diende die aan Saul op met de woorden: 'Alstublieft. Dit stuk is speciaal voor u apart gehouden ter gelegenheid van deze bijeenkomst, die door Samuël is belegd. Laat het u smaken.' Toen at Saul met Samuël. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Daarna gingen ze van de offerhoogte terug naar de stad, waar Samuël op het dak van zijn huis met Saul een vertrouwelijk gesprek had. </VERS>
      <VERS vnumber="26">De volgende morgen, bij het krieken van de dag, riep Samuël naar Saul op het dak: 'Sta op, ik zal u uitgeleide doen.' Samen met Samuël ging Saul naar buiten. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Toen ze vanaf de stad naar beneden liepen, zei Samuël tegen Saul: 'Zeg tegen uw knecht dat hij vast vooruitgaat.' Toen de knecht hen een eind vooruit was, zei Samuël: 'Blijft u nog even staan, dan zal ik u vertellen wat God met u voorheeft.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="10">
      <VERS vnumber="1">Hij goot een kruikje olie over Sauls hoofd uit, kuste hem en zei: 'Hierbij zalft de HEER u tot vorst over het volk dat hem toebehoort.' </VERS>
      <VERS vnumber="2">Daarna zei hij: 'Als u straks na ons afscheid verdergaat, zult u in Selsach op de grens met Benjamin bij het graf van Rachel twee mannen aantreffen. Zij zullen u vertellen dat de ezelinnen waarnaar u op zoek was terecht zijn, en dat uw vader zich over hen geen zorgen meer maakt, maar dat hij ongerust is over u en zich afvraagt wat hij moet doen om u te vinden. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Wanneer u dan uw weg vervolgt en aankomt bij de Tabor-eik, zult u daar drie mannen tegenkomen die op weg zijn om God in Betel te vereren. De eerste heeft drie geitenbokjes bij zich, de tweede drie broden en de derde een zak wijn. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Ze zullen u vragen hoe het met u gaat en u twee broden geven, die u moet aannemen. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Als u ten slotte terugkomt in Gibea-Elohim, zult u in de buurt van de stad, bij de Filistijnse wachtpost, een stoet profeten tegenkomen die in vervoering van de offerhoogte afdaalt, voorafgegaan door muzikanten met harpen, tamboerijnen, fluiten en lieren. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Dan zult u worden gegrepen door de geest van de HEER en ook in vervoering raken, en u zult een ander mens worden. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Tijdens de gebeurtenissen die ik zojuist heb beschreven kunt u doen zoals uw hart u ingeeft, want God staat u bij. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Ga daarna door naar Gilgal en wacht daar zeven dagen op mij. Ik zal u achterna reizen om brandoffers en vredeoffers op te dragen. Daarna zal ik u laten weten wat u verder doen moet.' </VERS>
      <VERS vnumber="9">En inderdaad, zodra Saul zich had omgedraaid om zijn weg te vervolgen, maakte God van hem een ander mens. En alle voorspelde gebeurtenissen kwamen diezelfde dag nog uit. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Toen ze bij Gibea aankwamen, kwam hun een stoet profeten tegemoet. Saul werd gegrepen door de geest van God en raakte net als zij in vervoering. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Allen die hem van vroeger kenden en zagen dat hij zich in vervoering bij de profeten had aangesloten, zeiden tegen elkaar: 'Wat is er met de zoon van Kis gebeurd? Hoort Saul nu ook al bij de profeten?' </VERS>
      <VERS vnumber="12">En een van hen merkte op: 'Wie is hun vader eigenlijk?' Zo komen we aan de uitdrukking: Hoort Saul nu ook al bij de profeten? </VERS>
      <VERS vnumber="13">Toen zijn vervoering voorbij was, ging Saul naar de offerhoogte. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Zijn oom kwam op hem af en vroeg aan hem en zijn knecht waar ze geweest waren. 'De ezelinnen zoeken, 'antwoordde Saul. 'Maar we konden ze niet vinden en toen zijn we naar Samuël gegaan.' </VERS>
      <VERS vnumber="15">'En, wat heeft hij tegen jullie gezegd?' vroeg Sauls oom. </VERS>
      <VERS vnumber="16">'Hij heeft ons alleen maar gezegd dat de ezelinnen terecht waren, 'antwoordde Saul. Maar dat Samuël over het koningschap had gesproken vertelde hij niet. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Samuël riep het volk op om zich in Mispa voor de HEER te verzamelen. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Daar sprak hij de Israëlieten als volgt toe: 'Dit zegt de HEER, de God van Israël: Ik ben het die jullie uit Egypte heeft geleid. Ik ben het die jullie heeft bevrijd uit de greep van Egypte en alle andere koninkrijken door wie jullie onderdrukt werden. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Maar nu hebben jullie je God, die jullie steeds uit alle rampspoed en ellende heeft gered, verworpen en vragen jullie hem of hij een koning over jullie aanstelt. Welnu, stel je op voor de HEER per stam en per familie.' </VERS>
      <VERS vnumber="20">Samuël liet de stammen van Israël aantreden en het lot viel op de stam Benjamin. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Vervolgens liet hij de families van de stam Benjamin aantreden en het lot viel op de familie van Matri. Uiteindelijk viel het lot op Saul, de zoon van Kis. Ze gingen naar hem op zoek, maar ze konden hem niet vinden. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Daarom raadpleegden ze nogmaals de HEER: 'Waar is de man die ontbreekt?' 'Daar is hij, 'zei de HEER. 'Hij houdt zich schuil tussen de bagage.' </VERS>
      <VERS vnumber="23">Ze renden op hem af en haalden hem te voorschijn. Toen hij tussen het volk stond, stak hij met kop en schouders boven iedereen uit. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Samuël zei tegen de Israëlieten: 'Ziet u wat voor iemand de HEER gekozen heeft? In heel het volk is er geen tweede als hij!' En het volk juichte en riep: 'Leve de koning!' </VERS>
      <VERS vnumber="25">Daarop wees Samuël het volk nogmaals op de rechten die aan het koningschap verbonden zijn, en stelde die op schrift in een boekrol die hij voor de HEER neerlegde. Daarna ontbond hij de volksvergadering, en iedereen keerde terug naar huis. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Ook Saul ging weer naar zijn woonplaats Gibea. Een leger van dappere krijgslieden ging met hem mee, door God daartoe bewogen. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Sommigen waren minder overtuigd en zeiden smalend: 'Moet die ons uit de nood redden?' Ze keken minachtend op hem neer en boden hem geen geschenken aan. Maar Saul deed alsof hij er niets van merkte. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="11">
      <VERS vnumber="1">Koning Nachas van Ammon trok ten strijde en belegerde Jabes in Gilead. De inwoners van Jabes stelden Nachas het volgende voor: 'Als u met ons een verdrag sluit, zullen wij ons aan u onderwerpen.' </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Goed, 'antwoordde koning Nachas, 'op voorwaarde dat ik ieder van jullie het rechteroog uitsteek, ter vernedering van heel Israël.' </VERS>
      <VERS vnumber="3">Toen zeiden de oudsten van Jabes tegen hem: 'Geef ons zeven dagen de tijd om boden het land rond te sturen. Als niemand ons komt helpen, zullen we naar u toe komen.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Toen de boden van Jabes in Sauls woonplaats Gibea kwamen en vertelden wat er aan de hand was, begon de hele bevolking te weeklagen. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Saul, die juist met zijn ossen van het land kwam, vroeg waarom de mensen zo van streek waren. Ze vertelden hem wat de mannen uit Jabes hadden gezegd. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Toen hij dat hoorde, werd hij gegrepen door de geest van God en barstte hij in woede uit. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Hij greep een span ossen en hieuw de dieren aan stukken. Hij gaf de stukken vlees aan de boden mee en liet in heel Israël rondzeggen: 'Zo zal het de runderen vergaan van ieder die niet met Saul en Samuël ten strijde trekt!' Beducht voor de HEER trokken de Israëlieten als één man ten strijde. </VERS>
      <VERS vnumber="8">In Bezek monsterde Saul de troepen: er waren driehonderdduizend Israëlieten en dertigduizend Judeeërs. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Aan de boden werd het volgende bericht meegegeven: 'Zeg tegen de bevolking van Jabes in Gilead dat ze morgen, op het heetst van de dag, zullen worden ontzet.' De inwoners van Jabes waren zeer opgelucht bij het horen van deze boodschap </VERS>
      <VERS vnumber="10">en zeiden tegen Nachas: 'Morgen komen we naar u toe, dan kunt u met ons doen wat u goeddunkt.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">De volgende morgen verdeelde Saul het leger in drie eenheden. Tijdens de morgenwake vielen ze het kamp binnen en tot aan het middaguur leverden ze slag met de Ammonieten. Degenen die het overleefden werden uiteengeslagen, zodat er geen twee man bij elkaar bleven. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Na afloop zeiden de Israëlieten tegen Samuël: 'Wie heeft gezegd: "Moet Saul onze koning zijn?" Lever die mannen aan ons uit, dan zullen we ze ter dood brengen.' </VERS>
      <VERS vnumber="13">Maar Saul antwoordde: 'Vandaag wordt er niemand ter dood gebracht, want vandaag is de HEER Israël te hulp gekomen.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">Samuël riep de Israëlieten op om naar Gilgal te gaan en daar het koningschap plechtig te bevestigen. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Heel het volk ging naar Gilgal, waar Saul ten overstaan van de HEER als koning werd ingehuldigd. Ze slachtten dieren voor een vredeoffer ter ere van de HEER en Saul vierde uitbundig feest met alle Israëlieten. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="12">
      <VERS vnumber="1">Toen sprak Samuël het volk als volgt toe: 'Ik heb uw verzoek ingewilligd en gedaan wat u hebt gevraagd: ik heb een koning over u aangesteld. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Hier is de koning die u voortaan voor zal gaan. Nu ik oud en grijs geworden ben, staan mijn zonen hier u bij. En zelf ben ik u vanaf mijn vroegste jeugd tot op de dag van vandaag voorgegaan. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Hier sta ik. Zeg mij nu ten overstaan van de HEER en zijn gezalfde: Heb ik ooit iemand zijn stier afgenomen? Heb ik ooit iemand zijn ezel afgenomen? Heb ik ooit iemand uitgebuit of mishandeld? Heb ik me ooit door iemand laten omkopen om oogluikend iets toe te staan? Mocht dat zo zijn, dan zal ik het u vergoeden.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Maar het volk antwoordde: 'U hebt ons niet uitgebuit, u hebt ons niet mishandeld en u hebt nooit iets van iemand aangenomen.' </VERS>
      <VERS vnumber="5">Toen zei Samuël: 'De HEER en zijn gezalfde zijn er vandaag getuige van dat u mij niets te verwijten hebt.' Het volk antwoordde: 'Zo is het!' </VERS>
      <VERS vnumber="6">'Ja, 'vulde Samuël aan, 'de HEER die Mozes en Aäron heeft aangesteld en uw voorouders uit Egypte heeft geleid. </VERS>
      <VERS vnumber="7">En nu wil ik u rekenschap vragen. Sta op, dan houd ik u hier ten overstaan van de HEER de weldaden voor die hij u en uw voorouders heeft bewezen. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Toen uw voorouders na Jakobs komst naar Egypte de HEER te hulp riepen, stuurde hij hun Mozes en Aäron. Zij leidden hen weg uit Egypte en bezorgden hun hier een woonplaats. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Maar later vergaten uw voorouders de HEER, hun God, en daarom leverde hij ze uit aan Sisera, de bevelhebber van het leger van Hasor, en aan de Filistijnen en de koning van Moab. Toen die oorlog tegen hen voerden, </VERS>
      <VERS vnumber="10">riepen ze de HEER te hulp en zeiden: "We hebben gezondigd! We hebben de HEER de rug toegekeerd om de Baäls en Astartes te vereren. Bevrijd ons uit de greep van onze vijanden, dan zullen we u weer dienen." </VERS>
      <VERS vnumber="11">En de HEER stuurde Jerubbaäl, Bedan, Jefta en mij, Samuël. Zo bevrijdde hij u uit de greep van de vijanden die u omringden en kon u hier onbezorgd wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Maar toen u zag dat koning Nachas van Ammon u aanviel, zei u tegen mij: "Nee, we willen een koning!" En dat terwijl toch de HEER, uw God, uw koning is. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Welnu, hier is de koning die u gekozen hebt, de koning waar u om hebt gevraagd; de HEER heeft u een koning gegeven. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Als u de HEER dan maar ontzag en toewijding blijft tonen, hem blijft gehoorzamen en u niet verzet tegen zijn bevelen! Als u en de koning die over u is aangesteld de HEER, uw God, dan maar trouw blijven. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Maar als u de HEER niet gehoorzaamt en u tegen zijn bevelen verzet, zal hij zich tegen u keren zoals hij zich ook tegen uw voorouders heeft gekeerd. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Blijf staan en wees getuige van het wonder dat de HEER voor uw ogen gaat verrichten. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Het is toch de tijd van de tarweoogst? Ik zal de HEER aanroepen en hij zal het laten onweren en regenen. Dan zult u eindelijk inzien dat de HEER het volstrekt ontoelaatbaar vindt dat u om een koning hebt gevraagd.' </VERS>
      <VERS vnumber="18">Samuël riep de HEER aan, en meteen liet de HEER het onweren en regenen, zodat het volk vervuld werd van angst voor de HEER en Samuël. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Ze vroegen Samuël: 'Bid voor ons, uw dienaren, tot de HEER, uw God, dat we niet hoeven te sterven. Want we hebben al zoveel verkeerd gedaan, en nu hebben we het nog erger gemaakt door om een koning te vragen.' </VERS>
      <VERS vnumber="20">'Ook al hebt u gezondigd, 'antwoordde Samuël, 'u hoeft niet bang te zijn zolang u de HEER maar trouw blijft en hem met heel uw hart toegedaan bent. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Dwaal niet af om achter iets aan te lopen dat niets oplevert en niet bevrijdt, omdat het niets is. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Ter wille van zijn grote naam zal de HEER zijn volk immers niet in de steek laten, want hij heeft zelf besloten om u tot zijn volk te maken. </VERS>
      <VERS vnumber="23">En hetzelfde geldt voor mij: ook ik moet niet zondigen tegen de HEER en ik moet zeker niet ophouden voor u te bidden en u het goede en rechte pad te wijzen. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Dus: heb ontzag voor de HEER en wees hem oprecht, met hart en ziel toegewijd. U hebt immers zelf ervaren welke grootse daden hij voor u heeft verricht. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Maar als u volhardt in het kwaad, zal het met u en met uw koning gedaan zijn.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="13">
      <VERS vnumber="1">Saul was dertig jaar oud toen hij koning werd. Twee jaar was hij koning van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Saul had drieduizend Israëlieten uitgekozen. Tweeduizend waren met hem gelegerd bij Michmas en het gebergte van Betel; duizend lagen er met Jonatan bij Gibea in Benjamin. De rest van het volk werd teruggestuurd naar huis. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Jonatan versloeg de Filistijnse wachtpost in Gibea, en dat kwam de Filistijnen ter ore. Saul liet in heel het land de ramshoorn blazen en rondzeggen: 'Hebreeën, luister: </VERS>
      <VERS vnumber="4">Israël heeft de Filistijnen vernederd doordat Saul een van hun wachtposten verslagen heeft!' Het volk werd opgeroepen om zich in Gilgal bij Saul aan te sluiten. </VERS>
      <VERS vnumber="5">De Filistijnen verzamelden hun troepen om tegen Israël ten strijde te trekken. Met drieduizend strijdwagens en zesduizend paarden, en voetvolk zo talrijk als zandkorrels aan de zee trokken ze op en legerden zich bij Michmas, ten oosten van Bet-Awen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Het leger van de Israëlieten werd teruggedreven en de soldaten zagen dat ze in het nauw kwamen. Daarom verscholen de mannen zich in grotten, spelonken en rotsholen, in grafkamers en waterputten. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Ook waren er Hebreeën die de Jordaan overstaken naar Gad en Gilead. Ondertussen bevond Saul zich nog steeds in Gilgal en de manschappen daar wachtten in angst en beven op wat er komen zou. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Hij wachtte daar zeven dagen op Samuël, zoals de afspraak was, maar toen Samuël niet kwam opdagen, begonnen zijn soldaten hem in de steek te laten. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Toen beval Saul: 'Breng mij de offerdieren.' Hij droeg zelf het brandoffer op, </VERS>
      <VERS vnumber="10">en hij was nauwelijks klaar, of daar kwam Samuël aan. Saul ging hem tegemoet om hem te begroeten, </VERS>
      <VERS vnumber="11">maar Samuël zei: 'Wat hebt u gedaan?' Saul antwoordde: 'Wat moest ik doen? Ik merkte dat mijn soldaten me in de steek begonnen te laten en u kwam niet op de afgesproken tijd. De Filistijnen liggen al bij Michmas </VERS>
      <VERS vnumber="12">en ik dacht bij mezelf: Nu zullen de Filistijnen me hier in Gilgal aanvallen zonder dat ik de HEER mild heb gestemd. Toen heb ik het erop gewaagd en zelf het brandoffer opgedragen.' </VERS>
      <VERS vnumber="13">'Hoe hebt u zo dom kunnen doen?' vroeg Samuël. 'Waarom hebt u zich niet gehouden aan het gebod dat de HEER, uw God, u heeft opgelegd? Dan had de HEER uw koningschap over Israël nu voor altijd bestendigd. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Maar nu zal uw koningschap niet standhouden. De HEER zal een man naar zijn hart zoeken en hém aanstellen tot vorst over zijn volk, want u hebt u niet gehouden aan wat de HEER u bevolen heeft.' </VERS>
      <VERS vnumber="15">Daarop verliet Samuël Gilgal en ging naar Gibea in Benjamin. Saul monsterde de mannen die bij hem waren gebleven. Het waren er zeshonderd. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Saul en zijn zoon Jonatan waren met hun troepen gelegerd bij Gibea in Benjamin; de Filistijnen hadden hun kamp opgeslagen bij Michmas. </VERS>
      <VERS vnumber="17">De stoottroepen van de Filistijnen rukten uit in drie richtingen: één naar Ofra in Sual, </VERS>
      <VERS vnumber="18">één naar Bet-Choron en één naar de grensstrook waar je over de Hyenavallei heen uitkijkt op de woestijn. </VERS>
      <VERS vnumber="19">In die tijd was in heel Israël geen smid te vinden. De Filistijnen wilden namelijk voorkomen dat de Hebreeën zwaarden of speren zouden maken. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Alle Israëlieten moesten hun ploegscharen, hakken, bijlen en sikkels bij de Filistijnen laten slijpen. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Dit kostte twee derde sjekel voor ploegscharen en hakken, en een derde sjekel voor bijlen en ossenprikken. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Bij het uitbreken van de oorlog beschikte dus geen van de soldaten van Saul en Jonatan over een zwaard of een speer, alleen Saul zelf en zijn zoon Jonatan. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Een eenheid van de Filistijnen had de wacht betrokken op de bergpas bij Michmas. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="14">
      <VERS vnumber="1">Op zekere dag zei Jonatan, de zoon van Saul, tegen zijn wapendrager: 'Laten we oversteken naar de Filistijnse wachtpost daar aan de overkant.' Maar hij vertelde niet aan zijn vader wat hij van plan was. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Saul had zijn tent opgeslagen onder de granaatappelboom bij Migron, even buiten Gibea. Hij had zeshonderd soldaten bij zich. </VERS>
      <VERS vnumber="3">De functie van priester werd bekleed door Achia, de zoon van Achitub. Achitub was een broer van Ichabod, die de zoon was van Pinechas, de zoon van Eli, de priester van de HEER in Silo. Niemand wist dat Jonatan weg was. </VERS>
      <VERS vnumber="4">(4-5) Aan weerszijden van het ravijn dat Jonatan wilde oversteken om bij de Filistijnse wachtpost te komen, staken twee rotstanden uit: de Boses in het noorden, tegenover Michmas, en de Senne in het zuiden, tegenover Gibea. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Jonatan zei tegen zijn wapendrager: 'Laten we oversteken naar de wachtpost van die onbesnedenen. Misschien is de HEER op onze hand. Hij kan immers evengoed met weinigen voor een overwinning zorgen als met velen.' </VERS>
      <VERS vnumber="7">'Dat lijkt me een goed plan, 'antwoordde de wapendrager. 'Ik ben uw man.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">'Luister, 'zei Jonatan, 'we steken over en zorgen dat de soldaten ons zien. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Misschien zeggen ze tegen ons: "Halt! Verroer je niet tot we bij jullie zijn!" Dan blijven we staan en gaan we niet naar ze toe. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Of ze zeggen: "Kom maar op!" En dan klimmen we naar boven, want dat is voor ons het teken dat de HEER ze aan ons uitlevert.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">Ze zorgden er dus voor dat de bezetting van de Filistijnse wachtpost hen tweeën in het oog kreeg. De Filistijnen zeiden tegen elkaar: 'Kijk, de Hebreeën komen uit hun holen te voorschijn.' </VERS>
      <VERS vnumber="12">En de soldaten van de wachtpost riepen naar Jonatan en zijn wapendrager: 'Kom maar op, dan zullen we jullie wel eens leren!' 'Volg mij, 'zei Jonatan tegen zijn wapendrager, 'de HEER heeft ze aan Israël uitgeleverd!' </VERS>
      <VERS vnumber="13">Jonatan klom op handen en voeten naar boven, met zijn wapendrager achter zich aan. Waar hij kwam, vielen de Filistijnen neer, en zijn wapendrager gaf hun de genadestoot. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Bij dit eerste treffen doodden Jonatan en zijn wapendrager twintig mannen. Dit alles speelde zich af op een terrein half zo groot als een span ossen in één dag kan ploegen. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Er ging een siddering door het kamp in het veld en door de bezetting van de wachtpost, en ook de stoottroepen rilden van schrik. De aarde beefde, en alle Filistijnen sidderden van angst voor God. </VERS>
      <VERS vnumber="16">De mannen van Saul die bij Gibea in Benjamin op de uitkijk stonden, zagen wat er gebeurde: er ontstond een golf van paniek en de menigte rende heen en weer. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Daarop beval Saul: 'Laat iedereen aantreden en zoek uit wie er ontbreekt.' Het bleek dat Jonatan en zijn wapendrager er niet waren. </VERS>
      <VERS vnumber="18">'Breng de ark van God hier, 'zei Saul tegen Achia. De ark van God bevond zich namelijk in het kamp van de Israëlieten. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Maar terwijl Saul met Achia sprak, zwol het rumoer in het kamp van de Filistijnen nog aan en daarom trok hij zijn bevel weer in. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Saul en zijn mannen verzamelden zich en stortten zich in de strijd. De verwarring was zo groot dat de Filistijnen het zwaard tegen elkaar opnamen. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Zelfs de Hebreeën die zich al jaren eerder bij de Filistijnen hadden aangesloten en aan hun kant meevochten, bedachten zich en kozen nu de kant van de Israëlieten onder Saul en Jonatan. </VERS>
      <VERS vnumber="22">En toen de Israëlieten die zich in het bergland van Efraïm schuilhielden hoorden dat de Filistijnen op de vlucht sloegen, zetten ook zij de achtervolging in en bleven hen op de hielen zitten. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Zo schonk de HEER Israël die dag de overwinning. De strijd zette zich voort tot voorbij Bet-Awen. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Van de Israëlieten werd die dag het uiterste gevergd, want Saul had de soldaten onder ede bezworen: 'Vervloekt wie het waagt om vóór de avond iets te eten, voor ik me op mijn vijanden heb gewroken.' Dus nam niemand ook maar iets te eten. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Op een gegeven moment kwamen ze in een dichtbegroeid gebied waar veel bijennesten waren, die dropen van de honing. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Maar zelfs toen waagde niemand het zijn hand uit te steken om uit die nesten, die werkelijk boordevol honing zaten, iets te eten te halen, zo bang waren ze voor de vervloeking. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Jonatan had echter niet gehoord dat zijn vader de soldaten een eed had opgelegd. Hij doopte de punt van zijn stok in een honingraat en bracht de honing naar zijn mond. Meteen stonden zijn ogen weer helder. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Een van de soldaten sprak hem aan en zei: 'Uw vader heeft ons dringend bezworen om vandaag niet te eten, ook al hebben we nog zo'n honger.' </VERS>
      <VERS vnumber="29">'Mijn vader stort het land in het ongeluk, 'zei Jonatan. 'Kijk toch hoe helder mijn ogen weer staan nu ik wat van die honing heb geproefd. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Als de soldaten vandaag wel hadden gegeten van de buit die ze op de vijanden hebben veroverd, hadden ze een veel grotere overwinning op de Filistijnen kunnen behalen!' </VERS>
      <VERS vnumber="31">De Israëlieten dreven de Filistijnen die dag terug van Michmas tot Ajjalon. De soldaten, volkomen uitgeput, </VERS>
      <VERS vnumber="32">stortten zich op de buit. Ze grepen geiten, schapen, koeien en kalveren, slachtten die zomaar op de grond en aten ervan terwijl het bloed er nog in zat. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Men vertelde Saul dat de soldaten tegen de HEER zondigden door vlees te eten waar nog bloed in zat. 'Het is verkeerd wat jullie doen!' zei Saul. 'Rol onmiddellijk een grote steen hierheen. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Ga het kamp rond en zeg tegen iedereen dat ze hun stier of schaap of geit bij mij moeten brengen en hier op deze steen moeten slachten. Daarna kunnen ze eten zonder tegen de HEER te zondigen, want dan hoeven ze geen vlees te eten waar nog bloed in zit.' Alle soldaten brachten toen het dier dat ze bemachtigd hadden naar de steen en slachtten het daarop. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Zo bouwde Saul zijn eerste altaar voor de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Later die avond zei Saul: 'Laten we vannacht de Filistijnen achternagaan en ze bestoken tot de morgen aanbreekt. Niet één zullen we er in leven laten.' 'Wat u maar wilt, 'zeiden de soldaten, maar de priester zei: 'Laten we ons eerst tot God wenden.' </VERS>
      <VERS vnumber="37">Saul raadpleegde God en vroeg: 'Zal ik de Filistijnen achternagaan? Zult u ze aan Israël uitleveren?' Maar deze keer gaf God geen antwoord. </VERS>
      <VERS vnumber="38">Toen zei Saul: 'Laat alle aanvoerders aantreden en laten we uitzoeken wat voor zonde vandaag is begaan. </VERS>
      <VERS vnumber="39">Zo waar de HEER leeft, de redder van Israël, al is mijn eigen zoon Jonatan de schuldige, sterven zal hij!' Maar niemand gaf antwoord. </VERS>
      <VERS vnumber="40">Toen zei hij tegen de Israëlieten: 'Jullie gaan aan de ene kant staan, en ik en mijn zoon Jonatan aan de andere kant.' 'Zoals u wilt, 'zeiden de soldaten. </VERS>
      <VERS vnumber="41">En Saul vroeg de HEER: 'God van Israël, breng de waarheid aan het licht!' Jonatan en Saul werden aangewezen; de soldaten gingen vrijuit. </VERS>
      <VERS vnumber="42">Toen zei Saul: 'Werp het lot tussen mij en mijn zoon Jonatan.' En Jonatan werd aangewezen. </VERS>
      <VERS vnumber="43">'Zeg op, wat heb je gedaan?' vroeg Saul. Jonatan vertelde dat hij inderdaad met de punt van zijn stok wat honing had geproefd en zei: 'Ik ben bereid te sterven.' </VERS>
      <VERS vnumber="44">'En sterven zul je, Jonatan!' riep Saul uit. 'God is mijn getuige!' </VERS>
      <VERS vnumber="45">Maar de soldaten protesteerden: 'Moet Jonatan sterven, die voor Israël deze grote overwinning heeft behaald? Geen denken aan! Zo waar de HEER leeft, hem mag geen haar worden gekrenkt. Wat hij vandaag gedaan heeft, heeft hij bereikt met Gods hulp!' Zo pleitten de soldaten Jonatan vrij, en hij werd niet ter dood gebracht. </VERS>
      <VERS vnumber="46">Saul staakte de achtervolging van de Filistijnen en de Filistijnen trokken zich terug op hun eigen grondgebied. </VERS>
      <VERS vnumber="47">Saul nam het koningschap over Israël op zich en voerde oorlog tegen alle hem omringende vijanden: tegen Moab, tegen de Ammonieten, tegen Edom, tegen de koningen van Soba en tegen de Filistijnen. Overal waar hij kwam, behaalde hij de overwinning. </VERS>
      <VERS vnumber="48">Hij werd steeds machtiger, versloeg de Amalekieten en bevrijdde zo Israël uit de greep van zijn plunderaars. </VERS>
      <VERS vnumber="49">De zonen van Saul waren Jonatan, Jiswi en Malkisua. Hij had ook twee dochters; de oudste heette Merab en de jongste Michal. </VERS>
      <VERS vnumber="50">Sauls vrouw was Achinoam, de dochter van Achimaäs. Zijn opperbevelhebber was zijn neef Abner, de zoon van Ner. </VERS>
      <VERS vnumber="51">Sauls vader Kis en Abners vader Ner waren allebei zonen van Abiël. </VERS>
      <VERS vnumber="52">Tijdens de hele regering van Saul werd er fel tegen de Filistijnen gestreden. Daarom keek hij steeds uit naar heldhaftige en moedige mannen en nam die in dienst. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="15">
      <VERS vnumber="1">Op een keer zei Samuël tegen Saul: 'De HEER heeft mij destijds gezonden om u te zalven tot koning over zijn volk, over Israël. Luister dus nu naar wat de HEER te zeggen heeft. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Ik ben niet vergeten wat Amalek Israël heeft aangedaan: het heeft Israël de weg versperd bij zijn uittocht uit Egypte. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Trek daarom op tegen de Amalekieten en versla ze. Wijd al hun bezittingen onvoorwaardelijk aan de HEER. Spaar ze niet, maar dood alles en iedereen: mannen en vrouwen, kinderen en zuigelingen, runderen en schapen, kamelen en ezels.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Saul liet het leger oproepen en hield wapenschouw in Telaïm. Er waren tweehonderdduizend man voetvolk en nog eens tienduizend man uit Juda. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Toen hij bij de stad van de Amalekieten kwam, legde hij een hinderlaag in de rivierbedding. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Intussen waarschuwde hij de Kenieten: 'Maak dat u wegkomt! Blijf niet bij de Amalekieten, want dan moet ik u samen met hen uitroeien, terwijl u de Israëlieten tijdens hun uittocht uit Egypte juist goed behandeld hebt.' De Kenieten gingen dus weg bij de Amalekieten. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Saul sloeg de Amalekieten terug van Chawila tot aan Sur, op de grens met Egypte. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Hun koning Agag nam hij levend gevangen, maar de rest van het volk doodde hij. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Agag werd door Saul en zijn manschappen gespaard, samen met de beste schapen, geiten en runderen en de sterkste jonge stieren en rammen, kortom, alles wat van waarde was. Die wilden ze niet vernietigen, maar alles wat geen of weinig waarde had, maakten ze af. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Toen richtte de HEER zich tot Samuël en zei: </VERS>
      <VERS vnumber="11">'Ik betreur het dat ik Saul koning heb gemaakt, want hij heeft mij de rug toegekeerd en doet niet wat ik hem heb opgedragen.' Samuël werd boos en schreeuwde het de hele nacht uit tegen de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="12">De volgende morgen vroeg wilde hij Saul tegemoet gaan. Men vertelde hem dat Saul in Karmel was geweest en daar voor zichzelf een gedenkteken had opgericht, en toen was doorgereisd naar Gilgal. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Toen Samuël bij Saul aankwam, begroette deze hem met de woorden: 'Wees gezegend door de HEER. Ik heb gedaan wat de HEER mij heeft opgedragen.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">Maar Samuël vroeg: 'Hoe komt het dan dat ik schapen hoor blaten en runderen hoor loeien?' </VERS>
      <VERS vnumber="15">'Die hebben ze meegenomen van de Amalekieten, 'antwoordde Saul. 'De soldaten wilden de beste schapen, geiten en runderen sparen om ze te offeren aan de HEER, uw God. De rest hebben we afgemaakt.' </VERS>
      <VERS vnumber="16">'Geen woord meer!' zei Samuël tegen Saul. 'Laat me u vertellen wat de HEER mij vannacht gezegd heeft.' 'Zoals u wilt, 'zei Saul, </VERS>
      <VERS vnumber="17">en Samuël zei: 'U mag dan in uw eigen ogen onbelangrijk zijn, toch staat u aan het hoofd van de stammen van Israël, nietwaar? De HEER heeft u gezalfd tot koning van Israël, </VERS>
      <VERS vnumber="18">en de HEER heeft u erop uitgestuurd met de opdracht om de Amalekieten, die zondaars, te vernietigen en ze te bestrijden tot ze volledig waren uitgeroeid. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Waarom hebt u niet geluisterd naar wat de HEER u heeft gezegd? Waarom hebt u zich op de buit gestort en iets gedaan dat slecht is in de ogen van de HEER?' </VERS>
      <VERS vnumber="20">'Maar ik heb toch geluisterd naar wat de HEER gezegd heeft!' wierp Saul tegen. 'Ik ben er toch op uitgetrokken zoals de HEER me heeft opgedragen! Koning Agag heb ik gevangengenomen en de rest van de Amalekieten heb ik gedood. </VERS>
      <VERS vnumber="21">En de soldaten hebben de beste van de buitgemaakte schapen, geiten en runderen voor vernietiging gespaard om ze in Gilgal te offeren aan de HEER, uw God.' </VERS>
      <VERS vnumber="22">Daarop zei Samuël: 'Schept de HEER meer behagen in offers dan in gehoorzaamheid? Nee! Gehoorzaamheid is beter dan offers, volgzaamheid is beter dan het vet van rammen. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Weerspannigheid is even erg als toverij, en eigenzinnigheid is even slecht als afgodendienst. U hebt de opdracht van de HEER verworpen; daarom verwerpt hij u als koning!' </VERS>
      <VERS vnumber="24">Toen zei Saul tegen Samuël: 'Ik heb gezondigd! Ik ben voorbijgegaan aan wat de HEER gezegd heeft, aan wat u gezegd hebt. Ik was bang voor de soldaten en daarom deed ik wat zij wilden. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Alstublieft, vergeef me en laat me niet alleen; ik wil neerknielen voor de HEER.' </VERS>
      <VERS vnumber="26">'Nee, 'antwoordde Samuël. 'U hebt de opdracht van de HEER verworpen, daarom verwerpt de HEER u als koning van Israël.' </VERS>
      <VERS vnumber="27">Toen Samuël zich omdraaide om weg te gaan, greep Saul de slip van zijn mantel beet, maar die scheurde af. </VERS>
      <VERS vnumber="28">En Samuël zei: 'Hierbij scheurt de HEER het koningschap over Israël van u los en geeft hij het aan iemand anders, iemand die waardiger is dan u. </VERS>
      <VERS vnumber="29">En u weet dat de Glorie van Israël nooit zijn woord breekt en nimmer van zijn besluiten terugkomt. Hij is immers geen mens, dat hij van zijn besluiten terug zou komen.' </VERS>
      <VERS vnumber="30">Weer zei Saul: 'Ik heb gezondigd! Maar val me alstublieft niet af waar de oudsten van mijn volk en heel Israël bij zijn en laat me niet alleen; ik wil neerknielen voor de HEER, uw God.' </VERS>
      <VERS vnumber="31">Toen ging Samuël met Saul mee en Saul knielde neer voor de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Daarna zei Samuël: 'Laat koning Agag van Amalek hier komen.' Agag kwam naar hem toe, nog steeds geboeid. 'De bittere dreiging van de dood is zeker wel geweken?' vroeg hij. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Maar Samuël antwoordde: 'Zoals uw zwaard vrouwen van hun kinderen heeft beroofd, zo wordt nu uw moeder van haar kind beroofd.' En hij hakte Agags hoofd af ten overstaan van de HEER in Gilgal. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Samuël ging terug naar Rama en Saul keerde terug naar zijn woonplaats Gibea. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Samuël heeft Saul nooit meer terug willen zien, maar hij treurde wel om hem. En de HEER betreurde het dat hij Saul als koning van Israël had aangesteld. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="16">
      <VERS vnumber="1">De HEER vroeg aan Samuël: 'Hoe lang blijf je nog treuren om Saul, die ik als koning van Israël verworpen heb? Kom, vul je hoorn met olie en ga voor mij naar Isaï in Betlehem, want een van zijn zonen heb ik als koning uitgekozen.' </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Hoe kan ik dat nu doen?' wierp Samuël tegen. 'Saul zal me vermoorden als hij het hoort.' De HEER antwoordde: 'Neem een jonge koe mee en zeg dat je bent gekomen om de HEER een offer te brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Nodig Isaï uit voor het offermaal, dan zal ik je laten weten wat je doen moet. Wie ik je aanwijs, die moet je voor mij zalven.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Samuël deed wat de HEER had gezegd. Toen hij in Betlehem aankwam, kwamen de oudsten van de stad hem ongerust tegemoet en vroegen: 'Uw komst is toch geen slecht teken?' </VERS>
      <VERS vnumber="5">'Wees gerust, 'antwoordde Samuël. 'Ik ben gekomen om de HEER een offer te brengen. Reinig u en neem met mij deel aan het offermaal.' Ook Isaï en zijn zonen nodigde hij uit, en aan hen voltrok hij persoonlijk de reiniging. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Bij hun aankomst viel zijn oog meteen op Eliab, en hij zei bij zichzelf: Hij die daar klaarstaat is vast en zeker degene die de HEER wil zalven. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Maar de HEER zei tegen Samuël: 'Ga niet af op zijn voorkomen en zijn rijzige gestalte. Ik heb hem afgewezen. Het gaat niet om wat de mens ziet: de mens kijkt naar het uiterlijk, maar de HEER kijkt naar het hart.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">Toen riep Isaï Abinadab en stelde hem aan Samuël voor, maar die zei: 'Ook hem heeft de HEER niet gekozen.' </VERS>
      <VERS vnumber="9">Isaï stelde Samma voor, maar weer zei Samuël: 'Ook hem heeft de HEER niet gekozen.' </VERS>
      <VERS vnumber="10">Zo stelde Isaï zijn zeven zonen aan Samuël voor, maar telkens zei Samuël dat dit niet degene was die de HEER gekozen had. </VERS>
      <VERS vnumber="11">'Zijn dit alle zonen die u heeft?' vroeg hij. 'Nee, 'antwoordde Isaï, 'de jongste is er niet bij, die hoedt de schapen en de geiten.' Toen zei Samuël tegen Isaï: 'Laat hem hier komen. We beginnen niet aan de maaltijd voordat hij er is.' </VERS>
      <VERS vnumber="12">Isaï liet hem halen. Het was een knappe jongen met rossig haar en sprekende ogen. En de HEER zei: 'Hem moet je zalven. Hij is het.' </VERS>
      <VERS vnumber="13">Samuël nam de hoorn met olie en zalfde hem te midden van zijn broers. Van toen af aan was David doordrongen van de geest van de HEER. Daarna vertrok Samuël weer naar Rama. </VERS>
      <VERS vnumber="14">De geest van de HEER had Saul verlaten; in plaats daarvan stuurde de HEER hem een kwade geest, die hem kwelde. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Zijn hovelingen zeiden tegen hem: 'Het is duidelijk dat u door een kwade geest wordt gekweld. </VERS>
      <VERS vnumber="16">U heeft maar te bevelen, heer, en uw dienaren staan klaar om iemand voor u te zoeken die lier kan spelen. Hij kan dan muziek voor u maken wanneer u door de kwade geest van God wordt bezocht; dat zal u goeddoen.' </VERS>
      <VERS vnumber="17">'Doe dat, 'zei Saul. 'Zoek iemand voor me uit die goed kan spelen en laat hem bij me komen.' </VERS>
      <VERS vnumber="18">'Ik weet iemand die goed kan spelen, 'zei een van de hovelingen. 'Hij is een zoon van Isaï uit Betlehem. Hij behoort tot een voorname familie en is een goed krijgsman, en hij is welbespraakt en goedgebouwd. Bovendien staat de HEER hem bij.' </VERS>
      <VERS vnumber="19">Saul stuurde boden naar Isaï met het verzoek: 'Stuur me uw zoon David, die uw schapen en geiten hoedt.' </VERS>
      <VERS vnumber="20">Isaï gaf zijn zoon David voor Saul een ezel beladen met brood mee, en ook een zak wijn en een geitenbokje. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Zo kwam David bij Saul in dienst. Saul raakte zeer op hem gesteld en benoemde hem tot zijn wapendrager. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Aan Isaï liet hij vragen: 'Ik ben zeer tevreden over uw zoon. Mag hij voorgoed bij mij in dienst komen?' </VERS>
      <VERS vnumber="23">En steeds wanneer de geest van God Saul overmande, nam David zijn lier en tokkelde op de snaren. Dat luchtte Saul op en het deed hem goed: de kwade geest liet hem dan voor even met rust. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="17">
      <VERS vnumber="1">De Filistijnen bereidden opnieuw een oorlog voor. Ze verzamelden zich in Socho in Juda en sloegen hun kamp op in Efes-Dammim, tussen Socho en Azeka. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Saul riep het leger van Israël op en sloeg zijn kamp op in de Terebintenvallei. Daar stelden ze zich op tegenover de Filistijnen: </VERS>
      <VERS vnumber="3">op de ene helling stonden de Filistijnen en op de andere de Israëlieten; het dal lag tussen hen in. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Uit de gelederen van de Filistijnen trad een kampvechter naar voren, een zekere Goliat uit Gat, een man van ruim zes el lang. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Hij had een bronzen helm op zijn hoofd en droeg een bronzen schubbenpantser dat wel vijfduizend sjekel woog. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Ook zijn scheenplaten waren van brons, evenals het kromzwaard dat over zijn schouder hing. </VERS>
      <VERS vnumber="7">De schacht van zijn lans was zo dik als de boom van een weefgetouw en de punt was gemaakt van zeshonderd sjekel ijzer. Een schildknecht ging voor hem uit. </VERS>
      <VERS vnumber="8">In het dal bleef de Filistijn staan en riep de Israëlieten toe: 'Waarom zouden jullie optrekken en slag leveren? Ik ben een vrije Filistijn, en jullie zijn maar slaven van Saul! Kies iemand uit jullie midden en laat hem hier beneden komen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Als hij me aankan en me verslaat, zullen wij aan jullie onderworpen zijn, maar als ik hem aankan en hem versla, zullen jullie aan ons onderworpen zijn en ons als slaven dienen. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Hierbij daag ik het leger van Israël uit om me iemand te sturen met wie ik een tweegevecht kan houden.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">Bij het horen van deze woorden stonden Saul en het leger van Israël verlamd van schrik. </VERS>
      <VERS vnumber="12">David was een zoon van Isaï uit Betlehem, dat in de streek Efrata in Juda ligt. Deze Isaï had acht zonen. Hijzelf was in de tijd van Saul al te oud om nog onder de wapenen te gaan, </VERS>
      <VERS vnumber="13">maar zijn drie oudste zonen trokken met Saul ten strijde. De oudste heette Eliab, de tweede Abinadab en de derde Samma. </VERS>
      <VERS vnumber="14">David was de jongste. Zijn drie oudste broers waren met Saul ten strijde getrokken, </VERS>
      <VERS vnumber="15">en hij ging heen en weer tussen het kamp van Saul en Betlehem, waar hij de kudde van zijn vader hoedde. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Ondertussen trad de Filistijn elke ochtend en elke avond naar voren, veertig dagen lang, en bleef dan staan wachten. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Op een dag zei Isaï tegen zijn zoon David: 'Hier heb je een zak geroosterd graan en tien broden. Breng die snel naar je broers in het legerkamp. </VERS>
      <VERS vnumber="18">En deze tien kazen moet je aan hun bevelhebber geven. Vraag je broers hoe het met ze gaat en neem een levensteken van hen mee terug.' </VERS>
      <VERS vnumber="19">Saul was met de soldaten van Israël, onder wie Davids broers, nog steeds gelegerd in de Terebintenvallei, tegenover de Filistijnen. </VERS>
      <VERS vnumber="20">De volgende ochtend vroeg ging David met de proviand op weg, zoals Isaï hem had opgedragen. Zijn kudde liet hij achter onder de hoede van iemand anders. Hij kwam juist bij het wagenkamp aan toen het leger onder het aanheffen van strijdkreten de linies betrok. </VERS>
      <VERS vnumber="21">De Israëlieten en de Filistijnen stelden zich in slagorde tegenover elkaar op. </VERS>
      <VERS vnumber="22">David gaf zijn spullen af aan de foerier en haastte zich naar de gevechtslinie. Daar vond hij zijn broers en hij vroeg hun hoe het met ze ging. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Terwijl hij met ze aan het praten was, trad uit de Filistijnse gelederen de kampvechter naar voren, Goliat uit Gat, en David hoorde hem de Israëlieten uitdagen zoals hij dat elke dag deed. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Bij het zien van Goliat renden de Israëlieten angstig weg. </VERS>
      <VERS vnumber="25">'Zien jullie die man daar?' zeiden ze tegen elkaar. 'Israël vernederen, daar is het hem om te doen! Wie hem verslaat, zal door de koning met rijkdommen worden overladen. Bovendien krijgt hij de koningsdochter tot vrouw en wordt zijn familie vrijgesteld van schatting en herendienst.' </VERS>
      <VERS vnumber="26">David vroeg aan de soldaten die in zijn buurt stonden: 'Wat gebeurt er met degene die die Filistijn daar verslaat en Israël van deze schande bevrijdt? Wat denkt die onbesneden Filistijn wel, dat hij de gelederen van de levende God durft te beschimpen!' </VERS>
      <VERS vnumber="27">De soldaten herhaalden tegen hem wat ze zojuist gezegd hadden. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Toen Davids oudste broer Eliab hem met de soldaten hoorde praten, viel hij woedend uit: 'Wat doe je hier eigenlijk? Hoor jij niet in de woestijn op je schapen te passen? Echt iets voor jou, om met je brutale neus vooraan te willen staan als er gevochten gaat worden.' </VERS>
      <VERS vnumber="29">'Wat doe ik nu weer verkeerd?' antwoordde David. 'Ik vraag het toch alleen maar!' </VERS>
      <VERS vnumber="30">Hij draaide zijn broer de rug toe en legde zijn vraag nog aan anderen voor, en kreeg weer hetzelfde antwoord. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Davids vragen bleef niet onopgemerkt. Men vertelde het aan Saul, en die liet hem bij zich komen. </VERS>
      <VERS vnumber="32">David zei tegen Saul: 'We hoeven om die Filistijn toch niet de moed te verliezen, heer. Ik zal met hem het gevecht aangaan.' </VERS>
      <VERS vnumber="33">'Maar je kunt hem toch onmogelijk aan, 'wierp Saul tegen. 'Jij bent nog maar een jongen en hij is al van jongs af aan gewend om te vechten.' </VERS>
      <VERS vnumber="34">'Ik heb altijd de kudde van mijn vader gehoed, 'antwoordde David. 'Wanneer er een leeuw of een beer kwam om een schaap of een geit uit de kudde te stelen, </VERS>
      <VERS vnumber="35">ging ik erachteraan, overmeesterde hem en redde het dier uit zijn muil. En als hij me wou aanvallen greep ik hem bij zijn kaken en sloeg ik hem dood. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Leeuwen en beren heb ik verslagen en die onbesneden Filistijn zal het net zo vergaan, omdat hij de gelederen van de levende God heeft beschimpt! </VERS>
      <VERS vnumber="37">De HEER, die me gered heeft uit de klauwen van leeuwen en beren, zal me ook redden uit de handen van deze Filistijn.' 'Ga dan, 'zei Saul tegen David, 'en moge de HEER je bijstaan.' </VERS>
      <VERS vnumber="38">Hij gaf hem zijn eigen uitrusting en hielp hem die aan te doen: een bronzen helm voor op zijn hoofd en een borstkuras. </VERS>
      <VERS vnumber="39">Ten slotte gordde David het zwaard om en probeerde een paar passen te lopen, omdat hij aan zo'n zware uitrusting niet gewend was. 'Ik kan hier niet mee lopen, 'zei hij tegen Saul, 'ik ben dat niet gewend.' En hij deed de uitrusting weer af. </VERS>
      <VERS vnumber="40">Hij pakte zijn stok, zocht vijf ronde stenen uit de rivierbedding en stopte die in zijn herderstas. Toen liep hij op de Filistijn af, zijn slinger in de hand. </VERS>
      <VERS vnumber="41">Met zware stappen kwam de Filistijn op David af, voorafgegaan door zijn schildknecht. </VERS>
      <VERS vnumber="42">Hij nam David, een knappe jongen met rossig haar, geringschattend op </VERS>
      <VERS vnumber="43">en zei: 'Ben ik soms een hond, dat je met een stok op me af komt?' En hij vervloekte David in de naam van zijn goden. </VERS>
      <VERS vnumber="44">'Kom maar op, 'zei hij, 'dan maak ik jou tot aas voor de gieren en de hyena's.' </VERS>
      <VERS vnumber="45">'Jij daagt me uit met je zwaard en je lans en je kromzwaard, 'antwoordde David, 'maar ik daag jou uit in de naam van de HEER van de hemelse machten, de God van de gelederen van Israël, die jij hebt beschimpt. </VERS>
      <VERS vnumber="46">Maar vandaag zal de HEER je aan mij uitleveren: ik zal je verslaan en je hoofd afhouwen, en ik zal de lijken van de Filistijnen aan de aasgieren en de hyena's ten prooi geven, zodat de hele wereld weet dat Israël een God heeft. </VERS>
      <VERS vnumber="47">Dan zal iedereen hier beseffen dat de HEER geen zwaard of lans nodig heeft om te overwinnen, want hij is degene die de uitslag van de strijd bepaalt en hij zal jullie aan ons uitleveren.' </VERS>
      <VERS vnumber="48">Toen kwam de Filistijn op David af en wilde tot de aanval overgaan, maar David was hem te snel af. Hij rende hem tegemoet, </VERS>
      <VERS vnumber="49">stak zijn hand in zijn tas en haalde er een steen uit, slingerde die weg en trof de Filistijn zo hard tegen het voorhoofd dat de steen naar binnen drong en de Filistijn voorover stortte. </VERS>
      <VERS vnumber="50">Zo overwon David de Filistijn met een slinger en een steen; hij trof hem dodelijk zonder dat hij daar een zwaard bij nodig had. </VERS>
      <VERS vnumber="51">Hij rende naar de Filistijn toe, boog zich over hem heen en trok diens zwaard uit de schede. Daarmee gaf hij hem de genadestoot en sloeg hem zijn hoofd af. Toen de Filistijnen zagen dat hun held dood was, sloegen ze op de vlucht. </VERS>
      <VERS vnumber="52">Nu sprongen de Israëlieten en Judeeërs op, hieven de strijdkreet aan en achtervolgden hen tot aan Gat en de poorten van Ekron. De hele weg van Saäraïm tot aan Gat en Ekron lag bezaaid met gesneuvelde Filistijnen. </VERS>
      <VERS vnumber="53">En toen de Israëlieten van hun achtervolging terugkwamen, plunderden ze het Filistijnse legerkamp. </VERS>
      <VERS vnumber="54">David nam het hoofd van de Filistijn mee om het naar Jeruzalem te brengen; de wapens die hij hem had afgenomen legde hij in zijn tent. </VERS>
      <VERS vnumber="55">Terwijl Saul toekeek hoe David de Filistijn tegemoet trad, vroeg hij aan zijn opperbevelhebber Abner: 'Zeg eens, van wie is die jongen een zoon?' 'Zo waar u leeft, koning, 'antwoordde Abner, 'ik weet het niet.' </VERS>
      <VERS vnumber="56">'Zoek dan uit van wie die jongeman een zoon is, 'droeg de koning hem op. </VERS>
      <VERS vnumber="57">Toen David na zijn overwinning op de Filistijn terugkwam, wachtte Abner hem op en leidde hem naar Saul. Het hoofd van de Filistijn had hij nog in zijn hand. </VERS>
      <VERS vnumber="58">'Van wie ben jij een zoon, jongen?' vroeg Saul, en David antwoordde: 'Ik ben de zoon van uw dienaar Isaï uit Betlehem.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="18">
      <VERS vnumber="1">Jonatan, die bij dit gesprek aanwezig was, voelde zich meteen sterk tot David aangetrokken en vatte een innige vriendschap voor hem op. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Saul nam David vanaf die dag bij zich en liet hem niet meer teruggaan naar zijn ouderlijk huis. </VERS>
      <VERS vnumber="3">En Jonatan, die David zo lief had als zijn eigen leven, sloot vriendschap met hem: </VERS>
      <VERS vnumber="4">hij deed zijn mantel af en gaf die aan David. Ook gaf hij hem zijn uitrusting, tot en met zijn zwaard, zijn boog en zijn koppelriem. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Alle veldtochten die David in opdracht van Saul ondernam, bracht hij tot een goed einde. Daarom benoemde Saul hem tot legeraanvoerder, met instemming van de soldaten en ook van de hovelingen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Bij de intocht van het leger, toen David terugkeerde van zijn overwinning op de Filistijn, liepen in alle steden van Israël de vrouwen zingend en dansend uit om koning Saul feestelijk in te halen met muziek van tamboerijnen en rinkelbellen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Opgetogen zongen ze: 'Saul versloeg ze bij duizenden, David bij tienduizenden.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">Saul ergerde zich aan dit lied en werd woedend: 'David geven ze er tienduizenden en mij maar duizenden. Nog even en ze geven hem het koningschap!' </VERS>
      <VERS vnumber="9">Vanaf die dag begon Saul David te wantrouwen. </VERS>
      <VERS vnumber="10">De volgende dag werd Saul opnieuw overmand door een kwade geest van God. Hij liep als een razende door het huis, met zijn speer in de hand, terwijl David zoals gewoonlijk op de lier tokkelde. </VERS>
      <VERS vnumber="11">'Ik spies die jongen aan de wand!' riep Saul uit. Hij wierp zijn speer, maar David kon hem tot tweemaal toe ontwijken. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Toen begon Saul bang te worden voor David, omdat hij merkte dat de HEER hem verlaten had en David bijstond. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Hij wilde David niet meer in zijn buurt hebben en stelde hem aan als bevelhebber over een eenheid van duizend man. Aan het hoofd van zijn troepen ondernam David verschillende veldtochten, </VERS>
      <VERS vnumber="14">en hij bracht ze alle tot een goed einde omdat de HEER hem bijstond. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Toen Saul zag dat David slaagde in alles wat hij ondernam, werd hij nog banger voor hem. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Maar verder droeg iedereen in Israël en Juda David op handen, omdat hij hen steeds opnieuw aanvoerde in hun veldtochten. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Toen zei Saul tegen David: 'Hier is mijn oudste dochter Merab. Ik bied je haar als vrouw aan, op voorwaarde dat je in mijn dienst je heldhaftigheid blijft tonen en voor de HEER ten strijde trekt' -want hij dacht bij zichzelf: Ik hoef hem niet zelf om het leven te brengen, laten de Filistijnen dat maar doen. </VERS>
      <VERS vnumber="18">David antwoordde: 'Wie ben ik en wat heeft mijn familie, de verwanten van mijn vader, in Israël te betekenen, dat ik een schoonzoon van de koning mag worden?' </VERS>
      <VERS vnumber="19">Toen de dag was aangebroken dat Merab, de dochter van Saul, met David in het huwelijk zou treden, werd ze uitgehuwelijkt aan Adriël uit Mechola. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Ondertussen was Sauls dochter Michal op David verliefd geworden. Saul hoorde hiervan en het kwam hem goed uit. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Ik bied hem Michal als vrouw aan, dacht hij. Als hij zich door dat aanbod laat verlokken, kunnen de Filistijnen hem om het leven brengen. Tegen David zei hij: 'Je kunt alsnog mijn schoonzoon worden, door met mijn tweede dochter te trouwen.' </VERS>
      <VERS vnumber="22">En hij droeg zijn hovelingen op: 'Gaan jullie eens met David praten en zeg hem dan: "Zie je wel dat de koning op je gesteld is? En al zijn dienaren mogen je graag. Grijp dus je kans om de schoonzoon van de koning te worden."' </VERS>
      <VERS vnumber="23">Sauls hovelingen brachten deze woorden aan David over, maar hij antwoordde: 'Jullie denken zeker dat het zo eenvoudig is om schoonzoon van de koning te worden. Ik ben anders maar een arm en eenvoudig man.' </VERS>
      <VERS vnumber="24">Toen ze aan Saul vertelden wat David gezegd had, </VERS>
      <VERS vnumber="25">zei hij: 'Zeg tegen David dat de koning niet aan een bruidsprijs hecht en dat hij genoegen neemt met de voorhuiden van honderd Filistijnen, als wraak op zijn vijanden.' Het was zijn bedoeling dat David op die manier zou sneuvelen in de strijd tegen de Filistijnen. </VERS>
      <VERS vnumber="26">De hovelingen brachten Sauls woorden aan David over, en die stemde er toen mee in om schoonzoon van de koning te worden. Nog binnen de termijn voldeed hij aan de gestelde voorwaarde. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Hij rukte met zijn troepen uit en doodde tweehonderd Filistijnen. Hun voorhuiden nam hij mee om ze aan de koning af te dragen. Het waren er meer dan genoeg om de hand van de koningsdochter te verwerven, en Saul gaf hem zijn dochter Michal tot vrouw. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Uit dit alles maakte Saul op dat de HEER David bijstond. Bovendien had zijn dochter Michal David lief. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Zijn angst voor David nam nog toe, en van toen af was hij Davids aartsvijand. </VERS>
      <VERS vnumber="30">En telkens als de Filistijnse vorsten een aanval op Israël ondernamen, streed David met meer succes tegen hen dan enig andere bevelhebber van Saul. Zo oogstte hij steeds meer roem. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="19">
      <VERS vnumber="1">Saul maakte aan zijn hovelingen en zijn zoon Jonatan bekend dat hij Davids dood wenste. Maar Jonatan, die zeer op David gesteld was, </VERS>
      <VERS vnumber="2">waarschuwde hem: 'Mijn vader Saul is van plan je te doden. Wees op je hoede morgenochtend, houd je schuil en blijf waar je bent. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Ik ga dan met mijn vader de stad uit, houd bij jou in de buurt halt en breng het gesprek op jou. Daarna zal ik je laten weten hoe de zaken staan.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Jonatan hield tegen zijn vader Saul een pleidooi voor David. Hij sprak als volgt: 'Laat de koning zich niet vergrijpen aan zijn dienaar David. Hij heeft u immers niets misdaan. Integendeel, hij heeft u juist grote diensten bewezen. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Met gevaar voor eigen leven heeft hij de Filistijn verslagen, en de HEER heeft Israël een grote overwinning bezorgd. U hebt het met eigen ogen gezien en was er opgetogen over. Waarom zou u dus onschuldig bloed vergieten door David te doden zonder dat daar aanleiding toe is?' </VERS>
      <VERS vnumber="6">Saul liet zich door Jonatan overreden en zwoer: 'Zo waar de HEER leeft, hij zal niet worden gedood.' </VERS>
      <VERS vnumber="7">Toen riep Jonatan David en vertelde hem hoe het gesprek verlopen was. Hij bracht David bij Saul en David kwam weer aan het hof wonen, zoals eerst. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Ondertussen ging de oorlog voort. Weer trok David tegen de Filistijnen ten strijde, bracht hun een grote slag toe en joeg ze op de vlucht. </VERS>
      <VERS vnumber="9">En weer werd Saul gekweld door een kwade geest van de HEER. Hij zat thuis, zijn speer in de hand, terwijl David muziek voor hem maakte. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Weer probeerde hij David met zijn speer aan de muur te spiesen, maar weer kon David hem ontwijken en boorde de speer zich in de muur. David vluchtte weg en zocht nog diezelfde nacht een veilig heenkomen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Saul stuurde mannen naar Davids huis, die hem de volgende ochtend moesten opwachten en doden. Maar Davids vrouw Michal waarschuwde hem: 'Breng je vannacht nog in veiligheid, anders is het morgen met je gedaan.' </VERS>
      <VERS vnumber="12">Ze hielp hem uit het venster naar beneden, en hij maakte zich uit de voeten en wist te ontkomen. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Toen nam Michal het beeld van de huisgod en legde dat in het bed. Om de kop vlocht ze wat geitenhaar en ze dekte het beeld toe met een deken. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Saul stuurde mannen om David gevangen te nemen, maar Michal zei dat hij ziek was. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Toen stuurde Saul hen opnieuw naar Davids huis om zich er met eigen ogen van te overtuigen dat David er was en droeg hun op: 'Breng hem hier, desnoods met bed en al, zodat hij ter dood kan worden gebracht.' </VERS>
      <VERS vnumber="16">Toen de mannen binnenkwamen, zagen ze dat er een beeld in bed lag, met een pluk geitenhaar om zijn kop. </VERS>
      <VERS vnumber="17">'Waarom heb je mij zo bedrogen?' vroeg Saul aan Michal. 'Je hebt mijn aartsvijand helpen ontsnappen!' 'Ik moest wel, 'antwoordde Michal. 'Hij zei tegen me: "Help me ontsnappen, of moet ik je soms doden?"' </VERS>
      <VERS vnumber="18">David had zich uit de voeten gemaakt en een veilig heenkomen gezocht. Hij was naar Rama gegaan, naar Samuël, en had hem alles verteld wat Saul hem had aangedaan. Hij nam zijn intrek bij Samuël in het profetenhuis. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Toen Saul hoorde dat David in het profetenhuis in Rama verbleef, </VERS>
      <VERS vnumber="20">stuurde hij er mannen naartoe om hem gevangen te nemen. Daar aangekomen zagen ze de hele profetengemeenschap in vervoering, onder toezicht van Samuël. Ook Sauls mannen werden door de geest van God overmand en ook zij raakten in vervoering. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Toen Saul hiervan hoorde, stuurde hij andere mannen, maar ook die raakten in vervoering. Saul gaf niet op en stuurde een derde groep, maar ook die raakte in vervoering. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Ten slotte ging hij er zelf op af. Toen hij bij de grote put in Sechu aankwam, vroeg hij: 'Waar zijn Samuël en David?' 'Die zijn in het profetenhuis in Rama, 'luidde het antwoord. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Saul begaf zich naar Rama en onderweg werd ook hij overmand door de geest van God. De hele weg naar het profetenhuis was hij in vervoering, </VERS>
      <VERS vnumber="24">en daar aangekomen trok ook hij zijn kleren uit en viel naakt en tierend voor Samuël op de grond. Dat ging een hele dag en nacht zo door, en sindsdien zegt men: Hoort Saul nu ook al bij de profeten? </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="20">
      <VERS vnumber="1">David maakte dat hij uit het profetenhuis in Rama wegkwam. Hij ging naar Jonatan en vroeg hem: 'Wat heb ik toch verkeerd gedaan? Waaraan heb ik me schuldig gemaakt? Wat heb ik je vader misdaan, dat hij mij wil doden?' </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Er is geen sprake van dat jij moet sterven, 'antwoordde Jonatan. 'Mijn vader doet immers nooit iets zonder mij in vertrouwen te nemen, al is het nog zo onbelangrijk. Zou hij dan zoiets voor mij verborgen houden? Dat bestaat niet!' </VERS>
      <VERS vnumber="3">Maar David hield vol: 'Je vader weet heel goed dat jij op me gesteld bent. Daarom denkt hij: Jonatan mag dit niet te weten komen, het zou hem maar verdriet doen. Maar ik zweer je, zo waar de HEER leeft en zo waar jij leeft, Jonatan, ik ben maar één stap van de dood verwijderd.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">'Zeg maar wat ik voor je doen kan, 'zei Jonatan, </VERS>
      <VERS vnumber="5">en David antwoordde: 'Luister, morgen is het nieuwemaan. Eigenlijk zou ik dan met de koning aan de maaltijd moeten aanzitten. Maar als jij me verlof geeft, houd ik me buiten de stad schuil tot het donker is. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Als je vader mijn afwezigheid opmerkt, moet je zeggen: "David heeft mij dringend gevraagd om te mogen afreizen naar zijn vaderstad Betlehem, waar zijn hele familie bijeen is voor het jaarlijkse offerfeest." </VERS>
      <VERS vnumber="7">Als hij zegt dat het goed is, kan ik gerust zijn, maar als hij boos wordt, dan weet je dat hij vast van plan is om mij kwaad te doen. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Op jouw aandringen hebben jij en ik elkaar tegenover de HEER trouw gezworen, bewijs me dus alsjeblieft deze vriendendienst: als ik iets heb misdaan, dood jij me dan, maar lever me niet uit aan je vader.' </VERS>
      <VERS vnumber="9">'Dat nooit!' riep Jonatan uit. 'Mocht ik erachter komen dat mijn vader van plan is om je kwaad te doen, dan zal ik het je beslist laten weten.' </VERS>
      <VERS vnumber="10">'Hoe kom ik te weten wat je vader gezegd heeft, en of hij kwaad is geworden?' vroeg David. </VERS>
      <VERS vnumber="11">'Wacht, laten we eerst de stad uitgaan, 'stelde Jonatan voor. Toen ze samen buiten de stad waren gekomen </VERS>
      <VERS vnumber="12">zei Jonatan: 'Bij de HEER, de God van Israël, morgen of overmorgen om deze tijd zal ik uitzoeken hoe mijn vader over je denkt. Als het er goed voor je uitziet, zal ik een boodschap sturen om het je te laten weten. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Maar mocht mijn vader zich het in zijn hoofd hebben gezet om je kwaad te doen, dan mag de HEER met mij doen wat hij wil, als ik je dat niet zou laten weten en er niet voor zou zorgen dat je een veilig heenkomen kunt vinden. Moge de HEER je bijstaan zoals hij eerst mijn vader bijstond. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Ik weet wel dat je me zo lang als ik leef goed zult behandelen, zoals de HEER dat voorschrijft, maar beloof me dat je ook na mijn dood </VERS>
      <VERS vnumber="15">mijn nakomelingen steeds goedgezind blijft, zelfs wanneer de HEER al je vijanden een voor een van de aardbodem wegvaagt.' </VERS>
      <VERS vnumber="16">Jonatan sloot een verbond met het huis van David met de woorden: 'Moge de HEER je daaraan houden.' </VERS>
      <VERS vnumber="17">Vervolgens liet hij David dit bekrachtigen met een eed op hun vriendschap, want hij had David lief als zijn eigen leven. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Daarna zei hij: 'Als je plaats morgen tijdens het nieuwemaansfeest leeg blijft, zal men je zeker missen. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Overmorgen moet je een flink eind weggaan en je verbergen op dezelfde plek als de vorige keer, bij de Haëzelrots. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Ik zal drie pijlen op de rots afschieten, alsof ik op een doel mik, </VERS>
      <VERS vnumber="21">en die door mijn wapendrager laten ophalen. Als ik tegen hem roep: "Nee, dichterbij!" neem hem dan mee en kom naar me toe, want zo waar de HEER leeft, dan kun je gerust zijn en is er niets aan de hand. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Maar als ik roep: "Nee, verderop!" dan moet je vertrekken, want dan is het de HEER zelf die je wegstuurt. </VERS>
      <VERS vnumber="23">En bij alles wat we nu hebben afgesproken, jij en ik, is de HEER onze getuige.' </VERS>
      <VERS vnumber="24">David hield zich dus buiten de stad verborgen. Met nieuwemaan zette de koning zich aan het feestmaal. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Toen de koning ging zitten, op zijn vaste plaats tegen de wand, stond Jonatan op. Abner nam plaats naast Saul; Davids plaats bleef onbezet. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Saul zei er die dag niets van; hij dacht bij zichzelf dat het misschien toeval was, dat David niet rein was of iets dergelijks. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Maar toen Davids plaats de volgende dag, de tweede dag van het nieuwemaansfeest, nog steeds onbezet bleef, vroeg Saul aan zijn zoon Jonatan: 'Waarom is de zoon van Isaï niet aan de maaltijd verschenen, gisteren niet en vandaag ook niet?' </VERS>
      <VERS vnumber="28">'David heeft mij dringend verlof gevraagd om naar Betlehem te gaan, 'antwoordde Jonatan. </VERS>
      <VERS vnumber="29">'"Laat me alsjeblieft gaan, "vroeg hij. "Er wordt bij mij thuis in de familiekring een offerfeest gehouden, en mijn broer heeft mij gezegd dat ik moet komen. Wees zo goed mij ongehinderd naar huis te laten gaan, zodat ik mij bij mijn broers kan voegen." Daarom laat hij zich verontschuldigen bij het feestmaal van de koning.' </VERS>
      <VERS vnumber="30">Woedend barstte Saul tegen Jonatan uit: 'Hoerenjong! Alsof ik niet weet dat jij de kant van de zoon van Isaï hebt gekozen. Je maakt jezelf te schande, en de moeder bij wie ik je verwekt heb erbij! </VERS>
      <VERS vnumber="31">Zolang de zoon van Isaï hier op aarde rondloopt, ben jij je leven en je koningschap niet zeker. Laat hem onmiddellijk halen en breng hem bij me, want hij is ten dode opgeschreven.' </VERS>
      <VERS vnumber="32">'Maar waarom moet hij sterven?' vroeg Jonatan. 'Wat heeft hij dan gedaan?' </VERS>
      <VERS vnumber="33">Daarop slingerde Saul zijn speer naar Jonatan in een poging om hem te treffen. Toen begreep Jonatan dat zijn vader vastbesloten was om David uit de weg te ruimen. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Woedend liep hij van tafel weg, zonder dat hij die tweede dag van het nieuwemaansfeest iets gegeten had, want hij maakte zich zorgen om David en was gegriefd omdat zijn vader hem zo beledigd had. </VERS>
      <VERS vnumber="35">De volgende morgen ging Jonatan met een knechtje de stad uit om David op de afgesproken plaats te ontmoeten. </VERS>
      <VERS vnumber="36">'Zoek snel de pijlen op die ik afschiet, 'beval hij hem. Zodra de jongen wegrende, schoot Jonatan een pijl over hem heen. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Toen de jongen bij de plek kwam waar de pijl terecht was gekomen, riep Jonatan hem na: 'Ligt de pijl niet verder weg?' </VERS>
      <VERS vnumber="38">En: 'Schiet op, blijf daar niet zo staan!' Jonatans knecht raapte de pijlen bij elkaar en bracht ze terug naar zijn meester. </VERS>
      <VERS vnumber="39">Hij wist natuurlijk niet waar het om ging, maar Jonatan en David des te beter. </VERS>
      <VERS vnumber="40">Jonatan gaf zijn wapens aan zijn knecht en droeg hem op ze naar de stad terug te brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="41">Zodra de jongen weg was, kwam David van achter de rotsblokken te voorschijn, knielde neer en boog driemaal diep voorover. Ze kusten elkaar terwijl hun de tranen over de wangen liepen, tot Jonatan zich vermande </VERS>
      <VERS vnumber="42">en zei: 'Vaarwel. Onthoud wat wij tweeën elkaar bij de naam van de HEER gezworen hebben en dat wij en onze nakomelingen daar voor altijd aan gehouden zijn. De HEER is onze getuige.' (21:1) Daarop ging David weg en Jonatan keerde terug naar de stad. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="21">
      <VERS vnumber="1">(21:2) David begaf zich naar Nob, naar de priester Achimelech. Deze kwam hem ongerust tegemoet en vroeg: 'Waarom bent u alleen, waarom is er niemand bij u?' </VERS>
      <VERS vnumber="2">(21:3) 'Orders van de koning, 'antwoordde David. 'De koning heeft me belast met een opdracht waarvan niemand iets mag weten. Mijn mannen wachten op me op een afgesproken plek. </VERS>
      <VERS vnumber="3">(21:4) Maar nu terzake: wat hebt u in voorraad? Geef me vijf broden, of wat u anders in huis hebt.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">(21:5) 'Gewoon brood heb ik niet, 'antwoordde de priester. 'Ik kan u wel gewijd brood geven, maar alleen als uw mannen geen omgang met een vrouw hebben gehad.' </VERS>
      <VERS vnumber="5">(21:6) 'Wij hebben zoals gewoonlijk de verplichting op ons genomen om ons van de omgang met vrouwen te onthouden, 'antwoordde David. 'Altijd als ik er met mijn mannen op uittrek zijn wij en alles wat we bij ons hebben gewijd, zelfs als het een gewone onderneming betreft. Dus vandaag zijn we zeker gewijd.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">(21:7) Daarop gaf de priester hem gewijd brood, want hij had geen ander brood dan het toonbrood uit het heiligdom, dat om de zoveel dagen wordt ververst. </VERS>
      <VERS vnumber="7">(21:8) Er bevond zich daar op die dag ook een dienaar van Saul, een zekere Doëg uit Edom, de opzichter van Sauls herders. Hij was daar vanwege een of andere verplichting aan de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="8">(21:9) 'Hebt u hier misschien ook een lans of een zwaard?' vroeg David aan Achimelech. 'Ik heb niet eens mijn zwaard en mijn andere wapens kunnen meenemen, zoveel haast was er bij de opdracht van de koning.' </VERS>
      <VERS vnumber="9">(21:10) 'Ik heb hier het zwaard van de Filistijn Goliat, die u in de Terebintenvallei verslagen hebt, 'antwoordde de priester. 'Daar hangt het, achter het priestergewaad, gewikkeld in een doek. Als u wilt kunt u het meenemen. Een ander wapen is hier niet.' 'Zoals dit is er geen tweede, 'zei David. 'Geef het mij.' </VERS>
      <VERS vnumber="10">(21:11) Nog diezelfde dag zette David zijn vlucht voor Saul voort, tot hij bij Achis kwam, de stadsvorst van Gat. </VERS>
      <VERS vnumber="11">(21:12) De hovelingen van Achis zeiden tegen hun vorst: 'Is dat niet David, de koning van het land? Is dat niet degene over wie ze triomfantelijk hebben gezongen: "Saul versloeg ze bij duizenden, David bij tienduizenden"?' </VERS>
      <VERS vnumber="12">(21:13) Deze woorden ontgingen David niet, en hij werd bang dat Achis hem kwaad zou doen. </VERS>
      <VERS vnumber="13">(21:14) Daarom deed hij net alsof hij gek was: toen ze hem beetpakten, ging hij als een waanzinnige tekeer, kraste tekens op de deuren van de poort en kwijlde in zijn baard. </VERS>
      <VERS vnumber="14">(21:15) 'Zien jullie niet dat die man gek is?' zei Achis tegen zijn dienaren. 'Waarom brengen jullie hem bij mij? </VERS>
      <VERS vnumber="15">(21:16) Heb ik hier soms geen gekken genoeg, dat jullie hem bij me brengen om tegen me tekeer te gaan? Wat moet die kerel in mijn paleis?' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="22">
      <VERS vnumber="1">David ging weer weg uit Gat en vond een veilig heenkomen in een grot in de buurt van Adullam. Toen zijn broers en zijn overige familieleden dat hoorden, voegden ze zich daar bij hem. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Ook allerlei mensen die in moeilijkheden zaten, schulden hadden of verbitterd waren, sloten zich bij hem aan. David werd hun aanvoerder; het was een groep van ongeveer vierhonderd man. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Van daaruit bezocht hij de koning van Moab in Mispe en vroeg hem: 'Sta mijn vader en moeder alstublieft toe om naar uw grondgebied uit te wijken tot ik weet wat God met mij voorheeft.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Zo bracht hij zijn ouders onder bij de koning van Moab, en daar bleven ze zolang David zich in zijn schuilplaats in de bergen verschanst hield. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Maar de profeet Gad zei tegen David: 'Blijf niet in de bergen, maar ga naar het land van Juda.' Daarop trok David naar het Cheretbos. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Saul zat met zijn speer in zijn hand onder de tamarisk op de heuvel bij Gibea, met al zijn dienaren om zich heen. Toen hij hoorde dat David en zijn mannen waren gesignaleerd, </VERS>
      <VERS vnumber="7">zei hij tegen zijn dienaren: 'Mannen van Benjamin, luister. Heeft de zoon van Isaï u allemaal soms akkers en wijngaarden beloofd? Verwacht u dat hij u zal aanstellen als bevelhebber over duizend of honderd man? </VERS>
      <VERS vnumber="8">Waarom spant u anders tegen mij samen? Niemand heeft me ingelicht dat mijn zoon een verbond heeft gesloten met de zoon van Isaï. Niemand van u bekommert zich om mij. En niemand heeft me laten weten dat het nu al zo ver is dat mijn zoon mijn dienaar heeft opgestookt om me te belagen.' </VERS>
      <VERS vnumber="9">Onder de dienaren van Saul bevond zich ook de Edomiet Doëg. Hij nam het woord en zei: 'Ik heb de zoon van Isaï in Nob gezien, bij Achimelech, de zoon van Achitub. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Die heeft voor hem de HEER geraadpleegd en hem niet alleen leeftocht gegeven, maar ook het zwaard van de Filistijn Goliat.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">Daarop ontbood de koning de priester Achimelech, de zoon van Achitub, en al zijn familieleden, die ook priester waren in Nob. Toen ze aan de koning werden voorgeleid, </VERS>
      <VERS vnumber="12">zei Saul: 'Zoon van Achitub, luister.' 'Jawel, mijn heer, 'antwoordde Achimelech, </VERS>
      <VERS vnumber="13">en Saul vroeg: 'Waarom hebt u met de zoon van Isaï tegen mij samengespannen door hem brood en een zwaard te geven en God voor hem te raadplegen, zodat hij nu in het geheim een opstand tegen mij voorbereidt?' </VERS>
      <VERS vnumber="14">'Maar koning, 'antwoordde Achimelech, 'wie van al uw dienaren zou men beter kunnen vertrouwen dan David? Hij is uw eigen schoonzoon en de commandant van uw lijfwacht, en hij staat in hoog aanzien aan uw hof. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Het is toch niet de eerste keer dat ik voor hem God geraadpleegd heb? Integendeel! Ik smeek u, leg dit mij en mijn familie niet ten laste, want ik wist van dit alles niets maar dan ook niets af.' </VERS>
      <VERS vnumber="16">Maar de koning zei: 'Sterven zult u, Achimelech, u en heel uw familie.' </VERS>
      <VERS vnumber="17">En hij beval de soldaten van de lijfwacht die naast hem stonden: 'Sla toe, dood de priesters van de HEER, want ze hebben David geholpen, en hoewel ze wisten dat hij voortvluchtig was, hebben ze mij niet op de hoogte gesteld.' Maar de lijfwachten van de koning weigerden hun hand op te heffen tegen de priesters van de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Daarom zei de koning tegen Doëg: 'Doet u het dan. Sla toe en steek de priesters neer.' En de Edomiet Doëg sloeg toe en stak de priesters eigenhandig neer. Zo doodde hij die dag vijfentachtig mannen die het linnen priesterhemd droegen. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Ook alle inwoners van de priesterstad Nob werden gedood: alle mannen en vrouwen, alle kinderen en zuigelingen, en ook de levende have: stieren, ezels en schapen. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Eén zoon van Achimelech, de zoon van Achitub, wist echter te ontkomen en zocht zijn toevlucht bij David. Zijn naam was Abjatar. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Toen hij aan David vertelde dat Saul de priesters van de HEER had laten vermoorden, </VERS>
      <VERS vnumber="22">zei David tegen hem: 'Toen ik die dag in Nob merkte dat de Edomiet Doëg er ook was, was ik er al bang voor dat hij Saul zou inlichten. Ik ben dus de oorzaak van de dood van uw familieleden. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Blijf voortaan bij mij en wees niet bang. Wie u naar het leven staat, krijgt met mij te doen. Bij mij bent u veilig.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="23">
      <VERS vnumber="1">Het was David ter ore gekomen dat de Filistijnen een aanval deden op Keïla en het graan van de dorsvloeren wegroofden. </VERS>
      <VERS vnumber="2">David raadpleegde de HEER en vroeg: 'Zal ik de strijd met deze Filistijnen aanbinden?' De HEER antwoordde: 'Ja, bind de strijd aan met de Filistijnen; je zult Keïla bevrijden.' </VERS>
      <VERS vnumber="3">Maar Davids mannen zeiden: 'We zitten hier in Juda al zo in angst, wat moet het dan niet worden wanneer we naar Keïla gaan, de Filistijnse gelederen tegemoet?' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Daarom raadpleegde David nogmaals de HEER, en de HEER antwoordde: 'Komaan, ruk op naar Keïla; ik lever de Filistijnen aan je uit.' </VERS>
      <VERS vnumber="5">Toen ging David met zijn manschappen naar Keïla en leverde slag met de Filistijnen. Hij voerde hun veestapel weg en bracht hun grote verliezen toe. Zo bevrijdde David de inwoners van Keïla. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Daar in Keïla zocht ook Achimelechs zoon Abjatar zijn toevlucht bij David. Het priestergewaad was met hem meegekomen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Toen Saul hoorde dat David Keïla was binnengetrokken, dacht hij: Door een stad binnen te gaan met een dubbele deur en een grendel heeft hij zichzelf ingesloten. God heeft hem aan mij uitgeleverd! </VERS>
      <VERS vnumber="8">Hij riep het leger onder de wapenen met de bedoeling om David en zijn mannen in Keïla in te sluiten. </VERS>
      <VERS vnumber="9">David wist wel dat Saul kwaad in de zin had. Daarom vroeg hij de priester Abjatar om met het priestergewaad bij hem te komen. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Toen zei hij: 'HEER, God van Israël, men heeft uw dienaar verzekerd dat Saul voorbereidingen treft om naar Keïla te gaan en de stad vanwege mij te vernietigen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Zullen de burgers van Keïla mij aan hem uitleveren? Is Saul inderdaad onderweg, zoals men mij heeft verteld? HEER, God van Israël, ik smeek u, laat het mij weten!' 'Ja, hij is onderweg, 'antwoordde de HEER, </VERS>
      <VERS vnumber="12">en David vroeg: 'Zullen de burgers van Keïla mij en mijn mannen aan Saul uitleveren?' 'Ja, dat zullen ze doen, 'antwoordde de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Daarop vertrokken David en zijn mannen uit Keïla en begonnen rond te zwerven, nu hier en dan daar. Hun aantal was inmiddels aangegroeid tot zeshonderd. Toen Saul hoorde dat David uit Keïla was ontkomen, brak hij zijn veldtocht af. </VERS>
      <VERS vnumber="14">David en zijn mannen verschansten zich in rotsholen in de met kloven doorsneden woestenij ten oosten van Zif. Saul stuurde elke dag verkenners uit om David op te sporen, maar God leverde hem niet aan hem uit. </VERS>
      <VERS vnumber="15">David, die in Choresa zat, in de woestijn van Zif, merkte wel dat Saul het nog steeds op zijn leven gemunt had. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Sauls zoon Jonatan zocht David in Choresa op om hem te zeggen dat hij op God moest blijven vertrouwen. </VERS>
      <VERS vnumber="17">'Je hoeft niet bang te zijn, 'zei hij, 'mijn vader Saul zal je niet te pakken krijgen. Jij zult koning van Israël worden en ik zal je tweede man zijn. En dat weet mijn vader zelf ook.' </VERS>
      <VERS vnumber="18">Nadat ze samen ten overstaan van de HEER hun vriendschapsverbond hadden bevestigd, ging Jonatan terug naar huis; David bleef in Choresa. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Ondertussen waren enkele inwoners van Zif naar Gibea gegaan om Saul te vertellen: 'Weet u niet dat David zich bij ons in Choresa schuilhoudt, in de holen in de wand van de Chachila, ten zuiden van de Jesimon? </VERS>
      <VERS vnumber="20">U bent er toch zo op gebrand om op David af te gaan, koning? Doe het dan nu; wij zullen ervoor zorgen dat hij u in handen valt.' </VERS>
      <VERS vnumber="21">'Moge de HEER u zegenen, 'antwoordde Saul. 'U bent tenminste met mij begaan. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Maar ga eerst nog een keer precies na waar hij zit en wie hem daar gezien heeft, want men heeft me verteld dat hij bijzonder listig te werk gaat. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Zorg ervoor dat u al zijn schuilplaatsen te weten komt en kom dan met de precieze gegevens bij me terug. Dan zal ik met u meegaan, en als hij zich inderdaad bij u in Juda bevindt, zal ik hem tussen alle duizenden inwoners van het land weten te vinden.' </VERS>
      <VERS vnumber="24">Daarop vertrokken de bezoekers om Saul voor te gaan naar Zif. David en zijn mannen bevonden zich inmiddels in de woestijn bij Maon in de Araba, ten zuiden van de Jesimon. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Toen David hoorde dat Saul en zijn mannen hem op het spoor waren, daalde hij in het ravijn af. Saul, die had vernomen dat David zich in de woestijn bij Maon bevond, begon daar jacht op hem te maken. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Saul volgde het pad aan de ene kant van de kloof en David en zijn mannen het pad aan de andere kant. David deed zijn uiterste best om Saul voor te blijven, maar Saul en de zijnen liepen steeds meer op David en zijn mannen in. Juist toen ze op het punt stonden hen te overmeesteren, </VERS>
      <VERS vnumber="27">kwam er een bode op Saul af, die zei: 'U moet onmiddellijk meekomen, de Filistijnen zijn het land binnengevallen!' </VERS>
      <VERS vnumber="28">Saul staakte de achtervolging van David en ging de Filistijnen tegemoet. Daarom noemt men die plaats Sela-Hammachlekot. </VERS>
      <VERS vnumber="29">(24:1) David trok zich met zijn mannen terug in de rotsholen in de buurt van Engedi. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="24">
      <VERS vnumber="1">(24:2) Toen Saul bij terugkeer van zijn veldtocht tegen de Filistijnen hoorde dat David zich in de woestijn bij Engedi bevond, </VERS>
      <VERS vnumber="2">(24:3) koos hij drieduizend van de beste mannen van Israël uit en ging met hen in het rotsachtige gebied waar de steenbokken leven, op zoek naar David en zijn mannen. </VERS>
      <VERS vnumber="3">(24:4) Onderweg kwam hij langs een spelonk die door een muurtje was afgeschermd. Daar ging hij naar binnen en hurkte neer om zijn behoefte te doen. En juist achter in die spelonk hadden David en zijn mannen zich verstopt. </VERS>
      <VERS vnumber="4">(24:5) Davids mannen zeiden tegen hem: 'Dit is je kans! Dit is het moment waar de HEER op doelde toen hij zei: "Ik zal je vijand aan je uitleveren; je kunt met hem doen wat je goeddunkt."' David stond op en sneed stilletjes een reep van Sauls mantel af. </VERS>
      <VERS vnumber="5">(24:6) Zijn hart bonsde ervan, </VERS>
      <VERS vnumber="6">(24:7) en hij zei tegen zijn mannen: 'De HEER verhoede dat ik mijn koning, Gods gezalfde, iets zou aandoen en mijn hand tegen hem zou opheffen. Hij is immers door de HEER zelf als koning aangewezen.' </VERS>
      <VERS vnumber="7">(24:8) Zo maande David zijn mannen tot kalmte en weerhield hij ze ervan om Saul te overvallen. Saul was opgestaan en weer naar buiten gegaan. </VERS>
      <VERS vnumber="8">(24:9) Nu haastte ook David zich naar buiten en riep hem achterna: 'Mijn heer en koning!' Toen Saul omkeek, knielde David neer, boog diep voorover </VERS>
      <VERS vnumber="9">(24:10) en zei: 'Waarom schenkt u gehoor aan de mensen die beweren dat ik u kwaad wil doen? </VERS>
      <VERS vnumber="10">(24:11) Vandaag hebt u aan den lijve kunnen ondervinden dat de HEER u in die spelonk aan mij had overgeleverd. Ze zeiden dat ik u moest vermoorden, maar ik was met u begaan en ik zei bij mezelf dat ik mijn hand niet tegen mijn heer moest opheffen, omdat u immers de gezalfde van de HEER bent. </VERS>
      <VERS vnumber="11">(24:12) Kijk zelf maar, vader, hier heb ik een stuk van uw mantel; ik heb een reep van uw mantel afgesneden, maar ik heb u niet vermoord. Ziet u wel dat ik niets kwaads of verkeerds tegen u in de zin heb? Ik heb u niets misdaan, maar u jaagt me op en staat me naar het leven. </VERS>
      <VERS vnumber="12">(24:13) Laat de HEER beslissen wie van ons beiden in zijn recht staat en laat de HEER mij op u wreken; ik zal mijn hand niet tegen u opheffen. </VERS>
      <VERS vnumber="13">(24:14) Zoals het oude spreekwoord luidt: Slechte mensen, slechte daden. Nee, ik zal mijn hand niet tegen u opheffen. </VERS>
      <VERS vnumber="14">(24:15) Tegen wie is de koning van Israël eigenlijk uitgerukt? Op wie maakt u jacht? Een dode hond, een nietige vlo! </VERS>
      <VERS vnumber="15">(24:16) De HEER zal uitspraak doen en beslissen wie van ons beiden in zijn recht staat. Hij zal mijn zaak onderzoeken en verdedigen en mij recht verschaffen tegenover u.' </VERS>
      <VERS vnumber="16">(24:17) Nadat David was uitgesproken, vroeg Saul: 'Is het jouw stem die ik daar hoor, David, mijn zoon?' Toen barstte hij in tranen uit </VERS>
      <VERS vnumber="17">(24:18) en zei: 'Jij staat meer in je recht dan ik, want jij hebt kwaad met goed vergolden. </VERS>
      <VERS vnumber="18">(24:19) Je hebt zojuist getoond dat je het goed met me voorhebt: de HEER had me aan jou uitgeleverd, en toch heb je me niet gedood. </VERS>
      <VERS vnumber="19">(24:20) Wie laat ooit zijn vijand gaan als hij hem op zijn weg vindt? Moge de HEER je belonen voor wat je vandaag voor mij hebt gedaan. </VERS>
      <VERS vnumber="20">(24:21) Nu weet ik zeker dat jij koning zult worden en dat je het koningschap van Israël vast in handen zult houden. </VERS>
      <VERS vnumber="21">(24:22) Maar zweer me bij de HEER dat je mijn nakomelingen niet zult uitroeien, zodat mijn naam binnen de familie behouden blijft.' </VERS>
      <VERS vnumber="22">(24:23) David zwoer wat Saul van hem vroeg. Toen ging Saul terug naar huis en David en zijn mannen trokken weer de bergen in. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="25">
      <VERS vnumber="1">Omstreeks die tijd kwam Samuël te overlijden. Heel Israël kwam bijeen om over hem te rouwen. Hij werd begraven bij zijn huis in Rama. David trok verder, naar de woestijn van Paran. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Nu woonde er in Maon iemand die zijn bedrijf in Karmel had. Hij was schatrijk: hij bezat drieduizend stuks schapen en duizend geiten. Hij was voor het scheren van de schapen naar Karmel gekomen. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Zijn naam was Nabal en zijn vrouw heette Abigaïl. Zij had een helder verstand en was mooi om te zien; hij was hard en gewetenloos. Hij was een nakomeling van Kaleb. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Toen David in de woestijn hoorde dat bij Nabal de schapen werden geschoren, </VERS>
      <VERS vnumber="5">stuurde hij tien van zijn knechten naar Karmel met de opdracht: 'Ga naar Nabal en breng hem mijn groeten over. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Zeg hem uit mijn naam: "Ik wens u en uw familie en uw bedrijf alle goeds, ook voor volgend jaar. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Ik heb gehoord dat ze uw schapen aan het scheren zijn. Nu zit het zo: toen uw herders bij ons in de buurt waren, hebben we hen niet lastiggevallen; al die tijd dat ze hier in Karmel waren is hun niets ontvreemd. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Vraag het uw knechten maar, zij zullen het u bevestigen. Ik hoop dat u op uw beurt mijn knechten goed zult behandelen, ze komen immers op een feestdag bij u. Daarom verzoek ik u beleefd om mijn knechten en mij, David, te geven wat u missen kunt."' </VERS>
      <VERS vnumber="9">Toen Davids knechten bij Nabal kwamen, brachten ze uit Davids naam dit alles over en wachtten af wat hij zou zeggen. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Nabal antwoordde Davids knechten als volgt: 'Wie is die David? Wie is die zoon van Isaï? Het wemelt vandaag de dag van de slaven die bij hun meester weggelopen zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Denken jullie heus dat ik mijn brood en mijn water en het vlees dat ik voor mijn scheerders heb laten klaarmaken aan de eerste de beste onbekende ga weggeven?' </VERS>
      <VERS vnumber="12">Davids knechten gingen onverrichter zake terug en vertelden David wat Nabal had gezegd. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Daarop beval David zijn mannen: 'Te wapen!' Allen gordden hun zwaard om, ook David zelf, en met vierhonderd man trokken ze onder aanvoering van David naar Karmel op; tweehonderd man bleven achter om het kamp te bewaken. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Intussen was Nabals vrouw Abigaïl door een van de knechten op de hoogte gesteld. 'David heeft uit de woestijn boden gestuurd om onze heer te groeten, 'zei hij, 'maar die is tegen hen uitgevaren. </VERS>
      <VERS vnumber="15">En dat terwijl David en zijn mannen ons juist zo goed behandeld hebben: ze hebben ons niet lastiggevallen en al die tijd dat we in hun buurt rondtrokken om de schapen te weiden is ons niets ontvreemd. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Ze zijn juist dag en nacht als een muur om ons heen geweest, al die tijd dat we in hun buurt onze kudde hoedden. </VERS>
      <VERS vnumber="17">U moet er iets op verzinnen, want nu onze heer, die onheilstichter, zo'n toon tegen hem heeft aangeslagen, heeft hij zichzelf in het ongeluk gestort en ons erbij.' </VERS>
      <VERS vnumber="18">Haastig liet Abigaïl tweehonderd broden, twee zakken wijn, gedroogd vlees van vijf schapen, vijf schepel geroosterd graan, honderd plakken rozijnen en tweehonderd plakken gedroogde vijgen op ezels laden </VERS>
      <VERS vnumber="19">en ging zonder met haar man te overleggen op weg. 'Rijden jullie voor me uit, 'beval ze haar knechten, 'ik kom achter jullie aan.' </VERS>
      <VERS vnumber="20">Abigaïl reed op haar ezel door de kloof, terwijl David en zijn mannen van de andere kant optrokken. Omdat ze door de bergwand aan het zicht onttrokken was, werd David door haar komst verrast. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Hij was nog steeds vreselijk kwaad: 'Wat denkt die vent wel? Heb ik daarom al die tijd zijn bezittingen beschermd? Ik had het net zo goed kunnen laten! Nog niet één schaap is hij kwijt, en wat krijg ik? Stank voor dank! </VERS>
      <VERS vnumber="22">God mag met me doen wat hij wil als ik morgenvroeg van zijn familie ook maar iemand van het mannelijk geslacht in leven heb gelaten!' </VERS>
      <VERS vnumber="23">(23-24) Zodra Abigaïl David zag, sprong ze van haar ezel af. Ze viel voor zijn voeten op haar knieën, boog diep voorover en zei: 'Mij treft alle schuld, mijn heer. Sta me toe het woord tot u te richten en wees zo goed te luisteren naar wat ik te zeggen heb. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Schenk alstublieft geen aandacht aan die domme praatjesmaker van een Nabal. Hij is een onbenul, zoals zijn naam al zegt. Had ik uw boden maar zelf te woord kunnen staan. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Zo waar de HEER leeft, mijn heer, en zo waar u zelf leeft, de HEER heeft u ervan weerhouden om het recht in eigen hand te nemen en bloedschuld op u te laden. Maar ik hoop dat het al uw vijanden en tegenstanders zal vergaan zoals Nabal. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Aanvaard de geschenken die ik voor u heb meegebracht, mijn heer; ze zijn bestemd voor de mannen die u op uw tochten vergezellen. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Vergeef me alstublieft dat ik heb gefaald. Ik weet zeker dat de HEER uw huis zal laten voortbestaan, u trekt immers voor de HEER ten strijde. Er mag bij u dus uw leven lang geen spoor van kwaad te vinden zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Mocht iemand het wagen om u te achtervolgen en u naar het leven te staan, dan zal het steentje van uw leven veilig geborgen zijn in de buidel waarin de HEER, uw God, de mensenlevens bewaart, maar het leven van uw vijanden zal worden weggeslingerd. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Wanneer de HEER al zijn goede beloften aan u inlost en u aanstelt tot vorst van Israël, </VERS>
      <VERS vnumber="31">zult u niet gehinderd worden doordat u uw geweten hebt belast door het recht in eigen hand te nemen en onschuldig bloed te vergieten. Wanneer het eenmaal zover is, mijn heer, vergeet uw dienares dan niet.' </VERS>
      <VERS vnumber="32">David antwoordde: 'Ik dank de HEER, de God van Israël, dat hij u vandaag op mijn weg heeft gestuurd. </VERS>
      <VERS vnumber="33">En u dank ik voor uw verstandig optreden van zojuist, waarmee u hebt voorkomen dat ik het recht in eigen hand nam en me schuldig zou maken aan moord. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Maar zo waar de HEER leeft, de God van Israël, die me ervan heeft weerhouden om u kwaad te doen, als u niet zo snel naar me toe was gekomen, was er van Nabals familie morgenvroeg niemand van het mannelijk geslacht meer in leven geweest!' </VERS>
      <VERS vnumber="35">En hij aanvaardde haar geschenken met de woorden: 'Ga gerust naar huis; ik heb uw woorden aangehoord en uw verontschuldigingen aanvaard.' </VERS>
      <VERS vnumber="36">Bij haar thuiskomst zag Abigaïl dat Nabal een feestmaal had aangericht, het leek wel een koningsmaal. Hij had zeer veel gedronken en de wijn was hem naar het hoofd gestegen, daarom repte ze die avond met geen woord van het gebeurde. </VERS>
      <VERS vnumber="37">De volgende ochtend, toen Nabal zijn roes had uitgeslapen, vertelde ze hem wat ze had gedaan. Zijn hart bleef stilstaan in zijn borst, en hij zakte roerloos in elkaar. </VERS>
      <VERS vnumber="38">Tien dagen later trof de HEER Nabal zo zwaar dat hij bezweek. </VERS>
      <VERS vnumber="39">Toen David hoorde dat Nabal dood was, zei hij: 'Geprezen zij de HEER; hij heeft het voor mij opgenomen tegen Nabal, die me zo beledigd heeft. Op die manier heeft hij mij ervan weerhouden iets verkeerds te doen en heeft hij toch Nabal zijn verdiende loon gegeven.' Daarop stuurde hij boden naar Abigaïl om haar ten huwelijk te vragen. </VERS>
      <VERS vnumber="40">In Karmel aangekomen zeiden Davids dienaren tegen Abigaïl: 'David heeft ons gestuurd om u te vragen zijn vrouw te worden.' </VERS>
      <VERS vnumber="41">Abigaïl knielde neer, boog diep voorover en zei: 'Ik ben uw dienares. Ik ben bereid de slavin te zijn die de voeten wast van de dienaren van mijn heer.' </VERS>
      <VERS vnumber="42">Snel maakte ze zich klaar om te vertrekken. Toen reed ze op haar ezel, met vijf slavinnen in haar gevolg, achter de boden van David aan en werd zijn vrouw. </VERS>
      <VERS vnumber="43">Hij had ook Achinoam uit Jizreël tot vrouw genomen; zij beiden waren nu zijn vrouw. </VERS>
      <VERS vnumber="44">Davids vrouw Michal was door haar vader Saul inmiddels uitgehuwelijkt aan Palti, de zoon van Laïs, uit Gallim. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="26">
      <VERS vnumber="1">Enkele inwoners van Zif waren naar Gibea gegaan om Saul te vertellen: 'Weet u wel dat David zich schuilhoudt op de Chachila, tegenover de Jesimon?' </VERS>
      <VERS vnumber="2">Onmiddellijk vertrok Saul met drieduizend man, die tot de beste soldaten van Israël behoorden, naar de woestijn van Zif om David te zoeken. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Op de Chachila aangekomen sloeg hij zijn kamp op langs de kant van de weg. David, die daar in de buurt verbleef, merkte dat Saul achter hem aan was gekomen </VERS>
      <VERS vnumber="4">en stuurde verkenners uit. Zodra hij zeker wist waar Saul zich bevond, </VERS>
      <VERS vnumber="5">ging hij naar de plaats waar die zijn kamp had opgeslagen. Daar zag hij Saul liggen, naast zijn legeraanvoerder Abner, de zoon van Ner. Saul lag in het midden van het kamp; daaromheen waren de soldaten gelegerd. </VERS>
      <VERS vnumber="6">'Wie gaat er met me mee het kamp in, naar Saul?' vroeg hij aan zijn metgezellen, de Hethiet Achimelech en Abisai, die een zoon van Seruja was en een broer van Joab. 'Ik ga mee, 'antwoordde Abisai. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Gedekt door de duisternis slopen David en Abisai tussen de soldaten door. Daar, omringd door Abner en de soldaten, lag Saul te slapen, met zijn speer naast zijn hoofd in de grond gestoken. </VERS>
      <VERS vnumber="8">'Vandaag heeft God je vijand aan je uitgeleverd, 'zei Abisai tegen David. 'Laat mij hem met zijn eigen speer aan de grond nagelen. Eén gerichte stoot en het is met hem gedaan.' </VERS>
      <VERS vnumber="9">'Nee, dood hem niet, 'antwoordde David. 'Niemand heft ongestraft zijn hand op tegen de gezalfde van de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Zo waar de HEER leeft, hijzelf zal Saul treffen: hetzij doordat hij een natuurlijke dood sterft wanneer zijn tijd gekomen is, hetzij doordat hij ten oorlog trekt en sneuvelt. </VERS>
      <VERS vnumber="11">De HEER verhoede dat ik mijn hand ophef tegen zijn gezalfde! Kom, pak de speer daar bij zijn hoofdeind, en de waterkruik, dan gaan we.' </VERS>
      <VERS vnumber="12">David nam de speer en de waterkruik mee die bij Sauls hoofdeind stonden, en zo verlieten ze het kamp. Niemand had iets gezien, niemand had iets gemerkt, niemand was wakker geworden. Ze lagen allemaal vast te slapen, want de HEER had hen in een diepe slaap gedompeld. </VERS>
      <VERS vnumber="13">David stak het ravijn over en een eind verder, op de kam van de rotsen aan de overkant, bleef hij staan, op veilige afstand van het kamp. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Daarvandaan begon hij de soldaten en Abner, de zoon van Ner, toe te schreeuwen. 'Geef je nog antwoord, Abner!' riep hij. Abner antwoordde: 'Wie ben jij wel, dat je de koning durft te roepen?' </VERS>
      <VERS vnumber="15">Maar David riep tegen Abner: 'En jij, wat ben jij voor een man? Zoals jij is er in Israël toch geen tweede? Waarom heb je dan niet gewaakt over je heer, de koning? Heb je niet gemerkt dat de koning, je heer, bijna door een van zijn onderdanen is gedood? </VERS>
      <VERS vnumber="16">Je hebt je taak slecht vervuld. Zo waar de HEER leeft, jullie zijn ten dode opgeschreven, want jullie hebben niet gewaakt over je heer, zijn gezalfde. Kijk maar, waar zijn de speer en de waterkruik gebleven die aan zijn hoofdeind stonden?' </VERS>
      <VERS vnumber="17">Saul had Davids stem herkend en vroeg: 'Is dat jouw stem die ik daar hoor, David, mijn zoon?' 'Ja, ik ben het, mijn heer en koning, 'antwoordde David. </VERS>
      <VERS vnumber="18">En meteen vroeg hij: 'Waarom jaagt u me toch achterna, mijn heer? Wat heb ik misdaan, waaraan heb ik me schuldig gemaakt? </VERS>
      <VERS vnumber="19">Luister alstublieft naar wat ik u te zeggen heb, mijn heer en koning: Als het de HEER is die u tegen mij heeft opgezet, laat dan een geurig offer hem vermurwen. Maar als u door mensen bent opgestookt, moge de HEER ze dan vervloeken omdat ze mij uit Gods eigen land verdrijven en zeggen dat ik maar andere goden moet gaan dienen. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Ik smeek u, voorkom toch dat mijn bloed in vreemde bodem vloeit, ver weg van de HEER. De koning van Israël is uitgetrokken om een vlo na te jagen, zoals men in de bergen jacht maakt op een patrijs.' </VERS>
      <VERS vnumber="21">Toen zei Saul: 'Ik heb verkeerd gedaan. Kom terug, David, mijn zoon. Ik wil je niet langer kwaad doen, want jij hebt vandaag mijn leven gespaard. Ja, ik ben dwaas geweest en heb ernstige fouten gemaakt.' </VERS>
      <VERS vnumber="22">Maar David zei: 'Hier is uw speer, koning, laat een van uw mannen hem komen halen. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Wie rechtvaardig en trouw is, wordt door de HEER beloond; ik heb vandaag mijn hand niet tegen de gezalfde van de HEER willen opheffen, ofschoon hij u aan mij had uitgeleverd. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Zoals ik vandaag uw leven gespaard heb, zo zal de HEER mijn leven sparen; hij zal me redden uit alle nood.' </VERS>
      <VERS vnumber="25">Toen zei Saul tegen David: 'Gezegend ben je, David, mijn zoon. Je zult volbrengen wat je te doen staat. Ik weet dat je het kunt.' Daarop vervolgde David zijn weg en Saul keerde terug naar zijn woonplaats. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="27">
      <VERS vnumber="1">Vandaag of morgen val ik natuurlijk toch in handen van Saul, dacht David bij zichzelf. Ik kan me dus maar beter in veiligheid brengen in het land van de Filistijnen. Dan zal Saul het opgeven om mij door heel Israël te achtervolgen en kan ik aan hem ontkomen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Daarom vertrok hij met de zeshonderd man die bij hem waren naar de koning van Gat, Achis, de zoon van Maoch, </VERS>
      <VERS vnumber="3">waar hij en zijn mannen met hun gezinnen hun toevlucht namen. David had zijn twee vrouwen bij zich: Achinoam uit Jizreël en Abigaïl, de weduwe van Nabal uit Karmel. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Toen Saul hoorde dat David naar Gat was gevlucht, gaf hij de achtervolging op. </VERS>
      <VERS vnumber="5">David had aan Achis gevraagd: 'Heer, wees zo goed mij een van de stadjes op het platteland ter beschikking te stellen om in te wonen. Wie ben ik, dat ik bij u in de koningsstad zou wonen?' </VERS>
      <VERS vnumber="6">Achis wees David Siklag toe, en zo komt het dat Siklag tot op de dag van vandaag aan de koningen van Juda behoort. </VERS>
      <VERS vnumber="7">In de tijd dat David en zijn mannen op Filistijns grondgebied woonden, een jaar en vier maanden om precies te zijn, </VERS>
      <VERS vnumber="8">trokken ze er geregeld op uit om de stammen te overvallen die woonden in het gebied van Telam tot aan Sur, waar Egypte begint: nu eens de Gesurieten, dan weer de Girzieten of de Amalekieten. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Wanneer David daar ergens toesloeg, liet hij geen man of vrouw in leven en nam alles mee: schapen, geiten, runderen en kamelen, en dekens en kleren. Als hij dan weer bij Achis kwam </VERS>
      <VERS vnumber="10">en die hem vroeg: 'Waar hebt u ditmaal een overval gepleegd?' antwoordde David: 'In de Negev, bij de Judeeërs, 'of: 'Bij de familie van Jerachmeël, 'of: 'Bij de Kenieten.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">Hij liet niemand in leven en nam geen enkele gevangene mee naar Gat, want hij wilde voorkomen dat iemand aan Achis zou kunnen navertellen wat hij en zijn mannen hadden gedaan. Heel de tijd dat hij op Filistijns grondgebied woonde ging hij zo te werk. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Achis kreeg vertrouwen in hem en dacht bij zichzelf: Bij zijn landgenoten heeft hij het nu vast en zeker verbruid. Voortaan zal hij mij dienen. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="28">
      <VERS vnumber="1">En toen de Filistijnen hun troepen op de been brachten om tegen Israël ten oorlog te trekken, vroeg Achis aan David: 'U begrijpt zeker wel dat u en uw mannen zich bij mij moeten aansluiten.' </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Jazeker, heer, 'antwoordde David. 'U zult eens zien wat ik zal doen.' 'Afgesproken, 'zei Achis, 'dan stel ik u aan als mijn vaste lijfwacht.' </VERS>
      <VERS vnumber="3">Samuël was inmiddels gestorven. Heel Israël had over hem gerouwd, en hij was begraven in Rama, zijn woonplaats. Daarna had Saul in het hele land een verbod uitgevaardigd op geestenbezwering en waarzeggerij. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Toen nu de Filistijnen hun troepen hadden verzameld en waren opgerukt naar Sunem, waar ze hun kamp opsloegen, bracht ook Saul zijn leger op de been en sloeg zijn kamp op in het Gilboagebergte. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Maar toen hij het kamp van de Filistijnen zag, greep de angst hem bij de keel. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Hij raadpleegde de HEER, maar de HEER gaf geen antwoord: noch in dromen, noch door middel van orakelstenen, noch bij monde van profeten. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Daarom beval hij zijn dienaren om voor hem een dodenbezweerster op te sporen. 'Daar wil ik naartoe gaan om antwoord te vinden op mijn vragen, 'zei hij. Toen zijn dienaren hem vertelden dat er in Endor nog een dodenbezweerster woonde, </VERS>
      <VERS vnumber="8">vermomde hij zich door andere kleren aan te trekken en ging hij met twee dienaren op pad. Midden in de nacht kwamen ze bij de vrouw aan. 'Wilt u voor mij de geest van een dode raadplegen?' verzocht hij haar. 'Ik zal u zeggen wie u moet oproepen.' </VERS>
      <VERS vnumber="9">Maar de vrouw antwoordde: 'U weet toch wat Saul heeft gedaan: hij heeft een streng verbod uitgevaardigd op geestenbezwering en waarzeggerij. Waarom probeert u me in de val te lokken? Wilt u me soms de dood in jagen?' </VERS>
      <VERS vnumber="10">Maar Saul bezwoer haar bij de HEER dat haar niets zou overkomen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">'Wie moet ik dan voor u oproepen?' vroeg ze. 'Samuël, 'antwoordde Saul. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Zodra de vrouw Samuël zag, slaakte ze een ijselijke kreet. 'Waarom hebt u me bedrogen?' vroeg ze aan Saul. 'U bent Saul zelf!' </VERS>
      <VERS vnumber="13">'Wees niet bang, 'stelde de koning haar gerust. 'Maar zeg me, wat ziet u?' 'Ik zie een goddelijke gestalte uit de aarde oprijzen, 'antwoordde ze. </VERS>
      <VERS vnumber="14">'Hoe ziet hij eruit?' vroeg Saul. 'Het is een oude man, gehuld in een mantel.' Toen wist Saul dat het Samuël was, en hij knielde neer en boog diep voorover. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Samuël vroeg aan Saul: 'Waarom heb je me opgeroepen en mijn rust verstoord?' 'Ik zie geen uitweg meer, 'antwoordde Saul. 'Ik word aangevallen door de Filistijnen en God heeft me in de steek gelaten. Hij geeft geen antwoord meer op mijn vragen, noch bij monde van profeten, noch in dromen. Daarom heb ik u opgeroepen om u te vragen wat ik moet doen.' </VERS>
      <VERS vnumber="16">Maar Samuël zei: 'Waarom kom je bij mij om raad? Je weet toch dat de HEER je verlaten heeft en zich nu tegen je heeft gekeerd. </VERS>
      <VERS vnumber="17">De HEER heeft gedaan wat hij bij monde van mij heeft voorzegd: hij heeft het koningschap van je losgescheurd en aan je tegenspeler gegeven, aan David. </VERS>
      <VERS vnumber="18">De HEER doet je dit nu aan omdat je destijds niet naar hem geluisterd hebt en voor hem geen wraak hebt genomen op de Amalekieten. </VERS>
      <VERS vnumber="19">En om diezelfde reden zal hij Israël samen met jou aan de Filistijnen uitleveren. Morgen zijn jij en je zonen hier bij mij, en het leger van Israël zal hij aan de Filistijnen uitleveren.' </VERS>
      <VERS vnumber="20">Saul schrok zo van Samuëls woorden dat hij languit op de grond viel: zijn krachten lieten hem in de steek, ook al omdat hij de hele dag en de hele nacht niets gegeten had. </VERS>
      <VERS vnumber="21">De vrouw kwam naar hem toe en zag dat hij erg in de war was. 'Ik heb aan uw verzoek voldaan, heer, 'zei ze. 'Met gevaar voor eigen leven heb ik gedaan wat u me vroeg. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Doe dan nu ook wat ik u aanraad, heer. Laat me u iets te eten voorzetten, zodat u weer op krachten komt voordat u aan de terugreis begint.' </VERS>
      <VERS vnumber="23">Saul weigerde en zei dat hij niets wilde eten, maar zijn dienaren en ook de vrouw drongen aan en ten slotte gaf hij toe. Hij kwam overeind en ging op het bed zitten. </VERS>
      <VERS vnumber="24">De vrouw had een mestkalf in huis, dat ze nu snel slachtte. Ook nam ze meel, kneedde het en bakte er ongedesemde broden van. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Nadat Saul en zijn dienaren gegeten hadden van het maal dat ze hun had voorgezet, vertrokken ze nog diezelfde nacht. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="29">
      <VERS vnumber="1">De Filistijnen hadden zich verzameld in Afek; de Israëlieten lagen in de buurt van de bron bij Jizreël. </VERS>
      <VERS vnumber="2">De Filistijnse stadsvorsten hielden troepenschouw. De manschappen trokken in afdelingen van honderd en duizend voorbij. In de achterste gelederen liepen David en zijn mannen met het leger van Achis mee. </VERS>
      <VERS vnumber="3">'Wat doen die Hebreeën hier?' vroegen de Filistijnse bevelhebbers zich af. 'U kent David toch wel, de vroegere veldheer van Saul, de koning van Israël, 'zei Achis. 'Het is nu al meer dan een jaar geleden dat hij naar mij is overgelopen, en al die tijd heb ik niets op hem aan te merken gehad.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Maar de Filistijnse bevelhebbers waren woedend en zeiden tegen hem: 'Stuur hem terug naar de woonplaats die u hem hebt toegewezen. Onder geen beding mag hij met ons ten strijde trekken. Stel dat hij zich tegen ons keert in het gevecht! Hij zou zijn heer toch nergens een groter plezier mee doen dan met de hoofden van onze mannen? </VERS>
      <VERS vnumber="5">Dit is toch die David over wie ze triomfantelijk gezongen hebben: "Saul versloeg ze bij duizenden, David bij tienduizenden!"' </VERS>
      <VERS vnumber="6">Toen riep Achis David bij zich en zei tegen hem: 'Zo waar de HEER leeft, ik ben ervan overtuigd dat u te vertrouwen bent. Ik vind het een goede zaak dat u aan mijn veldtochten meedoet, want vanaf de dag dat u naar mij toe bent gekomen tot nu toe heb ik niets op u aan te merken gehad. Maar de andere stadsvorsten zijn het er niet mee eens, </VERS>
      <VERS vnumber="7">en daarom moet u naar huis teruggaan. Ga in vrede, en doe niets waar de Filistijnse stadsvorsten aanstoot aan zouden kunnen nemen.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">'Wat heb ik dan misdaan, heer?' riep David uit. 'Waarom mag ik niet deelnemen aan de strijd tegen de vijanden van mijn heer en koning? Al die tijd dat ik bij u in dienst ben, hebt u toch nooit iets op me aan te merken gehad?' </VERS>
      <VERS vnumber="9">'Nee, ik weet het, 'antwoordde Achis. 'Ik voor mij vertrouw u alsof u door God zelf gestuurd was, maar onze bevelhebbers zijn er fel op tegen dat u met ons ten strijde trekt. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Morgenochtend vroeg moet u vertrekken, en de soldaten van uw heer die met u zijn meegekomen ook. Morgenochtend vroeg, zodra het licht wordt, moet u gaan.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">De volgende morgen vroeg ging David met zijn mannen terug naar het land van de Filistijnen. De Filistijnen zelf trokken op naar Jizreël. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="30">
      <VERS vnumber="1">Drie dagen later kwamen David en zijn mannen bij Siklag aan. Tijdens hun afwezigheid hadden de Amalekieten een plundertocht ondernomen in de Negev; ook Siklag hadden ze overvallen. Ze hadden de stad in de as gelegd </VERS>
      <VERS vnumber="2">en de vrouwen, van jong tot oud, als gevangenen weggevoerd. Er was niemand gedood, maar ze hadden de vrouwen op hun tocht meegevoerd. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Toen David en zijn mannen bij Siklag aankwamen en zagen dat de stad in de as was gelegd en dat hun vrouwen en kinderen waren weggevoerd, </VERS>
      <VERS vnumber="4">begonnen ze luidkeels te jammeren, tot ze geen kracht meer hadden om te huilen. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Ook de beide vrouwen van David waren verdwenen: Achinoam uit Jizreël en Abigaïl, de vroegere vrouw van Nabal uit Karmel. </VERS>
      <VERS vnumber="6">David kreeg het zwaar te verduren, want zijn mannen waren zo verbitterd over het verlies van hun kinderen dat ze hem dreigden te stenigen. Daarom zocht hij steun bij de HEER, zijn God. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Hij vroeg de priester Abjatar, de zoon van Achimelech, om met het priestergewaad bij hem te komen. Abjatar kwam met het priestergewaad </VERS>
      <VERS vnumber="8">en David raadpleegde de HEER: 'Moet ik deze bende achtervolgen? Zal ik ze inhalen?' 'Ja, 'antwoordde de HEER. 'Achtervolg hen; je zult ze zeker inhalen en de gevangenen bevrijden.' </VERS>
      <VERS vnumber="9">David ging met zijn zeshonderd mannen op weg. Bij het dal van de Besor gekomen hielden de achterblijvers halt, </VERS>
      <VERS vnumber="10">tweehonderd man die te uitgeput waren om het dal over te steken. Met vierhonderd man zette David de achtervolging voort. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Onderweg vonden ze een Egyptenaar, die bij David werd gebracht. Hij kreeg wat brood te eten en water te drinken, </VERS>
      <VERS vnumber="12">en ook gaven ze hem een plak gedroogde vijgen en twee plakken rozijnen. Daardoor kwam hij weer op krachten; hij had namelijk drie dagen en drie nachten niets gegeten of gedronken. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Daarna vroeg David hem bij wie hij hoorde en waar hij vandaan kwam, en hij antwoordde: 'Ik ben een Egyptenaar, de slaaf van een Amalekiet. Toen ik drie dagen geleden ziek werd, heeft mijn meester me achtergelaten. </VERS>
      <VERS vnumber="14">We waren op plundertocht in de Negev en hebben overvallen gedaan op de Keretieten, de Judeeërs en de Kalebieten; en Siklag hebben we in de as gelegd.' </VERS>
      <VERS vnumber="15">'Kun jij me de weg wijzen naar jullie bende?' vroeg David. 'Dat wil ik wel doen, 'antwoordde de Egyptenaar, 'maar zweer me dan eerst bij God dat u me niet zult doden of aan mijn meester uitleveren.' </VERS>
      <VERS vnumber="16">De Egyptenaar leidde David naar het kamp van de Amalekieten. Daar zaten ze, in groepjes verspreid, te eten en te drinken. Ze deden zich te goed aan de enorme buit die ze in het land van de Filistijnen en in Juda hadden vergaard. </VERS>
      <VERS vnumber="17">De volgende dag overviel David hen en bestookte hen van de vroege ochtend tot de late avond. Niemand ontkwam, op vierhonderd jongemannen na, die op hun kamelen wegvluchtten. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Alles wat de Amalekieten hadden weggeroofd viel nu in Davids handen; ook zijn beide vrouwen bevrijdde hij. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Niet het minste of geringste van de buit ontbrak: alle kinderen waren er nog en alles wat ze verder maar hadden meegenomen. Alles werd door David mee teruggevoerd. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Hij legde beslag op de schapen, geiten en runderen; die werden meegevoerd, voor hun eigen vee uit. 'Dit is Davids buit, 'zo zeiden ze. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Toen David weer terugkwam in het dal van de Besor, werden hij en zijn mannen opgewacht door de tweehonderd man die daar waren achtergebleven omdat ze te moe waren om met hem mee te gaan. Hij ging naar hen toe en vroeg hun hoe het met ze was. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Onder de mannen die met David waren meegegaan, was echter een aantal kwaadwillige lieden die zeiden: 'Omdat zij niet met ons zijn meegegaan, krijgen ze niets van de buit die wij heroverd hebben. Ze kunnen hun eigen vrouwen en kinderen terugkrijgen en dan moeten ze maar gaan.' </VERS>
      <VERS vnumber="23">Maar David zei: 'Nee, mannen, geen sprake van. Het gaat hier om een geschenk van de HEER: hij heeft ons gespaard en de bende die ons had overvallen aan ons uitgeleverd. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Denken jullie dat iemand het met jullie eens is? Nee, degenen die hebben deelgenomen aan de strijd krijgen evenveel als degenen die zijn achtergebleven om de spullen te bewaken: ze moeten de buit samen delen.' </VERS>
      <VERS vnumber="25">En zo gebeurde het voortaan. Deze regel, die door David is ingesteld, geldt in Israël tot op de dag van vandaag. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Terug in Siklag stuurde David een deel van de buit aan de oudsten van Juda, zijn vrienden. 'Hier is voor u een geschenk uit de buit die wij op de vijanden van de HEER veroverd hebben, 'luidde de boodschap. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Het betrof de oudsten van Betuël, Ramot-Negev en Jattir, </VERS>
      <VERS vnumber="28">Aroër, Sifmot, Estemoa </VERS>
      <VERS vnumber="29">en Rachal, van de steden van de Jerachmeëlieten en de Kenieten, </VERS>
      <VERS vnumber="30">van Chorma, Bor-Asan, Atach </VERS>
      <VERS vnumber="31">en Hebron, kortom alle plaatsen die David en zijn mannen tijdens hun omzwervingen hadden aangedaan. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="31">
      <VERS vnumber="1">Ondertussen leverden de Filistijnen slag met de Israëlieten. Het leger van Israël sloeg op de vlucht en velen sneuvelden in het Gilboagebergte. </VERS>
      <VERS vnumber="2">De Filistijnen drongen tot bij Saul en zijn zonen door en doodden zijn drie zonen Jonatan, Abinadab en Malkisua. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Toen richtte de strijd zich in alle hevigheid tegen Saul zelf. De Filistijnse boogschutters hadden hem al onder schot, en Saul werd zo bang </VERS>
      <VERS vnumber="4">dat hij zijn wapendrager beval: 'Trek je zwaard en steek me dood, want ik wil niet dat die onbesnedenen me doorboren en zich op me gaan uitleven.' Maar de wapendrager schrok ervoor terug en weigerde. Toen nam Saul zelf zijn zwaard en stortte zich erin. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Toen de wapendrager zag dat Saul dood was, stortte ook hij zich in zijn zwaard en volgde hem in de dood. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Zo sneuvelden Saul, zijn drie zonen, zijn wapendrager en al zijn manschappen op een en dezelfde dag. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Toen het tot de Israëlieten aan de overkant van de Jordaan en aan de overkant van de vlakte van Jizreël doordrong dat het leger van Israël was gevlucht en dat Saul en zijn zonen gesneuveld waren, verlieten zij hun steden en vluchtten weg. De Filistijnen trokken hun steden binnen en namen ze in bezit. </VERS>
      <VERS vnumber="8">De volgende dag kwamen de Filistijnen op het slagveld terug om de gesneuvelden te plunderen. Daar, op de Gilboa, vonden ze de lijken van Saul en zijn drie zonen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Ze sloegen Sauls hoofd af en ontdeden hem van zijn wapenrusting, en lieten in hun hele land boden rondgaan om het nieuws van de overwinning in de tempels van hun goden en aan het hele volk bekend te maken. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Sauls wapenrusting kreeg een plaats in de tempel van Astarte en zijn lijk werd aan de stadsmuur van Bet-San genageld. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Toen de inwoners van Jabes in Gilead hoorden wat er met Saul was gebeurd, wat de Filistijnen met hem hadden gedaan, </VERS>
      <VERS vnumber="12">besloten ze om de lijken van de stadsmuur van Bet-San weg te halen. Alle weerbare mannen gingen mee. Ze liepen de hele nacht, namen de lichamen van Saul en zijn zonen mee naar Jabes en verbrandden ze daar. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Hun gebeente begroeven ze aan de voet van de tamarisk in Jabes, en daarna vastten ze zeven dagen. </VERS>
    </CHAPTER>
  </BIBLEBOOK>
  <BIBLEBOOK bnumber="10" bname="2 Samuël" bsname="2Sam">
    <CHAPTER cnumber="1">
      <VERS vnumber="1">Saul was gesneuveld en David had de Amalekieten verslagen en was alweer twee dagen terug in Siklag. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Op de derde dag liet zich iemand uit het legerkamp van Saul aandienen. Hij had zijn kleren gescheurd en stof over zijn hoofd geworpen. Bij David gekomen, boog hij diep voorover. </VERS>
      <VERS vnumber="3">'Waar komt u vandaan?' vroeg David, en de man antwoordde: 'Uit het legerkamp van Israël. Ik ben ontkomen.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">'Wat is er dan gebeurd?' vroeg David ongerust. 'De soldaten moesten vluchten, 'vertelde hij. 'Velen van hen zijn gesneuveld, en ook Saul en zijn zoon Jonatan zijn omgekomen.' </VERS>
      <VERS vnumber="5">'Hoe weet u zo zeker dat Saul en zijn zoon Jonatan dood zijn?' vroeg David aan de boodschapper die hem dit was komen vertellen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">'Ik was heel toevallig op de Gilboa, 'antwoordde hij. 'En daar stond Saul, leunend op zijn speer; de strijdwagens en ruiters hadden hem al bijna te pakken. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Hij keek om, en toen hij mij zag, riep hij me bij zich. "Wat kan ik voor u doen, heer?" vroeg ik, </VERS>
      <VERS vnumber="8">en hij vroeg: "Wie ben jij?" "Ik ben een Amalekiet, "zei ik, </VERS>
      <VERS vnumber="9">en toen zei hij: "Kom hier en geef me de genadestoot. Want ik leef nog wel, maar de dood heeft mij al in zijn greep." </VERS>
      <VERS vnumber="10">Dus ik ging naar hem toe en gaf hem de genadestoot, want ik begreep dat hij, nu de strijd verloren was, niet lang meer te leven had. Toen nam ik hem zijn hoofdband en zijn armband af om ze voor u mee te nemen, mijn heer.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">Hierop greep David zijn kleren en scheurde ze, en ook al zijn mannen deden dat. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Ze rouwden, jammerden en vastten tot de avond viel voor Saul, zijn zoon Jonatan en het volk van de HEER, het volk van Israël, omdat zij in de strijd waren gesneuveld. </VERS>
      <VERS vnumber="13">David vroeg aan de boodschapper die hem dit alles was komen vertellen: 'Waar komt uw familie vandaan?' 'Ik ben een Amalekiet, 'antwoordde hij. 'Mijn vader is hier als vreemdeling komen wonen.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">Daarop vroeg David: 'Hoe hebt u het gewaagd uw hand op te heffen tegen de gezalfde van de HEER, en hem te doden?' </VERS>
      <VERS vnumber="15">Hij riep een van zijn dienaren bij zich en beval: 'Kom hier, dood hem.' En de dienaar stak hem dood, </VERS>
      <VERS vnumber="16">terwijl David zei: 'U hebt uw dood aan uzelf te wijten, want u hebt uzelf met zoveel woorden beschuldigd door te zeggen: "Ik heb de gezalfde van de HEER de genadestoot gegeven."' </VERS>
      <VERS vnumber="17">Toen hief David een klaaglied aan over Saul en zijn zoon Jonatan. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Hij heeft gezegd dat alle Judeeërs dit lied, het Lied van de boog, moesten leren. Het staat opgetekend in het Boek van de Oprechte: </VERS>
      <VERS vnumber="19">'Als een gevelde hinde, Israël, ligt jouw trots gesneuveld op je heuvels. Ach, dat je helden moesten vallen! </VERS>
      <VERS vnumber="20">Maak het niet bekend in Gat, roep het niet rond in Askelon; laat niet de Filistijnse vrouwen zich verheugen, de dochters van die onbesnedenen niet juichen. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Bergen van Gilboa, draag geen dauw meer, duld geen regen op je hooggelegen velden: daar ligt het heldenschild, vertrapt, het schild van Saul, vergeten en verwaarloosd. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Nooit keerde de boog van Jonatan terug zonder het bloed van verslagenen, zonder het vet van helden; het zwaard van Saul bleef nimmer onverzadigd. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Saul en Jonatan, de geliefden en beminden, bij leven niet te scheiden, en onafscheidelijk verbonden in de dood. Sneller dan een arend waren ze, en sterker dan een leeuw. </VERS>
      <VERS vnumber="24">O dochters van Israël, treur om Saul! Rijk bewerkt scharlaken gaf hij je te dragen, door hem werd je getooid met sieraden van goud. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Ach, dat de helden in de oorlog moesten vallen! Jonatan ligt gesneuveld op de heuvels. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Het verdriet verstikt me, Jonatan, je was mijn broeder, en mijn beste vriend. Jouw liefde was mij dierbaar, meer dan die van vrouwen. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Ach, dat de helden moesten vallen, dat jullie, wapens in de strijd van Israël, verloren moesten gaan!' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="2">
      <VERS vnumber="1">Enige tijd later wendde David zich tot de HEER en vroeg: 'Zal ik naar Juda gaan?' 'Goed, 'antwoordde de HEER. 'Naar welke stad zal ik gaan?' vroeg David, en de HEER antwoordde: 'Naar Hebron.' </VERS>
      <VERS vnumber="2">Daarop trok David naar Hebron. Hij nam zijn beide vrouwen mee, Achinoam uit Jizreël en Abigaïl, de vroegere vrouw van Nabal uit Karmel, </VERS>
      <VERS vnumber="3">en ook zijn aanhangers met hun families. Zij allen vestigden zich in Hebron en de omliggende dorpen. </VERS>
      <VERS vnumber="4">De Judeeërs kwamen naar Hebron en zalfden David tot koning van Juda. Men vertelde aan David dat Saul door de bevolking van Jabes in Gilead was begraven. </VERS>
      <VERS vnumber="5">David stuurde afgezanten naar Jabes in Gilead met de boodschap: 'Wees gezegend door de HEER, omdat u trouw hebt bewezen aan uw heer Saul en hem begraven hebt. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Moge de HEER u allen daarom goed behandelen en u trouw bewijzen. Ook ik wil u hierbij mijn vriendschap aanbieden. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Wees dapper en houd moed, want ook al is uw heer Saul dood, het volk van Juda heeft nu mij tot hun koning gezalfd.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">Intussen was Sauls zoon Isboset door Abner, de zoon van Ner en opperbevelhebber van Saul, naar Machanaïm gebracht </VERS>
      <VERS vnumber="9">en door hem uitgeroepen tot koning van Gilead, van Aser en Jizreël, van Efraïm en Benjamin, kortom, van heel Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Isboset was veertig jaar oud toen hij koning over Israël werd, en hij regeerde twee jaar. Maar Juda stond achter David. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Vanuit Hebron regeerde David zeven jaar en zes maanden over Juda. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Abner, de zoon van Ner, trok met het leger van Sauls zoon Isboset uit Machanaïm op naar Gibeon. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Ook Joab, de zoon van Seruja, was uitgerukt met het leger van David. Bij het waterbekken van Gibeon troffen ze elkaar, ieder aan een kant van het water. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Abner zei tegen Joab: 'Laten er kampvechters naar voren treden en met elkaar een tweegevecht houden.' 'Goed, 'antwoordde Joab. </VERS>
      <VERS vnumber="15">De kampvechters traden naar voren en werden geteld: twaalf voor Benjamin en Sauls zoon Isboset en twaalf van de mannen van David. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Ieder greep zijn tegenstander bij de haren beet en stak hem zijn zwaard in zijn zij, zodat ze samen sneuvelden. Daarom wordt die plek in Gibeon Chelkat-Hassurim genoemd. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Meteen ontbrandde er een hevige strijd, waarin Abner met het leger van Israël door het leger van David werd verslagen. </VERS>
      <VERS vnumber="18">De drie zonen van Seruja waren er ook: Joab, Abisai en Asaël. Asaël kon lopen als een wilde gazelle. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Hij zette de achtervolging op Abner in en bleef hem op de hielen zitten. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Abner keek achterom en riep: 'Ben jij het, Asaël?' 'Jazeker, 'antwoordde deze. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Toen riep Abner: 'Laat me toch met rust! Grijp liever een van de soldaten en pak hem zijn uitrusting af.' Maar Asaël bleef hem op de hielen zitten. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Nogmaals riep Abner: 'Laat me met rust! Dwing me niet om je te doden, want dan zou ik je broer Joab niet meer recht in de ogen kunnen kijken.' </VERS>
      <VERS vnumber="23">Maar toen Asaël hem nog altijd niet met rust wilde laten, stootte Abner hem met het achtereinde van zijn lans in de buik, zodat die aan de andere kant weer naar buiten kwam. Asaël viel neer en stierf ter plekke. Iedereen die langs de plaats kwam waar Asaël was gesneuveld, bleef stilstaan. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Maar Joab en Abisai zetten de achtervolging van Abner voort, tot ze bij zonsondergang bij de heuvel Amma kwamen, tegenover Giach, op de weg naar de woestijn van Gibeon. </VERS>
      <VERS vnumber="25">De Benjaminieten sloten de gelederen achter Abner en stelden zich op de top van een heuvel op. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Abner riep Joab toe: 'Moet het zwaard dan blijven verslinden? Dat leidt toch alleen maar tot bittere ellende! Hoe lang zal het nog duren tot u uw mannen beveelt om hun broeders met rust te laten?' </VERS>
      <VERS vnumber="27">'Zo waar God leeft, 'antwoordde Joab, 'als u niets had gezegd, hadden mijn mannen hun broeders vanmorgen gewoon laten gaan.' </VERS>
      <VERS vnumber="28">Joab blies op de ramshoorn, waarop heel het leger halt hield. De achtervolging van Israël werd opgegeven en de strijd gestaakt. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Abner trok de hele nacht met zijn leger door de Jordaanvallei. Ze staken de Jordaan over en gingen door de Bitron naar Machanaïm. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Nadat Joab de achtervolging van Abner had gestaakt, verzamelde hij zijn troepen. Behalve Asaël bleken er nog negentien soldaten van David te zijn gesneuveld. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Van het leger van Benjamin, de mannen van Abner, hadden Davids soldaten driehonderdzestig man gedood. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Joab en zijn mannen namen Asaël mee om hem in Betlehem in het graf van zijn vader te begraven. Daarna liepen ze de hele nacht door, tot ze bij het aanbreken van de dag in Hebron aankwamen. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="3">
      <VERS vnumber="1">De strijd tussen het huis van David en het huis van Saul duurde lang. Maar terwijl David steeds sterker werd, werd het huis van Saul steeds zwakker. </VERS>
      <VERS vnumber="2">David kreeg in Hebron zes zonen: de oudste was Amnon, een zoon van Achinoam uit Jizreël; </VERS>
      <VERS vnumber="3">de tweede was Kileab, een zoon van Abigaïl, de vroegere vrouw van Nabal uit Karmel; de derde was Absalom, een zoon van Maächa, die een dochter was van koning Talmai van Gesur; </VERS>
      <VERS vnumber="4">de vierde was Adonia, een zoon van Chaggit; de vijfde was Sefatja, een zoon van Abital; </VERS>
      <VERS vnumber="5">en de zesde was Jitream, een zoon van Davids vrouw Egla. Dat waren de zonen die David in Hebron kreeg. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Terwijl de strijd tussen het huis van Saul en het huis van David voortduurde, verwierf Abner zich een steeds machtiger positie in het huis van Saul. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Saul had een bijvrouw gehad, een zekere Rispa, de dochter van Ajja. Isboset vroeg aan Abner: 'Waarom hebt u bezit genomen van de bijvrouw van mijn vader?' </VERS>
      <VERS vnumber="8">Abner werd woedend over de woorden van Isboset en viel uit: 'Wat?! Ben ik soms zo'n hondsvot uit Juda? Heb ik niet steeds het beste voorgehad met het huis van uw vader Saul, met zijn familie en zijn vrienden? Ik heb ervoor gezorgd dat u niet in handen van David viel, en ú verwijt mij overspel? </VERS>
      <VERS vnumber="9">God mag met mij doen wat hij wil als ik David niet zal bezorgen wat de HEER hem gezworen heeft: </VERS>
      <VERS vnumber="10">het koningschap afnemen van het huis van Saul en voor David een troon oprichten over Israël en over Juda, van Dan tot Berseba!' </VERS>
      <VERS vnumber="11">Isboset was zo bang voor Abner dat hij hier niets tegenin durfde brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Meteen stuurde Abner afgezanten naar David met de boodschap: 'Aan wie behoort het land? Sluit met mij een verdrag, dan zal ik u helpen om heel het volk van Israël voor u te winnen.' </VERS>
      <VERS vnumber="13">David liet antwoorden: 'Goed, ik zal met u een verdrag sluiten, maar onder één voorwaarde: ik zal u alleen ontvangen als u Sauls dochter Michal voor me meebrengt.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">Hij stuurde ook afgezanten naar Sauls zoon Isboset met de boodschap: 'Geef me mijn vrouw Michal terug, die ik als bruid verworven heb voor de voorhuiden van honderd Filistijnen.' </VERS>
      <VERS vnumber="15">Isboset liet Michal ophalen bij haar man Paltiël, de zoon van Laïs. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Haar man ging met haar mee en volgde haar in tranen tot aan Bachurim. Pas toen Abner zei: 'Vooruit, ga naar huis!' maakte hij rechtsomkeert. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Abner onderhandelde met de oudsten van Israël: 'Eigenlijk hebt u altijd David al als koning gewild. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Grijp dan nu uw kans, want de HEER heeft David beloofd dat hij door zijn toedoen zijn volk Israël zal redden uit de handen van de Filistijnen en al hun andere vijanden.' </VERS>
      <VERS vnumber="19">Abner sprak ook met de Benjaminieten. Daarna ging hij naar Hebron om David mee te delen wat de Israëlieten en ook de stam Benjamin hadden besloten. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Hij kwam met twintig afgevaardigden in Hebron aan, waar David voor hen een feestmaal aanrichtte. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Abner zei tegen David: 'Ik stel voor dat ik op weg ga om alle Israëlieten bijeen te brengen onder mijn heer en koning. Zij zullen een verdrag met u sluiten en u zult koning zijn over heel het gebied dat u verlangt.' En David liet Abner ongehinderd vertrekken. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Vlak daarop kwam Joab met de mannen van David terug van een strooptocht. Ze brachten een grote buit mee. Abner was niet meer in Hebron, want David had hem ongehinderd laten gaan. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Toen Joab met zijn mannen aankwam, hoorde hij dat Abner, de zoon van Ner, bij de koning was geweest en dat die hem ongehinderd had laten vertrekken. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Daarop ging Joab naar de koning en vroeg: 'Wat hebt u gedaan? Abner is naar u toe gekomen en u hebt hem zomaar laten gaan? </VERS>
      <VERS vnumber="25">U kent hem toch! Hij is natuurlijk gekomen om u te misleiden en zich op de hoogte te stellen van uw troepenbewegingen en uw plannen.' </VERS>
      <VERS vnumber="26">Joab ging bij David weg en stuurde boden achter Abner aan, die hem bij de put van Sira lieten terugkeren; David wist hier niets van. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Toen Abner in Hebron terugkwam, nam Joab hem in het poortgebouw ter zijde alsof hij hem onder vier ogen wilde spreken en stak hem in de buik. Zo stierf Abner omdat hij Joabs broer Asaël had gedood. </VERS>
      <VERS vnumber="28">David vernam pas naderhand wat er gebeurd was. Toen riep hij uit: 'Ik en mijn koningshuis zijn tegenover de HEER onschuldig aan de dood van Abner, voor nu en altijd! </VERS>
      <VERS vnumber="29">Moge het bloed van Abner, de zoon van Ner, gewroken worden aan Joab en zijn familie. Laat er in Joabs familie altijd iemand zijn die een druiper of de schurft heeft, iemand die met krukken loopt, een gewelddadige dood sterft of honger lijdt.' </VERS>
      <VERS vnumber="30">Joab en zijn broer Abisai vermoordden Abner dus omdat hij hun broer Asaël in de slag bij Gibeon had gedood. </VERS>
      <VERS vnumber="31">David zei tegen Joab en diens mannen: 'Scheur je kleren, trek een rouwkleed aan en ga jammerend voor Abner uit.' Koning David zelf liep achter de baar </VERS>
      <VERS vnumber="32">toen Abner in Hebron werd begraven. De koning jammerde luidkeels bij Abners graf, en de soldaten jammerden mee. </VERS>
      <VERS vnumber="33">De koning zong een klaaglied voor Abner: 'Hoe eerloos moest je sterven, Abner. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Je handen waren niet geboeid, je voeten niet gekluisterd, toch ben je als door struikrovers geveld.' Toen begon iedereen nog luider te jammeren. </VERS>
      <VERS vnumber="35">De soldaten kwamen David iets te eten brengen, terwijl het nog licht was. Maar David zwoer: 'God mag met mij doen wat hij wil als ik voor zonsondergang brood eet of wat dan ook.' </VERS>
      <VERS vnumber="36">Allen waren er getuige van en ze achtten het juist, zoals ze alles juist vonden wat de koning deed. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Het leger en iedereen in Israël wist toen dat het niet van de koning was uitgegaan om Abner, de zoon van Ner, te doden. </VERS>
      <VERS vnumber="38">De koning zei tegen zijn soldaten: 'Besef dat Israël vandaag een groot bevelhebber is ontvallen. </VERS>
      <VERS vnumber="39">Ik ben nog zwak, al ben ik dan tot koning gezalfd; tegen deze mannen, de zonen van Seruja, ben ik niet opgewassen. Moge de HEER de misdadiger naar zijn misdaad vergelden.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="4">
      <VERS vnumber="1">Sauls zoon Isboset gaf alle moed op toen hij hoorde dat Abner in Hebron was vermoord. Heel Israël was ontredderd. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Aan het hoofd van de stoottroepen van de zoon van Saul stonden twee Beërotieten. Ze heetten Baäna en Rechab en waren zonen van Rimmon, een Beërotiet uit de stam Benjamin. De Beërotieten worden namelijk bij Benjamin gerekend, </VERS>
      <VERS vnumber="3">omdat ze in het verleden naar Gittaïm zijn gevlucht en daar tot op de dag van vandaag als vreemdeling zijn blijven wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Er was ook nog een zoon van Sauls zoon Jonatan. Hij was mank. Dat was zo gekomen: Toen hij vijf jaar oud was kwam uit Jizreël het bericht over Saul en Jonatan. Zijn voedster tilde hem op om te vluchten, maar in haar haast om weg te komen liet ze hem vallen, zodat hij kreupel werd. Zijn naam was Mefiboset. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Rechab en Baäna, de zonen van de Beërotiet Rimmon, gingen op weg en kwamen op het heetst van de dag bij het huis van Isboset, die juist zijn middagrust hield. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Onder het voorwendsel dat ze graan kwamen halen wisten de beide broers het huis binnen te dringen. Daar staken ze Isboset in de buik en toen maakten ze zich uit de voeten. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Ze drongen dus het huis binnen waar hij in het slaapvertrek op bed lag te slapen en staken hem dood. Ze sloegen zijn hoofd af en namen het mee. De hele nacht liepen ze door de Jordaanvallei. </VERS>
      <VERS vnumber="8">In Hebron aangekomen overhandigden ze het hoofd van Isboset aan koning David met de woorden: 'Hier is het hoofd van Isboset, de zoon van uw vijand Saul die u naar het leven stond. Vandaag heeft de HEER u, onze heer en koning, gewroken op Saul en zijn nageslacht.' </VERS>
      <VERS vnumber="9">David antwoordde Rechab en zijn broer Baäna, de zonen van de Beërotiet Rimmon: 'Zo waar de HEER leeft, die mij steeds uit de nood heeft gered! </VERS>
      <VERS vnumber="10">Waarachtig, de bode die mij in Siklag kwam vertellen dat Saul dood was, en die meende dat hij goed nieuws kwam brengen, die heb ik gegrepen en ter plekke gedood: dat was het bodeloon dat ik hem heb gegeven. </VERS>
      <VERS vnumber="11">En nu hebben sluipmoordenaars als jullie een onschuldig man in zijn huis op zijn bed vermoord! Zou ik dan niet zijn bloed aan jullie wreken en jullie van de aarde wegvagen?' </VERS>
      <VERS vnumber="12">David gaf zijn soldaten een teken, en Rechab en Baäna werden ter dood gebracht. Hun handen en voeten werden afgehakt en hun lijken werden opgehangen bij het waterbekken van Hebron. Het hoofd van Isboset werd begraven in het graf van Abner in Hebron. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="5">
      <VERS vnumber="1">Alle stammen van Israël kwamen bij David in Hebron en zeiden tegen hem: 'Hier zijn we, uw eigen vlees en bloed. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Ook vroeger al, toen Saul nog over ons regeerde, was u degene die de troepen van Israël aanvoerde. De HEER heeft u beloofd: Jij zult mijn volk, Israël, weiden; jij zult vorst over Israël zijn.' </VERS>
      <VERS vnumber="3">De oudsten van Israël kwamen bij de koning in Hebron. Daar sloot koning David ten overstaan van de HEER een verdrag met hen, en zij zalfden hem tot koning van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="4">David was dertig jaar toen hij koning werd en hij regeerde veertig jaar: </VERS>
      <VERS vnumber="5">vanuit Hebron regeerde hij zeven jaar en zes maanden over Juda en vanuit Jeruzalem regeerde hij drieëndertig jaar over heel Israël en Juda. </VERS>
      <VERS vnumber="6">De koning en zijn mannen trokken op naar Jeruzalem, waar de Jebusieten woonden. De Jebusieten zeiden tegen David: 'U komt er niet in! Sterker nog: de lammen en de blinden zullen u verjagen! David komt er niet in!' </VERS>
      <VERS vnumber="7">Toch veroverde David de bergvesting van Sion, de huidige Davidsburcht, </VERS>
      <VERS vnumber="8">en hij verklaarde: 'Wie de Jebusiet wil verslaan, hoeft slechts de watertoevoer af te snijden. En wat de lammen en de blinden betreft, die veracht ik uit de grond van mijn hart.' Daarom zegt men: Lammen en blinden, die komen het huis niet in. </VERS>
      <VERS vnumber="9">David ging in de bergvesting wonen en noemde deze de Davidsburcht. Hij liet een muur bouwen die liep van het Millobolwerk tot aan het paleis. </VERS>
      <VERS vnumber="10">In de loop der tijd werd David steeds machtiger, want de HEER, de God van de hemelse machten, stond hem ter zijde. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Koning Chiram van Tyrus stuurde afgezanten naar David en leverde hem cederhout en timmerlieden en steenhouwers voor de bouw van het paleis. </VERS>
      <VERS vnumber="12">David besefte dat de HEER hem als vorst over Israël had aangesteld, en hem ten behoeve van Israël, zijn volk, tot een machtig koning had gemaakt. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Na zijn komst uit Hebron nam David nog meer vrouwen en bijvrouwen, afkomstig uit Jeruzalem, en kreeg hij nog meer zonen en dochters. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Dit zijn de namen van de zonen die in Jeruzalem geboren werden: Sammua, Sobab, Natan en Salomo, </VERS>
      <VERS vnumber="15">Jibchar, Elisua, Nefeg en Jafia, </VERS>
      <VERS vnumber="16">en Elisama, Eljada en Elifelet. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Toen de Filistijnen hoorden dat David tot koning van Israël was gezalfd, rukten ze met al hun troepen uit omdat ze hem wilden overmeesteren. Zodra David dit vernam, verschanste hij zich in de bergvesting. </VERS>
      <VERS vnumber="18">De hele vallei van Refaïm stond al vol Filistijnen. </VERS>
      <VERS vnumber="19">David wendde zich tot de HEER en vroeg: 'Zal ik de Filistijnen aanvallen? Zult u ze aan mij uitleveren?' De HEER antwoordde: 'Ga op hen af! Ik verzeker je dat ik de Filistijnen aan je zal uitleveren.' </VERS>
      <VERS vnumber="20">David ging naar Baäl-Perasim. Daar versloeg hij hen, en sprak de woorden: 'De HEER is voor mij door de vijandelijke linies gebroken zoals plotseling opkomend water zich een baan breekt.' Daarom wordt die plaats Baäl-Perasim genoemd. </VERS>
      <VERS vnumber="21">De godenbeelden die door de Filistijnen waren achtergelaten, werden door David en zijn soldaten meegenomen. </VERS>
      <VERS vnumber="22">De Filistijnen waagden nog een tweede aanval. Opnieuw stond de hele vallei van Refaïm vol. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Opnieuw wendde David zich tot de HEER, en deze zei: 'Ga niet recht op hen af. Maak een omtrekkende beweging tot bij de moerbeibomen en val hen in de rug aan. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Zodra je in de boomkruinen het geluid van een aanstormend leger hoort, moet je toeslaan, want dan gaat de HEER voor je uit om het leger van de Filistijnen te verslaan.' </VERS>
      <VERS vnumber="25">David deed wat de HEER hem had bevolen en sloeg de Filistijnen terug van Geba tot Gezer. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="6">
      <VERS vnumber="1">Weer riep David alle weerbare mannen van Israël bijeen; het waren er dertigduizend. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Hij ging met zijn gevolg op weg om de ark van God op te halen uit Baäla in Juda, de ark waaraan een bijzondere naam verbonden is: die van de HEER van de hemelse machten, die op de cherubs troont. </VERS>
      <VERS vnumber="3">(3-4) Ze haalden de ark van God uit het huis van Abinadab, dat op een heuvel ligt, en laadden hem op een nieuwe wagen. Abinadabs zonen Uzza en Achio leidden de wagen; Achio liep voor de ark uit. </VERS>
      <VERS vnumber="5">David en de Israëlieten speelden voor de HEER op allerlei muziekinstrumenten van hout en op lieren en harpen, op tamboerijnen, rinkelbellen en cimbalen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Toen ze langs de plek kwamen waar Nachon zijn graan dorste, gingen de ossen daar op af. Uzza stak zijn hand uit en greep de ark van God vast. </VERS>
      <VERS vnumber="7">De HEER ontstak in woede tegen Uzza en strafte hem ter plekke voor zijn onachtzaamheid, zodat hij op slag dood was. </VERS>
      <VERS vnumber="8">David werd kwaad omdat de HEER Uzza had doorkliefd. Hij noemde die plaats Peres-Uzza, en zo heet het daar tot op de dag van vandaag. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Toen werd David bang voor de HEER en hij vroeg zich af: Hoe kan de ark van de HEER ooit bij mij in Jeruzalem komen? </VERS>
      <VERS vnumber="10">Hij durfde de ark niet meer terug te leiden op de weg naar de Davidsburcht, en liet de wagen afslaan naar het huis van Obed-Edom, een Gatiet. </VERS>
      <VERS vnumber="11">De ark van de HEER bleef drie maanden in het huis van Obed-Edom, en de HEER zegende Obed-Edom en zijn hele huishouden. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Toen koning David hoorde dat de HEER Obed-Edom en zijn familie en bezittingen had gezegend vanwege de aanwezigheid van de ark van God, ging hij naar het huis van Obed-Edom om de ark feestelijk in te halen in de Davidsburcht. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Telkens als de dragers van de ark van de HEER zes passen gedaan hadden, offerde hij een stier en een vetgemeste koe. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Vol overgave danste hij voor de HEER, slechts gekleed in een linnen priesterhemd. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Onder gejuich en stoten op de ramshoorn brachten David en de Israëlieten de ark van de HEER de berg op. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Toen de ark de Davidsburcht werd binnengedragen, stond Michal, de dochter van Saul, al op de uitkijk bij haar venster. Ze zag koning David dansen en springen voor de HEER, en haar hart vulde zich met minachting. </VERS>
      <VERS vnumber="17">De ark van de HEER werd neergezet in de tent die David ervoor had opgericht, en David bracht de HEER brandoffers en vredeoffers. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Na afloop daarvan zegende hij het volk in de naam van de HEER van de hemelse machten. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Aan heel het volk, aan alle aanwezige Israëlieten, zowel de mannen als de vrouwen, liet hij brood, gedroogde dadels en rozijnen uitdelen. Daarna ging iedereen naar huis. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Ook David ging naar huis, om zijn familie en bedienden te zegenen. Michal kwam hem tegemoet en zei: 'De koning van Israël heeft zich vandaag wel bijzonder waardig gedragen! Als de eerste de beste dwaas heeft hij zich voor de ogen van zijn slavinnen en onderdanen ontbloot!' </VERS>
      <VERS vnumber="21">David antwoordde: 'Dat deed ik voor de HEER, die mij heeft aangesteld als vorst over het volk van de HEER, over Israël, en mij zo heeft verkozen boven jouw vader en heel zijn familie; voor de HEER danste ik! </VERS>
      <VERS vnumber="22">En al zou ik me nog erger vernederen, al zou ik me zelfs in mijn eigen ogen verlagen, dan nog zou ik in aanzien staan bij de slavinnen over wie je spreekt.' </VERS>
      <VERS vnumber="23">Michal, de dochter van Saul, zou kinderloos blijven tot op de dag van haar dood. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="7">
      <VERS vnumber="1">Toen de koning zijn intrek had genomen in het paleis en de HEER hem rust had gegeven door hem van al zijn vijanden te verlossen, </VERS>
      <VERS vnumber="2">zei de koning tegen de profeet Natan: 'Kijk nu toch! Ik woon in een paleis van cederhout, terwijl de ark van God in een tent staat.' </VERS>
      <VERS vnumber="3">'Doe wat uw hart u ingeeft, 'antwoordde Natan, 'de HEER staat u immers ter zijde.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Maar diezelfde nacht richtte de HEER zich tot Natan: </VERS>
      <VERS vnumber="5">'Zeg tegen mijn dienaar, tegen David: "Dit zegt de HEER: Wil jij voor mij een huis bouwen om in te wonen? </VERS>
      <VERS vnumber="6">Ik heb toch nooit in een huis gewoond, vanaf de dag dat ik de Israëlieten uit Egypte heb geleid tot nu toe! Al die tijd trok ik rond in tent en tabernakel. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Overal heb ik met de Israëlieten rondgetrokken, en heb ik ooit aan een van de herders van Israël, die ik had aangesteld om mijn volk te weiden, gevraagd om voor mij een huis van cederhout te bouwen?" </VERS>
      <VERS vnumber="8">Welnu, zeg tegen mijn dienaar, tegen David: "Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Ik heb je achter de kudde vandaan gehaald om mijn volk, Israël, te leiden. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Ik heb je bijgestaan in alles wat je ondernam, ik heb al je vijanden voor je uitgeschakeld en ik heb je naam gevestigd als een van de groten der aarde. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Ik heb aan mijn volk, Israël, een gebied toegewezen. Daar heb ik het geplant en daar kan het nu onbevreesd wonen. Het wordt niet langer door misdadige volken onderdrukt, zoals toen het er pas woonde </VERS>
      <VERS vnumber="11">en ik rechters over mijn volk Israël had aangesteld. Jou heb ik rust gegeven door je van je vijanden te verlossen. De HEER zegt je dat hij voor jou een huis zal bouwen: </VERS>
      <VERS vnumber="12">Wanneer je leven voorbij is en je bij je voorouders te ruste gaat, zal ik je laten opvolgen door je eigen zoon en hem een bestendig koningschap schenken. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Hij zal een huis bouwen voor mijn naam, en ik zal ervoor zorgen dat zijn troon nooit wankelt. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Ik zal een vader voor hem zijn en hij voor mij een zoon: als hij zondigt, zal ik hem kastijden met stok- en zweepslagen, zoals een vader doet, </VERS>
      <VERS vnumber="15">maar hij zal nooit bij mij uit de gunst raken zoals Saul, die ik verstootte omwille van jou. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Jou stel ik in het vooruitzicht dat je koningshuis eeuwig zal voortbestaan en je troon nooit zal wankelen."' </VERS>
      <VERS vnumber="17">Natan bracht alles wat hij had gezien en gehoord aan David over. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Koning David ging het heiligdom binnen, nam plaats voor de HEER en bad: 'Wie ben ik, HEER, mijn God, wat is mijn familie, dat u mij zo ver hebt gebracht? </VERS>
      <VERS vnumber="19">En alsof dat nog niet genoeg was, HEER, mijn God, hebt u ook gesproken over de toekomst van mijn koningshuis. Moge dit de mensheid tot wet worden gesteld, HEER, mijn God. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Wat kan ik verder nog zeggen? U kent uw dienaar, HEER, mijn God. </VERS>
      <VERS vnumber="21">U hebt al deze grootse dingen gedaan en ze aan mij bekendgemaakt omdat u handelt naar uw woord en u houdt aan wat u zich hebt voorgenomen. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Daarom bent u groot, HEER, mijn God. Het is zoals ons altijd is voorgehouden: zoals u is er geen, er bestaat geen andere God dan u. </VERS>
      <VERS vnumber="23">En wie kan zich meten met Israël, uw volk? Het is het enige volk op aarde waarvoor een god zich heeft ingezet om het vrij te kopen en tot zijn volk te maken, om zo voor zichzelf een naam te vestigen door middel van grootse en indrukwekkende daden: omwille van uw volk, dat u hebt bevrijd, hebt u vreemde volken en hun goden op de vlucht gedreven. </VERS>
      <VERS vnumber="24">U hebt uw volk Israël voor altijd aan u toegewijd, en u, HEER, bent hun tot God. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Welnu, HEER, mijn God, houd u dan ook aan de belofte die u aan mij en mijn koningshuis hebt gedaan en doe uw woord voor altijd gestand. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Dan zal uw naam voor altijd in ere worden gehouden en zal men zeggen: "De HEER van de hemelse machten is God over Israël, "en dan zal het koningshuis van uw dienaar David altijd standhouden. </VERS>
      <VERS vnumber="27">U, HEER van de hemelse machten, God van Israël, hebt aan uw dienaar onthuld dat u voor mij een huis zult bouwen. Daarom durf ik dit gebed tot u te richten. </VERS>
      <VERS vnumber="28">U, HEER, mijn God, hebt me zo'n grootse toekomst beloofd. U alleen bent God, uw woorden zullen zeker in vervulling gaan. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Welnu, zegen dus mijn koningshuis opdat het altijd standhoudt. Dat hebt u, HEER, mijn God, immers beloofd. Moge het koningshuis van uw dienaar voor altijd door u gezegend zijn.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="8">
      <VERS vnumber="1">Enige tijd later versloeg David de Filistijnen. Hij onderwierp hen en ontnam hun het bestuur over hun hoofdstad. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Ook de Moabieten versloeg hij. Hij dwong hen op de grond te gaan liggen en mat de rij af met een touw: twee derde van de rij moest worden gedood en één derde mocht in leven blijven. Sindsdien waren de Moabieten aan David onderworpen en moesten ze schatting afdragen. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Later versloeg hij Hadadezer, de zoon van Rechob, de koning van Soba, toen deze op weg was om zijn macht over het gebied langs de Eufraat te herstellen. </VERS>
      <VERS vnumber="4">David nam zeventienhonderd wagenmenners en twintigduizend man voetvolk gevangen. De strijdwagens schakelde hij uit door van alle paarden, op honderd span na, de pezen door te laten snijden. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Van de Arameeërs uit de buurt van Damascus die koning Hadadezer van Soba te hulp kwamen, versloeg David er tweeëntwintigduizend. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Vervolgens bezette hij strategische punten in het rijk van Damascus. Sindsdien waren de Arameeërs aan hem onderworpen en moesten ze schatting afdragen. De HEER stond David bij in alles wat hij ondernam. </VERS>
      <VERS vnumber="7">David nam de gouden schilden van de lijfwacht van Hadadezer in beslag en nam ze mee naar Jeruzalem. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Uit Betach en Berotai, steden die aan Hadadezer toebehoorden, bracht hij een grote hoeveelheid koper mee. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Toen koning Toï van Hamat hoorde dat David het leger van Hadadezer had verslagen, </VERS>
      <VERS vnumber="10">liet hij zijn zoon Joram zijn opwachting maken bij koning David en hem gelukwensen met zijn overwinning. Toï was namelijk in oorlog met Hadadezer. Joram had geschenken bij zich van goud, zilver en koper. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Koning David wijdde deze geschenken aan de HEER, samen met het goud en zilver van de volken die hij had onderworpen: </VERS>
      <VERS vnumber="12">de Arameeërs, de Moabieten, de Ammonieten, de Filistijnen en de Amalekieten, en van Hadadezer, de koning van Soba. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Toen David na zijn overwinning op de Arameeërs terugkeerde, breidde hij zijn roem nog uit door de Edomieten in de Zoutvallei te verslaan, achttienduizend man. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Overal in Edom bezette hij strategische punten, en sindsdien waren de Edomieten aan David onderworpen. De HEER stond David bij in alles wat hij ondernam. </VERS>
      <VERS vnumber="15">David regeerde over heel Israël. Hij behandelde zijn onderdanen goed en rechtvaardig. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Joab, de zoon van Seruja, was opperbevelhebber van het leger; Josafat, de zoon van Achilud, was kanselier; </VERS>
      <VERS vnumber="17">Sadok, de zoon van Achitub, en Abjatar, de zoon van Achimelech, waren priester; Seraja was hofschrijver; </VERS>
      <VERS vnumber="18">Benaja, de zoon van Jojada, was bevelhebber van de Keretieten en Peletieten. Davids zonen waren ook priester. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="9">
      <VERS vnumber="1">David vroeg: 'Is er nog iemand over van de familie van Saul? Die zal ik dan goed behandelen, dat ben ik aan Jonatan verplicht.' </VERS>
      <VERS vnumber="2">Nu was er bij de familie van Saul een zekere Siba in dienst. Hij werd bij David geroepen, en de koning zei tegen hem: 'Bent u Siba?' 'Uw dienaar, heer, 'antwoordde hij. </VERS>
      <VERS vnumber="3">De koning vroeg hem: 'Is er nog iemand over van de familie van Saul? Die zal ik goed behandelen, zoals God dat voorschrijft.' Siba antwoordde: 'Er is nog een zoon van Jonatan, een kreupele.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">'Waar is hij?' vroeg de koning hem, en Siba antwoordde: 'Hij woont bij Machir, de zoon van Ammiël, in Lo-Debar.' </VERS>
      <VERS vnumber="5">Koning David liet de zoon van Jonatan, de kleinzoon van Saul, ophalen uit het huis van Machir in Lo-Debar. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Toen hij bij David kwam, liet hij zich op zijn knieën vallen en boog diep voorover. 'Mefiboset?' vroeg David, en hij antwoordde: 'Ik ben uw dienaar, heer.' </VERS>
      <VERS vnumber="7">Daarop zei David tegen hem: 'Wees niet bang, ik verzeker u dat ik u goed zal behandelen, dat ben ik aan uw vader Jonatan verplicht. Ik zal u het land van uw grootvader Saul teruggeven, en voortaan bent u aan mijn tafel te gast.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">Opnieuw boog Mefiboset, en hij zei: 'Wie ben ik, heer, dat u zich bekommert om een dode hond als ik?' </VERS>
      <VERS vnumber="9">Toen liet de koning Siba komen, de dienaar van Saul, en zei tegen hem: 'Alles wat aan Saul en zijn familie behoorde, geef ik aan de kleinzoon van uw meester. </VERS>
      <VERS vnumber="10">(10-12) U zult voor hem de grond bewerken, samen met uw zonen en knechten, en de opbrengst afdragen aan de kleinzoon van uw meester, zodat hij ervan leven kan. En Mefiboset, de kleinzoon van uw meester, is voortaan aan mijn tafel te gast.' Siba antwoordde de koning: 'Zoals u beveelt, mijn heer en koning. Het zal gebeuren.' Zo werd Mefiboset aan het hof opgenomen en behandeld als een van de koningszonen. Hij had een zoontje, dat Micha heette. Siba, die zelf vijftien zonen en twintig knechten had, was met alle leden van zijn huishouding in dienst bij Mefiboset. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Mefiboset woonde in Jeruzalem en was opgenomen aan het hof. Hij had een gebrek aan beide benen. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="10">
      <VERS vnumber="1">Enige tijd later stierf de koning van Ammon. Zijn zoon Chanun volgde hem op. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Toen zei David: 'Ik wil Chanun, de zoon van Nachas, op gepaste wijze behandelen, zoals zijn vader mij behandeld heeft, 'en hij stuurde afgezanten om hem zijn deelneming te betuigen met het verlies van zijn vader. Toen Davids afgezanten in Ammon waren aangekomen, </VERS>
      <VERS vnumber="3">zeiden de raadsheren van Ammon tegen hun vorst: 'Dacht u dat David u zijn deelneming laat overbrengen omdat hij de nagedachtenis van uw vader wil eren? Die afgezanten van hem zijn natuurlijk spionnen die de stad moeten verkennen, zodat hij haar te gronde kan richten!' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Daarop liet Chanun Davids afgezanten oppakken. Hij liet één kant van hun baard afscheren en de onderkant van hun kleren afscheuren, tot op hun achterste, en stuurde ze weg. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Toen koning David dit hoorde, liet hij aan de diep vernederde mannen de volgende boodschap overbrengen: 'Blijf in Jericho en kom pas terug wanneer uw baard is aangegroeid.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">De Ammonieten beseften dat ze zich bij David onmogelijk hadden gemaakt. Daarom wierven ze huurlingen: twintigduizend man voetvolk bij de Arameeërs van Rechob en Soba, duizend man bij de koning van Maächa en nog eens twaalfduizend bij Is-Tob. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Toen dit David ter ore kwam, stuurde hij Joab met zijn keurtroepen naar Rabba. </VERS>
      <VERS vnumber="8">De Ammonieten rukten uit en stelden zich in slagorde op voor de poort. De Arameeërs van Soba en Rechob en de mannen van Is-Tob en Maächa betrokken stellingen elders in het veld. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Joab, die zag dat hij op twee fronten werd bedreigd, koos de allerbeste soldaten van Israël uit en stelde deze op tegen de Arameeërs. </VERS>
      <VERS vnumber="10">De rest van de soldaten plaatste hij onder bevel van zijn broer Abisai en stelde hij op tegen de Ammonieten. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Daarbij zei hij: 'Als de Arameeërs sterker blijken dan ik, kom jij mij te hulp, en als de Ammonieten sterker blijken dan jij, zal ik jou helpen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Wees sterk! Laten we onze krachten bundelen omwille van ons volk en de steden van onze God; de HEER zal doen wat hij het beste vindt.' </VERS>
      <VERS vnumber="13">Zodra Joab met zijn soldaten de aanval opende, sloegen de Arameeërs op de vlucht. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Toen de Ammonieten zagen dat de Arameeërs waren gevlucht, maakten ze zich voor Abisai uit de voeten en trokken ze zich terug in de stad. Joab staakte de strijd tegen Ammon en ging terug naar Jeruzalem. </VERS>
      <VERS vnumber="15">De Arameeërs beseften dat ze door Israël verslagen waren en zochten versterking. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Hadadezer deed een beroep op de Arameeërs die aan de overkant van de Eufraat woonden, en liet ze naar Chelam oprukken onder aanvoering van zijn opperbevelhebber Sobach. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Toen David hiervan hoorde, verzamelde hij alle troepen van Israël en trok de Jordaan over naar Chelam. De Arameeërs stelden zich tegenover David op en vielen hem aan. </VERS>
      <VERS vnumber="18">De Israëlieten joegen hen op de vlucht, en David doodde zevenhonderd Aramese wagenmenners en veertigduizend ruiters. Ook opperbevelhebber Sobach werd door hem getroffen en gedood. </VERS>
      <VERS vnumber="19">De vazallen van Hadadezer moesten zich bij hun nederlaag neerleggen. Ze sloten vrede met Israël en onderwierpen zich. De Arameeërs waagden het voortaan niet meer om de Ammonieten te hulp te komen. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="11">
      <VERS vnumber="1">Bij het aanbreken van het voorjaar, de tijd waarin koningen gewoonlijk ten strijde trekken, stuurde David opnieuw een leger erop uit, onder leiding van Joab en zijn aanvoerders, om de Ammonieten te verslaan en Rabba te belegeren. Zelf bleef hij in Jeruzalem achter. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Op een keer stond hij aan het eind van de middag op van zijn rustbed en liep wat heen en weer over het dak van het paleis. Beneden zag hij een vrouw die aan het baden was. Ze was heel mooi om te zien. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Hij liet uitzoeken wie ze was, en men zei hem: 'Dat is Batseba, de dochter van Eliam, de vrouw van de Hethiet Uria.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">David liet haar bij zich komen en sliep met haar. (De voorgeschreven periode van onthouding na haar onreinheid was juist verstreken.) Daarna ging ze terug naar huis. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Enige tijd later merkte ze dat ze zwanger was. Ze liet dat aan David berichten, </VERS>
      <VERS vnumber="6">waarop David aan Joab opdracht gaf om Uria naar hem toe te sturen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Uria meldde zich op bevel van Joab bij David, die hem vroeg hoe Joab en het leger het maakten en hoe het er met de oorlog voorstond. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Vervolgens zei hij: 'Ga naar huis en ontspan u wat.' Toen Uria het paleis verliet, kreeg hij nog een geschenk van de koning mee. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Maar Uria ging niet naar huis; hij bleef slapen in het poortgebouw van het paleis, bij de knechten van zijn heer. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Toen men David verteld had dat Uria niet naar huis was gegaan, zei hij tegen hem: 'U hebt toch een lange reis achter de rug. Waarom bent u niet naar huis gegaan?' </VERS>
      <VERS vnumber="11">Uria antwoordde: 'De ark en het leger van Israël en Juda zijn ondergebracht in hutten, opperbevelhebber Joab en zijn manschappen bivakkeren in het open veld; zou ik dan naar huis gaan om te eten en te drinken, en te slapen met mijn vrouw? Zo waar u leeft, dat doe ik niet!' </VERS>
      <VERS vnumber="12">David zei tegen Uria: 'Blijf ook vandaag nog hier, dan laat ik u morgen teruggaan.' Uria bleef die dag dus nog in Jeruzalem. De dag daarop </VERS>
      <VERS vnumber="13">nodigde David hem bij zich aan tafel en voerde hem dronken. Toch ging Uria 's avonds niet naar huis, maar legde zich opnieuw te slapen bij de knechten van zijn heer. </VERS>
      <VERS vnumber="14">De volgende morgen schreef David Joab een brief, die hij aan Uria meegaf. </VERS>
      <VERS vnumber="15">In de brief stond: 'Stel Uria op waar het hevigst wordt gevochten en geef hem geen rugdekking, opdat hij wordt getroffen en sneuvelt.' </VERS>
      <VERS vnumber="16">Joab onderzocht waar de verdediging het sterkst was, en stelde Uria juist daar op. </VERS>
      <VERS vnumber="17">De verdedigers van de stad deden een uitval naar Joab. Er vielen slachtoffers onder de soldaten van David, en ook Uria vond de dood. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Joab liet aan David verslag uitbrengen van de strijd </VERS>
      <VERS vnumber="19">en beval de bode: 'Als je de koning het hele verloop van de strijd hebt verteld, </VERS>
      <VERS vnumber="20">en als hij dan woedend tegen je uitvalt: "Waarom hebben jullie je zo dicht bij de stad gewaagd? Jullie konden toch weten dat ze vanaf de muur zouden schieten! </VERS>
      <VERS vnumber="21">Zijn jullie soms vergeten hoe Abimelech, de zoon van Jerubbeset, in Tebes aan zijn einde is gekomen? Een vrouw heeft toen vanaf de stadsmuur een maalsteen op zijn hoofd gegooid, zodat hij stierf. Waarom hebben jullie je dan zo dicht bij de muur gewaagd?" dan moet je zeggen: "Ook uw bevelhebber Uria is omgekomen."' </VERS>
      <VERS vnumber="22">De bode ging naar David en vertelde hem alles wat Joab hem had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Hij zei tegen David: 'Onze tegenstanders waren sterker dan wij en deden een uitval naar ons. We dreven ze terug tot voor de poort, </VERS>
      <VERS vnumber="24">maar toen namen de boogschutters ons vanaf de muur onder schot en sneuvelden er soldaten van de koning. Ook uw bevelhebber Uria is omgekomen.' </VERS>
      <VERS vnumber="25">David droeg de bode op om tegen Joab te zeggen: 'U moet er maar niet te slecht over oordelen; de oorlog eist nu eenmaal zijn tol. Houd moed! Heropen de aanval op de stad en maak haar met de grond gelijk.' </VERS>
      <VERS vnumber="26">De vrouw van Uria kreeg bericht dat haar man was gesneuveld, en ze treurde om haar echtgenoot. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Toen de rouwtijd voorbij was, nam David haar bij zich aan het hof. Zij werd zijn vrouw en baarde hem een zoon. Naar het oordeel van de HEER was het wel degelijk slecht wat David had gedaan. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="12">
      <VERS vnumber="1">Hij stuurde de profeet Natan naar David toe om hem het volgende te vertellen: 'Er woonden eens twee mannen in dezelfde stad, een rijke en een arme. </VERS>
      <VERS vnumber="2">De rijke man had heel veel geiten, schapen en runderen, </VERS>
      <VERS vnumber="3">de arme man had niet meer dan één lammetje kunnen kopen. Hij koesterde het en het groeide bij hem op, samen met zijn kinderen. Het at van zijn brood en dronk uit zijn beker en sliep in zijn schoot; hij had het lief als een dochter. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Op zekere dag kreeg de rijke man een gast op bezoek. Hij kon het niet over zijn hart verkrijgen om de reiziger een van zijn eigen geiten, schapen of runderen voor te zetten. Daarom nam hij het lammetje van de arme man en zette dat zijn gast voor.' </VERS>
      <VERS vnumber="5">David ontstak in woede over de rijke man en zei tegen Natan: 'Zo waar de HEER leeft, de man die zoiets doet verdient de dood. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Viervoudig moet hij het lam vergoeden, omdat hij zich zo harteloos heeft gedragen.' </VERS>
      <VERS vnumber="7">Toen zei Natan: 'Die man, dat bent u! Dit zegt de HEER, de God van Israël: Ik was het die je zalfde tot koning van Israël, ik was het die je redde uit de greep van Saul. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Have en goed van je heer, en de vrouwen van je heer erbij, heb ik jou in de schoot geworpen; de heerschappij over Israël en Juda heb ik aan jou overgedragen. Als dat je te weinig is, zal ik er nog het een en ander aan toevoegen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Waarom heb je dan mijn geboden met voeten getreden door iets te doen dat slecht is in mijn ogen? De Hethiet Uria is door jouw toedoen gedood. Je hebt hem zijn vrouw afgenomen en hem in de strijd tegen de Ammonieten laten vermoorden. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Welnu, voortaan zullen moord en doodslag in je koningshuis om zich heen grijpen, omdat je mij hebt getrotseerd en de vrouw van Uria tot vrouw hebt genomen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Dit zegt de HEER: Je eigen familie zal een bron van ellende voor je worden. Je zult moeten aanzien dat ik je vrouwen aan een ander geef, aan iemand van je eigen familie. Die zal met je vrouwen slapen op klaarlichte dag. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Jij hebt in het diepste geheim gehandeld, maar ik zal dit laten gebeuren ten overstaan van heel Israël en in het volle daglicht.' </VERS>
      <VERS vnumber="13">David antwoordde Natan: 'Ik heb gezondigd tegen de HEER.' Toen zei Natan: 'De HEER vergeeft u die zonde, u zult niet sterven. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Maar omdat u de vijanden van de HEER aanleiding hebt gegeven tot laster, moet wel uw pasgeboren zoon sterven.' </VERS>
      <VERS vnumber="15">Daarop ging Natan naar huis. De HEER trof het kind dat de vrouw van Uria David gebaard had met een dodelijke ziekte. </VERS>
      <VERS vnumber="16">David bad tot God voor de jongen. Hij vastte streng en legde zich 's nachts op de grond te slapen. </VERS>
      <VERS vnumber="17">De hovelingen probeerden hem ertoe te bewegen van de grond op te staan, maar hij weigerde, en hij wilde ook geen eten aannemen. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Na zeven dagen stierf het kind. Davids dienaren durfden hem niet te zeggen dat het kind was gestorven. Ze zeiden tegen elkaar: 'Toen het kind nog leefde wilde hij al niet naar ons luisteren. Hoe kunnen we hem dan zeggen dat het gestorven is? Hij zal een ongeluk begaan.' </VERS>
      <VERS vnumber="19">David zag zijn dienaren met elkaar fluisteren. Hij begreep dat het kind gestorven was en vroeg hun: 'Is mijn kind dood?' 'Ja, het is gestorven, 'antwoordden ze. </VERS>
      <VERS vnumber="20">David stond van de grond op, nam een bad, wreef zich in met olie en trok andere kleren aan. Hij ging het huis van de HEER binnen en knielde. Daarna ging hij naar huis en liet zich iets te eten brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Zijn dienaren vroegen hem: 'Hoe kunt u dat nu doen? Toen het kind nog leefde, vastte u en stortte u tranen, maar nu het gestorven is, staat u op en gaat u eten.' </VERS>
      <VERS vnumber="22">Hij antwoordde: 'Toen het kind nog leefde, vastte ik en stortte ik tranen. Ik dacht: Wie weet is de HEER me genadig en blijft het kind in leven. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Maar nu het dood is, wat zou ik nu nog vasten? Daarmee kan ik het toch niet terughalen. Ik ga naar hem toe; hij komt niet terug bij mij.' </VERS>
      <VERS vnumber="24">David troostte zijn vrouw Batseba. Hij sliep met haar en ze kreeg een zoon, die hij Salomo noemde. De HEER had het kind lief </VERS>
      <VERS vnumber="25">en gaf het bij monde van de profeet Natan de naam Jedidja, 'Lieveling van de HEER'. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Ondertussen had Joab de Ammonieten in Rabba belegerd. Toen hij de koningsburcht had omsingeld, </VERS>
      <VERS vnumber="27">liet hij aan David de volgende boodschap overbrengen: 'Ik sta op het punt om Rabba in te nemen; de watertoevoer heb ik afgesneden. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Roept u nu de overige soldaten op, sla uw kamp op bij de stad en neem haar in, zodat de verovering van Rabba niet op mijn naam komt te staan.' </VERS>
      <VERS vnumber="29">David riep alle soldaten op, ging naar Rabba, viel de stad aan en nam haar in. </VERS>
      <VERS vnumber="30">De koning van de Ammonieten nam hij de kroon van het hoofd. Deze kroon, waarin wel een talent aan goud en edelstenen was verwerkt, rustte voortaan op Davids hoofd. Hij voerde een zeer grote buit uit de stad weg. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Ook de inwoners van de stad voerde hij weg, en hij stelde hen te werk in steengroeven en steenbakkerijen. Hetzelfde deed hij met alle andere steden van Ammon. Daarna keerde David met het hele leger naar Jeruzalem terug. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="13">
      <VERS vnumber="1">Enige tijd later gebeurde het volgende. Absalom, een zoon van David, had een zuster die Tamar heette. Ze was heel mooi. Amnon, de oudste zoon van David, werd verliefd op haar. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Maar omdat ze als jong meisje onder streng toezicht stond, zag hij geen kans om haar te benaderen. Hij werd bijna ziek van verlangen naar zijn halfzuster. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Nu was Amnon bevriend met zijn neef Jonadab, de zoon van Davids broer Sima, en deze Jonadab was iemand met veel ervaring. </VERS>
      <VERS vnumber="4">'Zeg eens, Amnon, 'vroeg hij aan de koningszoon, 'waarom ben je toch al dagenlang zo neerslachtig?' Amnon antwoordde: 'Omdat ik verliefd ben op Tamar, de zuster van mijn broer Absalom.' </VERS>
      <VERS vnumber="5">Jonadab raadde hem aan: 'Ga op je bed liggen en doe alsof je ziek bent. Wanneer je vader dan naar je komt kijken, moet je tegen hem zeggen: "Kon Tamar maar komen om me te eten te geven. Als zij hier iets versterkends klaarmaakt zodat ik het met eigen ogen kan zien, dan zal ik wel eten."' </VERS>
      <VERS vnumber="6">Dus ging Amnon op bed liggen en deed hij alsof hij ziek was. Toen de koning naar hem kwam kijken, zei Amnon tegen hem: 'Kon Tamar maar komen en hier twee hartenkoeken klaarmaken. Als zij ze me aanreikt, zal ik wel eten.' </VERS>
      <VERS vnumber="7">Meteen stuurde David een boodschap naar Tamar: 'Ga vlug naar Amnon en maak iets versterkends voor hem klaar.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">Tamar ging naar het huis van haar broer Amnon. Terwijl hij op bed bleef liggen, maakte ze deeg, kneedde het en vormde er onder zijn ogen harten van. Toen ze de hartenkoeken gebakken had, </VERS>
      <VERS vnumber="9">zette ze de schaal klaar, maar Amnon weigerde te eten. Hij stuurde alle aanwezigen weg </VERS>
      <VERS vnumber="10">en zei toen tegen Tamar: 'Breng de koeken hier en reik ze me met je eigen handen aan.' Tamar bracht de hartenkoeken naar het slaapvertrek van haar broer Amnon </VERS>
      <VERS vnumber="11">en hield ze hem voor. Maar hij greep haar beet en zei tegen haar: 'Kom, mijn zusje, kom bij me liggen.' </VERS>
      <VERS vnumber="12">Ze smeekte: 'Nee, mijn broer, laat dat! Raak me niet aan! Zoiets schandelijks doet men in Israël toch niet! </VERS>
      <VERS vnumber="13">Denk eens aan mij, wat moet er van me worden als ik van mijn eer ben beroofd? En denk eens aan jezelf, heel Israël zal schande van je spreken. Praat toch eerst met de koning, hij zal jou mijn hand heus niet weigeren.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">Maar hij wilde niet luisteren naar wat ze zei, en hij overweldigde haar en onteerde haar en verkrachtte haar. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Meteen welde een diepe haat in Amnon op. Hij haatte haar zelfs meer dan hij haar eerst had liefgehad. 'Sta op, ga weg!' beet hij haar toe. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Tamar riep uit: 'Dat kun je niet doen! Me wegsturen is nog erger dan het andere dat je me al hebt aangedaan.' Maar hij wilde niet naar haar luisteren. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Hij riep zijn bediende en zei: 'Laat die vrouw uit mijn ogen verdwijnen. Zet haar het huis uit en doe de deur achter haar op slot.' </VERS>
      <VERS vnumber="18">Tamar droeg een veelkleurig gewaad, zoals de jonge, huwbare koningsdochters dat als overkleed droegen. Toen Amnons bediende haar op straat had gezet en de deur achter haar had vergrendeld, </VERS>
      <VERS vnumber="19">wierp ze stof over haar hoofd en scheurde ze haar veelkleurig kleed. Ze greep naar haar hoofd en liep jammerend naar huis. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Daar vroeg haar broer Absalom haar: 'Is Amnon je te na gekomen? Zwijg dan, zusje, hij is je broer; je doet er beter aan het te laten rusten.' Tamar bleef voortaan bij haar broer Absalom, van het leven afgesneden. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Toen koning David hoorde wat er gebeurd was, werd hij woedend. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Absalom sprak er niet met Amnon over, er viel tussen hen geen onvertogen woord, maar hij haatte hem omdat hij zijn zuster Tamar had onteerd. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Twee jaar later nodigde Absalom alle zonen van de koning uit om bij hem in Baäl-Chasor, in de buurt van Efraïm, het schapenscheerdersfeest bij te wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Hij ging naar de koning en vroeg: 'Ze zijn bij mij de schapen aan het scheren; mag ik u en de uwen vragen onze gasten te zijn?' </VERS>
      <VERS vnumber="25">De koning antwoordde: 'Nee, mijn zoon, laten we dat maar niet doen, we zouden je met zijn allen tot last zijn.' Hoe Absalom ook aandrong, de koning bleef bij zijn weigering en wilde al afscheid nemen. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Toen zei Absalom: 'Als u niet wilt komen, laat dan mijn broer Amnon met ons meegaan.' 'Waarom dan toch?' vroeg de koning, </VERS>
      <VERS vnumber="27">maar Absalom bleef aandringen, en ten slotte stuurde de koning Amnon en de andere koningszonen met hem mee. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Toen beval Absalom zijn dienaren: 'Let op, wanneer de wijn Amnon naar het hoofd gestegen is en ik tegen jullie zeg: "Sla Amnon dood!" dan moeten jullie hem doden. Jullie hoeven niets te vrezen, want ik heb het jullie zelf bevolen. Houd je flink en aarzel niet.' </VERS>
      <VERS vnumber="29">Zodra Absaloms dienaren met Amnon hadden gedaan zoals Absalom bevolen had, stonden alle koningszonen op, sprongen op hun muildieren en maakten dat ze wegkwamen. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Terwijl ze nog onderweg waren, bereikte David het gerucht dat Absalom alle koningszonen had gedood en dat niet één van hen ontkomen was. </VERS>
      <VERS vnumber="31">De koning stond op, scheurde zijn kleren en wierp zich op de grond. De hele hofhouding stond met gescheurde kleren om hem heen. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Toen nam Jonadab, de zoon van Davids broer Sima, het woord en zei: 'Het is niet waar dat alle jongens, al uw zonen zijn gedood, mijn heer en koning; alleen Amnon is dood. Vanaf de dag dat Amnon zijn zuster Tamar had onteerd, beschouwde Absalom het immers als zijn plicht om hem te doden. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Neem het gerucht dat al uw zonen zijn gedood dus niet ernstig, want alleen Amnon is dood.' </VERS>
      <VERS vnumber="34">Even later meldde de wachtpost die op de uitkijk stond, dat hij in de verte vanuit de bergen een grote menigte zag aankomen. Absalom had inmiddels een veilig heenkomen gezocht. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Jonadab zei tegen de koning: 'Ziet u wel, daar komen de koningszonen, wat heb ik u gezegd?' </VERS>
      <VERS vnumber="36">Hij was nog niet uitgesproken, of inderdaad, daar kwamen de koningszonen al aan. Ze begonnen luidkeels te jammeren, en ook de koning en alle hovelingen schreeuwden het uit van verdriet. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Ondertussen vond Absalom een veilig heenkomen bij Talmai, de zoon van Ammichur, de koning van Gesur, terwijl David bleef rouwen over zijn zoon. </VERS>
      <VERS vnumber="38">Toen Absalom drie jaar in Gesur woonde, waar hij een veilig heenkomen gevonden had, </VERS>
      <VERS vnumber="39">vatte koning David het plan op om tegen Absalom ten strijde te trekken, want de rouw over de dood van Amnon was voorbij. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="14">
      <VERS vnumber="1">Het ontging opperbevelhebber Joab niet dat de koning Absalom vijandig gezind was. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Hij liet uit Tekoa een wijze vrouw komen en zei tegen haar: 'Doe alsof u in de rouw bent: trek een rouwkleed aan, wrijf u niet in met olie en gedraag u als een vrouw die al vele jaren om een dode treurt. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Ga dan naar de koning en zeg hem wat ik u nu vertel.' En hij legde haar woordelijk in de mond wat ze moest zeggen. </VERS>
      <VERS vnumber="4">De vrouw uit Tekoa wendde zich tot de koning. Ze knielde, boog diep voorover en zei: 'Mijn heer en koning, help me alstublieft.' </VERS>
      <VERS vnumber="5">De koning vroeg wat er aan de hand was, en ze vertelde: 'Ach heer, ik ben een weduwe; mijn man is gestorven. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Op een keer kregen mijn twee zonen ruzie buiten op het veld, en er was niemand die tussenbeide kwam. Toen heeft de een de ander doodgeslagen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Nu is mijn hele familie tegen mij in het geweer gekomen. Ze zeggen: "Lever die broedermoordenaar aan ons uit, dan zullen we hem ter dood brengen om het leven te vergelden van de broer die hij heeft doodgeslagen. Ook al is hij de stamhouder, we zullen hem doden." Zo zullen ze het laatste kooltje dat mij rest uitdoven, en dan zal er op aarde niets meer zijn dat nog aan mijn man en zijn naam herinnert.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">'Ga gerust naar huis, 'zei de koning, 'ik zal zorgen dat het in orde komt.' </VERS>
      <VERS vnumber="9">Maar de vrouw uit Tekoa hield aan: 'Jawel, maar ik en mijn familie krijgen de schuld, mijn heer en koning; u en uw troon zal men niets verwijten.' </VERS>
      <VERS vnumber="10">Toen zei de koning: 'Als iemand het er niet mee eens is, verwijst u die maar naar mij; ik zal zorgen dat ze u niet langer lastigvallen.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">Maar de vrouw smeekte: 'Mijn heer en koning, wilt u niet de HEER, uw God, als getuige aanroepen dat er niet door bloedwraak nog meer kwaad wordt aangericht en dat ze mijn zoon niet van het leven beroven?' En hij zei: 'Zo waar de HEER leeft, uw zoon zal geen haar worden gekrenkt.' </VERS>
      <VERS vnumber="12">Toen zei de vrouw: 'Als mijn heer en koning mij toestaat, zou ik graag nog iets zeggen.' 'Spreek vrijuit, 'antwoordde hij, </VERS>
      <VERS vnumber="13">en de vrouw zei: 'Waarom wilt u dan wel zoiets doen tegen Gods eigen volk? Wanneer u uw balling niet terugroept, beschuldigt u met deze uitspraak uzelf. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Sterven zullen we immers allemaal; we zijn als water dat in de aarde wegvloeit wanneer het niet wordt opgevangen. Zou God niet op middelen zinnen en alles in het werk stellen om zijn balling terug te roepen? </VERS>
      <VERS vnumber="15">Dat ik gekomen ben om u, mijn heer en koning, deze zaak voor te leggen, is omdat de mensen me bang hebben gemaakt. Ik dacht bij mezelf: Laat ik mijn zaak aan de koning voorleggen, wellicht voldoet hij aan mijn verzoek. </VERS>
      <VERS vnumber="16">De koning zal me beslist gehoor geven en zorgen dat niemand mij en mijn zoon uit Gods eigen land verdrijft. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Ik zei bij mezelf: De koning zal het verlossende woord spreken. U bent immers als een engel van God, mijn heer en koning, zoals u het voor en tegen van een zaak tegen elkaar afweegt. Moge de HEER, uw God, u ter zijde staan.' </VERS>
      <VERS vnumber="18">Hierop zei de koning tegen de vrouw: 'Nu wil ik u iets vragen, en ik verwacht een eerlijk antwoord.' 'Wat wilt u weten, mijn heer?' vroeg ze, </VERS>
      <VERS vnumber="19">en de koning zei: 'Heeft Joab hier soms de hand in?' De vrouw antwoordde: 'Zo waar u leeft, mijn heer en koning, u hebt het bij het rechte eind. Het is inderdaad uw dienaar Joab die me dit heeft opgedragen. Hij heeft me deze woorden in de mond gelegd. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Dat heeft hij gedaan om u de zaak op een verhulde manier voor te leggen. U bent werkelijk zo wijs als een engel van God, mijn heer en koning, zoals u alles doorziet.' </VERS>
      <VERS vnumber="21">De koning zei tegen Joab: 'Goed dan, ik zal doen waar u op aanstuurt. U kunt mijn zoon Absalom terughalen.' </VERS>
      <VERS vnumber="22">Joab knielde, boog diep voorover en zei: 'Ik dank u, mijn heer en koning, dat u mij goedgezind bent en mijn verzoek inwilligt.' </VERS>
      <VERS vnumber="23">Daarop vertrok hij naar Gesur en haalde Absalom terug naar Jeruzalem. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Toen zei de koning: 'Laat hij rechtstreeks naar zijn huis gaan, want ontvangen zal ik hem niet.' Zo keerde Absalom naar huis terug, maar door de koning werd hij niet ontvangen. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Nu was er in heel Israël geen man die zo om zijn uiterlijk bewonderd werd als Absalom; van voetzool tot kruin was er niets dat hem ontsierde. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Wanneer hij zijn hoofdhaar knipte-hij moest het elk jaar afknippen, anders werd het te zwaar-woog dat wel tweehonderd sjekel volgens het koninklijk ijkgewicht. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Absalom had drie zonen, en ook een dochter, die Tamar heette; zij groeide op tot een mooie vrouw. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Toen Absalom twee jaar in Jeruzalem woonde zonder dat hij door de koning was ontvangen, </VERS>
      <VERS vnumber="29">riep hij Joab bij zich om hem te vragen of hij bij de koning wilde bemiddelen. Maar Joab wilde niet komen. Opnieuw liet hij Joab roepen, en opnieuw weigerde deze. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Daarop zei hij tegen zijn knechten: 'Zien jullie die akker van Joab, hiernaast, waar hij gerst heeft staan? Ga erheen en steek de akker in brand.' De knechten van Absalom deden wat hun was opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Toen kwam Joab naar het huis van Absalom en vroeg hem: 'Waarom hebben uw knechten mijn akker in brand gestoken?' </VERS>
      <VERS vnumber="32">Absalom antwoordde: 'Ik heb u laten roepen om u te vragen naar de koning te gaan en hem uit mijn naam te zeggen: "Waarom ben ik eigenlijk uit Gesur teruggekomen? Het was beter geweest als ik daar was gebleven. Ik wil nu dat u mij ontvangt. Als mij iets te verwijten valt, laat me dan ter dood brengen."' </VERS>
      <VERS vnumber="33">Joab ging naar de koning en vertelde het hem. Toen liet de koning Absalom komen. Hij knielde voor de koning en boog diep voorover, en de koning kuste Absalom. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="15">
      <VERS vnumber="1">Enige tijd later liet Absalom een wagen maken, schafte zich paarden aan en nam een escorte van vijftig man in dienst. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Elke ochtend vroeg stelde hij zich op bij de stadspoort. Hij sprak iedereen aan die op weg was naar de koning om een uitspraak te vragen in een rechtsgeschil. 'Waar komt u vandaan?' vroeg hij dan, en wanneer het antwoord luidde: 'Uit dat en dat stamgebied van Israël,' </VERS>
      <VERS vnumber="3">dan zei Absalom: 'Hoor eens, ook al hebt u volkomen gelijk, bij de koning zult u geen gehoor vinden.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">En hij vervolgde: 'Waarom word ik niet aangesteld tot rechter van dit land? Ik zou iedereen in het gelijk stellen die een geschil of een rechtsvordering aan me kwam voorleggen.' </VERS>
      <VERS vnumber="5">Wanneer zo iemand dan voor Absalom wilde neerknielen, breidde Absalom zijn armen uit en omhelsde hem. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Zo trad hij iedereen uit Israël tegemoet die een uitspraak kwam vragen bij de koning, en op die manier palmde hij het volk van Israël in. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Toen er vier jaar verstreken waren zei Absalom tegen de koning: 'Ik vraag u toestemming om naar Hebron te gaan en de gelofte in te lossen die ik de HEER heb gedaan. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Ik heb tijdens mijn verblijf te Gesur in Aram namelijk aan de HEER beloofd dat ik hem eer zou bewijzen wanneer hij ervoor zorgde dat ik in Jeruzalem terugkeerde.' </VERS>
      <VERS vnumber="9">De koning antwoordde: 'Ga gerust.' Absalom ging op weg naar Hebron. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Eerst stuurde hij echter handlangers naar alle stamgebieden van Israël met de boodschap: 'Zodra het geluid van de ramshoorn klinkt, moeten jullie dit bekendmaken: "Absalom is in Hebron tot koning uitgeroepen!"' </VERS>
      <VERS vnumber="11">Tweehonderd genodigden uit Jeruzalem vergezelden Absalom op weg naar Hebron. Ze gingen nietsvermoedend en volkomen te goeder trouw met hem mee. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Ook Achitofel, de raadsheer van David, liet hij voor het offermaal overkomen uit diens woonplaats Gilo. Steeds meer mensen sloten zich bij Absalom aan. Zo ontstond een wijdvertakte samenzwering. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Toen David bericht kreeg dat het volk van Israël de kant van Absalom had gekozen, </VERS>
      <VERS vnumber="14">zei hij tegen zijn hovelingen: 'Kom, we moeten vluchten, willen we aan Absalom ontkomen. Snel, we moeten hem vóór blijven, want als hij ons hier in Jeruzalem overvalt, zal hij een bloedbad aanrichten en is het met ons gedaan.' </VERS>
      <VERS vnumber="15">'Zoals u wilt, mijn heer en koning, 'antwoordden de hovelingen. 'Wij staan tot uw beschikking.' </VERS>
      <VERS vnumber="16">De koning vertrok, en zijn hele hofhouding volgde hem. Hij liet echter tien van zijn bijvrouwen achter om voor het huis te zorgen. </VERS>
      <VERS vnumber="17">De koning vertrok, en al zijn soldaten volgden hem. In Bet-Hammerchak hielden ze halt. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Nadat de lijfwacht van Keretieten en Peletieten aan de koning voorbijgetrokken was, kwamen ook zeshonderd Gatieten voorbij, die zich bij hem hadden aangesloten. </VERS>
      <VERS vnumber="19">De koning zei tegen hun leider Ittai: 'Maar ú hoeft toch niet met ons mee te gaan? Keer terug en voeg u bij de nieuwe koning. U bent immers een vreemdeling, verbannen uit uw eigen woonplaats. </VERS>
      <VERS vnumber="20">U bent pas onlangs aangekomen, dan kan ik toch niet van u verlangen dat u nu weer met ons meegaat? Ik weet zelf niet eens waar ik terecht zal komen. Keer terug en neem uw mensen met u mee. Moge de HEER u goed en welwillend behandelen.' </VERS>
      <VERS vnumber="21">Maar Ittai antwoordde: 'Zo waar de HEER leeft, en zo waar u leeft, mijn heer en koning, ik zal u volgen waar u ook gaat, in leven of dood.' </VERS>
      <VERS vnumber="22">'Goed, 'zei David tegen Ittai, 'u kunt meegaan.' Daarop ging Ittai weer verder, met iedereen die bij hem was, mannen, vrouwen en kinderen. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Het volk jammerde luidkeels terwijl het leger voorbijtrok. Toen de koning de Kidron overstak en het leger de weg naar de woestijn insloeg, </VERS>
      <VERS vnumber="24">zag hij Sadok, die samen met de Levieten de ark van het verbond met God droeg. Ze zetten de ark van God neer en Abjatar bracht brandoffers tot iedereen vanuit de stad voorbijgetrokken was. </VERS>
      <VERS vnumber="25">De koning zei tegen Sadok: 'Breng de ark van God terug naar de stad. Als de HEER me gunstig gezind is, zal hij zorgen dat ik terugkeer en de ark terugzie op zijn eigen plaats. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Maar als de HEER mij afwijst, dan zal ik me daar bij neerleggen. Hij mag met me doen wat hij het beste vindt.' </VERS>
      <VERS vnumber="27">En hij vervolgde: 'U en Abjatar kunnen gerust teruggaan naar de stad en dan uw zonen Achimaäs en Jonatan met u meenemen. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Ikzelf zal wachten in de woestijn, waar men de Jordaan kan oversteken, tot ik bericht van u krijg.' </VERS>
      <VERS vnumber="29">Sadok en Abjatar brachten de ark van God dus terug naar Jeruzalem en bleven in de stad. </VERS>
      <VERS vnumber="30">David ging de helling van de Olijfberg op. Jammerend klom hij naar boven, zijn hoofd bedekt en barrevoets. Allen die met hem meegingen, hadden hun hoofd bedekt en klommen jammerend naar boven. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Toen kreeg David bericht dat Achitofel zich bij de samenzwering van Absalom had gevoegd, en hij riep uit: 'Ach HEER, verijdel toch de plannen van Achitofel!' </VERS>
      <VERS vnumber="32">Toen David de gebedsplaats op de top van de berg had bereikt, kwam de Arkiet Chusai hem tegemoet. Hij had zijn kleren gescheurd en stof over zijn hoofd geworpen. </VERS>
      <VERS vnumber="33">David zei tegen hem: 'Als u met me meegaat, bent u me alleen maar tot last. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Gaat u liever terug naar de stad en zeg tegen Absalom: "Mijn koning, uw dienaar zal ik zijn; zoals ik vroeger uw vader heb gediend, zo zal ik nu u dienen." Op die manier kunt u voor mij de plannen van Achitofel doorkruisen. </VERS>
      <VERS vnumber="35">De priesters Sadok en Abjatar zijn daar namelijk ook. Alles wat u in het paleis ter ore komt, moet u aan hen beiden doorvertellen. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Ze hebben hun twee zonen bij zich, Achimaäs en Jonatan. Laat hen alles aan mij doorgeven wat u ter ore komt.' </VERS>
      <VERS vnumber="37">Chusai, de vertrouwensman van David, kwam in Jeruzalem aan juist toen Absalom de stad binnentrok. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="16">
      <VERS vnumber="1">Nauwelijks was David de top van de berg over, of daar kwam Siba, de dienaar van Mefiboset, hem met een span ezels tegemoet. Deze waren bepakt met tweehonderd broden, honderd plakken rozijnen, honderd verse vruchten en een zak wijn. </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Wat hebt u daar?' vroeg de koning, en Siba zei: 'De ezels zijn voor de koninklijke familie om erop te rijden, het brood en de vruchten zijn voor de soldaten om te eten en de wijn is om te drinken voor wie uitgeput raakt in de woestijn.' </VERS>
      <VERS vnumber="3">De koning vroeg: 'En waar is de kleinzoon van uw meester Saul?' Siba antwoordde: 'Die is in Jeruzalem gebleven omdat, zoals hij zei, het volk van Israël hem vandaag het koningschap van zijn grootvader teruggeeft.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Toen zei de koning tegen Siba: 'Dan is alles wat Mefiboset bezit voortaan van u.' En Siba zei: 'Ik dank mijn heer en koning nederig, dat hij mij zo gunstig gezind is.' </VERS>
      <VERS vnumber="5">Zodra David bij Bachurim was aangekomen, kwam er iemand aanlopen uit de familie van Saul, een zekere Simi, de zoon van Gera. Vloekend en tierend kwam hij aanlopen, </VERS>
      <VERS vnumber="6">en hoewel David door zijn lijfwacht van heldhaftige soldaten was omringd, bekogelde hij de koning en zijn gevolg met stenen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Hij vloekte en schreeuwde: 'Maak dat je wegkomt, moordenaar! Stuk ongeluk! </VERS>
      <VERS vnumber="8">Je hebt je de troon van Saul toegeëigend. Nu wreekt de HEER het bloed van Saul en zijn familie aan jou en geeft hij het koningschap aan Absalom, je zoon. Dat is je verdiende loon, moordenaar die je bent!' </VERS>
      <VERS vnumber="9">Joabs broer Abisai zei tegen de koning: 'Hoe waagt dat hondsvot het mijn heer en koning te vervloeken? Uit de weg jullie, ik sla zijn kop eraf!' </VERS>
      <VERS vnumber="10">Maar de koning zei: 'Wat heb ik met jullie te maken, zonen van Seruja? Hij vervloekt mij; en wat dan nog? Dat heeft de HEER hem natuurlijk ingegeven. Wat vraag je dan: Hoe waagt hij het?' </VERS>
      <VERS vnumber="11">En tot het hele gezelschap vervolgde David: 'Luister, mijn bloedeigen zoon staat me naar het leven. Zou deze afstammeling van Benjamin me dan met rust laten? Laat hem maar vloeken, de HEER heeft het hem immers ingegeven. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Misschien merkt de HEER mijn ellende op en vergoedt hij me later de vervloeking van vandaag.' </VERS>
      <VERS vnumber="13">Toen zetten David en zijn gevolg zich weer in beweging. Simi bleef op een iets hoger gelegen bergrichel vloekend en tierend met hem meelopen, gooide met stenen en joeg stofwolken op. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Ten slotte kwamen de koning en zijn soldaten aan in Ajefim. Daar konden ze uitrusten. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Intussen kwamen Absalom en zijn manschappen, het leger van Israël, in Jeruzalem aan. Ook Achitofel was bij hem. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Toen kwam Chusai, de vertrouwensman van David, naar Absalom toe. 'Leve de koning! Leve de koning!' riep hij uit. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Absalom vroeg hem: 'Is dat nu vriendentrouw? Had u niet met uw vriend mee moeten gaan?' </VERS>
      <VERS vnumber="18">'Nee, 'antwoordde Chusai. 'Wiens zijde de HEER en het volk en het leger van Israël kiezen, aan diens zijde sta ik en aan diens zijde blijf ik. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Bovendien, u bent toch zijn zoon; wie zou ik anders dienen? Zoals ik vroeger in dienst stond van uw vader, zo zal ik ook u van dienst zijn.' </VERS>
      <VERS vnumber="20">Daarna wendde Absalom zich tot Achitofel: 'Geeft u ons raad. Hoe moet het nu verder?' </VERS>
      <VERS vnumber="21">Achitofel sprak: 'Ga naar de bijvrouwen die uw vader heeft achtergelaten om voor het huis te zorgen. Dan zal heel Israël vernemen dat u uw vader hebt vernederd en zullen al uw aanhangers moed vatten.' </VERS>
      <VERS vnumber="22">Dus werd er voor Absalom een tent neergezet op het dak van het paleis, en voor de ogen van heel Israël nam Absalom bezit van de bijvrouwen van zijn vader. </VERS>
      <VERS vnumber="23">In die dagen nam men een raadgeving van Achitofel evenzeer ter harte als wanneer men God zelf om een uitspraak vroeg; dat gold voor elke raad van Achitofel, zowel voor David als voor Absalom. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="17">
      <VERS vnumber="1">Achitofel zei tegen Absalom: 'Laat mij twaalfduizend mannen uitkiezen en achter David aan gaan, vannacht nog. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Ik zal hem overrompelen wanneer hij uitgeput is en de moed laat zinken, zodat al zijn soldaten op de vlucht slaan. Ik zal alleen de koning doden </VERS>
      <VERS vnumber="3">en het leger naar u terugsturen. De dood van de man die u naar het leven staat betekent immers dat het leger kan terugkeren. Allen zullen ongedeerd blijven.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Dit voorstel vond instemming bij Absalom en de oudsten van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Toch liet Absalom ook de Arkiet Chusai roepen: 'Laten we horen wat hij ervan denkt.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">Toen Chusai bij Absalom kwam, vroeg deze hem: 'Dit is het voorstel van Achitofel. Moeten we doen wat hij zegt? Of denkt u er anders over?' </VERS>
      <VERS vnumber="7">Chusai antwoordde: 'Ditmaal is de raad die Achitofel gegeven heeft niet goed.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">En hij vervolgde: 'U kent uw vader en zijn mannen. U weet, het zijn heldhaftige soldaten. Bovendien zijn ze verbitterd, als een berin die beroofd is van haar jongen. Uw vader is trouwens een ervaren krijgsman. Hij zal de nacht niet doorbrengen bij zijn manschappen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Hij houdt zich natuurlijk ergens schuil in een spelonk of op een andere goede plek. Wanneer hij dan als eerste aanvalt, zal zich het gerucht verspreiden dat er een slachting is aangericht onder de aanhangers van Absalom. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Zelfs wie zo dapper is als een leeuw zal sidderen, want heel Israël weet dat uw vader een held is en zijn aanhangers dappere krijgers. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Daarom raad ik u aan: roep alle mannen van Israël op, van Dan tot Berseba, talrijk als zandkorrels aan de zee, en trek zelf mee ten strijde. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Waar hij ook is, we zullen hem vinden. We zullen hem overvallen zoals dauw op de aarde valt. Dan zal er van hem en zijn aanhangers niet één in leven blijven. </VERS>
      <VERS vnumber="13">En mocht hij zich in een of andere stad verschansen, dan laten we uit heel Israël touwen aandragen en slepen we die stad het ravijn in tot er geen steen meer van over is.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">Absalom en de Israëlieten vonden de raad van Chusai beter dan die van Achitofel. Zo beschikte de HEER dat het goede krijgsplan van Achitofel werd verijdeld, omdat hij Absalom te gronde wilde richten. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Chusai vertelde aan de priesters Sadok en Abjatar welke raad Achitofel aan Absalom en de oudsten van Israël had gegeven en wat hij zelf had aangeraden. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Toen zei hij: 'Zend zo snel mogelijk bericht naar David dat hij de nacht niet doorbrengt aan deze kant van de Jordaan, maar onmiddellijk oversteekt, anders worden hij en iedereen die bij hem is van de aardbodem weggevaagd.' </VERS>
      <VERS vnumber="17">Jonatan en Achimaäs stonden bij de Rogelbron te wachten tot een slavin hun het nieuws kwam vertellen. Zij zouden het dan weer overbrengen aan koning David. In de stad konden ze zich natuurlijk niet laten zien. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Maar iemand zag ze toch, en vertelde dat aan Absalom. Jonatan en Achimaäs haastten zich naar Bachurim. Daar kwamen ze bij een man die op het erf van zijn huis een put had, waarin ze zich verstopten. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Zijn vrouw spreidde een zak over de opening van de put en strooide daar gerst over uit, zodat er niets te zien was. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Toen de mannen van Absalom bij het huis aankwamen, vroegen ze haar: 'Waar zijn Achimaäs en Jonatan?' 'Die zijn aan de overkant van het bevloeiingskanaal verder gegaan, 'antwoordde ze. De mannen zochten, maar ze konden hen niet vinden en keerden terug naar Jeruzalem. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Toen ze waren verdwenen, klommen Jonatan en Achimaäs weer uit de put. Ze gingen naar koning David en brachten hem het bericht over: 'Snel, steek onmiddellijk het water over, want Achitofel heeft aangeraden u te overrompelen.' </VERS>
      <VERS vnumber="22">David en het volk dat bij hem was, begonnen onmiddellijk de Jordaan over te steken, en toen de morgen aanbrak bevond iedereen zich aan de overkant van de rivier. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Toen Achitofel merkte dat zijn raad niet werd opgevolgd, zadelde hij zijn ezel en ging terug naar huis, naar Gilo. Thuis wikkelde hij zijn zaken af en daarna verhing hij zich. Hij werd begraven in het graf van zijn vader. </VERS>
      <VERS vnumber="24">David was inmiddels gevorderd tot Machanaïm, toen Absalom de Jordaan overstak met heel het leger van Israël bij zich. </VERS>
      <VERS vnumber="25">In Joabs plaats had Absalom Amasa als opperbevelhebber aangesteld. Deze Amasa was een zoon van de Israëliet Jitra en Abigal, de dochter van Nachas en een zuster van Joabs moeder Seruja. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Absalom sloeg met het leger van Israël zijn kamp op in Gilead. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Toen David in Machanaïm aankwam, werd hij bevoorraad door Sobi, de zoon van Nachas, uit Rabba, de hoofdstad van Ammon, door Machir, de zoon van Ammiël, uit Lo-Debar en door de Gileadiet Barzillai uit Rogelim. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Ze brachten hem en zijn aanhangers dekens, kookgerei en voedsel: tarwe, gerst, meel, geroosterd graan, bonen en linzen, </VERS>
      <VERS vnumber="29">en honing, boter, kaas en schapen en geiten. 'Want, 'zeiden ze, 'u allen zult in de woestijn wel uitgeput zijn geraakt, en hongerig en dorstig.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="18">
      <VERS vnumber="1">David monsterde zijn troepen, en stelde over elke eenheid van duizend en van honderd man een bevelhebber aan. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Hij verdeelde het leger in drieën: een derde deel kwam onder bevel van Joab, een derde deel onder bevel van diens broer Abisai en een derde deel onder bevel van de Gatiet Ittai. De koning sprak tot de troepen: 'Ik zal persoonlijk met jullie ten strijde trekken.' </VERS>
      <VERS vnumber="3">'Nee, doet u dat niet, 'wierpen ze tegen. 'Als wij moeten vluchten, zal niemand dat erg vinden. Zelfs als de helft van ons sneuvelt, zal niemand dat erg vinden. Maar u bent evenveel waard als tienduizend van ons. Daarom is het beter dat u ons vanuit de stad bijstaat.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">De koning antwoordde: 'Ik zal doen wat jullie het beste lijkt.' Hij stelde zich op bij de poort, en de troepen rukten uit in eenheden van honderd en van duizend. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Aan Joab, Abisai en Ittai beval hij: 'Treed niet te hard op tegen mijn jongen, tegen Absalom.' Heel het leger hoorde wat de koning de bevelhebbers omtrent Absalom opdroeg. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Het leger trok ten strijde, Israël tegemoet. In de bossen van Efraïm kwam het tot een treffen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Daar werd het leger van Israël verslagen door de aanhangers van David. Het was een zware slag: er sneuvelden die dag twintigduizend man. </VERS>
      <VERS vnumber="8">De strijdende partijen raakten over het hele gebied verspreid; er werden daar die dag meer mannen verslonden door het woud dan door het zwaard. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Absalom, die op zijn muildier reed, kwam plotseling oog in oog te staan met een aantal soldaten van David. Toen het muildier onder een grote terebint doorging, raakte Absalom met zijn haren verstrikt in de takken. Zo bleef hij hangen tussen hemel en aarde, terwijl het muildier verder draafde. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Een van de soldaten zag het en vertelde het aan Joab: 'Ik heb Absalom gezien! Hij hangt in een boom!' </VERS>
      <VERS vnumber="11">'Wat!' riep Joab. 'Heb je hem gezien? Waarom heb je hem dan niet meteen gedood? Ik had je er tien zilverstukken en een koppelriem voor gegeven!' </VERS>
      <VERS vnumber="12">Maar de soldaat antwoordde Joab: 'Al zou u duizend zilverstukken in mijn hand uittellen, dan nog zou ik mijn hand niet opheffen tegen de zoon van de koning. De koning heeft u en Abisai en Ittai immers ten overstaan van ons allen bevolen zijn zoon Absalom te sparen. </VERS>
      <VERS vnumber="13">En zelfs al zou ik tegen dat bevel zijn ingegaan, voor de koning blijft niets verborgen, en dan zou u zich buiten schot houden.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">'Integendeel, 'riep Joab, 'ik ga voorop!' Hij greep drie stokken en stootte daarmee Absalom, die nog levend in de boom hing, in de borst. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Tien van Joabs soldaten, zijn wapendragers, gingen om Absalom heen staan en sloegen op hem in tot hij dood was. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Toen blies Joab op de ramshoorn ten teken dat de achtervolging van het leger van Israël moest worden gestaakt. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Ze maakten Absalom los, gooiden hem ter plekke in een diep gat en stapelden er een grote berg stenen overheen. Het leger van Israël vluchtte; ieder keerde terug naar zijn eigen woonplaats. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Absalom had bij zijn leven voor zichzelf een gedenksteen opgericht in de Koningsvallei. Omdat hij, zoals hij zei, geen zoon had om zijn naam te doen voortleven, gaf hij de gedenksteen zijn eigen naam. Tot op de dag van vandaag wordt deze het Gedenkteken van Absalom genoemd. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Achimaäs, de zoon van Sadok, vroeg aan Joab: 'Laat mij uw koerier zijn en het goede nieuws aan de koning gaan brengen dat de HEER hem recht heeft gedaan en hem uit de handen van zijn vijanden heeft bevrijd.' </VERS>
      <VERS vnumber="20">Joab antwoordde: 'Maar je hebt geen goed nieuws vandaag! Een andere keer kun je goed nieuws brengen, maar vandaag heb je geen goed nieuws, want de zoon van de koning is dood.' </VERS>
      <VERS vnumber="21">En hij gaf een Nubiër opdracht om aan de koning te gaan vertellen wat hij gezien had. De Nubiër boog voor Joab en rende weg. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Maar Achimaäs hield aan: 'Toch wil ik ook koerier zijn. Laat mij de Nubiër achternagaan.' Joab vroeg: 'Waarom wil je dat dan, mijn jongen, als je geen nieuws te vertellen hebt dat de moeite waard is?' </VERS>
      <VERS vnumber="23">'Toch doe ik het!' 'Ga dan maar, 'zei Joab. En Achimaäs rende weg, over de vlakte, en haalde de Nubiër in. </VERS>
      <VERS vnumber="24">David had plaatsgenomen in het poortgebouw. De wachtpost ging op het dak van de stadspoort op de uitkijk staan. Daar zag hij iemand komen aanrennen, alleen. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Hij riep de koning toe wat hij zag, en de koning zei: 'Als hij alleen is, brengt hij goed nieuws.' De koerier kwam steeds dichterbij. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Toen zag de wachtpost nog iemand rennen, en hij riep naar de poortwachter: 'Daar komt nog iemand aanrennen, ook alleen.' De koning zei: 'Ook hij brengt goed nieuws.' </VERS>
      <VERS vnumber="27">Toen zei de wachtpost: 'Aan de loop van de eerste koerier herken ik Achimaäs, de zoon van Sadok.' 'Die is betrouwbaar, 'zei de koning, 'dus hij komt zeker goed nieuws brengen.' </VERS>
      <VERS vnumber="28">'Alles is goed!' riep Achimaäs de koning toe, en hij knielde, boog diep voorover en zei: 'Geprezen zij de HEER, uw God, die heeft afgerekend met degenen die hun hand tegen de koning hebben opgeheven.' </VERS>
      <VERS vnumber="29">'En is alles goed met mijn jongen, met Absalom?' vroeg de koning. Achimaäs antwoordde: 'Toen Joab de koerier en mij op weg stuurde, zag ik net een grote oploop ontstaan, maar wat er precies aan de hand was weet ik niet.' </VERS>
      <VERS vnumber="30">'Wacht hier even, 'zei de koning, en dat deed Achimaäs. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Toen kwam de Nubiër binnen. Hij zei: 'Ik breng u goed nieuws, mijn heer en koning. Vandaag heeft de HEER u recht gedaan en u bevrijd uit de handen van degenen die tegen u in opstand waren gekomen.' </VERS>
      <VERS vnumber="32">'En is alles goed met mijn jongen, met Absalom?' vroeg de koning. De Nubiër antwoordde: 'Moge het al uw vijanden en al uw tegenstanders vergaan zoals uw zoon.' </VERS>
      <VERS vnumber="33">(19:1) Toen voer er een siddering door de koning. Jammerend trok hij zich terug in het vertrek boven de poort: 'Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Was ik maar dood in plaats van jij! Absalom, mijn zoon, mijn zoon!' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="19">
      <VERS vnumber="1">(19:2) Men vertelde aan Joab dat de koning huilde en rouwde over Absalom. </VERS>
      <VERS vnumber="2">(19:3) Toen het leger hoorde dat de koning treurde om zijn zoon, sloeg de overwinningsroes om in een rouwstemming. </VERS>
      <VERS vnumber="3">(19:4) Als dieven in de nacht slopen de soldaten die dag de stad binnen, als een leger dat zich schaamt dat het de strijd is ontvlucht. </VERS>
      <VERS vnumber="4">(19:5) De koning had zijn gezicht in zijn handen verborgen en schreeuwde luid: 'Mijn zoon Absalom, Absalom, mijn zoon, mijn zoon!' </VERS>
      <VERS vnumber="5">(19:6) Toen ging Joab bij de koning binnen en zei: 'Vandaag hebt u al uw aanhangers te schande gemaakt, terwijl zij uw leven en dat van uw zonen en dochters en dat van uw vrouwen en bijvrouwen hebben gered. </VERS>
      <VERS vnumber="6">(19:7) U haat degenen die u liefhebben en u hebt degenen die u haten lief. Vandaag hebt u laten merken dat u geen waarde hecht aan uw bevelhebbers, noch aan uw aanhangers. Vandaag weet ik zeker dat u het beter zou vinden wanneer Absalom nog in leven was en wij allemaal waren gesneuveld. </VERS>
      <VERS vnumber="7">(19:8) Komaan, sta op, ga naar buiten en steek uw aanhangers een hart onder de riem. Want bij de HEER, ik zweer u: als u nu niet naar buiten gaat, is er vannacht geen man meer bij u. En dat zou erger zijn dan al het kwaad dat u tot nu toe in uw leven is overkomen.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">(19:9) De koning stond op en ging naar buiten. Men vertelde aan het leger dat de koning in de doorgang van de poort had plaatsgenomen, en het hele leger kwam zijn opwachting maken bij de koning. De Israëlieten waren gevlucht, ieder naar zijn eigen woonplaats. </VERS>
      <VERS vnumber="9">(19:10) In heel het land, bij alle stammen van Israël, was men druk aan het beraadslagen: 'De koning heeft ons bevrijd uit de greep van onze vijanden; hij was het die ons heeft gered uit de handen van de Filistijnen. Nu is hij het land uit gevlucht voor Absalom. </VERS>
      <VERS vnumber="10">(19:11) Maar Absalom, die wij tot koning hadden gezalfd, is in de strijd gesneuveld. Laten we daarom een daad stellen en de koning naar huis terughalen.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">(19:12) De uitspraak van de Israëlieten kwam de koning ter ore. Daarop zond koning David het volgende bericht aan de priesters Sadok en Abjatar: 'Zeg tegen de oudsten van Juda: "Waarom zou u de laatsten zijn om de koning naar huis terug te halen? </VERS>
      <VERS vnumber="12">(19:13) U bent mijn broeders, mijn vlees en bloed; waarom zou u de laatsten zijn om de koning terug te halen?" </VERS>
      <VERS vnumber="13">(19:14) En tegen Amasa moet u zeggen: "Bent u niet mijn vlees en bloed? Voortaan zult u mijn opperbevelhebber zijn in plaats van Joab, God is mijn getuige."' </VERS>
      <VERS vnumber="14">(19:15) Op die manier won hij de Judeeërs als één man voor zich. Ze stuurden bericht naar de koning: 'Keer terug, met al uw aanhangers.' </VERS>
      <VERS vnumber="15">(19:16) De koning begaf zich op de terugreis. Toen hij bij de Jordaan kwam, stonden de Judeeërs bij Gilgal klaar om de koning te verwelkomen en hem te begeleiden bij het oversteken van de rivier. </VERS>
      <VERS vnumber="16">(19:17) Onder hen bevond zich de Benjaminiet Simi, de zoon van Gera, uit Bachurim. Haastig ging hij koning David tegemoet. </VERS>
      <VERS vnumber="17">(19:18) Met hem waren duizend Benjaminieten meegekomen. Ook Siba, de dienaar van de familie van Saul, was erbij met zijn vijftien zonen en twintig knechten. Nog voor de koning de oever van de Jordaan had bereikt, renden zij de rivier in. </VERS>
      <VERS vnumber="18">(19:19) Ze waadden door het water om de koning en zijn hofhouding naar de overkant te helpen en zo een goede indruk op hem te maken. Toen de koning op het punt stond om de Jordaan over te steken, viel Simi voor hem op zijn knieën </VERS>
      <VERS vnumber="19">(19:20) en zei: 'Mijn heer, vergeef me alstublieft wat ik u heb misdaan. Ik smeek u, vergeet dat ik me tegen u heb misdragen op de dag dat u wegging uit Jeruzalem, mijn heer en koning, en reken het me niet aan. </VERS>
      <VERS vnumber="20">(19:21) Ik, uw dienaar, weet dat ik gezondigd heb. Daarom, mijn heer en koning, ben ik u vandaag als eerste van alle nakomelingen van Jozef tegemoet gekomen.' </VERS>
      <VERS vnumber="21">(19:22) Abisai, de zoon van Seruja, nam het woord en zei: 'Simi verdient toch zeker de dood, hij heeft immers de gezalfde van de HEER vervloekt!' </VERS>
      <VERS vnumber="22">(19:23) Maar David antwoordde: 'Wat heb ik met jullie te maken, zonen van Seruja? Juist vandaag moeten jullie me niet tegenwerken. Vandaag wordt in Israël niemand ter dood gebracht, want vandaag weet ik dat mijn koningschap over Israël is hersteld.' </VERS>
      <VERS vnumber="23">(19:24) En tegen Simi zei de koning: 'U zult niet sterven!' en hij zwoer het hem. </VERS>
      <VERS vnumber="24">(19:25) Ook Mefiboset, de kleinzoon van Saul, was de koning tegemoet gekomen. Vanaf de dag dat de koning was weggegaan tot nu, de dag waarop hij ongedeerd terugkeerde, had Mefiboset zijn voeten niet gewassen, zijn baard niet verzorgd en zijn kleren niet verschoond. </VERS>
      <VERS vnumber="25">(19:26) Toen hij de koning vanuit Jeruzalem tegemoet kwam, vroeg deze hem: 'Waarom bent u niet met me meegegaan, Mefiboset?' </VERS>
      <VERS vnumber="26">(19:27) Hij antwoordde: 'Mijn heer en koning, mijn dienaar heeft me bedrogen. U moet weten dat ik me had voorgenomen om mijn ezel te zadelen en met u mee te rijden, omdat ik immers kreupel ben. </VERS>
      <VERS vnumber="27">(19:28) Toen heeft hij me erin laten lopen met zijn valse beschuldiging tegenover u. Maar mijn heer en koning is als een engel van God; doet u wat u het beste vindt. </VERS>
      <VERS vnumber="28">(19:29) U had het in uw macht om heel mijn familie ter dood te brengen, maar u nam mij op aan uw hof. Met welk recht zou ik me dan nu nog bij u beklagen?' </VERS>
      <VERS vnumber="29">(19:30) De koning antwoordde: 'Genoeg hierover. U en Siba moeten het land maar delen.' </VERS>
      <VERS vnumber="30">(19:31) Toen zei Mefiboset tegen de koning: 'Nu u ongedeerd bent teruggekomen, mijn heer en koning, mag hij wat mij betreft zelfs alles hebben.' </VERS>
      <VERS vnumber="31">(19:32) De Gileadiet Barzillai was uit Rogelim gekomen en had de koning vergezeld naar de Jordaan om hem uitgeleide te doen bij de oversteek van de rivier. </VERS>
      <VERS vnumber="32">(19:33) Hij was al heel oud, wel tachtig jaar. Hij had de koning tijdens diens verblijf in Machanaïm gastvrij onthaald; hij was een zeer vermogend man. </VERS>
      <VERS vnumber="33">(19:34) De koning zei tegen hem: 'Barzillai, ga met me mee de rivier over, dan zal ik u bij mij in Jeruzalem gastvrij onthalen.' </VERS>
      <VERS vnumber="34">(19:35) Maar Barzillai antwoordde: 'Ik ben aan het einde van mijn levensdagen. Waarom zou ik nog met de koning meegaan naar Jeruzalem? </VERS>
      <VERS vnumber="35">(19:36) Ik ben nu tachtig jaar. Wat valt er voor mij nog te genieten van het leven? Kan ik nog proeven wat ik eet en drink? Kan ik de stem nog horen van zangers en zangeressen? Waarom zou ik u dan nog tot last zijn, mijn heer en koning? </VERS>
      <VERS vnumber="36">(19:37) Ik zou zelfs nauwelijks in staat zijn met u de rivier over te steken. Waarom zou u mij op die manier belonen? </VERS>
      <VERS vnumber="37">(19:38) Laat me toch teruggaan, zodat ik kan sterven in mijn eigen stad, bij het graf van mijn vader en mijn moeder. Neem liever Kimham met u mee, mijn heer en koning, en behandel hem zoals u voor ogen staat.' </VERS>
      <VERS vnumber="38">(19:39) De koning antwoordde: 'Kimham zal met mij meegaan, en ik zal hem behandelen zoals u voor ogen staat. Ik zal doen zoals u wenst.' </VERS>
      <VERS vnumber="39">(19:40) Ondertussen stak het leger de Jordaan over. Toen de koning aan de beurt was om over te steken, bedankte hij Barzillai en kuste hem vaarwel. Barzillai ging terug naar zijn woonplaats, </VERS>
      <VERS vnumber="40">(19:41) en de koning vervolgde zijn reis naar Gilgal. Kimham ging met hem mee. Heel het volk van Juda had de koning bij zijn doortocht begeleid, en de helft van het volk van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="41">(19:42) De Israëlieten kwamen op de koning af en vroegen hem: 'Waarom hebben onze broeders, de Judeeërs, beslag op u gelegd door u en uw gevolg bij het oversteken van de Jordaan te begeleiden terwijl al uw aanhangers al bij u waren?' </VERS>
      <VERS vnumber="42">(19:43) Maar de Judeeërs wierpen tegen: 'De koning is immers aan ons verwant! Waarom maken jullie je zo kwaad? Laten we ons soms door de koning onderhouden? Worden we soms door hem bevoordeeld?' </VERS>
      <VERS vnumber="43">(19:44) De Israëlieten antwoordden: 'Wij hebben tien keer zoveel aandeel in het koningschap, en ook op David hebben wij meer recht dan jullie. Waarom doen jullie zo geringschattend? Hebben wij soms niet als eersten besloten dat we onze koning zouden terughalen?' Maar de Judeeërs stonden sterker dan de Israëlieten. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="20">
      <VERS vnumber="1">Nu was er onder de Israëlieten ook een echte onruststoker, een zekere Seba, de zoon van Bichri, uit de stam Benjamin. Hij blies op de ramshoorn en zei: 'Wat hebben wij met David te maken? Wij hebben niets gemeen met de zoon van Isaï! We breken op, volk van Israël!' </VERS>
      <VERS vnumber="2">Alle Israëlieten keerden David de rug toe en volgden de Benjaminiet Seba, maar de Judeeërs bleven hun koning vergezellen van de Jordaan tot aan Jeruzalem. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Toen koning David in zijn paleis in Jeruzalem kwam, stelde hij de tien bijvrouwen die hij als huisbewaarsters had achtergelaten, in bewaring in een eigen huis. Hij bleef hen onderhouden, maar hij zocht hen niet meer op. Zo bleven zij tot aan de dag van hun dood opgesloten als onbestorven weduwen. </VERS>
      <VERS vnumber="4">De koning zei tegen Amasa: 'Roep alle mannen van Juda bijeen en meld u binnen drie dagen weer bij mij.' </VERS>
      <VERS vnumber="5">Amasa ging op weg om de Judeeërs bijeen te roepen, maar op de afgesproken tijd was hij nog niet terug. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Toen zei David tegen Abisai: 'Seba, de zoon van Bichri, vormt een nog grotere bedreiging voor ons dan Absalom! Abisai, neemt u dan mijn leger onder uw bevel en ga achter hem aan voordat hij onze versterkte steden voor zich wint, want dan staan wij met lege handen.' </VERS>
      <VERS vnumber="7">De mannen van Joab, de Keretieten en Peletieten en al Davids helden sloten zich bij Abisai aan en zetten vanuit Jeruzalem de achtervolging van Seba in. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Bij de grote steen in Gibeon kwamen ze Amasa achterop. Joab droeg gevechtskleding, met daarop een koppelriem waarin zijn zwaard gestoken was. Toen hij een stap naar voren deed, gleed het zwaard uit de schede. </VERS>
      <VERS vnumber="9">'Is alles goed met je, Amasa?' vroeg hij, en hij greep hem met zijn rechterhand bij zijn baard om hem te kussen. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Amasa was niet verdacht op het zwaard dat Joab in zijn andere hand hield. Joab stak Amasa in de buik, zodat zijn ingewanden naar buiten kwamen. Hij hoefde geen tweede maal te steken: de verwonding was dodelijk. Joab en zijn broer Abisai zetten de achtervolging van Seba voort. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Een van Joabs wapendragers bleef bij Amasa staan en riep: 'Wie het goed meent met Joab, wie vóór David is, hij volge Joab!' </VERS>
      <VERS vnumber="12">Amasa lag op de weg, stuiptrekkend in zijn bloed. Toen de wapendrager merkte dat de soldaten stil bleven staan, rolde hij Amasa van de weg af, het veld in, en wierp een kleed over hem heen omdat iedereen die langs hem kwam stilhield. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Toen Amasa van de weg was verwijderd, volgden allen Joab, Seba achterna. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Seba was dwars door Israël naar Abel-Bet-Maächa getrokken. Alle Bichrieten hadden zich bij hem aangesloten. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Toen kwam ook Joab met zijn leger bij Abel-Bet-Maächa en sloot hem daar in. Ze wierpen een wal op tegen de muur van de vesting en bestookten van daar af met man en macht de stadsmuur. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Toen riep een wijze vrouw vanuit de stad: 'Luister, luister! Vraag of Joab dichterbij komt, zodat ik met hem praten kan.' </VERS>
      <VERS vnumber="17">Joab kwam naderbij en de vrouw vroeg: 'Bent u Joab?' 'Jazeker, 'antwoordde hij. 'Luister naar wat ik u te zeggen heb, 'zei de vrouw, en Joab antwoordde: 'Ik luister.' </VERS>
      <VERS vnumber="18">Toen zei de vrouw: 'Vroeger bestond er een zegswijze: Wie in Abel om raad vraagt, komt nooit bedrogen uit. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Wij zijn vredelievende en getrouwe Israëlieten. Maar u, u wilt een stad van de aardbodem wegvagen die als een wijze moeder is in Israël. Waarom vergrijpt u zich aan Gods eigen land?' </VERS>
      <VERS vnumber="20">'Geen sprake van!' antwoordde Joab. 'Ik ben er beslist niet op uit om me aan uw stad te vergrijpen of haar van de aardbodem weg te vagen. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Daar is het me niet om te doen. Maar iemand uit het bergland van Efraïm-een zekere Seba, een zoon van Bichri-is in opstand gekomen tegen de koning, tegen David. Lever hem aan mij uit, dan zal ik de stad verder ongemoeid laten.' Toen zei de vrouw tegen Joab: 'Goed, zijn hoofd zal u over de muur worden toegeworpen.' </VERS>
      <VERS vnumber="22">De vrouw legde haar wijze raad voor aan de bevolking van de stad, en zij hakten Seba's hoofd af en wierpen het Joab toe. Joab blies op de ramshoorn en het beleg van de stad werd opgebroken. De soldaten gingen terug naar hun eigen woonplaats, en Joab keerde terug naar Jeruzalem, naar de koning. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Joab was opperbevelhebber van het leger van Israël en Benaja, de zoon van Jojada, was bevelhebber van de Keretieten en Peletieten; </VERS>
      <VERS vnumber="24">Adoram was opzichter van de herendienst; Josafat, de zoon van Achilud, was kanselier </VERS>
      <VERS vnumber="25">en Seja was hofschrijver; Sadok en Abjatar waren priester, </VERS>
      <VERS vnumber="26">en ook de Jaïriet Ira was priester bij David. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="21">
      <VERS vnumber="1">Tijdens de regering van David heerste er eens drie jaar achtereen hongersnood. David wendde zich tot de HEER, en de HEER antwoordde: 'Het komt door Saul en zijn moordenaarsbende, omdat hij de Gibeonieten heeft gedood.' </VERS>
      <VERS vnumber="2">De Gibeonieten namelijk behoorden niet tot het volk van Israël. Het waren overlevenden van de Amorieten, en de Israëlieten hadden hun gezworen dat ze hen met rust zouden laten, maar Saul had in zijn ijver voor Israël en Juda geprobeerd hen uit te roeien. David liet de Gibeonieten bij zich komen </VERS>
      <VERS vnumber="3">en vroeg hun: 'Wat kan ik doen om het onrecht goed te maken dat u is aangedaan, zodat de vloek die er wegens u op Gods eigen land rust ongedaan wordt gemaakt?' </VERS>
      <VERS vnumber="4">De Gibeonieten antwoordden: 'Wij willen geen recht doen gelden op het goud en zilver van Saul en zijn familie en we hebben het recht niet om iemand uit Israël te doden.' De koning zei: 'Wat u ook vraagt, ik zal het u toestaan.' </VERS>
      <VERS vnumber="5">'De man die ons heeft willen verdelgen en plannen heeft beraamd om ons uit heel Israël weg te vagen!' antwoordden ze. </VERS>
      <VERS vnumber="6">'Lever zeven van zijn mannelijke nakomelingen aan ons uit, dan zullen wij die in Sauls woonplaats Gibea terechtstellen en ophangen ten overstaan van de HEER, die ooit Saul had uitverkozen.' 'Goed, 'zei de koning. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Hij spaarde echter de zoon van Sauls zoon Jonatan, Mefiboset, vanwege de eed die David en Jonatan elkaar bij de HEER gezworen hadden. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Daarom nam hij Armoni en Mefiboset, de twee zonen die Saul had gekregen bij Rispa, de dochter van Ajja, en de vijf zonen die Sauls dochter Merab had gekregen van Adriël, de zoon van Barzillai uit Mechola. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Hij leverde hen uit aan de Gibeonieten, die hen boven op een berg ophingen ten overstaan van de HEER. Ze werden alle zeven tegelijk ter dood gebracht, in het begin van de oogsttijd, in de tijd van de gersteoogst. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Rispa, de bijvrouw van Saul, spreidde een kleed op de rotsen en bleef daar van het begin van de oogsttijd totdat de eerste herfstregens vielen om overdag de aasvogels van de lijken te verjagen en 's nachts de wilde dieren. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Toen David hoorde wat Rispa had gedaan, </VERS>
      <VERS vnumber="12">liet hij het gebeente van Saul en diens zoon Jonatan weghalen bij de burgers van Jabes in Gilead. Die hadden immers heimelijk de lijken geborgen van Saul en Jonatan, die na de slag bij Gilboa door de Filistijnen waren opgehangen op het plein van Bet-San. </VERS>
      <VERS vnumber="13">(13-14) Hij liet hun gebeente overbrengen naar Sela in Benjamin en begroef hen samen met de lijken van de gehangenen in het graf van Sauls vader Kis. Alles gebeurde zoals de koning het beval, en God liet zich ten gunste van het land vermurwen. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Tijdens een van de veldslagen tussen Israël en de Filistijnen trok David met zijn leger ten strijde en vocht tegen de Filistijnen tot hij uitgeput raakte. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Jisbibenob, een Refaïet die een nieuwe wapenrusting droeg met een speer die wel driehonderd sjekel koper woog, dreigde dat hij David zou doden. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Abisai, de zoon van Seruja, kwam David te hulp. Hij sloeg de Filistijn neer en doodde hem. Daarop bezwoeren de soldaten David: 'Trek niet meer met ons ten strijde, opdat het licht van Israël niet wordt gedoofd.' </VERS>
      <VERS vnumber="18">Enige tijd later, tijdens een veldslag tegen de Filistijnen bij Gob, werd de Refaïet Saf gedood door Sibbechai uit Chusa. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Tijdens een andere veldslag tegen de Filistijnen, opnieuw bij Gob, werd Goliat uit Gat gedood door Elchanan, de zoon van Jari, uit Betlehem. De schacht van Goliats speer was zo dik als de boom van een weefgetouw. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Tijdens weer een andere veldslag, ditmaal bij Gat, was er een vechtjas die aan elke hand zes vingers had en aan elke voet zes tenen: vierentwintig in totaal. Ook hij was een Refaïet. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Hij hoonde Israël en werd gedood door Jonatan, een zoon van Davids broer Sima. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Dit waren de vier Refaïeten uit Gat die werden geveld door David en zijn soldaten. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="22">
      <VERS vnumber="1">Dit zijn de woorden van het lied dat David voor de HEER aanhief toen de HEER hem aan de greep van zijn vijanden had ontrukt, ook aan die van Saul. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Hij zei: 'HEER, mijn rots, mijn vesting, mijn bevrijder, </VERS>
      <VERS vnumber="3">God, mijn steenrots, bij u kan ik schuilen, mijn schild, kracht die mij redt, mijn burcht, mijn toevlucht, mijn redder, u redt mij van het geweld. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Ik roep: "Geloofd zij de HEER, "want ik ben van mijn vijanden verlost. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Mij omsloten de golven van de dood, de kolkende afgrond joeg mij angst aan, </VERS>
      <VERS vnumber="6">de banden van het dodenrijk omklemden mij, op mijn weg lagen de valstrikken van de dood. </VERS>
      <VERS vnumber="7">In mijn nood riep ik tot de HEER, ik riep mijn God om hulp, en in zijn paleis hoorde hij mijn stem, mijn geroep klonk in zijn oren. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Toen schudde en schokte de aarde, de hemel trilde op zijn grondvesten, ze beefden omdat hij vlamde van woede, </VERS>
      <VERS vnumber="9">rook steeg op uit zijn neus, verterend vuur kwam uit zijn mond, hij spuwde hete as. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Hij schoof de hemel open en daalde af, duisternis onder zijn voeten, </VERS>
      <VERS vnumber="11">hij besteeg de cherub en vloog-daar verscheen hij op vleugels van de wind. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Hij maakte van het donker een tent om zich heen, een waaier van water, dichte wolken. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Een vuurgloed ging voor hem uit en verbrandde alles tot gloeiende as. </VERS>
      <VERS vnumber="14">De donder van de HEER klonk uit de hemel, de Allerhoogste verhief zijn stem. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Hij schoot pijlen en sloeg de vijanden uiteen, met zijn bliksem verdreef hij hen. </VERS>
      <VERS vnumber="16">De beddingen van de zee werden zichtbaar, de grondvesten van de wereld kwamen bloot onder de dreigende blik van de HEER, door de briesende adem uit zijn neus. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Hij bood hulp van omhoog, greep mij vast en trok mij op uit de woeste wateren, </VERS>
      <VERS vnumber="18">ontrukte mij aan mijn machtige vijand, aan mijn haters, die sterker waren dan ik. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Op de dag van mijn ondergang vielen zij aan, maar de HEER was mijn steun. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Hij leidde mij uit de nood en gaf mij ruimte, bevrijdde mij, omdat hij mij liefhad. </VERS>
      <VERS vnumber="21">De HEER heeft mijn onschuld vergolden, mij beloond voor mijn reine handen: </VERS>
      <VERS vnumber="22">ik volgde de wegen die de HEER had gewezen, en werd mijn God niet ontrouw, </VERS>
      <VERS vnumber="23">zijn voorschriften hield ik voor ogen, van zijn wetten week ik nooit af. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Ik was hem volkomen toegewijd en hoedde mij steeds voor het kwaad, </VERS>
      <VERS vnumber="25">daarom heeft de HEER mijn onschuld beloond, hij zag mijn reinheid. </VERS>
      <VERS vnumber="26">U bent trouw voor de trouwe, volmaakt voor de volmaakte, </VERS>
      <VERS vnumber="27">zuiver voor de zuivere, maar voor de sluwe ongrijpbaar. </VERS>
      <VERS vnumber="28">U redt het vertrapte volk, maar ziet op de hoogmoedigen neer. </VERS>
      <VERS vnumber="29">U bent mijn lamp, HEER, u, HEER, verlicht mijn duisternis, </VERS>
      <VERS vnumber="30">met u storm ik af op een legerbende, met mijn God beklim ik de hoogste muur. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Gods weg is volmaakt, het woord van de HEER is zuiver, een schild is hij voor allen die bij hem schuilen. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Wie anders is God dan de HEER, wie anders een rots dan onze God? </VERS>
      <VERS vnumber="33">De God die mijn sterke vesting is baant een volmaakte weg voor mij, </VERS>
      <VERS vnumber="34">hij geeft mij voeten, snel als hinden, doet mij op toppen van bergen staan, </VERS>
      <VERS vnumber="35">oefent mijn handen voor de strijd-mijn armen spannen de bronzen boog. </VERS>
      <VERS vnumber="36">U was het schild dat mij redde, uw antwoord maakte mij sterk, </VERS>
      <VERS vnumber="37">u baande de weg voor mijn voeten, ik wankelde niet. </VERS>
      <VERS vnumber="38">Ik achtervolgde mijn vijanden en verdelgde hen, ik keerde niet terug voor ik hen had vernietigd, </VERS>
      <VERS vnumber="39">ik vernietigde, verpletterde hen, ze stonden niet meer op, dood lagen ze onder mijn voeten. </VERS>
      <VERS vnumber="40">U hebt mij omgord met kracht voor de strijd, mijn tegenstanders voor mij doen buigen, </VERS>
      <VERS vnumber="41">u liet mij de rug van mijn vijanden zien, mijn haters, ik roeide ze uit. </VERS>
      <VERS vnumber="42">Ze zagen om naar hulp, maar er was geen redder, zij riepen de HEER, maar hij antwoordde niet. </VERS>
      <VERS vnumber="43">Ik verpulverde hen tot fijn stof, ik vertrad ze, veegde hen weg als vuil van de straat. </VERS>
      <VERS vnumber="44">U bevrijdde mij van een opstandig volk, onder uw hoede bleef ik het hoofd van naties, een volk dat ik niet kende, onderwierp zich. </VERS>
      <VERS vnumber="45">Vreemdelingen toonden zich onderdanig, ze gehoorzaamden mij zodra ze van mij hoorden, </VERS>
      <VERS vnumber="46">vreemde volken verloren hun kracht, wankelend kwamen zij uit hun burchten. </VERS>
      <VERS vnumber="47">De HEER leeft, geprezen zij mijn rots, hoogverheven is God, de rots die mij redt. </VERS>
      <VERS vnumber="48">De God die mij wraak liet nemen, bracht volken onder mijn gezag, </VERS>
      <VERS vnumber="49">schudde mijn vijanden van mij af, verhief mij boven mijn tegenstanders, ontrukte mij aan mannen van geweld. </VERS>
      <VERS vnumber="50">Daarom wil ik u prijzen, HEER, te midden van de volken, een loflied zingen tot eer van uw naam. </VERS>
      <VERS vnumber="51">Hij schenkt zijn koning overwinningen, betoont zich trouw aan zijn gezalfde, aan David en zijn nageslacht, voor altijd.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="23">
      <VERS vnumber="1">Dit zijn de laatste woorden van David. Zo spreekt David, de zoon van Isaï, zo spreekt hij, tot hoge macht verheven, de gezalfde van de God van Jakob, de geliefde zanger van Israël: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'De geest van de HEER sprak in mij, zijn woorden zijn op mijn tong. </VERS>
      <VERS vnumber="3">De God van Israël heeft gesproken, de rots van Israël heeft over mij gezegd: "Wie rechtvaardig heerst over de mensen, heerst in diep ontzag voor God. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Hij is als een stralende morgenzon die na de regens opkomt aan een wolkeloze hemel en met zijn warmte het jonge groen laat opschieten." </VERS>
      <VERS vnumber="5">Zo, met Gods hulp, is ook mijn koningshuis, want een eeuwig verbond heeft hij me toegezegd, nauwkeurig opgesteld en onverbrekelijk. Op zijn hulp kan ik me verlaten, wat mij dierbaar is laat hij gedijen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Maar de onwaardigen, zij zijn als doornstruiken, ontworteld door de wind, met blote handen raakt men ze niet aan. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Wie ze wil opruimen neemt een stok met ijzeren punt ter hand om ze in het vuur te werpen en ter plekke te verbranden.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">Dit zijn de namen van Davids helden: Isboset uit Chachmon was de belangrijkste van het beroemde drietal. Hij doorboorde met zijn speer achthonderd mannen in één gevecht. </VERS>
      <VERS vnumber="9">De tweede van de drie helden was Elazar, een zoon van Dodo uit Achoach. Hij was erbij toen David en zijn mannen de Filistijnen honend uitdaagden. Daarop trokken de Filistijnen hun troepen samen voor de strijd, en Israël moest zich terugtrekken. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Maar Elazar hield stand en sloeg op de Filistijnen in; zelfs toen hij niet meer kon liet hij het zwaard niet los. Zo schonk de HEER Israël die dag een grote overwinning. Het leger sloot zich weer bij Elazar aan, maar alleen nog om te plunderen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">De derde was Samma, de zoon van Age, uit Harar. De Filistijnen hadden op een keer hun troepen samengetrokken bij Lechi, waar een akker met linzen was. Het leger van Israël was op de vlucht geslagen, </VERS>
      <VERS vnumber="12">maar Samma stelde zich op de akker op en wist die te behouden; hij versloeg de Filistijnen, en de HEER schonk Israël een grote overwinning. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Drie van de dertig hoofdmannen kwamen eens voor de oogst bij David, in de grot bij Adullam. In de vallei van Refaïm waren toen Filistijnse troepen gelegerd. </VERS>
      <VERS vnumber="14">David hield zich in die tijd verschanst in de bergen, terwijl in Betlehem een Filistijnse wachtpost was uitgezet. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Op een keer, toen hij smachtte van dorst, verzuchtte David: 'Wie geeft me wat te drinken uit de waterput in de poort van Betlehem?' </VERS>
      <VERS vnumber="16">De drie helden baanden zich een weg door het Filistijnse kamp en haalden water uit de put in de poort van Betlehem. Maar toen ze ermee bij David kwamen, wilde hij er niet van drinken. Hij goot het uit voor de HEER </VERS>
      <VERS vnumber="17">en zei: 'De HEER verhoede dat ik hiervan drink. Dat zou zijn alsof ik het bloed dronk van de mannen die hun leven hebben gewaagd om het te halen!' Hij weigerde dus te drinken. Zulke heldendaden verrichtte dit drietal. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Abisai, een broer van Joab en een zoon van Seruja, was de belangrijkste van de dertig helden. Hij doorboorde met zijn speer driehonderd mannen. Zo maakte hij naam bij het drietal. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Hij was de aanvoerder van de dertig helden en stond van hen het meest in aanzien, maar met het beroemde drietal kon hij zich niet meten. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Ook Benaja, de zoon van Jojada, uit Kabseël, was een dapper en krijgshaftig man. Hij versloeg de twee zonen van Ariël uit Moab. Een andere keer, toen het sneeuwde, liet hij zich in een put zakken en doodde daar een leeuw. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Ook versloeg hij eens een Egyptenaar, een reus van een kerel. De Egyptenaar was gewapend met een speer, maar Benaja ging op hem af met een stok, sloeg hem de speer uit handen en doodde hem ermee. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Zulke heldendaden verrichtte Benaja, de zoon van Jojada, en zo maakte hij naam bij het drietal. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Hij was een van de aanzienlijksten van de dertig helden, maar met het beroemde drietal kon hij zich niet meten. David benoemde hem tot commandant van zijn lijfwacht. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Tot de dertig helden behoorden verder: Asaël, een broer van Joab; Elchanan, de zoon van Dodo, uit Betlehem; </VERS>
      <VERS vnumber="25">Samma en Elika uit Charod; </VERS>
      <VERS vnumber="26">Cheles uit Pelet; Ira, de zoon van Ikkes, uit Tekoa; </VERS>
      <VERS vnumber="27">Abiëzer uit Anatot; Mebunnai uit Chusa; </VERS>
      <VERS vnumber="28">(28-29) Salmon uit Achoach; Maharai en Cheleb, de zoon van Baäna, beiden uit Netofa; Ittai, de zoon van Ribai, uit Gibea in Benjamin; </VERS>
      <VERS vnumber="30">Benaja uit Piraton; Hiddai uit de wadi's van Gaäs; </VERS>
      <VERS vnumber="31">Abialbon uit de wadi Araba; Azmawet uit Barchum; </VERS>
      <VERS vnumber="32">Eljachba uit Saälbon; Jasen uit Gun; Jonatan, </VERS>
      <VERS vnumber="33">de zoon van Samma, en Achiam, de zoon van Sarar, beiden uit Harar; </VERS>
      <VERS vnumber="34">Elifelet, de zoon van Achasbai uit Maächa; Eliam, de zoon van Achitofel, uit Gilo; </VERS>
      <VERS vnumber="35">Chesro uit Karmel; Paärai uit Arba; </VERS>
      <VERS vnumber="36">Jigal, de zoon van Natan, uit Soba; Bani uit Gad; </VERS>
      <VERS vnumber="37">Selek uit Ammon; Nachrai uit Beërot, de wapendrager van Joab, de zoon van Seruja; </VERS>
      <VERS vnumber="38">Ira en Gareb uit Jeter; </VERS>
      <VERS vnumber="39">en de Hethiet Uria. Bij elkaar waren het er zevenendertig. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="24">
      <VERS vnumber="1">Opnieuw ontstak de HEER in toorn tegen Israël. Hij zette David tegen het volk op met de woorden: 'Ga in Israël en Juda een volkstelling houden.' </VERS>
      <VERS vnumber="2">De koning zei tegen Joab, de opperbevelhebber van zijn leger: 'Ga alle stammen van Israël af, van Dan tot Berseba, en schrijf de weerbare mannen in, zodat ik weet hoe groot mijn leger is.' </VERS>
      <VERS vnumber="3">Joab antwoordde: 'Moge de HEER, uw God, uw leger tijdens uw leven nog honderdmaal zo sterk maken als nu, mijn heer en koning, maar waarom wilt u dit eigenlijk?' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Maar het woord van de koning was wet, dus trokken Joab en de bevelhebbers van het leger erop uit om een volkstelling te houden onder het volk van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Ze staken de Jordaan over en begonnen in Aroër, een Gaditische vesting aan de Arnon. Van daar gingen ze naar Jazer, </VERS>
      <VERS vnumber="6">naar Gilead en in de richting van het gebied van de Hethieten bij Kades. Vanuit Dan-Jaän bogen ze af naar Sidon. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Vervolgens deden ze de vestingstad Tyrus aan en alle steden van de Chiwwieten en Kanaänieten, en ten slotte trokken ze naar de Negev in Juda, tot aan Berseba. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Zo gingen ze het hele land rond, en na negen maanden en twintig dagen kwamen ze weer terug in Jeruzalem. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Joab meldde de uitkomst van de volkstelling aan de koning: Israël telde achthonderdduizend weerbare mannen die de wapens konden hanteren en Juda vijfhonderdduizend. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Toen het tot David doordrong wat hij had gedaan, sloeg de schrik hem om het hart. Hij zei tegen de HEER: 'Ik heb ernstig gezondigd met mijn daad. Ach HEER, vergeef uw dienaar zijn zonde; ik ben een dwaas geweest.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">(11-12) De HEER richtte zich tot de profeet Gad, de ziener van David: 'Ga naar David en zeg hem: "Dit zegt de HEER: Drie straffen leg ik je voor. Kies er een uit; die zal ik je opleggen."' Toen David de volgende morgen opstond, </VERS>
      <VERS vnumber="13">kwam Gad hem vragen: 'Wat hebt u liever: zeven jaar hongersnood in uw rijk, drie maanden op de vlucht voor een belager die u in het nauw drijft, of drie dagen de pest in uw land? Denk goed na wat voor antwoord ik moet geven aan degene die mij gezonden heeft.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">David antwoordde: 'Ik ben in het nauw gedreven! Liever vallen wij in handen van de HEER, want groot is zijn mededogen, dan dat ik in mensenhanden val.' </VERS>
      <VERS vnumber="15">Diezelfde morgen nog liet de HEER in Israël de pest uitbreken, die duurde tot de vastgestelde tijd. Van Dan tot Berseba vonden zeventigduizend mensen de dood. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Maar toen de engel zijn hand naar Jeruzalem uitstrekte om ook daar dood en verderf te zaaien, begon de HEER het onheil dat was aangericht te betreuren. 'Genoeg!' zei hij tegen de engel. 'Laat je hand zakken!' De engel van de HEER stond bij het bergterras waar de Jebusiet Arauna zijn graan dorste. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Toen David de engel die dood en verderf onder het volk zaaide zag staan, zei hij tegen de HEER: 'Ik ben het die gezondigd heeft; ik ben het die een zonde heeft begaan. Maar deze arme schapen, wat hebben zij misdaan? Hef uw hand toch op tegen mij en mijn familie!' </VERS>
      <VERS vnumber="18">Diezelfde dag kwam Gad bij David en zei tegen hem: 'Ga naar de dorsvloer van de Jebusiet Arauna en richt daar voor de HEER een altaar op.' </VERS>
      <VERS vnumber="19">David ging naar boven zoals de HEER hem bij monde van Gad had bevolen. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Toen Arauna de koning en zijn gevolg zag naderen, ging hij hun tegemoet en knielde voor de koning neer. </VERS>
      <VERS vnumber="21">'Wat is de reden van uw komst, mijn heer en koning?' vroeg hij, en David antwoordde: 'Ik wil van u deze dorsvloer kopen om er een altaar te bouwen voor de HEER, zodat het volk van deze plaag wordt verlost.' </VERS>
      <VERS vnumber="22">Arauna zei: 'Neem toch wat u voor uw offer nodig hebt, mijn heer en koning. Alstublieft: mijn runderen voor het brandoffer, en hun tuig en de dorsslede om er een vuur mee te maken. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Dit alles schenk ik u, mijn heer.' En hij voegde eraan toe: 'Moge de HEER, uw God, u goedgezind zijn.' </VERS>
      <VERS vnumber="24">'Nee, 'antwoordde de koning, 'ik wil ervoor betalen. Ik ga niet de HEER, mijn God, een brandoffer brengen dat me niets heeft gekost.' Daarop kocht David de dorsvloer en de runderen voor vijftig sjekel zilver. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Hij bouwde er een altaar voor de HEER en bracht brandoffers en vredeoffers. Daardoor liet de HEER zich ten gunste van het land vermurwen en werd Israël van de plaag verlost. </VERS>
    </CHAPTER>
  </BIBLEBOOK>
  <BIBLEBOOK bnumber="11" bname="1 Koningen" bsname="1Kng">
    <CHAPTER cnumber="1">
      <VERS vnumber="1">Koning David was op hoge leeftijd gekomen. Hoewel men hem met dekens toedekte, kon hij het niet meer warm krijgen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Zijn hovelingen zeiden tegen hem: 'Laat ons een jong meisje voor u zoeken, mijn heer en koning, dat u gezelschap kan houden en verzorgen. Laat haar in uw schoot slapen, dan zult u weer warm worden.' </VERS>
      <VERS vnumber="3">Ze gingen overal in Israël op zoek naar een mooi meisje, en de keus viel op Abisag uit de stad Sunem. Haar brachten ze bij de koning. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Ze was werkelijk bijzonder mooi. Ze verzorgde de koning en bediende hem, maar de koning had geen gemeenschap met haar. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Intussen liet Adonia, een zoon van David en Chaggit, zich erop voorstaan dat hij koning zou worden. Hij schafte zich wagens en paarden aan en nam een escorte van vijftig man in dienst. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Zijn vader viel hem toch nooit lastig met vragen over zijn doen en laten. Net als zijn oudere halfbroer Absalom was hij heel knap om te zien. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Hij verzekerde zich van de steun van Joab, de zoon van Seruja, en de priester Abjatar, </VERS>
      <VERS vnumber="8">maar de priester Sadok, Benaja, de zoon van Jojada, en de profeet Natan steunden Adonia niet, evenmin als Simi, Reï en Davids helden. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Adonia hield een offerfeest in de buurt van de Slangensteen, bij de Rogelbron, waar hij vetgemeste schapen, geiten en runderen slachtte. Daarbij had hij al zijn broers, de koningszonen, uitgenodigd, en alle Judese hovelingen. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Maar de profeet Natan, Benaja en Davids helden had hij niet uitgenodigd, en zijn broer Salomo ook niet. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Natan zei tegen Batseba, de moeder van Salomo: 'Hebt u het gehoord? Adonia, de zoon van Chaggit, is buiten medeweten van onze heer David tot koning uitgeroepen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Laat mij u raadgeven: stel uw leven en dat van uw zoon Salomo in veiligheid! </VERS>
      <VERS vnumber="13">Ga naar koning David en zeg hem: "Hebt u, mijn heer en koning, mij niet zelf gezworen dat mijn zoon Salomo na u koning zou zijn, en dat hij op uw troon zou zitten? Waarom is Adonia dan koning geworden?" </VERS>
      <VERS vnumber="14">Terwijl u met de koning spreekt, zal ik binnenkomen en uw woorden aanvullen.' </VERS>
      <VERS vnumber="15">Batseba ging het vertrek binnen waar de oude koning werd verzorgd door Abisag uit Sunem. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Ze neeg en knielde voor de koning, en hij vroeg haar wat ze wenste. </VERS>
      <VERS vnumber="17">'Mijn heer, 'antwoordde ze, 'u hebt me bij de HEER, uw God gezworen: "Jouw zoon Salomo zal na mij koning zijn, en hij zal op mijn troon zitten." </VERS>
      <VERS vnumber="18">Maar nu is buiten uw medeweten Adonia tot koning uitgeroepen. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Hij heeft een offerfeest gehouden en een stier en een groot aantal vetgemeste schapen en geiten geslacht. Alle koningszonen heeft hij uitgenodigd, en ook de priester Abjatar en Joab, de zoon van Seruja, maar uw dienaar Salomo niet. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Nu, mijn heer en koning, zijn de ogen van heel Israël op u gericht. Van u wil men horen wie er na u op uw troon zal zitten. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Anders zullen mijn zoon Salomo en ik na uw dood van hoogverraad beschuldigd worden.' </VERS>
      <VERS vnumber="22">Terwijl Batseba met de koning sprak, kwam de profeet Natan zijn opwachting maken. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Men kondigde de koning aan: 'Natan de profeet!' Natan knielde voor de koning neer, boog diep voorover </VERS>
      <VERS vnumber="24">en vroeg: 'Mijn heer en koning, hebt u niet gezegd: "Adonia zal koning zijn na mij, en hij zal op mijn troon zitten"? </VERS>
      <VERS vnumber="25">Adonia is vandaag namelijk naar de Rogelbron gegaan om een offerfeest te houden. Hij heeft een stier en een groot aantal vetgemeste schapen en geiten geslacht. Alle koningszonen heeft hij uitgenodigd, en ook de bevelhebbers en de priester Abjatar. Nu zijn zij allen met hem aan het eten en drinken, en ze roepen: "Leve koning Adonia!" </VERS>
      <VERS vnumber="26">Maar mij, uw dienaar, heeft hij niet uitgenodigd, evenmin als de priester Sadok, Benaja, de zoon van Jojada, en uw dienaar Salomo. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Als dit van u is uitgegaan, mijn heer en koning, waarom hebt u mij dan niet laten weten wie er na u op uw troon zou zitten?' </VERS>
      <VERS vnumber="28">Koning David nam het woord en beval: 'Laat Batseba hier komen.' Batseba liep op de koning toe en ging voor hem staan, </VERS>
      <VERS vnumber="29">en de koning zwoer: 'Zo waar de HEER leeft, die mij steeds uit de nood heeft gered, </VERS>
      <VERS vnumber="30">vandaag zal ik doen wat ik je bij de HEER, de God van Israël, gezworen heb: je zoon Salomo zal na mij koning zijn, en hij zal in mijn plaats op mijn troon zitten.' </VERS>
      <VERS vnumber="31">Batseba neeg, boog diep voorover en zei: 'Moge mijn heer, koning David, leven tot in eeuwigheid.' </VERS>
      <VERS vnumber="32">Toen beval koning David: 'Laat de priester Sadok, de profeet Natan en Benaja, de zoon van Jojada, hier komen.' Zij kwamen naar de koning toe </VERS>
      <VERS vnumber="33">en deze zei: 'Roep mijn hovelingen bijeen, laat mijn zoon Salomo op mijn eigen muildier rijden en begeleid hem naar de Gichonbron. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Daar moeten de priester Sadok en de profeet Natan hem zalven tot koning van Israël. Blaas vervolgens op de ramshoorn en roep: "Leve koning Salomo!" </VERS>
      <VERS vnumber="35">Trek dan in zijn gevolg de stad weer binnen. Als hij hier aangekomen is, zal hij plaatsnemen op mijn troon en in mijn plaats koning zijn. Hem wijs ik aan als vorst over Israël en Juda.' </VERS>
      <VERS vnumber="36">Benaja antwoordde de koning: 'Zo zij het! Moge de HEER, de God van mijn heer en koning, uw woorden bekrachtigen. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Moge de HEER Salomo ter zijde staan zoals hij mijn heer en koning ter zijde heeft gestaan, en moge hij zijn troon nog machtiger maken dan de troon van mijn heer, koning David.' </VERS>
      <VERS vnumber="38">De priester Sadok, de profeet Natan en Benaja met de Keretieten en Peletieten begeleidden Salomo, die op het muildier van koning David reed, naar de Gichonbron. </VERS>
      <VERS vnumber="39">De priester Sadok nam de hoorn met olie, die hij uit het heiligdom had meegenomen, en zalfde Salomo. Toen werd er op de ramshoorn geblazen en iedereen riep: 'Leve koning Salomo!' </VERS>
      <VERS vnumber="40">De hele menigte volgde hem terug naar het paleis. Ze bliezen op schalmeien en juichten zo luid, dat de aarde ervan dreunde. </VERS>
      <VERS vnumber="41">Adonia en al zijn gasten waren juist aan het einde van de maaltijd gekomen toen dit rumoer tot hen doordrong. Toen Joab het geluid van de ramshoorn herkende, vroeg hij: 'Waarom komt er zo'n lawaai uit de stad?' </VERS>
      <VERS vnumber="42">Hij was nog niet uitgesproken, of daar kwam Jonatan aan, de zoon van de priester Abjatar. Adonia zei: 'Kom eens hier, op jou kan ik vertrouwen, dus je zult wel goed nieuws brengen.' </VERS>
      <VERS vnumber="43">Maar Jonatan antwoordde: 'Integendeel! Onze heer, koning David, heeft Salomo tot koning uitgeroepen. </VERS>
      <VERS vnumber="44">Hij heeft de priester Sadok en de profeet Natan met hem meegestuurd, en ook Benaja met de Keretieten en Peletieten. Ze hebben hem op het muildier van de koning laten rijden, </VERS>
      <VERS vnumber="45">en bij de Gichonbron hebben Sadok en Natan hem tot koning gezalfd. Daarna gingen ze onder gejuich weer terug naar het paleis, en nu gonst heel de stad van vreugde; dat is het lawaai dat u hoort. </VERS>
      <VERS vnumber="46">Bovendien heeft Salomo plaatsgenomen op de koningstroon. </VERS>
      <VERS vnumber="47">Hovelingen kwamen onze heer, koning David, gelukwensen met de woorden: "Moge uw God de naam van Salomo nog groter maken dan uw naam en zijn troon nog machtiger dan de uwe." Hierop boog de koning diep voorover op zijn bed. </VERS>
      <VERS vnumber="48">Ook zei hij: "Geprezen zij de HEER, de God van Israël, dat ik zelf nog heb mogen meemaken dat hij mij een troonopvolger heeft gegeven."' </VERS>
      <VERS vnumber="49">De schrik sloeg de gasten van Adonia om het hart. Allen stonden op en gingen snel naar huis. </VERS>
      <VERS vnumber="50">Ook Adonia was bang voor Salomo. Hij ging naar het heiligdom en greep de horens van het altaar vast. </VERS>
      <VERS vnumber="51">Men vertelde Salomo dat Adonia zich uit angst voor de koning aan de horens van het altaar had vastgeklampt met de woorden: 'Laat koning Salomo mij eerst zweren dat hij mij niet ter dood zal laten brengen.' </VERS>
      <VERS vnumber="52">En Salomo zei: 'Als hij zich behoorlijk gedraagt, zal hem geen haar worden gekrenkt, maar zodra hij een misstap begaat, zal hij sterven.' </VERS>
      <VERS vnumber="53">Koning Salomo liet hem van het altaar af halen. Adonia verscheen voor koning Salomo en knielde voor hem neer, en Salomo zei hem: 'Je kunt gaan.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="2">
      <VERS vnumber="1">Toen David zijn einde voelde naderen, droeg hij zijn zoon Salomo op: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Ik moet nu heengaan, net als iedereen. Wees sterk en laat zien dat je een man bent. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Houd je aan je verplichtingen tegenover de HEER, je God: gehoorzaam hem en neem zijn bepalingen, geboden, rechtsregels en voorschriften in acht, zoals die zijn vastgelegd in de wetten van Mozes. Dan zul je slagen in alles wat je doet en onderneemt, </VERS>
      <VERS vnumber="4">en dan zal de HEER zijn woord aan mij gestand doen: Als je zonen het rechte pad houden en mij met hart en ziel toegewijd blijven, dan zal er altijd een van jouw nakomelingen op de troon van Israël zitten. </VERS>
      <VERS vnumber="5">En er is nog iets: je weet wat Joab, de zoon van Seruja, mij heeft aangedaan-wat hij de twee opperbevelhebbers van het leger van Israël heeft aangedaan, Abner, de zoon van Ner, en Amasa, de zoon van Jeter. Die heeft hij vermoord. Hij heeft nodeloos bloed vergoten in vredestijd en zo zijn soldateneer met bloed bevlekt. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Laat je door je wijsheid leiden en gun hem geen vredige dood op zijn oude dag. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Maar de zonen van Barzillai uit Gilead moet je goed behandelen. Laat hen aan je hof te gast zijn, want zij hebben mij gastvrij onthaald toen ik op de vlucht was voor je broer Absalom. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Dan is er nog de Benjaminiet Simi, de zoon van Gera, uit Bachurim. Hij heeft me de vreselijkste verwensingen naar het hoofd geslingerd toen ik op weg was naar Machanaïm. Later is hij me bij de Jordaan tegemoet gekomen, en toen heb ik hem bij de HEER gezworen dat ik hem niet ter dood zou brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Maar jij moet hem niet ongestraft laten. Je bent een verstandig man, dus je weet wat je te doen staat: laat hem op zijn oude dag een gewelddadige dood sterven.' </VERS>
      <VERS vnumber="10">David stierf en werd begraven in de Davidsburcht. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Veertig jaar lang was hij koning van Israël geweest: zeven jaar in Hebron en drieëndertig jaar in Jeruzalem. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Salomo besteeg de troon van zijn vader David en regeerde met vaste hand. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Op zekere dag wendde Adonia, de zoon van Chaggit, zich tot Batseba, de moeder van Salomo. 'Kan ik u met een gerust hart ontvangen?' vroeg ze. 'Wees gerust, 'antwoordde hij, </VERS>
      <VERS vnumber="14">'ik wil u alleen maar iets vragen.' 'Ga uw gang, 'zei Batseba. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Toen zei Adonia: 'U weet dat het koningschap mij toekwam; heel Israël verwachtte dat ik koning zou worden. Maar de HEER besliste anders en het koningschap ging over op mijn broer. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Nu heb ik een verzoek aan u, alstublieft, weiger het me niet.' 'Ga verder, 'zei Batseba. </VERS>
      <VERS vnumber="17">'Wilt u aan Salomo, de koning, vragen of hij me de hand schenkt van Abisag uit Sunem? U zal hij het immers niet weigeren.' </VERS>
      <VERS vnumber="18">'Goed, 'zei Batseba, 'ik zal bij de koning voor u pleiten.' </VERS>
      <VERS vnumber="19">Batseba ging naar de koning om met hem over Adonia te spreken. De koning stond op, kwam haar tegemoet en knielde voor haar. Toen ging hij weer zitten en liet voor de koningin-moeder een tweede troon aandragen. Ze nam plaats aan zijn rechterhand </VERS>
      <VERS vnumber="20">en zei: 'Ik heb een klein verzoekje aan u, alstublieft, weiger het me niet.' De koning antwoordde: 'Vraagt u maar, moeder, ik zal het u niet weigeren.' </VERS>
      <VERS vnumber="21">Batseba vroeg: 'Kan uw broer Adonia de hand krijgen van Abisag uit Sunem?' </VERS>
      <VERS vnumber="22">Koning Salomo antwoordde zijn moeder: 'Waarom vraagt u voor Adonia de hand van Abisag? Dan kunt u net zo goed het koningschap voor hem opeisen! Hij is immers ouder dan ik. Als u voor hem pleit, pleit u ook voor Abjatar en Joab!' </VERS>
      <VERS vnumber="23">Toen zwoer de koning bij de HEER: 'God mag met mij doen wat hij wil als Adonia dit verzoek niet met zijn leven zal bekopen! </VERS>
      <VERS vnumber="24">Zo waar de HEER leeft, die mij heeft aangesteld en me op de troon van mijn vader David heeft geplaatst en die mijn koningshuis gevestigd heeft zoals hij had beloofd, zo waar zal Adonia vandaag nog sterven!' </VERS>
      <VERS vnumber="25">Benaja, de zoon van Jojada, werd door koning Salomo belast met de opdracht Adonia ter dood te brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Tegen de priester Abjatar zei de koning: 'Ga terug naar Anatot, naar uw landerijen. Eigenlijk verdient u de doodstraf, maar voor deze keer zal ik u niet terechtstellen, omdat u de ark van God, de HEER, voor mijn vader David uit hebt gedragen en alle ellende met hem hebt gedeeld.' </VERS>
      <VERS vnumber="27">Salomo ontzette Abjatar uit het priesterambt en liet zo in vervulling gaan wat de HEER in Silo over Eli en zijn familie had verkondigd. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Toen Joab hiervan hoorde, vluchtte hij naar het heiligdom van de HEER en greep de horens van het altaar vast. Hij had immers de zijde van Adonia gekozen, hoewel hij Absalom niet had gesteund. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Men vertelde Salomo dat Joab zijn toevlucht had gezocht in het heiligdom van de HEER en zich daar aan het altaar had vastgeklampt. Salomo gaf Benaja opdracht om hem ter dood te brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Benaja ging naar het heiligdom van de HEER en zei tegen Joab: 'De koning zegt: "Kom naar buiten!"' 'Nee!' antwoordde Joab. 'Hier zal ik sterven.' Benaja bracht deze weigering aan de koning over: 'Joab zegt: "Hier zal ik sterven."' </VERS>
      <VERS vnumber="31">Toen zei de koning: 'Doe zoals hij zegt: dood hem, maar zorg wel dat hij begraven wordt. Door hem te doden zuivert u mij en mijn koningshuis van het onschuldig bloed dat hij vergoten heeft. </VERS>
      <VERS vnumber="32">De HEER zal het hem met de dood laten bekopen dat hij twee mannen heeft vermoord die allebei beter en rechtvaardiger waren dan hij. Buiten medeweten van mijn vader David heeft hij hen gedood: Abner, de zoon van Ner, de opperbevelhebber van het leger van Israël, en Amasa, de zoon van Jeter, de opperbevelhebber van het leger van Juda. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Moge hun bloed gewroken worden aan Joab en al zijn nakomelingen; de HEER geve dat de nakomelingen en het koningshuis van David in vrede voortbestaan.' </VERS>
      <VERS vnumber="34">Benaja ging terug naar Joab en bracht hem ter dood. Hij werd bijgezet in zijn familiegraf in de woestijn. </VERS>
      <VERS vnumber="35">In Joabs plaats werd Benaja, de zoon van Jojada, door de koning benoemd tot opperbevelhebber van het leger; de priester Sadok was benoemd in de functie van Abjatar. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Vervolgens ontbood de koning Simi, de zoon van Gera, en zei tegen hem: 'U kunt in Jeruzalem voor uzelf een huis bouwen en er gaan wonen, maar u mag de stad niet verlaten om ergens anders heen te gaan. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Zodra u de stad verlaat en de Kidron oversteekt, bent u ten dode opgeschreven, wees daarvan verzekerd. U hebt uw dood dan aan uzelf te wijten.' </VERS>
      <VERS vnumber="38">Simi antwoordde: 'Het is goed, mijn heer en koning, ik zal doen wat u zegt, 'en hij bleef in Jeruzalem wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="39">Maar na verloop van drie jaar liepen twee van zijn slaven weg naar Achis, de zoon van Maächa, de koning van Gat. Toen Simi vernam waar zijn slaven waren, </VERS>
      <VERS vnumber="40">zadelde hij zijn ezel en vertrok hij naar Gat, om ze bij Achis op te halen en terug te brengen naar Jeruzalem. </VERS>
      <VERS vnumber="41">Toen koning Salomo vernam dat Simi van Jeruzalem naar Gat was gegaan en weer was teruggekomen, </VERS>
      <VERS vnumber="42">ontbood hij hem en zei: 'Heb ik u niet bij de HEER gezworen en gewaarschuwd dat u ten dode opgeschreven zou zijn wanneer u de stad zou verlaten om ergens anders heen te gaan? En hebt u toen niet geantwoord: "Ik heb het gehoord, het is goed"? </VERS>
      <VERS vnumber="43">Waarom hebt u zich niet gehouden aan de eed die ik de HEER gezworen heb, en mijn bevel niet opgevolgd?' </VERS>
      <VERS vnumber="44">En de koning vervolgde: 'U weet maar al te goed wat u mijn vader David hebt aangedaan. De HEER zal u uw wandaad vergelden; </VERS>
      <VERS vnumber="45">maar ik, koning Salomo, ben gezegend, en Davids troon zal nooit wankelen voor de HEER.' </VERS>
      <VERS vnumber="46">De koning gaf Benaja opdracht om Simi ter dood te brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="Zo">kreeg Salomo de macht stevig in handen. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="3">
      <VERS vnumber="1">Door de dochter van de farao tot vrouw te nemen, werd Salomo de schoonzoon van de koning van Egypte. Hij liet haar in de Davidsburcht wonen, totdat hij gereed was met de bouw van zijn paleis, de tempel van de HEER en de muur rondom Jeruzalem. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Omdat er in die tijd nog geen tempel was gebouwd voor de naam van de HEER, bleef het volk zijn offers brengen op de offerplaatsen. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Salomo zelf toonde zijn liefde voor de HEER door te handelen naar wat zijn vader David hem had voorgehouden, maar ook hij bracht zijn offers en brandde wierook op de offerplaatsen. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Zo ging de koning op een keer naar Gibeon, de belangrijkste offerhoogte van het land, om er te offeren. Wel duizend dieren droeg hij daar op het altaar als brandoffer op. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Die nacht verscheen de HEER hem daar in een droom. 'Vraag wat je wilt, 'zei God, 'ik zal het je geven.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">Salomo antwoordde: 'U bent uw dienaar, mijn vader David, altijd goedgezind geweest, omdat hij u trouw toegewijd was en steeds eerlijk en oprecht was tegenover u. U hebt hem een grote gunst bewezen door hem een zoon te geven die nu op zijn troon zit. </VERS>
      <VERS vnumber="7">U, HEER, mijn God, hebt mij als opvolger van mijn vader David als koning aangesteld. Maar ik ben nog zo jong en ik heb geen ervaring. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Ik sta nu voor de taak uw uitverkoren volk te leiden, een volk zo talrijk dat het niet te tellen is. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Schenk uw dienaar een opmerkzame geest, zodat ik uw volk kan besturen en onderscheid kan maken tussen goed en kwaad. Want hoe zou ik anders recht kunnen spreken over dit immense volk van u?' </VERS>
      <VERS vnumber="10">Het beviel de Heer dat Salomo juist hierom vroeg, </VERS>
      <VERS vnumber="11">en hij zei tegen hem: 'Omdat je hierom vraagt-niet om een lang leven of grote rijkdom of de dood van je vijanden, maar om het vermogen om te luisteren en te onderscheiden tussen recht en onrecht- </VERS>
      <VERS vnumber="12">zal ik je wens vervullen. Ik zal je zo veel wijsheid en onderscheidingsvermogen schenken dat je iedereen vóór jou en na jou overtreft. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Ook waar je niet om gevraagd hebt zal ik je geven: zo veel rijkdom en roem dat geen enkele andere koning je tijdens je leven zal evenaren. </VERS>
      <VERS vnumber="14">En als je mij gehoorzaamt en je houdt aan mijn bepalingen en geboden, zoals je vader David dat deed, zal ik je een lang leven schenken.' </VERS>
      <VERS vnumber="15">Toen Salomo wakker werd, besefte hij dat hij een droom had gehad. Bij zijn terugkomst in Jeruzalem ging hij naar de ark van het verbond met de Heer, waar hij brandoffers en vredeoffers bracht. Hij nodigde al zijn hovelingen voor het feestmaal uit. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Kort daarna vroegen twee hoeren bij de koning gehoor. </VERS>
      <VERS vnumber="17">De eerste vrouw vertelde: 'Staat u mij toe, heer, deze vrouw en ik wonen in hetzelfde huis. In dat huis heb ik in haar bijzijn een kind ter wereld gebracht. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Drie dagen later kreeg ook zij een kind. Wij waren daar samen; er was niemand anders in huis, alleen wij tweeën. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Maar haar kind is 's nachts doodgegaan, want zij was erop gaan liggen. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Toen is ze midden in de nacht opgestaan en heeft ze mijn kind bij me weggenomen, terwijl ik sliep. Ze nam mijn kind in haar armen en legde mij haar dode kind in de armen. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Toen ik de volgende ochtend mijn kind wilde voeden, merkte ik dat het dood was. Maar toen ik het nog eens goed bekeek, zag ik dat het niet het kind was dat ik gebaard had.' </VERS>
      <VERS vnumber="22">'Dat is niet waar!' zei de andere vrouw. 'Het levende kind is van mij en het dode van jou.' 'Niet waar!' zei de eerste. 'Het dode is van jou en het levende van mij.' Zo bepleitten ze ieder hun zaak bij de koning. </VERS>
      <VERS vnumber="23">De koning nam het woord en zei: 'De een zegt: "Mijn kind leeft en het jouwe is dood, "en de ander zegt: "Nee! Het dode kind is van jou en het levende van mij."' </VERS>
      <VERS vnumber="24">En hij beval: 'Breng mij een zwaard.' Er werd hem een zwaard gebracht, </VERS>
      <VERS vnumber="25">en toen zei hij: 'Hak het levende kind in tweeën en geef hun ieder de helft.' </VERS>
      <VERS vnumber="26">De echte moeder van het levende kind kon de gedachte dat haar kind iets zou overkomen niet verdragen en riep uit: 'Nee, heer, ik smeek u, geef het kind aan haar, maar dood het alstublieft niet!' De ander zei: 'Als ik het niet krijg, krijg jij het ook niet. Hak het maar doormidden!' </VERS>
      <VERS vnumber="27">Maar de koning deed de volgende uitspraak: 'Het zal niet gedood worden. Geef het levende kind aan háár, want zij is de moeder.' </VERS>
      <VERS vnumber="28">Toen de Israëlieten hoorden welk vonnis de koning had geveld, kregen ze groot ontzag voor hem, want ze begrepen dat hij het recht handhaafde met goddelijke wijsheid. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="4">
      <VERS vnumber="1">Salomo regeerde over heel Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Dit waren zijn raadsheren: Azarja, de zoon van Sadok, was priester; </VERS>
      <VERS vnumber="3">Elichoref en Achia, de zonen van Sisa, waren hofschrijver; Josafat, de zoon van Achilud, was kanselier; </VERS>
      <VERS vnumber="4">Benaja, de zoon van Jojada, was opperbevelhebber van het leger; Sadok en Abjatar waren priester; </VERS>
      <VERS vnumber="5">Azarja, de zoon van Natan, stond aan het hoofd van de stadhouders; de priester Zabud, de zoon van Natan, was de vertrouwensman van de koning; </VERS>
      <VERS vnumber="6">Achisar was hofmeester; Adoniram, de zoon van Abda, was opzichter van de herendienst. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Salomo had in Israël twaalf stadhouders aangesteld. Zij moesten om beurten één maand per jaar in het levensonderhoud van de koning en zijn hofhouding voorzien. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Dit zijn hun namen: Ben-Chur was stadhouder in het bergland van Efraïm. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Ben-Deker was stadhouder in Makas, Saälbim, Bet-Semes en Elon-Bet-Chanan. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Ben-Chesed was stadhouder in Arubbot; ook Socho en het gebied rond Chefer vielen onder zijn gezag. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Ben-Abinadab was stadhouder in het kustgebied van Dor; hij was getrouwd met Salomo's dochter Tafat. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Baäna, de zoon van Achilud, was stadhouder in Taänach en Megiddo en het hele gebied van Bet-San; dat gebied grenst aan Saretan, het ligt ten zuiden van Jizreël en loopt door tot Abel-Mechola en tot voorbij Jokmeam. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Ben-Geber was stadhouder in Ramot in Gilead; onder zijn gezag vielen ook de dorpen van Jaïr, een nakomeling van Manasse, eveneens in Gilead, en het gebied van Argob in Basan; in deze streek lagen zestig grote, ommuurde steden met poorten met bronzen grendels. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Achinadab, de zoon van Iddo, was stadhouder in Machanaïm. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Achimaäs was stadhouder in Naftali; hij trouwde met Salomo's dochter Basemat. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Baäna, de zoon van Chusai, was stadhouder in Aser en Alot; </VERS>
      <VERS vnumber="17">Josafat, de zoon van Paruach, in Issachar; </VERS>
      <VERS vnumber="18">Simi, de zoon van Ela, in Benjamin, </VERS>
      <VERS vnumber="19">en Geber, de zoon van Uri, was stadhouder in Gilead, het land dat aan koning Sichon van de Amorieten en koning Og van Basan had toebehoord; hij was daar de enige stadhouder. </VERS>
      <VERS vnumber="20">De bevolking van Juda en Israël was zo talrijk als zandkorrels aan de zee. De mensen hadden volop te eten en te drinken en waren gelukkig. </VERS>
      <VERS vnumber="21">(5:1) Salomo had de heerschappij over alle koninkrijken tussen de Eufraat en het land van de Filistijnen, en tot aan de grens met Egypte. Zolang Salomo leefde, waren ze aan hem onderworpen en droegen ze hem schatting af. </VERS>
      <VERS vnumber="22">(5:2) Aan Salomo's hof werd dagelijks de volgende hoeveelheid voedsel gebruikt: dertig ezelslasten tarwebloem en zestig ezelslasten meel, </VERS>
      <VERS vnumber="23">(5:3) tien gemeste runderen, nog twintig runderen, honderd schapen en geiten, en dan nog herten, gazellen, reebokken en gemeste hoenders. </VERS>
      <VERS vnumber="24">(5:4) Salomo heerste over het hele gebied ten westen van de Eufraat, van Tifsach tot aan Gaza, over alle koninkrijken ten westen van de rivier, en hij leefde in vrede met alle omringende landen. </VERS>
      <VERS vnumber="25">(5:5) Zolang Salomo leefde, konden de inwoners van Juda en Israël, van Dan tot Berseba, onbezorgd onder hun wijnrank en hun vijgenboom zitten. </VERS>
      <VERS vnumber="26">(5:6) Voor zijn wagens beschikte Salomo over veertigduizend paarden in zijn stallen en twaalfduizend wagenmenners. </VERS>
      <VERS vnumber="27">(5:7) De stadhouders moesten niet alleen om beurten een maand in het levensonderhoud van koning Salomo en zijn hofhouding voorzien, waarbij ze het hun aan niets mochten laten ontbreken; </VERS>
      <VERS vnumber="28">(5:8) ieder van hen was bovendien verplicht gerst en stro voor de paarden en lastdieren bijeen te brengen in die plaats waarvoor hij verantwoordelijk was. </VERS>
      <VERS vnumber="29">(5:9) God schonk Salomo zeer veel wijsheid en onderscheidingsvermogen en een veelomvattende kennis van zaken, zo overvloedig als zandkorrels op het strand langs de zee. </VERS>
      <VERS vnumber="30">(5:10) In wijsheid overtrof Salomo alle oosterlingen en alle Egyptenaren. </VERS>
      <VERS vnumber="31">(5:11) Hij was wijzer dan alle andere mensen, wijzer dan de Ezrachiet Etan en wijzer dan Machols zonen Heman, Kalkol en Darda; zijn roem drong door tot alle omringende volken. </VERS>
      <VERS vnumber="32">(5:12) Hij dichtte drieduizend spreuken en duizendenvijf liederen, </VERS>
      <VERS vnumber="33">(5:13) over allerlei soorten planten, van de ceder op de Libanon tot de majoraan die uit de muur groeit, en over de lopende dieren, de vogels, de kruipende dieren en de vissen. </VERS>
      <VERS vnumber="34">(5:14) Uit alle omringende landen kwamen mensen om naar Salomo's wijsheid te luisteren, afgezanten van de koningen die over zijn wijsheid hadden gehoord. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="5">
      <VERS vnumber="1">(5:15) Toen koning Chiram van Tyrus hoorde dat Salomo als opvolger van zijn vader tot koning was gezalfd, stuurde ook hij afgezanten naar hem toe, want hij had met David altijd op vriendschappelijke voet gestaan. </VERS>
      <VERS vnumber="2">(5:16) Salomo liet hem de volgende boodschap overbrengen: </VERS>
      <VERS vnumber="3">(5:17) 'Zoals u weet, heeft mijn vader David geen tempel kunnen bouwen voor de naam van de HEER, zijn God, omdat hij van alle kanten door vijanden werd belaagd, totdat de HEER ervoor zorgde dat koning David zijn voet in hun nek kon planten. </VERS>
      <VERS vnumber="4">(5:18) Maar mij gunt de HEER, mijn God, rust aan al mijn grenzen. Er zijn geen tegenstanders meer en er dreigt geen gevaar. </VERS>
      <VERS vnumber="5">(5:19) Daarom heb ik besloten om voor de naam van de HEER, mijn God, een tempel te bouwen, zoals de HEER mijn vader David heeft toegezegd: "Je zoon, die ik als je opvolger op je troon zal zetten, die zal een huis bouwen voor mijn naam." </VERS>
      <VERS vnumber="6">(5:20) Wilt u dus uw knechten opdracht geven om voor mij ceders te kappen op de Libanon. Mijn knechten zullen de uwe daarbij helpen. Ik zal uw knechten het loon betalen dat u mij vraagt, want zoals u weet beschikken wij niet over zulke goede houthakkers als de Sidoniërs.' </VERS>
      <VERS vnumber="7">(5:21) Toen Chiram Salomo's verzoek ontving, was hij zeer verheugd. 'Geprezen zij de HEER, 'zei hij, 'die aan David een verstandige zoon heeft gegeven om dit grote volk te besturen.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">(5:22) Hij liet Salomo de volgende boodschap overbrengen: 'Ik heb uw verzoek ontvangen en ik zal u ceders en cipressen leveren zoveel u maar wilt. </VERS>
      <VERS vnumber="9">(5:23) Mijn knechten zullen ze van de Libanon naar de kust brengen. Ik zal er vlotten van laten maken om ze over zee te vervoeren naar de plaats die u me opgeeft. Daar zal ik ze weer uit elkaar laten halen, zodat u de stammen kunt meenemen. In ruil daarvoor verzoek ik u mijn hof van levensmiddelen te voorzien.' </VERS>
      <VERS vnumber="10">(5:24) Chiram leverde Salomo zoveel ceders en cipressen als hij maar wilde, </VERS>
      <VERS vnumber="11">(5:25) en Salomo leverde Chiram elk jaar twintigduizend ezelslasten tarwe en twintig ezelslasten zuivere olijfolie voor het levensonderhoud van zijn hof. </VERS>
      <VERS vnumber="12">(5:26) De HEER schonk Salomo wijsheid, zoals hij hem had beloofd. Er heerste vrede tussen Chiram en Salomo en ze sloten een verdrag met elkaar. </VERS>
      <VERS vnumber="13">(5:27) Uit heel Israël liet Salomo mensen komen om herendienst te verrichten, wel dertigduizend man. </VERS>
      <VERS vnumber="14">(5:28) Die stuurde hij in ploegen naar de Libanon, tienduizend man per maand: één maand werkten ze in de Libanon en twee maanden thuis. Adoniram was opzichter van de herendienst. </VERS>
      <VERS vnumber="15">(5:29) Verder had Salomo zeventigduizend sjouwers en tachtigduizend steenhouwers aan het werk in de bergen, </VERS>
      <VERS vnumber="16">(5:30) nog afgezien van de drieëndertighonderd opzichters die met de leiding over het werk waren belast en toezicht hielden op het werkvolk. </VERS>
      <VERS vnumber="17">(5:31) In opdracht van de koning hakten ze grote brokken hardsteen uit, die op maat werden gehouwen voor de fundering van de tempel. </VERS>
      <VERS vnumber="18">(5:32) Bijgestaan door vaklui uit Gebal maakten bouwlieden van Salomo en Chiram de balken en stenen pasklaar voor de bouw van de tempel. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="6">
      <VERS vnumber="1">In het vierhonderdtachtigste jaar na de uittocht van de Israëlieten uit Egypte, in het vierde jaar van zijn regering over Israël, in de maand ziw, de tweede maand, begon koning Salomo met de bouw van de tempel. </VERS>
      <VERS vnumber="2">De tempel die Salomo voor de HEER bouwde was zestig el lang, twintig el breed en dertig el hoog. </VERS>
      <VERS vnumber="3">De voorhal voor de grote zaal was twintig el breed-hij besloeg dus de hele breedte van het gebouw-en tien el diep. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Salomo voorzag de tempel van vensters met kozijnen en traliewerk. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Rondom de tempel, dat wil zeggen langs de gevels van de grote zaal en de achterste zaal, liet hij een galerij met verdiepingen aanbrengen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">De onderste galerij was vijf el breed, de middelste zes el en de bovenste zeven el. Dat kwam doordat de muren van de tempel aan de buitenkant insprongen omdat hij er geen steunpunten in wilde uithakken. </VERS>
      <VERS vnumber="7">(Bij de bouw van de tempel werden alleen stenen gebruikt die al in de groeve waren afgewerkt; in de tempel was tijdens de bouw geen enkel geluid van hamers, houwelen of andere ijzeren gereedschappen te horen.) </VERS>
      <VERS vnumber="8">Aan de zuidkant van de tempel bevonden zich in de middelste galerij trapgaten; via trappen kwam men op de middelste en de bovenste verdieping. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Toen de muren van de tempel voltooid waren, liet hij een dak aanbrengen van balken en panelen van cederhout. </VERS>
      <VERS vnumber="10">De galerij, waarvan de verdiepingen vijf el hoog waren, was aan de tempel bevestigd met balken van cederhout. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Toen sprak de HEER tot Salomo: </VERS>
      <VERS vnumber="12">'Jij bouwt nu dit huis. Welnu, als jij je aan mijn voorschriften houdt, mijn rechtsregels volgt en mijn geboden strikt naleeft, zal ik nakomen wat ik je vader David met betrekking tot jou heb beloofd. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Ik zal te midden van de Israëlieten komen wonen en mijn volk Israël niet in de steek laten.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">Toen de bouw van de tempel voltooid was, </VERS>
      <VERS vnumber="15">liet Salomo tegen de binnenkant van de wanden een raamwerk van cederhouten latten maken, van de vloer tot aan het dak, waarop hout werd aangebracht. De vloer werd belegd met planken van cipressenhout. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Twintig el voor de achtermuur liet hij van cederhouten planken een wand optrekken vanaf de vloer tot aan het dak. Zo ontstond de achterste zaal van de tempel: het allerheiligste. </VERS>
      <VERS vnumber="17">De ruimte ervoor, de grote zaal, was dus veertig el diep. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Het cederhout waarmee de tempel vanbinnen was afgewerkt, was versierd met houtsnijwerk van kolokwinten en bloemenranken. Alles was van cederhout; van de stenen was niets meer te zien. </VERS>
      <VERS vnumber="19">De achterzaal van de tempel werd door Salomo ingericht om er de ark van het verbond met de HEER in onder te brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Deze zaal, die twintig el lang, twintig el breed en twintig el hoog was, liet hij vanbinnen met bladgoud bedekken. Ook het cederhouten altaar dat ervoor stond werd met bladgoud bedekt, </VERS>
      <VERS vnumber="21">evenals de hele binnenkant van de tempel. Vóór de achterzaal, die zelf al geheel met bladgoud was bedekt, liet hij gouden kettingen spannen. </VERS>
      <VERS vnumber="22">De hele tempel werd van onder tot boven met bladgoud bedekt, ook het altaar van de achterzaal. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Van het hout van de aleppo-den liet hij twee cherubs maken van tien el hoog, die bestemd waren voor de achterzaal. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Elk van hun vleugels mat vijf el; de afstand van vleugelspits tot vleugelspits bedroeg tien el. </VERS>
      <VERS vnumber="25">(25-26) Dat gold voor beide cherubs, ze waren gelijkvormig en even groot, allebei tien el hoog en met een spanwijdte van tien el. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Ze werden zo in de achterzaal geplaatst dat de vleugel van de ene cherub de ene muur raakte en de vleugel van de andere de andere muur. Hun andere vleugels raakten elkaar precies in het midden van de zaal. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Ook de cherubs liet hij vergulden. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Alle wanden van de tempel, van zowel de voorste als de achterste zaal, liet hij rondom versieren met houtsnijwerk van cherubs, bloemenranken en palmetten. </VERS>
      <VERS vnumber="30">De vloeren werden bedekt met een laagje goud, zowel in de voorste als in de achterste zaal. </VERS>
      <VERS vnumber="31">De toegang tot de achterzaal liet hij afsluiten met deuren van aleppohout, die waren opgehangen in deurkozijnen met vijfhoekige stijlen. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Die twee deuren liet hij versieren met houtsnijwerk van cherubs, palmetten en bloemenranken, en met bladgoud bedekken; ook het houtsnijwerk werd verguld. </VERS>
      <VERS vnumber="33">De deurposten van de toegang tot de grote zaal werden eveneens van het hout van de aleppo-den gemaakt, met vierhoekige stijlen. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Hierin werden twee scharnierende deuren van cipressenhout gehangen, die elk twee panelen hadden. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Ook deze deuren liet hij versieren met houtsnijwerk van cherubs, palmetten en bloemenranken, dat vervolgens werd verguld. </VERS>
      <VERS vnumber="36">De ommuring van de binnenhof liet hij optrekken uit drie lagen op maat gehouwen steen, met daar bovenop een laag cederhouten balken. </VERS>
      <VERS vnumber="37">De fundering van de tempel voor de HEER werd gelegd in het vierde jaar van Salomo's regering, in de maand ziw. </VERS>
      <VERS vnumber="38">In zijn elfde regeringsjaar, in de maand bul, de achtste maand, was de tempel tot in de kleinste details geheel volgens plan voltooid. Salomo besteedde dus zeven jaar aan de bouw van de tempel. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="7">
      <VERS vnumber="1">Salomo liet ook een paleis voor zichzelf bouwen. Hij besteedde dertien jaar aan de bouw van het hele paleiscomplex. </VERS>
      <VERS vnumber="2">(2-3) Eerst bouwde hij een hal die het Woud van de Libanon werd genoemd. Deze was honderd el lang, vijftig el breed en dertig el hoog. Het dak van cederhout rustte op vier rijen cederhouten zuilen, waarover cederhouten balken lagen. Daaroverheen lagen vijfenveertig dwarsbalken, vijftien per rij. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Er waren drie rijen vensteropeningen met vensters op drie passen afstand van elkaar. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Alle kozijnen waren rechthoekig, en ze waren aangebracht op drie passen afstand van elkaar. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Vóór deze ruimte, ervan afgescheiden door een hekwerk, liet hij een zuilenhal bouwen van vijftig el breed en dertig el diep. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Hij liet ook een troonzaal maken, waarin hij rechtsprak. Het hele plafond van de rechtszaal was van cederhout. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Achter deze zaal, aan een andere hof, lagen zijn woonvertrekken, die op dezelfde manier waren gebouwd. Voor zijn vrouw, de dochter van de farao, liet hij soortgelijke vertrekken maken. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Al deze gebouwen, vanaf de buitenzijde van het complex tot aan de grote hof, waren van de fundamenten tot aan de daklijst opgetrokken van nauwkeurig op maat gezaagde blokken hardsteen. </VERS>
      <VERS vnumber="10">De fundering bestond uit enorme blokken hardsteen, blokken van tien el en blokken van acht el. </VERS>
      <VERS vnumber="11">De muren waren van behouwen hardsteen en cederhout. </VERS>
      <VERS vnumber="12">De grote hof was ommuurd met drie lagen gehouwen steen met daar bovenop een laag cederhouten balken. Datzelfde gold voor de binnenhof van de tempel van de HEER en voor de voorhal. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Koning Salomo liet een zekere Chiram uit Tyrus komen. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Deze Chiram was de zoon van een weduwe uit de stam Naftali. Zijn vader kwam uit Tyrus, waar hij bronsgieter was geweest. Chiram bezat alle kennis en vakmanschap die nodig zijn voor het vervaardigen van brons- en koperwerk. Hij trad bij Salomo in dienst en maakte al het brons- en koperwerk dat de koning hem opdroeg te vervaardigen. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Chiram maakte twee bronzen zuilen, elk met een hoogte van achttien el en een omtrek van twaalf el. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Voor de bekroning van de zuilen maakte hij twee kapitelen van gegoten brons, allebei vijf el hoog. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Die kapitelen op de zuilen versierde hij met vlechtwerk, en om de hals van elk kapiteel legde hij zeven ketens met kwasten. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Ook maakte hij granaatappels, die hij in twee rijen aan het vlechtwerk bevestigde waarmee beide kapitelen overtrokken waren. </VERS>
      <VERS vnumber="19">De kapitelen op de zuilen, die bestemd waren voor de voorhal van de tempel, gaf hij de vorm van lotusbloemen. Ze waren vier el hoog. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Aan de bovenkant van elk van de kapitelen, aan de zoom van het vlechtwerk, hingen tweehonderd granaatappels in rijen om de uitstulping heen. </VERS>
      <VERS vnumber="21">De zuilen werden opgesteld in de voorhal voor de grote zaal. De rechterzuil kreeg de naam Jachin en de linkerzuil de naam Boaz. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Toen de lotusvormige kapitelen boven op de zuilen waren aangebracht, was het werk aan de zuilen voltooid. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Verder maakte Chiram de Zee, een bekken van gegoten brons van vijf el hoog, met een middellijn van tien el en een omtrek van dertig el. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Onder de rand liep een festoen van tien el lang, dat bestond uit twee rijen kolokwinten die met het bekken waren meegegoten. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Het bekken rustte op twaalf runderen: drie met hun kop naar het noorden, drie met hun kop naar het westen, drie met hun kop naar het zuiden en drie met hun kop naar het oosten; hun achterlijven waren naar het midden gekeerd. Daarop rustte het bekken. </VERS>
      <VERS vnumber="26">De wand was wel een handbreedte dik. De rand was gevormd als bij een beker, als een lotuskelk. Het bekken had een inhoud van tweeduizend bat. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Chiram maakte ook tien bronzen onderstellen voor verrijdbare spoelbekkens, elk vier el lang, vier el breed en drie el hoog. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Deze onderstellen bestonden uit panelen die in een lijstwerk waren gevat. </VERS>
      <VERS vnumber="29">De panelen en het lijstwerk waren versierd met leeuwen, runderen en cherubs. Boven en onder deze reliëfs waren festoenen van drijfwerk. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Elk onderstel had vier bronzen wielen aan bronzen assen. Aan de vier hoekstijlen bevonden zich steunpunten, die tussen de festoenen gemonteerd waren. Hierop rustten de dragers van het spoelbekken. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Deze schraagden een bronzen ring van meer dan een el hoog en met een doorsnede van anderhalve el. Deze ring was gegraveerd. Daar omheen zaten de panelen van het onderstel, die een vierhoek vormden, geen cirkel. </VERS>
      <VERS vnumber="32">De vier wielen waren onder aan de zijkanten van het onderstel gemonteerd. Ze waren elk anderhalve el hoog. </VERS>
      <VERS vnumber="33">De wielen waren gemaakt als wagenwielen, met velgen, spaken en naven, die evenals de ophanging van gegoten brons waren gemaakt. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Op de hoekpunten rustten dus de vier dragers, die aan het onderstel vastzaten. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Boven op het onderstel was een ronde opstaande rand van een halve el hoog. Aan de bovenkant van de panelen zaten handgrepen. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Op de handgrepen en de panelen van het onderstel graveerde Chiram cherubs, leeuwen en palmetten met festoenen ertussen. </VERS>
      <VERS vnumber="37">De tien onderstellen waren alle op dezelfde manier gegoten en hadden dezelfde maat en vorm. </VERS>
      <VERS vnumber="38">Vervolgens maakte hij tien bronzen bekkens, elk met een inhoud van veertig bat en een middellijn van vier el: voor elk van de tien onderstellen een spoelbekken. </VERS>
      <VERS vnumber="39">Vijf van de onderstellen werden aan de zuidkant van de tempel geplaatst, en vijf aan de noordkant. De Zee kreeg een plaats schuin voor de tempel, aan de zuidoostkant. </VERS>
      <VERS vnumber="40">Chiram maakte nog andere bekkens, vuurscheppen en offerschalen, en daarmee was het werk dat koning Salomo hem voor de tempel van de HEER had opgedragen voltooid: </VERS>
      <VERS vnumber="41">de twee zuilen met de twee bolvormige kapitelen erop, het vlechtwerk waarmee die kapitelen op de zuilen waren omhuld, </VERS>
      <VERS vnumber="42">de vierhonderd granaatappels die in twee rijen aan het vlechtwerk om de bolvormige kapitelen op elk van de zuilen hingen, </VERS>
      <VERS vnumber="43">de tien onderstellen en de tien spoelbekkens daarop, </VERS>
      <VERS vnumber="44">de Zee, waarvan er maar één was, met de twaalf runderen eronder, </VERS>
      <VERS vnumber="45">en de vuurbekkens, vuurscheppen en offerschalen. Al deze voorwerpen die Chiram in opdracht van koning Salomo voor de tempel van de HEER had gemaakt, waren van gepolijst koper en brons. </VERS>
      <VERS vnumber="46">De koning liet ze gieten in de Jordaanvlakte, tussen Sukkot en Saretan, waar volop vette klei te vinden was. </VERS>
      <VERS vnumber="47">De hoeveelheid materiaal die in al deze voorwerpen was verwerkt, was zo groot dat koning Salomo ervan afzag ze te laten wegen: het gewicht aan brons en koper was te groot om het te kunnen bepalen. </VERS>
      <VERS vnumber="48">Ook voor het interieur van de tempel van de HEER liet Salomo allerlei voorwerpen maken: het met een laag goud bedekte altaar en de tafel voor het toonbrood, </VERS>
      <VERS vnumber="49">de vergulde lampenstandaards die voor de achterste zaal stonden, vijf aan de linkerkant en vijf aan de rechterkant, met gouden bloemversieringen, gouden lampen en gouden snuiters, </VERS>
      <VERS vnumber="50">de vergulde schotels, messen, offerschalen, kommen en vuurbakken. Ook het beslag van de deuren die toegang gaven tot de achterzaal van de tempel, het allerheiligste, was van goud, evenals het beslag van de deuren die toegang gaven tot de tempel zelf. </VERS>
      <VERS vnumber="51">Toen al het werk dat koning Salomo aan de tempel van de HEER had laten verrichten voltooid was, liet hij de wijgeschenken van zijn vader David naar de tempel overbrengen. Hij borg het goud en zilver en de andere voorwerpen in de schatkamer van de tempel van de HEER. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="8">
      <VERS vnumber="1">Daarna liet koning Salomo de oudsten van Israël, de stamhoofden, allen die aan het hoofd van een familie stonden, in Jeruzalem bij zich komen om de ark van het verbond met de HEER over te brengen vanuit de Davidsburcht, de bergvesting op de Sion. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Alle Israëlieten kwamen in de maand etanim, de zevende maand, voor het feest naar koning Salomo. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Toen alle oudsten van Israël aanwezig waren, namen de priesters de ark op. </VERS>
      <VERS vnumber="4">De ark van de HEER, de ontmoetingstent en de bijbehorende gewijde voorwerpen werden gedragen door de priesters en de Levieten. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Koning Salomo hield met de Israëlieten, die zich met hem rond de ark verzameld hadden, een offerplechtigheid waarbij zo veel schapen, geiten en runderen werden geofferd dat hun aantal niet vast te stellen was. </VERS>
      <VERS vnumber="6">De priesters brachten de ark van het verbond met de HEER naar zijn nieuwe plaats in de achterste zaal van de tempel, het allerheiligste, en zetten hem neer onder de vleugels van de cherubs, </VERS>
      <VERS vnumber="7">zodat de gespreide vleugels van de cherubs zich beschermend over de ark en zijn draagbomen uitstrekten. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Deze draagbomen staken een stuk uit, en vanuit het heilige, de grote zaal, kon men de uiteinden ervan alleen zien wanneer men vlak voor de toegang tot de achterzaal stond; van verder weg waren ze niet te zien. Ze bevinden zich daar tot op de dag van vandaag. </VERS>
      <VERS vnumber="9">De ark bevat niets anders dan de twee stenen platen die Mozes er op de Horeb in heeft gelegd, de platen waarop is vastgelegd wat de HEER voor de Israëlieten heeft bepaald tijdens hun uittocht uit Egypte. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Zodra de priesters uit het heiligdom naar buiten kwamen, vulde een wolk de tempel van de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="11">De priesters konden hun dienst niet meer verrichten, want de majesteit van de HEER vulde de hele tempel. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Toen sprak Salomo: 'HEER, u hebt gezegd dat u in een donkere wolk wilde wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Welnu, ik heb voor u een vorstelijk huis gebouwd, dat voor altijd uw woning kan zijn.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">Hierna keerde de koning zich om en zegende de gemeenschap van Israël. Toen iedereen was gaan staan, </VERS>
      <VERS vnumber="15">zei hij: 'Geprezen zij de HEER, de God van Israël, die het niet bij woorden heeft gelaten maar zijn belofte aan mijn vader David daadwerkelijk is nagekomen. Hij heeft gezegd: </VERS>
      <VERS vnumber="16">"Nooit, vanaf de dag dat ik mijn volk Israël uit Egypte heb weggeleid, heb ik een van de steden van Israëls stammen uitgekozen om er een tempel te laten bouwen waar mijn naam zou wonen. Wel heb ik David gekozen om mijn volk Israël te regeren." </VERS>
      <VERS vnumber="17">Toen nu mijn vader David het plan opvatte om een tempel te bouwen voor de naam van de HEER, de God van Israël, </VERS>
      <VERS vnumber="18">zei de HEER tegen hem: "Je hebt er goed aan gedaan een huis te willen bouwen voor mijn naam. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Toch zul jij de tempel niet bouwen. Je zoon, die uit jou zal voortkomen, die zal voor mijn naam een huis bouwen." </VERS>
      <VERS vnumber="20">En de HEER heeft zijn woord gestand gedaan. Ik ben mijn vader David opgevolgd en zit nu op de troon van Israël, zoals de HEER heeft beloofd. En ik heb voor de naam van de HEER, de God van Israël, een tempel gebouwd </VERS>
      <VERS vnumber="21">als verblijfplaats voor de ark die het verbond bevat dat de HEER met onze voorouders sloot toen hij hen uit Egypte wegleidde.' </VERS>
      <VERS vnumber="22">Toen wendde Salomo zich naar het altaar van de HEER, ten aanschouwen van de verzamelde Israëlieten, hief zijn handen ten hemel </VERS>
      <VERS vnumber="23">en zei: 'HEER, God van Israël, er is geen god zoals u, noch in de hemel daar boven, noch op de aarde hier beneden. U houdt u aan het verbond en blijft trouw aan uw dienaren die u met heel hun hart toegewijd zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="24">U hebt u gehouden aan wat u uw dienaar, mijn vader David, hebt beloofd. U hebt het niet bij woorden gelaten, maar u bent vandaag uw belofte daadwerkelijk nagekomen. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Daarom vraag ik u, HEER, God van Israël, of u zich ook wilt blijven houden aan wat u uw dienaar, mijn vader David, hebt beloofd, namelijk dat u zijn nakomelingen de troon van Israël nooit zult ontzeggen, zolang wij tenminste op het rechte pad blijven door u toegewijd te zijn, zoals ook hij u toegewijd was. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Welnu, God van Israël, mogen alle beloften die u uw dienaar, mijn vader David, hebt gedaan, bewaarheid worden. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Zou God werkelijk op aarde kunnen wonen? Zelfs de hoogste hemel kan u niet bevatten, laat staan dit huis dat ik voor u heb gebouwd. </VERS>
      <VERS vnumber="28">HEER, mijn God, hoor het smeekgebed van uw dienaar aan en luister naar de verzuchtingen die ik vandaag tot u richt. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Wees dag en nacht opmerkzaam op wat er gebeurt in deze tempel, de plaats waarvan u zelf hebt gezegd dat daar uw naam zal wonen, en verhoor het gebed dat ik naar deze tempel richt. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Luister naar de smeekbeden die uw dienaar en uw volk Israël naar deze tempel richten, aanhoor ons gebed vanuit de hemel, uw woonplaats, aanhoor ons en schenk ons vergeving. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Wanneer iemand een ander kwaad heeft gedaan en deze van hem eist dat hij een vervloeking over zichzelf uitspreekt, en wanneer hij dan naar uw altaar in deze tempel komt om zichzelf te vervloeken, </VERS>
      <VERS vnumber="32">aanhoor hem dan vanuit de hemel en grijp in. Spreek recht over uw dienaren, verklaar de boosdoener schuldig en geef hem zijn verdiende straf, maar spreek de onschuldige vrij en herstel hem in zijn recht. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Wanneer uw volk Israël door de vijand is verslagen omdat het tegen u gezondigd heeft, en wanneer zij dan naar u terugkeren, uw naam prijzen en tot u in deze tempel bidden en smeken, </VERS>
      <VERS vnumber="34">aanhoor hen dan vanuit de hemel, vergeef uw volk Israël wat het heeft misdaan en breng hen terug naar het grondgebied dat u aan hun voorouders hebt gegeven. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Wanneer de hemel gesloten blijft en er geen regen valt omdat het volk tegen u gezondigd heeft, en wanneer zij dan een gebed richten naar deze tempel, uw naam prijzen en hun leven beteren, antwoord hun dan. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Aanhoor hen vanuit de hemel en vergeef uw dienaren, uw volk Israël, wat ze hebben misdaan. Wijs hun de juiste levensweg en laat het regenen op uw land, dat u als erfdeel aan uw volk gegeven hebt. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Wanneer er in het land hongersnood of pest uitbreekt, wanneer het gewas wordt getroffen door korenbrand, meeldauw of vraatzuchtige sprinkhanen, wanneer het volk in eigen land door vijanden bedreigd wordt, wanneer er kortom bij enige ramp of ziekte </VERS>
      <VERS vnumber="38">ook maar iemand van uw volk Israël een smeekgebed tot u richt en zijn handen heft in de richting van deze tempel-ieder onder de druk van het leed dat hem persoonlijk treft-, </VERS>
      <VERS vnumber="39">aanhoor hem dan vanuit de hemel, uw woonplaats, en vergeef hem. Grijp in en geef hem wat hem toekomt, want u weet wat er in hem omgaat. U alleen immers kunt de mens doorgronden. </VERS>
      <VERS vnumber="40">Dan zullen ze in het land dat u aan hun voorouders hebt gegeven hun leven lang ontzag voor u tonen. </VERS>
      <VERS vnumber="41">Ook wanneer een vreemdeling, die niet tot uw volk Israël behoort en die uit een ver land hierheen is gekomen om u te vereren </VERS>
      <VERS vnumber="42">-want ook daar is de faam van uw sterke hand en opgeheven arm doorgedrongen-, wanneer een vreemdeling hierheen komt en een gebed richt naar deze tempel, </VERS>
      <VERS vnumber="43">aanhoor hem dan vanuit de hemel, uw woonplaats, en doe wat hij u vraagt. Dan zullen alle volken op aarde uw naam leren kennen en ontzag voor u tonen, zoals uw volk Israël dat doet, en zij zullen weten dat uw naam verbonden is aan deze tempel die ik heb gebouwd. </VERS>
      <VERS vnumber="44">Wanneer uw volk op uw bevel ten strijde trekt tegen de vijand en zij tot u bidden in de richting van de stad die u hebt uitgekozen en van de tempel die ik voor uw naam heb gebouwd, </VERS>
      <VERS vnumber="45">luister dan vanuit de hemel naar hun bidden en smeken en verschaf hun recht. </VERS>
      <VERS vnumber="46">Wanneer ze tegen u zondigen-er is immers geen mens die niet zondigt-en u hen uit woede uitlevert aan vijanden die hen gevangennemen en meevoeren naar hun land, hetzij ver weg of dichtbij, </VERS>
      <VERS vnumber="47">en wanneer ze dan in hun ballingsoord tot inkeer komen en zich in dat vreemde land smekend tot u wenden en belijden dat ze hebben gezondigd, dat ze verkeerd hebben gedaan en slecht hebben gehandeld, </VERS>
      <VERS vnumber="48">wanneer ze zich in het land van de vijanden die hen gevangen hebben genomen weer met hart en ziel aan u toewijden en tot u bidden in de richting van het land dat u aan hun voorouders hebt gegeven, van de stad die u hebt uitgekozen en van de tempel die ik voor uw naam heb gebouwd, </VERS>
      <VERS vnumber="49">luister dan vanuit de hemel, uw woonplaats, naar hun bidden en smeken en verschaf hun recht. </VERS>
      <VERS vnumber="50">Vergeef uw volk alle zonden en misstappen die het tegen u begaan heeft en wek het mededogen op van degenen die hen als gevangenen hebben weggevoerd. </VERS>
      <VERS vnumber="51">Zij zijn uw volk, HEER, mijn God, uw eigen volk, dat u uit die smeltoven van Egypte hebt weggeleid. </VERS>
      <VERS vnumber="52">Wees opmerkzaam op de smeekbeden van uw dienaar en van uw volk Israël en luister naar hen wanneer ze u maar roepen. </VERS>
      <VERS vnumber="53">Uit alle volken op aarde hebt u immers hen uitgekozen om uw volk te zijn, zoals u bij monde van uw dienaar Mozes hebt gezegd toen u onze voorouders uit Egypte wegleidde.' </VERS>
      <VERS vnumber="54">Tijdens dit hele smeekgebed lag Salomo geknield voor het altaar van de HEER, met zijn handen ten hemel geheven. Toen hij zijn gebed tot de HEER beëindigd had, </VERS>
      <VERS vnumber="55">stond hij op en sprak met luide stem zijn zegen uit over de gemeenschap van Israël: </VERS>
      <VERS vnumber="56">'Geprezen zij de HEER, die zijn volk Israël rust heeft gegeven, zoals hij heeft beloofd. Niet één van de beloften die hij bij monde van zijn dienaar Mozes heeft gedaan, is onvervuld gebleven. </VERS>
      <VERS vnumber="57">Moge de HEER, onze God, ons bijstaan, zoals hij onze voorouders heeft bijgestaan. Moge hij zich om ons blijven bekommeren en ons niet in de steek laten. </VERS>
      <VERS vnumber="58">Moge hij ervoor zorgen dat wij hem toegenegen en gehoorzaam blijven en ons houden aan de geboden, voorschriften en rechtsregels die hij onze voorouders heeft gegeven. </VERS>
      <VERS vnumber="59">Moge mijn smeekgebed dag en nacht bij de HEER, onze God, zijn en moge hij zijn dienaar en zijn volk Israël recht verschaffen, telkens als dat nodig is. </VERS>
      <VERS vnumber="60">Dan zullen alle volken op aarde beseffen dat de HEER God is, hij alleen. </VERS>
      <VERS vnumber="61">Blijf volkomen toegewijd aan de HEER, onze God, door zijn voorschriften te volgen en u aan zijn geboden te houden, zoals u dat nu ook doet.' </VERS>
      <VERS vnumber="62">Met alle Israëlieten droeg de koning offers op aan de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="63">Om de tempel in te wijden bracht hij met de Israëlieten een vredeoffer aan de HEER, waarvoor tweeëntwintigduizend runderen en honderdtwintigduizend schapen en geiten werden geslacht. </VERS>
      <VERS vnumber="64">De koning wijdde die dag het midden van het voorplein van de tempel van de HEER, zodat de offers daar konden worden opgedragen, want het bronzen altaar was te klein voor alle brandoffers, graanoffers en het vet van de geslachte dieren. </VERS>
      <VERS vnumber="65">Zo vierde Salomo bij die gelegenheid feest ten overstaan van de HEER, onze God, samen met de Israëlieten, die in groten getale bijeen waren gekomen uit het hele land, vanaf Lebo-Hamat tot aan de wadi die de grens met Egypte vormt. Het feest duurde zeven dagen en nog eens zeven, samen veertien dagen. </VERS>
      <VERS vnumber="66">Daarna stuurde de koning het volk naar huis terug, en nadat ze hem geluk hadden gewenst, ging ieder naar zijn woonplaats, opgewekt en verheugd om al het goede dat de HEER voor zijn dienaar David en zijn volk Israël gedaan had. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="9">
      <VERS vnumber="1">Toen Salomo de bouw van de tempel voor de HEER en van het koninklijk paleis voltooid had, en ook al zijn andere bouwplannen ten uitvoer had gebracht, </VERS>
      <VERS vnumber="2">verscheen de HEER hem een tweede keer, zoals hij hem ook in Gibeon was verschenen. </VERS>
      <VERS vnumber="3">De HEER zei tegen Salomo: 'Ik heb het smeekgebed dat je tot mij gericht hebt gehoord. Ik heb de tempel die je gebouwd hebt tot heilige plaats gemaakt, om er voor altijd mijn naam te laten wonen. Niets van wat daar gebeurt zal me ontgaan; ik zal alles ter harte nemen. </VERS>
      <VERS vnumber="4">En wat jezelf betreft, als jij mij met heel je hart oprecht toegewijd blijft, zoals je vader David dat was, als je alles doet wat ik je opdraag en je altijd houdt aan mijn bepalingen en rechtsregels, </VERS>
      <VERS vnumber="5">zal ik ervoor zorgen dat jouw troon in Israël nooit wankelt, zoals ik je vader David heb beloofd toen ik hem zei dat er altijd een van zijn nakomelingen op de troon van Israël zou zitten. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Maar mochten jullie of je nakomelingen je van mij afwenden en je niet houden aan de geboden en bepalingen die ik jullie heb opgelegd, en in plaats daarvan andere goden gaan vereren, </VERS>
      <VERS vnumber="7">dan zal ik de Israëlieten verdrijven van het grondgebied dat ik hun gegeven heb en wil ik niets meer weten van deze tempel, die ik voor mijn naam heb geheiligd. Israël zal dan bij alle volken het mikpunt worden van hoon en spot, </VERS>
      <VERS vnumber="8">en van deze tempel zal alleen een puinhoop overblijven, zodat ieder die er voorbijkomt zal huiveren en sissen van afschuw. En wie zich afvraagt waarom de HEER zo tegen dit land en deze tempel is opgetreden, </VERS>
      <VERS vnumber="9">zal als antwoord krijgen: "Omdat ze zich hebben afgewend van de HEER, hun God, die hun voorouders uit Egypte heeft geleid, en zich aan andere goden hebben vastgeklampt. Ze zijn andere goden gaan vereren, en daarom heeft de HEER hun al deze rampspoed bezorgd."' </VERS>
      <VERS vnumber="10">Twintig jaar had Salomo besteed aan deze twee bouwwerken, de tempel voor de HEER en het koninklijk paleis. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Koning Chiram van Tyrus had hem daarvoor ceders, cipressen en goud geleverd zoveel hij maar wilde. Na afloop van die twintig jaar schonk koning Salomo Chiram twintig steden in Galilea. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Maar toen Chiram uit Tyrus kwam om de steden die Salomo hem gegeven had te bekijken, was hij niet tevreden </VERS>
      <VERS vnumber="13">en hij beklaagde zich: 'Wat zijn dat voor steden die u me gegeven hebt, waarde vriend?' Hij noemde die streek Eres-Kabul, en zo heet het daar tot op de dag van vandaag. </VERS>
      <VERS vnumber="14">In totaal had Chiram honderdtwintig talent goud aan koning Salomo geleverd. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Salomo liet de bouw van de tempel, het paleis, het Millobolwerk en de stadsmuur van Jeruzalem uitvoeren als herendienst, evenals de bouwwerkzaamheden in Hasor, Megiddo en Gezer. </VERS>
      <VERS vnumber="16">De farao, de koning van Egypte, was indertijd tegen Gezer opgetrokken, had de stad ingenomen en in de as gelegd en alle Kanaänieten die er woonden gedood, en toen zijn dochter met Salomo trouwde, had hij haar deze stad als bruidsschat meegegeven. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Salomo had Gezer weer opgebouwd. Ook versterkte hij Laag-Bet-Choron, </VERS>
      <VERS vnumber="18">Baälat, Tamar in de woestijn van Juda </VERS>
      <VERS vnumber="19">en alle steden waar hij zijn voorraden opsloeg en zijn wagens en paarden stalde. Hij bouwde wat hij maar wilde, in Jeruzalem, in de Libanon of waar ook in zijn rijk. </VERS>
      <VERS vnumber="20">(20-21) Salomo legde aan alle bevolkingsgroepen die niet tot het volk van Israël behoorden herendienst op, dat wil zeggen aan de Amorieten, Hethieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten die nog in het land woonden omdat de Israëlieten er niet in waren geslaagd ze te vernietigen. Deze maatregel geldt tot op de dag van vandaag. </VERS>
      <VERS vnumber="22">De Israëlieten zelf werden door Salomo niet verplicht tot herendienst; zij deden dienst als soldaten, hofdienaars, aanvoerders, adjudanten en bevelhebbers van de wagenmenners en de ruiterij. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Vijfhonderdvijftig opzichters hielden voor Salomo toezicht op het werk en hadden de leiding over het werkvolk. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Zodra de dochter van de farao van de Davidsburcht was verhuisd naar de vertrekken die Salomo voor haar in het paleis had laten bouwen, begon hij aan de bouw van het Millobolwerk. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Nadat hij de tempel voltooid had, bracht Salomo driemaal per jaar brandoffers en vredeoffers op het altaar dat hij voor de HEER had laten maken; ook brandde hij wierook bij het altaar van de HEER . </VERS>
      <VERS vnumber="26">Koning Salomo had ook een vloot laten bouwen, in Esjon-Geber bij Elat, aan de kust van de Rode Zee, in Edom. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Chiram stuurde ervaren zeelieden met Salomo's vloot mee om de bemanning bij te staan. </VERS>
      <VERS vnumber="28">De vloot voer naar Ofir, van waar ze vierhonderdtwintig talent goud voor koning Salomo meebrachten. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="10">
      <VERS vnumber="1">De roem van Salomo, die de naam van de HEER tot eer strekte, was tot de koningin van Seba doorgedrongen. Ze ging naar hem toe om hem met raadsels op de proef te stellen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Ze kwam naar Jeruzalem met een grote karavaan kamelen beladen met reukwerk, een grote hoeveelheid goud, en edelstenen. Ze bracht Salomo een bezoek en legde hem alle vragen voor die ze had bedacht. </VERS>
      <VERS vnumber="3">En Salomo wist op al haar vragen een antwoord, er was er niet één waarop hij het antwoord schuldig moest blijven. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Toen de koningin van Seba merkte hoe wijs Salomo was en ze het paleis zag dat hij gebouwd had, </VERS>
      <VERS vnumber="5">de gerechten die bij hem op tafel kwamen, de wijze waarop zijn hovelingen aanzaten, de kleding en de goede manieren van zijn bedienden, de dranken die werden geschonken en de offers die hij opdroeg in de tempel van de HEER, was ze buiten zichzelf van bewondering. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Ze zei tegen de koning: 'Het is dus echt waar wat ik in mijn land over u en uw wijsheid heb horen vertellen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Ik geloofde het niet, maar nu ik hierheen ben gekomen en het met eigen ogen gezien heb, moet ik toegeven dat ik nog niet de helft te horen heb gekregen. Uw wijsheid en welvaart zijn nog veel groter dan wordt gezegd. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Wat zijn uw hovelingen, die voortdurend in uw gezelschap verkeren en al uw wijze woorden horen, bevoorrecht! </VERS>
      <VERS vnumber="9">Geprezen zij de HEER, uw God, die zo veel behagen in u schept dat hij u op de troon van Israël heeft gezet. Zijn liefde voor Israël is zo grenzeloos dat hij u als koning heeft aangesteld om recht en gerechtigheid te handhaven.' </VERS>
      <VERS vnumber="10">De koningin van Seba schonk Salomo honderdtwintig talent goud en een grote hoeveelheid reukwerk en edelstenen. Zoveel reukwerk als de koningin van Seba aan koning Salomo gaf, is later nooit meer aangevoerd. </VERS>
      <VERS vnumber="11">De vloot van Chiram die het goud uit Ofir had meegebracht, voerde van daar ook een grote hoeveelheid sandelhout en edelstenen mee. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Uit het sandelhout liet Salomo balustrades maken voor de tempel van de HEER en het koninklijk paleis, en ook lieren en harpen voor de zangers. Het is tot op de dag van vandaag niet meer voorgekomen dat er zulk sandelhout werd aangevoerd. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Koning Salomo gaf de koningin van Seba de gebruikelijke koninklijke geschenken en daarbij nog alles wat ze verder maar vroeg. Daarna keerde ze met haar gevolg naar haar eigen land terug. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Koning Salomo ontving jaarlijks zeshonderdzesenzestig talent goud, </VERS>
      <VERS vnumber="15">nog afgezien van het goud dat de handelskaravanen meebrachten, de winst die zijn handelaars maakten en het goud dat de oosterse vorsten en de stadhouders van Israël afdroegen. </VERS>
      <VERS vnumber="16">De koning liet tweehonderd grote schilden maken van gedreven goud; in één zo'n schild werd zeshonderd sjekel goud verwerkt. </VERS>
      <VERS vnumber="17">En ook nog driehonderd kleinere schilden van gedreven goud; in één zo'n schild werd drie mine goud verwerkt. Deze schilden liet hij opstellen in de hal die het Woud van de Libanon werd genoemd. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Van ivoor liet hij een grote troon maken, die werd overtrokken met zuiver goud. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Zes treden leidden naar de troon, die aan de bovenkant een ronde hoofdsteun had en armleuningen aan weerskanten van de zitting. Naast de armleuningen stonden twee leeuwen </VERS>
      <VERS vnumber="20">en op de zes treden stonden twaalf leeuwen, één aan elke kant van iedere tree. In geen enkel koninkrijk was ooit zo'n troon gemaakt. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Al het drinkgerei van koning Salomo was van goud en al het andere vaatwerk in het Woud van de Libanon was verguld. Er werd geen zilver gebruikt, want aan zilver hechtte men in de tijd van Salomo geen bijzondere waarde. </VERS>
      <VERS vnumber="22">De koning beschikte namelijk over een handelsvloot die samen met de vloot van Chiram de zeeën bevoer en eens in de drie jaar binnenliep met een lading goud, zilver, olifantstanden, apen en pauwen. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Koning Salomo overtrof alle andere koningen op aarde in rijkdom en wijsheid. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Uit alle delen van de wereld kwamen mensen naar Salomo toe om te luisteren naar de wijsheid waarmee God hem vervuld had. </VERS>
      <VERS vnumber="25">En allemaal brachten ze geschenken mee: zilveren en gouden voorwerpen, gewaden, wapens, reukwerk, paarden en muildieren. Dat ging zo jaar in jaar uit. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Salomo schafte ook wagens en paarden aan. Hij bezat veertienhonderd wagens en twaalfduizend paarden, die hij deels in Jeruzalem bij zich hield en deels onderbracht in garnizoenssteden verspreid over het land. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Dankzij koning Salomo was zilver in Jeruzalem even gewoon als steen, en was er aan cederhout net zo'n overvloed als aan wilde vijgenbomen in het heuvelland. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Salomo's paarden waren afkomstig uit Egypte, uit Kewe, waar ze door handelaars van de koning werden aangekocht. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Een wagen kostte in Egypte zeshonderd sjekel zilver, een paard honderdvijftig. Deze handelaars leverden ook paarden aan de koningen van de Hethieten en de Arameeërs. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="11">
      <VERS vnumber="1">Koning Salomo beminde vele buitenlandse vrouwen: behalve de dochter van de farao beminde hij ook vrouwen uit Moab, Ammon, Edom en Sidon, en Hethitische vrouwen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Ze waren afkomstig uit de volken waarover de HEER tegen de Israëlieten had gezegd: 'Jullie mogen je niet met hen inlaten en zij mogen zich niet met jullie inlaten, anders zullen zij jullie ertoe verleiden hun goden te gaan dienen.' Juist tot die vrouwen voelde Salomo zich aangetrokken. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Hij had zevenhonderd hoofdvrouwen en driehonderd bijvrouwen, en deze vrouwen maakten hem ontrouw: </VERS>
      <VERS vnumber="4">op zijn oude dag verleidden zij hem ertoe andere goden te gaan dienen en was hij de HEER, zijn God, niet meer met hart en ziel toegedaan zoals zijn vader David dat was geweest. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Salomo zocht zijn heil bij Astarte, de godin van de Sidoniërs, en Milkom, de gruwelijke god van de Ammonieten. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER en was de HEER niet zo trouw als zijn vader David. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Zo liet hij op een heuvel in de buurt van Jeruzalem een offerplaats maken ter ere van Kemos, de gruwelijke god van Moab, en ter ere van Moloch, de gruwelijke god van de Ammonieten. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Voor al zijn buitenlandse vrouwen maakte hij eigen offerplaatsen, zodat zij wierook konden branden en offers konden brengen voor hun goden. </VERS>
      <VERS vnumber="9">De HEER werd woedend op Salomo, omdat hij ontrouw was geworden aan hem, de God van Israël, die hem tot tweemaal toe was verschenen </VERS>
      <VERS vnumber="10">en hem uitdrukkelijk had verboden zich met andere goden in te laten. Omdat Salomo zich niet hield aan wat de HEER hem bevolen had, </VERS>
      <VERS vnumber="11">zei de HEER tegen hem: 'Het is met jou zo ver gekomen dat je het verbond met mij niet in acht neemt en je niet houdt aan de bepalingen die ik je heb opgelegd. Daarom zal ik het koningschap van je losscheuren en het aan een van je ondergeschikten geven. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Maar omwille van je vader David zal ik wachten tot na je dood, en pas je zoon het koningschap ontnemen. </VERS>
      <VERS vnumber="13">En omwille van mijn dienaar David en omwille van Jeruzalem, de stad die ik heb uitgekozen, zal ik je zoon niet het hele koninkrijk ontnemen; één stam zal ik hem laten houden.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">De HEER gaf Salomo een tegenstander: de Edomiet Hadad, een lid van het koningshuis van Edom. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Dat kwam zo: Toen Davids legeraanvoerder Joab tijdens de veldtocht tegen Edom de gesneuvelden ging begraven, had hij daar alles wat mannelijk was gedood. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Zes maanden was Joab met het leger in Edom gebleven, tot hij er alles wat mannelijk was had uitgeroeid. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Hadad, die toen nog heel jong was, was met enkele Edomieten, hovelingen van zijn vader, ontkomen. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Via Midjan en Paran, van waar ze een aantal mannen meenamen, vluchtte hij naar Egypte, waar de farao, de koning van Egypte, hem onderdak verschafte. Hij beloofde hem voedsel en gaf hem land. </VERS>
      <VERS vnumber="19">De farao raakte zo op Hadad gesteld dat hij hem de zuster van zijn gemalin Tachpenes ten huwelijk gaf. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Deze zuster van Tachpenes baarde hem een zoon, Genubat. Nadat hij van de borst genomen was, werd de jongen door de vorstin persoonlijk in het paleis grootgebracht, samen met de zonen van de farao. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Toen Hadad in Egypte vernam dat David bij zijn voorouders te ruste was gegaan en dat legeraanvoerder Joab dood was, vroeg hij aan de farao verlof om naar zijn land terug te keren. </VERS>
      <VERS vnumber="22">'Wat kom je bij mij tekort, dat je zo opeens naar je eigen land wilt terugkeren?' vroeg de farao. 'Niets, 'antwoordde Hadad, 'maar laat me alstublieft toch gaan.' </VERS>
      <VERS vnumber="23">God gaf Salomo nog een tegenstander: Rezon, de zoon van Eljada. Deze was weggelopen van zijn heer, koning Hadadezer van Soba, </VERS>
      <VERS vnumber="24">toen David Hadadezer en de zijnen een bloedige nederlaag toebracht. Rezon had een groep mannen om zich heen verzameld en was met zijn bende naar Damascus gegaan, waar ze zich vestigden en heersten als koningen. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Zolang Salomo leefde, was Rezon een vijand van Israël. Net als Hadad bracht hij het land veel schade toe, want hij had een afkeer van Israël. Hij heerste als koning over Aram. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Een ander die tegen koning Salomo in opstand kwam, was een van zijn eigen ambtenaren, Jerobeam, de zoon van Nebat, een Efraïmiet uit Sereda. Zijn moeder was weduwe en heette Serua. </VERS>
      <VERS vnumber="27">De reden waarom hij tegen de koning in opstand kwam, was de volgende. Salomo liet het Millobolwerk bouwen om de laatste bres in de Davidsburcht te dichten. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Jerobeam toonde zich daarbij een flinke kracht. Omdat hij Salomo opviel door het werk dat hij verzette, stelde de koning hem aan als opzichter over alle werklieden uit het gebied van de nakomelingen van Jozef. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Toen Jerobeam in die tijd een keer de stad uit ging, kwam hij de profeet Achia uit Silo tegen. Achia droeg een nieuwe mantel. Ze waren helemaal alleen in het open veld. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Achia greep zijn nieuwe mantel en scheurde hem in twaalf stukken. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Toen zei hij tegen Jerobeam: 'Neem tien van deze stukken, want dit zegt de HEER, de God van Israël: Hierbij scheur ik het koningschap van Salomo los en geef ik jou tien stammen. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Eén stam zal ik hem laten houden, omwille van mijn dienaar David en omwille van Jeruzalem, de stad die ik uit alle steden van Israëls stammen heb uitgekozen. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Ik breng deze scheuring teweeg omdat ze mij verlaten hebben en Astarte zijn gaan vereren, de godin van de Sidoniërs, en Kemos, de god van Moab, en Milkom, de god van de Ammonieten. Ze zijn mij ongehoorzaam geworden en hebben gedaan wat slecht is in mijn ogen, want ze hebben mijn voorschriften en rechtsregels niet nageleefd zoals Salomo's vader David dat deed. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Toch zal ik Salomo het koningschap niet helemaal ontnemen. Omwille van mijn dienaar David, die ik had uitgekozen en die mijn geboden en voorschriften in acht heeft genomen, mag Salomo blijven regeren zolang hij leeft. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Maar zijn zoon zal ik het koningschap ontnemen. Tien stammen geef ik aan jou, </VERS>
      <VERS vnumber="36">en zijn zoon zal ik één stam laten houden, opdat er bij mij in Jeruzalem, de stad die ik heb uitgekozen om er mijn naam te laten wonen, altijd iemand zal zijn die het licht van het koningshuis van mijn dienaar David brandend houdt. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Jou zal ik aanstellen tot koning over heel het gebied dat je verlangt. Jij zult koning van Israël zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="38">Als je luistert naar alles wat ik je opdraag, mij gehoorzaamt en doet wat goed is in mijn ogen door mijn voorschriften en geboden in acht te nemen zoals mijn dienaar David dat deed, dan zal ik je ter zijde staan en je koningshuis bestendigen, zoals ik dat ook voor David heb gedaan. Ik zal Israël aan jou geven. </VERS>
      <VERS vnumber="39">Zo zal ik de nakomelingen van David vernederen, maar niet voor altijd.' </VERS>
      <VERS vnumber="40">Salomo wilde Jerobeam doden, daarom week Jerobeam uit naar Egypte, waar hij bij koning Sisak zijn toevlucht zocht. Hij bleef daar tot Salomo gestorven was. </VERS>
      <VERS vnumber="41">Verdere bijzonderheden over Salomo en over zijn wijsheid zijn opgetekend in de annalen van Salomo. </VERS>
      <VERS vnumber="42">Veertig jaar regeerde Salomo vanuit Jeruzalem over heel Israël, </VERS>
      <VERS vnumber="43">tot hij bij zijn voorouders te ruste ging. Hij werd begraven in de Davidsburcht, en zijn zoon Rechabeam volgde hem op. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="12">
      <VERS vnumber="1">Rechabeam ging naar Sichem, waar heel Israël was samengekomen om hem tot koning uit te roepen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Jerobeam, de zoon van Nebat, hoorde hiervan, maar hij bleef in Egypte, waarheen hij voor koning Salomo was gevlucht. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Daarom werden er boden gestuurd om hem te halen, en samen met de verzamelde Israëlieten wendde hij zich tot Rechabeam met het volgende verzoek: </VERS>
      <VERS vnumber="4">'Uw vader heeft ons een zwaar juk opgelegd. Maakt u onze taak nu minder zwaar, verlicht het juk waarmee uw vader ons heeft belast, dan zullen wij u dienen.' </VERS>
      <VERS vnumber="5">'Geef me drie dagen bedenktijd, 'antwoordde Rechabeam, 'en kom dan bij me terug.' Toen het volk was weggegaan, </VERS>
      <VERS vnumber="6">raadpleegde Rechabeam de oudsten die zijn vader Salomo ter zijde hadden gestaan toen die nog leefde: 'Wat raadt u mij aan? Wat moet ik het volk antwoorden?' </VERS>
      <VERS vnumber="7">'Als u zich nu een dienaar van het volk toont, 'zeiden ze, 'en het van dienst bent met een welwillend antwoord, zal het u voor altijd dienen.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">Maar hij legde de raad van de oudsten naast zich neer en raadpleegde de jongemannen die met hem waren opgegroeid en die hem nu ter zijde stonden: </VERS>
      <VERS vnumber="9">'Wat raden jullie aan? Wat moeten wij het volk antwoorden op zijn verzoek om het juk te verlichten dat mijn vader het heeft opgelegd?' </VERS>
      <VERS vnumber="10">De jongemannen zeiden tegen hem: 'Het volk heeft je gevraagd om het te ontlasten van het zware juk dat je vader het heeft opgelegd. Welnu, zeg tegen hen: "Mijn pink is dikker dan het lid van mijn vader! </VERS>
      <VERS vnumber="11">Mijn vader heeft u een zwaar juk opgelegd, ik zal het nog verzwaren. Mijn vader heeft u gehoorzaamheid geleerd met zwepen, ik zal u gehoorzaamheid leren met schorpioenen!"' </VERS>
      <VERS vnumber="12">Toen Jerobeam en de andere Israëlieten na drie dagen bij koning Rechabeam terugkwamen, zoals hun gezegd was, </VERS>
      <VERS vnumber="13">gaf de koning hun een hardvochtig antwoord. Hij legde de raad van de oudsten naast zich neer </VERS>
      <VERS vnumber="14">en antwoordde zoals de jongemannen hem hadden aangeraden: 'Mijn vader heeft u een zwaar juk opgelegd, ik zal het nog verzwaren. Mijn vader heeft u gehoorzaamheid geleerd met zwepen, ik zal u gehoorzaamheid leren met schorpioenen.' </VERS>
      <VERS vnumber="15">De koning gaf dus geen gehoor aan het verzoek van het volk. De HEER had dit zo beschikt om in vervulling te laten gaan wat hij bij monde van Achia uit Silo aan Jerobeam, de zoon van Nebat, had voorzegd. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Toen de Israëlieten merkten dat de koning aan hun verzoek geen gehoor gaf, zeiden ze tegen hem: 'Wat hebben wij met David te maken? Wij hebben niets gemeen met de zoon van Isaï! We breken op, volk van Israël! Het koningshuis van David zorgt maar voor zichzelf!' En de Israëlieten braken op. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Rechabeam bleef alleen koning over de Israëlieten die in de steden van Juda woonden. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Hij stuurde Adoniram, de opzichter van de herendienst, nog naar de Israëlieten, maar die werd gestenigd. De koning zelf kon nog net op een wagen klimmen en naar Jeruzalem ontkomen. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Zo brak Israël met het koningshuis van David, en dat is zo gebleven tot op de dag van vandaag. </VERS>
      <VERS vnumber="20">De Israëlieten, die hadden gehoord dat Jerobeam was teruggekeerd, lieten hem vragen om voor de volksvergadering te verschijnen. Daar werd hij uitgeroepen tot koning van heel Israël. Er was niemand meer die het koningshuis van David steunde, behalve de stam Juda. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Bij zijn terugkeer in Jeruzalem riep Rechabeam uit de stammen Juda en Benjamin honderdtachtigduizend geoefende krijgslieden op om de strijd aan te binden met de Israëlieten en het koningschap voor hem, de zoon van Salomo, terug te winnen. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Maar God richtte zich tot de godsman Semaja met de woorden: </VERS>
      <VERS vnumber="23">'Zeg tegen Rechabeam, de zoon van Salomo en koning van Juda, en tegen Juda en Benjamin en de rest van het volk: </VERS>
      <VERS vnumber="24">"Dit zegt de HEER: Trek niet ten strijde tegen de Israëlieten, jullie broeders, maar keer terug naar huis, want dit alles is van mij uitgegaan."' Ze gehoorzaamden en gingen terug naar huis, zoals de HEER had gezegd. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Jerobeam vestigde zich in Sichem, in het bergland van Efraïm, nadat hij de stad eerst had versterkt. Later trok hij daar weg en versterkte hij Penuël. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Hij bedacht dat er alle kans was dat het koningschap weer zou terugvallen aan het huis van David </VERS>
      <VERS vnumber="27">en overlegde bij zichzelf: Wanneer het volk naar Jeruzalem blijft gaan om daar offers op te dragen in de tempel van de HEER, zullen ze zich weer hechten aan hun heer, koning Rechabeam van Juda. Dan zullen ze mij vermoorden en zich weer bij Rechabeam aansluiten. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Na rijp beraad besloot hij om twee gouden beelden te laten maken in de vorm van een stierkalf. Daarop zei hij tegen het volk: 'U bent nu vaak genoeg ter bedevaart naar Jeruzalem gegaan! Israël, dit is uw god die u uit Egypte heeft geleid.' </VERS>
      <VERS vnumber="29">Het ene beeld liet hij in Betel plaatsen, en het andere in Dan, </VERS>
      <VERS vnumber="30">waar het door de Israëlieten in optocht naartoe werd gebracht. Zo verviel het volk tot zonde. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Jerobeam liet tempels bouwen op de offerhoogten en stelde priesters aan die niet tot de nakomelingen van Levi behoorden, maar afkomstig waren uit alle groepen van de bevolking. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Ook stelde hij op de vijftiende dag van de achtste maand een feest in dat leek op het feest in Juda. Hij besteeg dan, in Betel, de treden naar het altaar om offers op te dragen aan de stierenbeelden die hij had laten maken. In Betel installeerde hij ook de priesters die hij voor de offerplaatsen had aangesteld. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Op de vijftiende dag van de achtste maand, de datum die Jerobeam eigenmachtig had vastgesteld als feestdag voor de Israëlieten, besteeg hij de treden naar het altaar dat hij in Betel had laten maken, om er een offer te ontsteken. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="13">
      <VERS vnumber="1">Hij stond al bij het altaar klaar, toen er een godsman uit Juda aankwam die door de HEER gezonden was. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Op bevel van de HEER riep hij tegen het altaar: 'Altaar! Altaar! Dit zegt de HEER: In de familie van David zal een zoon worden geboren, Josia geheten. Op jou zal deze Josia de priesters van de offerplaatsen, die wierook op je branden, ten offer brengen. Op jou zal het gebeente van mensen worden verbrand.' </VERS>
      <VERS vnumber="3">Hierop kondigde hij een wonder aan: 'Dit is het teken dat het de HEER is die gesproken heeft: het altaar zal splijten en de as die erop ligt zal op de grond vallen.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Toen de koning hoorde wat de godsman over het altaar in Betel zei, stak hij over het altaar heen zijn hand naar hem uit en beval: 'Grijp hem!' Maar zijn uitgestrekte arm verstijfde, hij kon hem niet meer naar zich toe bewegen. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Toen spleet het altaar en de as viel op de grond, zoals de godsman in opdracht van de HEER had aangekondigd. </VERS>
      <VERS vnumber="6">'Alstublieft, 'smeekte de koning de godsman, 'bid voor mij en probeer de HEER, uw God, te vermurwen, zodat ik mijn arm weer kan bewegen.' De godsman wist de HEER mild te stemmen, zodat de koning zijn arm weer kon bewegen zoals eerst. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Toen zei de koning: 'Kom met mij mee naar huis, dan kunt u zich verkwikken. En ik zal u een geschenk geven.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">Maar de godsman antwoordde: 'Al gaf u mij de helft van uw bezit, dan nog zou ik niet met u meekomen. Ik zal hier in Betel niets eten en niets drinken. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Dat is een bevel van de HEER, dat mij werd opgelegd met de woorden: "Je mag niets eten en niets drinken en niet langs dezelfde weg teruggaan als je gekomen bent."' </VERS>
      <VERS vnumber="10">Daarom nam hij een andere weg terug dan die waarlangs hij was gekomen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Nu woonde er in Betel een oude profeet. Een van zijn zonen kwam naar hem toe en vertelde hem wat de godsman die dag in Betel had gedaan en wat hij tegen de koning had gezegd. Toen zijn zonen hem alles hadden verteld, </VERS>
      <VERS vnumber="12">vroeg hun vader hun welke weg hij genomen had. Nadat ze waren nagegaan langs welke weg de godsman naar Juda was teruggegaan, </VERS>
      <VERS vnumber="13">droeg hun vader hun op de ezel voor hem te zadelen. Dat deden ze, en toen reed de oude profeet op zijn ezel </VERS>
      <VERS vnumber="14">de godsman achterna. Hij trof hem aan, zittend onder een terebint. 'Bent u de godsman die uit Juda is gekomen?' vroeg hij. 'Ja, 'zei de godsman. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Toen zei de profeet: 'Ga met me mee naar huis om wat te eten.' </VERS>
      <VERS vnumber="16">'Ik kan niet op uw uitnodiging ingaan, 'antwoordde de godsman. 'Ik mag in uw woonplaats niets eten en niets drinken, </VERS>
      <VERS vnumber="17">want er is mij door de HEER een verbod opgelegd met de woorden: "Je mag daar niets eten en niets drinken en niet langs dezelfde weg teruggaan als je gekomen bent."' </VERS>
      <VERS vnumber="18">'Maar ik ben ook een profeet, net als u, 'voerde de ander aan. 'En tegen mij heeft een engel in opdracht van de HEER gezegd: "Neem hem mee terug naar je huis en laat hem wat eten en drinken."' Zo loog hij hem voor, </VERS>
      <VERS vnumber="19">en de godsman ging met hem mee terug om bij hem thuis iets te eten en te drinken. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Terwijl ze aan tafel zaten, richtte de HEER zich tot de profeet die de godsman had meegenomen, </VERS>
      <VERS vnumber="21">en deze riep tegen de godsman uit Juda: 'Dit zegt de HEER: Je hebt je verzet tegen het bevel van de HEER en je niet gehouden aan het verbod dat de HEER, je God, je had opgelegd. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Je bent teruggegaan en je hebt gegeten en gedronken op een plaats waarvan hij had gezegd dat je er niets mocht eten of drinken. Daarom zal je lichaam na je dood niet worden bijgezet in het graf van je voorouders.' </VERS>
      <VERS vnumber="23">Toen de godsman had gegeten en gedronken, liet de profeet die hem had meegenomen een ezel voor hem zadelen. </VERS>
      <VERS vnumber="24">De godsman ging op weg, maar onderweg werd hij door een leeuw aangevallen en gedood. Zijn dode lichaam bleef op de weg liggen, en de ezel en de leeuw bleven ernaast staan. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Voorbijgangers zagen het lijk liggen, met de leeuw ernaast. Toen ze in de stad kwamen waar de oude profeet woonde, vertelden ze wat ze hadden gezien. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Ook deze profeet, die de godsman had overgehaald om terug te keren, hoorde ervan en hij zei: 'Dat moet de godsman zijn die zich verzet heeft tegen het bevel van de HEER. De HEER heeft hem laten verscheuren door een leeuw, zoals hij hem had voorzegd.' </VERS>
      <VERS vnumber="27">Hierop droeg hij zijn zonen op een ezel voor hem te zadelen, en toen dat gebeurd was </VERS>
      <VERS vnumber="28">reed hij uit. Hij trof het levenloze lichaam van de godsman liggend op de weg, met de ezel en de leeuw ernaast. De leeuw had het lijk niet verslonden en de ezel niet verscheurd. </VERS>
      <VERS vnumber="29">De profeet nam het lichaam van de godsman op, legde het op zijn ezel en nam het mee terug naar de stad om het daar met gepaste rouw te begraven. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Hij zette het lichaam bij in het voor hemzelf bestemde graf, en ze rouwden over hem met de woorden: 'Ach, mijn broeder!' </VERS>
      <VERS vnumber="31">Na de begrafenis zei de oude profeet tegen zijn zonen: 'Wanneer ik doodga, moeten jullie mij begraven in het graf waarin de godsman ligt. Leg mijn gebeente bij het zijne, </VERS>
      <VERS vnumber="32">want wat hij in opdracht van de HEER over het altaar in Betel voorzegd heeft, zal uitkomen, en ook wat hij heeft voorzegd over alle tempels op de offerplaatsen in de steden van Samaria.' </VERS>
      <VERS vnumber="33">Ondanks deze gebeurtenissen beterde Jerobeam zijn leven niet. Hij bleef voor de offerplaatsen priesters aanstellen uit alle groepen van de bevolking; wie maar wilde kon een aanstelling krijgen als priester van de offerplaatsen. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Zo verviel het koningshuis van Jerobeam tot zonde, waardoor het uiteindelijk zou worden uitgeroeid en van de aarde weggevaagd. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="14">
      <VERS vnumber="1">In die tijd werd Jerobeams zoon Abia ziek. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Jerobeam zei tegen zijn vrouw: 'Kom, verkleed je zo dat niemand je als mijn vrouw herkent, en ga naar Silo. Daar woont de profeet Achia, die mij voorzegd heeft dat ik koning over dit volk zou worden. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Neem tien broden, een paar koeken en een kruik honing voor hem mee en ga naar hem toe; hij zal je vertellen hoe het met onze zoon zal aflopen.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">De vrouw van Jerobeam deed wat hij gezegd had. Ze ging naar Silo, naar het huis van de profeet Achia. Achia kon niet meer zien, want zijn ogen waren door de ouderdom helemaal dof geworden. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Maar de HEER had tegen Achia gezegd: 'De vrouw van Jerobeam komt naar je toe om je te raadplegen over haar zoon, die ziek is. Ze zal in vermomming bij je komen.' En hij zei tegen Achia wat hij tegen Jerobeams vrouw moest zeggen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Toen Achia de vrouw bij de deur hoorde aankomen, begroette hij haar als volgt: 'Kom binnen, vrouw van Jerobeam. Waarom hebt u zich vermomd? Ik moet u een nare boodschap overbrengen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Ga naar Jerobeam en zeg tegen hem: "Dit zegt de HEER, de God van Israël: Ik heb je verheven boven het volk en je als vorst over mijn volk, Israël, aangesteld. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Ik heb het koningschap van het huis van David losgescheurd en het aan jou gegeven. Maar jij bent anders dan mijn dienaar David, die mijn geboden in acht nam, mij met heel zijn hart toegewijd was en altijd deed wat goed is in mijn ogen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Jij hebt je nog slechter gedragen dan al je voorgangers: je hebt me getergd door je in te laten met andere goden en godenbeelden te maken, en mij heb je verworpen. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Daarom zal ik nu onheil brengen over het huis van Jerobeam. Alle mannelijke leden van je familie zal ik uitroeien, van hoog tot laag, ik zal je koningshuis wegvegen als straatvuil, tot er niets meer van over is. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Wie van de familie van Jerobeam in de stad sterft, zal door de honden worden opgevreten, en wie sterft in het open veld, zal worden opgevreten door de vogels. Zo heeft de HEER gesproken." </VERS>
      <VERS vnumber="12">Ga nu naar huis. Zodra u de stad bereikt, zal uw kind sterven. </VERS>
      <VERS vnumber="13">In heel Israël zullen ze over hem rouwen, en hij zal begraven worden. Hij is de enige nakomeling van Jerobeam die in een graf zal worden bijgezet, omdat hij de enige is van het huis van Jerobeam in wie de HEER , de God van Israël, iets goeds heeft kunnen vinden. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Binnenkort-wat zeg ik, nu vandaag nog zal de HEER iemand tot koning van Israël verheffen die het huis van Jerobeam zal uitroeien. </VERS>
      <VERS vnumber="15">De HEER zal Israël treffen zoals de wind het riet in het water heen en weer zwiept. Hij zal de Israëlieten verdrijven uit dit goede land dat hij aan hun voorouders heeft gegeven. Hij zal ze uiteendrijven en verjagen tot over de Eufraat, omdat ze hem hebben getergd door Asjerapalen te maken. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Hij zal Israël aan zijn lot overlaten omdat Jerobeam gezondigd heeft en de Israëlieten tot zonde heeft aangezet.' </VERS>
      <VERS vnumber="17">De vrouw van Jerobeam vertrok en ging terug naar Tirsa. Zodra ze haar voet over de drempel zette, stierf het kind. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Het werd begraven en heel Israël rouwde over hem, zoals de HEER bij monde van zijn profeet Achia had voorzegd. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Verdere bijzonderheden over Jerobeam, over de oorlogen die hij heeft gevoerd en over zijn regering, zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Jerobeam regeerde tweeëntwintig jaar. Toen ging hij bij zijn voorouders te ruste. Zijn zoon Nadab volgde hem op. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Rechabeam, de zoon van Salomo, was dus koning van Juda. Hij was eenenveertig jaar oud toen hij koning werd. Zeventien jaar regeerde hij in Jeruzalem, de stad die de HEER uit alle steden van Israëls stammen had uitgekozen om er zijn naam te laten wonen. Zijn moeder was Naäma, een Ammonitische. </VERS>
      <VERS vnumber="22">De Judeeërs deden wat slecht is in de ogen van de HEER. Met hun wangedrag ergerden ze hem nog meer dan hun voorouders ooit hadden gedaan. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Op alle hoge heuvels en onder elke bladerrijke boom bouwden ook zij offerplaatsen, richtten ze gewijde stenen op of plaatsten ze Asjerapalen. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Ook werd er in het land tempelprostitutie bedreven. Kortom, men gaf zich over aan alle verfoeilijke praktijken van de volken die de HEER voor de Israëlieten verdreven had. </VERS>
      <VERS vnumber="25">In het vijfde jaar van de regering van koning Rechabeam trok koning Sisak van Egypte tegen Jeruzalem op. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Hij roofde de schatten uit de tempel van de HEER en het koninklijk paleis en nam alles mee, ook de gouden schilden die koning Salomo had laten maken. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Koning Rechabeam liet toen bronzen schilden maken en gaf deze in bewaring aan de bevelhebbers van de koninklijke garde, die het paleis bewaakte. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Telkens als de koning naar de tempel van de HEER kwam, namen de leden van de garde de schilden mee, en daarna brachten ze die weer terug naar hun kazerne. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Verdere bijzonderheden over Rechabeam zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Juda. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Rechabeam en Jerobeam waren voortdurend met elkaar in oorlog. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Toen Rechabeam stierf, werd hij begraven bij zijn voorouders in de Davidsburcht. Zijn moeder was Naäma, een Ammonitische. Zijn zoon Abiam volgde hem op. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="15">
      <VERS vnumber="1">Abiam werd koning van Juda in het achttiende regeringsjaar van koning Jerobeam, de zoon van Nebat. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Drie jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Maächa, de dochter van Abisalom. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Hij bedreef alle zonden die zijn vader vóór hem had bedreven en was, in tegenstelling tot zijn voorvader David, de HEER, zijn God, niet met heel zijn hart toegedaan. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Maar omwille van David liet de HEER het licht van Davids koningshuis in Jeruzalem branden: hij liet het koningschap van vader op zoon overgaan en zorgde dat Jeruzalem standhield. </VERS>
      <VERS vnumber="5">David had immers steeds gedaan wat goed is in de ogen van de HEER en zich altijd gehouden aan wat God hem opdroeg, behalve in de kwestie met de Hethiet Uria. </VERS>
      <VERS vnumber="6">(6-7) Net als Rechabeam was Abiam voortdurend in oorlog met Jerobeam. Verdere bijzonderheden over Abiam zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Juda. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Toen Abiam bij zijn voorouders te ruste ging, werd hij begraven in de Davidsburcht. Zijn zoon Asa volgde hem op. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Asa werd koning van Juda in het twintigste regeringsjaar van koning Jerobeam van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Eenenveertig jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn grootmoeder was Maächa, de dochter van Abisalom. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Net zoals zijn voorvader David deed Asa wat goed is in de ogen van de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Hij joeg de mannen die tempelprostitutie bedreven het land uit en verwijderde alle godenbeelden die zijn voorouders hadden gemaakt. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Zijn grootmoeder Maächa ontnam hij zelfs haar koninklijke titel, omdat ze een aanstootgevend beeld van Asjera had laten maken. Het beeld hakte hij in stukken en hij verbrandde het in de bedding van de Kidron. </VERS>
      <VERS vnumber="14">En al verdwenen de offerplaatsen dan niet, toch was Asa de HEER zijn leven lang met heel zijn hart toegedaan. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Hij liet de wijgeschenken van zijn vader overbrengen naar de tempel van de HEER en bracht daar ook zijn eigen wijgeschenken onder: goud, zilver en gebruiksvoorwerpen. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Asa was voortdurend in oorlog met Basa, de koning van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Koning Basa van Israël viel Juda binnen en versterkte Rama om de aan- en afvoerwegen voor koning Asa van Juda af te snijden. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Daarom verzamelde Asa al het goud en zilver dat in de schatkamers van de tempel en het paleis over was en stuurde enkele van zijn hovelingen ermee naar Damascus. Daar moesten ze het aan koning Benhadad van Aram, de zoon van Tabrimmon, de zoon van Chezjon, overhandigen met de woorden: </VERS>
      <VERS vnumber="19">'Wij zijn bondgenoten, en onze vaders waren dat ook. Hierbij bied ik u een geschenk in goud en zilver aan. Verbreek uw verdrag met koning Basa van Israël, zodat hij zich uit mijn land terugtrekt.' </VERS>
      <VERS vnumber="20">Benhadad willigde het verzoek van koning Asa in en gaf zijn bevelhebbers opdracht met hun legers tegen de steden van Israël op te rukken. Zo versloeg hij Ijjon, Dan, Abel-Bet-Maächa, heel het gebied van Kinneret en heel het land van Naftali. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Toen Basa hiervan hoorde, zag hij ervan af Rama verder te versterken en trok hij zich terug in Tirsa. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Koning Asa liet heel Juda oproepen, niemand uitgezonderd, om mee te helpen bij het afbreken van de versterkingen die Basa in Rama had gebouwd. De stenen en het hout werden gebruikt om de steden Mispa en Geba in Benjamin te versterken. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Verdere bijzonderheden over Asa, over de vele overwinningen die hij behaalde en de steden die hij liet versterken, zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Juda. Overigens werd hij op latere leeftijd slecht ter been. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Toen Asa stierf, werd hij begraven bij zijn voorouders in de Davidsburcht. Zijn zoon Josafat volgde hem op. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Jerobeams zoon Nadab werd koning van Israël in het tweede regeringsjaar van koning Asa van Juda. Twee jaar regeerde hij over Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER en volgde het voorbeeld van zijn vader, die de Israëlieten tot zonde had aangezet. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Basa, de zoon van Achia, uit de stam Issachar, beraamde een aanslag op Nadab en doodde hem bij de Filistijnse stad Gibbeton toen Nadab met het leger van Israël deze stad belegerde. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Het was in het derde regeringsjaar van koning Asa van Juda dat Basa Nadab doodde en in zijn plaats koning werd. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Zodra hij de macht in handen had, liet hij de hele familie van Jerobeam ter dood brengen. Geen van Jerobeams nakomelingen bleef in leven; ze werden allemaal uitgeroeid, zoals de HEER bij monde van zijn profeet Achia uit Silo had voorzegd, </VERS>
      <VERS vnumber="30">omdat Jerobeam gezondigd had door de Israëlieten tot zonde aan te zetten en de HEER, de God van Israël, had getergd. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Verdere bijzonderheden over Nadab zijn te vinden in de kronieken van de koningen van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Asa en koning Basa van Israël waren voortdurend met elkaar in oorlog. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Basa, de zoon van Achia, werd koning van Israël in het derde regeringsjaar van koning Asa van Juda. Vierentwintig jaar regeerde hij in Tirsa. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER en volgde het voorbeeld van Jerobeam, die de Israëlieten tot zonde had aangezet. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="16">
      <VERS vnumber="1">Daarom richtte de HEER zich tot Jehu, de zoon van Chanani, met de volgende uitspraak tegen Basa: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Ik heb je uit het stof gehaald en je aangesteld tot vorst over mijn volk, Israël. Maar jij hebt het voorbeeld van Jerobeam gevolgd en de Israëlieten, mijn volk, ertoe aangezet te zondigen en mij met hun wangedrag te tergen. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Daarom zal ik Basa en zijn koningshuis wegvagen zoals ik het koningshuis van Jerobeam, de zoon van Nebat, heb weggevaagd. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Wie van de familie van Basa in de stad sterft, zal door de honden worden opgevreten, en wie sterft in het open veld, zal worden opgevreten door de vogels.' </VERS>
      <VERS vnumber="5">Verdere bijzonderheden over Basa en over de overwinningen die hij behaalde zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Toen Basa bij zijn voorouders te ruste ging, werd hij begraven in Tirsa. Zijn zoon Ela volgde hem op. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Bij monde van de profeet Jehu, de zoon van Chanani, had de HEER zich dus tegen Basa en zijn familie gericht, omdat hij had gedaan wat slecht is in de ogen van de HEER. Hij had immers, net zoals Jerobeam en zijn familie, de HEER met zijn handelwijze getergd. Bovendien had hij de familie van Jerobeam uitgemoord. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Ela, de zoon van Basa, werd koning van Israël in het zesentwintigste regeringsjaar van koning Asa van Juda. Twee jaar regeerde hij in Tirsa. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Tegen hem werd een aanslag beraamd door zijn dienaar Zimri, de bevelhebber van de helft van de wagenmenners. Toen Ela zich een keer aan het bedrinken was in het huis van zijn hofmeester Arsa, in Tirsa, </VERS>
      <VERS vnumber="10">drong Zimri binnen en doodde hem. Het was in het zevenentwintigste regeringsjaar van koning Asa van Juda dat Zimri Ela doodde en in zijn plaats koning werd. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Toen hij de macht eenmaal in handen had en goed en wel op de troon zat, liet hij het hele koningshuis van Basa ter dood brengen. Niemand van het mannelijk geslacht bleef in leven, niet één familielid of vriend bleef over om hem te wreken. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Zo roeide Zimri de hele familie van Basa uit, zoals de HEER bij monde van de profeet Jehu over Basa had voorzegd, </VERS>
      <VERS vnumber="13">omdat Basa en zijn zoon Ela gezondigd hadden en de Israëlieten ertoe hadden aangezet te zondigen door de HEER, de God van Israël, met hun nietige afgoden te tergen. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Verdere bijzonderheden over Ela zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Zimri werd koning van Israël in het zevenentwintigste regeringsjaar van koning Asa van Juda. Zeven dagen regeerde hij in Tirsa. Het leger lag in die tijd voor de Filistijnse stad Gibbeton. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Toen de Israëlieten daar hoorden dat Zimri een aanslag op de koning had gepleegd en hem gedood had, riepen ze diezelfde dag nog, in het legerkamp, hun bevelhebber Omri tot koning van Israël uit. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Omri trok met het hele leger uit Gibbeton tegen koning Zimri op en belegerde Tirsa. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Toen Zimri begreep dat de stad zou worden ingenomen, trok hij zich terug in het versterkte gedeelte van het paleis en stak hij het paleis in brand. Zo kwam hij om het leven, </VERS>
      <VERS vnumber="19">omdat hij gezondigd had door te doen wat slecht is in de ogen van de HEER. Hij had immers het voorbeeld van Jerobeam gevolgd door net zoals hij de Israëlieten tot zonde aan te zetten. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Verdere bijzonderheden over Zimri en over de aanslag die hij beraamde zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Na de dood van Zimri viel het leger van Israël in twee partijen uiteen. De ene helft wilde Tibni, de zoon van Ginat, als koning uitroepen, de andere helft koos de kant van Omri. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Maar de aanhangers van Omri waren sterker dan de aanhangers van Tibni. Tibni, de zoon van Ginat, vond de dood en Omri werd koning. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Omri werd koning van Israël in het eenendertigste regeringsjaar van koning Asa van Juda. Hij regeerde twaalf jaar. Toen hij zes jaar in Tirsa had geregeerd, </VERS>
      <VERS vnumber="24">kocht hij van een zekere Semer voor twee talent zilver een berg. Hij liet er huizen op bouwen en noemde de stad die hij liet bouwen Samaria, naar Semer, de vorige bezitter van de berg. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Omri deed wat slecht is in de ogen van de HEER; zijn gedrag was nog erger dan dat van zijn voorgangers. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Hij volgde in alle opzichten het voorbeeld van Jerobeam, de zoon van Nebat, die de Israëlieten ertoe had aangezet te zondigen door de HEER, de God van Israël, met hun nietige afgoden te tergen. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Verdere bijzonderheden over Omri en over de overwinningen die hij behaalde zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Toen Omri bij zijn voorouders te ruste ging, werd hij begraven in Samaria. Zijn zoon Achab volgde hem op. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Achab, de zoon van Omri, werd koning van Israël in het achtendertigste regeringsjaar van koning Asa van Juda. Tweeëntwintig jaar regeerde hij in Samaria. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Achab deed wat slecht is in de ogen van de HEER; zijn gedrag was nog erger dan dat van zijn voorgangers. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Alsof het nog niet erg genoeg was dat hij het voorbeeld volgde van Jerobeam, de zoon van Nebat, nam hij Izebel tot vrouw, de dochter van koning Etbaäl van Sidon, en begon hij Baäl te vereren. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Hij liet in Samaria een tempel voor Baäl bouwen en richtte er een altaar voor hem op. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Ook maakte hij een Asjerapaal. Zo deed hij allerlei dingen waarmee hij de HEER, de God van Israël, tergde, meer nog dan de vorige koningen van Israël gedaan hadden. </VERS>
      <VERS vnumber="34">In de tijd van Achab werd Jericho weer opgebouwd door Chiël uit Betel. Ten koste van zijn oudste zoon, Abiram, legde hij de fundamenten, en de poortdeuren bevestigde hij ten koste van Segub, zijn jongste zoon, zoals de HEER bij monde van Jozua, de zoon van Nun, had voorzegd. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="17">
      <VERS vnumber="1">De Tisbiet Elia uit Gilead zei tegen Achab: 'Zo waar de HEER leeft, de God van Israël, in wiens dienst ik sta, de eerstkomende jaren zal er geen dauw of regen komen tenzij ik het zeg.' </VERS>
      <VERS vnumber="2">De HEER richtte zich tot Elia met de woorden: </VERS>
      <VERS vnumber="3">'Ga weg van hier. Ga naar het oosten en zoek een schuilplaats in de wadi Kerit, aan de overkant van de Jordaan. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Drinken kun je uit de rivier, en ik heb de raven opgedragen je daar van voedsel te voorzien.' </VERS>
      <VERS vnumber="5">Elia deed wat de HEER hem had gezegd, hij ging weg en trok zich terug in de wadi Kerit, ten oosten van de Jordaan. </VERS>
      <VERS vnumber="6">De raven brachten hem daar 's ochtends en 's avonds brood en vlees, en water dronk hij uit de rivier. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Maar doordat het almaar niet regende in het land, viel de rivier na verloop van tijd droog. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Toen richtte de HEER zich tot Elia met de woorden: </VERS>
      <VERS vnumber="9">'Ga naar Sarefat, in de buurt van Sidon, en neem daar je intrek. Ik heb een weduwe daar opgedragen je van voedsel te voorzien.' </VERS>
      <VERS vnumber="10">Elia ging op weg naar Sarefat, en toen hij bij de stadspoort aankwam, zag hij een weduwe die bezig was hout te sprokkelen. Hij riep haar en vroeg of ze een kommetje water voor hem wilde halen, zodat hij zijn dorst kon lessen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Terwijl ze wegliep om water te halen, riep hij haar na of ze ook een stuk brood voor hem wilde meenemen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">'Zo waar de HEER, uw God, leeft, 'antwoordde zij, 'ik heb niets meer in voorraad, alleen een handjevol meel in de pot en een restje olijfolie in de kruik. Kijk, ik heb net een paar takken geraapt om iets te eten te maken voor mij en mijn zoon. Als dat op is, zullen we van honger sterven.' </VERS>
      <VERS vnumber="13">Maar Elia zei: 'Maak u niet ongerust. Doe wat u van plan was, maar bak van wat u in huis hebt eerst iets voor mij en kom me dat brengen. Daarna kunt u voor uzelf en uw zoon iets klaarmaken, </VERS>
      <VERS vnumber="14">want dit zegt de HEER, de God van Israël: Tot op de dag dat ik weer regen op de aarde zal laten vallen, zal er meel in de pot zijn en zal de oliekruik niet leeg raken.' </VERS>
      <VERS vnumber="15">De vrouw ging naar huis en deed wat Elia had gezegd. En ze hadden elke dag te eten, zij, Elia en haar familie. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Er was meel in de pot en de oliekruik raakte niet leeg, zoals de HEER bij monde van Elia had beloofd. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Enige tijd later werd het kind van Elia's gastvrouw ziek, en wel zo ernstig dat ten slotte alle leven uit hem week. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Toen zei de vrouw tegen Elia: 'Wat heb ik u misdaan, godsman? Bent u soms naar me toe gekomen om mijn zonden aan het licht te brengen en mijn zoon te doden?' </VERS>
      <VERS vnumber="19">'Geef mij uw zoon, 'zei hij, en hij nam de jongen van haar schoot en droeg hem naar boven, naar de kamer die hij in gebruik had, en legde hem op zijn eigen bed. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Toen riep hij de HEER aan en vroeg: 'HEER, mijn God, waarom treft u juist deze weduwe, die mij gastvrijheid verleent, door haar zoon te doden?' </VERS>
      <VERS vnumber="21">Hij strekte zich driemaal over het kind uit, daarbij de HEER aanroepend met de woorden: 'HEER, mijn God, laat toch de levensadem in de borst van dit kind terugkeren.' </VERS>
      <VERS vnumber="22">De HEER verhoorde Elia's smeekbede: de levensadem keerde terug in de borst van het kind, en het leefde weer. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Elia nam het kind op, droeg het naar beneden en gaf het aan zijn moeder terug. 'Kijk, uw zoon leeft, 'zei hij. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Toen zei de vrouw tegen Elia: 'Nu weet ik dat u door God gezonden bent en dat u werkelijk namens de HEER spreekt.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="18">
      <VERS vnumber="1">Voor er drie jaren verstreken waren, richtte de HEER zich opnieuw tot Elia, met de woorden: 'Ga je opwachting maken bij Achab. Ik zal weer regen op de aarde laten vallen.' </VERS>
      <VERS vnumber="2">Elia ging dus op weg naar de koning. Intussen was de hongersnood in Samaria zo groot geworden, </VERS>
      <VERS vnumber="3">dat Achab zijn hofmeester Obadja ontboden had. Deze Obadja had groot ontzag voor de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Toen koningin Izebel de profeten van de HEER liet uitroeien, had Obadja honderd van hen in twee groepen van vijftig in grotten verborgen en hen daar van voedsel en drinkwater voorzien. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Achab zei tegen Obadja: 'Ga alle bronnen en rivieren in het land langs. Misschien is er ergens gras te vinden, zodat we onze paarden en muildieren in leven kunnen houden en het vee niet hoeven af te maken.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">Ze namen ieder een deel van het land voor hun rekening: Achab ging de ene kant uit, alleen, en Obadja de andere kant, ook alleen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Onderweg kwam Obadja Elia tegen. Toen hij hem herkende, boog hij diep voorover en vroeg: 'Bent u het, Elia, mijn heer?' </VERS>
      <VERS vnumber="8">'Jazeker, 'antwoordde Elia. 'Ga uw meester zeggen dat Elia eraan komt.' </VERS>
      <VERS vnumber="9">Maar Obadja protesteerde: 'Dat zou mijn dood zijn! Wat heb ik misdaan, heer, dat u mij aan Achabs genade wilt overleveren? </VERS>
      <VERS vnumber="10">Zo waar de HEER, uw God, leeft, er is geen volk of koninkrijk waar mijn meester niet naar u heeft laten zoeken. En als ze zeiden dat u daar niet was, dan liet hij dat volk of dat koninkrijk zweren dat ze u niet konden vinden. </VERS>
      <VERS vnumber="11">En nu wilt u dat ik mijn meester ga zeggen dat u eraan komt? </VERS>
      <VERS vnumber="12">Zodra ik van u wegga komt er natuurlijk een geest van de HEER die u meevoert naar ik weet niet waar, en als ik dan tegen Achab zeg dat u er bent en hij kan u niet vinden, dan zal hij me vermoorden. Vanaf mijn vroegste jeugd heb ik een groot ontzag voor de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Hebben ze u nooit verteld, heer, wat ik gedaan heb toen Izebel de profeten van de HEER liet uitmoorden? Dat ik honderd van hen een schuilplaats heb geboden, vijftig in één grot en vijftig in een andere, en dat ik hen van voedsel en drinkwater heb voorzien? </VERS>
      <VERS vnumber="14">En nu wilt u dat ik mijn meester ga zeggen dat u eraan komt? Hij zal me vermoorden!' </VERS>
      <VERS vnumber="15">Maar Elia antwoordde: 'Zo waar de HEER van de hemelse machten, in wiens dienst ik sta, leeft, vandaag zal ik bij Achab mijn opwachting maken.' </VERS>
      <VERS vnumber="16">Obadja zocht Achab op en vertelde hem dat Elia eraan kwam. Achab ging Elia tegemoet, </VERS>
      <VERS vnumber="17">en zodra hij hem in het oog kreeg riep hij uit: 'Bent u het, Elia? U, die Israël in het ongeluk hebt gestort?' </VERS>
      <VERS vnumber="18">Elia antwoordde: 'Ik heb Israël niet in het ongeluk gestort, dat hebt u zelf gedaan, u en het koningshuis van uw vader, omdat u de geboden van de HEER naast u hebt neergelegd en de Baäls bent gaan vereren. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Welnu, laat heel Israël naar mij toe komen, bij de Karmel. Laat alle vierhonderdvijftig profeten van Baäl bij me komen, en ook alle vierhonderd profeten van Asjera, die door Izebel aan het hof zijn opgenomen.' </VERS>
      <VERS vnumber="20">Achab stuurde boden naar alle stammen van Israël en liet ook alle profeten bij de Karmel bijeenkomen. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Daar sprak Elia het volk als volgt toe: 'Hoe lang blijft u nog op twee gedachten hinken? Als de HEER God is, volg hem dan; is Baäl het, volg dan hem.' De Israëlieten zeiden niets. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Toen zei Elia: 'Ik ben de enige profeet van de HEER die nog over is. De profeten van Baäl zijn met vierhonderdvijftig man. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Breng ons twee stieren. Zij mogen als eersten een stier uitkiezen. Laten ze die in stukken snijden en op een brandstapel leggen, maar ze mogen het hout niet aansteken. Ik zal de andere stier gereedmaken en op een brandstapel leggen, maar ik zal het hout niet aansteken. </VERS>
      <VERS vnumber="24">U moet de naam van uw god aanroepen, en ik zal de naam van de HEER aanroepen. De god die antwoordt met vuur, is de ware God.' Heel het volk stemde met dit voorstel in. </VERS>
      <VERS vnumber="25">'Begint u maar, u bent met velen, 'zei Elia tegen de profeten van Baäl. 'Kies maar een dier en maak het gereed voor het offer. Roep dan de naam van uw god aan, maar steek het hout niet in brand.' </VERS>
      <VERS vnumber="26">De profeten namen een van de twee beschikbare stieren en maakten die voor het offer gereed. De hele morgen lang riepen ze Baäl aan: 'Baäl, geef ons antwoord!' Maar het bleef stil en niemand gaf antwoord, hoe ze ook dansten en sprongen rond het altaar dat daar was opgericht. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Toen het middaguur aanbrak, begon Elia hen te honen: 'Roep zo hard u kunt! Hij is toch een god? Hij heeft zeker iets anders te doen. Ik denk dat hij zich even moest afzonderen. Is hij soms op reis gegaan? Misschien slaapt hij, en moet u hem wekken!' </VERS>
      <VERS vnumber="28">De profeten riepen uit alle macht en brachten zichzelf, zoals hun gewoonte was, met zwaarden en lansen verwondingen toe tot het bloed over hun lijf stroomde. </VERS>
      <VERS vnumber="29">In vervoering bleven ze schreeuwen, maar ook toen het middaguur allang voorbij was en het uur voor het graanoffer aanbrak, was er nog steeds geen enkele reactie gekomen: het bleef stil, niemand gaf antwoord. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Elia zei tegen de Israëlieten dat ze naar hem toe moesten komen. Toen ze bij hem waren komen staan, bouwde hij het verwoeste altaar van de HEER weer op. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Hij nam twaalf stenen, evenveel als het aantal stammen van Israël, de nakomelingen van de zonen van Jakob, tot wie de HEER had gezegd: 'Israël is je nieuwe naam.' </VERS>
      <VERS vnumber="32">Met die twaalf stenen maakte hij een altaar ter ere van de HEER, en daaromheen liet hij een geul graven met een lengte van tweehonderd el. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Hij stapelde het brandhout op, sneed de stier in stukken en legde die op de brandstapel. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Toen zei hij: 'Vul vier kruiken met water en giet die over het offer en het brandhout uit.' Toen dat gebeurd was, liet hij het nog een tweede en een derde keer doen. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Het water liep over het altaar heen en de geul eromheen kwam vol water te staan. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Toen het uur voor het graanoffer was aangebroken, trad de profeet Elia op het altaar toe en zei: 'HEER, God van Abraham, Isaak en Israël, vandaag zal blijken dat u in Israël God bent, en dat ik u dien en dit alles in uw opdracht gedaan heb. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Geef mij antwoord, HEER, geef antwoord. Dan zal dit volk beseffen dat u, HEER, God bent en dat u het bent die hen tot inkeer brengt.' </VERS>
      <VERS vnumber="38">Het vuur van de HEER sloeg in en verteerde het brandoffer met brandhout, stenen, as en al; zelfs het water in de geul likte het op. </VERS>
      <VERS vnumber="39">Alle Israëlieten zagen het, en allen vielen op hun knieën en riepen: 'De HEER is God, de HEER is God!' </VERS>
      <VERS vnumber="40">Toen zei Elia tegen hen: 'Grijp de profeten van Baäl; laat niet één van hen ontkomen!' De profeten werden gevangengenomen, en Elia liet hen afdalen naar het dal van de Kison, waar hij hen ter dood liet brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="41">Tegen Achab zei Elia: 'Ga nu wat eten en drinken, ik hoor het geruis van de stortregen al.' </VERS>
      <VERS vnumber="42">Achab ging iets eten en drinken en Elia ging naar de top van de Karmel. Daar ging hij gehurkt op de grond zitten, met zijn gezicht tussen zijn knieën. </VERS>
      <VERS vnumber="43">Zijn knecht droeg hij op: 'Ga jij eens kijken, de kant van de zee uit.' De knecht ging kijken, maar toen hij terugkwam zei hij: 'Er is niets te zien.' Zeven keer stuurde Elia hem terug, </VERS>
      <VERS vnumber="44">en toen de knecht voor de zevende keer was gaan kijken zei hij: 'Er komt een klein wolkje uit zee opzetten, niet groter dan een handpalm.' Daarop zei Elia: 'Ga snel naar Achab en zeg hem dat hij zijn wagen moet inspannen en vertrekken, anders zal de regen hem de weg afsnijden.' </VERS>
      <VERS vnumber="45">In minder dan geen tijd werd de hemel verduisterd door wolken, stak de wind op en barstte er een enorme regenbui los. Achab reed in de richting van Jizreël. </VERS>
      <VERS vnumber="46">Elia werd door de hand van de HEER gegrepen. Hij schortte zijn lendendoek op en rende voor Achab uit, helemaal tot Jizreël. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="19">
      <VERS vnumber="1">Achab vertelde Izebel alles wat Elia had gedaan, ook dat hij alle profeten ter dood had gebracht. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Toen liet Izebel Elia de volgende boodschap overbrengen: 'De goden mogen met mij doen wat ze willen als u morgen om deze tijd niet hetzelfde lot ondergaat als zij.' </VERS>
      <VERS vnumber="3">Elia werd bang en vluchtte om zijn leven te redden. Bij Berseba in Juda aangekomen liet hij zijn knecht achter </VERS>
      <VERS vnumber="4">en zelf trok hij één dagreis ver de woestijn in. Daar ging hij onder een bremstruik zitten, verlangend naar de dood, en zei: 'Het is genoeg geweest, HEER. Neem mijn leven, want ik ben niet beter dan mijn voorouders.' </VERS>
      <VERS vnumber="5">Hij viel onder de bremstruik in slaap, maar er kwam een engel, die hem aanraakte en zei: 'Word wakker en eet wat.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">Elia keek op en ontdekte naast zijn hoofd een brood, in gloeiende kooltjes gebakken, en een kruik water. Nadat hij had gegeten en gedronken ging hij weer onder de struik liggen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Maar de engel van de HEER kwam terug, raakte hem opnieuw aan en zei: 'Sta op en eet wat, anders is de reis te zwaar voor je.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">Elia stond op, en toen hij had gegeten en gedronken liep hij, gesterkt door dit voedsel, veertig dagen en veertig nachten door de woestijn, tot hij bij de Horeb kwam, de berg van God. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Daar ging hij een grot binnen om er de nacht door te brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="Toen">richtte de HEER zich tot hem met de woorden: 'Elia, wat doe je hier?' </VERS>
      <VERS vnumber="10">Elia antwoordde: 'Ik heb me met volle overgave ingezet voor de HEER, de God van de hemelse machten, maar de Israëlieten hebben uw verbond met hen naast zich neergelegd, uw altaren verwoest en uw profeten gedood. Ik ben als enige overgebleven, en nu hebben ze het ook op mijn leven voorzien.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">'Kom naar buiten, 'zei de HEER, 'en treed hier op de berg voor mij aan.' En daar kwam de HEER voorbij. Er ging een grote, krachtige windvlaag voor de HEER uit, die de bergen spleet en de rotsen aan stukken sloeg, maar de HEER bevond zich niet in die windvlaag. Na de windvlaag kwam er een aardbeving, maar de HEER bevond zich niet in die aardbeving. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Na de aardbeving was er vuur, maar de HEER bevond zich niet in dat vuur. Na het vuur klonk het gefluister van een zachte bries. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Toen Elia dat hoorde, sloeg hij zijn mantel voor zijn gezicht. Hij kwam naar buiten en ging in de opening van de grot staan, en daar klonk een stem die tot hem sprak: 'Elia, wat doe je hier?' </VERS>
      <VERS vnumber="14">Elia antwoordde: 'Ik heb me met volle overgave ingezet voor de HEER, de God van de hemelse machten, maar de Israëlieten hebben uw verbond met hen naast zich neergelegd, uw altaren verwoest en uw profeten vermoord. Ik ben als enige overgebleven, en nu hebben ze het ook op mijn leven voorzien.' </VERS>
      <VERS vnumber="15">De HEER zei tegen Elia: 'Keer terug en ga naar de woestijn van Damascus. Daar aangekomen moet je Hazaël tot koning van Aram zalven. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Jehu, de zoon van Nimsi, moet je zalven tot koning van Israël, en Elisa, de zoon van Safat, uit Abel-Mechola, moet je tot je eigen opvolger zalven. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Wie ontkomt aan het zwaard van Hazaël, zal gedood worden door Jehu. En wie ontkomt aan het zwaard van Jehu, zal gedood worden door Elisa. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Ik zal in Israël niet meer dan zevenduizend mensen in leven laten, alleen degenen die niet voor Baäl hebben geknield en hem niet hebben gekust.' </VERS>
      <VERS vnumber="19">Elia ging weg van de Horeb. Toen hij Elisa, de zoon van Safat, aantrof was deze aan het ploegen. Ze waren aan het werk met twaalf span ossen; Elisa liep achter het twaalfde span. Elia liep op hem af en gooide zijn mantel over hem heen. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Meteen liet Elisa zijn ossen in de steek en rende achter Elia aan. 'Laat mij afscheid nemen van mijn vader en moeder, 'zei hij, 'dan zal ik met u meegaan.' 'Doe wat je wilt, 'zei Elia. 'Ik dwing je nergens toe.' </VERS>
      <VERS vnumber="21">Elisa ging terug, slachtte zijn ossen, braadde het vlees op het hout van hun juk en bood het zijn knechten aan. Daarna ging hij met Elia mee als zijn dienaar. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="20">
      <VERS vnumber="1">Koning Benhadad van Aram riep al zijn troepen onder de wapenen. Met tweeëndertig andere koningen, uitgerust met paarden en wagens, rukte hij op tegen Samaria en omsingelde het. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Benhadad stuurde afgezanten naar de stad, naar koning Achab van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Ze moesten de volgende boodschap overbrengen: 'Dit zegt Benhadad: "Uw goud en zilver komen mij toe, en uw mooiste vrouwen en flinkste zonen ook!"' </VERS>
      <VERS vnumber="4">De koning van Israël liet antwoorden: 'Het is zoals u zegt, mijn heer en koning: ik behoor u toe met alles wat ik bezit.' </VERS>
      <VERS vnumber="5">De afgezanten kwamen opnieuw naar Achab toe en zeiden: 'Dit zegt Benhadad: "Ik heb afgezanten naar u toe gestuurd met de boodschap dat u uw goud en uw zilver en uw vrouwen en uw zonen aan mij moet geven. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Welnu, morgen om deze tijd stuur ik mijn dienaren naar u toe. Zij zullen uw paleis en de huizen van uw dienaren doorzoeken en alles meenemen waaraan u waarde hecht."' </VERS>
      <VERS vnumber="7">De koning van Israël riep alle oudsten van het land bij zich en zei: 'Zoals u ziet heeft koning Benhadad het slecht met ons voor. Hij had mijn vrouwen en zonen en mijn goud en zilver al opgeëist, en ik heb het hem niet geweigerd.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">De oudsten en de andere Israëlieten zeiden tegen de koning: 'Doe niet wat hij zegt, willig zijn eis niet in.' </VERS>
      <VERS vnumber="9">Hierop zei Achab tegen de afgezanten van Benhadad: 'Zeg tegen mijn heer en koning: "Alles waar u mij de eerste keer om hebt gevraagd zal ik u geven, heer, maar op uw tweede eis kan ik niet ingaan."' De afgezanten vertrokken en brachten dit antwoord aan Benhadad over. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Daarop zond Benhadad de volgende boodschap: 'De goden mogen met mij doen wat ze willen als er van Samaria genoeg stof overblijft om er alle soldaten die voor mij vechten een handvol van mee te geven.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">De koning van Israël antwoordde: 'Zeg hem dat wie zich opmaakt voor de strijd, niet moet juichen voor hij de wapens weer heeft afgelegd!' </VERS>
      <VERS vnumber="12">Benhadad zat met de andere koningen in de schaduw te drinken toen hij dit antwoord ontving, en onmiddellijk beval hij zijn aanvoerders hun stellingen tegenover de stad te betrekken. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Toen kwam er een profeet naar koning Achab van Israël toe en zei: 'Dit zegt de HEER: Zie je die geweldige legermacht daar? Welnu, vandaag lever ik hen aan jou uit, opdat je beseft dat ik de HEER ben.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">'Door wie zal dat gebeuren?' vroeg Achab. De profeet antwoordde: 'De HEER zegt: Door de soldaten van de provinciehoofden.' 'En wie zal de aanval openen?' vroeg Achab. 'U, 'antwoordde de profeet. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Achab hield troepenschouw: de provinciehoofden hadden tweehonderdtweeëndertig soldaten bij zich en de hoofdmacht van het leger bestond uit zevenduizend Israëlieten. </VERS>
      <VERS vnumber="16">In de middag deden ze een uitval. Benhadad en de tweeëndertig koningen die hem te hulp waren gekomen zaten nog steeds in de schaduw te drinken en waren ondertussen flink dronken geworden. </VERS>
      <VERS vnumber="17">De soldaten van de provinciehoofden waren vooruitgegaan. Benhadad liet informeren wat er aan de hand was, en men vertelde hem dat er een groep mannen de stad uit was gekomen. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Daarop zei hij: 'Of ze Samaria nu met vreedzame of met vijandige bedoelingen verlaten hebben, zorg dat jullie ze levend in handen krijgen.' </VERS>
      <VERS vnumber="19">Inmiddels waren niet alleen de soldaten van de provinciehoofden de stad uit getrokken, maar in hun gevolg ook de overige manschappen. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Ze sloegen hun tegenstanders de een na de ander neer, en ten slotte sloegen de Arameeërs op de vlucht, achtervolgd door de Israëlieten. Koning Benhadad van Aram wist te paard te ontkomen, met enkele ruiters in zijn gevolg. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Nu kwam ook de koning van Israël de stad uit. Hij maakte zich meester van de paarden en wagens en bracht de Arameeërs een grote nederlaag toe. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Maar de profeet diende zich opnieuw bij de koning van Israël aan en zei hem: 'Zorg voor versterkingen en overleg wat u te doen staat, want volgend jaar zal de koning van Aram u opnieuw aanvallen.' </VERS>
      <VERS vnumber="23">De raadsheren van de koning van Aram zeiden tegen hun vorst: 'De Israëlieten hebben ons verslagen omdat hun God een berggod is. Maar als we in de vlakte met hen strijden, zullen wij hen zeker verslaan. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Wij raden u dit aan: Onthef de koningen van hun taak en stel in hun plaats gouverneurs op. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Breng een nieuw leger op de been, even sterk als het leger dat u verloren hebt, en zorg voor evenveel paarden en wagens als u eerst had. Laten we met hen strijden in de vlakte, dan zullen wij hen beslist verslaan.' De koning nam hun advies ter harte. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Het volgende jaar monsterde Benhadad het leger van Aram en trok op naar Afek, om daar de strijd met Israël aan te binden. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Toen ook de troepen van Israël gemonsterd en bevoorraad waren, trokken ze de vijand tegemoet. Opgesteld tegenover de Arameeërs, die het hele terrein vulden, waren zij niet veel meer dan twee onbeduidende kudden geiten. </VERS>
      <VERS vnumber="28">De godsman diende zich bij de koning van Israël aan en zei: 'Dit zegt de HEER: Aram heeft gezegd dat de HEER een berggod is, en niet een god van de vlakten. Daarom zal ik deze hele legermacht aan jullie uitleveren, zodat jullie beseffen dat ik de HEER ben.' </VERS>
      <VERS vnumber="29">Zes dagen lang stonden de legers tegenover elkaar, en op de zevende dag barstte de strijd los. De Israëlieten versloegen de Arameeërs: honderdduizend man voetvolk op één dag. </VERS>
      <VERS vnumber="30">De Arameeërs die de slag overleefden vluchtten de stad Afek in, maar de stadsmuur stortte in en verpletterde hen: zevenentwintigduizend man. </VERS>
      <VERS vnumber="Ook">Benhadad was de stad in gevlucht en hield zich schuil op een verborgen plek in een huis. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Zijn raadsheren zeiden tegen hem: 'We hebben gehoord dat de koningen van Israël genadige koningen zijn. Laten wij een boetekleed aantrekken en een touw om onze nek doen en zo de koning van Israël tegemoet gaan, misschien spaart hij dan uw leven.' </VERS>
      <VERS vnumber="32">Ze trokken een boetekleed aan en deden een touw om hun nek, en gingen zo naar de koning van Israël. Ze zeiden tegen hem: 'Uw dienaar Benhadad vraagt u of u zijn leven wilt sparen.' 'Leeft hij nog?' vroeg koning Achab. 'Hij is mijn vriend.' </VERS>
      <VERS vnumber="33">De mannen vatten dit op als een gunstig teken en haastten zich zijn woorden te bevestigen. 'Ja, Benhadad is uw vriend, 'zeiden ze. 'Ga hem halen, 'beval de koning. Toen Benhadad bij koning Achab kwam, liet deze hem bij zich op de strijdwagen plaatsnemen. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Benhadad zei tegen hem: 'De steden die mijn vader uw vader heeft ontnomen zal ik u teruggeven, en u kunt in Damascus een eigen markt openen zoals mijn vader in Samaria heeft gedaan.' 'We zullen dat in een verdrag vastleggen, 'zei Achab, 'en dan zal ik u laten gaan.' En hij sloot een verdrag met Benhadad en liet hem gaan. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Iemand uit de profetengemeenschap vroeg op bevel van de HEER aan een andere profeet: 'Sla me alsjeblieft.' Toen de ander weigerde hem te slaan, </VERS>
      <VERS vnumber="36">zei hij: 'Je doet niet wat de HEER zegt. Daarom zal een leeuw je doden zodra je van mij vandaan gaat.' Nauwelijks was hij vertrokken, of een leeuw kruiste zijn pad en doodde hem. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Daarna vroeg de profeet aan een ander: 'Sla me alsjeblieft.' Deze man sloeg hem tot bloedens toe. </VERS>
      <VERS vnumber="38">De profeet ging langs de weg staan waar de koning voorbij zou komen, nadat hij zich onherkenbaar had gemaakt door zijn doek voor zijn gezicht te doen. </VERS>
      <VERS vnumber="39">Toen de koning voorbijkwam, riep de profeet hem toe: 'Toen ik op het slagveld was, heer, kwam er iemand op me af met een man bij zich, en hij droeg mij op die te bewaken. "Als je hem laat ontsnappen, "zei hij, "moet jij in zijn plaats je leven geven, of anders moet je een talent zilver betalen." </VERS>
      <VERS vnumber="40">Maar mijn aandacht werd van alle kanten opgeëist, en opeens was hij verdwenen.' De koning van Israël zei: 'Je hebt je eigen vonnis geveld.' </VERS>
      <VERS vnumber="41">Snel trok de man de doek voor zijn gezicht weg, en toen zag de koning dat het een van de profeten was. </VERS>
      <VERS vnumber="42">'Dit zegt de HEER, 'zei hij tegen de koning. 'Je hebt de man wiens leven mij toebehoorde laten gaan, daarom moet jij in zijn plaats je leven geven en moet jouw volk het lot ondergaan dat het zijne was toebedeeld.' </VERS>
      <VERS vnumber="43">Woedend en terneergeslagen keerde de koning naar zijn paleis in Samaria terug. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="21">
      <VERS vnumber="1">Enige tijd later gebeurde het volgende. De Jizreëliet Nabot had een wijngaard die grensde aan het paleis dat koning Achab van Samaria in Jizreël bezat. </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Sta mij uw wijngaard af, 'zei Achab tegen Nabot. 'Hij ligt naast mijn paleis; ik kan hem goed gebruiken om er groente te verbouwen. Ik zal u er een betere wijngaard voor teruggeven, of ik zal u, als u dat liever hebt, de prijs ervan in zilver uitbetalen.' </VERS>
      <VERS vnumber="3">Maar Nabot zei tegen Achab: 'De HEER verhoede dat ik de grond die ik van mijn voorouders heb geërfd aan u zou afstaan.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Achab ging terug naar zijn paleis, woedend en terneergeslagen omdat Nabot tegen hem had gezegd dat hij hem de grond die hij van zijn voorouders had geërfd niet zou afstaan. Hij ging op zijn rustbed liggen, met zijn gezicht naar de muur, en weigerde te eten. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Toen kwam zijn vrouw Izebel naar hem toe en vroeg: 'Wat is er gebeurd, dat je zo mismoedig bent en niet eten wilt?' </VERS>
      <VERS vnumber="6">'Ik heb met de Jizreëliet Nabot gesproken, 'antwoordde hij. 'Ik heb hem gevraagd mij zijn wijngaard te verkopen. Of, als hij dat liever had, kon hij er een andere wijngaard voor terugkrijgen. Maar hij weigerde zijn wijngaard aan mij af te staan.' </VERS>
      <VERS vnumber="7">Daarop zei Izebel: 'Wat? Jij bent toch de koning van Israël? Sta op en eet wat, dat zal je goeddoen. Ik zal ervoor zorgen dat jij de wijngaard van Nabot krijgt.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">Uit naam van Achab schreef Izebel brieven, verzegelde die met het koninklijke zegel en stuurde ze naar de oudsten en aanzienlijksten in de stad waar Nabot woonde. </VERS>
      <VERS vnumber="9">In die brieven stond het volgende: 'Kondig een vastendag af en zet Nabot vooraan wanneer het volk samenkomt. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Laat dan twee mannen die nergens voor terugdeinzen tegenover hem plaatsnemen en hem beschuldigen van godslastering en majesteitsschennis. Daarop moet u hem buiten de stad brengen en stenigen.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">Nabots stadsgenoten, de oudsten en aanzienlijksten van zijn woonplaats, deden wat Izebel hun had opgedragen in de brieven die ze had gestuurd. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Ze kondigden een vastendag af en lieten Nabot vooraan zitten toen het volk samenkwam. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Twee mannen namen tegenover hem plaats en beschuldigden hem ten overstaan van het volk van godslastering en majesteitsschennis. Daarop werd hij buiten de stad gebracht en gestenigd. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Ze stuurden Izebel bericht dat Nabot door steniging ter dood was gebracht. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Toen Izebel hoorde dat Nabot dood was, zei ze tegen Achab: 'Je kunt de wijngaard die de Jizreëliet Nabot je weigerde te verkopen in bezit nemen, want Nabot leeft niet meer, hij is dood.' </VERS>
      <VERS vnumber="16">Toen Achab hoorde dat Nabot dood was, ging hij naar Jizreël om de wijngaard van Nabot in bezit te nemen. </VERS>
      <VERS vnumber="17">De HEER richtte zich tot de Tisbiet Elia met de woorden: </VERS>
      <VERS vnumber="18">'Kom, ga Achab, de koning van Israël, tegemoet. Hij is uit Samaria naar de wijngaard van Nabot gekomen om die in bezit te nemen. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Zeg tegen hem: "Dit zegt de HEER: Je hebt een moord gepleegd en je het bezit van een ander toegeëigend." Zeg hem ook: "Dit zegt de HEER: Op de plaats waar de honden het bloed van Nabot hebben opgelikt, zullen ze ook jouw bloed oplikken."' </VERS>
      <VERS vnumber="20">Toen Achab Elia zag, zei hij: 'Mijn vijand heeft me dus weer weten te vinden.' 'Ik heb u gevonden, 'antwoordde Elia. 'U hebt u ertoe geleend iets te doen dat slecht is in de ogen van de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Daarom breng ik onheil over u: U zult worden weggevaagd en alle mannelijke leden van uw koningshuis, van hoog tot laag, zullen worden uitgeroeid. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Omdat u de HEER hebt getergd door de Israëlieten aan te zetten tot zonde, zal het uw familie vergaan zoals het de familie van Jerobeam, de zoon van Nebat, vergaan is, en de familie van Basa, de zoon van Achia. </VERS>
      <VERS vnumber="23">En over Izebel heeft de HEER gezegd: "De honden zullen Izebel opvreten onder de stadsmuur van Jizreël." </VERS>
      <VERS vnumber="24">Wie van de familie van Achab in de stad sterft, zal door de honden worden opgevreten, en wie sterft in het open veld, zal worden opgevreten door de vogels.' </VERS>
      <VERS vnumber="25">(Inderdaad, niemand heeft zich er meer dan Achab op toegelegd te doen wat slecht is in de ogen van de HEER. En het was zijn vrouw Izebel die hem daartoe aanzette. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Het was gruwelijk, zoals hij afgoden vereerde naar het voorbeeld van de Amorieten, die door de HEER voor de Israëlieten waren verdreven.) </VERS>
      <VERS vnumber="27">Bij het horen van deze woorden scheurde Achab zijn kleren. Hij trok een boetekleed aan, dat hij op zijn blote lijf droeg en waarin hij ook sliep. Hij vastte en gedroeg zich ook verder zeer berouwvol. </VERS>
      <VERS vnumber="28">De HEER richtte zich tot Elia met de woorden: </VERS>
      <VERS vnumber="29">'Heb je gezien hoe Achab zich voor mij vernedert? Omdat hij berouw toont, zal ik het onheil over zijn koningshuis niet tijdens zijn leven voltrekken, maar tijdens het leven van zijn zoon.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="22">
      <VERS vnumber="1">Er verstreken ruim twee jaren waarin geen oorlog werd gevoerd tussen Aram en Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="2">In het derde jaar bracht Josafat, de koning van Juda, een bezoek aan de koning van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="3">De koning van Israël zei tegen zijn raadsheren: 'U weet dat Ramot in Gilead ons toebehoort. Wat weerhoudt ons ervan die stad op de koning van Aram te heroveren?' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Hij vroeg aan Josafat of deze met hem mee ten strijde wilde trekken tegen Ramot in Gilead, en Josafat antwoordde: 'U en ik zijn één; mijn leger is uw leger, mijn paarden zijn uw paarden.' </VERS>
      <VERS vnumber="5">En hij voegde eraan toe: 'Vraag vandaag nog raad aan de HEER.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">De koning van Israël ontbood vierhonderd profeten en vroeg hun: 'Zal ik tegen Ramot in Gilead ten strijde trekken, of kan ik er beter van afzien?' 'Trek op, 'antwoordden ze. 'De Heer zal u de stad in handen geven.' </VERS>
      <VERS vnumber="7">Maar Josafat vroeg: 'Is hier niet nog een profeet van de HEER die wij kunnen raadplegen?' </VERS>
      <VERS vnumber="8">De koning van Israël antwoordde: 'Er is nog wel iemand die de HEER voor ons zou kunnen raadplegen. Maar ik heb een hekel aan hem. Hij heeft nog nooit iets goeds over mij geprofeteerd, alleen maar onheil. Dat is Micha, de zoon van Jimla.' 'Zegt u dat toch niet!' zei Josafat. </VERS>
      <VERS vnumber="9">De koning van Israël liet een hofdienaar komen die hij opdroeg om snel Micha, de zoon van Jimla, te gaan halen. </VERS>
      <VERS vnumber="10">De koning van Israël en de koning van Juda, Josafat, zaten ieder in hun staatsiegewaad op een troon op de dorsvloer voor de stadspoort van Samaria, in gezelschap van de in vervoering geraakte profeten. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Sidkia, de zoon van Kenaäna, had twee ijzeren horens gemaakt en zei: 'Dit zegt de HEER: Met deze horens zult u de Arameeërs neerslaan, tot u ze allemaal verslagen hebt.' </VERS>
      <VERS vnumber="12">Ook de andere profeten voorspelden dergelijke dingen. 'Trek op tegen Ramot in Gilead, 'zeiden ze. 'Uw veldtocht zal slagen en de HEER zal u de stad in handen geven.' </VERS>
      <VERS vnumber="13">De bode die Micha was gaan halen, zei tegen hem: 'Luister, alle profeten verzekeren de koning eensgezind dat de strijd goed zal aflopen. Mogen uw woorden even gunstig zijn als die van hen.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">Maar Micha zei: 'Zo waar de HEER leeft, ik zeg alleen wat de HEER mij in de mond legt.' </VERS>
      <VERS vnumber="15">Hij ging naar de koning toe, die hem vroeg: 'Micha, zullen wij tegen Ramot in Gilead ten strijde trekken, of kunnen we er beter van afzien?' 'Trek op, 'antwoordde Micha. 'Uw veldtocht zal slagen en de HEER zal u de stad in handen geven.' </VERS>
      <VERS vnumber="16">Hierop zei de koning: 'Hoe vaak heb ik u niet bezworen om in de naam van de HEER niets dan de waarheid tegen mij te spreken?' </VERS>
      <VERS vnumber="17">Toen zei Micha: 'Ik zag Israël verspreid over de berghellingen, als een kudde schapen die geen herder heeft. De HEER zei: "Ze hebben geen aanvoerder, laat ieder in vrede naar huis terugkeren."' </VERS>
      <VERS vnumber="18">De koning van Israël zei tegen Josafat: 'Heb ik het u niet gezegd: hij profeteert nooit iets goeds over mij, alleen maar onheil!' </VERS>
      <VERS vnumber="19">Micha zei: 'Luister naar wat de HEER te zeggen heeft. Ik zag de HEER op zijn troon zitten, en aan weerszijden van hem stonden alle hemelse machten opgesteld. </VERS>
      <VERS vnumber="20">De HEER vroeg: "Wie gaat Achab overhalen om tegen Ramot in Gilead ten strijde te trekken, zijn ondergang tegemoet?" De een zei dit en de ander dat, </VERS>
      <VERS vnumber="21">en ten slotte trad een van de geesten op de HEER toe en zei: "Ik zal hem overhalen." "Hoe wil je dat doen?" vroeg de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="22">"Ik zal naar hem toe gaan en leugens spreken door de mond van al zijn profeten, "zei de geest. "Doe dat, "zei de HEER. "Het zal je beslist lukken." </VERS>
      <VERS vnumber="23">Welnu, zo heeft de HEER in de mond van al deze profeten van u leugens gelegd. Hij heeft het juist slecht met u voor.' </VERS>
      <VERS vnumber="24">Sidkia, de zoon van Kenaäna, kwam op Micha af en sloeg hem in zijn gezicht. 'Wilt u soms beweren dat de geest van de HEER van mij naar u is overgestoken om tegen u te spreken?' vroeg hij. </VERS>
      <VERS vnumber="25">'Dat zult u wel merken, 'zei Micha, 'op de dag dat u probeert u te verschuilen op een verborgen plek in een huis.' </VERS>
      <VERS vnumber="26">De koning van Israël zei: 'Breng Micha naar Amon, de stadscommandant, en naar mijn zoon Joas. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Zeg tegen hen dat ze hem in de gevangenis moeten opsluiten en op water en brood moeten zetten totdat ik behouden ben teruggekeerd.' </VERS>
      <VERS vnumber="28">Hierop zei Micha: 'Als u behouden terugkeert, is het niet de HEER die door mijn mond gesproken heeft.' (Micha was het ook die zei: 'Luister, volken, allemaal!') </VERS>
      <VERS vnumber="29">De koning van Israël trok samen met Josafat, de koning van Juda, ten strijde tegen Ramot in Gilead. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Hij zei tegen Josafat: 'Ik wil niet als koning gekleed de strijd ingaan, maar houdt u uw koninklijke gewaad aan.' De koning van Israël verkleedde zich dus voordat hij ten strijde trok. </VERS>
      <VERS vnumber="31">De koning van Aram had de bevelhebbers van zijn strijdwagens, tweeëndertig man, het volgende opgedragen: 'Vecht niet met een willekeurige soldaat, maar alleen met de koning van Israël.' </VERS>
      <VERS vnumber="32">Toen de bevelhebbers van de strijdwagens Josafat zagen, riepen ze: 'Maar dat is de koning van Israël!' Ze gingen op hem af om met hem te vechten, en Josafat schreeuwde om hulp. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Maar toen de bevelhebbers van de strijdwagens merkten dat hij niet de koning van Israël was, lieten ze hem met rust. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Een soldaat spande zijn boog en trof nietsvermoedend de koning van Israël tussen de schubben van zijn pantser. De koning zei tegen zijn wagenmenner: 'Wend de teugel en breng me buiten het strijdgewoel; ik ben zwaargewond.' </VERS>
      <VERS vnumber="35">Maar de strijd liep zo hoog op dat de koning zich voor de ogen van de Arameeërs in zijn wagen overeind moest houden. Tegen de avond stierf hij; zijn wagen zat onder het bloed. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Toen de zon onderging, werd in het kamp het sein tot opbreken gegeven. </VERS>
      <VERS vnumber="37">De koning was dus gesneuveld. Na terugkomst in Samaria werd hij daar begraven. </VERS>
      <VERS vnumber="38">De strijdwagen werd schoongespoeld bij het waterbekken van de stad, waar de hoeren zich baadden, en de honden likten zijn bloed op zoals de HEER had voorzegd. </VERS>
      <VERS vnumber="39">Verdere bijzonderheden over Achab, over het paleis van ivoor dat hij heeft laten bouwen en over alle steden die hij heeft versterkt, zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="40">Toen Achab bij zijn voorouders te ruste ging, werd hij opgevolgd door zijn zoon Achazja. </VERS>
      <VERS vnumber="41">Josafat, de zoon van Asa, werd koning van Juda in het vierde regeringsjaar van koning Achab van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="42">Hij was vijfendertig jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde vijfentwintig jaar in Jeruzalem. Zijn moeder was Azuba, de dochter van Silchi. </VERS>
      <VERS vnumber="43">Hij volgde in alle opzichten het voorbeeld van zijn vader Asa en deed wat goed is in de ogen van de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="44">Toch bleven de offerplaatsen bestaan en bleven de Judeeërs daar offers brengen en wierook branden. (22:45) Met de koning van Israël stond hij op goede voet. </VERS>
      <VERS vnumber="45">(22:46) Verdere bijzonderheden over Josafat en over de overwinningen die hij behaalde zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Juda. </VERS>
      <VERS vnumber="46">(22:47) Degenen die ook na de tijd van zijn vader Asa nog tempelprostitutie bedreven, heeft hij uit het land verjaagd. </VERS>
      <VERS vnumber="47">(22:48) In Edom was geen koning; het land werd bestuurd door een stadhouder. </VERS>
      <VERS vnumber="48">(22:49) Josafat bouwde een handelsvloot om goud te halen in Ofir, maar de reis ging niet door want de schepen vergingen al bij Esjon-Geber. </VERS>
      <VERS vnumber="49">(22:50) Achazja, de zoon van Achab, had Josafat voorgesteld: 'Laat mijn knechten met uw knechten meevaren, 'maar dat had Josafat geweigerd. </VERS>
      <VERS vnumber="50">(22:51) Toen Josafat bij zijn voorouders te ruste ging, werd hij begraven in de Davidsburcht. Zijn zoon Joram volgde hem op. </VERS>
      <VERS vnumber="51">(22:52) Achazja, de zoon van Achab, werd koning van Israël in het zeventiende regeringsjaar van koning Josafat van Juda. Twee jaar regeerde hij in Samaria over Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="52">(22:53) Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER, en volgde zo het voorbeeld van zijn vader en zijn moeder en van Jerobeam, de zoon van Nebat, die de Israëlieten tot zonde had aangezet. </VERS>
      <VERS vnumber="53">(22:54) Hij tergde de HEER, de God van Israël, door Baäl te vereren, precies zoals zijn vader gedaan had. </VERS>
    </CHAPTER>
  </BIBLEBOOK>
  <BIBLEBOOK bnumber="12" bname="2 Koningen" bsname="2Kng">
    <CHAPTER cnumber="1">
      <VERS vnumber="1">Na de dood van Achab kwam Moab tegen Israël in opstand. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Achazja was uit het venster gevallen van een vertrek op de bovenverdieping van zijn paleis in Samaria, en zwaargewond geraakt. Hij stuurde boden uit met de opdracht Baäl-Zebub, de god van Ekron, te raadplegen. 'Vraag hem of ik mijn val zal overleven.' </VERS>
      <VERS vnumber="3">Een engel van de HEER zei tegen de Tisbiet Elia: 'Ga de boden van de koning van Samaria tegemoet en zeg hun: "U gaat Baäl-Zebub, de god van Ekron, raadplegen, alsof Israël zelf geen God heeft. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Daarom-zegt de HEER -zul je niet meer van je ziekbed opstaan, maar sterven."' Elia deed wat hem gezegd was. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Toen de boden bij de koning terugkeerden, vroeg deze: 'Hoe kan het dat jullie nu al terug zijn?' </VERS>
      <VERS vnumber="6">Ze antwoordden: 'We kwamen onderweg iemand tegen die zei: "Ga terug naar de koning die u gestuurd heeft en zeg hem: 'Dit zegt de HEER: Jij laat Baäl-Zebub, de god van Ekron, raadplegen, alsof Israël zelf geen God heeft. Daarom zul je niet meer van je ziekbed opstaan, maar sterven.'"' </VERS>
      <VERS vnumber="7">'Hoe zag hij eruit, die man die jullie tegemoet kwam en dit tegen jullie heeft gezegd?' vroeg de koning. </VERS>
      <VERS vnumber="8">'Hij was sterk behaard, 'antwoordden ze, 'en hij droeg een leren lendendoek.' 'Dan was het de Tisbiet Elia, 'zei de koning. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Achazja stuurde een bevelhebber met vijftig mannen naar Elia toe. Ze troffen Elia aan op de top van een berg. De bevelhebber zei: 'Godsman, de koning beveelt u naar beneden te komen.' </VERS>
      <VERS vnumber="10">Maar Elia antwoordde: 'Als ik een godsman ben, laat er dan vuur uit de hemel komen om u en uw vijftig mannen te verteren.' Hierop kwam er vuur uit de hemel dat de bevelhebber en zijn mannen verteerde. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Opnieuw stuurde de koning een bevelhebber met vijftig mannen naar Elia toe, en die zei tegen Elia: 'Godsman, de koning beveelt u onmiddellijk naar beneden te komen.' </VERS>
      <VERS vnumber="12">En weer antwoordde Elia: 'Als ik een godsman ben, laat er dan vuur uit de hemel komen om u en uw vijftig mannen te verteren.' Hierop kwam er een goddelijk vuur uit de hemel dat de bevelhebber en zijn mannen verteerde. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Voor de derde maal stuurde de koning een bevelhebber met vijftig mannen. Toen deze derde bevelhebber bij Elia kwam, knielde hij voor hem neer en smeekte: 'Godsman, spaar alstublieft mijn leven en dat van deze vijftig mannen. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Ik weet dat er vuur uit de hemel is gekomen dat de twee vorige bevelhebbers en hun mannen heeft verteerd. Maar alstublieft, spaar mijn leven.' </VERS>
      <VERS vnumber="15">Toen zei de engel van de HEER tegen Elia: 'Ga met hem mee, je hebt van de koning niets te vrezen.' Hierop ging Elia met de bevelhebber mee naar de koning </VERS>
      <VERS vnumber="16">en zei tegen hem: 'Dit zegt de HEER: Je hebt boden gestuurd om Baäl-Zebub, de god van Ekron, te raadplegen, alsof Israël zelf geen God heeft die je had kunnen raadplegen. Daarom zul je niet meer van je ziekbed opstaan, maar sterven.' </VERS>
      <VERS vnumber="17">Achazja stierf, zoals de HEER bij monde van Elia had voorzegd. Dit gebeurde in het tweede regeringsjaar van koning Joram van Juda, de zoon van Josafat. Omdat hij geen zoon had, werd hij opgevolgd door zijn broer Joram. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Verdere bijzonderheden over Achazja zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="2">
      <VERS vnumber="1">De tijd was niet ver meer dat de HEER Elia in een stormwind in de hemel zou opnemen. Elia en Elisa stonden op het punt uit Gilgal te vertrekken, </VERS>
      <VERS vnumber="2">maar Elia zei tegen Elisa: 'Blijf jij hier, de HEER wil dat ik naar Betel ga.' Elisa antwoordde: 'Zo waar de HEER leeft, en zo waar u leeft, er is geen denken aan dat ik u alleen laat gaan.' Zo gingen ze samen op weg naar Betel. </VERS>
      <VERS vnumber="3">De profeten uit Betel kwamen Elisa vanuit de stad tegemoet en zeiden tegen hem: 'Weet u wel dat de HEER vandaag uw meester van u zal wegnemen?' 'Ja, ik weet het, 'antwoordde hij. 'Zegt u maar niets.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Elia zei tegen Elisa: 'Blijf jij hier, Elisa, de HEER wil dat ik naar Jericho ga.' Maar Elisa antwoordde: 'Zo waar de HEER leeft, en zo waar u leeft, er is geen denken aan dat ik u alleen laat gaan.' Zo gingen ze samen naar Jericho. </VERS>
      <VERS vnumber="5">De profeten uit Jericho kwamen naar Elisa toe en zeiden tegen hem: 'Weet u wel dat de HEER vandaag uw meester van u zal wegnemen?' 'Ja, ik weet het, 'antwoordde Elisa. 'Zegt u maar niets.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">Elia zei tegen Elisa: 'Blijf jij hier, de HEER wil dat ik naar de Jordaan ga.' Maar Elisa antwoordde: 'Zo waar de HEER leeft, en zo waar u leeft, er is geen denken aan dat ik u alleen laat gaan.' Zo gingen ze samen verder. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Bij de oever van de Jordaan hielden ze stil. Vijftig profeten die hen waren gevolgd bleven op een afstand staan kijken. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Elia deed zijn mantel af en vouwde hem dubbel. Hij sloeg ermee op het water, waarop het naar links en naar rechts wegvloeide en zij tweeën droog konden oversteken. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Terwijl ze overstaken vroeg Elia aan Elisa: 'Wat kan ik nog voor je doen voor ik van je word weggenomen? Vraag het maar.' Elisa antwoordde: 'Laat mij dubbel in uw geest delen.' </VERS>
      <VERS vnumber="10">'Je vraagt iets heel moeilijks, 'zei Elia. 'Als je ziet hoe ik van je word weggenomen, zal je wens vervuld worden, maar als je het niet ziet, gebeurt het niet.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">En terwijl ze liepen te praten, werden ze plotseling uit elkaar gedreven door een wagen van vuur, met paarden van vuur ervoor, en Elia werd in een stormwind meegevoerd naar de hemel. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Elisa zag het gebeuren en riep uit: 'Vader, vader! Strijdwagen en ruiterij van Israël!' Toen hij Elia niet meer kon zien, scheurde hij zijn kleren. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Hij raapte Elia's mantel, die was afgegleden, op, en liep terug. Bij de oever van de rivier hield hij stil. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Hij sloeg met Elia's mantel op het water en riep uit: 'Waar is de HEER, de God van Elia?' Dus ook hij sloeg op het water en opnieuw vloeide het naar links en naar rechts weg, zodat Elisa kon oversteken. </VERS>
      <VERS vnumber="15">De profeten uit Jericho, die Elisa vanaf de overkant in het oog hielden, zeiden tegen elkaar: 'De geest van Elia is op Elisa neergedaald.' Ze gingen hem tegemoet, knielden voor hem neer </VERS>
      <VERS vnumber="16">en zeiden: 'We hebben vijftig flinke mannen bij ons. Laat die uw meester gaan zoeken. Misschien heeft een geest van de HEER hem opgetild en ergens op een berg of in een dal neergeworpen.' 'Doe dat niet, 'zei Elisa, </VERS>
      <VERS vnumber="17">maar ze drongen zo aan dat hij ten slotte hun aanbod aannam. Vijftig mannen werden erop uitgestuurd en zochten drie dagen lang, maar ze vonden Elia niet. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Toen ze terugkwamen bij Elisa, die in Jericho zijn intrek had genomen, zei hij tegen hen: 'Ik had u toch gezegd dat u niet moest gaan zoeken?' </VERS>
      <VERS vnumber="19">De inwoners van Jericho zeiden tegen Elisa: 'De ligging van de stad is goed, zoals u ziet, maar het water is slecht en de grond veroorzaakt misgeboorten.' </VERS>
      <VERS vnumber="20">Elisa zei: 'Breng me een nieuwe schaal, met wat zout erop.' Ze brachten hem een schaal, </VERS>
      <VERS vnumber="21">en Elisa ging naar de bron en strooide daar zout in terwijl hij zei: 'Dit zegt de HEER: Hierbij zuiver ik dit water. Het zal geen sterfgevallen of misgeboorten meer veroorzaken.' </VERS>
      <VERS vnumber="22">En tot op de dag van vandaag is het water daar zuiver, zoals Elisa heeft gezegd. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Van Jericho ging Elisa naar Betel. Toen hij naar de stad omhoog liep, rende een troep kinderen op hem af die hem uitlachten en schreeuwden: 'Kaalkop, kaalkop! Zet 'm op, zet 'm op!' </VERS>
      <VERS vnumber="24">Elisa keek om, en toen hij de kinderen zag, vervloekte hij ze in de naam van de HEER. Meteen kwamen er twee berinnen uit het bos, die tweeënveertig van de kinderen verscheurden. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Vanuit Betel trok Elisa naar de Karmel, en van daar keerde hij naar Samaria terug. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="3">
      <VERS vnumber="1">Joram, de zoon van Achab, werd koning van Israël in het achttiende regeringsjaar van koning Josafat van Juda. Twaalf jaar regeerde hij in Samaria. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER, maar ging daarin niet zo ver als zijn vader en moeder. De steen die zijn vader ter ere van Baäl had opgericht, liet hij verwijderen, </VERS>
      <VERS vnumber="3">maar voor het overige hield hij vast aan de zondige praktijken van Jerobeam, de zoon van Nebat, die de Israëlieten tot zonde had aangezet; daarmee brak hij niet. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Koning Mesa van Moab was schapenfokker. Hij moest aan de koning van Israël jaarlijks honderdduizend lammeren afstaan en honderdduizend ongeschoren rammen. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Maar na de dood van Achab kwam de koning van Moab tegen de koning van Israël in opstand. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Daarom rukte koning Joram vanuit Samaria op, nadat hij heel Israël onder de wapenen had geroepen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Aan koning Josafat van Juda liet hij de volgende boodschap overbrengen: 'De koning van Moab is tegen mij in opstand gekomen. Wilt u met mij tegen Moab ten strijde trekken?' 'Ja, ik ga met u mee, 'luidde het antwoord. 'U en ik zijn één; mijn leger is uw leger, mijn paarden zijn uw paarden.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">Joram vroeg aan Josafat langs welke route ze het beste konden oprukken, en die raadde hem aan dwars door de woestijn van Edom te trekken. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Samen met de koning van Juda en de koning van Edom rukte de koning van Israël op. Maar doordat ze een omtrekkende beweging maakten, waren ze zeven dagen onderweg, en op het laatst was er geen water meer voor de soldaten en voor het vee dat ze bij zich hadden. </VERS>
      <VERS vnumber="10">'Wat zijn we begonnen!' riep de koning van Israël uit. 'Heeft de HEER deze drie koningen soms bijeengebracht om ze aan Moab uit te leveren?' </VERS>
      <VERS vnumber="11">Maar Josafat vroeg: 'Is er hier geen profeet van de HEER, die voor ons de HEER kan raadplegen?' Een van de dienaren van de koning van Israël zei dat Elisa, de zoon van Safat, bij hen was, die altijd water uitgoot over de handen van Elia. </VERS>
      <VERS vnumber="12">'Als iemand ons kan zeggen wat de HEER met ons voorheeft, is hij het wel, 'zei Josafat. De koning van Israël, Josafat en de koning van Edom gingen naar Elisa toe, </VERS>
      <VERS vnumber="13">maar Elisa zei tegen de koning van Israël: 'Wat wilt u van mij? Gaat u maar naar de profeten van uw vader en moeder.' 'Nee, 'zei Joram, 'want het is de HEER die deze drie koningen bijeen heeft gebracht om ze aan Moab uit te leveren.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">Toen antwoordde Elisa: 'Zo waar de HEER leeft, de HEER van de hemelse machten, in wiens dienst ik sta, het is dat ik zoveel achting heb voor koning Josafat van Juda, anders zou ik u geen blik waardig keuren. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Maar goed, laat een lierspeler komen.' En terwijl de muzikant op de lier speelde, werd Elisa gegrepen door de hand van de HEER </VERS>
      <VERS vnumber="16">en hij zei: 'Dit zegt de HEER: Graaf overal in de wadi kuilen. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Want dit zegt de HEER: Jullie zullen geen wind voelen en geen regen zien, maar toch zal deze wadi vol komen te staan met water, zodat jullie te drinken hebben, ook jullie vee en lastdieren. </VERS>
      <VERS vnumber="18">En dat is voor de HEER nog maar een kleinigheid: hij zal ook de Moabieten aan u uitleveren. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Elke sterke vesting en elke mooie stad zult u verwoesten, elke vruchtboom vellen, elke waterbron dichtstoppen en elke vruchtbare akker volgooien met stenen.' </VERS>
      <VERS vnumber="20">De volgende morgen, op het uur van het graanoffer, kwam uit de richting van Edom plotseling water opzetten, en in minder dan geen tijd stond de vallei helemaal onder. </VERS>
      <VERS vnumber="21">De Moabieten hadden gehoord dat de drie koningen tegen hen ten strijde waren getrokken, en allen die oud genoeg waren om de wapens op te nemen waren opgeroepen en aan de grens opgesteld. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Toen zij diezelfde morgen opstonden, kleurde het eerste zonlicht het water rood als bloed, en toen de Moabieten dat zagen </VERS>
      <VERS vnumber="23">riepen ze uit: 'Maar dat is bloed! De koningen zijn natuurlijk onderling slaags geraakt en nu hebben ze elkaar gedood. Eropaf, Moab, op naar de buit!' </VERS>
      <VERS vnumber="24">Maar toen de Moabieten bij het kamp van de Israëlieten kwamen, werden ze overrompeld. De Israëlieten joegen de Moabieten tot in hun eigen land achterna en versloegen hen. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Ze verwoestten de steden, gooiden de vruchtbare akkers vol met stenen, stopten alle waterbronnen dicht en velden elke vruchtboom. Ten slotte stond alleen Kir-Chareset nog overeind, maar de slingeraars omsingelden ook deze stad en begonnen haar te bekogelen. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Toen de koning van Moab besefte dat hij de strijd ging verliezen, probeerde hij met zevenhonderd geoefende krijgers een uitbraak te doen naar de koning van Edom, maar tevergeefs. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Toen nam hij zijn oudste zoon, zijn troonopvolger, en offerde hem als brandoffer op de stadsmuur. Dat wekte zo veel ontzetting bij de Israëlieten dat ze de aanval staakten en naar hun eigen land terugkeerden. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="4">
      <VERS vnumber="1">Op een keer riep de vrouw van een van de profeten Elisa's hulp in: 'Mijn man, uw dienaar, die zoals u weet altijd groot ontzag had voor de HEER, is gestorven. Nu zal mijn schuldeiser komen en mijn twee kinderen als slaven meenemen.' </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Wat kan ik voor u doen?' vroeg Elisa. 'Vertel me eens, wat hebt u nog in huis?' 'Alleen een kruikje olie, heer, 'antwoordde ze, 'verder niets.' </VERS>
      <VERS vnumber="3">Toen zei Elisa: 'Ga bij uw buren kruiken en kannen te leen vragen, lege, zoveel als u er krijgen kunt. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Als u weer thuiskomt, doe dan de deur achter u en uw kinderen dicht en giet uw olie in die kruiken en kannen over; telkens als er een vol is, neemt u een volgende.' </VERS>
      <VERS vnumber="5">Thuisgekomen sloot de vrouw de deur achter zich. Terwijl haar kinderen haar de kruiken en kannen een voor een aangaven, goot ze de olie over. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Toen ze allemaal vol waren en ze haar zoon vroeg haar de volgende aan te geven, antwoordde hij: 'Er zijn er geen meer.' Toen hield de olie op te vloeien. </VERS>
      <VERS vnumber="7">De weduwe ging terug naar de godsman en vertelde hem wat er gebeurd was. 'Die olie moet u verkopen om uw schuld af te betalen, 'zei hij. 'En van wat er overblijft, kunnen u en uw kinderen leven.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">Op zekere dag kwam Elisa door Sunem. Daar woonde een voorname vrouw die hem dringend uitnodigde om te komen eten. Van toen af aan ging hij elke keer als hij langs Sunem kwam bij haar eten. </VERS>
      <VERS vnumber="9">De vrouw zei tegen haar man: 'Die godsman die telkens bij ons op bezoek komt, is beslist heilig. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Laten we op het dak van ons huis een kamer voor hem maken en daar een bed, een tafel, een stoel en een lamp neerzetten, dan kan hij zich daar terugtrekken als hij bij ons komt.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">Toen Elisa op een dag weer door Sunem kwam, onderbrak hij zijn reis en ging rusten in het voor hem ingerichte vertrek. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Hij vroeg zijn knecht Gechazi de gastvrouw te roepen. Toen de vrouw op Gechazi's verzoek naar boven was gekomen </VERS>
      <VERS vnumber="13">zei Elisa tegen Gechazi: 'Vraag haar wat we voor haar kunnen doen in ruil voor alle moeite die zij zich voor ons getroost heeft. Kunnen we voor haar bij de koning pleiten, of bij de bevelhebber van het leger?' Maar de vrouw antwoordde: 'Ik leef te midden van mijn eigen volk.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">Weer vroeg Elisa: 'Kan ik echt niets voor haar doen?' en Gechazi antwoordde: 'Jawel, ze heeft geen zoon, en haar man is al oud.' </VERS>
      <VERS vnumber="15">Toen zei Elisa: 'Roep haar binnen.' Gechazi riep haar, de vrouw kwam in de deuropening staan </VERS>
      <VERS vnumber="16">en Elisa zei tegen haar: 'Vandaag over een jaar zult u een zoon in uw armen houden.' 'Nee, waarde godsman, 'antwoordde ze, 'spiegelt u me toch niets voor.' </VERS>
      <VERS vnumber="17">Maar de vrouw werd zwanger en precies een jaar later baarde ze een zoon, zoals Elisa had voorzegd. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Het kind groeide op. Op zekere dag, toen hij was gaan kijken bij zijn vader, die met de maaiers op het land was, </VERS>
      <VERS vnumber="19">riep hij plotseling uit: 'Mijn hoofd! Mijn hoofd!' De vader beval een knecht de jongen naar zijn moeder te brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="20">De knecht nam hem op en droeg hem naar zijn moeder. Zij hield hem op haar schoot, maar tegen het middaguur stierf hij. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Toen ging ze naar boven, legde de jongen op het bed van de godsman en sloot de deur van het vertrek. Daarna ging ze naar buiten </VERS>
      <VERS vnumber="22">en riep tegen haar man: 'Stuur me een van de knechten met een ezelin! Ik wil zo snel mogelijk naar de godsman, maar ik kom direct weer terug.' </VERS>
      <VERS vnumber="23">'Waarom zou je naar de godsman gaan?' vroeg hij. 'Het is toch geen nieuwemaan vandaag, en ook geen sabbat?' 'Laat me nu maar, 'zei ze. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Ze zadelde de ezelin en zei tegen de knecht: 'Drijf de ezelin zonder ophouden aan, tot ik zeg dat je halt kunt houden.' </VERS>
      <VERS vnumber="25">Zo ging ze op weg naar Elisa, die op de Karmel verbleef. Toen de godsman haar zag aankomen, zei hij tegen zijn knecht Gechazi: 'Kijk, daar heb je de vrouw uit Sunem. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Ga haar vlug tegemoet en vraag hoe het met haar gaat, en met haar man en haar zoon.' De vrouw antwoordde dat het goed ging, </VERS>
      <VERS vnumber="27">maar toen ze bij de godsman op de berg aankwam, greep ze zijn voeten vast. Gechazi liep op haar toe om haar weg te jagen, maar de godsman zei: 'Laat haar maar, ze heeft verdriet. En ik wist daar niets van, de HEER heeft het voor mij verborgen gehouden.' </VERS>
      <VERS vnumber="28">Toen zei de vrouw: 'Heb ik u soms om een zoon gevraagd? Heb ik niet gezegd dat u geen valse hoop moest wekken?' </VERS>
      <VERS vnumber="29">Hierop zei Elisa tegen Gechazi: 'Neem mijn staf en ga er zo snel mogelijk naartoe. Als je iemand tegenkomt, groet hem dan niet. Als iemand jou groet, zeg dan niets terug. Je moet mijn staf op de jongen leggen.' </VERS>
      <VERS vnumber="30">Maar de moeder van de jongen zei: 'Zo waar de HEER leeft, en zo waar u leeft, ik ga niet zonder u.' Toen stond Elisa op en ging met haar mee. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Gechazi was hun vooruitgegaan en had de staf op de jongen gelegd, maar die had geen teken van leven gegeven. Hij keerde terug en vertelde Elisa dat de jongen niet wakker was geworden. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Toen Elisa zelf bij het huis aankwam, zag hij de jongen dood op zijn eigen bed liggen. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Hij ging de kamer binnen en sloot de deur achter zich. Toen bad hij tot de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Daarna liep hij naar het bed toe en ging boven op het kind liggen, met zijn mond op zijn mond, zijn ogen op zijn ogen en zijn handpalmen op zijn handpalmen. Zo bleef hij over het kind uitgestrekt liggen tot het lichaam weer warm werd. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Toen kwam hij overeind, liep door de kamer heen en weer, en strekte zich nogmaals over het kind uit. Uiteindelijk niesde de jongen wel zeven keer, en opende zijn ogen. </VERS>
      <VERS vnumber="36">'Roep de moeder, 'riep Elisa tegen Gechazi. Gechazi waarschuwde haar, en toen ze boven kwam zei Elisa: 'U kunt uw zoon meenemen.' </VERS>
      <VERS vnumber="37">De vrouw kwam de kamer binnen, viel aan Elisa's voeten neer en boog diep voorover. Toen nam ze haar zoon op en ging de kamer uit. </VERS>
      <VERS vnumber="38">Elisa ging terug naar Gilgal. Er heerste in die tijd weer hongersnood in het land. Toen hij een keer met de leden van de profetengemeenschap bijeen zat, droeg hij zijn knecht op een grote kookpot op het vuur te zetten en een warm gerecht voor hen te bereiden. </VERS>
      <VERS vnumber="39">Een van de profeten ging buiten eetbare planten zoeken. Hij vond een wilde kruipplant, een kolokwint, en plukte daarvan zoveel vruchten als hij in zijn kleed kon meedragen. Toen hij terugkwam sneed hij de vruchten in stukjes en deed ze door het gerecht in de pot; ze wisten namelijk niet wat het was. </VERS>
      <VERS vnumber="40">Het gerecht werd rondgediend, en zodra ze ervan proefden schreeuwden ze uit: 'Godsman, de dood zit in de pot!' Ze konden geen hap door hun keel krijgen. </VERS>
      <VERS vnumber="41">Toen zei Elisa: 'Breng me wat meel.' Hij strooide wat meel in de pot en zei: 'Schep iedereen opnieuw op. Nu kunnen ze ervan eten.' En inderdaad, de bittere smaak was volkomen verdwenen. </VERS>
      <VERS vnumber="42">Op een keer kwam iemand uit Baäl-Salisa Elisa opzoeken. Hij bracht twintig gerstebroden voor de godsman mee, gebakken van meel uit de nieuwe oogst, en een zakje vers graan. Elisa droeg zijn bediende op dit als maal aan de profeten voor te zetten. </VERS>
      <VERS vnumber="43">Toen de bediende protesteerde dat het beslist niet genoeg was voor honderd personen, zei Elisa nogmaals: 'Zet het de profeten voor, ze zullen er een maaltijd aan hebben. Want dit zegt de HEER: Ze zullen ervan eten en nog overhouden ook.' </VERS>
      <VERS vnumber="44">Toen zette zijn bediende het de profeten voor, en zij aten ervan en hielden nog over, zoals de HEER had gezegd. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="5">
      <VERS vnumber="1">Naäman, de bevelhebber van het Aramese leger, stond bij zijn koning in hoog aanzien en werd zeer door hem gewaardeerd, want de HEER had hem voor Aram een grote overwinning laten behalen. Maar deze grote krijgsman leed aan huidvraat. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Nu hadden de Arameeërs op een van hun strooptochten uit Israël een jong meisje meegevoerd, dat als slavin diende bij de vrouw van Naäman. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Zij zei tegen haar meesteres: 'Ach, kon mijn meester maar eens naar de profeet in Samaria gaan, die zou hem wel genezen.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Naäman ging naar zijn koning en vertelde hem wat het meisje uit Israël had gezegd. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Daarop zei de koning van Aram: 'Ga erheen. Ik zal u een brief meegeven voor de koning van Israël.' Naäman ging op weg, met tien talent zilver bij zich, zesduizend sjekel goud en tien stel kleren. </VERS>
      <VERS vnumber="6">In de brief die hij aan de koning van Israël overhandigde, stond het volgende: 'Met deze brief stuur ik mijn dienaar Naäman naar u toe, om door u van zijn huidvraat te worden genezen.' </VERS>
      <VERS vnumber="7">Zodra de koning van Israël de brief gelezen had, scheurde hij zijn kleren en riep uit: 'Ben ik soms een god, dat ik kan beschikken over leven of dood? Hij stuurt mij deze man om hem van zijn huidvraat te genezen. Let op mijn woorden: hij is uit op een conflict met mij!' </VERS>
      <VERS vnumber="8">Toen de godsman Elisa hoorde dat de koning van Israël zijn kleren had gescheurd, liet hij hem vragen: 'Waarom hebt u uw kleren gescheurd? Laat die man bij mij komen, dan zal hij merken dat er in Israël een echte profeet woont.' </VERS>
      <VERS vnumber="9">Naäman reed met zijn strijdwagen naar het huis van Elisa. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Elisa stuurde iemand naar buiten om hem te zeggen: 'Baad u zevenmaal in de Jordaan, dan zal uw huid weer gezond worden en zult u weer rein zijn.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">Kwaad ging Naäman weg. 'Ik had gedacht dat hij zelf naar buiten zou komen, 'zei hij. 'En dat hij de naam van de HEER, zijn God, zou aanroepen en met zijn hand over de aangetaste plek zou strijken, en zo de huidvraat zou wegnemen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Zijn de rivieren van Damascus, de Abana en de Parpar, soms niet beter dan alle wateren in Israël? Had ik me daarin niet kunnen baden om rein te worden?' Verontwaardigd draaide hij zich om en ging weg. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Maar zijn bedienden kwamen hem achterna en zeiden: 'Maar overste, als de profeet u een ingewikkelde opdracht had gegeven, had u die toch ook uitgevoerd? Dus nu hij tegen u zegt: "Baad u, en u zult weer rein worden, "moet u dat zeker doen.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">Hierop daalde Naäman af naar de Jordaan en dompelde zich daar zevenmaal onder, zoals de godsman had gezegd. Zijn huid werd weer gezond, zo gaaf als de huid van een kind, en hij was weer rein. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Toen keerde hij met zijn hele gevolg naar Elisa terug, maakte bij de godsman zijn opwachting en zei: 'Ik wist wel dat er behalve in Israël in de hele wereld geen God is. Alstublieft, neemt u een geschenk van uw dienaar aan.' </VERS>
      <VERS vnumber="16">Maar Elisa antwoordde: 'Zo waar de HEER, in wiens dienst ik sta, leeft, ik zal niets aannemen.' En hoe Naäman ook aandrong, Elisa bleef weigeren. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Toen zei Naäman: 'Als u werkelijk niets van uw dienaar wilt aannemen, wees dan zo goed mij twee muildierlasten aarde mee te geven. Ik verzeker u dat ik nooit meer offers zal brengen aan andere goden dan de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Maar ik hoop dat de HEER mij het volgende zal willen vergeven: wanneer mijn vorst naar de tempel gaat om zich voor Rimmon neer te buigen, steunt hij altijd op mijn arm, zodat ik wel gedwongen ben me ook in de tempel van Rimmon neer te buigen. Ik hoop dus dat de HEER het mij zal willen vergeven wanneer ik me neerbuig in de tempel van Rimmon.' </VERS>
      <VERS vnumber="19">Elisa antwoordde: 'Ga in vrede.' Naäman was nog niet zo lang vertrokken, </VERS>
      <VERS vnumber="20">toen Elisa's knecht Gechazi bedacht: Mijn meester heeft de Arameeër Naäman voor het hoofd gestoten door het geschenk dat hij voor hem had meegebracht te weigeren. Zo waar de HEER leeft, ik ga hem zo snel mogelijk achterna om iets van hem aan te nemen. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Gechazi ging Naäman achterna, en toen Naäman hem zag komen aanrennen, sprong hij van zijn wagen en snelde hem tegemoet. 'Is alles in orde?' vroeg hij. </VERS>
      <VERS vnumber="22">'Ja, 'antwoordde Gechazi. 'Alleen, mijn meester laat zeggen dat er zojuist twee jongemannen uit het bergland van Efraïm zijn aangekomen, leerlingen van de profetengemeenschap, en hij verzoekt u hun een talent zilver en twee stel kleren te geven.' </VERS>
      <VERS vnumber="23">'Met alle genoegen, 'antwoordde Naäman. 'Neemt u toch twee talent.' Hij stond erop dat Gechazi het geschenk zou aannemen en hij maakte twee pakketten, met in elk een talent zilver en een stel kleren, en gaf die aan twee van zijn knechten om ze voor Gechazi te dragen. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Toen ze bij de stadswal aankwamen, nam Gechazi de pakketten van hen over en stuurde hij hen weg. De geschenken verborg hij in huis. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Toen hij zich weer bij zijn meester meldde, vroeg Elisa: 'Waar ben je geweest, Gechazi?' 'Ik? Nergens, 'antwoordde hij. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Toen zei Elisa: 'Dacht je dat het me ontgaan was dat een zeker iemand van zijn wagen is gesprongen en jou tegemoet is gesneld? Is dit de manier om aan zilver te komen, aan kleren, olijfgaarden en wijngaarden, en aan vee en slaven en slavinnen? </VERS>
      <VERS vnumber="27">Moge de huidvraat van Naäman voor eeuwig op jou en je nakomelingen overgaan!' Gechazi verliet zijn meester, zijn huid schilferig en wit als sneeuw. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="6">
      <VERS vnumber="1">Op zekere dag zeiden de leden van de profetengemeenschap tegen Elisa: 'Het gebouw waarin wij met u wonen is te klein voor ons allen, zoals u ziet. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Laten we naar de Jordaan gaan en daar boomstammen halen om een nieuw onderkomen te bouwen.' 'Ga je gang, 'zei Elisa. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Maar een van de profeten zei: 'Doet u ons een genoegen, heer, en ga met ons mee.' 'Goed, 'zei Elisa </VERS>
      <VERS vnumber="4">en hij ging met hen mee naar de Jordaan, waar ze bomen begonnen om te hakken. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Terwijl ze daarmee bezig waren, schoot bij een van de profeten het ijzeren blad van zijn bijl los en viel in het water. 'Wat nu, heer!' riep hij uit. 'Ik had hem te leen!' </VERS>
      <VERS vnumber="6">'Waar is hij gevallen?' vroeg de godsman. Nadat de man hem de plaats had aangewezen, sneed Elisa een twijg af en gooide die in het water, waarop het ijzer kwam bovendrijven. </VERS>
      <VERS vnumber="7">'Haal hem er maar uit, 'zei hij, en de man pakte het blad van de bijl weer uit het water. </VERS>
      <VERS vnumber="8">De koning van Aram voerde oorlog tegen Israël. Telkens als hij in overleg met zijn bevelhebbers besloot om bij een bepaalde plaats zijn kamp op te slaan, </VERS>
      <VERS vnumber="9">liet de godsman Elisa de koning van Israël waarschuwen dat hij uit die buurt moest wegblijven omdat de Arameeërs daar een aanval beraamden. </VERS>
      <VERS vnumber="10">De koning van Israël liet dan de inwoners van de plaats die de godsman had genoemd waarschuwen en zorgde ervoor zelf uit de buurt te blijven. Dat ging zo keer op keer, </VERS>
      <VERS vnumber="11">tot grote ergernis van de koning van Aram. Hij riep zijn bevelhebbers bij zich en vroeg hun: 'Zeg me: wie van onze mensen heult met de koning van Israël?' </VERS>
      <VERS vnumber="12">Een van de bevelhebbers antwoordde: 'Niemand, mijn heer en koning, maar de profeet Elisa in Israël weet de koning van Israël zelfs te vertellen wat u in uw slaapkamer zegt.' </VERS>
      <VERS vnumber="13">Hierop zei de koning: 'Zoek voor mij uit waar hij is, dan zal ik hem gevangen laten nemen.' Toen hem werd verteld dat Elisa in Dotan was, </VERS>
      <VERS vnumber="14">stuurde hij een groot leger met strijdwagens en paarden op de stad af. </VERS>
      <VERS vnumber="De">Arameeërs kwamen 's nachts bij Dotan aan en omsingelden de stad. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Toen de bediende van Elisa de volgende morgen opstond en naar buiten kwam, zag hij dat de stad omsingeld was door een leger met strijdwagens en paarden. 'Wat moeten we beginnen, heer?' riep hij uit. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Zijn meester antwoordde: 'Wees niet bang, wij zijn met meer dan zij.' </VERS>
      <VERS vnumber="17">En hij bad: 'HEER, open zijn ogen en laat het hem zien.' De HEER opende Elisa's knecht de ogen, en toen zag hij dat de heuvels vol stonden met paarden en wagens van vuur, die Elisa omringden. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Toen de Arameeërs op Elisa afkwamen, smeekte hij de HEER hen te verblinden. De HEER verblindde hen, zoals Elisa had gevraagd, </VERS>
      <VERS vnumber="19">en toen zei Elisa tegen hen: 'U bent verkeerd. Dit is niet de stad waar u zijn moet. Volg mij, dan zal ik u de weg wijzen naar de man die u zoekt.' Hij leidde hen naar Samaria, </VERS>
      <VERS vnumber="20">en daar aangekomen bad hij: 'HEER, open hun ogen en laat hen weer zien.' De HEER opende hun de ogen, en toen zagen ze dat ze zich midden in Samaria bevonden. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Toen de koning van Israël de Arameeërs zag, vroeg hij aan Elisa: 'Wat vindt u, vader? Zal ik ze doden?' </VERS>
      <VERS vnumber="22">'Nee, 'antwoordde Elisa, 'dood hen niet. Hebt u ze soms met uw eigen wapens krijgsgevangen gemaakt, dat u hen zou doden? Zet hun een maaltijd voor, zodat ze kunnen eten en drinken, en laat hen teruggaan naar hun heer.' </VERS>
      <VERS vnumber="23">Hierop liet de koning een overvloedig gastmaal voor hen aanrichten, en toen ze gegeten en gedronken hadden stuurde hij hen terug naar hun heer. Van toen af aan deden de Aramese benden geen invallen meer in Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Enige tijd later riep koning Benhadad van Aram zijn leger onder de wapenen. Hij trok op en belegerde Samaria. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Het beleg duurde zo lang dat er in de stad een groot tekort aan voedsel ontstond. Voor een ezelskop betaalde men uiteindelijk tachtig sjekel zilver, en voor een pond duivendrek vijf sjekel. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Toen de koning van Israël op een keer over de stadsmuur liep, schreeuwde een vrouw hem toe: 'Help me toch, mijn heer en koning!' </VERS>
      <VERS vnumber="27">De koning antwoordde: 'Als de HEER u niet helpt, hoe zou ik dat dan kunnen? De dorsvloer en de perskuip zijn leeg. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Maar wat is er aan de hand?' De vrouw vertelde: 'Een vrouw die ik ken zei tegen me: "Kom hier met je kind. Vandaag zullen we jouw kind opeten, en morgen het mijne." </VERS>
      <VERS vnumber="29">Toen hebben we mijn kind gekookt en opgegeten. Maar toen ik de volgende dag tegen haar zei dat nu het hare aan de beurt was om opgegeten te worden, bleek dat ze haar kind verstopt had.' </VERS>
      <VERS vnumber="30">Bij het horen van het verhaal van de vrouw scheurde de koning zijn kleren, terwijl hij daar over de stadsmuur liep, en de hele bevolking kon zien dat hij onder zijn kleren op zijn blote lijf een boetekleed droeg. </VERS>
      <VERS vnumber="31">De koning riep uit: 'God mag met mij doen wat hij wil als het hoofd van Elisa, de zoon van Safat, vanavond nog op zijn romp zit!' </VERS>
      <VERS vnumber="32">Elisa was thuis, en de oudsten waren bij hem. De koning stuurde een bode naar hem toe, maar nog voor deze aankwam zei Elisa tegen de oudsten: 'Weet u wel dat die moordenaarszoon iemand heeft gestuurd om mij te onthoofden? Sluit de deur zodra de bode van de koning eraan komt, houd hem tegen. Hoor, volgt zijn meester hem niet op de voet?' </VERS>
      <VERS vnumber="33">Elisa was nog niet uitgesproken, of daar kwam de bode van de koning al aan. 'De HEER heeft deze ellende over ons gebracht, 'zei hij. 'Waarom zou ik mijn hoop dan nog op hem vestigen?' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="7">
      <VERS vnumber="1">'Luister naar wat de HEER te zeggen heeft, 'antwoordde Elisa. 'Dit zegt de HEER: Morgen om deze tijd zal een schepel tarwebloem in de stadspoort van Samaria één sjekel kosten, en twee schepel gerst ook één sjekel.' </VERS>
      <VERS vnumber="2">De adjudant die de koning begeleidde nam het woord en zei: 'Zelfs al zou de HEER de hemelsluizen openzetten, wat u daar zegt is toch onmogelijk!' Maar Elisa antwoordde: 'U zult het met eigen ogen zien, maar u zult niet de kans krijgen ervan te eten.' </VERS>
      <VERS vnumber="3">Nu waren er bij de stadspoort vier mannen die aan huidvraat leden. Ze zeiden tegen elkaar: 'Waarom zouden we hier de dood blijven afwachten? </VERS>
      <VERS vnumber="4">Als we de stad binnengaan, zullen we van honger omkomen. En als we hier blijven zitten, sterven we ook. Laten we overlopen naar de Arameeërs. Als zij ons in leven laten, blijven we leven, en als ze ons doden, sterven we.' </VERS>
      <VERS vnumber="5">Bij het vallen van de avond gingen ze naar het kamp van de Arameeërs. Maar toen ze bij de rand van het kamp aankwamen, was er niemand te bekennen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">De Heer had namelijk in het Aramese kamp het geluid laten klinken van paarden en wagens, van een groot leger, en de Arameeërs hadden tegen elkaar gezegd: 'Hoor, de koning van Israël heeft de koningen van de Hethieten en van Egypte ingehuurd om ons aan te vallen.' </VERS>
      <VERS vnumber="7">Tegen het vallen van de avond waren ze er meteen vandoor gegaan, met achterlating van hun tenten, paarden en ezels. Ze hadden het kamp hals over kop verlaten en waren gevlucht om het vege lijf te redden. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Toen de vier mannen bij de rand van het kamp kwamen, gingen ze een tent binnen. Ze aten en dronken, en namen het goud en zilver en de kleren en dekens die ze er aantroffen mee. Nadat ze hun buit verstopt hadden, kwamen ze terug en gingen een volgende tent binnen. Ook wat ze daar vonden namen ze mee om het te verstoppen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Maar ten slotte zeiden ze tegen elkaar: 'Wat we doen is niet goed. Er is vandaag goed nieuws, en als we dat voor ons houden tot het licht wordt, raken we in de problemen. Laten we meteen naar het paleis van de koning gaan om te vertellen wat er gebeurd is.' </VERS>
      <VERS vnumber="10">Ze gingen terug naar de stad, riepen de poortwachter en vertelden: 'We zijn in het Aramese kamp geweest. Er was daar geen mens te zien of te horen. Wel stonden de paarden en ezels nog vastgebonden, en ook de tenten stonden er nog, met alles erop en eraan.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">De poortwachters sloegen alarm en gaven het bericht door aan het paleis. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Hoewel het midden in de nacht was, stond de koning op. Hij zei tegen zijn raadsheren: 'Ik zal u zeggen wat de Arameeërs van plan zijn. Ze weten dat wij honger lijden. Daarom hebben ze hun kamp verlaten en zich in het veld verborgen. Zo hopen ze ons de stad uit te lokken, zodat ze ons levend gevangen kunnen nemen en de stad kunnen innemen.' </VERS>
      <VERS vnumber="13">Een van de raadsheren stelde voor: 'Er zijn nog enkele paarden over-het is met de paarden in deze stad al net zo gesteld als met de tallozen van Israël: er is bijna niets meer van over. Laten we met vijf van die paarden gaan kijken wat er aan de hand is.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">Hierop liet de koning twee wagens inspannen en gaf hij bevel om het Aramese leger achterna te gaan en uit te zoeken wat er aan de hand was. </VERS>
      <VERS vnumber="15">De boden volgden het spoor van de Arameeërs tot aan de Jordaan. De hele weg lag bezaaid met kleren en stukken uitrusting die de Arameeërs inderhaast hadden weggegooid. Toen de boden terug waren gekomen en aan de koning verslag hadden uitgebracht, </VERS>
      <VERS vnumber="16">stroomden de mensen de stad uit om het Aramese kamp te plunderen. Een schepel tarwebloem kostte nu nog maar één sjekel, en twee schepel gerst ook, zoals de HEER had voorzegd. </VERS>
      <VERS vnumber="17">De adjudant van de koning, die opdracht had gekregen om toezicht te houden bij de stadspoort, waar de goederen verhandeld werden, werd daar door de menigte vertrapt. Zo stierf hij, zoals de godsman had voorzegd toen de koning bij hem kwam. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Immers, toen Elisa tegen de koning zei: 'Morgen om deze tijd zal twee schepel gerst in de stadspoort van Samaria één sjekel kosten, en een schepel tarwebloem ook één sjekel,' </VERS>
      <VERS vnumber="19">had de adjudant van de koning geantwoord: 'Zelfs al zou de HEER de hemelsluizen openzetten, wat u daar zegt is toch onmogelijk!' Daarop had Elisa gezegd: 'U zult het met eigen ogen zien, maar u zult niet de kans krijgen ervan te eten.' </VERS>
      <VERS vnumber="20">En zo gebeurde het ook: hij werd door de menigte in de stadspoort vertrapt en stierf. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="8">
      <VERS vnumber="1">Elisa had de vrouw van wie hij het kind weer tot leven had gewekt de volgende raad gegeven: 'U moet vertrekken en met uw familie tijdelijk ergens anders gaan wonen, waar u maar terecht kunt, want de HEER laat een hongersnood komen die deze streek zeker zeven jaar in zijn greep zal houden.' </VERS>
      <VERS vnumber="2">De vrouw was vertrokken, zoals de godsman had gezegd, en zij en haar familie hadden zeven jaar als vreemdelingen in het land van de Filistijnen gewoond. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Toen ze na zeven jaar weer in haar eigen land terugkwam, ging ze naar de koning om zijn hulp in te roepen om haar huis en haar grond terug te krijgen. </VERS>
      <VERS vnumber="4">De koning was juist in gesprek met Elisa's knecht Gechazi, aan wie hij gevraagd had om hem over de bijzondere daden van de godsman te vertellen. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Net toen Gechazi aan het vertellen was hoe Elisa een dode tot leven had gewekt, kwam de moeder van het bewuste kind de hulp van de koning inroepen. 'Dit is de vrouw over wie ik het had, mijn heer en koning, 'zei Gechazi, 'en dat is de jongen die Elisa tot leven gewekt heeft.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">De koning vroeg aan de vrouw wat ze kwam doen, en toen ze verteld had wat ze verlangde, stuurde hij een van zijn kamerheren met haar mee met de opdracht: 'Zorg ervoor dat ze al haar bezittingen terugkrijgt, en ook alles wat haar grond heeft opgebracht vanaf de dag dat ze het land verliet tot nu toe.' </VERS>
      <VERS vnumber="7">Op een keer kwam Elisa naar Damascus, juist toen koning Benhadad van Aram ziek was. Men vertelde de koning dat de godsman was gekomen, </VERS>
      <VERS vnumber="8">en de koning droeg Hazaël op: 'Ga de godsman met een geschenk tegemoet, en verzoek hem de HEER te vragen of ik van deze ziekte zal herstellen.' </VERS>
      <VERS vnumber="9">Met veertig kamelen, beladen met allerlei kostbaarheden uit Damascus, ging Hazaël Elisa tegemoet. Hij maakte bij de godsman zijn opwachting en zei: 'Koning Benhadad van Aram stuurt me naar u, zijn raadgever, om te vragen of hij van zijn ziekte zal herstellen.' </VERS>
      <VERS vnumber="10">Elisa antwoordde: 'U kunt tegen de koning zeggen dat hij vast en zeker zal herstellen, maar mij heeft de HEER laten weten dat de koning zal sterven.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">De godsman keek Hazaël lange tijd strak aan en barstte toen in tranen uit. </VERS>
      <VERS vnumber="12">'Waarom huilt u, mijn heer?' vroeg Hazaël, en Elisa antwoordde: 'Omdat ik weet welke ellende u de Israëlieten zult aandoen. U zult hun versterkte steden in de as leggen, hun jongemannen aan uw zwaard rijgen, hun kinderen de schedel inslaan en hun zwangere vrouwen de buik openrijten.' </VERS>
      <VERS vnumber="13">Hazaël wierp tegen: 'Maar heer, hoe zou een nietswaardige hond als ik tot zulke indrukwekkende daden in staat zijn?' Maar Elisa antwoordde: 'De HEER heeft mij u getoond als koning van Aram.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">Hazaël ging terug naar zijn heer. 'Wat heeft Elisa gezegd?' vroeg de koning, en Hazaël antwoordde: 'Hij zei me dat u vast en zeker zult herstellen.' </VERS>
      <VERS vnumber="15">De volgende dag nam Hazaël een doek, maakte die nat en spreidde hem over het gezicht van Benhadad, zodat hij stikte. Hazaël werd in zijn plaats koning. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Joram, de zoon van Josafat, werd koning van Juda in het vijfde regeringsjaar van koning Joram van Israël, de zoon van Achab, toen Josafat over Juda regeerde. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Hij was tweeëndertig jaar oud toen hij koning werd, en regeerde acht jaar in Jeruzalem. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Hij volgde het voorbeeld van de koningen van Israël, net zoals het koningshuis van Achab dat deed, aangezien hij met een vrouw uit de familie van Achab getrouwd was. Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER, </VERS>
      <VERS vnumber="19">maar toch wilde de HEER Juda niet vernietigen, omwille van zijn dienaar David, aan wie hij had beloofd dat hij het licht van zijn koningshuis voor altijd zou laten branden. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Tijdens de regering van Joram kwamen de Edomieten tegen Juda in opstand en wezen ze een eigen koning aan. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Joram trok met al zijn strijdwagens naar Saïr op. Maar de Edomieten omsingelden hem en de aanvoerders van zijn strijdwagens. Toen deed hij 's nachts een uitval en versloeg de Edomieten, zodat het leger kon ontkomen. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Zo maakte Edom zich van Juda los, en dat is zo gebleven tot op de dag van vandaag. Ook Libna maakte zich in die tijd los van Juda. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Verdere bijzonderheden over Joram zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Juda. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Toen hij stierf, werd hij begraven bij zijn voorouders in de Davidsburcht. Zijn zoon Achazja volgde hem op. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Achazja, de zoon van koning Joram van Juda, werd koning in het twaalfde regeringsjaar van koning Joram van Israël, de zoon van Achab. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Hij was tweeëntwintig jaar oud toen hij koning werd. Eén jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Atalja, de dochter van koning Omri van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Hij volgde het voorbeeld van het koningshuis van Achab en deed wat slecht is in de ogen van de HEER, net zoals de leden van het koningshuis van Achab, want ook hij had een vrouw uit de familie van Achab getrouwd. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Achazja ging met koning Joram, de zoon van Achab, mee naar Ramot in Gilead om de strijd aan te binden met koning Hazaël van Aram. Maar toen Joram gewond raakte, </VERS>
      <VERS vnumber="29">keerde hij naar Jizreël terug om te herstellen van de verwondingen die de Arameeërs hem tijdens de slag met koning Hazaël van Aram, bij Ramot, hadden toegebracht. Achazja, de zoon van Joram en koning van Juda, ging naar Jizreël om de gewonde koning Joram van Israël een bezoek te brengen. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="9">
      <VERS vnumber="1">Ondertussen riep de profeet Elisa een van de leerlingen van de profetengemeenschap bij zich en droeg hem op: 'Neem dit kruikje met olie en ga zo snel mogelijk naar Ramot in Gilead. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Daar aangekomen moet je Jehu opzoeken, de zoon van Josafat, de zoon van Nimsi. Ga naar hem toe en neem hem apart. Ga met hem naar een afgezonderd vertrek </VERS>
      <VERS vnumber="3">en giet het kruikje olie over zijn hoofd uit met de woorden: "Dit zegt de HEER: Hierbij zalf ik je tot koning van Israël." Daarna moet je het vertrek verlaten en maken dat je wegkomt.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">De jonge profeet ging naar Ramot in Gilead. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Toen hij daar aankwam, zaten de bevelhebbers van het leger bij elkaar. 'Kan ik u spreken, overste?' vroeg hij. 'Wie van ons wilt u spreken?' vroeg Jehu. 'U, overste, 'antwoordde hij. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Jehu stond op en ging met de jonge profeet mee naar binnen. Daar goot de profeet de olie over Jehu's hoofd uit en zei: 'Dit zegt de HEER, de God van Israël: Hierbij zalf ik je tot koning over Israël, het volk van de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Ruim het koningshuis van Achab, waarbij je in dienst staat, uit de weg, want ik wil het bloed wreken van de profeten en van al mijn andere dienaren die door Izebel ter dood zijn gebracht. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Heel het koningshuis van Achab zal ten onder gaan, alle mannelijke leden van zijn familie zal ik uitroeien, van hoog tot laag. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Het zal het koningshuis van Achab vergaan als het koningshuis van Jerobeam, de zoon van Nebat, en het koningshuis van Basa, de zoon van Achia. </VERS>
      <VERS vnumber="10">En Izebel zal op de akkers van Jizreël door de honden worden opgevreten, niemand zal haar begraven.' Daarop verliet de profeet het vertrek en maakte dat hij wegkwam. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Toen Jehu terugkwam bij de dienaren van zijn heer vroegen ze hem: 'Is alles in orde? Wat moest die gek van jou?' 'Ach, het gewone gezeur, jullie kennen dat wel, 'antwoordde Jehu. </VERS>
      <VERS vnumber="12">'Maak dat een ander wijs, 'zeiden ze. 'Zeg op, wat had hij te vertellen?' Toen zei Jehu: 'Hij heeft me het volgende gezegd: "Dit zegt de HEER: Hierbij zalf ik jou tot koning van Israël."' </VERS>
      <VERS vnumber="13">Ogenblikkelijk deden ze allemaal hun mantels af en spreidden die voor hem als loper over de traptreden uit. Toen bliezen ze op de ramshoorn en riepen: 'Jehu is koning!' </VERS>
      <VERS vnumber="14">Jehu, de zoon van Josafat, de zoon van Nimsi, beraamde een complot tegen koning Joram. Die had met heel het leger van Israël Ramot in Gilead verdedigd tegen koning Hazaël van Aram, </VERS>
      <VERS vnumber="15">maar was naar Jizreël teruggekeerd om te herstellen van de verwondingen die de Arameeërs hem tijdens de slag met koning Hazaël van Aram hadden toegebracht. 'Als jullie het ermee eens zijn, 'zei Jehu tegen de andere bevelhebbers, 'laten we er dan voor zorgen dat niemand uit de stad ontsnapt om in Jizreël te vertellen wat hier gebeurd is.' </VERS>
      <VERS vnumber="16">Daarop reed hij zelf naar Jizreël, waar Joram gewond te bed lag. Koning Achazja van Juda was ook naar Jizreël gekomen om Joram te bezoeken. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Toen de wachtpost op de toren van Jizreël Jehu en zijn gevolg in het oog kreeg, meldde hij dat er een stoet in aantocht was. Joram beval dat hun een ruiter tegemoet moest gaan om te vragen of alles in orde was. </VERS>
      <VERS vnumber="18">De ruiter ging hun tegemoet en zei: 'De koning laat vragen of alles in orde is.' 'Dat gaat je niets aan, 'antwoordde Jehu. 'Volg mij.' De wachtpost meldde dat de bode de stoet had bereikt en niet terugkeerde. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Joram stuurde een tweede ruiter, en toen deze bij Jehu kwam zei hij: 'De koning laat vragen of alles in orde is.' 'Dat gaat je niets aan, 'antwoordde Jehu. 'Volg mij.' </VERS>
      <VERS vnumber="20">De wachtpost meldde dat de bode de stoet had bereikt en niet terugkeerde. En hij voegde eraan toe: 'Aan zijn rijstijl te zien is het Jehu, de zoon van Nimsi, die de stad nadert, want hij rijdt als een waanzinnige.' </VERS>
      <VERS vnumber="21">Hierop beval Joram zijn wagen in te spannen. De wagen werd ingespannen en koning Joram van Israël en koning Achazja van Juda reden uit, ieder in zijn eigen wagen, Jehu tegemoet. Op de akker van de Jizreëliet Nabot troffen zij elkaar. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Toen Joram Jehu zag, vroeg hij: 'Is alles in orde, Jehu?' Jehu antwoordde: 'Hoe kan alles in orde zijn zolang de losbandige praktijken en de toverkunsten van uw moeder Izebel voortduren?' </VERS>
      <VERS vnumber="23">Joram wendde de teugels en vluchtte weg, terwijl hij Achazja toeriep: 'Verraad, Achazja!' </VERS>
      <VERS vnumber="24">Maar Jehu greep snel zijn boog en trof Joram tussen zijn schouderbladen. De pijl ging dwars door zijn hart en Joram zakte in zijn wagen in elkaar. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Jehu zei tegen zijn adjudant Bidkar: 'Pak hem op en gooi hem op de akker van de Jizreëliet Nabot. U herinnert u vast nog hoe wij tweeën zij aan zij achter zijn vader Achab reden toen de HEER de volgende profetie over hem uitsprak: </VERS>
      <VERS vnumber="26">"Zo waar ik gisteren het bloed van Nabot en zijn zonen heb zien vloeien-zo spreekt de HEER -,zo waar zal ik het u op deze akker vergelden-zo spreekt de HEER." Dus pak hem op en gooi hem op de akker, zoals de HEER heeft gezegd.' </VERS>
      <VERS vnumber="27">Koning Achazja van Juda, die zag wat er gebeurde, vluchtte in de richting van Bet-Haggan. Maar Jehu zette de achtervolging in en riep: 'Dood ook hem!' Achazja werd getroffen terwijl hij in zijn wagen de pas van Gur bij Jibleam opreed. Hij wist te ontkomen naar Megiddo, en daar is hij gestorven. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Zijn dienaren brachten zijn lichaam op een wagen over naar Jeruzalem, waar ze hem begroeven bij zijn voorouders in de Davidsburcht. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Achazja was koning van Juda geworden in het elfde regeringsjaar van Joram, de zoon van Achab. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Toen Izebel hoorde dat Jehu onderweg was naar Jizreël, zette ze haar ogen aan, maakte haar kapsel op en ging bij haar venster op de uitkijk staan. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Toen Jehu bij de stadspoort aankwam verwelkomde ze hem met de woorden: 'Gaat het goed met je, Zimri de Koningsmoordenaar?' </VERS>
      <VERS vnumber="32">Jehu keek omhoog en vroeg: 'Is daar iemand die aan mijn kant staat? Niemand?' Twee, drie eunuchen verschenen aan het venster </VERS>
      <VERS vnumber="33">en Jehu beval hun: 'Gooi haar het raam uit!' Ze wierpen haar naar beneden, zodat haar bloed tegen de stadsmuur en tegen de paarden opspatte. Jehu vertrapte haar lichaam. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Daarna trok hij de stad binnen en liet zich een maaltijd voorzetten. Toen hij gegeten en gedronken had zei hij: 'Ga eens naar die vervloekte vrouw kijken en begraaf haar, tenslotte is ze een koningsdochter.' </VERS>
      <VERS vnumber="35">Maar de mannen die haar gingen begraven vonden alleen nog haar schedel, haar voeten en haar handen. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Toen ze terugkwamen om het aan Jehu te vertellen zei deze: 'Zo is in vervulling gegaan wat de HEER bij monde van de Tisbiet Elia heeft voorzegd: "De honden zullen het lichaam van Izebel op de akkers van Jizreël opvreten. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Het lijk van Izebel zal als een hoop mest op het land liggen, op de akkers van Jizreël, en niemand zal kunnen zeggen: 'Dit was Izebel.'"' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="10">
      <VERS vnumber="1">In Samaria woonden nog zeventig zonen van Achab. Jehu stelde brieven op die hij naar Samaria stuurde, naar de bevelhebbers van Jizreël, de oudsten en de voogden die Achab had aangesteld. Deze brieven luidden als volgt: </VERS>
      <VERS vnumber="2">'De zonen van uw heer wonen bij u en u beschikt over paarden en strijdwagens, een versterkte stad en wapens. Welnu, wanneer u deze brief ontvangt, </VERS>
      <VERS vnumber="3">kies dan de meest geschikte koningszoon, zet hem op zijn vaders troon en wees bereid het koningshuis van uw heer te verdedigen.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">De ontvangers van deze brieven werden verschrikkelijk bang en zeiden: 'Twee koningen hebben het al tegen hem afgelegd. Hoe zouden wij dan standhouden?' </VERS>
      <VERS vnumber="5">De paleis- en de stadscommandanten, de oudsten en de voogden van de koningszonen stuurden Jehu daarom het volgende bericht: 'Wij zijn uw dienaren, heer. We zullen alles doen wat u ons opdraagt. Wij zullen niemand als koning aanwijzen. Doet u wat u het beste vindt.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">Hierop schreef Jehu hun een tweede brief, waarin hij zei: 'Als u op mijn hand bent en mij wilt gehoorzamen, onthoofd dan alle zonen van uw heer en meld u morgen om deze tijd bij mij in Jizreël.' Er waren zeventig koningszonen, die door voorname inwoners van de stad werden opgevoed. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Na ontvangst van de tweede brief werden alle zeventig koningszonen gevangengenomen en ter dood gebracht. Hun hoofden werden in manden gedaan, die naar Jehu in Jizreël werden gestuurd. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Toen een bode meldde dat de hoofden van de koningszonen gebracht waren, beval Jehu ze in twee hopen bij de ingang van de stadspoort te leggen en ze daar tot de volgende dag te laten liggen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">De volgende morgen kwam hij naar buiten en sprak de bevolking als volgt toe: 'Oordeelt u zelf: Ik heb tegen mijn heer een samenzwering gesmeed en hem vermoord. Maar door wie zijn deze koningszonen gedood? </VERS>
      <VERS vnumber="10">Besef goed dat niets van wat de HEER tegen het koningshuis van Achab heeft uitgesproken, onvervuld blijft. De HEER brengt ten uitvoer wat hij bij monde van zijn dienaar Elia heeft voorzegd.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">En Jehu liet alle familieleden van Achab die nog in Jizreël waren ter dood brengen, en ook al zijn ambtenaren, vertrouwelingen en priesters; niet één bleef in leven. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Hierna vertrok Jehu naar Samaria. Toen hij onderweg door Bet-Eked kwam, een trefpunt van herders, </VERS>
      <VERS vnumber="13">kwam hij daar de broers van koning Achazja van Juda tegen. 'Wie bent u?' vroeg hij, en zij antwoordden: 'Wij zijn broers van Achazja. We zijn op weg om de koningszonen en de zonen van de koningin-moeder een bezoek te brengen.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">'Grijp ze levend!' beval Jehu, en de broers van Achazja werden gegrepen en bij de put van Bet-Eked ter dood gebracht. Ze waren met tweeënveertig man, en niet één bleef in leven. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Jehu vervolgde zijn weg en kwam een eind verder tegenover Jonadab, de zoon van Rechab, te staan. Hij begroette hem en zei: 'Heeft u het goed met mij voor, zoals ik met u?' 'Jazeker, 'antwoordde Jonadab, 'geef mij uw hand.' Jehu reikte hem de hand en liet hem zijn wagen bestijgen. </VERS>
      <VERS vnumber="16">'Ga met mij mee, 'zei hij, 'dan kunt u zien hoe ik me voor de HEER beijver.' Zo reed Jonadab met Jehu mee. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Toen Jehu in Samaria aankwam, doodde hij daar allen die nog over waren van het hof van Achab, tot hij het hele koningshuis van Achab had uitgeroeid, zoals de HEER aan Elia had voorzegd. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Daarna liet hij de bevolking van de stad bijeenkomen en zei: 'Achab heeft Baäl maar matig vereerd; Jehu zal hem beter dienen. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Laat alle profeten van Baäl hier komen, al zijn dienaren en al zijn priesters, niet één mag er ontbreken. Ik wil namelijk een plechtige offerdienst voor Baäl houden, en wie ontbreekt zal dat met de dood bekopen.' Dit was een list van Jehu om de dienaren van Baäl te doden. </VERS>
      <VERS vnumber="20">'Kondig een feestelijke samenkomst af ter ere van Baäl, 'beval Jehu, en zo gebeurde het. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Jehu stuurde boodschappers door heel Israël en van alle kanten kwamen de dienaren van Baäl naar Samaria, geen van hen bleef weg. Ze verzamelden zich in de tempel van Baäl, en toen de tempel helemaal vol stond, </VERS>
      <VERS vnumber="22">gaf Jehu de beheerder van de priesterkleding opdracht om alle dienaren van Baäl van feestkleren te voorzien. Toen dat gebeurd was </VERS>
      <VERS vnumber="23">begaf Jehu zich met Jonadab, de zoon van Rechab, naar de tempel van Baäl en zei tegen de aanwezigen: 'Kijk goed om u heen of zich onder u geen dienaren van de HEER bevinden. Deze plechtigheid is uitsluitend bestemd voor de dienaren van Baäl.' </VERS>
      <VERS vnumber="24">Jehu en Jonadab gingen de tempel binnen om vredeoffers en brandoffers te brengen, terwijl buiten tachtig man op wacht stonden die Jehu daar had neergezet. 'Jullie zijn verantwoordelijk, 'had hij gezegd. 'Wie ook maar iemand laat ontkomen, zal dat met zijn eigen leven bekopen.' </VERS>
      <VERS vnumber="25">Toen Jehu met het brandoffer gereed was, beval hij zijn escorte en zijn adjudanten: 'Vooruit, dood ze! Laat niet één van hen ontkomen.' Ze doodden de dienaren van Baäl tot de laatste man en lieten de lijken liggen. Vervolgens drongen ze het versterkte deel van de tempel van Baäl binnen, </VERS>
      <VERS vnumber="26">haalden de gewijde stenen eruit en gooiden die in het vuur. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Ze sloegen de aan Baäl gewijde steen aan stukken en haalden de tempel van Baäl omver. Sindsdien doet het tempelterrein dienst als mestvaalt, tot op de dag van vandaag. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Jehu maakte dus een einde aan de Baälsdienst in Israël, </VERS>
      <VERS vnumber="29">maar hij brak niet met de zondige praktijken van Jerobeam, de zoon van Nebat, die de Israëlieten tot zonde had aangezet, want de gouden stierenbeelden in Betel en Dan liet hij ongemoeid. </VERS>
      <VERS vnumber="30">De HEER zei tegen Jehu: 'Je hebt juist gehandeld door te doen wat goed is in mijn ogen: je hebt mijn voornemens ten aanzien van het koningshuis van Achab volledig ten uitvoer gebracht. Daarom zullen jouw nakomelingen tot in de vierde generatie op de troon van Israël zitten.' </VERS>
      <VERS vnumber="31">Maar Jehu nam de wetten van de HEER, de God van Israël, niet met hart en ziel in acht. Hij brak niet met de zondige praktijken van Jerobeam, die de Israëlieten tot zonde had aangezet. </VERS>
      <VERS vnumber="32">In deze tijd begon de HEER het grondgebied van Israël in te perken. Hazaël veroverde op de Israëlieten het hele gebied </VERS>
      <VERS vnumber="33">ten oosten van de Jordaan: heel Gilead, het stamgebied van Gad, Ruben en Manasse, vanaf Aroër aan de Arnon, en behalve Gilead ook Basan. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Verdere bijzonderheden over Jehu en over de overwinningen die hij behaalde zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Toen Jehu bij zijn voorouders te ruste ging, werd hij begraven in Samaria. Zijn zoon Joachaz volgde hem op. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Achtentwintig jaar had Jehu Israël vanuit Samaria geregeerd. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="11">
      <VERS vnumber="1">Toen Atalja, de moeder van Achazja, hoorde dat haar zoon dood was, besloot ze alle kinderen van de koninklijke familie ter dood te brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Maar Jehoseba, de dochter van koning Joram en de zuster van Achazja, haalde een van Achazja's zonen, Joas, heimelijk weg uit de groep koningskinderen die gedood zouden worden en verstopte hem met zijn voedster in de linnenkamer. Ze wisten hem voor Atalja verborgen te houden, en zo ontsnapte hij aan de dood. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Zes jaar zat hij bij zijn tante in de tempel van de HEER verborgen, terwijl Atalja het land regeerde. </VERS>
      <VERS vnumber="4">In het zevende regeringsjaar van Atalja riep Jojada, die toen hogepriester was, de bevelhebbers van de Kariërs en van de koninklijke garde bij zich in de tempel van de HEER. Daar sloot hij een verbond met hen en liet hij hen trouw zweren. Vervolgens stelde hij de koningszoon aan hen voor. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Daarna droeg hij hun het volgende op: 'Dit is wat u moet doen: Splits de eenheid die deze week dienst heeft in drie groepen. Laat de eerste groep de wacht betrekken bij het koninklijk paleis, </VERS>
      <VERS vnumber="6">de tweede in de Surpoort en de derde in de poort achter het verblijf van de koninklijke garde, zodat u het paleis van alle kanten in de gaten kunt houden. </VERS>
      <VERS vnumber="7">De twee eenheden die deze week geen dienst hebben, moeten de wacht houden bij de tempel en de koning beschermen. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Laat allen hun wapens in de aanslag houden en vorm een hecht kordon rond de koning. Verlies hem geen moment uit het oog en dood ieder die het kordon probeert te doorbreken.' </VERS>
      <VERS vnumber="9">De bevelhebbers deden precies wat de hogepriester Jojada had bevolen. Allen meldden zich met hun eenheid van honderd man bij Jojada, zowel degenen die die week dienst hadden als degenen die die week vrij waren van dienst. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Jojada gaf de bevelhebbers de speren en schilden uit de tempel van de HEER, die nog van koning David waren geweest. </VERS>
      <VERS vnumber="11">De leden van de garde stelden zich, allen met hun wapen in de aanslag, voor de tempel op, over de volle breedte van het plein en vanaf de ingang van de tempel tot aan het altaar, om de koning te beschermen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Toen leidde de hogepriester de koningszoon naar buiten, zette hem de hoofdband op en overhandigde hem de kroningsakte. Zo werd hij tot koning uitgeroepen en gezalfd, terwijl alle aanwezigen in hun handen klapten en riepen: 'Leve de koning!' </VERS>
      <VERS vnumber="13">Toen Atalja de koninklijke garde en het volk hoorde juichen, begaf zij zich in de menigte die zich voor de tempel verzameld had. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Daar zag ze de koning, die zich volgens het gebruik op het podium had opgesteld, met de bevelhebbers en de trompetblazers naast zich. De hele bevolking was in feeststemming en men blies op de trompetten, maar Atalja scheurde haar kleren en riep: 'Verraad! Verraad!' </VERS>
      <VERS vnumber="15">De hogepriester Jojada droeg de bevelhebbers, de aanvoerders van het leger, op: 'Leid haar onder bewaking weg; wie haar volgt, moet gedood worden.' Hij zei er uitdrukkelijk bij dat ze niet op het tempelterrein mocht worden gedood. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Atalja werd weggeleid en door de Paardenpoort naar het paleis gevoerd, waar ze ter dood werd gebracht. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Jojada bekrachtigde het verbond tussen de HEER en de koning en het volk, zodat zij de HEER weer zouden toebehoren, en ook het verbond tussen de koning en het volk. </VERS>
      <VERS vnumber="18">De mensen, die uit heel Juda waren toegestroomd, haalden de tempel van Baäl omver en verbrijzelden de altaren en beelden die voor hem waren opgericht. De Baälspriester Mattan werd voor de altaren ter dood gebracht. Nadat Jojada wachters had aangewezen om de tempel van de HEER te bewaken, </VERS>
      <VERS vnumber="19">begeleidde hij de koning met de bevelhebbers, de Kariërs, de koninklijke garde en heel het volk van de tempel via de Gardepoort naar het paleis, waar hij hem liet plaatsnemen op de koningstroon. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Heel het volk was verheugd, en hoewel Atalja in het koninklijk paleis ter dood gebracht was, bleef het rustig in de stad. </VERS>
      <VERS vnumber="21">(12:1) Joas was zeven jaar oud toen hij koning werd, </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="12">
      <VERS vnumber="1">(12:2) in het zevende regeringsjaar van Jehu. Veertig jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder heette Sibja en was afkomstig uit Berseba. </VERS>
      <VERS vnumber="2">(12:3) Zijn leven lang deed Joas wat goed is in de ogen van de HEER, zoals de hogepriester Jojada hem geleerd had. </VERS>
      <VERS vnumber="3">(12:4) Toch bleven de offerplaatsen bestaan, en bleven de Judeeërs daar offers brengen en wierook branden. </VERS>
      <VERS vnumber="4">(12:5) (5-6) Joas droeg de priesters het volgende op: 'De priesters mogen al het zilver dat als wijgeschenk voor de tempel van de HEER wordt afgedragen voor zichzelf houden, ieder wat hij persoonlijk ontvangt. Dat geldt niet alleen het zilver dat moet worden betaald wanneer men bij een volkstelling wordt geregistreerd en het zilver dat volgens tarief moet worden betaald om iemand vrij te kopen, maar ook al het zilver dat vrijwillig aan de tempel van de HEER wordt afgestaan. Zij moeten er dan wel voor zorgen dat de tempel van de HEER overal waar dat nodig is hersteld wordt.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">(12:7) Maar in Joas' drieëntwintigste regeringsjaar waren de priesters nog steeds niet aan het herstel van de tempel begonnen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">(12:8) Daarom liet de koning de hogepriester Jojada en de andere priesters bij zich komen en vroeg: 'Waarom doet u niets om de tempel te herstellen? Voortaan mag u het zilver dat ieder van u ontvangt niet meer voor uzelf houden, maar moet u het direct afdragen voor het herstel van de tempel.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">(12:9) De priesters stemden ermee in dat ze geen zilver van het volk meer zouden aannemen, maar dan ook geen verantwoordelijkheid zouden dragen voor het herstel van de tempel. </VERS>
      <VERS vnumber="9">(12:10) De hogepriester Jojada nam een kist, boorde een gat in het deksel en zette de kist bij het altaar, rechts bij de ingang van de tempel. Daarin deden de priesters die de ingang bewaakten al het zilver dat voor de tempel van de HEER werd afgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="10">(12:11) Wanneer ze zagen dat er veel zilver in de kist lag, lieten ze de hofschrijver en de hogepriester komen om het zilver dat zich in de tempel bevond in zakjes over te doen en die te tellen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">(12:12) (12-13) Het zilver werd in afgewogen hoeveelheden overhandigd aan de bouwmeesters die met het herstel van de tempel waren belast. De bouwmeesters betaalden de timmerlieden, metselaars, steenhouwers en andere werklieden die aan de tempel werkten, zodat zij balken en gehouwen steen konden aanschaffen om de bouwvallige gedeelten van de tempel te herstellen, en bekostigden ook verder alles wat er voor de herstelwerkzaamheden nodig was. </VERS>
      <VERS vnumber="13">(12:14) Het zilver dat voor de tempel van de HEER werd afgedragen werd niet gebruikt om zilveren schotels, messen, offerschalen, trompetten of andere zilveren of gouden voorwerpen aan te schaffen; </VERS>
      <VERS vnumber="14">(12:15) alles werd aan de bouwmeesters gegeven om er de herstelwerkzaamheden mee te bekostigen. </VERS>
      <VERS vnumber="15">(12:16) De bouwmeesters die het zilver aan de werklieden moesten overhandigen hoefden geen rekening over te leggen, want zij waren door en door betrouwbaar. </VERS>
      <VERS vnumber="16">(12:17) Zilver voor hersteloffers en reinigingsoffers werd niet voor de tempel van de HEER bestemd; dat bleef voor de priesters. </VERS>
      <VERS vnumber="17">(12:18) In die tijd rukte koning Hazaël van Aram op tegen Gat. Hij belegerde de stad en nam haar in. Vervolgens nam hij zich voor tegen Jeruzalem op te trekken. </VERS>
      <VERS vnumber="18">(12:19) Koning Joas van Juda verzamelde alle wijgeschenken die zijn voorouders Josafat, Joram en Achazja, koningen van Juda, aan de tempel hadden geschonken, en ook zijn eigen wijgeschenken en de rest van het goud dat zich in de schatkamers van de tempel en het paleis bevond. Dat alles stuurde hij naar koning Hazaël van Aram, die daarop van zijn veldtocht tegen Jeruzalem afzag. </VERS>
      <VERS vnumber="19">(12:20) Verdere bijzonderheden over Joas zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Juda. </VERS>
      <VERS vnumber="20">(12:21) Zijn hovelingen kwamen in opstand en zwoeren tegen hem samen. Ze doodden hem in Bet-Millo, aan de weg naar Silla. </VERS>
      <VERS vnumber="21">(12:22) Hij werd vermoord door zijn dienaren Jozachar, de zoon van Simat, en Jozabad, de zoon van Somer. Na zijn dood werd hij begraven bij zijn voorouders in de Davidsburcht. Zijn zoon Amasja volgde hem op. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="13">
      <VERS vnumber="1">Joachaz, de zoon van Jehu, werd koning van Israël in het drieëntwintigste regeringsjaar van koning Joas van Juda, de zoon van Achazja. Zeventien jaar regeerde hij in Samaria. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER: hij volgde het slechte voorbeeld van Jerobeam, de zoon van Nebat, die de Israëlieten tot zonde had aangezet, en brak niet met diens zondige praktijken. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Daarom werd de HEER woedend op de Israëlieten en leverde hij hen gedurende die hele periode over aan koning Hazaël van Aram en diens zoon Benhadad. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Joachaz probeerde de HEER mild te stemmen en de HEER gaf hem gehoor, want hij had gezien hoe Israël te lijden had onder de onderdrukking door de koning van Aram. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Hij stuurde iemand om de Israëlieten te bevrijden. Toen zij het Aramese juk hadden afgeworpen, konden ze hun gewone leven weer opvatten. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Toch braken ze niet met de zondige praktijken van het huis van Jerobeam, die hen tot zonde had aangezet, maar volhardden erin. Zelfs de Asjerapaal in Samaria lieten ze staan. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Van het leger van Joachaz was niets meer over, alleen nog vijftig wagenmenners, tien strijdwagens en tienduizend man voetvolk. De koning van Aram had vernietigend toegeslagen en het leger van Israël totaal onder de voet gelopen. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Verdere bijzonderheden over Joachaz en over de overwinningen die hij behaalde zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Toen hij bij zijn voorouders te ruste ging, werd hij begraven in Samaria. Zijn zoon Joas volgde hem op. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Joas, de zoon van Joachaz, werd koning van Israël in het zevenendertigste regeringsjaar van koning Joas van Juda. Zestien jaar regeerde hij in Samaria. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER: hij brak niet met de zondige praktijken van Jerobeam, de zoon van Nebat, die de Israëlieten tot zonde had aangezet, maar volhardde erin. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Verdere bijzonderheden over Joas en over de overwinning die hij behaalde in de oorlog tegen koning Amasja van Juda, zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Toen hij bij zijn voorouders te ruste ging, volgde Jerobeam hem op. Joas werd begraven in Samaria, bij de koningen van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Toen Elisa ziek was geworden en op sterven lag, zocht koning Joas van Israël hem op. Huilend riep hij uit: 'Vader, vader! Strijdwagen en ruiterij van Israël!' </VERS>
      <VERS vnumber="15">Elisa zei tegen de koning: 'Haal een boog en pijlen.' Toen Joas dat gedaan had, </VERS>
      <VERS vnumber="16">zei Elisa: 'Span de boog.' Joas spande de boog, en Elisa legde zijn handen over de handen van de koning heen </VERS>
      <VERS vnumber="17">en zei: 'Open het venster dat uitziet naar het oosten.' Joas opende het venster, en Elisa zei: 'Schiet!' De koning schoot een pijl af, en Elisa zei: 'Deze pijl is een overwinningsteken van de HEER. Deze pijl betekent de overwinning op Aram. Bij Afek zult u Aram vernietigend verslaan.' </VERS>
      <VERS vnumber="18">Daarna zei Elisa: 'Pak uw pijlen.' Joas nam de pijlen in zijn hand en Elisa zei tegen de koning: 'Sla met de pijlen op de grond.' Joas sloeg driemaal met de pijlen op de grond, niet vaker. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Toen riep de godsman woedend uit: 'Had maar vijf of zes keer geslagen! Dan zou u Aram vernietigend verslagen hebben. Nu zult u Aram maar drie keer een nederlaag toebrengen.' </VERS>
      <VERS vnumber="20">Elisa stierf en werd begraven. Het was het seizoen waarin elk jaar weer Moabitische benden het land binnenvielen. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Toen de plunderaars eraan kwamen, werd er juist iemand begraven. Snel wierpen ze de dode in Elisa's graf. Zodra hij in het graf in aanraking kwam met het gebeente van Elisa, kwam de dode weer tot leven en stond hij op. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Koning Hazaël van Aram had Israël gedurende de hele regeringsperiode van Joachaz onderdrukt. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Maar de HEER was de Israëlieten genadig. Hij kreeg medelijden met hen en was met hen begaan vanwege het verbond dat hij met Abraham, Isaak en Jakob gesloten had. Hij wilde de Israëlieten niet uitroeien en verstootte hen niet, zoals hij dat tot op de dag van vandaag niet heeft gedaan. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Toen koning Hazaël van Aram stierf, volgde zijn zoon Benhadad hem op. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Joas, de zoon van Joachaz, heroverde op Benhadad, de zoon van Hazaël, de steden die de vader van Benhadad in de oorlog op Joachaz veroverd had. Driemaal bracht hij hem een nederlaag toe en hij heroverde de steden voor Israël. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="14">
      <VERS vnumber="1">Amasja, de zoon van Joas, werd koning van Juda in het tweede regeringsjaar van koning Joas van Israël, de zoon van Joachaz. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Hij was vijfentwintig jaar oud toen hij koning werd. Negenentwintig jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Jehoaddan, ze was afkomstig uit Jeruzalem. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Hij deed wat goed is in de ogen van de HEER, zij het niet in die mate als zijn voorvader David. Hij volgde in alle opzichten het voorbeeld van zijn vader Joas, </VERS>
      <VERS vnumber="4">dus bleven de offerplaatsen bestaan en bleven de Judeeërs daar offers brengen en wierook branden. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Toen Amasja de macht eenmaal stevig in handen had, liet hij de hovelingen die zijn vader hadden vermoord ter dood brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Maar de kinderen van de moordenaars doodde hij niet, zoals geschreven staat in het boek met de wet van Mozes, die door de HEER is opgelegd: 'Ouders mogen niet ter dood worden gebracht om wat hun kinderen hebben misdaan, en kinderen niet om de misdaden van hun ouders; alleen om wat iemand zelf misdaan heeft, mag hij ter dood worden gebracht.' </VERS>
      <VERS vnumber="7">In de Zoutvallei versloeg Amasja de Edomieten, tienduizend man. Hij veroverde Sela en gaf het de naam Jokteël, en zo heet het tot op de dag van vandaag. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Daarop stuurde hij gezanten naar de koning van Israël, Joas, de zoon van Joachaz, de zoon van Jehu, met de boodschap: 'Laten wij zien wie van ons de sterkste is.' </VERS>
      <VERS vnumber="9">Koning Joas van Israël liet koning Amasja van Juda het volgende antwoord overbrengen: 'Eens, in de Libanon, verzocht de doornstruik de ceder: "Geef uw dochter aan mijn zoon ten huwelijk." Maar toen kwam er een wild dier voorbij, dat de doornstruik vertrapte. </VERS>
      <VERS vnumber="10">U hebt Edom verslagen, dat is waar, maar nu bent u overmoedig geworden. Gedraag u waardig en blijf waar u bent. Waarom zou u uzelf in het ongeluk storten en Juda meesleuren in uw val?' </VERS>
      <VERS vnumber="11">Maar Amasja luisterde niet. Toen rukte koning Joas van Israël op, en in Bet-Semes in Juda maten hij en koning Amasja van Juda hun krachten. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Juda werd door Israël verslagen en alle Judeeërs sloegen op de vlucht. </VERS>
      <VERS vnumber="13">De koning van Juda, Amasja, de zoon van Joas, de zoon van Achazja, werd in Bet-Semes door koning Joas van Israël gevangengenomen. Vervolgens trok koning Joas op naar Jeruzalem en sloeg een bres van vierhonderd el in de stadsmuur, van de Efraïmpoort tot aan de Hoekpoort. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Toen hij naar Samaria terugkeerde, nam hij al het goud en zilver en alle andere voorwerpen mee die zich in de tempel van de HEER en de schatkamers van het koninklijk paleis bevonden, en een groep gijzelaars. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Verdere bijzonderheden over Joas en over de overwinning die hij in zijn strijd tegen koning Amasja van Juda behaalde, zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Toen hij bij zijn voorouders te ruste ging, werd hij begraven in Samaria, bij de koningen van Israël. Zijn zoon Jerobeam volgde hem op. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Na de dood van koning Joas van Israël, de zoon van Joachaz, leefde koning Amasja van Juda, de zoon van Joas, nog vijftien jaar. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Verdere bijzonderheden over Amasja zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Juda. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Toen er in Jeruzalem tegen hem werd samengespannen, vluchtte hij naar Lachis, maar ze kwamen hem achterna en doodden hem daar. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Hij werd met paarden overgebracht naar Jeruzalem, waar hij werd begraven bij zijn voorouders in de Davidsburcht. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Het volk van Juda riep Amasja's zestien jaar oude zoon Azarja tot opvolger van zijn vader uit. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Het was Azarja die Elat na de dood van koning Amasja weer bij Juda inlijfde en het versterkte. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Jerobeam, de zoon van Joas, werd koning van Israël in het vijftiende regeringsjaar van koning Amasja van Juda, de zoon van Joas. Eenenveertig jaar regeerde hij in Samaria. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER: hij brak niet met de zondige praktijken van Jerobeam, de zoon van Nebat, die de Israëlieten tot zonde had aangezet. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Jerobeam herstelde de grens van Israël, van Lebo-Hamat tot aan de Zoutzee, zoals de HEER, de God van Israël, had voorzegd bij monde van zijn profeet Jona, de zoon van Amittai, uit Gat-Hachefer. </VERS>
      <VERS vnumber="26">De HEER had namelijk gezien hoe bitter de Israëlieten, van hoog tot laag, te lijden hadden en dat er niemand was die hun te hulp kwam. </VERS>
      <VERS vnumber="27">En omdat hij had besloten om de herinnering aan Israël op aarde niet uit te wissen, liet hij hen door Jerobeam, de zoon van Joas, bevrijden. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Verdere bijzonderheden over Jerobeam en over de overwinningen die hij behaalde toen hij Damascus en Hamat, die vroeger aan Juda behoorden, heroverde en weer inlijfde bij Israël, zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Toen hij bij zijn voorouders, de koningen van Israël, te ruste ging, volgde zijn zoon Zecharja hem op. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="15">
      <VERS vnumber="1">Azarja, de zoon van Amasja, werd koning van Juda in het zevenentwintigste regeringsjaar van koning Jerobeam van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Hij was zestien jaar oud toen hij koning werd. Tweeënvijftig jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Jecholja, ze was afkomstig uit Jeruzalem. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Hij deed wat goed is in de ogen van de HEER, net zoals zijn vader Amasja gedaan had. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Toch bleven de offerplaatsen bestaan en bleven de Judeeërs daar offers brengen en wierook branden. </VERS>
      <VERS vnumber="5">De HEER trof de koning met huidvraat, waaraan hij leed tot op de dag van zijn dood. Al die tijd leefde hij in afzondering, terwijl zijn zoon Jotam de gang van zaken in het paleis regelde en ook het landsbestuur waarnam. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Verdere bijzonderheden over Azarja zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Juda. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Toen hij stierf, werd hij begraven bij zijn voorouders in de Davidsburcht. Zijn zoon Jotam volgde hem op. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Zecharja, de zoon van Jerobeam, werd koning van Israël in het achtendertigste regeringsjaar van koning Azarja van Juda. Zes maanden regeerde hij in Samaria. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER: net zomin als zijn voorvaders brak hij met de zondige praktijken van Jerobeam, de zoon van Nebat, die de Israëlieten tot zonde had aangezet. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Tegen Zecharja werd een samenzwering beraamd door Sallum, de zoon van Jabes. Deze liet hem publiekelijk ter dood brengen en werd in zijn plaats koning. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Verdere bijzonderheden over Zecharja zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="12">De HEER had aan Jehu voorzegd dat zijn nakomelingen tot in de vierde generatie op de troon van Israël zouden zitten, en zo is het ook gebeurd. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Sallum, de zoon van Jabes, werd koning in het negenendertigste regeringsjaar van koning Uzzia van Juda. Eén maand regeerde hij in Samaria. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Menachem, de zoon van Gadi, trok vanuit Tirsa naar Samaria op en versloeg Sallum, de zoon van Jabes. Hij doodde hem en werd in zijn plaats koning. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Verdere bijzonderheden over Sallum en over de samenzwering die hij beraamde zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Toen Menachem vanuit Tirsa optrok, doodde hij alle inwoners van Tifsach en omgeving. Omdat de stad hem geen vrije doortocht had willen geven, doodde hij alle inwoners en reet hij alle zwangere vrouwen de buik open. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Menachem, de zoon van Gadi, werd koning van Israël in het negenendertigste regeringsjaar van koning Azarja van Juda. Tien jaar regeerde hij in Samaria. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER: zijn leven lang brak hij niet met de zondige praktijken van Jerobeam, de zoon van Nebat, die de Israëlieten tot zonde had aangezet. </VERS>
      <VERS vnumber="19">In die tijd viel koning Pul van Assyrië het land binnen. Menachem gaf Pul duizend talent zilver om zich te verzekeren van diens steun bij het handhaven van zijn koningschap. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Daartoe legde hij de vermogende Israëlieten een schatting op van vijftig sjekel zilver per hoofd. Hij droeg het zilver over aan de koning van Assyrië, die daarop zijn troepen terugtrok en het land niet bezette. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Verdere bijzonderheden over Menachem zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Toen hij bij zijn voorouders te ruste ging, volgde zijn zoon Pekachja hem op. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Pekachja, de zoon van Menachem, werd koning van Israël in het vijftigste regeringsjaar van koning Azarja van Juda. Twee jaar regeerde hij in Samaria. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER: hij brak niet met de zondige praktijken van Jerobeam, de zoon van Nebat, die de Israëlieten tot zonde had aangezet. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Tegen Pekachja werd een samenzwering beraamd door zijn adjudant Pekach, de zoon van Remaljahu. Met de hulp van vijftig Gileadieten doodde Pekach de koning, en ook Argob en Arje, in het versterkte deel van het paleis in Samaria. Hij doodde Pekachja en werd in zijn plaats koning. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Verdere bijzonderheden over Pekachja zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Pekach, de zoon van Remaljahu, werd koning van Israël in het tweeënvijftigste regeringsjaar van koning Azarja van Juda. Twintig jaar regeerde hij in Samaria. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER: hij brak niet met de zondige praktijken van Jerobeam, de zoon van Nebat, die de Israëlieten tot zonde had aangezet. </VERS>
      <VERS vnumber="29">In de tijd van koning Pekach van Israël viel koning Tiglatpileser van Assyrië het land binnen. Hij veroverde Ijjon, Abel-Bet-Maächa, Janoach, Kedes en Hasor, Gilead en Galilea inclusief het gebied van Naftali, en voerde de inwoners van die steden en gebieden als ballingen naar Assyrië mee. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Tegen Pekach, de zoon van Remaljahu, werd een samenzwering beraamd door Hosea, de zoon van Ela. Het was in het twintigste regeringsjaar van koning Jotam, de zoon van Uzzia, dat Hosea Pekach doodde en in zijn plaats koning werd. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Verdere bijzonderheden over Pekach zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Jotam, de zoon van Uzzia, werd koning van Juda in het tweede regeringsjaar van koning Pekach van Israël, de zoon van Remaljahu. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Hij was vijfentwintig jaar oud toen hij koning werd. Zestien jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Jerusa, de dochter van Sadok. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Hij deed wat goed is in de ogen van de HEER en volgde in alle opzichten het voorbeeld van zijn vader Uzzia. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Toch bleven de offerplaatsen bestaan en bleven de Judeeërs daar offers brengen en wierook branden. Het was Jotam die de Bovenpoort van de tempel van de HEER bouwde. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Verdere bijzonderheden over Jotam zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Juda. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Het was in die tijd dat de HEER voor het eerst koning Resin van Aram en koning Pekach van Israël op Juda afstuurde. </VERS>
      <VERS vnumber="38">Toen Jotam stierf, werd hij begraven bij zijn voorouders in de Davidsburcht. Zijn zoon Achaz volgde hem op. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="16">
      <VERS vnumber="1">Achaz, de zoon van Jotam, werd koning van Juda in het zeventiende regeringsjaar van koning Pekach van Israël, de zoon van Remaljahu. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Hij was twintig jaar oud toen hij koning werd. Zestien jaar regeerde hij in Jeruzalem. Hij deed niet wat goed is in de ogen van de HEER, zoals zijn voorvader David, </VERS>
      <VERS vnumber="3">maar volgde het voorbeeld van de koningen van Israël. Hij ging zelfs zo ver dat hij zijn zoon als offer verbrandde volgens het gruwelijke gebruik van de volken die de HEER voor de Israëlieten had verdreven. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Hij bracht offers en brandde wierook op de offerplaatsen, op de heuvels en onder elke bladerrijke boom. </VERS>
      <VERS vnumber="5">In die tijd trokken koning Resin van Aram en koning Pekach van Israël, de zoon van Remaljahu, tegen Jeruzalem ten strijde. Ze dreven Achaz in het nauw, maar slaagden er niet in hem te overwinnen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Het was in diezelfde tijd dat koning Resin van Aram Elat weer bij zijn rijk inlijfde en de Judeeërs eruit verdreef. De Edomieten trokken Elat binnen, en ze zijn er gebleven tot op de dag van vandaag. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Achaz stuurde gezanten naar koning Tiglatpileser van Assyrië, met de boodschap: 'Ik ben uw dienaar en uw zoon. Trek op en verlos mij uit de greep van de koning van Aram en de koning van Israël, die zich tegen mij hebben gekeerd.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">Hij zette zijn verzoek kracht bij door het goud en zilver uit de tempel van de HEER en de schatkamers van het koninklijk paleis aan de koning van Assyrië te laten overhandigen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">De koning van Assyrië gaf gehoor aan Achaz' verzoek. Hij trok op tegen Damascus en nam de stad in. De bevolking voerde hij als ballingen naar Kir, en Resin liet hij ter dood brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Koning Achaz ging naar Damascus om koning Tiglatpileser van Assyrië te ontmoeten. Toen hij het altaar in Damascus zag, stuurde hij een model en een gedetailleerd bouwplan naar de priester Uria. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Nog voordat Achaz terugkeerde liet Uria het altaar nabouwen, precies volgens het ontwerp dat de koning hem vanuit Damascus had gestuurd. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Toen koning Achaz uit Damascus terugkeerde, nam hij het altaar in ogenschouw, liep ernaartoe en besteeg de treden. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Hij droeg persoonlijk verschillende offers op: een brandoffer, een graanoffer en een wijnoffer, en goot het bloed van de dieren voor het vredeoffer tegen de zijkanten van het altaar. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Tussen het nieuwe altaar en de tempel stond nog het bronzen altaar ter ere van de HEER. Dat liet hij verwijderen en opzij van het nieuwe altaar opstellen, aan de noordkant. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Hij beval de priester Uria: 'Op dit grote altaar moeten vanaf nu 's morgens het brandoffer en 's avonds het graanoffer worden opgedragen. Ook het brandoffer en het graanoffer van de koning moeten daar worden opgedragen, evenals de brandoffers, de graan- en de wijnoffers van de mensen uit het land, en het bloed van de offerdieren moet tegen de zijkanten van het grote altaar worden gegoten. Het bronzen altaar gebruik ik voortaan zelf, wanneer ik een godsspraak wil verkrijgen.' </VERS>
      <VERS vnumber="16">De priester Uria voerde alles precies uit zoals de koning het hem had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Verder liet koning Achaz de spoelbekkens van hun onderstellen halen en de panelen van de onderstellen slopen. Het grote bekken, de Zee, liet hij verwijderen van de bronzen runderen waarop het rustte, en op een stenen fundering zetten. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Ook liet hij het sabbatsbaldakijn dat men aan de tempel had aangebouwd en de speciale opgang voor de koning verplaatsen naar de binnenkant van de tempel, opdat de koning van Assyrië ze niet te zien zou krijgen. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Verdere bijzonderheden over Achaz zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Juda. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Toen hij stierf, werd hij begraven bij zijn voorouders in de Davidsburcht. Zijn zoon Hizkia volgde hem op. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="17">
      <VERS vnumber="1">Hosea, de zoon van Ela, werd koning van Israël in het twaalfde regeringsjaar van koning Achaz van Juda. Negen jaar regeerde hij in Samaria. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER, maar ging daarin niet zo ver als zijn voorgangers. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Koning Salmanassar van Assyrië rukte tegen Hosea op en onderwierp hem. Voortaan moest Hosea schatting afdragen aan de koning van Assyrië. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Na verloop van tijd ontdekte Salmanassar dat Hosea tegen hem samenspande en afgezanten had gestuurd naar koning So van Egypte. Ook verzuimde hij de jaarlijkse schatting af te dragen. Daarom liet de koning van Assyrië Hosea in de boeien slaan en in de gevangenis opsluiten. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Hij viel het land binnen, trok op tegen Samaria en belegerde de stad drie jaar lang. </VERS>
      <VERS vnumber="6">In het negende regeringsjaar van Hosea nam de koning van Assyrië Samaria in. Hij voerde de Israëlieten als ballingen mee naar Assyrië. Sommigen wees hij een woonplaats aan in Chalach, anderen aan de rivier de Chabor in Gozan, en weer anderen in de steden van Medië. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Dit alles gebeurde omdat de Israëlieten zondigden tegen de HEER, hun God, die hen had bevrijd uit de handen van de farao, de koning van Egypte, en hen uit Egypte had weggeleid. Ze waren andere goden gaan vereren </VERS>
      <VERS vnumber="8">en volgden de levenswijze van de volken die de HEER voor hen verdreven had en de bepalingen die de koningen van Israël zelf uitvaardigden. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Ze hielden er onjuiste denkbeelden over de HEER, hun God, op na. Overal waar ze woonden, van de kleinste wachtpost tot de sterkste vestingstad, bouwden ze offerplaatsen. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Op alle hoge heuvels en onder elke bladerrijke boom richtten ze gewijde stenen en Asjerapalen op </VERS>
      <VERS vnumber="11">en op al die offerhoogten ontstaken ze offers, naar het voorbeeld van de volken die de HEER van hen had weggevoerd. Met deze kwalijke praktijken tergden ze de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Ze dienden afgoden, hoewel de HEER hun dat uitdrukkelijk verboden had. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Telkens opnieuw vermaande de HEER Israël en Juda bij monde van de profeten en de zieners: 'Keer terug van jullie dwaalwegen en houd je aan mijn geboden en bepalingen, aan de wet die ik jullie voorouders heb opgelegd en die jullie door mijn dienaren de profeten is overgeleverd.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">Maar even halsstarrig als hun voorouders, die geen vertrouwen stelden in de HEER, hun God, weigerden de Israëlieten te luisteren. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Ze trokken zich niets aan van zijn bepalingen en van het verbond dat hij met hun voorouders had gesloten, en sloegen zijn waarschuwingen in de wind. Ze liepen achter nietige goden aan en werden zo zelf nietswaardig. Ze volgden het voorbeeld van de hen omringende volken, hoewel de HEER hun dat verboden had. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Ze veronachtzaamden alle geboden van de HEER, hun God. Ze goten twee beelden in de vorm van een stierkalf en maakten een Asjerapaal. Ze aanbaden de hemellichamen en dienden Baäl. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Ze verbrandden hun zonen en dochters als offer, deden aan waarzeggerij en probeerden voortekens te lezen. Zo tergden ze de HEER door zich erop toe te leggen te doen wat slecht is in zijn ogen. </VERS>
      <VERS vnumber="18">De HEER werd woedend op de Israëlieten en verstootte hen. Niets bleef er van hen over, behalve de stam Juda. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Maar ook de Judeeërs hielden zich niet aan de geboden van de HEER, hun God, en volgden de bepalingen die de Israëlieten eigenmachtig hadden uitgevaardigd. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Daarom verwierp de HEER alle nakomelingen van Israël. Hij vernederde hen door hen uit te leveren aan plunderaars, en uiteindelijk verstootte hij hen allemaal. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Want Israël had zich van het koningshuis van David losgescheurd en Jerobeam, de zoon van Nebat, als koning aangesteld. En Jerobeam dreef een wig tussen Israël en de HEER, door de Israëlieten aan te zetten tot grote zonde. </VERS>
      <VERS vnumber="22">De Israëlieten volgden in alle opzichten het slechte voorbeeld van Jerobeam en braken niet met zijn zondige praktijken. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Uiteindelijk verstootte de HEER Israël, zoals hij bij monde van alle profeten, zijn dienaren, had voorzegd, en de Israëlieten werden in ballingschap van hun grondgebied weggevoerd naar Assyrië, waar zij wonen tot op de dag van vandaag. </VERS>
      <VERS vnumber="24">De koning van Assyrië stuurde mensen uit Babel, Kuta, Awwa, Hamat en Sefarwaïm naar de steden van Samaria, waar hij hun een woonplaats toewees in plaats van de Israëlieten. Deze mensen namen Samaria in bezit en gingen er wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="25">De eerste tijd dat zij daar woonden, vereerden ze de HEER niet. Daarom liet de HEER leeuwen op hen los, die een aantal van hen verscheurden. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Men zei tegen de koning van Assyrië: 'De volken die u naar Samaria hebt overgebracht om in de steden daar te gaan wonen, zijn niet op de hoogte van de regels die de God van dat land heeft gesteld. Nu heeft hij leeuwen op hen losgelaten omdat de mensen de regels van de God van dat land niet kennen, en die hebben al een aantal van hen gedood.' </VERS>
      <VERS vnumber="27">Daarop beval de koning van Assyrië: 'Stuur een van de priesters die jullie hebben weggevoerd terug naar het land waar hij vandaan komt. Hij moet daar gaan wonen en de mensen de regels van de God van dat land onderwijzen.' </VERS>
      <VERS vnumber="28">Zo keerde een van de priesters die waren weggevoerd terug naar Samaria en vestigde zich in Betel, waar hij de mensen leerde hoe ze de HEER moesten vereren. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Toch bleven al die volken hun eigen godenbeelden maken, die ze in hun nieuwe woonplaats neerzetten in de tempels die de Samaritanen op de offerhoogten gebouwd hadden. </VERS>
      <VERS vnumber="30">De mensen uit Babel maakten een beeld van Sukkot-Benot, de mensen uit Kuta maakten een beeld van Nergal, de mensen uit Hamat maakten een beeld van Asima, </VERS>
      <VERS vnumber="31">de Awwieten maakten beelden van Nibchaz en Tartak, en de Sefarwieten verbrandden hun kinderen als offer voor hun goden Adrammelech en Anammelech. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Daarnaast vereerden zij de HEER en stelden ze uit hun eigen midden priesters aan om dienst te doen in de tempels op de offerhoogten. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Ze vereerden dus wel de HEER, maar dienden ook hun eigen goden zoals ze in hun land van herkomst gewoon waren geweest. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Ook de Israëlieten zelf vervielen telkens opnieuw in hun oude gewoonten en doen dat tot op de dag van vandaag: ze vereren de HEER niet en houden zich niet aan de voorschriften, regels, wetten en geboden die de HEER heeft opgelegd aan de nakomelingen van Jakob, aan wie hij de naam Israël heeft gegeven. </VERS>
      <VERS vnumber="35">De HEER heeft met hen een verbond gesloten en hun opgedragen: 'Jullie mogen geen andere goden vereren: niet voor hen neerknielen, hen niet dienen en hun geen offers brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Alleen de HEER, die jullie met sterke hand en opgeheven arm uit Egypte heeft weggeleid, moeten jullie vereren, voor hem moeten jullie neerknielen en aan hem moeten jullie offers brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Jullie moeten je altijd houden aan de voorschriften, regels, wetten en geboden die hij heeft vastgelegd, en geen andere goden vereren. </VERS>
      <VERS vnumber="38">Jullie mogen het verbond dat ik met jullie heb gesloten niet vergeten en geen andere goden vereren; </VERS>
      <VERS vnumber="39">alleen de HEER, jullie God, moeten jullie vereren, dan zal hij jullie redden uit de greep van al jullie vijanden.' </VERS>
      <VERS vnumber="40">Maar ze hebben niet geluisterd en houden nog altijd vast aan hun oude gewoonten. </VERS>
      <VERS vnumber="41">De nieuwe bewoners van het land vereerden de HEER, maar dienden ook hun eigen godenbeelden. Hun kinderen en kindskinderen volgden het voorbeeld van hun ouders en leven tot op de dag van vandaag op dezelfde wijze voort. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="18">
      <VERS vnumber="1">Hizkia, de zoon van Achaz, werd koning van Juda in het derde regeringsjaar van koning Hosea van Israël, de zoon van Ela. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Hij was vijfentwintig jaar oud toen hij koning werd. Negenentwintig jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Abi, de dochter van Zecharja. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Hij deed wat goed is in de ogen van de HEER, net zoals zijn voorvader David gedaan had. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Hij verwijderde de offerplaatsen, verbrijzelde de gewijde stenen, haalde de Asjerapalen omver en sloeg de koperen slang die Mozes gemaakt had aan stukken. De Israëlieten hadden namelijk nog altijd de gewoonte voor deze slang, die de naam Koperslang droeg, wierook te branden. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Hizkia stelde zijn vertrouwen in de HEER, de God van Israël. Nooit, noch voor noch na zijn tijd, is hij geëvenaard, door geen van de koningen van Juda. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Hij was de HEER toegedaan en heeft zich nooit van hem afgekeerd; hij hield zich aan de geboden die de HEER aan Mozes heeft gegeven. </VERS>
      <VERS vnumber="7">De HEER stond hem bij, zodat Hizkia alles wat hij ondernam tot een goed einde bracht. Hij kwam in opstand tegen de koning van Assyrië en weigerde nog langer diens vazal te zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Hij was het ook die de Filistijnen terugsloeg en het hele gebied tot aan Gaza en de omliggende dorpen veroverde, van de kleinste wachtpost tot de sterkste vestingstad. </VERS>
      <VERS vnumber="9">In het vierde regeringsjaar van koning Hizkia, dus het zevende regeringsjaar van koning Hosea van Israël, trok koning Salmanassar van Assyrië tegen Samaria op en belegerde de stad. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Na een beleg van drie jaar, in het zesde regeringsjaar van Hizkia, dus het negende regeringsjaar van koning Hosea van Israël, werd Samaria ingenomen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">De koning van Assyrië voerde de Israëlieten als ballingen mee naar zijn land, waar sommigen een woonplaats kregen aangewezen in Chalach, anderen aan de rivier de Chabor in Gozan, en weer anderen in de steden van Medië. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Dit gebeurde omdat de Israëlieten de HEER, hun God, niet gehoorzaamd hadden. Ze hadden de regels van het verbond overtreden die Mozes, de dienaar van de HEER, hun gegeven had. Ze hadden niet geluisterd en niet gehandeld naar wat hun was voorgehouden. </VERS>
      <VERS vnumber="13">In het veertiende regeringsjaar van koning Hizkia trok koning Sanherib van Assyrië op tegen de versterkte steden van Juda en nam ze in. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Koning Hizkia van Juda stuurde afgezanten naar de koning van Assyrië, die in Lachis verbleef. Hun boodschap luidde: 'Ik ben tegenover u in gebreke gebleven. Staak uw aanval. Wat u mij oplegt, zal ik dragen.' De koning van Assyrië eiste van koning Hizkia van Juda driehonderd talent zilver en dertig talent goud. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Hizkia droeg al het zilver af dat zich in de tempel van de HEER en de schatkamers van het koninklijk paleis bevond. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Ook liet hij het gouden beslag verwijderen dat hij zelf op de deuren en deurposten van de grote zaal van de tempel had laten aanbrengen, en gaf dat aan de koning van Assyrië. </VERS>
      <VERS vnumber="17">De koning van Assyrië stuurde vanuit Lachis drie hoogwaardigheidsbekleders, de tartan, de rabsaris en de rabsake, met een geweldig leger naar koning Hizkia in Jeruzalem. Zij trokken naar Jeruzalem op. Daar hielden ze halt bij de watertoevoer naar het bovenste waterbekken, aan de straat van het bleekveld, </VERS>
      <VERS vnumber="18">en vroegen de koning te spreken. Hofmeester Eljakim, de zoon van Chilkia, hofschrijver Sebna en kanselier Joach, de zoon van Asaf, gingen naar hen toe. </VERS>
      <VERS vnumber="19">De rabsake zei tegen hen: 'Zeg tegen Hizkia: "Dit zegt de grote koning, de koning van Assyrië: 'Waarop berust toch dat vertrouwen van u? </VERS>
      <VERS vnumber="20">U meent dat mooie beloften opwegen tegen strategie en militaire macht? En in wie stelt u zo veel vertrouwen dat u tegen mij in opstand durft te komen? </VERS>
      <VERS vnumber="21">In Egypte, die geknakte rietstengel die je hand doorboort wanneer je probeert erop te leunen! Want meer heeft de farao, de koning van Egypte, niet te betekenen voor degenen die hun vertrouwen in hem stellen.'" </VERS>
      <VERS vnumber="22">En u kunt mij nu wel zeggen: "Wij stellen ons vertrouwen in de HEER, onze God, "maar was het niet juist die God wiens offerplaatsen en altaren Hizkia heeft laten verwijderen? Hizkia heeft immers tegen de bevolking van Juda en Jeruzalem gezegd dat ze alleen voor het altaar in Jeruzalem mogen neerknielen? </VERS>
      <VERS vnumber="23">Welnu, waag uw kans met mijn heer, de koning van Assyrië. Hij zal u tweeduizend paarden geven, mits u in staat bent de ruiters ervoor te leveren. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Zolang u voor strijdwagens en ruiters op Egypte vertrouwt, zult u immers nog niet de afgevaardigde van de minste dienaar van mijn heer kunnen weerstaan. </VERS>
      <VERS vnumber="25">U denkt toch niet dat hij zonder instemming van de HEER is opgetrokken om Jeruzalem te vernietigen? De HEER heeft hem gezegd: "Val dit land aan en vernietig het."' </VERS>
      <VERS vnumber="26">Eljakim, Sebna en Joach zeiden tegen de rabsake: 'Spreek alstublieft Aramees met ons, heer; wij verstaan dat. Spreek toch geen Judees met ons, het volk op de muur luistert mee.' </VERS>
      <VERS vnumber="27">Maar de rabsake antwoordde: 'Dacht u dat mijn heer mij gestuurd heeft om het woord uitsluitend tot uw heer en u te richten? Onze woorden zijn net zo goed bestemd voor de mensen daar op de muur, die binnenkort net als u hun eigen stront zullen eten en hun eigen pis zullen drinken.' </VERS>
      <VERS vnumber="28">En hij rechtte zijn schouders, verhief zijn stem en zei, in het Judees: 'Luister naar wat de grote koning, de koning van Assyrië u te zeggen heeft! </VERS>
      <VERS vnumber="29">Dit zegt de koning: "Laat u door Hizkia geen rad voor ogen draaien, hij is niet in staat u uit mijn greep te bevrijden. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Laat hij u niet verleiden uw vertrouwen te stellen in de HEER. Als hij beweert: 'De HEER zal ons vast en zeker redden en deze stad zal niet in handen vallen van de koning van Assyrië,' </VERS>
      <VERS vnumber="31">luister dan niet naar hem. Want dit zegt de koning van Assyrië: 'Geef u over en stel u onder mijn hoede, dan kan ieder van u van zijn wijnstok en zijn vijgenboom eten en het water uit zijn eigen put drinken, </VERS>
      <VERS vnumber="32">tot ik kom en u meevoer naar een land dat niet onderdoet voor dat van u: een land van graan en wijn, van brood en wijngaarden, van olierijke olijfbomen en honing. U zult in leven blijven en hoeft niet te sterven. Luister toch niet naar Hizkia, die u valse hoop geeft met zijn bewering dat de HEER u zal redden. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Hebben de goden van andere volken hun land soms gered uit de handen van de koning van Assyrië? </VERS>
      <VERS vnumber="34">Waar zijn de goden van Hamat en Arpad gebleven, waar waren de goden van Sefarwaïm, Hena en Iwwa? Hebben die Samaria soms uit mijn handen gered? </VERS>
      <VERS vnumber="35">Als geen enkele god in staat is gebleken zijn land uit mijn handen te redden, hoe zou dan de HEER Jeruzalem kunnen redden?'"' </VERS>
      <VERS vnumber="36">Maar het volk zweeg en antwoordde met geen woord, want zo had de koning het bevolen. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Hofmeester Eljakim, de zoon van Chilkia, hofschrijver Sebna en kanselier Joach, de zoon van Asaf, gingen met gescheurde kleren naar Hizkia om hem de woorden van de rabsake over te brengen. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="19">
      <VERS vnumber="1">Zodra koning Hizkia de boodschap hoorde, scheurde hij zijn kleren, trok een boetekleed aan en begaf zich naar de tempel van de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Hofmeester Eljakim, hofschrijver Sebna en de oudsten van de priesters stuurde hij gehuld in boetekleren naar de profeet Jesaja, de zoon van Amos. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Ze zeiden hem: 'Dit zegt Hizkia: "Deze dag is er een van angst, straf en vernedering: het is als bij een geboorte waarbij de baarmoeder ontsloten is maar de kracht om te baren ontbreekt. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Maar misschien slaat de HEER, uw God, acht op wat de rabsake gezegd heeft, die door zijn heer, de koning van Assyrië, hierheen is gestuurd om de levende God te honen, en misschien zal hij die belediging vergelden. Bid daarom voor degenen van ons volk die er nog over zijn."' </VERS>
      <VERS vnumber="5">Zo kwamen de hovelingen van koning Hizkia bij Jesaja, </VERS>
      <VERS vnumber="6">en Jesaja antwoordde hun: 'Zeg tegen uw koning: "Dit zegt de HEER: Laat je niet ontmoedigen door de woorden waarmee de knechten van de koning van Assyrië mij hebben bespot. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Ik zal hem een geest sturen en hem een gerucht laten influisteren waardoor hij naar zijn eigen land terugkeert, en daar zal ik hem een gewelddadige dood laten sterven."' </VERS>
      <VERS vnumber="8">Inmiddels had de rabsake zich weer bij zijn koning gevoegd, die, zoals hij had vernomen, zijn kamp bij Lachis had opgebroken en nu de aanval had geopend op Libna. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Maar toen Sanherib het gerucht opving dat koning Tirhaka van Nubië was uitgetrokken om de strijd met hem aan te binden, zond hij opnieuw gezanten naar Hizkia, met de opdracht: </VERS>
      <VERS vnumber="10">'Zeg tegen koning Hizkia van Juda: "Laat u niet misleiden door de HEER, uw God, in wie u uw vertrouwen hebt gesteld omdat hij u heeft toegezegd dat Jeruzalem niet in handen zal vallen van de koning van Assyrië. </VERS>
      <VERS vnumber="11">U hebt toch zelf gehoord hoe de koningen van Assyrië alle landen die ze binnenvielen vernietigd hebben. Zou u dan gered worden? </VERS>
      <VERS vnumber="12">Gozan, Charan, Resef en de inwoners van Eden in Telassar, die door mijn voorouders werden uitgeroeid, zijn toch ook niet door hun goden gered? </VERS>
      <VERS vnumber="13">En wat is er geworden van de koningen van Hamat en Arpad, en van de koningen van de stad Sefarwaïm en van Hena en Iwwa?"' </VERS>
      <VERS vnumber="14">Toen Hizkia de brief had gelezen die de boden hem overhandigd hadden, ging hij naar de tempel van de HEER en legde de brief daar open voor hem neer. </VERS>
      <VERS vnumber="15">En hij bad tot de HEER: 'HEER, God van Israël, u die op de cherubs troont, u alleen bent God van alle koninkrijken op aarde, u hebt de hemel en de aarde gemaakt. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Leen mij uw oor, HEER, en luister, open uw ogen en zie toe. Hoor met welke woorden Sanherib de levende God hoont. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Het is waar, HEER, de koningen van Assyrië hebben andere volken en hun landen verwoest </VERS>
      <VERS vnumber="18">en hun goden aan het vuur prijsgegeven. Dat waren dan ook geen goden, het waren slechts maaksels van mensenhanden, beelden van hout en steen, die ze vernietigd hebben. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Ik vraag u, HEER, onze God: red ons uit zijn handen, opdat alle koninkrijken op aarde zullen beseffen dat u, HEER, de enige God bent.' </VERS>
      <VERS vnumber="20">Jesaja, de zoon van Amos, liet Hizkia weten: 'Dit zegt de HEER, de God van Israël: Ik heb je gebed over koning Sanherib van Assyrië gehoord, </VERS>
      <VERS vnumber="21">en dit is wat ik, de HEER, over hem zeg: Vrouwe Sion minacht je, ze lacht je uit, meewarig schudt Jeruzalem haar hoofd. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Weet wie je hebt beledigd en bespot, wie je hebt uitgejouwd, uitdagend aangekeken: het was de Heilige van Israël! </VERS>
      <VERS vnumber="23">Bij monde van je boden heb je de Heer gehoond. Je zei: "Mijn strijdwagens brachten mij tot op de hoogste bergen, tot in de verste hoeken van de Libanon. Zijn hoogste ceders velde ik, zijn machtigste cipressen. Ik drong door tot in zijn verste schuilhoek, tot in zijn diepste woud. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Ik heb gegraven en vreemd water gedronken, de stromen van Egypte met mijn voeten drooggelegd." </VERS>
      <VERS vnumber="25">Heb je dan niet gehoord dat ik dit heb beschikt? In lang vervlogen tijden nam ik het me voor, nu is de tijd gekomen dat ik het volbreng. Onneembare steden worden in puin gelegd, </VERS>
      <VERS vnumber="26">hun inwoners staan machteloos en gloeien van schaamte. Ze zijn als jonge scheuten op de akker, pril groen in de woestijn, tere sprietjes op het dak: verschroeid nog voor ze opgekomen zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Maar ik ken je, ik ben op de hoogte van je doen en laten, ik weet heel goed hoe je tekeergaat tegen mij; </VERS>
      <VERS vnumber="28">ik zie je zelfgenoegzaamheid, je razernij is tot mijn oren doorgedrongen. Ik sla mijn haak door je neus en leg mijn bit in je mond en voer je op je schreden terug. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Jou, Hizkia, kondig ik het volgende aan: dit jaar zul je eten wat er na de oogst toevallig nog opkomt, volgend jaar wat er vanzelf groeit, maar het jaar daarna kun je zaaien en oogsten, wijngaarden planten en van de opbrengst eten. </VERS>
      <VERS vnumber="30">De Judeeërs die ontkomen en het overleven, zullen wortel schieten en vrucht dragen, </VERS>
      <VERS vnumber="31">want wie het overleven en ontkomen, zullen zich vanuit Jeruzalem, vanaf de Sion verspreiden. De HEER zal zich daarvoor beijveren. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Daarom-dit zegt de HEER over de koning van Assyrië: Hij zal deze stad niet te na komen. Hij zal er geen pijl op afschieten, geen schild tegen opheffen en geen wal tegen opwerpen. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Hij zal op zijn schreden terugkeren en deze stad niet te na komen-spreekt de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Omwille van mijzelf en omwille van mijn dienaar David zal ik deze stad beschermen en haar bevrijden.' </VERS>
      <VERS vnumber="35">Diezelfde nacht trok een engel van de HEER ten strijde en doodde in het kamp van de Assyriërs honderdvijfentachtigduizend man. De volgende ochtend zag men niets dan lijken liggen. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Koning Sanherib van Assyrië brak het beleg op en keerde voorgoed terug naar zijn woonplaats Nineve. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Daar werd hij, terwijl hij neerknielde in de tempel van zijn god Nisroch, vermoord door Adrammelech en Sareser, die vervolgens naar Ararat wisten te ontkomen. Zijn zoon Esarhaddon volgde hem op. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="20">
      <VERS vnumber="1">Omstreeks dezelfde tijd werd Hizkia dodelijk ziek. De profeet Jesaja, de zoon van Amos, kwam naar hem toe en zei: 'Dit zegt de HEER: Maak je laatste wilsbeschikking op, want je sterft. Je zult niet meer beter worden.' </VERS>
      <VERS vnumber="2">Hizkia draaide zijn gezicht naar de muur en bad tot de HEER: </VERS>
      <VERS vnumber="3">'HEER, ik smeek u, neem toch in aanmerking dat ik me altijd oprecht en met heel mijn hart naar uw wil heb gericht en steeds heb gedaan wat goed is in uw ogen.' Daarbij stortte hij bittere tranen. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Toen richtte de HEER zich opnieuw tot Jesaja, die de binnenste hof nog niet verlaten had, en zei: </VERS>
      <VERS vnumber="5">'Ga weer naar binnen en zeg tegen Hizkia, de koning van mijn volk: "Dit zegt de HEER, de God van je voorvader David: Ik heb je gebed gehoord en je tranen gezien. Welnu, ik zal je genezen. Over drie dagen zul je in staat zijn naar mijn tempel te gaan. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Ik geef je nog vijftien jaar te leven, en ik zal jou en deze stad redden uit de handen van de koning van Assyrië. Omwille van mijzelf en omwille van mijn dienaar David zal ik deze stad beschermen."' </VERS>
      <VERS vnumber="7">Jesaja beval de dienaren van de koning een plak gedroogde vijgen te nemen. Dat deden ze, en ze legden de vijgen op de ontstoken plek, waarop Hizkia nieuwe krachten kreeg. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Hij vroeg aan Jesaja: 'Krijg ik van de HEER ook een teken dat hij me zal genezen en ik over drie dagen naar de tempel zal kunnen gaan?' </VERS>
      <VERS vnumber="9">'Ja, 'antwoordde Jesaja, 'de HEER zal u een teken geven dat hij zijn belofte zal nakomen. Wat denkt u, zal de schaduw tien graden vooruitgaan of tien graden achteruit?' </VERS>
      <VERS vnumber="10">'Tien graden vooruit zou niets bijzonders zijn, 'antwoordde Hizkia, 'maar tien achteruit wel.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">Daarop riep de profeet Jesaja de HEER aan, en deze liet de schaduw op de zonnewijzer van Achaz tien graden achteruitgaan. </VERS>
      <VERS vnumber="12">In die tijd stuurde koning Berodach-Baladan van Babylonië, de zoon van Baladan, die had vernomen dat Hizkia ziek was, gezanten met brieven en een geschenk naar hem toe. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Hizkia nam hun boodschap in ontvangst en liet hun al zijn schatkamers zien: het zilver, het goud, het reukwerk, de kostbare oliën, en ook zijn arsenaal en alles wat zich in zijn magazijnen bevond. Er was niets in zijn paleis of in zijn rijk dat Hizkia hun niet liet zien. </VERS>
      <VERS vnumber="14">De profeet Jesaja ging naar koning Hizkia toe en vroeg hem: 'Wat hebben deze mannen tegen u gezegd? Waar kwamen ze vandaan?' 'Uit een ver land, 'antwoordde Hizkia, 'uit Babylonië.' </VERS>
      <VERS vnumber="15">'Wat hebben ze in uw paleis te zien gekregen?' vroeg Jesaja, en Hizkia antwoordde: 'Ze hebben alles gezien wat zich in mijn paleis bevindt. Er is niets in mijn magazijnen dat ik hun niet heb laten zien.' </VERS>
      <VERS vnumber="16">Hierop zei Jesaja tegen Hizkia: 'Luister naar wat de HEER te zeggen heeft. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Het duurt niet lang meer, of alles wat zich in uw paleis bevindt, alles wat uw voorouders tot nu toe hebben vergaard, zal naar Babel worden weggesleept. Er blijft niets van over-zegt de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Ook een aantal van uw zonen, het nageslacht dat u hebt verwekt, zal worden weggevoerd om dienst te doen in het paleis van de koning van Babylonië.' </VERS>
      <VERS vnumber="19">Hizkia antwoordde: 'Het is goed, wat u namens de HEER tegen mij hebt gezegd.' Want hij dacht bij zichzelf: Dat betekent dat er zolang ik leef, rust en vrede zal heersen. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Verdere bijzonderheden over Hizkia, over de vele overwinningen die hij behaalde en over het waterreservoir dat hij heeft laten aanleggen en de tunnel waardoor het water naar de stad wordt geleid, zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Juda. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Toen hij bij zijn voorouders te ruste ging, volgde zijn zoon Manasse hem op. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="21">
      <VERS vnumber="1">Manasse was twaalf jaar oud toen hij koning werd. Vijfenvijftig jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Chefsiba. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER: hij gaf zich over aan de verfoeilijke praktijken van de volken die de HEER voor de Israëlieten verdreven had. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Hij herstelde de offerplaatsen die zijn vader Hizkia verwijderd had, richtte nieuwe altaren op voor Baäl en maakte een nieuwe Asjerapaal, naar het voorbeeld van koning Achab van Israël. Hij aanbad de hemellichamen en diende die. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Hij richtte altaren op in de tempel van de HEER, waarvan de HEER had gezegd: 'In Jeruzalem zal ik mijn naam laten wonen,' </VERS>
      <VERS vnumber="5">en plaatste op de beide voorhoven van de tempel altaren voor de hemellichamen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Hij verbrandde zijn zoon als offer en liet zich in met wolkenschouwerij, wichelarij, geestenbezwering en waarzeggerij. Hij tergde de HEER door voortdurend te doen wat slecht is in zijn ogen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Zo liet hij bijvoorbeeld een beeld van de godin Asjera maken, dat hij een plaats gaf in de tempel waarvan de HEER tegen David en zijn zoon Salomo had gezegd: 'In deze tempel, in Jeruzalem, dat ik uit alle steden van Israëls stammen heb uitgekozen, zal ik voor altijd mijn naam laten wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Ik zal ervoor zorgen dat de Israëlieten nooit meer hoeven weg te trekken uit het land dat ik hun voorouders heb gegeven, maar dan moeten zij zich wel houden aan alles wat ik hun heb opgedragen, aan de wet die mijn dienaar Mozes hun heeft opgelegd.' </VERS>
      <VERS vnumber="9">Maar ze luisterden niet en lieten zich door Manasse verleiden nog meer kwaad te doen dan de volken die de HEER voor hen had uitgeroeid. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Daarom sprak de HEER bij monde van zijn dienaren, de profeten: </VERS>
      <VERS vnumber="11">'Koning Manasse van Juda heeft zich ingelaten met verfoeilijke praktijken, erger nog dan die van de Amorieten die hier vroeger woonden, en hij heeft daarbij ook de Judeeërs met zijn afgoden tot zonde aangezet. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Daarom-zegt de HEER, de God van Israël: Ik zal over Jeruzalem en Juda onheil brengen waarvan ieder zo zal ophoren dat zijn beide oren tuiten. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Ik zal over Jeruzalem het meetlint van Samaria leggen en het schietlood van het koningshuis van Achab. Ik zal Jeruzalem schoonvegen zoals je een gebruikte schaal schoonveegt en daarna ondersteboven wegzet. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Wie er van mijn volk nog overblijven zal ik aan hun lot overlaten. Ik zal ze aan hun vijanden uitleveren, zodat hun vijanden ze kunnen plunderen en beroven. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Dit alles zal ik doen omdat zij hebben gedaan wat slecht is in mijn ogen en me hebben getergd vanaf de dag dat ze uit Egypte vertrokken tot nu toe.' </VERS>
      <VERS vnumber="16">Behalve dat Manasse zondigde door de Judeeërs tot zonde aan te zetten, zodat ze deden wat slecht is in de ogen van de HEER, vergoot hij ook onschuldig bloed, zo veel dat Jeruzalem ervan overvloeide. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Verdere bijzonderheden over Manasse en zijn zondige praktijken zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Juda. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Toen hij bij zijn voorouders te ruste ging, werd hij begraven in de tuin van zijn paleis, de tuin van Uzza. Zijn zoon Amon volgde hem op. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Amon was tweeëntwintig jaar oud toen hij koning werd. Twee jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Mesullemet, de dochter van Charus, uit Jotba. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Net als zijn vader Manasse deed hij wat slecht is in de ogen van de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Hij volgde in alles het voorbeeld van zijn vader, diende dezelfde afgoden als hij en knielde voor hen neer. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Hij keerde zich af van de HEER, de God van zijn voorouders, en gehoorzaamde hem niet. </VERS>
      <VERS vnumber="23">De dienaren van Amon beraamden een aanslag op de koning en vermoordden hem in zijn paleis. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Maar het volk doodde allen die tegen koning Amon hadden samengezworen en riep zijn zoon Josia tot zijn opvolger uit. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Verdere bijzonderheden over Amon zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Juda. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Hij werd begraven in de tuin van Uzza; zijn zoon Josia volgde hem op. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="22">
      <VERS vnumber="1">Josia was acht jaar oud toen hij koning werd. Eenendertig jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Jedida, de dochter van Adaja, uit Boskat. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Hij volgde in alle opzichten het voorbeeld van zijn voorvader David en hield zich daaraan: hij deed wat goed is in de ogen van de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="3">In het achttiende jaar van zijn regering stuurde koning Josia zijn hofschrijver Safan, de zoon van Asaljahu, de zoon van Mesullam, met de volgende opdracht naar de tempel van de HEER: </VERS>
      <VERS vnumber="4">'Ga naar de hogepriester Chilkia en laat hem het zilver klaarleggen dat door het volk ten bate van de tempel is afgedragen en door de priesters die de ingang bewaken in ontvangst is genomen. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Dat zilver moet ter hand worden gesteld aan de bouwmeesters die met het werk aan de tempel belast zijn, en die moeten het weer overhandigen aan de mensen die bezig zijn de bouwvallige gedeelten van de tempel te herstellen, </VERS>
      <VERS vnumber="6">de handwerkslieden, bouwers en metselaars, zodat ze balken en gehouwen steen kunnen aanschaffen om de tempel te repareren. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Ze hoeven geen rekening over te leggen voor het zilver dat ze ontvangen, want ze zijn door en door betrouwbaar.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">De hogepriester Chilkia zei tegen hofschrijver Safan: 'Ik heb hier in de tempel van de HEER een boekrol gevonden met de tekst van de wet.' Safan nam het boek in ontvangst en las het. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Daarop ging hij terug naar de koning om verslag uit te brengen. Hij zei: 'Uw dienaren hebben het zilver dat in de tempel bewaard wordt, te voorschijn gehaald en overhandigd aan de bouwmeesters die belast zijn met de herstelwerkzaamheden aan de tempel van de HEER.' </VERS>
      <VERS vnumber="10">Vervolgens vertelde hij dat de priester Chilkia hem een boekrol had gegeven, en hij begon de koning eruit voor te lezen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Bij het horen van de tekst van het wetboek scheurde de koning zijn kleren. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Hij beval de priester Chilkia, Achikam, de zoon van Safan, Achbor, de zoon van Micha, de hofschrijver Safan en zijn persoonlijke dienaar Asaja: </VERS>
      <VERS vnumber="13">'Ga ter wille van mij en heel het volk van Juda de HEER raadplegen over de inhoud van de boekrol die we gevonden hebben, want het kan niet anders of de HEER is in hevige woede ontstoken omdat onze voorouders zich niet hebben gehouden aan wat er in dit boek staat en niet hebben gedaan wat ons is voorgeschreven.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">De priester Chilkia, Achikam, Achbor, Safan en Asaja gingen naar de profetes Chulda, de vrouw van Sallum. Sallum was de zoon van Tikwa, de zoon van Charchas; hij beheerde de priesterkleding. Chulda woonde in het nieuwe stadsdeel van Jeruzalem. Toen ze haar alles verteld hadden, </VERS>
      <VERS vnumber="15">zei Chulda tegen hen: 'Dit zegt de HEER, de God van Israël: Zeg tegen degene die jullie naar mij heeft toegestuurd: </VERS>
      <VERS vnumber="16">"Dit zegt de HEER: Ik zal onheil brengen over deze stad en haar bewoners, precies zoals beschreven staat in het boek dat de koning van Juda heeft gelezen. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Dat doe ik omdat zij zich van mij hebben afgekeerd, offers hebben ontstoken voor andere goden en mij hebben getergd met de beelden die ze gemaakt hebben. Mijn toorn tegen deze stad is hoog opgelaaid en zal niet meer doven." </VERS>
      <VERS vnumber="18">(18-19) En tegen de koning van Juda persoonlijk, die jullie heeft gestuurd om de HEER te raadplegen, moeten jullie zeggen: "Dit zegt de HEER, de God van Israël: Jij hebt je hart opengesteld voor de woorden die je hebt gehoord. Je hebt je verootmoedigd toen je hoorde wat ik over deze stad en haar inwoners heb gezegd, namelijk dat ze als vloek en schrikbeeld zou gelden. Je hebt je kleren gescheurd en voor mij gehuild. Daarom heb ook ik naar jou geluisterd-spreekt de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Je zult in vrede sterven en bij je voorouders begraven worden. Jij zult niet met eigen ogen hoeven aan te zien hoe ik onheil breng over deze stad."' Dit antwoord brachten ze aan de koning over. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="23">
      <VERS vnumber="1">De koning ontbood de oudsten van Juda en Jeruzalem. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Met alle inwoners van Juda en Jeruzalem, de priesters en de profeten, kortom, de hele bevolking, van hoog tot laag, begaf hij zich naar de tempel van de HEER. Daar las hij hun de hele tekst voor van het verbondsboek dat in de tempel was gevonden. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Staande op het podium bekrachtigde hij ten overstaan van de HEER het verbond. Hij zwoer dat hij de HEER zou volgen en zich geheel en al zou houden aan zijn geboden, voorschriften en bepalingen, om zo het verbond dat in deze boekrol was vastgelegd met hart en ziel na te leven. Heel het volk sloot zich hierbij aan. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Vervolgens beval de koning dat de hogepriester Chilkia met zijn plaatsvervangers en de priesters die aan het hoofd van de tempelwacht stonden, alle voorwerpen uit de tempel van de HEER moesten halen die voor Baäl, Asjera en de hemellichamen waren gemaakt. Deze voorwerpen verbrandde hij buiten de stad, op het braakliggende terrein bij de Kidron, en de as liet hij naar Betel afvoeren. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Hij ontsloeg de afgodspriesters die door de koningen van Juda waren aangesteld om offers te ontsteken op de offerplaatsen in de steden van Juda en in de omgeving van Jeruzalem, en stuurde de priesters weg die offers ontstaken voor Baäl en voor de zon, de maan en de sterren, voor alle hemellichamen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Hij liet de Asjerapaal uit de tempel van de HEER verwijderen en buiten de stad brengen, naar de bedding van de Kidron. Daar werd hij verbrand, en de resten werden verpulverd en over de begraafplaats van het gewone volk uitgestrooid. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Hij liet de vertrekken afbreken waar mannen tempelprostitutie bedreven en waar vrouwen kleren weefden voor Asjera. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Alle priesters uit de steden van Juda liet hij naar Jeruzalem komen. In het hele land, van Geba tot Berseba, liet hij de offerplaatsen ontwijden waar de priesters offers ontstoken hadden. Ook de offerplaatsen links van de stadspoort, bij de ingang van de poort van stadscommandant Josua, haalde hij neer. </VERS>
      <VERS vnumber="9">De priesters van de offerplaatsen mochten het altaar van de HEER in Jeruzalem niet betreden; wel mochten ze samen met hun ambtgenoten van het ongedesemde brood eten. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Verder liet Josia de offerplaats Tofet in het Hinnomdal ontwijden, zodat niemand er meer zijn zoon of dochter als offer voor Moloch kon verbranden. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Hij liet de paarden weghalen die de koningen van Juda ter ere van de zon hadden opgesteld vanaf de ingang van het tempelterrein tot aan het vertrek van de eunuch Netanmelech, en de zonnewagens liet hij verbranden. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Hij liet de altaren afbreken die de koningen van Juda op het dak van het bovenvertrek van Achaz hadden geplaatst, en ook de altaren die Manasse op de beide voorhoven van de tempel had laten maken. Het puin liet hij zo snel mogelijk afvoeren en in de bedding van de Kidron storten. </VERS>
      <VERS vnumber="13">De offerplaatsen buiten de stad, ten zuiden van de Berg van het verderf, die koning Salomo van Israël had laten oprichten voor Astarte, de gruwelijke godin van de Sidoniërs, Kemos, de gruwelijke god van Moab, en Milkom, de weerzinwekkende god van Ammon, werden door de koning ontwijd: </VERS>
      <VERS vnumber="14">hij sloeg de gewijde stenen aan stukken, hakte de Asjerapalen om en liet de gaten opvullen met beenderen van mensen. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Ook het altaar en de offerhoogte in Betel brak hij af. Die offerplaats was aangelegd door Jerobeam, de zoon van Nebat, die de Israëlieten tot zonde had aangezet. Josia stak de offerplaats in brand, verpulverde de resten en liet de Asjerapaal in vlammen opgaan. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Zijn oog viel op de begraafplaats daar op de heuvel, en hij gaf bevel de beenderen uit de graven te halen. Die verbrandde hij op het altaar, dat hij op die manier ontwijdde. Zo ging de profetie van de HEER in vervulling die was uitgesproken door de godsman die dit alles had voorzegd. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Josia vroeg: 'Wat is dat daar voor een steen?' 'Dat is het graf van de godsman uit Juda, 'antwoordden de mensen die daar woonden. 'Alles wat u met het altaar van Betel hebt gedaan, is door hem voorzegd.' </VERS>
      <VERS vnumber="18">Daarop zei Josia: 'Laat hem met rust. Zijn gebeente mag door niemand worden aangeraakt.' Dus lieten ze zijn gebeente ongemoeid, evenals het gebeente van de profeet uit Samaria. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Josia liet ook de heiligdommen afbreken die de koningen van Israël op de offerhoogten in Samaria hadden gebouwd om de HEER te tergen. Hij deed daarmee hetzelfde als hij in Betel had gedaan. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Op de altaren in Samaria bracht hij de priesters van de offerplaatsen ten offer en hij verbrandde er mensenbeenderen. Terug in Jeruzalem </VERS>
      <VERS vnumber="21">beval de koning het volk: 'Vier Pesach ter ere van de HEER, uw God, zoals het hier in het boek van het verbond beschreven staat.' </VERS>
      <VERS vnumber="22">Sinds de tijd dat de rechters Israël bestuurden was Pesach namelijk niet meer op die manier gevierd, ook niet in de tijd van de koningen van Israël en Juda. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Pas in het achttiende regeringsjaar van koning Josia werd in Jeruzalem weer op de juiste wijze Pesach gevierd ter ere van de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Ook zuiverde Josia het land van geestenbezweerders, waarzeggers, huisgoden, afgoden, kortom, van alle verfoeilijke praktijken die in Juda en Jeruzalem voorkwamen. Zo kwam hij na wat beschreven stond in het wetboek dat de priester Chilkia in de tempel van de HEER had gevonden. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Met hart en ziel en met inzet van al zijn krachten trachtte hij de wetten van Mozes strikt na te leven en terug te keren tot de HEER, zoals geen van zijn voorgangers of opvolgers ooit gedaan heeft. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Toch liet de HEER zijn toorn tegen Juda, waarin hij was ontbrand doordat Manasse hem tot het uiterste had getergd, niet varen. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Hij zei: 'Zoals ik Israël verstoten heb, zo zal ik ook Juda verstoten. En Jeruzalem, de stad die ik had uitverkozen, zal ik verwerpen, evenals de tempel waarvan ik heb gezegd dat daar mijn naam zou wonen.' </VERS>
      <VERS vnumber="28">Verdere bijzonderheden over Josia zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Juda. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Tijdens de regering van Josia trok farao Necho van Egypte naar de Eufraat op om zich bij de koning van Assur te voegen. Koning Josia ging de farao tegemoet, maar werd bij het eerste treffen, in Megiddo, door hem gedood. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Zijn dienaren brachten zijn lichaam op een wagen van Megiddo naar Jeruzalem, waar ze hem begroeven in zijn eigen graf. Josia's zoon Joachaz werd door het volk tot opvolger van zijn vader uitgeroepen en tot koning gezalfd. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Joachaz was drieëntwintig jaar oud toen hij koning werd. Drie maanden regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Chamutal, de dochter van Jirmeja, uit Libna. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER, precies zoals zijn voorouders. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Hij werd door farao Necho gevangengezet in Ribla in Hamat, zodat hij het koningschap niet kon uitoefenen. De farao legde het land een schatting op van honderd talent zilver en één talent goud. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Hij stelde Eljakim, een andere zoon van Josia, als opvolger van zijn vader aan en veranderde zijn naam in Jojakim. Joachaz werd door de farao meegevoerd naar Egypte, en daar is hij gestorven. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Jojakim betaalde de farao het zilver en goud. Om de vastgestelde schatting te betalen, legde hij het land belasting op. Iedereen werd naar vermogen aangeslagen; zo werd het zilver en goud voor farao Necho bijeengebracht. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Jojakim was vijfentwintig jaar oud toen hij koning werd. Elf jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Zebudda, de dochter van Pedaja, uit Ruma. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER, precies zoals zijn voorouders. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="24">
      <VERS vnumber="1">Tijdens de regering van Jojakim viel koning Nebukadnessar van Babylonië het land binnen en maakte hij Jojakim tot zijn vazal. En toen Jojakim na drie jaar rebelleerde en tegen Nebukadnessar in opstand kwam, </VERS>
      <VERS vnumber="2">stuurde de HEER benden Chaldeeën, Arameeërs, Moabieten en Ammonieten op hem af, die hij Juda liet binnenvallen om het te vernietigen, zoals hij bij monde van zijn dienaren, de profeten, had voorzegd. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Dit overkwam Juda omdat de HEER zelf het zo beschikt had; hij verstootte het vanwege alle zonden die Manasse had bedreven. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Wat de HEER hem vooral niet vergaf, was dat hij onschuldig bloed had vergoten-hij had Jeruzalem gevuld met onschuldig bloed. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Verdere bijzonderheden over Jojakim zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Juda. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Toen hij bij zijn voorouders te ruste ging, volgde zijn zoon Jojachin hem op. </VERS>
      <VERS vnumber="7">De koning van Egypte ondernam geen veldtochten meer buiten zijn eigen land, want de koning van Babylonië had heel het gebied dat aan de koning van Egypte toebehoorde ingenomen, vanaf de wadi die de grens met Egypte vormt tot aan de Eufraat. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Jojachin was achttien jaar oud toen hij koning werd. Drie maanden regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Nechusta, de dochter van Elnatan, uit Jeruzalem. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER, precies zoals zijn vader. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Het was in die tijd dat veldheren van koning Nebukadnessar van Babylonië tegen Jeruzalem optrokken en de stad belegerd werd. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Toen koning Nebukadnessar zelf voor de omsingelde stad verscheen, </VERS>
      <VERS vnumber="12">gaf koning Jojachin van Juda zich samen met zijn moeder, zijn hovelingen, zijn legeraanvoerders en zijn kamerheren aan de koning van Babylonië over; deze nam hem gevangen in het achtste jaar van zijn regering. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Nebukadnessar haalde alle schatten weg uit de tempel van de HEER en het koninklijk paleis en haalde alle gouden versieringen los die koning Salomo van Israël in de grote zaal van de tempel had aangebracht, zoals de HEER had voorzegd. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Heel Jeruzalem werd in ballingschap weggevoerd: alle legeraanvoerders en alle krijgslieden, tienduizend man, en alle handwerkslieden en smeden; alleen de onaanzienlijksten van het gewone volk bleven achter. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Koning Jojachin werd als balling meegevoerd naar Babel, samen met zijn moeder, zijn vrouwen, zijn kamerheren en de notabelen. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Ook zevenduizend militairen en duizend handwerkslieden en smeden, allen betrokken bij het krijgsbedrijf, werden door de koning van Babylonië in ballingschap weggevoerd. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Hij stelde Mattanja, een oom van Jojachin, in diens plaats als koning aan en veranderde zijn naam in Sedekia. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Sedekia was eenentwintig jaar oud toen hij koning werd. Elf jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Chamutal, de dochter van Jirmeja, uit Libna. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER, precies zoals Jojakim. </VERS>
      <VERS vnumber="20">De HEER was zo woedend op Jeruzalem en Juda dat hij ze uiteindelijk verstootte. Sedekia kwam tegen de koning van Babylonië in opstand. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="25">
      <VERS vnumber="1">In het negende jaar van zijn regering, op de tiende dag van de tiende maand, kwam Nebukadnessar, de koning van Babylonië, met heel zijn leger bij Jeruzalem aan. Hij sloeg er zijn kamp op en wierp een wal op rondom de stad. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Het beleg van de stad duurde tot in het elfde regeringsjaar van koning Sedekia. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Op de negende dag van de maand-de hongersnood in de stad was ondraaglijk geworden, er was voor de bevolking niets meer te eten- </VERS>
      <VERS vnumber="4">werd er een bres in de stadsmuur geslagen. Hoewel de Chaldeeën rondom de stad lagen, wisten alle soldaten 's nachts te ontkomen via de poort tussen de beide stadsmuren die uitkwam op de tuin van de koning. De koning vluchtte in de richting van de Jordaanvallei, </VERS>
      <VERS vnumber="5">maar het Chaldese leger zette de achtervolging in en haalde hem in op de vlakte van Jericho. Heel zijn leger werd uiteengeslagen </VERS>
      <VERS vnumber="6">en de koning zelf namen ze gevangen. Ze brachten hem naar Ribla, naar de koning van Babylonië, en daar werd hij berecht. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Eerst werden zijn zonen voor zijn ogen afgeslacht en toen werden hem de ogen uitgestoken. Daarna werd hij naar Babel afgevoerd, geboeid met bronzen ketenen. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Op de zevende dag van de vijfde maand, in het negentiende regeringsjaar van koning Nebukadnessar van Babylonië, trok diens dienaar Nebuzaradan, de commandant van zijn lijfwacht, Jeruzalem binnen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Hij stak de tempel van de HEER in brand, en ook het koninklijk paleis en alle andere huizen van Jeruzalem; alle huizen van de welgestelden gingen in vlammen op. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Het Chaldese leger, dat onder zijn bevel stond, haalde de stadsmuren van Jeruzalem neer. </VERS>
      <VERS vnumber="11">De mensen die nog in de stad over waren, werden door commandant Nebuzaradan als ballingen weggevoerd, evenals degenen die naar de koning van Babylonië waren overgelopen, kortom, iedereen die nog over was. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Slechts de allerarmsten liet hij achter om voor de wijngaarden en akkers te zorgen. </VERS>
      <VERS vnumber="13">De bronzen zuilen bij de tempel van de HEER, de verrijdbare onderstellen van de spoelbekkens en het grote bronzen bekken, de Zee, werden door de Chaldeeën uit elkaar gehaald; het brons namen ze mee naar Babel. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Ook de vuurbekkens, vuurscheppen, messen, kommen en het andere koperen tempelgerei namen ze mee. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Verder nam commandant Nebuzaradan alles mee wat maar van goud of zilver was, zoals de vuurbakken en de offerschalen. </VERS>
      <VERS vnumber="16">De twee zuilen, de Zee, waarvan er maar één was, en de verrijdbare onderstellen die Salomo voor de tempel van de HEER had laten maken, bevatten samen een niet te wegen massa brons. </VERS>
      <VERS vnumber="17">De zuilen waren elk achttien el hoog en bekroond met een bronzen kapiteel van drie el. Daar omheen zat een koperen vlechtwerk, versierd met granaatappels. </VERS>
      <VERS vnumber="18">De hogepriester Seraja, zijn plaatsvervanger Sefanja en de drie priesters die aan het hoofd van de tempelwacht stonden, werden door Nebuzaradan, de commandant van de lijfwacht, gevangengenomen. </VERS>
      <VERS vnumber="19">En uit de stad haalde hij de raadsheer die belast was met oorlogszaken, vijf van de vertrouwelingen die vrij toegang hadden tot de koning, de secretaris van de opperbevelhebber die tot taak had het volk onder de wapenen te roepen, en zestig grootgrondbezitters. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Deze personen werden door Nebuzaradan gevangengenomen en naar Ribla overgebracht, naar de koning van Babylonië. </VERS>
      <VERS vnumber="21">De koning van Babylonië liet hen in Ribla, in het gebied van Hamat, ter dood brengen. Zo werd Juda uit zijn land weggevoerd in ballingsschap. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Over het deel van het volk dat van koning Nebukadnessar van Babylonië in Juda mocht blijven, stelde hij Gedalja, de zoon van Achikam, de zoon van Safan, als gouverneur aan. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Toen de bevelhebbers van het leger en hun manschappen daarvan hoorden, zochten zij Gedalja in Mispa op: Jismaël, de zoon van Netanja, Jochanan, de zoon van Kareach, Seraja, de zoon van Tanchumet uit Netofa, en Jaäzanja, de zoon van iemand uit Maächa, allen met hun mannen. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Gedalja bezwoer de bevelhebbers en hun mannen: 'Van de Chaldese ambtenaren hebt u niets te vrezen. U kunt in het land blijven wonen, en zolang u de koning van Babylonië dient zal het u goed gaan.' </VERS>
      <VERS vnumber="25">Maar in de zevende maand van dat jaar kwam Jismaël, de zoon van Netanja, de zoon van Elisama, die tot de koninklijke familie behoorde, met tien mannen naar Mispa. Ze doodden Gedalja en de Judeeërs en Chaldeeën die bij hem waren. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Uit angst voor de Chaldeeën nam daarop heel het volk, van hoog tot laag, met de bevelhebbers van het leger de vlucht naar Egypte. </VERS>
      <VERS vnumber="27">In het zevenendertigste jaar van de ballingschap van koning Jojachin van Juda, op de zevenentwintigste dag van de twaalfde maand, verleende koning Ewil-Merodach van Babylonië hem ter gelegenheid van zijn troonsbestijging gratie en ontsloeg hij hem uit de gevangenis. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Koning Ewil-Merodach verzekerde hem van zijn welwillendheid en bevoorrechtte hem boven de andere koningen die gedwongen in Babel verbleven. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Jojachin hoefde niet langer gevangeniskleren te dragen en werd voor de rest van zijn leven aan het hof opgenomen. </VERS>
      <VERS vnumber="30">In zijn dagelijks onderhoud werd voortaan door de koning voorzien, zijn leven lang. </VERS>
    </CHAPTER>
  </BIBLEBOOK>
  <BIBLEBOOK bnumber="13" bname="1 Kronieken" bsname="1Kro">
    <CHAPTER cnumber="1">
      <VERS vnumber="1">Adam, Set, Enos, </VERS>
      <VERS vnumber="2">Kenan, Mahalalel, Jered, </VERS>
      <VERS vnumber="3">Henoch, Metuselach, Lamech, </VERS>
      <VERS vnumber="4">Noach, Sem, Cham en Jafet. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Zonen van Jafet: Gomer, Magog, Madai, Jawan, Tubal, Mesech en Tiras. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Zonen van Gomer: Askenaz, Difat en Togarma. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Zonen van Jawan: Elisa en Tarsis; andere nakomelingen van Jawan: Kittiërs en Rodanieten. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Zonen van Cham: Kus, Misraïm, Put en Kanaän. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Zonen van Kus: Saba, Chawila, Sabta, Rama en Sabtecha. Zonen van Rama: Seba en Dedan. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Kus was ook de vader van Nimrod, de eerste machthebber op aarde. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Misraïm was de stamvader van de Ludieten, de Anamieten, de Lehabieten, de Naftuchieten, </VERS>
      <VERS vnumber="12">de Patrusieten, de Kasluchieten-uit wie de Filistijnen zijn voortgekomen-en de Kretenzers. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Kanaän was de vader van Sidon, die de oudste was, en van Chet, </VERS>
      <VERS vnumber="14">en de stamvader van de Jebusieten, Amorieten, Girgasieten, </VERS>
      <VERS vnumber="15">Chiwwieten, Arkieten, Sinieten, </VERS>
      <VERS vnumber="16">Arwadieten, Semarieten en Hamatieten. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Nakomelingen van Sem: Elam, Assur, Arpachsad, Lud en Aram, Us, Chul, Geter en Mesech. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Arpachsad was de vader van Selach, en Selach de vader van Eber. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Eber kreeg twee zonen. De ene heette Peleg; in zijn tijd werd de aarde verdeeld. De andere heette Joktan. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Joktan was de vader van Almodad, Selef, Chasarmawet, Jerach, </VERS>
      <VERS vnumber="21">Hadoram, Uzal, Dikla, </VERS>
      <VERS vnumber="22">Ebal, Abimaël, Seba, </VERS>
      <VERS vnumber="23">Ofir, Chawila en Jobab. Zij allen waren zonen van Joktan. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Sem, Arpachsad, Selach, </VERS>
      <VERS vnumber="25">Eber, Peleg, Reü, </VERS>
      <VERS vnumber="26">Serug, Nachor, Terach, </VERS>
      <VERS vnumber="27">Abram, dat is Abraham. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Zonen van Abraham: Isaak en Ismaël. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Dit zijn hun nakomelingen: Nebajot, Ismaëls oudste zoon, Kedar, Adbeël, Mibsam, </VERS>
      <VERS vnumber="30">Misma, Duma, Massa, Chadad, Tema, </VERS>
      <VERS vnumber="31">Jetur, Nafis en Kedema. Dit waren de zonen van Ismaël. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Zonen van Ketura, een bijvrouw van Abraham: zij baarde Zimran, Joksan, Medan, Midjan, Jisbak en Suach. Zonen van Joksan: Seba en Dedan. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Zonen van Midjan: Efa, Efer, Chanoch, Abida en Eldaä. Zij allen waren nakomelingen van Ketura. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Abraham verwekte Isaak. Zonen van Isaak: Esau en Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Zonen van Esau: Elifaz, Reüel, Jeüs, Jalam en Korach. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Zonen van Elifaz: Teman, Omar, Sefi, Gatam, Kenaz, Timna en Amalek. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Zonen van Reüel: Nachat, Zerach, Samma en Mizza. </VERS>
      <VERS vnumber="38">Zonen van Seïr: Lotan, Sobal, Sibon, Ana, Dison, Eser en Disan. </VERS>
      <VERS vnumber="39">Zonen van Lotan: Chori en Homam; de zuster van Lotan was Timna. </VERS>
      <VERS vnumber="40">Zonen van Sobal: Aljan, Manachat, Ebal, Sefi en Onam. Zonen van Sibon: Ajja en Ana. </VERS>
      <VERS vnumber="41">Zoon van Ana: Dison. Zonen van Dison: Chamran, Esban, Jitran en Keran. </VERS>
      <VERS vnumber="42">Zonen van Eser: Bilhan, Zaäwan en Jaäkan. Zonen van Disan: Us en Aran. </VERS>
      <VERS vnumber="43">Dit zijn de koningen die in Edom geregeerd hebben nog voordat er een koning regeerde over de Israëlieten. Eerst Bela, de zoon van Beor; de stad waar hij zetelde heette Dinhaba. </VERS>
      <VERS vnumber="44">Na de dood van Bela werd Jobab uit Bosra koning, de zoon van Zerach. </VERS>
      <VERS vnumber="45">Na de dood van Jobab werd Chusam uit het land van de Temanieten koning. </VERS>
      <VERS vnumber="46">Na de dood van Chusam werd Hadad koning, de zoon van Bedad; hij versloeg de Midjanieten in Moab en de stad waar hij zetelde heette Awit. </VERS>
      <VERS vnumber="47">Na de dood van Hadad werd Samla uit Masreka koning. </VERS>
      <VERS vnumber="48">Na de dood van Samla werd Saül uit Rechobot aan de rivier koning. </VERS>
      <VERS vnumber="49">Na de dood van Saül werd Baäl-Chanan, de zoon van Achbor, koning. </VERS>
      <VERS vnumber="50">Na de dood van Baäl-Chanan werd Hadad koning; de stad waar hij zetelde heette Paï, en zijn vrouw was Mehetabel, die een dochter was van Matred, de dochter van Me-Zahab. </VERS>
      <VERS vnumber="51">Toen stierf Hadad. Er waren ook stamvorsten in Edom: Timna, Alja, Jetet, </VERS>
      <VERS vnumber="52">Oholibama, Ela, Pinon, </VERS>
      <VERS vnumber="53">Kenaz, Teman, Mibsar, </VERS>
      <VERS vnumber="54">Magdiël en Iram. Dit waren de stamvorsten van Edom. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="2">
      <VERS vnumber="1">Dit zijn de zonen van Israël: Ruben, Simeon, Levi en Juda, Issachar en Zebulon, </VERS>
      <VERS vnumber="2">Dan, Jozef en Benjamin, Naftali, Gad en Aser. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Zonen van Juda: Er, Onan en Sela. Deze drie zonen werden hem gebaard door Batsua uit Kanaän. Juda's oudste zoon Er was slecht in de ogen van de HEER, en daarom liet de HEER hem sterven. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Bij zijn schoondochter Tamar verwekte Juda Peres en Zerach. In totaal had hij dus vijf zonen. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Zonen van Peres: Chesron en Chamul. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Zerach had vijf zonen: Zimri, Etan, Heman, Kalkol en Dara. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Zoon van Karmi: Achar, die Israël in het ongeluk stortte doordat hij zich vergreep aan goederen die onvoorwaardelijk aan de HEER waren gewijd. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Zoon van Etan: Azarja. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Chesron kreeg de volgende zonen: Jerachmeël, Ram en Kelubai. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Ram verwekte Amminadab en Amminadab verwekte Nachson, stamhoofd van Juda. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Nachson verwekte Salma, Salma verwekte Boaz, </VERS>
      <VERS vnumber="12">Boaz verwekte Obed en Obed verwekte Isaï. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Isaï verwekte de volgende kinderen: zijn oudste zoon was Eliab, de tweede Abinadab, de derde Sima, </VERS>
      <VERS vnumber="14">de vierde Netanel, de vijfde Raddai, </VERS>
      <VERS vnumber="15">de zesde Osem en de zevende David; </VERS>
      <VERS vnumber="16">hun zusters heetten Seruja en Abigaïl. Seruja had drie zonen: Absai, Joab en Asaël. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Abigaïl was de moeder van Amasa, zijn vader was de Ismaëliet Jeter. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Chesrons zoon Kaleb verwekte bij zijn vrouw Azuba een dochter, Jeriot. Haar zonen waren Jeser, Sobab en Ardon. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Na de dood van Azuba nam hij Efrat tot vrouw. Zij baarde hem Chur. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Chur verwekte Uri en Uri verwekte Besaleël. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Op zestigjarige leeftijd trouwde Chesron met een dochter van Machir, de vader van Gilead. Hij sliep met haar en zij baarde hem Segub. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Segub verwekte Jaïr. Jaïr bezat drieëntwintig nederzettingen in het gebied van Gilead. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Deze zogeheten Dorpen van Jaïr werden ingenomen door Gesur en Aram, zestig nederzettingen in totaal, waaronder Kenat en de omringende dorpen, die allemaal werden bewoond door nakomelingen van Machir, de vader van Gilead. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Ook na de dood van Chesron, die getrouwd was met Abia, sliep Kaleb met Efrat. Toen baarde zij hem Aschur, de stichter van Tekoa. </VERS>
      <VERS vnumber="25">De zonen van Chesrons oudste zoon Jerachmeël waren Ram, de oudste, en Buna, Oren, Osem en Achia. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Jerachmeël had nog een andere vrouw, die Atara heette. Zij was de moeder van Onam. </VERS>
      <VERS vnumber="27">De zonen van Jerachmeëls oudste zoon Ram waren Maäs, Jamin en Eker. </VERS>
      <VERS vnumber="28">De zonen van Onam waren Sammai en Jada. Zonen van Sammai: Nadab en Abisur. </VERS>
      <VERS vnumber="29">De vrouw van Abisur heette Abihaïl, zij baarde hem Achban en Molid. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Zonen van Nadab: Seled en Appaïm. Seled stierf kinderloos, </VERS>
      <VERS vnumber="31">Appaïm had een zoon, Jisi. Zoon van Jisi: Sesan. Zoon van Sesan: Achlai. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Zonen van Sammais broer Jada: Jeter en Jonatan. Jeter stierf kinderloos, </VERS>
      <VERS vnumber="33">Jonatan had de zonen Pelet en Zaza. Zij allen waren nakomelingen van Jerachmeël. </VERS>
      <VERS vnumber="34">(34-35) Sesan had geen zonen, alleen dochters. Een van zijn dochters gaf hij tot vrouw aan zijn dienaar, de Egyptenaar Jarcha. Zij baarde Attai. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Attai verwekte Natan, Natan verwekte Zabad, </VERS>
      <VERS vnumber="37">Zabad verwekte Eflal, Eflal verwekte Obed, </VERS>
      <VERS vnumber="38">Obed verwekte Jehu, Jehu verwekte Azarja, </VERS>
      <VERS vnumber="39">Azarja verwekte Cheles, Cheles verwekte Elasa, </VERS>
      <VERS vnumber="40">Elasa verwekte Sisemai, Sisemai verwekte Sallum, </VERS>
      <VERS vnumber="41">Sallum verwekte Jekamja en Jekamja verwekte Elisama. </VERS>
      <VERS vnumber="42">Nakomelingen van Jerachmeëls broer Kaleb: zijn oudste zoon Mesa was de stichter van Zif, Maresa was de stichter van Hebron. </VERS>
      <VERS vnumber="43">Uit Hebron zijn voortgekomen: Korach, Tappuach, Rekem en Sema. </VERS>
      <VERS vnumber="44">Sema verwekte Racham, de stichter van Jorkeam, en Rekem verwekte Sammai. </VERS>
      <VERS vnumber="45">Sammai had een zoon, Maon, en Maon was de stichter van Bet-Sur. </VERS>
      <VERS vnumber="46">Kalebs bijvrouw Efa baarde Charan, Mosa en Gazez. Charan verwekte Gazez. </VERS>
      <VERS vnumber="47">Zonen van Jodai: Regem, Jotam, Gesan, Pelet, Efa en Saäf. </VERS>
      <VERS vnumber="48">Kalebs bijvrouw Maächa baarde Seber en Tirchana. </VERS>
      <VERS vnumber="49">Zij bracht ook Saäf ter wereld, de stichter van Madmanna, en Sewa, de stichter van Machbena en Gibea. Kaleb had ook een dochter, Achsa. </VERS>
      <VERS vnumber="50">Andere afstammelingen van Kaleb waren de zonen van Efrats oudste zoon Chur: Sobal, de stichter van Kirjat-Jearim, </VERS>
      <VERS vnumber="51">Salma, de stichter van Betlehem, en Charef, de stichter van Bet-Gader. </VERS>
      <VERS vnumber="52">Van Sobal, de stichter van Kirjat-Jearim, stamt Haroë af en de helft van de inwoners van Menuchot. </VERS>
      <VERS vnumber="53">Uit Kirjat-Jearim komen de families Jeter, Put, Suma en Misra, uit wie de bewoners van Sora en Estaol zijn voortgekomen. </VERS>
      <VERS vnumber="54">Van Salma stammen de bewoners van Betlehem, Netofa en Atrot-bet-Joab af, half Manachat, de Sorieten </VERS>
      <VERS vnumber="55">en de families in Jabes die zich op de schrijfkunst hebben toegelegd, namelijk de families Tira, Sima en Sucha, Kenieten uit Chammat, waar ook de Rechabieten vandaan komen. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="3">
      <VERS vnumber="1">Dit zijn de zonen die David in Hebron kreeg: de oudste was Amnon, een zoon van Achinoam uit Jizreël; de tweede was Daniël, een zoon van Abigaïl uit Karmel; </VERS>
      <VERS vnumber="2">de derde was Absalom, een zoon van Maächa, die een dochter was van koning Talmai van Gesur; de vierde was Adonia, een zoon van Chaggit; </VERS>
      <VERS vnumber="3">de vijfde was Sefatja, een zoon van Abital; de zesde was Jitream, een zoon van zijn vrouw Egla. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Zes zonen kreeg hij in Hebron, waar hij zeven jaar en zes maanden regeerde. In Jeruzalem regeerde hij drieëndertig jaar </VERS>
      <VERS vnumber="5">en daar kreeg hij de volgende kinderen: Sima, Sobab, Natan en Salomo, de vier zonen van Batsua, de dochter van Ammiël; </VERS>
      <VERS vnumber="6">(6-9) verder nog negen zonen: Jibchar, Elisama en Elifelet, Noga, Nefeg en Jafia, Elisama, Eljada en Elifelet, en dan nog de zonen van zijn bijvrouwen; hun zuster was Tamar. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Salomo was de vader van Rechabeam, die de vader was van Abia, de vader van Asa, de vader van Josafat, </VERS>
      <VERS vnumber="11">de vader van Joram, de vader van Achazja, de vader van Joas, </VERS>
      <VERS vnumber="12">de vader van Amasja, de vader van Azarja, de vader van Jotam, </VERS>
      <VERS vnumber="13">de vader van Achaz, de vader van Hizkia, de vader van Manasse, </VERS>
      <VERS vnumber="14">de vader van Amon, de vader van Josia. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Zonen van Josia: Jochanan, de oudste, Jojakim, de tweede, Sedekia, de derde, en Sallum, de vierde. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Zonen van Jojakim: Jechonja en Sidkia. </VERS>
      <VERS vnumber="17">De zoon van Jechonja was Assir; diens zonen waren Sealtiël, </VERS>
      <VERS vnumber="18">Malkiram, Pedaja en Senassar, Jekamja, Hosama en Nedabja. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Zonen van Pedaja: Zerubbabel en Simi. Zonen van Zerubbabel: Mesullam en Chananja; hun zuster was Selomit. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Chasuba, Ohel, Berechja, Chasadja en Jusab-Chesed waren vijf andere zonen van Zerubbabel. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Zonen van Chananja: Pelatja en Jesaja. Diens zoon was Refaja, diens zoon was Arnan, diens zoon was Obadja, diens zoon was Sechanja. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Sechanja had zes nakomelingen: zijn zoon Semaja en diens zonen Chattus, Jigal, Bariach, Nearja en Safat. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Nearja had drie zonen: Eljoënai, Chizkia en Azrikam. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Eljoënai had zeven zonen: Hodawja, Eljasib, Pelaja, Akkub, Jochanan, Delaja en Anani. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="4">
      <VERS vnumber="1">Nakomelingen van Juda: Peres, Chesron, Karmi, Chur en Sobal. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Sobals zoon Reaja verwekte Jachat en Jachat verwekte Achumai en Lahad; al deze families komen uit Sora. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Dit zijn de nakomelingen van de stichter van Etam: Jizreël, Jisma en Jidbas. Hun zuster heette Hasselelponi. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Penuël, de stichter van Gedor, en Ezer, de stichter van Chusa. Dit waren de nakomelingen van Chur, de oudste zoon van Efrat en de stichter van Betlehem. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Aschur, de stichter van Tekoa, had twee vrouwen, Chela en Naära. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Naära baarde hem Achuzzam, Chefer en de stamvaders van de families Temen en Achastar, allemaal nakomelingen van Naära. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Zonen van Chela: Seret, Jesochar en Etnan. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Kos verwekte Anub en Hassobeba en was de stamvader van de families van Acharchel, de zoon van Harum. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Jabes stond in hoger aanzien dan zijn broers. Zijn moeder had hem Jabes genoemd, 'want, 'zei ze, 'ik heb hem in pijn gebaard.' </VERS>
      <VERS vnumber="10">Jabes bad tot de God van Israël: 'Zegen mij: maak mijn grondgebied groot en bescherm me tegen het kwaad, zodat ik geen pijn hoef te lijden.' God gaf hem wat hij gevraagd had. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Kelub, de broer van Sucha, verwekte Mechir, de vader van Eston. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Eston verwekte Bet-Rafa, Paseach en Techinna, de stichter van de stad Nachas. Zij waren inwoners van Recha. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Zonen van Kenaz: Otniël en Seraja. Zoon van Otniël: Chatat. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Meonotai verwekte Ofra en Seraja verwekte Joab, de stichter van Gai-Charasim. Deze plaats werd zo genoemd omdat er handwerkslieden woonden. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Zonen van Kaleb, de zoon van Jefunne: Iru, Ela en Naäm. Zoon van Ela: Kenaz. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Zonen van Jehallelel: Zif en Zifa, Tireja en Asarel. </VERS>
      <VERS vnumber="17">(17-18) Zonen van Ezra: Jeter, Mered, Efer en Jalon. Mered nam Bitja tot vrouw, een dochter van de farao. Zij werd zwanger en baarde Mirjam, Sammai en Jisbach, de stichter van Estemoa. Dit waren de nakomelingen van Bitja. Zijn Judese vrouw baarde hem Jered, de stichter van Gedor, Cheber, de stichter van Socho, en Jekutiël, de stichter van Zanoach. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Afstammelingen van de vrouw van Hodia, de zuster van Nacham: de stichter van Keïla, de stad van de Garmieten, en Estemoa, de stad van de Maächatieten. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Zonen van Simon: Amnon en Rinna, Ben-Chanan en Tilon. Zonen van Jisi: Zochet en Ben-Zochet. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Nakomelingen van Juda's zoon Sela: Er, de stichter van Lecha; Lada, de stichter van Maresa; de families van linnenwevers in Bet-Asbea; </VERS>
      <VERS vnumber="22">en verder Jokim, de burgers van Kozeba, en Joas en Saraf, die in Moabitische families trouwden en later terugkeerden naar Betlehem, zoals oude bronnen vermelden. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Zij waren pottenbakkers in dienst van de koning en woonden in Netaïm en Gedera. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Zonen van Simeon: Nemuël, Jamin, Jarib, Zerach en Saül. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Saül was de vader van Sallum, die de vader was van Mibsam, de vader van Misma. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Nakomelingen van Misma: Misma was de vader van Chammuël, die de vader was van Zakkur, de vader van Simi. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Simi had zestien zonen en zes dochters; zijn broers hadden niet veel kinderen. Al deze families waren samen minder talrijk dan de nakomelingen van Juda. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Zij woonden in Berseba, Molada en Chasar-Sual, </VERS>
      <VERS vnumber="29">in Bilha, Esem en Tolad, </VERS>
      <VERS vnumber="30">in Betuël, Chorma en Siklag, </VERS>
      <VERS vnumber="31">in Bet-Hammarkabot, Chasar-Susim, Bet-Biri en Saäraïm. Tot koning David aan de macht kwam behoorden deze steden </VERS>
      <VERS vnumber="32">en de omliggende dorpen aan hen toe. Vijf andere plaatsen waar zij zich hadden gevestigd waren Etam, Aïn, Rimmon, Tochen en Asan, </VERS>
      <VERS vnumber="33">elk met de omliggende dorpen, tot aan Baäl. In hun geslachtslijst staan: </VERS>
      <VERS vnumber="34">Mesobab, Jamlech en Josa, de zoon van Amasja, </VERS>
      <VERS vnumber="35">Joël en Jehu, die de zoon was van Josibja, de zoon van Seraja, de zoon van Asiël, </VERS>
      <VERS vnumber="36">Eljoënai, Jaäkoba, Jesochaja, Asaja, Adiël, Jesimiël, Benaja </VERS>
      <VERS vnumber="37">en Ziza, die de zoon was van Sifi, de zoon van Allon, de zoon van Jedaja, de zoon van Simri, de zoon van Semaja. </VERS>
      <VERS vnumber="38">Deze bij name genoemde personen waren familiehoofden. Omdat hun families sterk in omvang waren toegenomen, </VERS>
      <VERS vnumber="39">trokken ze naar Gedor, en van daar oostwaarts de vallei in, om nieuwe weidegronden te zoeken voor hun schapen en geiten. </VERS>
      <VERS vnumber="40">Ze vonden er een uitgestrekt gebied met vruchtbare, goede weidegronden. De bevolking, afstammelingen van Cham, leefde er rustig en onbezorgd. </VERS>
      <VERS vnumber="41">In de tijd van koning Hizkia van Juda vielen bovengenoemde familiehoofden het gebied binnen. Ze vernielden de tenten, maakten de bronnen onbruikbaar en verdreven de hele bevolking, die nooit meer is teruggekeerd. Ze zijn er zelf gaan wonen, omdat daar weidegronden voor hun kudden waren. </VERS>
      <VERS vnumber="42">Vijfhonderd leden van de stam Simeon trokken onder aanvoering van Jisi's zonen Pelatja, Nearja, Refaja en Uzziël naar het Seïrgebergte. </VERS>
      <VERS vnumber="43">Daar doodden ze de overgebleven Amalekieten, en sindsdien wonen ze er, tot op de dag van vandaag. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="5">
      <VERS vnumber="1">Zonen van Ruben, de oudste zoon van Israël-Ruben was de oudste zoon, maar omdat hij zijn vaders bed had ontwijd, ging zijn eerstgeboorterecht over op de nakomelingen van Israëls zoon Jozef, hoewel deze niet als eerstgeborene staat ingeschreven. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Juda was sterker dan zijn broers en er is een vorst uit hem voortgekomen, maar het eerstgeboorterecht ging over op Jozef- </VERS>
      <VERS vnumber="3">zonen van Ruben, de oudste zoon van Israël: Chanoch en Pallu, Chesron en Karmi. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Nakomelingen van Joël: Joël was de vader van Semaja, die de vader was van Gog, de vader van Simi, </VERS>
      <VERS vnumber="5">de vader van Micha, de vader van Reaja, de vader van Baäl, </VERS>
      <VERS vnumber="6">de vader van Beëra. Beëra, die door koning Tiglatpileser van Assyrië als balling werd weggevoerd, stond aan het hoofd van de stam Ruben. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Zijn verwanten, zoals ze in de geslachtslijsten staan ingeschreven: Jeïel, de belangrijkste, Zecharja </VERS>
      <VERS vnumber="8">en Bela, die de zoon was van Azaz, de zoon van Sema, de zoon van Joël. Bela woonde in het gebied dat zich uitstrekt van Aroër tot aan Nebo en Baäl-Meon. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Naar het oosten strekte het woongebied van de stam Ruben zich uit tot aan de woestijn langs de Eufraat, want Gilead was niet groot genoeg voor hun kudden. </VERS>
      <VERS vnumber="10">In de tijd van Saul vielen ze de Hagrieten aan. Ze overwonnen hen en gingen in hun tentenkampen wonen, in heel het gebied ten oosten van Gilead. </VERS>
      <VERS vnumber="11">De nakomelingen van Gad woonden in het gebied dat grensde aan dat van de stam Ruben, in Basan, tot aan Salka. </VERS>
      <VERS vnumber="12">De belangrijkste was Joël; Safam was de tweede man. Ook Janai en Safat woonden in Basan. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Hun stamgenoten waren Michaël, Mesullam, Seba, Jorai, Jakan, Zia en Eber: zeven families. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Zij waren nakomelingen van Abichaïl, die de zoon was van Churi, de zoon van Jaroach, de zoon van Gilead, de zoon van Michaël, de zoon van Jesisai, de zoon van Jachdo, de zoon van Buz. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Achi, de zoon van Abdiël, de zoon van Guni, stond aan het hoofd van deze families. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Ze woonden in de dorpen van Gilead en Basan, tot in de verste uithoeken van de weidegronden van Saron. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Al deze families lieten zich inschrijven in de tijd van koning Jotam van Juda en koning Jerobeam van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Ruben, Gad en Oost-Manasse hadden een legermacht van vierenveertigduizend zevenhonderdzestig geoefende en strijdvaardige krijgslieden, bewapend met kleine schilden, zwaarden en bogen. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Ze deden een aanval op de Hagritische stammen Jetur, Nafis en Nodab. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Daar de Israëlieten in hun strijd geholpen werden, vielen de Hagrieten en hun bondgenoten hun in handen. Tijdens de gevechten riepen ze God aan, en omdat ze hun vertrouwen in hem stelden, stond hij hen bij. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Ze maakten vee buit: vijftigduizend kamelen, tweehonderdvijftigduizend schapen en geiten, en tweeduizend ezels, en ze namen honderdduizend mensen gevangen. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Het aantal gesneuvelden was enorm, want God had de strijd gevoerd. De overwinnaars bleven in het veroverde gebied wonen tot aan de tijd van de ballingschap. </VERS>
      <VERS vnumber="23">De leden van de oostelijke helft van de stam Manasse woonden in het gebied tussen Basan en de Baäl-Hermon en de Senir in het Hermonmassief. Ze waren zeer talrijk. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Hun familiehoofden waren Efer, Jisi, Eliël, Azriël, Jirmeja, Hodawja en Jachdiël, dappere krijgslieden en achtenswaardige familiehoofden. </VERS>
      <VERS vnumber="25">(25-26) Na verloop van tijd werden Ruben, Gad en Oost-Manasse de God van hun voorouders ontrouw en begonnen ze zich af te geven met de goden van de volken die God voor hen uit het land had verdreven. Daarom zette de God van Israël koning Pul van Assyrië, ook bekend als Tiglatpileser, ertoe aan om hen als ballingen weg te voeren. Hij bracht hen naar Chalach, Chabor, Hara en de rivier van Gozan, en daar wonen ze tot op de dag van vandaag. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="6">
      <VERS vnumber="1">(5:27) Zonen van Levi: Gerson, Kehat en Merari. </VERS>
      <VERS vnumber="2">(5:28) Zonen van Kehat: Amram, Jishar, Chebron en Uzziël. </VERS>
      <VERS vnumber="3">(5:29) Kinderen van Amram: Aäron, Mozes en Mirjam. Zonen van Aäron: Nadab en Abihu, Eleazar en Itamar. </VERS>
      <VERS vnumber="4">(5:30) Eleazar verwekte Pinechas, Pinechas verwekte Abisua, </VERS>
      <VERS vnumber="5">(5:31) Abisua verwekte Bukki, Bukki verwekte Uzzi, </VERS>
      <VERS vnumber="6">(5:32) Uzzi verwekte Zerachja, Zerachja verwekte Merajot, </VERS>
      <VERS vnumber="7">(5:33) Merajot verwekte Amarja, Amarja verwekte Achitub, </VERS>
      <VERS vnumber="8">(5:34) Achitub verwekte Sadok, Sadok verwekte Achimaäs, </VERS>
      <VERS vnumber="9">(5:35) Achimaäs verwekte Azarja, Azarja verwekte Jochanan, </VERS>
      <VERS vnumber="10">(5:36) Jochanan verwekte Azarja, die als eerste het priesterambt bekleedde in de tempel die Salomo in Jeruzalem bouwde. </VERS>
      <VERS vnumber="11">(5:37) Deze Azarja verwekte Amarja, Amarja verwekte Achitub, </VERS>
      <VERS vnumber="12">(5:38) Achitub verwekte Sadok, Sadok verwekte Sallum, </VERS>
      <VERS vnumber="13">(5:39) Sallum verwekte Chilkia, Chilkia verwekte Azarja, </VERS>
      <VERS vnumber="14">(5:40) Azarja verwekte Seraja en Seraja verwekte Josadak, </VERS>
      <VERS vnumber="15">(5:41) die als balling werd meegevoerd toen de HEER de inwoners van Juda en Jeruzalem door Nebukadnessar liet wegvoeren. </VERS>
      <VERS vnumber="16">(6:1) Zonen van Levi: Gerson, Kehat en Merari. </VERS>
      <VERS vnumber="17">(6:2) De zonen van Gerson heetten Libni en Simi. </VERS>
      <VERS vnumber="18">(6:3) Zonen van Kehat: Amram, Jishar, Chebron en Uzziël. </VERS>
      <VERS vnumber="19">(6:4) Zonen van Merari: Machli en Musi. Dit zijn de Levitische families, geordend naar hun stamvaders: </VERS>
      <VERS vnumber="20">(6:5) Gerson had een zoon, Libni. Libni was de vader van Jachat, die de vader was van Zimma, </VERS>
      <VERS vnumber="21">(6:6) de vader van Joach, de vader van Iddo, de vader van Zerach, de vader van Jeaterai. </VERS>
      <VERS vnumber="22">(6:7) Nakomelingen van Kehat: Kehat was de vader van Amminadab, die de vader was van Korach, de vader van Assir, </VERS>
      <VERS vnumber="23">(6:8) de vader van Elkana, de vader van Ebjasaf, de vader van Assir, </VERS>
      <VERS vnumber="24">(6:9) de vader van Tachat, de vader van Uriël, de vader van Uzzia, de vader van Saül. </VERS>
      <VERS vnumber="25">(6:10) Zonen van Elkana: Amasai, Achimot </VERS>
      <VERS vnumber="26">(6:11) en Elkana. Nakomelingen van Elkana: Elkana was de vader van Sofai, die de vader was van Nachat, </VERS>
      <VERS vnumber="27">(6:12) de vader van Eliab, de vader van Jerocham, de vader van Elkana. </VERS>
      <VERS vnumber="28">(6:13) Zonen van Samuël: Wasni, de oudste, en Abia. </VERS>
      <VERS vnumber="29">(6:14) Nakomelingen van Merari: Merari was de vader van Machli, die de vader was van Libni, de vader van Simi, de vader van Uzza, </VERS>
      <VERS vnumber="30">(6:15) de vader van Sima, de vader van Chaggia, de vader van Asaja. </VERS>
      <VERS vnumber="31">(6:16) Hier volgen degenen die David aanstelde voor de lofzang bij het heiligdom van de HEER nadat de ark daar was ondergebracht. </VERS>
      <VERS vnumber="32">(6:17) Totdat Salomo in Jeruzalem voor de HEER een tempel bouwde, verrichtten zij hun dienst voor de tabernakel van de HEER, de ontmoetingstent. Zij traden daar altijd in dezelfde opstelling aan. </VERS>
      <VERS vnumber="33">(6:18) Dit zijn degenen die dit ambt van vader op zoon vervulden: Heman, de voorzanger, uit de familie van Kehat-hij was een zoon van Joël, die de zoon was van Samuël, </VERS>
      <VERS vnumber="34">(6:19) de zoon van Elkana, de zoon van Jerocham, de zoon van Eliël, de zoon van Toach, </VERS>
      <VERS vnumber="35">(6:20) de zoon van Suf, de zoon van Elkana, de zoon van Machat, de zoon van Amasai, </VERS>
      <VERS vnumber="36">(6:21) de zoon van Elkana, de zoon van Joël, de zoon van Azarja, de zoon van Sefanja, </VERS>
      <VERS vnumber="37">(6:22) de zoon van Tachat, de zoon van Assir, de zoon van Ebjasaf, de zoon van Korach, </VERS>
      <VERS vnumber="38">(6:23) de zoon van Jishar, de zoon van Kehat, de zoon van Levi, de zoon van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="39">(6:24) Rechts van hem stond zijn stamgenoot Asaf, die de zoon was van Berechja, de zoon van Sima, </VERS>
      <VERS vnumber="40">(6:25) de zoon van Michaël, de zoon van Baäseja, de zoon van Malkia, </VERS>
      <VERS vnumber="41">(6:26) de zoon van Etni, de zoon van Zerach, de zoon van Adaja, </VERS>
      <VERS vnumber="42">(6:27) de zoon van Etan, de zoon van Zimma, de zoon van Simi, </VERS>
      <VERS vnumber="43">(6:28) de zoon van Jachat, de zoon van Gerson, de zoon van Levi. </VERS>
      <VERS vnumber="44">(6:29) Aan de linkerkant stonden de nakomelingen van Merari, ook stamgenoten: Etan, die de zoon was van Kisi, de zoon van Abdi, de zoon van Malluch, </VERS>
      <VERS vnumber="45">(6:30) de zoon van Chasabja, de zoon van Amasja, de zoon van Chilkia, </VERS>
      <VERS vnumber="46">(6:31) de zoon van Amsi, de zoon van Bani, de zoon van Semer, </VERS>
      <VERS vnumber="47">(6:32) de zoon van Machli, de zoon van Musi, de zoon van Merari, de zoon van Levi. </VERS>
      <VERS vnumber="48">(6:33) De andere Levieten moesten verschillende werkzaamheden verrichten in en om de tabernakel, het huis van God. </VERS>
      <VERS vnumber="49">(6:34) Maar de uitvoering van de allerheiligste taken, het brengen van offers op het brandofferaltaar en het reukofferaltaar, was voorbehouden aan Aäron en zijn nakomelingen. Ook moesten zij voor Israël verzoening bewerken volgens de voorschriften van Mozes, de dienaar van God. </VERS>
      <VERS vnumber="50">(6:35) Dit zijn de nakomelingen van Aäron: Aäron was de vader van Eleazar, die de vader was van Pinechas, de vader van Abisua, </VERS>
      <VERS vnumber="51">(6:36) de vader van Bukki, de vader van Uzzi, de vader van Zerachja, </VERS>
      <VERS vnumber="52">(6:37) de vader van Merajot, de vader van Amarja, de vader van Achitub, </VERS>
      <VERS vnumber="53">(6:38) de vader van Sadok, de vader van Achimaäs. </VERS>
      <VERS vnumber="54">(6:39) Dit zijn de gebieden waar de Levieten in hun tentenkampen woonden: Het eerste lot viel op de families van de Kehatieten die nakomelingen waren van Aäron. </VERS>
      <VERS vnumber="55">(6:40) In het stamgebied van Juda kregen zij Hebron met de omliggende weidegronden. </VERS>
      <VERS vnumber="56">(6:41) De akkers rond de stad en de omliggende dorpen werden echter aan Kaleb gegeven, de zoon van Jefunne. </VERS>
      <VERS vnumber="57">(6:42) De nakomelingen van Aäron kregen behalve Hebron, een vrijplaats, ook de vrijplaatsen Libna, Jattir, Estemoa, </VERS>
      <VERS vnumber="58">(6:43) Chilez, Debir, </VERS>
      <VERS vnumber="59">(6:44) Asan en Bet-Semes, elk met de omliggende weidegronden. </VERS>
      <VERS vnumber="60">(6:45) In het stamgebied van Benjamin kregen ze Geba, Alemet en Anatot met de omliggende weidegronden. In totaal kregen deze families dertien steden. </VERS>
      <VERS vnumber="61">(6:46) Aan de overige nakomelingen van Kehat werden door loting tien steden toegewezen van de families uit de westelijke helft van de stam Manasse. </VERS>
      <VERS vnumber="62">(6:47) Aan de families van de nakomelingen van Gerson werden dertien steden toegewezen van de stammen Issachar, Aser, Naftali en Manasse in Basan. </VERS>
      <VERS vnumber="63">(6:48) Aan de families van de nakomelingen van Merari werden door loting twaalf steden toegewezen van de stammen Ruben, Gad en Zebulon. </VERS>
      <VERS vnumber="64">(6:49) De Israëlieten stonden dus steden en weidegronden aan de Levieten af. </VERS>
      <VERS vnumber="65">(6:50) Uit de stamgebieden van Juda, Simeon en Benjamin werden hun door loting de hierboven genoemde steden toegewezen. </VERS>
      <VERS vnumber="66">(6:51) Verder kregen de families van de nakomelingen van Kehat de volgende steden van de stam Efraïm tot hun beschikking: </VERS>
      <VERS vnumber="67">(6:52) de vrijplaatsen Sichem, in het bergland van Efraïm, Gezer, </VERS>
      <VERS vnumber="68">(6:53) Jokmeam, Bet-Choron, </VERS>
      <VERS vnumber="69">(6:54) Ajjalon en Gat-Rimmon, elk met de omliggende weidegronden. </VERS>
      <VERS vnumber="70">(6:55) Van de westelijke helft van de stam Manasse kregen ze Aner en Bileam en de omliggende weidegronden. Deze waren bestemd voor de families van de overige nakomelingen van Kehat. </VERS>
      <VERS vnumber="71">(6:56) De nakomelingen van Gerson kregen van de oostelijke helft van de stam Manasse Golan, in Basan, en Astarot, elk met de omliggende weidegronden. </VERS>
      <VERS vnumber="72">(6:57) In het stamgebied van Issachar kregen ze Kedes, Daberat, </VERS>
      <VERS vnumber="73">(6:58) Ramot en Anem met de omliggende weidegronden. </VERS>
      <VERS vnumber="74">(6:59) Van de stam Aser kregen ze Masal, Abdon, </VERS>
      <VERS vnumber="75">(6:60) Chukok en Rechob met de omliggende weidegronden </VERS>
      <VERS vnumber="76">(6:61) en van de stam Naftali kregen ze Kedes in Galilea, Chammon en Kirjataïm, elk met de omliggende weidegronden. </VERS>
      <VERS vnumber="77">(6:62) De overigen, de nakomelingen van Merari, kregen in het stamgebied van Zebulon Rimmono en Tabor met de omliggende weidegronden. </VERS>
      <VERS vnumber="78">(6:63) Aan de overkant van de Jordaan, op het onontgonnen deel van de hoogvlakte, kregen ze van de stam Ruben Beser, ter hoogte van Jericho maar dan dus aan de overkant, en verder Jahas, </VERS>
      <VERS vnumber="79">(6:64) Kedemot en Mefaät, elk met de omliggende weidegronden. </VERS>
      <VERS vnumber="80">(6:65) En in het stamgebied van Gad kregen ze Ramot in Gilead, Machanaïm, </VERS>
      <VERS vnumber="81">(6:66) Chesbon en Jazer, elk met de omliggende weidegronden. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="7">
      <VERS vnumber="1">Issachar had vier zonen: Tola en Pua, Jasub en Simron. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Zonen van Tola: Uzzi, Refaja, Jeriël, Jachmai, Jibsam en Semuël. Deze dappere krijgslieden staan in de geslachtslijsten als familiehoofden van de Tolaïeten. In de tijd van David telde deze familie 22.600 mannen. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Zoon van Uzzi: Jizrachja. Zonen van Jizrachja: Michaël, Obadja, Joël en Jissia, vijf familiehoofden. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Ze hadden zo veel vrouwen en kinderen dat voor hun families 36.000 man gevechtstroepen in de geslachtslijsten staan. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Ook voor de andere families van Issachar staan vele weerbare mannen ingeschreven, 87.000 in totaal. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Benjamin had drie zonen: Bela, Becher en Jediaël. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Bela had vijf zonen: Esbon, Uzzi, Uzziël, Jerimot en Iri. Zij waren familiehoofden, dappere krijgslieden. Voor hun families staan 22.034 mannen ingeschreven. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Zonen van Becher: Zemira, Joas, Eliëzer, Eljoënai, Omri, Jeremot, Abia, Anatot en Alemet; allemaal zonen van Becher. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Voor de families van deze familiehoofden staan in de geslachtslijsten 22.200 weerbare mannen ingeschreven. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Zoon van Jediaël: Bilhan. Zonen van Bilhan: Jeüs, Benjamin, Ehud, Kenaäna, Zetan, Tarsis en Achisachar; </VERS>
      <VERS vnumber="11">allemaal nakomelingen van Jediaël. Zij waren familiehoofden, dappere krijgslieden. Van hun families waren 17.200 mannen in krijgsdienst. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Suppim en Chuppim waren zonen van Ir; Chusim was een zoon van Acher. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Zonen van Naftali: Jachasiël, Guni, Jeser en Sallum, zonen van Bilha. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Zoon van Manasse: Asriël. Zijn Aramese bijvrouw baarde Machir, de vader van Gilead. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Machir nam vrouwen voor Chuppim en Suppim. Zijn zuster heette Maächa. Een andere nakomeling van Manasse heette Selofchad. Selofchad kreeg dochters. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Machirs vrouw Maächa baarde een zoon, die zij Peres noemde. Zijn broer heette Seres. Zonen van Seres: Ulam en Rekem. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Zoon van Ulam: Bedan. Dit waren de nakomelingen van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Machirs zuster Molechet baarde Ishod, Abiëzer en Machla. </VERS>
      <VERS vnumber="19">De zonen van Semida waren Achjan, Sechem, Likchi en Aniam. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Nakomelingen van Efraïm: Efraïm was de vader van Sutelach, die de vader was van Bered, de vader van Tachat, de vader van Elada, de vader van Tachat, </VERS>
      <VERS vnumber="21">de vader van Zabad, de vader van Sutelach. Efraïms andere zonen, Ezer en Elad, werden door de inheemse bevolking van Gat vermoord toen ze daar vee probeerden te stelen. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Hun vader Efraïm rouwde lange tijd over hen, en zijn verwanten kwamen hem troosten. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Hij sliep met zijn vrouw en ze werd zwanger. Ze baarde een zoon, die hij Beria noemde, omdat hij verwekt was toen het huis door onheil was getroffen. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Zijn dochter was Seëra; zij stichtte Laag-Bet-Choron, Hoog-Bet-Choron en Uzzen-Seëra. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Hij had ook een zoon, Refach. Refach was de vader van Resef, die de vader was van Telach, de vader van Tachan, </VERS>
      <VERS vnumber="26">de vader van Ladan, de vader van Ammihud, de vader van Elisama, </VERS>
      <VERS vnumber="27">de vader van Nun, de vader van Jozua. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Hun grondgebied omvatte de volgende steden, elk met de omliggende dorpen: Betel, in oostelijke richting Naäran, in westelijke richting Gezer, en ook het gebied van Sichem tot aan Ajja. </VERS>
      <VERS vnumber="29">De stam Manasse bezat Bet-San, Taänach, Megiddo en Dor, elk met de omliggende dorpen. Dit waren de gebieden waar de nakomelingen van Israëls zoon Jozef woonden. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Kinderen van Aser: Jimna, Jiswa, Jiswi, Beria en hun zuster Serach. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Zonen van Beria: Cheber en Malkiël, de stichter van Bir-Zaït. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Cheber verwekte Jaflet, Somer, Chotam en hun zuster Sua. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Zonen van Jaflet: Pasach, Bimhal en Aswat; zij waren de zonen van Jaflet. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Zonen van Semer: Achi en Roga, Jechubba en Aram. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Zonen van zijn broer Helem: Sofach, Jimna, Seles en Amal. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Zonen van Sofach: Suach, Charnefer, Sual, Beri en Jimra, </VERS>
      <VERS vnumber="37">Beser, Hod, Samma, Silsa, Jitran en Beëra. </VERS>
      <VERS vnumber="38">Zonen van Jeter: Jefunne, Pispa en Ara. </VERS>
      <VERS vnumber="39">Zonen van Ulla: Arach, Channiël en Risja. </VERS>
      <VERS vnumber="40">Zij allen waren nakomelingen van Aser, familiehoofden, beroemde, weerbare mannen, stamvorsten. Van hun families staan zesentwintigduizend mannen voor de krijgsdienst ingeschreven. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="8">
      <VERS vnumber="1">Benjamin verwekte vijf zonen: Bela, de oudste, Asbel, de tweede, Achrach, de derde, </VERS>
      <VERS vnumber="2">Nocha, de vierde, en Rafa, de vijfde. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Bela had de zonen Addar, Gera, Abihud, </VERS>
      <VERS vnumber="4">Abisua, Naäman, Achoach, </VERS>
      <VERS vnumber="5">Gera, Sefufan en Churam. </VERS>
      <VERS vnumber="6">En dit zijn de zonen van Echud-zij waren de familiehoofden van de inwoners van Geba, die als ballingen naar Manachat werden gevoerd: </VERS>
      <VERS vnumber="7">Naäman, Achia en Gera. Onder Gera's leiding werden ze weggevoerd. Hij verwekte Uzza en Achichud. </VERS>
      <VERS vnumber="8">(8-9) Sacharaïm, die op de hoogvlakte van Moab woonde, verwekte bij zijn vrouw Chodes de volgende zonen, nadat hij zijn vrouwen Chusim en Baära had weggestuurd: Jobab, Sibja, Mesa en Malkam, </VERS>
      <VERS vnumber="10">Jeüs, Sochja en Mirma. Deze zonen van Sacharaïm waren familiehoofden. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Bij Chusim had hij Abitub en Elpaäl verwekt. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Zonen van Elpaäl: Eber, Misam, Semed (die Ono en Lod en de omliggende dorpen stichtte), </VERS>
      <VERS vnumber="13">Beria en Sema. Zij waren de familiehoofden van de inwoners van Ajjalon, die de inwoners van Gat op de vlucht joegen. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Achio, Sasak en Jeremot, </VERS>
      <VERS vnumber="15">Zebadja, Arad en Eder, </VERS>
      <VERS vnumber="16">Michaël, Jispa en Jocha waren de zonen van Beria. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Zebadja, Mesullam, Chizki en Cheber, </VERS>
      <VERS vnumber="18">Jismerai, Jizlia en Jobab waren de zonen van Elpaäl. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Jakim, Zichri en Zabdi, </VERS>
      <VERS vnumber="20">Eliënai, Silletai en Eliël, </VERS>
      <VERS vnumber="21">Adaja, Beraja en Simrat waren de zonen van Simi. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Jispan, Eber en Eliël, </VERS>
      <VERS vnumber="23">Abdon, Zichri en Chanan, </VERS>
      <VERS vnumber="24">Chananja, Elam en Antotia, </VERS>
      <VERS vnumber="25">Jifdeja en Peniël waren de zonen van Sasak. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Samserai, Secharja en Atalja, </VERS>
      <VERS vnumber="27">Jaäresja, Elia en Zichri waren de zonen van Jerocham. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Zij staan in de geslachtslijsten als familiehoofden. Ze woonden met hun families in Jeruzalem. </VERS>
      <VERS vnumber="29">In Gibeon woonde de stichter van Gibeon met zijn vrouw, die Maächa heette, en zijn zonen: </VERS>
      <VERS vnumber="30">Abdon, de oudste, en Sur, Kis, Baäl en Nadab, </VERS>
      <VERS vnumber="31">Gedor, Achio en Zecher. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Miklot verwekte Sima. Zij volgden het voorbeeld van hun verwanten en vestigden zich bij hen in Jeruzalem. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Ner verwekte Kis, Kis verwekte Saul, Saul verwekte Jonatan, Malkisua, Abinadab en Esbaäl. </VERS>
      <VERS vnumber="34">De zoon van Jonatan was Meribbaäl. Meribbaäl verwekte Micha. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Zonen van Micha: Piton, Melech, Tarea en Achaz. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Achaz verwekte Jehoadda, Jehoadda verwekte Alemet, Azmawet en Zimri. Zimri verwekte Mosa </VERS>
      <VERS vnumber="37">en Mosa verwekte Bina. Bina was de vader van Rafa, de vader van Elasa, de vader van Asel. </VERS>
      <VERS vnumber="38">Asel had zes zonen. Zij heetten Azrikam, Bocheru, Jismaël, Searja, Obadja en Chanan; allemaal zonen van Asel. </VERS>
      <VERS vnumber="39">Zonen van Asels broer Esek: Ulam, de oudste, Jeüs, de tweede, en Elifelet, de derde. </VERS>
      <VERS vnumber="40">De zonen van Ulam waren dappere krijgslieden, boogschutters. Ze kregen veel zonen en kleinzonen, honderdvijftig in totaal. Zij allen waren afstammelingen van Benjamin. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="9">
      <VERS vnumber="1">Zo is heel Israël ingeschreven in de registers die zijn opgenomen in de kroniek van de koningen van Israël. De Judeeërs waren vanwege hun ontrouw als ballingen naar Babylonië gevoerd. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Nu keerden de rechtmatige eigenaars weer terug naar hun bezittingen in de verschillende steden: gewone Israëlieten, priesters, Levieten en tempelknechten. </VERS>
      <VERS vnumber="3">In Jeruzalem vestigden zich families uit de stammen Juda, Benjamin, Efraïm en Manasse: </VERS>
      <VERS vnumber="4">Utai, de zoon van Ammihud, die de zoon was van Omri, de zoon van Imri, de zoon van Bani, uit de familie van Juda's zoon Peres. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Van de Silonieten: Asaja, de oudste, en zijn zonen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Uit de familie van Zerach: Jeüel. In totaal zeshonderdnegentig Judeeërs. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Uit de stam Benjamin: Sallu, die de zoon was van Mesullam, de zoon van Hodawja, de zoon van Hassenua; </VERS>
      <VERS vnumber="8">Jibneja, de zoon van Jerocham; Ela, die de zoon was van Uzzi, de zoon van Michri; en Mesullam, die de zoon was van Sefatja, de zoon van Reüel, de zoon van Jibnia. </VERS>
      <VERS vnumber="9">De geslachtslijst van de Benjaminieten vermeldt negenhonderdzesenvijftig namen in totaal. Bovengenoemde personen waren allen familiehoofden. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Verder woonden er de priesters Jedaja, Jojarib, Jachin, </VERS>
      <VERS vnumber="11">Azarja, die in de tempel van God de leiding had en de zoon was van Chilkia, de zoon van Mesullam, de zoon van Sadok, de zoon van Merajot, de zoon van Achitub, </VERS>
      <VERS vnumber="12">Adaja, die de zoon was van Jerocham, de zoon van Paschur, de zoon van Malkia, en Masai, die de zoon was van Adiël, de zoon van Jachzera, de zoon van Mesullam, de zoon van Mesillemit, de zoon van Immer. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Zij waren de hoofden van de priesterfamilies, die in totaal zeventienhonderdzestig leden telden, allemaal aanzienlijke personen die betrokken waren bij de eredienst in de tempel van God. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Ook woonden er de volgende Levieten: uit de familie van Merari: Semaja, die de zoon was van Chassub, de zoon van Azrikam, de zoon van Chasabja, </VERS>
      <VERS vnumber="15">en verder Bakbakkar, Cheres, Galal, Mattanja, die de zoon was van Micha, de zoon van Zichri, de zoon van Asaf, </VERS>
      <VERS vnumber="16">Obadja, die de zoon was van Semaja, de zoon van Galal, de zoon van Jedutun, en Berechja, die de zoon was van Asa, de zoon van Elkana uit een van de dorpen bij Netofa. </VERS>
      <VERS vnumber="17">De poortwachters waren Sallum, Akkub, Talmon en Achiman. (Sallum, die familie was van de drie anderen, was de belangrijkste. </VERS>
      <VERS vnumber="18">De oostelijke poort, de Koningspoort, wordt tot op de dag van vandaag bewaakt door zijn rechtstreekse afstammelingen.) Zij behoorden tot de poortwachters uit het kamp van de Levieten. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Sallum, die een nakomeling was van Kore, de zoon van Ebjasaf, de zoon van Korach, was samen met zijn verwanten uit de familie van Korach belast met de bewaking van de ingang van de tent, zoals hun voorouders vroeger de toegang tot het kamp van de HEER hadden bewaakt. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Pinechas, de zoon van Eleazar, had over hen de leiding gehad en de HEER had hem ter zijde gestaan. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Zecharja, de zoon van Meselemja, bewaakte de ingang van de ontmoetingstent. </VERS>
      <VERS vnumber="22">In totaal waren tweehonderdtwaalf mannen, die in verschillende dorpen stonden ingeschreven, als poortwachters aangesteld. De instelling van hun ambt gaat terug op David en de ziener Samuël. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Zij en hun nakomelingen bewaakten de ingangen van de tent van de HEER en de poorten van de tempel volgens een strikt wachtrooster. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Naar elk van de vier windstreken hielden poortwachters de wacht: aan de oostkant, aan de westkant, aan de noordkant en aan de zuidkant. </VERS>
      <VERS vnumber="25">De wachtploegen werden gevormd door hun verwanten, die op geregelde tijden uit hun woonplaatsen kwamen om zeven dagen wacht te lopen. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Omdat de vier leiders van de poortwachters-alle vier Levieten-ambtshalve steeds ter plaatse waren, werden zij tevens belast met het toezicht op de voorraadkamers en de schatkamers van de tempel van God. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Wanneer ze wachtdienst hadden, bleven ze ook 's nachts bij het heiligdom, en elke morgen ontsloten ze de poorten. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Andere Levieten waren verantwoordelijk voor de voorwerpen die nodig waren bij de eredienst en die voor en na gebruik werden geteld, </VERS>
      <VERS vnumber="29">of voor de andere gewijde voorwerpen en benodigdheden, de tarwebloem, de wijn, de olijfolie, de wierook en het reukwerk. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Het samenstellen van de welriekende mengsels was echter voorbehouden aan de leden van bepaalde priesterfamilies. </VERS>
      <VERS vnumber="31">De Leviet Mattitja, de oudste zoon van Sallum uit de familie van Korach, was ambtshalve belast met het toezicht op de bakkerij. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Weer andere Levieten, uit de familie van Kehat, moesten voor het toonbrood zorgen en het elke sabbat vervangen. </VERS>
      <VERS vnumber="33">De zangers, Levitische familiehoofden, waren vrijgesteld van het werk in de voorraadkamers, omdat zij dag en nacht beschikbaar moesten zijn voor de eredienst. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Bovengenoemde Levieten staan in de geslachtslijsten als familiehoofden. Ze woonden met hun families in Jeruzalem. </VERS>
      <VERS vnumber="35">In Gibeon woonde de stichter van Gibeon, Jeïel, met zijn vrouw, die Maächa heette, </VERS>
      <VERS vnumber="36">en zijn zonen: Abdon, de oudste, en Sur, Kis, Baäl, Ner en Nadab, </VERS>
      <VERS vnumber="37">Gedor, Achio, Zecharja en Miklot. </VERS>
      <VERS vnumber="38">Miklot verwekte Simam. Zij volgden het voorbeeld van hun verwanten en vestigden zich bij hen in Jeruzalem. </VERS>
      <VERS vnumber="39">Ner verwekte Kis, Kis verwekte Saul, Saul verwekte Jonatan, Malkisua, Abinadab en Esbaäl. </VERS>
      <VERS vnumber="40">De zoon van Jonatan was Meribbaäl. Meribbaäl verwekte Micha. </VERS>
      <VERS vnumber="41">Zonen van Micha: Piton, Melech en Tachrea. </VERS>
      <VERS vnumber="42">Achaz verwekte Jara, Jara verwekte Alemet, Azmawet en Zimri. Zimri verwekte Mosa </VERS>
      <VERS vnumber="43">en Mosa verwekte Bina. Bina was de vader van Refaja, de vader van Elasa, de vader van Asel. </VERS>
      <VERS vnumber="44">Asel had zes zonen. Zij heetten Azrikam, Bocheru, Jismaël, Searja, Obadja en Chanan; allemaal zonen van Asel. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="10">
      <VERS vnumber="1">De Filistijnen leverden slag met Israël. Het leger van Israël sloeg op de vlucht en velen sneuvelden in het Gilboagebergte. </VERS>
      <VERS vnumber="2">De Filistijnen drongen tot dicht bij Saul en zijn zonen door en doodden zijn drie zonen Jonatan, Abinadab en Malkisua. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Toen richtte de strijd zich in alle hevigheid tegen Saul zelf. De Filistijnse boogschutters hadden hem al onder schot, en Saul werd zo bang </VERS>
      <VERS vnumber="4">dat hij zijn wapendrager beval: 'Trek je zwaard en steek me dood, want ik wil niet dat die onbesnedenen zich op me gaan uitleven.' Maar de wapendrager schrok ervoor terug en weigerde. Toen nam Saul zelf zijn zwaard en stortte zich erin. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Toen de wapendrager zag dat Saul dood was, stortte ook hij zich in het zwaard en vond de dood. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Zo sneuvelden Saul en zijn drie zonen op een en dezelfde dag en kwam er in één keer een eind aan het koningshuis van Saul. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Toen het tot de Israëlieten in de vlakte doordrong dat het leger was gevlucht en dat Saul en zijn zonen gesneuveld waren, verlieten zij hun steden en vluchtten weg. De Filistijnen trokken hun steden binnen en namen ze in bezit. </VERS>
      <VERS vnumber="8">De volgende dag kwamen de Filistijnen op het slagveld terug om de gesneuvelden te plunderen. Daar, op de Gilboa, vonden ze de lijken van Saul en zijn zonen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Ze ontdeden Saul van zijn kleding en gaven zijn hoofd en zijn wapens mee aan boden die het Filistijnse land moesten rondgaan om het nieuws van de overwinning aan hun goden en aan het hele volk bekend te maken. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Sauls wapenrusting kreeg een plaats in een van hun tempels en zijn hoofd werd aan de tempel van Dagon genageld. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Toen men in Jabes in Gilead hoorde wat de Filistijnen met Saul hadden gedaan, </VERS>
      <VERS vnumber="12">gingen de weerbare mannen van Jabes de lichamen van Saul en zijn zonen ophalen. Ze begroeven hun gebeente aan de voet van de terebint in Jabes, en daarna vastten ze zeven dagen. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Saul vond de dood omdat hij de HEER ontrouw was geweest door niet uit te voeren wat de HEER hem had opgedragen. Ook had hij de geest van een dode geraadpleegd </VERS>
      <VERS vnumber="14">in plaats van de HEER om raad te vragen. Daarom had de HEER hem gedood en het koningschap laten overgaan op David, de zoon van Isaï. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="11">
      <VERS vnumber="1">De Israëlieten kwamen bij David in Hebron en zeiden tegen hem: 'Hier zijn we, uw eigen vlees en bloed. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Ook vroeger al, toen Saul nog koning was, was u degene die de troepen van Israël aanvoerde. De HEER, uw God, heeft u beloofd: "Jij zult mijn volk, Israël, weiden; jij zult vorst over mijn volk Israël zijn."' </VERS>
      <VERS vnumber="3">De oudsten van Israël kwamen bij de koning in Hebron. Daar sloot David ten overstaan van de HEER een verdrag met hen, en zij zalfden hem tot koning van Israël, zoals de HEER bij monde van Samuël had voorzegd. </VERS>
      <VERS vnumber="4">David en het leger van Israël trokken op naar Jeruzalem, het toenmalige Jebus, waar de Jebusieten woonden. </VERS>
      <VERS vnumber="5">De Jebusieten zeiden tegen David: 'U komt er niet in!' Toch veroverde David de bergvesting van Sion, de huidige Davidsburcht. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Hij had aangekondigd: 'Wie de Jebusieten de eerste slag toebrengt, benoem ik tot opperbevelhebber.' Joab, de zoon van Seruja, opende de aanval en werd tot opperbevelhebber benoemd. </VERS>
      <VERS vnumber="7">David ging in de bergvesting wonen, die daarom de Davidsburcht wordt genoemd. </VERS>
      <VERS vnumber="8">David breidde de stad rondom uit, vanaf het Millobolwerk naar buiten, en Joab herstelde de oude stad. </VERS>
      <VERS vnumber="9">In de loop der tijd werd David steeds machtiger, want de HEER van de hemelse machten stond hem ter zijde. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Hieronder volgen de belangrijkste helden van David. Zij, en trouwens heel Israël, maakten zich sterk voor zijn aanspraken op de troon en riepen hem tot koning uit, zoals de HEER met betrekking tot Israël had gezegd, en ze bleven hem ook daarna steunen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Dit is de lijst van Davids helden: Jasobam uit Chachmon was de belangrijkste van het beroemde drietal. Hij doorboorde met zijn speer driehonderd mannen in één gevecht. </VERS>
      <VERS vnumber="12">De tweede van de drie helden was Elazar, een zoon van Dodo uit Achoach. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Hij was met David in Pas-Dammim toen de Filistijnen hun troepen daar voor de strijd hadden samengetrokken bij een akker met gerst. Het leger van Israël was op de vlucht geslagen, </VERS>
      <VERS vnumber="14">maar zij stelden zich op de akker op en wisten die te behouden; ze versloegen de Filistijnen, en de HEER schonk Israël een grote overwinning. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Drie van de dertig hoofdmannen kwamen eens bij David, in de grot in de rotsen bij Adullam. In de vallei van Refaïm waren toen Filistijnse troepen gelegerd. </VERS>
      <VERS vnumber="16">David hield zich in die tijd verschanst in de bergen, terwijl in Betlehem een Filistijnse wachtpost was uitgezet. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Op een keer, toen hij smachtte van dorst, verzuchtte David: 'Wie geeft me wat te drinken uit de waterput in de poort van Betlehem?' </VERS>
      <VERS vnumber="18">De drie baanden zich een weg door het Filistijnse kamp en haalden water uit de put in de poort van Betlehem. Maar toen ze ermee bij David kwamen, wilde hij er niet van drinken. Hij goot het uit voor de HEER </VERS>
      <VERS vnumber="19">en zei: 'God verhoede dat ik hiervan drink. Dat zou zijn alsof ik het bloed van deze mannen dronk. Zij hebben immers hun leven gewaagd om het te halen.' Hij weigerde dus te drinken. Zulke heldendaden verrichtte dit drietal. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Absai, een broer van Joab, was de belangrijkste van deze drie. Hij doorboorde met zijn speer driehonderd mannen. Zo maakte hij naam bij het beroemde drietal. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Hij was de aanvoerder van de twee anderen en stond meer dan zij in aanzien, maar met het beroemde drietal kon hij zich niet meten. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Ook Benaja, de zoon van Jojada uit Kabseël, was een dapper en krijgshaftig man. Hij versloeg de twee zonen van Ariël uit Moab. Een andere keer, toen het sneeuwde, liet hij zich in een put zakken en doodde daar een leeuw. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Ook versloeg hij eens een Egyptenaar, een reus van wel vijf el lang. De Egyptenaar was gewapend met een speer zo dik als de boom van een weefgetouw, maar Benaja ging op hem af met een stok, sloeg hem de speer uit handen en doodde hem ermee. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Zulke heldendaden verrichtte Benaja, de zoon van Jojada, en zo maakte hij naam bij het beroemde drietal. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Hij was een van de aanzienlijksten van de dertig helden, maar met het beroemde drietal kon hij zich niet meten. David benoemde hem tot commandant van zijn lijfwacht. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Tot de helden van het leger behoorden verder: Asaël, een broer van Joab; Elchanan, de zoon van Dodo, uit Betlehem; </VERS>
      <VERS vnumber="27">Sammot uit Haror; Cheles uit Pelon; </VERS>
      <VERS vnumber="28">Ira, de zoon van Ikkes, uit Tekoa; Abiëzer uit Anatot; </VERS>
      <VERS vnumber="29">Sibbechai uit Chusa; Ilai uit Achoach; </VERS>
      <VERS vnumber="30">Maharai en Cheled, de zoon van Baäna, beiden uit Netofa; </VERS>
      <VERS vnumber="31">Itai, de zoon van Ribai, uit Gibea in Benjamin; Benaja uit Piraton; </VERS>
      <VERS vnumber="32">Churai uit de wadi's van Gaäs; Abiël uit de wadi Araba; </VERS>
      <VERS vnumber="33">Azmawet uit Bacharum; Eljachba uit Saälbon; </VERS>
      <VERS vnumber="34">(34-35) Hasem uit Gizon; Jonatan, de zoon van Sage, en Achiam, de zoon van Sachar, beiden uit Harar; Elifal, de zoon van Ur; </VERS>
      <VERS vnumber="36">Chefer uit Mechera; Achia uit Pelon; </VERS>
      <VERS vnumber="37">Chesro uit Karmel; Naärai, de zoon van Ezbai; </VERS>
      <VERS vnumber="38">Joël, de broer van Natan; Mibchar, de zoon van Hagri; </VERS>
      <VERS vnumber="39">Selek uit Ammon; Nachrai uit Beërot, de wapendrager van Joab, de zoon van Seruja; </VERS>
      <VERS vnumber="40">Ira en Gareb uit Jeter; </VERS>
      <VERS vnumber="41">de Hethiet Uria; Zabad, de zoon van Achlai; </VERS>
      <VERS vnumber="42">Adina, de zoon van Siza uit de stam Ruben, hij was het hoofd van zijn stam en bracht dertig man mee; </VERS>
      <VERS vnumber="43">Chanan, de zoon van Maächa; Josafat uit Meten; </VERS>
      <VERS vnumber="44">Uzzia uit Astarot; Sama en Jeïel, de zonen van Chotam uit Aroër; </VERS>
      <VERS vnumber="45">Jediaël, de zoon van Simri, en zijn broer Jocha, uit Tis; </VERS>
      <VERS vnumber="46">Eliël uit Machanaïm; Jeribai en Josawja, de zonen van Elnaäm; Jitma uit Moab; </VERS>
      <VERS vnumber="47">Eliël; Obed; en Jaäsiël uit Soba. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="12">
      <VERS vnumber="1">Hier volgen degenen die zich in Siklag bij David aansloten toen hij zich voor Saul, de zoon van Kis, moest schuilhouden. Onder deze vechtlustige medestrijders </VERS>
      <VERS vnumber="2">waren ook stamgenoten van Saul uit Benjamin. Zij waren uitgerust met pijlen en bogen en met slingers, die ze zowel met de rechter- als met de linkerhand konden hanteren. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Hun aanvoerder was Achiëzer, de zoon van Semaä uit Gibea. Verder diens broer Joas; Jeziël en Pelet, de zonen van Azmawet; Beracha en Jehu uit Anatot; </VERS>
      <VERS vnumber="4">Jismaja uit Gibeon, een van de dertig helden en tevens hun aanvoerder; (12:5) Jirmeja, Jachaziël, Jochanan en Jozabad uit Gedera; </VERS>
      <VERS vnumber="5">(12:6) Eluzai, Jerimot, Bealja, Semarja en Sefatja uit Charuf; </VERS>
      <VERS vnumber="6">(12:7) Elkana, Jissia, Azarel, Joëzer en Jasobam, nakomelingen van Korach; </VERS>
      <VERS vnumber="7">(12:8) en Joëla en Zebadja, de zonen van Jerocham uit Gedor. </VERS>
      <VERS vnumber="8">(12:9) Ook uit de stam Gad sloten zich dappere, ervaren krijgslieden bij David aan toen hij zich in rotsholen in de woestijn verschanst hield. Zij waren uitgerust met grote schilden en lansen. Ze waren vervaarlijk als leeuwen en snel als gazellen in de bergen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">(12:10) Hun aanvoerder was Ezer; de tweede was Obadja, de derde Eliab, </VERS>
      <VERS vnumber="10">(12:11) de vierde Mismanna, de vijfde Jirmeja, </VERS>
      <VERS vnumber="11">(12:12) de zesde Attai, de zevende Eliël, </VERS>
      <VERS vnumber="12">(12:13) de achtste Jochanan, de negende Elzabad, </VERS>
      <VERS vnumber="13">(12:14) de tiende Jirmeja en de elfde Machbannai. </VERS>
      <VERS vnumber="14">(12:15) Deze mannen uit de stam Gad waren allen legeraanvoerders; de kleinste telde voor honderd en de grootste voor duizend. </VERS>
      <VERS vnumber="15">(12:16) Zij waren het die in de eerste maand, toen de Jordaan buiten zijn oevers was getreden, de rivier overstaken en de bewoners van de valleien ten oosten en ten westen ervan op de vlucht joegen. </VERS>
      <VERS vnumber="16">(12:17) Op een keer kwamen enkele Benjaminieten en Judeeërs bij de schuilplaats van David. </VERS>
      <VERS vnumber="17">(12:18) David kwam naar buiten, ging voor hen staan en zei: 'Als u met goede bedoelingen bij me bent gekomen, om mij te steunen, dan ben ik uw man. Maar als u van plan bent me aan mijn vijanden te verraden hoewel er geen enkel onrecht aan mijn handen kleeft, moge dan de God van onze voorouders zien wat mij wordt aangedaan en het vergelden.' </VERS>
      <VERS vnumber="18">(12:19) Toen nam een geest bezit van Amasai, de aanvoerder van de dertig helden, en hij zei: 'Voor u zijn wij gekomen, David! Wij steunen de zoon van Isaï! Vrede zij met u, en met hen die u steunen, want uw God steunt u.' Daarop nam David hen in zijn bende op en benoemde hij hen tot bevelhebbers. </VERS>
      <VERS vnumber="19">(12:20) Uit de stam Manasse liepen mensen naar David over toen hij met de Filistijnen tegen Saul ten strijde trok. Maar zij hebben de Filistijnen uiteindelijk niet geholpen. Na onderlinge beraadslaging stuurden de Filistijnse stadsvorsten David namelijk weg omdat ze dachten: Als hij overloopt naar zijn heer, Saul, kost ons dat de kop. </VERS>
      <VERS vnumber="20">(12:21) Toen David naar Siklag uitweek, waren de volgende Manassieten naar hem overgelopen: Adnach, Jozabad, Jediaël, Michaël, Jozabad, Elihu en Silletai, bevelhebbers over eenheden van duizend uit Manasse. </VERS>
      <VERS vnumber="21">(12:22) Zij allen waren dappere krijgslieden en hielpen David bij zijn overvallen op andere benden. Ze werden tot bevelhebbers benoemd. </VERS>
      <VERS vnumber="22">(12:23) Elke dag opnieuw sloten zich mensen bij David aan om hem te steunen, en zo werd zijn leger geweldig groot. </VERS>
      <VERS vnumber="23">(12:24) Dit zijn de aantallen van de bewapende krijgers die zich in Hebron bij David voegden om Sauls koningschap op hem over te dragen, zoals de HEER had beschikt: </VERS>
      <VERS vnumber="24">(12:25) Judeeërs, uitgerust met grote schilden en lansen: 6800 gewapende mannen; </VERS>
      <VERS vnumber="25">(12:26) uit de stam Simeon: 7100 dappere krijgslieden; </VERS>
      <VERS vnumber="26">(12:27) van de Levieten: 4600 man, </VERS>
      <VERS vnumber="27">(12:28) onder wie Jojada, de leider van de nakomelingen van Aäron, met 3700 man, </VERS>
      <VERS vnumber="28">(12:29) en Sadok, een jonge krijgsman, met 22 legeraanvoerders uit de familie van zijn vader; </VERS>
      <VERS vnumber="29">(12:30) uit de stam Benjamin, de verwanten van Saul: 3000 man (tot dan toe was de meerderheid van Benjamin het huis van Saul trouw gebleven); </VERS>
      <VERS vnumber="30">(12:31) uit de stam Efraïm: 20.800 dappere krijgslieden, die bij hun families in hoog aanzien stonden; </VERS>
      <VERS vnumber="31">(12:32) uit de westelijke helft van Manasse 18.000 man, officieel afgevaardigd om David tot koning uit te roepen; </VERS>
      <VERS vnumber="32">(12:33) uit de stam Issachar, waar men de tekenen des tijds goed aanvoelde en begreep welke koers Israël zou kiezen: 200 hoofden met hun stamgenoten onder hun bevel; </VERS>
      <VERS vnumber="33">(12:34) uit de stam Zebulon: 50.000 man parate troepen, uitgerust met allerlei soorten wapens, vechtlustig en vastberaden; </VERS>
      <VERS vnumber="34">(12:35) uit de stam Naftali: 1000 aanvoerders met 37.000 mannen bewapend met grote schilden en speren; </VERS>
      <VERS vnumber="35">(12:36) uit de stam Dan: 28.600 man parate troepen; </VERS>
      <VERS vnumber="36">(12:37) uit de stam Aser: 40.000 man parate troepen; </VERS>
      <VERS vnumber="37">(12:38) en van de overkant van de Jordaan, uit de stammen Ruben, Gad en Oost-Manasse: 120.000 man, uitgerust met allerlei soorten wapens en oorlogstuig. </VERS>
      <VERS vnumber="38">(12:39) Al deze geoefende krijgslieden waren naar Hebron gekomen, van ganser harte bereid om David te steunen en hem koning over heel Israël te maken, en ook de rest van Israël kwam, eensgezind, om David tot koning uit te roepen. </VERS>
      <VERS vnumber="39">(12:40) Drie dagen lang bleven ze bij David, genietend van het feestmaal dat hun verwanten voor hen hadden aangericht. </VERS>
      <VERS vnumber="40">(12:41) Allemaal, tot uit Issachar, Zebulon en Naftali toe, hadden ze op ezels, kamelen, muildieren en ossen proviand meegebracht: een overvloed aan meel, gedroogde vijgen en rozijnen, wijn, olie, runderen, schapen en geiten, want er heerste vreugde in Israël. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="13">
      <VERS vnumber="1">Nadat David met al zijn legeraanvoerders had beraadslaagd, met de bevelhebbers over duizend man en die over honderd, </VERS>
      <VERS vnumber="2">zei hij tegen de gemeenschap van Israël: 'Als u het ermee eens bent, en als de HEER, onze God, ons vrij baan geeft, laten we dan boden sturen naar onze verwanten die in de verschillende gebieden van Israël zijn achtergebleven, ook naar de priesters en de Levieten in hun steden met de omliggende weidegronden, en hun vragen zich bij ons te voegen. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Ik stel voor dat wij de ark van onze God, waar we ons in de tijd van Saul niet om hebben bekommerd, hierheen halen.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">De hele vergadering stemde ermee in, want het volk achtte het juist. </VERS>
      <VERS vnumber="5">David riep heel Israël bijeen, vanaf de grensrivier van Egypte tot aan Lebo-Hamat, om de ark van God uit Kirjat-Jearim op te halen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Samen met de Israëlieten ging hij naar Baäla, naar Kirjat-Jearim in Juda, om de ark van God op te halen, de ark van de HEER, waaraan een bijzondere naam verbonden is, namelijk van hem die op de cherubs troont. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Op een nieuwe wagen reden ze de ark weg uit het huis van Abinadab. De wagen werd geleid door Uzza en Achio. </VERS>
      <VERS vnumber="8">David en de Israëlieten dansten vol overgave voor God, begeleid door zang en muziek van lieren, harpen, tamboerijnen, cimbalen en trompetten. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Toen ze langs de plek kwamen waar Kidon zijn graan dorste, gingen de ossen daar op af. Uzza stak zijn hand uit om de ark vast te grijpen. </VERS>
      <VERS vnumber="10">De HEER ontstak in woede tegen Uzza en strafte hem omdat hij zijn hand naar de ark had uitgestoken, zodat hij daar, in de nabijheid van God, stierf. </VERS>
      <VERS vnumber="11">David werd kwaad omdat de HEER Uzza had doorkliefd. Hij noemde die plaats Peres-Uzza, en zo heet het daar tot op de dag van vandaag. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Toen werd David bang voor God en hij vroeg zich af: Hoe kan ik de ark van God ooit bij mij in Jeruzalem brengen? </VERS>
      <VERS vnumber="13">Hij leidde de ark niet meer terug op de weg naar de Davidsburcht, maar liet de wagen afslaan naar het huis van Obed-Edom, een Gatiet. </VERS>
      <VERS vnumber="14">De ark van God bleef drie maanden bij de familie van Obed-Edom, in zijn huis, en de HEER zegende de familie van Obed-Edom en alles wat hij bezat. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="14">
      <VERS vnumber="1">Koning Churam van Tyrus stuurde afgezanten naar David en leverde hem cederhout en metselaars en timmerlieden voor de bouw van een paleis. </VERS>
      <VERS vnumber="2">David besefte dat de HEER hem had aangesteld als vorst over Israël, want hij had hem ten behoeve van Israël, zijn volk, tot een machtig koning gemaakt. </VERS>
      <VERS vnumber="3">In Jeruzalem nam David nog meer vrouwen en verwekte hij nog meer zonen en dochters. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Dit zijn de namen van de zonen die hij in Jeruzalem kreeg: Sammua, Sobab, Natan en Salomo, </VERS>
      <VERS vnumber="5">Jibchar, Elisua en Elpelet, </VERS>
      <VERS vnumber="6">Noga, Nefeg en Jafia, </VERS>
      <VERS vnumber="7">en Elisama, Beëljada en Elifelet. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Toen de Filistijnen hoorden dat David tot koning van heel Israël was gezalfd, rukten ze met al hun troepen uit omdat ze hem wilden overmeesteren. Zodra David dit vernam, trok hij hun tegemoet. </VERS>
      <VERS vnumber="9">De hele vallei van Refaïm stond al vol Filistijnen. </VERS>
      <VERS vnumber="10">David wendde zich tot God en vroeg: 'Zal ik de Filistijnen aanvallen? Zult u ze aan mij uitleveren?' De HEER antwoordde: 'Ga op hen af! Ik zal de Filistijnen aan je uitleveren.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">Ze trokken op naar Baäl-Perasim. Daar versloeg David hen, en hij sprak de woorden: 'God is door mijn toedoen door de vijandelijke linies gebroken zoals plotseling opkomend water zich een baan breekt.' Daarom wordt die plaats Baäl-Perasim genoemd. </VERS>
      <VERS vnumber="12">De godenbeelden die door de Filistijnen waren achtergelaten, werden op bevel van David verbrand. </VERS>
      <VERS vnumber="13">De Filistijnen waagden een tweede poging. Opnieuw stond de hele vallei vol. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Opnieuw wendde David zich tot God, en God zei: 'Ga niet op hen af. Maak een omtrekkende beweging tot bij de moerbeibomen en val hen in de rug aan. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Zodra je in de boomkruinen het geluid van een aanstormend leger hoort, moet je aanvallen, want dan gaat God voor je uit om het leger van de Filistijnen te verslaan.' </VERS>
      <VERS vnumber="16">David deed wat God hem had bevolen, en het Filistijnse leger werd van Gibeon tot Gezer teruggeslagen. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Zo verwierf David roem in alle landen en maakte de HEER alle volken beducht voor hem. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="15">
      <VERS vnumber="1">David liet voor zichzelf een paleis bouwen in de Davidsburcht en maakte voor de ark van God een plaats gereed door er een tent voor te laten oprichten. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Daarna verklaarde hij dat alleen de Levieten de ark van God mochten dragen, want hen had de HEER aangewezen om zijn ark te dragen en hem voor altijd te dienen. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Vervolgens liet hij heel Israël in Jeruzalem bijeenkomen om de ark van de HEER over te brengen naar de plaats die hij in gereedheid had gebracht. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Hij riep de nakomelingen van Aäron en de Levieten bijeen: </VERS>
      <VERS vnumber="5">uit de familie van Kehat: honderdtwintig man onder leiding van Uriël; </VERS>
      <VERS vnumber="6">uit de familie van Merari: tweehonderdtwintig man onder leiding van Asaja; </VERS>
      <VERS vnumber="7">uit de familie van Gerson: honderddertig man onder leiding van Joël; </VERS>
      <VERS vnumber="8">uit de familie van Elisafan: tweehonderd man onder leiding van Semaja; </VERS>
      <VERS vnumber="9">uit de familie van Chebron: tachtig man onder leiding van Eliël; </VERS>
      <VERS vnumber="10">uit de familie van Uzziël: honderdtwaalf man onder leiding van Amminadab. </VERS>
      <VERS vnumber="11">David ontbood de priesters Sadok en Abjatar en de Levieten Uriël, Asaja, Joël, Semaja, Eliël en Amminadab </VERS>
      <VERS vnumber="12">en zei tegen hen: 'U bent de hoofden van de Levitische families. U en uw verwanten moeten zich heiligen en de ark van de HEER, de God van Israël, overbrengen naar de plaats die ik in gereedheid heb gebracht. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Want omdat u er de vorige keer niet bij was, is de HEER tegen ons uitgebarsten. Wij hadden toen zijn aanwijzingen niet nauwkeurig opgevolgd.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">De priesters en de Levieten heiligden zich om de ark van de HEER, de God van Israël, over te brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="15">De Levieten droegen de ark van God, zoals Mozes het in opdracht van de HEER heeft voorgeschreven, met draagbomen op hun schouders. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Verder beval David de hoofden van de Levitische families diegenen van hun verwanten te laten aantreden die met luide stem, onder begeleiding van muziekinstrumenten, van harpen, lieren en cimbalen, vreugdeliederen konden zingen. </VERS>
      <VERS vnumber="17">De Levieten lieten Heman, de zoon van Joël, aantreden, en zijn verwanten Asaf, de zoon van Berechja, en Etan, de zoon van Kusajahu uit de familie van Merari. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Zij werden bijgestaan door hun verwanten Zecharja, Ben, Jaäziël, Semiramot, Jechiël, Unni, Eliab, Benaja, Maäseja, Mattitja, Elifelehu, Miknejahu, en Obed-Edom en Jeïel, de poortwachters. </VERS>
      <VERS vnumber="19">De zangers Heman, Asaf en Etan lieten de koperen cimbalen klinken, </VERS>
      <VERS vnumber="20">Zecharja, Aziël, Semiramot, Jechiël, Unni, Eliab, Maäseja en Benaja bespeelden de harpen, die in een hoge toonsoort waren gestemd, </VERS>
      <VERS vnumber="21">en Mattitja, Elifelehu, Miknejahu, Obed-Edom, Jeïel en Azazjahu de lager gestemde lieren. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Kenanja, een van de Levitische familiehoofden, had de leiding van de stoet. Hij was vanwege zijn deskundigheid met de leiding van de stoet belast. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Berechja en Elkana bewaakten de ark. </VERS>
      <VERS vnumber="24">De priesters Sebanja, Josafat, Netanel, Amasai, Zecharja, Benaja en Eliëzer liepen voor de ark van God uit en bliezen op de trompetten, en Obed-Edom en Jechia bewaakten de ark. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Zo gingen David en de oudsten van Israël en de bevelhebbers over duizend man op weg om de ark van het verbond met de HEER feestelijk op te halen uit het huis van Obed-Edom. </VERS>
      <VERS vnumber="26">En terwijl de Levieten met de hulp van God de ark van het verbond met de HEER droegen, offerden zij zeven stieren en zeven rammen. </VERS>
      <VERS vnumber="27">David was gekleed in een linnen mantel, evenals de Levieten die de ark droegen en de zangers en Kenanja, die de stoet leidde, dus ook de zangers. David droeg bovendien een linnen priesterhemd. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Onder gejuich en hoorngeschal haalde heel Israël de ark van het verbond met de HEER in, terwijl de trompetten en cimbalen klonken en er gespeeld werd op harpen en lieren. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Toen de ark de Davidsburcht binnenkwam, stond Michal, de dochter van Saul, al op de uitkijk bij haar venster. Ze zag koning David dansen en springen, en haar hart vulde zich met minachting. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="16">
      <VERS vnumber="1">De ark van God werd neergezet in de tent die David had laten oprichten, en men bracht brandoffers en vredeoffers aan God. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Na afloop daarvan zegende David het volk in de naam van de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Aan alle Israëlieten, zowel de mannen als de vrouwen, liet hij brood, gedroogde dadels en rozijnen uitdelen. </VERS>
      <VERS vnumber="4">David stelde de volgende Levieten aan om dienst te doen bij de ark van de HEER door de HEER, de God van Israël, te roemen, te loven en te prijzen: </VERS>
      <VERS vnumber="5">Asaf als leider en Zecharja als zijn helper. Jeïel, Semiramot, Jechiël, Mattitja, Eliab, Benaja, Obed-Edom en Jeïel moesten de harpen en lieren bespelen, en Asaf moest de cimbalen slaan. </VERS>
      <VERS vnumber="6">De priesters Benaja en Jachaziël moesten voortdurend op de trompetten blazen voor de ark van het verbond met God. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Op die dag droeg David Asaf en zijn verwanten op voortaan als volgt de lof van de HEER te zingen: </VERS>
      <VERS vnumber="8">'Loof de HEER, roep luid zijn naam, maak zijn daden bekend onder de volken, </VERS>
      <VERS vnumber="9">zing en speel voor hem, spreek vol lof over zijn wonderen, </VERS>
      <VERS vnumber="10">beroem u op zijn heilige naam. Wees blij van hart, u die de HEER zoekt. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Zie uit naar de HEER en zijn macht, zoek voortdurend zijn nabijheid. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Gedenk de wonderen die hij heeft gedaan, de oordelen die hij heeft uitgesproken, </VERS>
      <VERS vnumber="13">nageslacht van Israël, zijn dienaar, kinderen van Jakob, door hem verkozen. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Hij is de HEER, onze God, zijn besluiten gelden over de hele aarde. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Gedenk tot in eeuwigheid zijn belofte aan duizend geslachten, </VERS>
      <VERS vnumber="16">het verbond dat hij sloot met Abraham en voor Isaak bevestigde met een eed. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Voor Jakob verhief hij het tot wet, voor Israël tot een eeuwig verbond, </VERS>
      <VERS vnumber="18">toen hij zei: "Ik zal jou Kanaän geven, dat land wordt je onvervreemdbaar bezit, " </VERS>
      <VERS vnumber="19">terwijl jullie daar nog maar korte tijd waren, een handjevol vreemdelingen, </VERS>
      <VERS vnumber="20">zwervend van volk naar volk, van het ene koninkrijk naar het andere. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Hij stond niet toe dat iemand hen verdrukte, ter wille van hen strafte hij koningen: </VERS>
      <VERS vnumber="22">"Raak mijn gezalfden niet aan, doe mijn profeten geen kwaad." </VERS>
      <VERS vnumber="23">Zing voor de HEER, heel de aarde. Verkondig van dag tot dag dat hij ons redt. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Maak aan alle volken zijn majesteit bekend, aan alle naties zijn wonderdaden. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Groot is de HEER, hem komt alle lof toe, geducht is hij, meer dan alle goden. </VERS>
      <VERS vnumber="26">De goden van de volken zijn minder dan niets, maar de HEER: hij heeft de hemel gemaakt. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Glans en glorie gaan voor hem uit, macht en luister vullen zijn woning. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Erken de HEER, stammen en volken, erken de HEER, zijn majesteit en macht, </VERS>
      <VERS vnumber="29">erken de HEER, de majesteit van zijn naam, draag geschenken voor hem aan. Buig u voor de HEER in zijn heilige glorie, </VERS>
      <VERS vnumber="30">huiver, heel de aarde, wanneer hij verschijnt. Vast staat de wereld, ze wankelt niet. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Laat de hemel zich verheugen, de aarde juichen. Zeg onder de volken: "De HEER is koning." </VERS>
      <VERS vnumber="32">Laat bruisen de zee en het leven dat haar vult, laat het veld juichen en alles wat daar groeit, </VERS>
      <VERS vnumber="33">en laten de bomen jubelen voor de HEER, want hij is in aantocht, als rechter der aarde. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Loof de HEER, want hij is goed, eeuwig duurt zijn trouw. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Zeg: "Red ons, God, onze redder, bevrijd ons en breng ons bijeen uit de andere volken, dan loven wij uw heilige naam en verkondigen trots uw roem. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Geprezen zij de HEER, de God van Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid."' En het hele volk antwoordde: 'Amen!' en 'Prijs de HEER !' </VERS>
      <VERS vnumber="37">David stelde dus Asaf en zijn verwanten aan om dagelijks de dienst bij de ark van het verbond met de HEER te verzorgen, waarbij ze de voorschriften voor de afzonderlijke dagen in acht moesten nemen. </VERS>
      <VERS vnumber="38">De bewaking vertrouwde hij toe aan Obed-Edom en Chosa en hun verwanten, achtenzestig poortwachters; Obed-Edom was een zoon van Jedutun. </VERS>
      <VERS vnumber="39">Sadok en de overige leden van de priesterfamilie werden aangesteld voor de tabernakel van de HEER op de offerhoogte van Gibeon. </VERS>
      <VERS vnumber="40">Daar moesten ze iedere dag 's ochtends en 's avonds op het brandofferaltaar brandoffers brengen aan de HEER en alle overige handelingen uitvoeren die zijn voorgeschreven in de wet die de HEER voor Israël heeft uitgevaardigd. </VERS>
      <VERS vnumber="41">Heman en Jedutun en andere officieel benoemde personen moesten daar de HEER loven met de woorden: 'Eeuwig duurt zijn trouw.' </VERS>
      <VERS vnumber="42">Zij, Heman en Jedutun, bewaarden de trompetten, cimbalen en andere instrumenten waarop voor God muziek gemaakt werd. De zonen van Jedutun bewaakten de poort. </VERS>
      <VERS vnumber="43">Hierna ging iedereen terug naar huis. Ook David ging naar huis, om zijn familie en bedienden te zegenen. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="17">
      <VERS vnumber="1">Toen David zijn intrek had genomen in het paleis, zei hij tegen de profeet Natan: 'Nu woon ik hier in een paleis van cederhout, terwijl de ark van het verbond met de HEER in een tent staat.' </VERS>
      <VERS vnumber="2">'Doe wat uw hart u ingeeft, 'antwoordde Natan, 'God staat u immers ter zijde.' </VERS>
      <VERS vnumber="3">Maar diezelfde nacht richtte God zich tot Natan: </VERS>
      <VERS vnumber="4">'Zeg tegen mijn dienaar David: "Dit zegt de HEER: Jij zult voor mij geen huis bouwen om in te wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Nooit heb ik in een huis gewoond, vanaf de dag dat ik de Israëlieten uit Egypte heb geleid tot nu toe! In tent en tabernakel ging ik van de ene verblijfplaats naar de andere. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Overal in Israël heb ik rondgetrokken, en heb ik ooit aan een van de rechters van Israël, die ik had aangesteld om mijn volk te weiden, gevraagd om voor mij een huis van cederhout te bouwen?" </VERS>
      <VERS vnumber="7">Welnu, zeg tegen mijn dienaar, tegen David: "Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Ik heb je achter de kudde vandaan gehaald om mijn volk, Israël, te leiden. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Ik heb je bijgestaan in alles wat je ondernam, ik heb al je vijanden voor je uitgeschakeld en ik heb je naam gevestigd als een van de groten der aarde. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Ik heb aan mijn volk, Israël, een gebied toegewezen. Daar heb ik het geplant en daar kan het nu onbevreesd wonen. Het wordt niet langer geplaagd door misdadige volken, zoals toen het er pas woonde </VERS>
      <VERS vnumber="10">en ik rechters over mijn volk Israël had aangesteld. Je vijanden heb ik allemaal onderworpen. Ik zeg je dat de HEER voor jou een huis zal bouwen: </VERS>
      <VERS vnumber="11">Wanneer je leven voorbij is en je met je voorouders verenigd wordt, zal ik je laten opvolgen door een van je eigen nakomelingen en hem een bestendig koningschap schenken. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Hij zal voor mij een huis bouwen, en ik zal ervoor zorgen dat zijn troon nooit wankelt. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Ik zal een vader voor hem zijn en hij voor mij een zoon, en ik zal hem nooit mijn gunst ontnemen zoals je voorganger. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Ik zal hem voor eeuwig aanstellen in mijn huis en in mijn koninkrijk, en zijn troon zal nooit wankelen."' </VERS>
      <VERS vnumber="15">Natan bracht alles wat hij had gezien en gehoord aan David over. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Koning David ging het heiligdom binnen, nam plaats voor de HEER en bad: 'Wie ben ik, HEER, mijn God, wat is mijn familie, dat u mij zo ver hebt gebracht? </VERS>
      <VERS vnumber="17">En alsof dat nog niet genoeg was, God, hebt u ook gesproken over de toekomst van mijn koningshuis. U hebt mij uitgekozen als kroon op de mensheid, door God, de HEER, verheven. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Wat kan ik verder nog zeggen over de grote eer die u mij bewijst? U kent uw dienaar. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Omwille van uw dienaar, HEER, en in overeenstemming met uw voornemen, hebt u al deze grootse dingen gedaan en ze bekendgemaakt. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Het is zoals ons altijd is voorgehouden, HEER: zoals u is er geen, er bestaat geen andere God dan u. </VERS>
      <VERS vnumber="21">En wie kan zich meten met Israël, uw volk? Het is het enige volk op aarde waarvoor u zich hebt ingezet om het vrij te kopen en tot uw volk te maken, om zo voor uzelf een naam te vestigen door grootse en indrukwekkende daden: omwille van uw volk, dat u hebt bevrijd, hebt u vreemde volken verdreven. </VERS>
      <VERS vnumber="22">U hebt uw volk Israël voor altijd aan u toegewijd, en u, HEER, bent hun tot God. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Welnu, HEER, moge de belofte die u aan mij en mijn koningshuis hebt gedaan voor altijd worden waargemaakt, laat uw woord in vervulling gaan. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Dan zal uw naam waargemaakt zijn en voor altijd in ere worden gehouden, en men zal zeggen: "De HEER van de hemelse machten, de God van Israël, is God over Israël, "en dan zal het koningshuis van uw dienaar David altijd standhouden. </VERS>
      <VERS vnumber="25">U, mijn God, hebt aan uw dienaar onthuld dat u voor mij een huis zult bouwen. Daarom durf ik dit gebed tot u te richten. </VERS>
      <VERS vnumber="26">U, HEER, u alleen bent God. U hebt me zo'n grootse toekomst beloofd. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Welnu, zegen dus mijn koningshuis opdat het altijd standhoudt. U, HEER, bent het die zegent. U bent gezegend voor altijd.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="18">
      <VERS vnumber="1">Enige tijd later versloeg David de Filistijnen. Hij onderwierp hen en ontnam hun Gat en de omliggende dorpen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Ook de Moabieten versloeg hij. Sindsdien waren de Moabieten aan David onderworpen en moesten ze schatting afdragen. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Bij Hamat versloeg hij Hadadezer, de koning van Soba, toen deze op weg was om zijn macht te vestigen over het gebied langs de Eufraat. </VERS>
      <VERS vnumber="4">David veroverde duizend strijdwagens op hem en nam zevenduizend wagenmenners en twintigduizend man voetvolk gevangen. De strijdwagens schakelde hij uit door van alle paarden, op honderd span na, de pezen door te laten snijden. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Van de Arameeërs uit de buurt van Damascus die koning Hadadezer van Soba te hulp kwamen, versloeg David er tweeëntwintigduizend. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Vervolgens bezette hij strategische punten in het rijk van Damascus. Sindsdien waren de Arameeërs aan hem onderworpen en moesten ze schatting afdragen. De HEER stond David bij in alles wat hij ondernam. </VERS>
      <VERS vnumber="7">David nam de gouden schilden van de lijfwacht van Hadadezer in beslag en nam ze mee naar Jeruzalem. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Uit Tibchat en Kun, steden die aan Hadadezer toebehoorden, bracht hij een grote hoeveelheid koper mee. Dit werd later door Salomo gebruikt om er de bronzen Zee, de zuilen en andere voorwerpen van brons en koper van te maken. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Toen koning Toü van Hamat hoorde dat David het leger van koning Hadadezer van Soba had verslagen, </VERS>
      <VERS vnumber="10">liet hij zijn zoon Hadoram zijn opwachting maken bij koning David en hem gelukwensen met zijn overwinning. Toü was namelijk in oorlog met Hadadezer. Hij stuurde ook allerlei geschenken van goud, zilver en koper. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Koning David wijdde deze geschenken aan de HEER, samen met het goud en zilver dat hij had buitgemaakt op de omringende volken: de Edomieten, de Moabieten, de Ammonieten, de Filistijnen en de Amalekieten. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Absai, de zoon van Seruja, versloeg de Edomieten in de Zoutvallei, achttienduizend man. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Hij bezette strategische punten in Edom, en sindsdien waren de Edomieten aan David onderworpen. De HEER stond David bij in alles wat hij ondernam. </VERS>
      <VERS vnumber="14">David regeerde over heel Israël. Hij behandelde zijn onderdanen goed en rechtvaardig. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Joab, de zoon van Seruja, was opperbevelhebber van het leger; Josafat, de zoon van Achilud, was kanselier; </VERS>
      <VERS vnumber="16">Sadok, de zoon van Achitub, en Abjatar, de zoon van Abimelech, waren priester; Sawsa was hofschrijver; </VERS>
      <VERS vnumber="17">Benaja, de zoon van Jojada, was bevelhebber van de Keretieten en Peletieten. De hoogste rangen aan het hof werden bekleed door Davids zonen. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="19">
      <VERS vnumber="1">Enige tijd later stierf Nachas, de koning van Ammon. Zijn zoon volgde hem op. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Toen zei David: 'Ik wil Chanun, de zoon van Nachas, op gepaste wijze behandelen, want zijn vader heeft mij ook altijd op gepaste wijze behandeld, 'en hij stuurde afgezanten om hem zijn deelneming te betuigen met het verlies van zijn vader. Toen de afgezanten in Ammon waren aangekomen om Chanun Davids deelneming over te brengen, </VERS>
      <VERS vnumber="3">zeiden de raadsheren van Ammon tegen Chanun: 'Dacht u dat David u zijn deelneming laat overbrengen omdat hij de nagedachtenis van uw vader wil eren? Die afgezanten van hem zijn natuurlijk spionnen die het land moeten verkennen, zodat hij het te gronde kan richten!' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Daarop liet Chanun Davids afgezanten oppakken. Hij liet hun baard afscheren en de onderkant van hun kleren afscheuren, tot op hun achterwerk, en stuurde ze weg. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Zo vertrokken ze. Toen koning David hoorde wat zijn afgezanten was overkomen, liet hij aan de diep vernederde mannen de volgende boodschap overbrengen: 'Blijf in Jericho en kom pas terug wanneer uw baard is aangegroeid.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">De Ammonieten beseften dat ze zich bij David onmogelijk hadden gemaakt. Daarom stuurden Chanun en de Ammonieten duizend talent zilver naar de Arameeërs van Naharaïm, Maächa en Soba om strijdwagens en wagenmenners te huren. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Ze huurden tweeëndertigduizend strijdwagens en verzekerden zich van de hulp van de koning van Maächa en zijn leger. Nadat deze troepen waren aangekomen en hun kamp hadden opgeslagen voor Medeba, kwamen de Ammonieten uit hun woonplaatsen en verzamelden ze zich voor de strijd. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Toen dit David ter ore kwam, stuurde hij Joab met zijn keurtroepen erop af. </VERS>
      <VERS vnumber="9">De Ammonieten rukten uit en stelden zich in slagorde op voor de poort. De koningen met de huurlegers betrokken stellingen elders in het veld. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Joab, die zag dat hij op twee fronten werd bedreigd, koos de allerbeste soldaten van Israël uit en stelde deze op tegen de Arameeërs. </VERS>
      <VERS vnumber="11">De rest van de soldaten plaatste hij onder bevel van zijn broer Absai en stelde hij op tegen de Ammonieten. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Daarbij zei hij: 'Als de Arameeërs sterker blijken dan ik, kom jij mij te hulp, en als de Ammonieten sterker blijken dan jij, zal ik jou helpen. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Wees sterk! Laten we onze krachten bundelen omwille van ons volk en de steden van onze God; de HEER zal doen wat hij het beste vindt.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">Zodra Joab met zijn soldaten de aanval opende, sloegen de Arameeërs op de vlucht. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Toen de Ammonieten zagen dat de Arameeërs waren gevlucht, maakten ze zich voor Joabs broer Absai uit de voeten en trokken ze zich terug in de stad. Daarop ging Joab terug naar Jeruzalem. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Toen de Arameeërs beseften dat ze door Israël verslagen waren, deden ze een beroep op de Arameeërs die aan de overkant van de Eufraat woonden. Dezen rukten onder aanvoering van Hadadezers opperbevelhebber Sofach op. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Toen David hiervan hoorde, verzamelde hij alle troepen van Israël, trok de Jordaan over, de vijand tegemoet, en stelde zich in slagorde op tegenover de Arameeërs. Zij vielen hem aan, </VERS>
      <VERS vnumber="18">maar de Israëlieten joegen hen op de vlucht, en David doodde zevenduizend Aramese wagenmenners en veertigduizend man voetvolk. Ook opperbevelhebber Sofach werd door hem gedood. </VERS>
      <VERS vnumber="19">De vazallen van Hadadezer moesten zich bij hun nederlaag neerleggen. Ze sloten vrede met David en onderwierpen zich. De Arameeërs weigerden voortaan de Ammonieten te hulp te komen. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="20">
      <VERS vnumber="1">Bij het aanbreken van het voorjaar, de tijd waarin koningen gewoonlijk ten strijde trekken, leidde Joab een verwoestende veldtocht door Ammon. Hij sloeg het beleg voor Rabba, terwijl David zelf in Jeruzalem achterbleef. Nadat Joab de stad had ingenomen en met de grond gelijk gemaakt, </VERS>
      <VERS vnumber="2">nam David de koning van de Ammonieten de kroon van het hoofd. Deze kroon, waarin naar hij vaststelde een heel talent aan goud en een kostbare edelsteen waren verwerkt, rustte voortaan op Davids hoofd. Hij voerde een zeer grote buit uit de stad weg. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Hij liet de inwoners buiten de stad brengen en met steenzagen in stukken zagen en met ijzeren houwelen doorklieven. Hetzelfde deed David met alle andere steden van Ammon. Daarna keerde hij met het hele leger naar Jeruzalem terug. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Enige tijd later was er een veldslag tegen de Filistijnen, bij Gezer. Maar Sibbechai uit Chusa doodde de Refaïet Sippai, en daarop gaven de Filistijnen zich gewonnen. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Tijdens een andere veldslag tegen de Filistijnen werd Lachmi, de broer van Goliat uit Gat, gedood door Elchanan, de zoon van Jaïr. De schacht van Lachmi's speer was zo dik als de boom van een weefgetouw. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Tijdens weer een andere veldslag, ditmaal bij Gat, was er een reus die aan elke kant zes vingers en zes tenen had: vierentwintig in totaal. Ook hij was een Refaïet. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Hij hoonde Israël en werd gedood door Jonatan, een zoon van Davids broer Sima. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Dit waren de Refaïeten uit Gat die werden geveld door David en zijn soldaten. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="21">
      <VERS vnumber="1">Satan keerde zich tegen Israël en zette David ertoe aan in Israël een volkstelling te houden. </VERS>
      <VERS vnumber="2">De koning zei tegen Joab en tegen de bevelhebbers van het leger: 'Houd in Israël een volkstelling, van Dan tot Berseba, en breng mij de uitslag, zodat ik weet hoe groot het is.' </VERS>
      <VERS vnumber="3">Joab antwoordde: 'Al zou de HEER zijn volk nog honderdmaal zo groot maken als nu, mijn heer en koning, het blijven allen dienaren van mijn heer. Dus waarom wilt u dit? Waarom zou u schuld op Israël laden?' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Maar het woord van de koning was wet, dus ging Joab op weg. Hij trok heel het land door, en ten slotte kwam hij weer terug in Jeruzalem. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Hij meldde de uitkomst van de volkstelling aan David: Israël telde één miljoen honderdduizend mannen die de wapens konden hanteren en Juda vierhonderdzeventigduizend. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Omdat de opdracht van de koning Joab tegen de borst stuitte, had hij de stammen Levi en Benjamin niet ingeschreven. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Het was slecht in Gods ogen dat dit was gebeurd, daarom strafte hij Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Hierop zei David tegen God: 'Ik heb ernstig gezondigd met mijn daad. Vergeef uw dienaar zijn zonde; ik ben een dwaas geweest.' </VERS>
      <VERS vnumber="9">De HEER sprak tot Gad, de ziener van David: </VERS>
      <VERS vnumber="10">'Ga naar David en zeg hem: "Dit zegt de HEER: Hier heb je drie straffen. Kies er een uit; die zal ik je opleggen."' </VERS>
      <VERS vnumber="11">Gad ging naar David en zei tegen hem: 'Dit zegt de HEER: Alsjeblieft, wat heb je liever? </VERS>
      <VERS vnumber="12">Drie jaar hongersnood, drie maanden-voortdurend belaagd door het zwaard van je tegenstanders-opgejaagd worden door je vijanden, of drie dagen getroffen worden door het zwaard van de HEER: de pest in het land, een engel van de HEER die in het hele gebied van Israël dood en verderf zaait? Zegt u maar wat voor antwoord ik moet geven aan degene die mij gezonden heeft.' </VERS>
      <VERS vnumber="13">David antwoordde: 'Ik ben in het nauw gedreven! Liever val ik in handen van de HEER, wiens mededogen zeer groot is, dan dat ik in mensenhanden val.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">De HEER liet in Israël de pest uitbreken. Zeventigduizend Israëlieten vonden de dood. </VERS>
      <VERS vnumber="15">God stuurde zijn engel ook naar Jeruzalem om daar dood en verderf te zaaien, maar toen hij het onheil zag dat werd aangericht, begon hij het te betreuren. 'Genoeg!' zei hij tegen de engel. 'Laat je hand zakken!' De engel van de HEER stond bij het bergterras waar de Jebusiet Ornan zijn graan dorste. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Toen David opkeek zag hij de engel van de HEER tussen aarde en hemel staan, het blanke zwaard uitgestrekt over Jeruzalem. David en de oudsten wierpen zich, gehuld in een boetekleed, ter aarde </VERS>
      <VERS vnumber="17">en David zei tegen God: 'Ik was het toch die opdracht heeft gegeven tot een volkstelling? Ik ben het die gezondigd heeft; ik ben het die verkeerd heeft gehandeld. Maar deze arme schapen, wat hebben zij misdaan? HEER, mijn God, hef uw hand toch op tegen mij en mijn familie, in plaats van uw volk met deze plaag te treffen!' </VERS>
      <VERS vnumber="18">De engel van de HEER droeg Gad op tegen David te zeggen dat hij naar de dorsvloer van de Jebusiet Ornan moest gaan om daar een altaar voor de HEER op te richten. </VERS>
      <VERS vnumber="19">David ging naar boven, zoals Gad hem in naam van de HEER had opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Ook Ornan had, toen hij opkeek, de engel zien staan. Zijn vier zonen, die bij hem waren, verstopten zich, maar Ornan ging door met dorsen. </VERS>
      <VERS vnumber="21">David ging naar Ornan. Zodra hij David zag naderen, ging hij hem vanaf de dorsvloer tegemoet en knielde voor hem neer. </VERS>
      <VERS vnumber="22">David zei tegen hem: 'Verkoop mij het terrein waarop u uw graan dorst, zodat ik er een altaar kan bouwen voor de HEER. Ik zal u er de volle prijs voor betalen, zodat het volk van deze plaag wordt verlost.' </VERS>
      <VERS vnumber="23">Ornan antwoordde: 'Neem het, mijn heer en koning, en doe wat goed is in uw ogen. Alstublieft: mijn runderen voor het brandoffer, mijn dorsslede als brandhout en mijn koren voor het graanoffer, dit alles schenk ik u.' </VERS>
      <VERS vnumber="24">'Nee, 'antwoordde koning David, 'ik wil er de volle prijs voor betalen. Ik ga niet iets dat van u is aan de HEER opdragen, en geen brandoffer brengen dat me niets heeft gekost.' </VERS>
      <VERS vnumber="25">David betaalde Ornan zeshonderd sjekel goud voor het terrein. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Hij bouwde er een altaar voor de HEER en bracht brandoffers en vredeoffers. Hij riep de HEER aan, en de HEER antwoordde hem door vanuit de hemel vuur te laten neerdalen op het altaar waarop het brandoffer lag. </VERS>
      <VERS vnumber="27">En de HEER droeg de engel op zijn zwaard weer in de schede te steken. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Toen David daar op de dorsvloer van de Jebusiet Ornan zag dat de HEER hem verhoord had, bracht hij daar nog meer offers. </VERS>
      <VERS vnumber="29">De tabernakel van de HEER, die Mozes in de woestijn had gemaakt, en het brandofferaltaar bevonden zich in die tijd op de offerhoogte van Gibeon. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Daarheen had David echter niet durven gaan om God om raad te vragen, zoveel angst had het zwaard van de engel van de HEER hem ingeboezemd. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="22">
      <VERS vnumber="1">Hij verklaarde: 'Dit is de verblijfplaats van God, de HEER. Dit is voor Israël het brandofferaltaar.' </VERS>
      <VERS vnumber="2">David gaf opdracht om alle vreemdelingen in Israël op te roepen en stelde hen aan als steenhouwers om stenen te houwen voor de bouw van de tempel van God. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Hij legde een grote voorraad ijzer aan om er spijkers en klinknagels voor de poortdeuren van te maken, een grote voorraad koper, zo veel dat het niet te wegen was, </VERS>
      <VERS vnumber="4">en verzamelde een ontelbaar aantal cederstammen, die hem door de Sidoniërs en Tyriërs in overvloed werden geleverd. </VERS>
      <VERS vnumber="5">David dacht namelijk bij zichzelf: Mijn zoon Salomo is nog jong en onervaren, en de tempel die voor de HEER zal worden gebouwd moet zo groots en indrukwekkend worden dat hij over de hele wereld geroemd en bewonderd wordt. Laat ik daarom vast voorbereidingen treffen. Dus trof David voor zijn dood nog een groot aantal voorbereidingen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">David riep zijn zoon Salomo bij zich en droeg hem op een tempel te bouwen voor de HEER, de God van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Hij zei hem: 'Ik had graag zelf een tempel gebouwd voor de naam van de HEER, mijn God. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Maar de HEER heeft zich tot mij gericht met de woorden: "Jij hebt ten overstaan van mij veel bloed vergoten en grote oorlogen gevoerd. Daarom zul jij geen huis bouwen voor mijn naam, je hebt te veel bloed vergoten. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Maar je zult een zoon krijgen. Hij zal een man van vrede zijn, want ik zal hem rust geven door hem van al zijn vijanden te verlossen. Salomo zal hij daarom heten; tijdens zijn bewind zal ik Israël rust en vrede schenken. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Hij zal een huis bouwen voor mijn naam. Hij zal voor mij een zoon zijn en ik voor hem een vader, en ik zal ervoor zorgen dat zijn troon in Israël niet zal wankelen." </VERS>
      <VERS vnumber="11">Welnu, mijn zoon, moge de HEER je ter zijde staan, zodat je zult slagen en voor de HEER, je God, een tempel zult bouwen zoals hij over jou heeft voorzegd. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Ik hoop dan ook dat de HEER je verstand en inzicht zal schenken zodat je, wanneer hij je over Israël aanstelt, de wetten van de HEER, je God, zult naleven. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Wanneer je je houdt aan de bepalingen en regels die de HEER met betrekking tot Israël aan zijn dienaar Mozes heeft opgedragen, zul je zeker slagen. Wees vastberaden en standvastig, laat je door niets weerhouden of ontmoedigen. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Kijk, ik heb al voorbereidingen getroffen voor de bouw van een tempel voor de HEER en daarbij kosten noch moeite gespaard: honderdduizend talent goud en een miljoen talent zilver, een hoeveelheid koper en ijzer, niet te wegen zo groot, en een voorraad balken en stenen. Jij moet die voorraden nog uitbreiden. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Een menigte werklieden staat tot je beschikking: steenhouwers, metselaars en houtsnijders, vaklieden op allerlei gebied. </VERS>
      <VERS vnumber="16">En goud, zilver, koper en ijzer is er in overvloed, dus je kunt meteen aan het werk. Moge de HEER je ter zijde staan.' </VERS>
      <VERS vnumber="17">David riep alle leiders van Israël op om zijn zoon Salomo te steunen: </VERS>
      <VERS vnumber="18">'Staat de HEER, uw God, u niet ter zijde? Heeft hij u geen rust verschaft aan al uw grenzen? Hij heeft immers de vroegere inwoners van dit land aan mij uitgeleverd, zodat het land kon worden veroverd voor de HEER en zijn volk. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Welnu, richt u met hart en ziel naar de HEER, uw God, en begin zo snel mogelijk een heiligdom te bouwen voor God, de HEER, zodat de ark van het verbond met de HEER en de heilige voorwerpen van God kunnen worden overgebracht naar de tempel die voor de naam van de HEER zal worden gebouwd.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="23">
      <VERS vnumber="1">Toen David oud was geworden en zijn levenseinde naderde, riep hij zijn zoon Salomo tot koning van Israël uit. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Nadat hij de leiders van Israël en de priesters en Levieten bijeen had geroepen, </VERS>
      <VERS vnumber="3">werden alle mannelijke Levieten van dertig jaar en ouder hoofdelijk geteld: het waren er achtendertigduizend. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Vierentwintigduizend van hen kregen de verantwoordelijkheid voor de eredienst in de tempel van de HEER; zesduizend werden aangesteld als griffiers en rechters, </VERS>
      <VERS vnumber="5">vierduizend als poortwachters en vierduizend kregen tot taak de lofzang voor de HEER te begeleiden 'op, 'zoals David zei, 'de instrumenten die ik voor dat doel heb laten maken.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">David deelde de Levieten in afdelingen in, naar de families van Gerson, Kehat en Merari. </VERS>
      <VERS vnumber="7">De Gersonieten: Ladan en Simi. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Ladan had drie zonen: Jechiël, de belangrijkste, Zetam en Joël. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Simi had drie zonen: Selomit, Chaziël en Haran. Zij waren de hoofden van de families van Ladan. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Simi had vier zonen: Jachat, Zina, Jeüs en Beria, de zonen van Simi. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Jachat was de belangrijkste en Zina was de tweede man. Jeüs en Beria hadden niet veel nakomelingen, daarom vormden zij samen één familie en één dienstafdeling. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Kehat had vier zonen: Amram, Jishar, Chebron en Uzziël. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Zonen van Amram: Aäron en Mozes. Aäron kreeg een bijzondere positie: hij werd geheiligd tot het allerheiligste ambt. Hij en zijn nakomelingen kregen voor altijd tot taak offers te ontsteken ten overstaan van de HEER, hem te dienen en uit zijn naam de zegen uit te spreken. </VERS>
      <VERS vnumber="14">De zonen van Mozes, de man van God, werden ingedeeld bij de gewone Levieten. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Zonen van Mozes: Gersom en Eliëzer. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Van de zonen van Gersom was Sebuël de belangrijkste. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Van de nakomelingen van Eliëzer was Rechabja de belangrijkste. Eliëzer had geen andere zonen, maar Rechabja had een zeer talrijk nageslacht. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Van de zonen van Jishar was Selomit de belangrijkste. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Zonen van Chebron: Jeria, de belangrijkste, Amarja, de tweede, Jachaziël, de derde, en Jekamam, de vierde. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Zonen van Uzziël: Micha, de belangrijkste, en Jissia, de tweede. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Zonen van Merari: Machli en Musi. Zonen van Machli: Elazar en Kis. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Elazar had toen hij stierf geen zonen, alleen dochters. Hun neven, de zonen van Kis, namen hen in hun familie op door met hen te trouwen. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Musi had drie zonen: Machli, Eder en Jeremot. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Dit waren de nakomelingen van Levi, ingedeeld naar familie, de dienstafdelingen onder leiding van de familiehoofden. Zij werden voortaan vanaf de leeftijd van twintig jaar hoofdelijk geteld en met naam en toenaam geregistreerd voor de dienst in de tempel van de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="25">David had namelijk gezegd: 'De HEER, de God van Israël, heeft zijn volk rust gegeven. Hij zal nu voor altijd in Jeruzalem komen wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="26">De Levieten hoeven de tabernakel en de voorwerpen voor de eredienst daarom niet meer mee te dragen.' </VERS>
      <VERS vnumber="27">Volgens de laatste aanwijzingen van David werden dus ook de Levieten van twintig jaar en ouder meegeteld. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Zij kregen tot taak de nakomelingen van Aäron behulpzaam te zijn bij de dienst in de tempel van de HEER, het werk in de tempelhoven en de voorraadkamers, het reinigen van de heilige voorwerpen en alle andere werkzaamheden die verband houden met de eredienst in de tempel van God. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Zo waren zij verantwoordelijk voor de toonbroden, de tarwebloem voor de graanoffers, de ongedesemde broden, de op de bakplaat gebakken broden waarvan het deeg met olijfolie werd bereid, en het afmeten en wegen van alle ingrediënten. </VERS>
      <VERS vnumber="30">(30-31) Verder moest bij het brandofferen voor de HEER elke ochtend en elke avond, en op sabbat, nieuwemaan en de andere hoogtijdagen steeds het voorgeschreven aantal Levieten aantreden om de lof van de HEER te zingen. </VERS>
      <VERS vnumber="32">De Levieten vervulden dus hun plichten bij de ontmoetingstent en het heiligdom door hun verwanten, de nakomelingen van Aäron, behulpzaam te zijn bij de dienst in de tempel van de HEER. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="24">
      <VERS vnumber="1">De nakomelingen van Aäron, ingedeeld in afdelingen: Zonen van Aäron: Nadab en Abihu, Eleazar en Itamar. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Nadab en Abihu stierven eerder dan hun vader en lieten geen zonen na, zodat alleen Eleazar en Itamar het priesterambt uitoefenden. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Samen met Sadok uit de familie van Eleazar en Achimelech uit de familie van Itamar deelde David de nakomelingen van Aäron in een dienstrooster in. </VERS>
      <VERS vnumber="4">De familie van Eleazar bleek meer familiehoofden te tellen dan de familie van Itamar, daarom werd de familie van Eleazar naar zestien hoofden ingedeeld en de familie van Itamar naar acht. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Ze werden door loting ingedeeld, zonder onderscheid, want zowel onder de nakomelingen van Eleazar als onder de nakomelingen van Itamar bevinden zich dienaren van het heiligdom en dienaren van God. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Ten overstaan van de koning en zijn raadsheren, van de priesters Sadok en Achimelech, de zoon van Abjatar, en van de familiehoofden van de priesters en de Levieten schreef hofschrijver Semaja, de zoon van Netanel, een Leviet, de groepen in. Daarbij kreeg de familie van Itamar steeds twee beurten tegen de familie van Eleazar één. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Het eerste lot viel op Jojarib, het tweede op Jedaja, </VERS>
      <VERS vnumber="8">het derde op Charim, het vierde op Seorim, </VERS>
      <VERS vnumber="9">het vijfde op Malkia, het zesde op Miamin, </VERS>
      <VERS vnumber="10">het zevende op Hakkos, het achtste op Abia, </VERS>
      <VERS vnumber="11">het negende op Jesua, het tiende op Sechanja, </VERS>
      <VERS vnumber="12">het elfde op Eljasib, het twaalfde op Jakim, </VERS>
      <VERS vnumber="13">het dertiende op Chuppa, het veertiende op Jesebab, </VERS>
      <VERS vnumber="14">het vijftiende op Bilga, het zestiende op Immer, </VERS>
      <VERS vnumber="15">het zeventiende op Chezir, het achttiende op Happisses, </VERS>
      <VERS vnumber="16">het negentiende op Petachja, het twintigste op Jechezkel, </VERS>
      <VERS vnumber="17">het eenentwintigste op Jachin, het tweeëntwintigste op Gamul, </VERS>
      <VERS vnumber="18">het drieëntwintigste op Delaja, het vierentwintigste op Maäzja. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Volgens dit rooster moesten zij aantreden in de tempel van de HEER, om daar de plichten te vervullen die hun voorvader Aäron voor hen had vastgelegd op bevel van de HEER, de God van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="20">De indeling van de overige Levieten: Zoon van Amram: Subaël; zoon van Subaël: Jechdejahu. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Rechabja; zoon van Rechabja: Jissia, een familiehoofd. </VERS>
      <VERS vnumber="22">De Jisharieten: Selomot; zonen van Selomot: Jachat </VERS>
      <VERS vnumber="23">en Benai. Jeria, Amarja, de tweede, Jachaziël, de derde, Jekamam, de vierde. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Zoon van Uzziël: Micha; zoon van Micha: Samir. </VERS>
      <VERS vnumber="25">De broer van Micha: Jissia; zoon van Jissia: Zecharja. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Zonen van Merari: Machli en Musi. Zonen van zijn zoon Jaäziahu- </VERS>
      <VERS vnumber="27">de zonen van Merari's zoon Jaäziahu: Soham, Zakkur en Ibri. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Machli: Elazar; deze had geen zonen. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Kis; zoon van Kis: Jerachmeël. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Zonen van Musi: Machli, Eder en Jerimot. Dit waren de overige Levieten, ingedeeld volgens hun families. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Ook zij werden, net als hun verwanten, de nakomelingen van Aäron, door loting ingedeeld ten overstaan van koning David, van Sadok en Achimelech, en van de familiehoofden van de priesters en de Levieten, zonder onderscheid te maken tussen de families van de hoofden en de families van hun jongere broers. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="25">
      <VERS vnumber="1">De nakomelingen van Asaf, Heman en Jedutun werden door David en de hoofden van de eredienst van de gewone taken vrijgesteld om de lofliederen te zingen onder begeleiding van lieren, harpen en cimbalen. Hier volgt de lijst van de mannen die deze taak moesten verrichten: </VERS>
      <VERS vnumber="2">Uit de familie van Asaf: Zakkur, Josef, Netanja en Asarela, zonen van Asaf. Zij begeleidden Asaf wanneer hij de lofliederen zong volgens de aanwijzingen van de koning. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Uit de familie van Jedutun: Jedutuns zes zonen Gedalja, Seri, Jesaja, Chasabja en Mattitja. Zij begeleidden hun vader Jedutun wanneer hij onder begeleiding van de lier zong om de HEER te loven en te prijzen. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Uit de familie van Heman: Hemans zonen Bukkiahu, Mattanja, Uzziël, Sebuël en Jerimot, Chananja, Chanani, Eliata, Giddalti en Romamti-Ezer, Josbekasa, Malloti, Hotir en Machaziot. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Zij waren de zonen van Heman, de ziener van de koning, die de woorden van God kon duiden en ze kracht bijzetten. (God schonk Heman veertien zonen en drie dochters.) </VERS>
      <VERS vnumber="6">Zij allen begeleidden hun vaders Asaf, Jedutun en Heman op cimbalen, harpen en lieren bij de lofzang in de tempel van de HEER, en luisterden zo, volgens de aanwijzingen van de koning, de dienst in de tempel van de HEER op. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Met hun andere verwanten die in de zangkunst voor de HEER waren opgeleid, bestond de groep volleerde zangers uit tweehonderdachtentachtig man. </VERS>
      <VERS vnumber="8">De zangers werden door loting in wisseldienst ingedeeld, zonder onderscheid te maken tussen oud en jong, volleerde zangers en leerlingen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Het eerste lot viel op de familie van Asaf, op Josef; het tweede viel op Gedalja, met zijn verwanten en zonen samen twaalf man; </VERS>
      <VERS vnumber="10">het derde op Zakkur, met zijn zonen en verwanten samen twaalf man; </VERS>
      <VERS vnumber="11">het vierde op Jisri, met zijn zonen en verwanten samen twaalf man; </VERS>
      <VERS vnumber="12">het vijfde op Netanja, met zijn zonen en verwanten samen twaalf man; </VERS>
      <VERS vnumber="13">het zesde op Bukkiahu, met zijn zonen en verwanten samen twaalf man; </VERS>
      <VERS vnumber="14">het zevende op Jesarela, met zijn zonen en verwanten samen twaalf man; </VERS>
      <VERS vnumber="15">het achtste op Jesaja, met zijn zonen en verwanten samen twaalf man; </VERS>
      <VERS vnumber="16">het negende op Mattanja, met zijn zonen en verwanten samen twaalf man; </VERS>
      <VERS vnumber="17">het tiende op Simi, met zijn zonen en verwanten samen twaalf man; </VERS>
      <VERS vnumber="18">het elfde op Azarel, met zijn zonen en verwanten samen twaalf man; </VERS>
      <VERS vnumber="19">het twaalfde op Chasabja, met zijn zonen en verwanten samen twaalf man; </VERS>
      <VERS vnumber="20">het dertiende op Subaël, met zijn zonen en verwanten samen twaalf man; </VERS>
      <VERS vnumber="21">het veertiende op Mattitja, met zijn zonen en verwanten samen twaalf man; </VERS>
      <VERS vnumber="22">het vijftiende op Jeremot, met zijn zonen en verwanten samen twaalf man; </VERS>
      <VERS vnumber="23">het zestiende op Chananja, met zijn zonen en verwanten samen twaalf man; </VERS>
      <VERS vnumber="24">het zeventiende op Josbekasa, met zijn zonen en verwanten samen twaalf man; </VERS>
      <VERS vnumber="25">het achttiende op Chanani, met zijn zonen en verwanten samen twaalf man; </VERS>
      <VERS vnumber="26">het negentiende op Malloti, met zijn zonen en verwanten samen twaalf man; </VERS>
      <VERS vnumber="27">het twintigste op Eliata, met zijn zonen en verwanten samen twaalf man; </VERS>
      <VERS vnumber="28">het eenentwintigste op Hotir, met zijn zonen en verwanten samen twaalf man; </VERS>
      <VERS vnumber="29">het tweeëntwintigste op Giddalti, met zijn zonen en verwanten samen twaalf man; </VERS>
      <VERS vnumber="30">het drieëntwintigste op Machaziot, met zijn zonen en verwanten samen twaalf man; </VERS>
      <VERS vnumber="31">het vierentwintigste op Romamti-Ezer, met zijn zonen en verwanten samen twaalf man. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="26">
      <VERS vnumber="1">De afdelingen van de poortwachters: Uit de familie van Korach: Meselemja, de zoon van Kore uit de familie van Asaf. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Meselemja had de volgende zonen: Zecharja, de oudste, Jediaël, de tweede, Zebadja, de derde, Jatniël, de vierde, </VERS>
      <VERS vnumber="3">Elam, de vijfde, Jochanan, de zesde, en Eljoënai, de zevende. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Obed-Edom had de volgende zonen: Semaja, de oudste, Jozabad, de tweede, Joach, de derde, Sachar, de vierde, Netanel, de vijfde, </VERS>
      <VERS vnumber="5">Ammiël, de zesde, Issachar, de zevende, en Peülletai, de achtste-God had hem rijk gezegend. </VERS>
      <VERS vnumber="6">De zonen die Obed-Edoms zoon Semaja kreeg, waren gezaghebbende familiehoofden, want het waren dappere krijgslieden. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Zonen van Semaja: Otni, Refaël, Obed en Elzabad. Zijn verwanten Elihu en Semachjahu waren eveneens dappere mannen. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Zij en hun zonen en neven waren allen nakomelingen van Obed-Edom, stuk voor stuk dappere, op hun taak berekende mannen: tweeënzestig man uit de familie van Obed-Edom. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Meselemja had achttien zonen en broers, allemaal dappere mannen. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Chosa, uit de familie van Merari, had de volgende zonen: Simri, de belangrijkste-hij was niet de oudste, maar zijn vader had hem boven zijn broers verheven-, </VERS>
      <VERS vnumber="11">Chilkia, de tweede, Tebaljahu, de derde, en Zecharja, de vierde. Alle zonen en broers meegerekend telde de familie van Chosa dertien mannen. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Net zoals hun verwanten deden ook de poortwachters, in afdelingen ingedeeld naar hun hoofdmannen, bij toerbeurt dienst bij de tempel van de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="13">De verschillende poorten werden door loting aan de hoofdmannen toegewezen, zonder onderscheid te maken tussen jong en oud. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Het lot voor de wacht in het oosten viel op Selemja. Daarna werd er geloot voor zijn zoon Zecharja, een wijze raadsman. Zijn lot viel op het noorden. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Het lot van Obed-Edom viel op het zuiden, dat van zijn zonen op de voorraadkamers, </VERS>
      <VERS vnumber="16">en dat van Suppim en Chosa op het westen, met de Sallechetpoort aan het eind van de Trappenstraat. Voor alle wachtdiensten gold hetzelfde: </VERS>
      <VERS vnumber="17">dagelijks stonden er zes Levieten in het oosten, vier in het noorden, vier in het zuiden, bij de voorraadkamers telkens twee </VERS>
      <VERS vnumber="18">en bij de zuilengang in het westen vier aan de straatkant en twee in de zuilengang. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Dit waren de afdelingen van de poortwachters uit de familie van Korach en de familie van Merari. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Andere Levieten kregen de volgende taken: Achia werd belast met het toezicht op de schatkamers van de tempel van God en de schatkamers waar de wijgeschenken werden bewaard. </VERS>
      <VERS vnumber="21">(21-22) Ook Jechiëls nakomelingen Zetam en zijn broer Joël, uit de familie van Ladan, werden belast met het toezicht op de schatkamers van de tempel van de HEER. De hoofden van de familie van de Gersoniet Ladan waren namelijk afstammelingen van Jechiël. </VERS>
      <VERS vnumber="23">De afstammelingen van Amram, Jishar, Chebron en Uzziël kregen de volgende taken: </VERS>
      <VERS vnumber="24">Sebuël, een afstammeling van Mozes' zoon Gersom, werd opperschatbewaarder. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Een familielid van hem was Selomit, de zoon van Zichri, die de zoon was van Joram, de zoon van Jesaja, de zoon van Rechabja, de zoon van Eliëzer. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Deze Selomit en zijn verwanten werden belast met het toezicht op de schatkamers waar de wijgeschenken werden bewaard die door koning David, de familiehoofden, de bevelhebbers over duizend en die over honderd man en de legeraanvoerders aan de HEER waren afgestaan; </VERS>
      <VERS vnumber="27">zij hadden steeds een deel van hun oorlogsbuit geheiligd om het heiligdom van de HEER te onderhouden. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Ook de voorwerpen die aan de HEER waren afgestaan door de ziener Samuël, door Saul, de zoon van Kis, Abner, de zoon van Ner, Joab, de zoon van Seruja, en vele anderen, werden toevertrouwd aan de zorg van Selomit en zijn familie. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Kenanja en zijn zonen, uit de familie van Jishar, werden benoemd als griffiers en rechters buiten Jeruzalem. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Chasabja en zijn verwanten, zeventienhonderd aanzienlijke mannen uit de familie van Chebron, behartigden de staatszaken van Israël in het gebied ten westen van de Jordaan. Zij dienden zowel de belangen van de HEER als de belangen van de koning. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Jeria, het hoofd van de familie van Chebron-toen de stamboom van zijn familie in het veertigste regeringsjaar van David werd onderzocht, bleek in Jazer in Gilead een aantal aanzienlijke personen te wonen- </VERS>
      <VERS vnumber="32">werd met zijn verwanten, zevenentwintighonderd aanzienlijke familiehoofden, door koning David belast met het toezicht op de godsdienstige en bestuurlijke zaken in de stamgebieden van Ruben, Gad en Oost-Manasse. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="27">
      <VERS vnumber="1">Hier volgen de Israëlieten die in afdelingen van vierentwintigduizend man bij toerbeurt één maand per jaar opkwamen, met hun familiehoofden en de bevelhebbers over de eenheden van duizend en van honderd man, die samen met hun ambtenaren alles wat de dienstplicht betrof voor de koning regelden. </VERS>
      <VERS vnumber="2">(2-3) Aan het hoofd van de eerste afdeling, voor de eerste maand, stond Jasobam, de zoon van Zabdiël, uit de familie van Peres. Zijn afdeling telde vierentwintigduizend man. Hij voerde het bevel over de legeraanvoerders van de eerste maand. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Aan het hoofd van de afdeling voor de tweede maand stond Dodai uit Achoach. Zijn afdeling stond onder bevel van Miklot en telde vierentwintigduizend man. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Bevelhebber van de derde afdeling, voor de derde maand, was Benaja, de zoon van de hogepriester Jojada. Zijn afdeling telde vierentwintigduizend man. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Dit was de beroemde Benaja, een van de dertig helden, en wel hun aanvoerder. Daarom stond zijn afdeling onder bevel van zijn zoon Ammizabad. </VERS>
      <VERS vnumber="7">De vierde afdeling, voor de vierde maand, stond onder bevel van Asaël, de broer van Joab, en na zijn dood onder bevel van zijn zoon Zebadja. Zijn afdeling telde vierentwintigduizend man. </VERS>
      <VERS vnumber="8">De vijfde afdeling, voor de vijfde maand, stond onder bevel van legeroverste Samhut uit Jizrach. Zijn afdeling telde vierentwintigduizend man. </VERS>
      <VERS vnumber="9">De zesde afdeling, voor de zesde maand, stond onder bevel van Ira, de zoon van Ikkes, uit Tekoa. Zijn afdeling telde vierentwintigduizend man. </VERS>
      <VERS vnumber="10">De zevende afdeling, voor de zevende maand, stond onder bevel van Cheles uit Pelon, uit de stam Efraïm. Zijn afdeling telde vierentwintigduizend man. </VERS>
      <VERS vnumber="11">De achtste afdeling, voor de achtste maand, stond onder bevel van Sibbechai uit Chusa, uit de familie van Zerach. Zijn afdeling telde vierentwintigduizend man. </VERS>
      <VERS vnumber="12">De negende afdeling, voor de negende maand, stond onder bevel van Abiëzer uit Anatot, uit de stam Benjamin. Zijn afdeling telde vierentwintigduizend man. </VERS>
      <VERS vnumber="13">De tiende afdeling, voor de tiende maand, stond onder bevel van Maharai uit Netofa, uit de familie van Zerach. Zijn afdeling telde vierentwintigduizend man. </VERS>
      <VERS vnumber="14">De elfde afdeling, voor de elfde maand, stond onder bevel van Benaja uit Piraton, uit de stam Efraïm. Zijn afdeling telde vierentwintigduizend man. </VERS>
      <VERS vnumber="15">De twaalfde afdeling, voor de twaalfde maand, stond onder bevel van Cheldai uit Netofa, uit de familie van Otniël. Zijn afdeling telde vierentwintigduizend man. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Aan het hoofd van de stammen van Israël stonden de volgende personen: vorst van de stam Ruben was Eliëzer, de zoon van Zichri; van Simeon: Sefatja, de zoon van Maächa; </VERS>
      <VERS vnumber="17">van Levi: Chasabja, de zoon van Kemuël; van de afstammelingen van Aäron: Sadok; </VERS>
      <VERS vnumber="18">van Juda: Elihu, een broer van David; van Issachar: Omri, de zoon van Michaël; </VERS>
      <VERS vnumber="19">van Zebulon: Jismaja, de zoon van Obadja; van Naftali: Jerimot, de zoon van Azriël; </VERS>
      <VERS vnumber="20">van Efraïm: Hosea, de zoon van Azazjahu; van de oostelijke helft van de stam Manasse: Joël, de zoon van Pedaja; </VERS>
      <VERS vnumber="21">van de helft van Manasse die in Gilead woonde: Jiddo, de zoon van Zecharja; van Benjamin: Jaäsiël, de zoon van Abner; </VERS>
      <VERS vnumber="22">van Dan: Azarel, de zoon van Jerocham. Dit waren de stamhoofden van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="23">David telde de personen onder de twintig jaar niet mee, want de HEER had beloofd dat hij het volk van Israël even talrijk zou maken als de sterren aan de hemel. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Joab, de zoon van Seruja, had wel een begin gemaakt met de volkstelling, maar maakte die niet af, want Israël werd vanwege de volkstelling getroffen door een hevige toorn. De uitslag werd dan ook niet opgenomen in de kronieken van koning David. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Azmawet, de zoon van Adiël, kreeg de verantwoordelijkheid voor de koninklijke magazijnen. Jonatan, de zoon van Uzzia, kreeg de verantwoordelijkheid voor de voorraden in de rest van het land, in de steden en dorpen en versterkte opslagplaatsen. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Ezri, de zoon van Kelub, kreeg de verantwoordelijkheid voor de landarbeiders die de akkers bewerkten. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Simi uit Rama kreeg de verantwoordelijkheid voor de wijngaarden en de Sifmiet Zabdi voor de kelders waarin de wijn werd bewaard. </VERS>
      <VERS vnumber="28">De Gederiet Baäl-Chanan kreeg de verantwoordelijkheid voor de olijfgaarden en de wilde vijgenbomen in het heuvelland. Joas kreeg de verantwoordelijkheid voor de opslagplaatsen voor olie. </VERS>
      <VERS vnumber="29">De Saroniet Sitrai kreeg de verantwoordelijkheid voor het rundvee dat in de Saron weidde, en Safat, de zoon van Adlai, voor het rundvee in de valleien. </VERS>
      <VERS vnumber="30">De Ismaëliet Obil kreeg de verantwoordelijkheid voor de kamelen en Jechdejahu uit Meronot voor de ezelinnen. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Jaziz, een afstammeling van Hagar, kreeg de verantwoordelijkheid voor de geiten en de schapen. Zij allen waren opzichters over de bezittingen van koning David. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Davids oom Jonatan was raadsheer; hij was een wijs man en vervulde de taak van hofschrijver. Jechiël, de zoon van Chachmoni, was belast met de opvoeding van de koningszonen. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Achitofel was 's konings raadgever en de Arkiet Chusai was zijn vertrouwensman. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Achitofel werd opgevolgd door Jojada, de zoon van Benaja, en door Abjatar. Joab was bevelhebber van het koninklijke leger. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="28">
      <VERS vnumber="1">David riep alle leiders van Israël in Jeruzalem bijeen: de stamhoofden, de hoofden van dienst, de bevelhebbers over de eenheden van duizend en van honderd man, de opzichters over het vee en de bezittingen van de koning en zijn zonen, de kamerheren, de helden, kortom alle invloedrijke personen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Koning David ging staan en zei: 'Mijn broeders, mijn volk, hoor mij aan. Ik had graag zelf een tempel gebouwd waarin de ark van het verbond met de HEER, de voetenbank van onze God, een rustplaats zou vinden. Ik was al met de voorbereidingen begonnen, </VERS>
      <VERS vnumber="3">maar God zei tegen mij: "Jij zult voor mijn naam geen huis bouwen, want je hebt oorlogen gevoerd en bloed vergoten." </VERS>
      <VERS vnumber="4">De HEER, de God van Israël, heeft uit heel de familie van mijn vader juist mij gekozen om voor altijd koning van Israël te zijn. Hij koos immers Juda als leider, en uit de stam Juda de familie van mijn vader, en uit de zonen van mijn vader verkoos hij mij als koning van heel Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="5">En uit al mijn zonen-de HEER heeft mij immers veel zonen gegeven-verkoos hij mijn zoon Salomo om plaats te nemen op de troon van de heerschappij van de HEER over Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Hij zei me: "Je zoon Salomo, die zal voor mij een tempel en tempelhoven bouwen. Hem heb ik als mijn zoon verkozen, voor hem zal ik een vader zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="7">En als hij mijn geboden en voorschriften steeds zo nauwgezet blijft naleven als hij nu doet, zal ik zijn koningschap voor altijd bestendigen." </VERS>
      <VERS vnumber="8">Welnu, ten aanschouwen van heel Israël, de gemeenschap van de HEER, en ten aanhoren van onze God, draag ik u op: houd u aan de geboden van de HEER, uw God, en richt u ernaar, opdat u dit goede land in bezit mag houden en het voor altijd aan uw nakomelingen kunt nalaten. </VERS>
      <VERS vnumber="9">En jij, Salomo, mijn zoon, wees ontvankelijk voor de God van je vader en dien hem met volle overgave. Want de HEER onderzoekt alle harten en kent alle verlangens en gedachten. Als je hem zoekt, zul je hem vinden; als je hem verlaat, zal hij je voor eeuwig verstoten. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Zie, de HEER heeft jou uitgekozen om een tempel te bouwen die hem als heiligdom zal dienen. Ga dus vastberaden aan het werk.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">David overhandigde zijn zoon Salomo het bouwplan van de voorhal en de achterliggende vertrekken, van de schatkamers, de bovenzalen, de binnenvertrekken en de ruimte voor de verzoeningsrite. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Daarbij was ook omschreven hoe alles hem verder voor de geest stond: de tempelhoven en de voorraadkamers, de schatkamers van de tempel van God en de schatkamers voor de wijgeschenken, </VERS>
      <VERS vnumber="13">het dienstrooster van de priesters en de Levieten, de tempeldiensten en de voorwerpen die daarbij gebruikt moesten worden, </VERS>
      <VERS vnumber="14">tot en met het gewicht aan goud of zilver dat de voorwerpen voor de verschillende diensten moesten hebben, </VERS>
      <VERS vnumber="15">namelijk het gewicht aan goud voor elk van de gouden lampenstandaards en de bijbehorende lampen, het gewicht aan zilver voor de zilveren lampenstandaards en de bijbehorende lampen, afhankelijk van hun functie, </VERS>
      <VERS vnumber="16">het gewicht aan goud voor elk van de toontafels en het gewicht aan zilver voor de zilveren tafels, </VERS>
      <VERS vnumber="17">het gewicht van de zuiver gouden drietandige vorken, offerschalen en kannen, het gewicht aan goud voor elk van de kleine gouden schaaltjes, het gewicht aan zilver voor elk van de kleine zilveren schaaltjes, </VERS>
      <VERS vnumber="18">het gewicht aan puur goud voor het reukofferaltaar en het goud voor de uitvoering van het wagenstel, de cherubs en de vleugels die zij beschermend uitspreiden over de ark van het verbond met de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="19">'Dit alles heb ik opgetekend op aanwijzing van de HEER, die mij heeft laten zien hoe het bouwplan moet worden uitgevoerd.' </VERS>
      <VERS vnumber="20">Tot slot zei David tegen zijn zoon Salomo: 'Wees vastberaden en standvastig, ga aan het werk, laat je door niets weerhouden of ontmoedigen, want God, de HEER, mijn God, staat je ter zijde. Hij zal je niet verlaten en niet van je zijde wijken zolang de uitvoering van het werk aan de tempel van de HEER niet is voltooid. </VERS>
      <VERS vnumber="21">En verder zijn er de afdelingen van de priesters en de Levieten voor de verschillende onderdelen van de tempeldienst, staan allerlei vaklieden klaar om het werk uit te voeren en zullen de leiders en het gewone volk al je bevelen opvolgen.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="29">
      <VERS vnumber="1">Daarna wendde David zich tot de verzamelde Israëlieten: 'God heeft mijn zoon Salomo uitgekozen, hem alleen, een jongeman nog, zonder ervaring. Zijn taak is zwaar, want de burcht die hij moet bouwen is niet voor een mens bestemd, maar voor God, de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Ikzelf heb me tot het uiterste ingespannen om zo veel mogelijk materiaal voor de tempel van mijn God bijeen te brengen: ik heb goud verzameld voor de gouden voorwerpen, zilver voor die van zilver, koper voor die van koper, ijzer voor die van ijzer, hout voor die van hout, en verder een grote hoeveelheid onyx en edelstenen om in te zetten, mozaïeksteentjes om in te leggen en allerlei andere kostbare gesteenten en soorten marmer. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Bovendien, de tempel van mijn God gaat mij zo ter harte, ik stel boven op alles wat ik al voor het heilige huis bijeen heb gebracht mijn hele persoonlijke vermogen aan goud en zilver voor de tempel van mijn God ter beschikking: </VERS>
      <VERS vnumber="4">drieduizend talent goud uit Ofir en zevenduizend talent puur zilver om de wanden van de vertrekken mee te versieren, </VERS>
      <VERS vnumber="5">goud voor de gouden voorwerpen die de ambachtslieden zullen maken en zilver voor die van zilver. Wie van u stelt zich vandaag in dienst van de HEER door een vrijwillige gave te schenken?' </VERS>
      <VERS vnumber="6">De familiehoofden en de stamhoofden van Israël, de bevelhebbers over de eenheden van duizend en van honderd man en de hoofden van dienst schonken allen een vrijwillige gave. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Zij stonden voor het werk aan de tempel van God vijfduizend talent baar goud en tienduizend gouden munten af, tienduizend talent zilver, achttienduizend talent koper en honderdduizend talent ijzer. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Wie edelstenen bezat, stelde ze ter hand aan de Gersoniet Jechiël ten bate van de schatkamer van de tempel van de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Het volk bracht zijn gaven met vreugde, want men was van ganser harte bereid een bijdrage te schenken voor de HEER. Ook koning David was zeer verheugd. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Toen loofde David de HEER, ten aanhoren van de hele gemeenschap. Hij zei: 'Geprezen bent u, HEER, God van onze voorvader Israël, voor altijd en eeuwig. </VERS>
      <VERS vnumber="11">U, HEER, bent groots en machtig, vol luister, roem en majesteit. Alles in de hemel en op aarde behoort u toe, HEER, u bezit het koningschap en de heerschappij. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Roem en rijkdom zijn van u afkomstig, u heerst over alles. In uw hand liggen macht en kracht besloten, u beslist wie groot en machtig is. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Daarom danken wij u, onze God, en prijzen wij uw luisterrijke naam. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Wat ben ik, en wat is mijn volk, dat wij in staat zijn gebleken zoveel kostbaarheden af te staan? Alles is van u afkomstig, en wat wij u schenken komt uit uw hand. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Net als al onze voorouders zijn wij slechts vreemdelingen die als gasten bij u verblijven, ons bestaan op aarde is als een schaduw, zonder enige zekerheid. </VERS>
      <VERS vnumber="16">HEER, onze God, al deze rijkdom die we bijeengebracht hebben om voor u een tempel te bouwen voor uw heilige naam, komt uit uw hand en aan u dragen wij die op. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Ik weet, mijn God, dat u de harten van de mensen beproeft en oprechtheid verlangt. Welnu, uit de oprechtheid van mijn hart heb ik u dit alles geschonken, en ook uw volk, dat hier bijeen is, heb ik zijn bijdrage met vreugde zien schenken. </VERS>
      <VERS vnumber="18">HEER, God van onze voorouders Abraham, Isaak en Israël, koester dit blijk van de gezindheid van uw volk voor altijd en laat hun hart op u gericht zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Geef ook dat mijn zoon Salomo met volle toewijding uw geboden, bepalingen en wetten naleeft en alles in het werk stelt om de burcht te bouwen waarvoor ik de voorbereidingen heb getroffen.' </VERS>
      <VERS vnumber="20">Daarna droeg David de gemeenschap op de HEER, hun God, te loven. Heel de gemeenschap loofde de HEER, de God van hun voorouders, en knielde neer en boog diep voorover voor de HEER en voor de koning. </VERS>
      <VERS vnumber="21">De volgende dag brachten ze vredeoffers en brandoffers aan de HEER: duizend stieren, duizend volwassen rammen en duizend jonge rammen, en de bijbehorende wijnoffers. Voor de verzamelde Israëlieten werd een enorm aantal dieren geslacht. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Vol blijdschap aten en dronken ze die dag ten overstaan van de HEER. Davids zoon Salomo werd ten tweeden male tot koning uitgeroepen. Ten overstaan van de HEER zalfde men hem tot vorst, en Sadok tot hogepriester. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Zo besteeg Salomo de troon van de HEER en volgde hij zijn vader David als koning op. Hij ondervond geen tegenstand en heel Israël accepteerde hem. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Alle aanvoerders en helden en ook alle andere zonen van koning David betuigden hem trouw. </VERS>
      <VERS vnumber="25">De HEER maakte dat Salomo buitengewoon veel aanzien genoot bij de Israëlieten en verleende hem een koninklijke majesteit zoals geen enkele koning van Israël vóór hem had gehad. </VERS>
      <VERS vnumber="26">David, de zoon van Isaï, heeft over heel Israël geregeerd. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Hij regeerde veertig jaar over Israël, zeven jaar in Hebron en drieëndertig jaar in Jeruzalem. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Toen hij stierf, had hij een eerbiedwaardige ouderdom bereikt en veel roem en rijkdom vergaard. Zijn zoon Salomo volgde hem op. </VERS>
      <VERS vnumber="29">De geschiedenis van koning David is van begin tot eind opgetekend in de geschriften van de ziener Samuël, de profeet Natan en de schouwer Gad. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Daarin staat zijn machtig koningschap beschreven en alles wat hij heeft meegemaakt, en de gebeurtenissen die in Israël en de andere koninkrijken hebben plaatsgevonden. </VERS>
    </CHAPTER>
  </BIBLEBOOK>
  <BIBLEBOOK bnumber="14" bname="2 Kronieken" bsname="2Kro">
    <CHAPTER cnumber="1">
      <VERS vnumber="1">Salomo, de zoon van David, verstevigde zijn positie als koning. De HEER, zijn God, stond hem ter zijde en maakte hem buitengewoon machtig. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Salomo ontbood de vertegenwoordigers van heel Israël: de bevelhebbers over duizend man en die over honderd, de rechters en alle leiders, alle familiehoofden, </VERS>
      <VERS vnumber="3">kortom, de hele gemeenschap van Israël. Samen met hen ging hij naar de offerhoogte van Gibeon. Daar stond de ontmoetingstent van God, die Mozes, de dienaar van de HEER, in de woestijn had gemaakt. </VERS>
      <VERS vnumber="4">De ark van God daarentegen was door David opgehaald uit Kirjat-Jearim en overgebracht naar Jeruzalem, naar de tent die hij ervoor had opgericht. </VERS>
      <VERS vnumber="5">In Gibeon, voor de tent van de HEER, stond ook het bronzen altaar dat Besaleël, de zoon van Uri, de zoon van Chur, gemaakt had. Dat altaar was het doel van hun komst. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Op dat bronzen altaar, voor de ontmoetingstent, in de nabijheid van de HEER, offerde Salomo; hij bracht er een brandoffer van wel duizend dieren. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Die nacht verscheen God aan Salomo en zei: 'Wat wil je dat ik je geef?' </VERS>
      <VERS vnumber="8">Salomo antwoordde: 'U bent mijn vader David goedgezind geweest en hebt mij als zijn opvolger aangesteld. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Laat nu, HEER, mijn God, uw belofte aan mijn vader David bewaarheid worden. U hebt mij aangesteld als koning over een volk dat zo talrijk is als het stof van de aarde, </VERS>
      <VERS vnumber="10">schenk mij daarom wijsheid en inzicht, zodat ik dit volk kan leiden. Want hoe zou ik anders dit grote volk van u kunnen besturen?' </VERS>
      <VERS vnumber="11">Hierop zei God tegen Salomo: 'Omdat dit je wens is, omdat je niet gevraagd hebt om rijkdom en schatten, niet om roem en de dood van je vijanden, en ook niet om een lang leven, maar om wijsheid en inzicht om het volk te kunnen besturen waarover ik je als koning heb aangesteld, </VERS>
      <VERS vnumber="12">zal ik je wijsheid en inzicht schenken. En ik zal je ook rijkdom, schatten en roem geven, zoveel als geen enkele koning vóór jou ooit heeft gehad of na jou ooit nog zal verkrijgen.' </VERS>
      <VERS vnumber="13">Hierna keerde Salomo van de ontmoetingstent op de offerhoogte van Gibeon terug naar Jeruzalem, waar hij regeerde over Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Salomo bracht wagens en paarden bijeen. Hij bezat veertienhonderd wagens en twaalfduizend paarden, die hij deels in Jeruzalem bij zich hield en deels onderbracht in garnizoenssteden verspreid over het land. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Dankzij koning Salomo waren zilver en goud in Jeruzalem even gewoon als steen en was er aan cederhout net zo'n overvloed als aan wilde vijgenbomen in het heuvelland. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Salomo's paarden waren afkomstig uit Egypte en uit Kewe, waar ze door handelaars van de koning werden aangekocht. </VERS>
      <VERS vnumber="17">In Egypte betaalden ze voor een wagen zeshonderd sjekel zilver, en voor een paard honderdvijftig. Deze handelaars leverden ook paarden aan de koningen van de Hethieten en de Arameeërs. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="2">
      <VERS vnumber="1">(1:18) Salomo besloot een tempel te bouwen voor de naam van de HEER, en een koninklijk paleis voor zichzelf. </VERS>
      <VERS vnumber="2">(2:1) Hij beschikte over zeventigduizend sjouwers en tachtigduizend steenhouwers in het gebergte, die onder leiding stonden van zesendertighonderd opzichters. </VERS>
      <VERS vnumber="3">(2:2) Hij stuurde afgezanten naar koning Churam van Tyrus met het volgende verzoek: 'Indertijd hebt u mijn vader David cederhout geleverd voor de bouw van een paleis. </VERS>
      <VERS vnumber="4">(2:3) Nu wil ik beginnen met de bouw van een tempel voor de naam van de HEER, mijn God. Die zal ik aan hem wijden om hem er reukoffers te brengen, met vaste regelmaat toonbroden neer te leggen en er 's morgens en 's avonds, op sabbat, nieuwemaan en de hoogtijdagen van de HEER, onze God, brandoffers op te dragen zoals dat aan Israël is opgelegd als een eeuwige verplichting. </VERS>
      <VERS vnumber="5">(2:4) Het moet een grote tempel worden, want onze God is groter dan alle andere goden. </VERS>
      <VERS vnumber="6">(2:5) Eigenlijk is niemand in staat voor hem een huis te bouwen, want zelfs de hoogste hemel kan hem niet bevatten. Dus wie ben ik dat ik voor hem een tempel zou bouwen, behalve dan om er voor hem offers te brengen? </VERS>
      <VERS vnumber="7">(2:6) Welnu, stuur mij iemand die verstand heeft van de bewerking van goud en zilver, koper, brons en ijzer, de verwerking van roodpurperen, karmozijnrode en blauwpurperen wol, en het aanbrengen van snijwerk, zodat hij de ambachtslieden kan bijstaan die mijn vader David hier in Juda en Jeruzalem al heeft aangesteld. </VERS>
      <VERS vnumber="8">(2:7) Lever mij ook ceders, cipressen en sandelhout uit de Libanon, want ik weet hoe bedreven uw knechten daar zijn in het kappen van bomen. Mijn knechten zullen de uwe helpen </VERS>
      <VERS vnumber="9">(2:8) om mij van een grote hoeveelheid hout te voorzien, want de tempel die ik aan het bouwen ben moet groot en indrukwekkend worden. </VERS>
      <VERS vnumber="10">(2:9) Ik zal uw houthakkers belonen met twintigduizend kor tarwegries, twintigduizend kor gerst, twintigduizend bat wijn en twintigduizend bat olijfolie.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">(2:10) Koning Churam van Tyrus stuurde Salomo een brief met het volgende antwoord: 'Omdat de HEER zijn volk liefheeft, heeft hij u als koning over hen aangesteld.' </VERS>
      <VERS vnumber="12">(2:11) De brief vervolgde: 'Geprezen zij de HEER, de God van Israël, de schepper van hemel en aarde, die aan koning David een wijze zoon heeft gegeven die over verstand en inzicht beschikt en een tempel wil bouwen voor de HEER en een koninklijk paleis voor zichzelf. </VERS>
      <VERS vnumber="13">(2:12) Ik stuur u hierbij iemand die over groot vakmanschap beschikt, meester Churam. </VERS>
      <VERS vnumber="14">(2:13) Hij is de zoon van een Danitische moeder en een Tyrische vader. Hij is bedreven in de bewerking van goud en zilver, koper, brons en ijzer, steen en hout; hij kan roodpurperen, blauwpurperen, karmozijnrode wol en fijn wit linnen verwerken en allerlei snijwerk aanbrengen. Bovendien is hij een begenadigd ontwerper. Samen met uw ambachtslieden en de ambachtslieden van mijn heer, uw vader David, zal hij alles uitvoeren wat hem wordt opgedragen. </VERS>
      <VERS vnumber="15">(2:14) Stuur ons de tarwe, gerst, olie en wijn die u hebt toegezegd, heer, </VERS>
      <VERS vnumber="16">(2:15) dan zullen wij op de Libanon bomen kappen zoveel u maar nodig hebt. We zullen de stammen als vlotten over zee naar Jafo vervoeren, vanwaar u ze naar Jeruzalem kunt overbrengen.' </VERS>
      <VERS vnumber="17">(2:16) In navolging van zijn vader David hield Salomo een telling onder de vreemdelingen in Israël. Het waren er honderddrieënvijftigduizend zeshonderd. </VERS>
      <VERS vnumber="18">(2:17) Zeventigduizend van hen stelde hij aan als sjouwers, tachtigduizend als steenhouwers in het gebergte en zesendertighonderd als opzichters om toezicht op het werk te houden. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="3">
      <VERS vnumber="1">Toen begon Salomo met de bouw van de tempel voor de HEER, in Jeruzalem, op de berg Moria, waar zijn vader David een verschijning had gehad, op de dorsvloer van de Jebusiet Ornan die David als bouwplaats had aangewezen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Salomo begon met de bouw op de tweede dag van de tweede maand in het vierde jaar van zijn regering. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Het grondplan dat Salomo bij de bouw van de tempel voor God volgde, mat zestig el in de lengte en twintig el in de breedte (volgens de oude maat). </VERS>
      <VERS vnumber="4">In het verlengde van de tempel was er een voorhal over de volle breedte van het gebouw, twintig el breed en honderdtwintig el hoog, vanbinnen overdekt met zuiver goud. </VERS>
      <VERS vnumber="5">De grote zaal liet hij bekleden met cipressenhout, dat werd overtrokken met zuiver goud en versierd met palmetten en ketens. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Als extra versiering liet hij de wanden met edelstenen bezetten; het goud was afkomstig uit Parwaïm. </VERS>
      <VERS vnumber="7">De hele zaal werd met goud overdekt, niet alleen de wanden en deuren, maar ook de balken en kozijnen, en op de wanden werden reliëfs van cherubs aangebracht. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Het allerheiligste besloeg de hele breedte van de tempel. Deze ruimte was twintig el diep en twintig el breed en werd eveneens met zuiver goud overdekt, zeshonderd talent in totaal. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Voor de klinknagels werd vijftig sjekel goud gebruikt. Ook de bovenvertrekken waren met goud overdekt. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Voor het allerheiligste liet Salomo twee cherubfiguren maken, die hij liet vergulden. </VERS>
      <VERS vnumber="11">(11-12) Hun vleugels hadden een gezamenlijke lengte van twintig el. Elke cherub had twee vleugels van elk vijf el lang, waarvan één vleugel de wand raakte en de andere de vleugel van de andere cherub. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Samen hadden hun vleugels dus een spanwijdte van twintig el. Ze stonden rechtop, met hun gezicht naar de grote zaal. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Verder liet hij een voorhangsel maken van blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en fijn wit linnen, versierd met cherubfiguren. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Salomo liet twee zuilen maken van vijfendertig el hoog, met kapitelen erop van nog eens vijf el, die voor de grote zaal kwamen te staan. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Hij liet ketens smeden voor de achterzaal en voor de kapitelen op de zuilen. Aan de ketens om de kapitelen liet hij honderd gesmede granaatappels hangen. </VERS>
      <VERS vnumber="17">De zuilen werden aan weerszijden van de ingang van de grote zaal geplaatst. De rechterzuil noemde hij Jachin, de linker Boaz. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="4">
      <VERS vnumber="1">Salomo liet een bronzen altaar maken van twintig el lang, twintig el breed en tien el hoog. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Hij liet ook de Zee maken, een bekken van gegoten brons, vijf el hoog, met een middellijn van tien el en een omtrek van dertig el. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Aan de onderkant was het omkranst met een band van tien el lang, die bestond uit twee rijen runderen, en die met het bekken was meegegoten. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Het bekken rustte op twaalf runderen: drie met hun kop naar het noorden, drie met hun kop naar het westen, drie met hun kop naar het zuiden en drie met hun kop naar het oosten; hun achterlijven waren naar het midden gekeerd. Daarop rustte het bekken. </VERS>
      <VERS vnumber="5">De wand was wel een handbreedte dik. De rand was gevormd als bij een beker, als een lotuskelk. Het bekken had een inhoud van drieduizend bat. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Hij liet ook tien andere bekkens maken, waarvan er vijf aan de zuidkant en vijf aan de noordkant van de tempel werden geplaatst. Dit waren spoelbekkens. Ze waren bedoeld om er alles wat nodig was voor de brandoffers in af te spoelen; de priesters wasten zich met het water uit de Zee. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Voor de grote zaal liet hij tien gouden lampenstandaards maken, geheel volgens voorschrift, waarvan er vijf aan de linkerkant en vijf aan de rechterkant werden geplaatst. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Er werden ook tien tafels neergezet, vijf links en vijf rechts. Voorts liet hij honderd gouden offerschalen maken. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Hij liet een binnenplaats voor de priesters aanleggen en een grote voorhof met toegangspoorten. De deuren daarvan liet hij met koper beslaan. </VERS>
      <VERS vnumber="10">De Zee kreeg een plaats schuin voor de tempel, aan de zuidoostkant. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Churam maakte ook nog vuurbekkens, vuurscheppen en offerschalen, en daarmee was het werk dat koning Salomo hem voor de tempel van God had opgedragen voltooid. </VERS>
      <VERS vnumber="12">De twee zuilen met de twee bolvormige kapitelen erop, het vlechtwerk waarmee die kapitelen op de zuilen waren omhuld, </VERS>
      <VERS vnumber="13">de vierhonderd granaatappels die in twee rijen aan het vlechtwerk om de bolvormige kapitelen op elk van de zuilen hingen, </VERS>
      <VERS vnumber="14">de onderstellen met de spoelbekkens erop, </VERS>
      <VERS vnumber="15">de Zee, waarvan er maar één was, met de twaalf runderen eronder, </VERS>
      <VERS vnumber="16">en de vuurbekkens, vuurscheppen, drietandige vorken en alle bijbehorende voorwerpen die meester Churam in opdracht van koning Salomo voor de tempel van de HEER had gemaakt, alles was van gepolijst koper en brons. </VERS>
      <VERS vnumber="17">De koning liet ze gieten in de Jordaanvlakte, tussen Sukkot en Seredata, waar volop vette klei te vinden was. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Salomo liet zo veel van deze voorwerpen maken dat het gewicht ervan aan brons en koper te groot was om het te kunnen bepalen. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Ook voor het interieur van de tempel van God liet Salomo allerlei voorwerpen maken: het met een laag goud bedekte altaar en de tafels voor het toonbrood; </VERS>
      <VERS vnumber="20">de vergulde lampenstandaards die voor de achterste zaal stonden, waarin volgens voorschrift lampen brandden </VERS>
      <VERS vnumber="21">die, evenals hun bloemversieringen en de bijbehorende snuiters, van goud, zuiver goud waren gemaakt; </VERS>
      <VERS vnumber="22">en de vergulde messen, offerschalen, kommen en vuurbakken. Ook de toegangsdeuren, zowel de binnenste deuren die toegang gaven tot het allerheiligste als de deuren van de tempel zelf, waren met goud overtrokken. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="5">
      <VERS vnumber="1">Toen al het werk dat koning Salomo aan de tempel van de HEER had laten verrichten voltooid was, liet hij de wijgeschenken van zijn vader David naar de tempel overbrengen. Hij borg het goud en zilver en de andere voorwerpen in de schatkamers van de tempel van God. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Daarna liet koning Salomo de oudsten van Israël en de stamhoofden, allen die aan het hoofd van een familie stonden, naar Jeruzalem komen om de ark van het verbond met de HEER over te brengen vanuit de Davidsburcht, de bergvesting op de Sion. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Alle Israëlieten kwamen voor het feest in de zevende maand naar de koning. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Toen alle oudsten van Israël aanwezig waren, namen de Levieten de ark op. </VERS>
      <VERS vnumber="5">De ark, de ontmoetingstent en de bijbehorende gewijde voorwerpen werden gedragen door de Levitische priesters. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Koning Salomo hield intussen met de Israëlieten, die zich met hem rond de ark verzameld hadden, een offerplechtigheid waarbij zo veel schapen, geiten en runderen werden geofferd dat hun aantal niet vast te stellen was. </VERS>
      <VERS vnumber="7">De priesters brachten de ark van het verbond met de HEER naar zijn nieuwe plaats in de achterste zaal van de tempel, het allerheiligste, en zetten hem neer onder de vleugels van de cherubs, </VERS>
      <VERS vnumber="8">zodat de gespreide vleugels van de cherubs zich beschermend over de ark en zijn draagbomen uitstrekten. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Deze draagbomen staken een stuk uit, en men kon de uiteinden ervan alleen zien wanneer men vlak voor de ark stond, dus vlak voor de toegang tot de achterzaal; van verder weg waren ze niet te zien. De ark bevindt zich daar tot op de dag van vandaag. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Hij bevat niets anders dan de twee platen die Mozes op de Horeb heeft doorgegeven toen de HEER een verbond sloot met de Israëlieten tijdens hun uittocht uit Egypte. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Op het moment dat de priesters uit het heiligdom naar buiten kwamen-alle priesters hadden zich zonder uitzondering geheiligd, ook zij die volgens het rooster geen dienst hadden, </VERS>
      <VERS vnumber="12">en alle Levitische zangers, te weten Asaf, Heman, Jedutun en hun zonen en broers, gekleed in fijn linnen, stonden met hun cimbalen, harpen en lieren aan de oostkant van het altaar klaar, en ook nog honderdtwintig priesters met trompetten-, </VERS>
      <VERS vnumber="13">op dat moment moesten de blazers en zangers samen muziek ten gehore brengen ter ere van de HEER. Zodra het geluid van de trompetten, cimbalen en andere instrumenten opklonk en de zangers de lofzang aanhieven: 'De HEER is goed, eeuwig duurt zijn trouw, 'vulde de tempel, het huis van de HEER, zich met een wolk. </VERS>
      <VERS vnumber="14">De priesters konden hun dienst niet meer verrichten, want de majesteit van God vulde de hele tempel. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="6">
      <VERS vnumber="1">Toen sprak Salomo: 'HEER, u hebt gezegd dat u in een donkere wolk wilde wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Welnu, ik heb voor u een vorstelijk huis gebouwd, dat voor altijd uw woning kan zijn.' </VERS>
      <VERS vnumber="3">Hierna keerde de koning zich om en zegende de gemeenschap van Israël. Toen iedereen was gaan staan, </VERS>
      <VERS vnumber="4">zei hij: 'Geprezen zij de HEER, de God van Israël, die het niet bij woorden heeft gelaten maar zijn belofte aan mijn vader David daadwerkelijk is nagekomen. Hij heeft gezegd: </VERS>
      <VERS vnumber="5">"Nooit, vanaf de dag dat ik mijn volk uit Egypte heb weggeleid, heb ik een van de steden van Israëls stammen uitgekozen om er een tempel te laten bouwen waar mijn naam zou wonen. En nooit heb ik iemand aangewezen om als vorst over mijn volk, Israël, te regeren. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Maar nu heb ik Jeruzalem uitgekozen als woning voor mijn naam, en David om mijn volk Israël te regeren." </VERS>
      <VERS vnumber="7">Toen nu mijn vader David het plan opvatte om een tempel te bouwen voor de naam van de HEER, de God van Israël, </VERS>
      <VERS vnumber="8">zei de HEER tegen hem: "Je hebt er goed aan gedaan een huis te willen bouwen voor mijn naam. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Toch zul jij niet de tempel bouwen. Je zoon, die uit jou zal voortkomen, die zal voor mijn naam een huis bouwen." </VERS>
      <VERS vnumber="10">En de HEER heeft zijn woord gestand gedaan. Ik ben mijn vader David opgevolgd en zit nu op de troon van Israël, zoals de HEER heeft beloofd. En ik heb voor de naam van de HEER, de God van Israël, een tempel gebouwd </VERS>
      <VERS vnumber="11">en daar de ark geplaatst die het verbond bevat dat de HEER met de Israëlieten heeft gesloten.' </VERS>
      <VERS vnumber="12">Toen wendde Salomo zich naar het altaar van de HEER, ten aanschouwen van de verzamelde Israëlieten, en hief zijn handen. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Hij had een bronzen podium laten maken van vijf el lang, vijf el breed en drie el hoog, en dat midden in de voorhof laten neerzetten. Daarop had hij plaatsgenomen, en nu knielde hij neer, ten aanschouwen van de hele gemeenschap van Israël, hief zijn handen ten hemel </VERS>
      <VERS vnumber="14">en zei: 'HEER, God van Israël, er is geen god zoals u, noch in de hemel, noch op de aarde. U houdt u aan het verbond en blijft trouw aan uw dienaren die u met heel hun hart toegewijd zijn. </VERS>
      <VERS vnumber="15">U hebt u gehouden aan wat u uw dienaar, mijn vader David, hebt beloofd. U hebt het niet bij woorden gelaten, maar u bent vandaag uw belofte daadwerkelijk nagekomen. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Daarom vraag ik u, HEER, God van Israël, of u zich ook wilt blijven houden aan wat u uw dienaar, mijn vader David, hebt beloofd, namelijk dat u zijn nakomelingen de troon van Israël nooit zult ontzeggen, zolang wij tenminste op het rechte pad blijven door uw wetten in acht te nemen, zoals ook hij u toegewijd was. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Welnu, HEER, God van Israël, moge de belofte die u uw dienaar David hebt gedaan, bewaarheid worden. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Zou God werkelijk bij de mensen op aarde kunnen wonen? Zelfs de hoogste hemel kan u niet bevatten, laat staan dit huis dat ik voor u heb gebouwd. </VERS>
      <VERS vnumber="19">HEER, mijn God, hoor het smeekgebed van uw dienaar aan en luister naar de verzuchtingen die ik tot u richt. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Wees dag en nacht opmerkzaam op wat er gebeurt in deze tempel, de plaats waarvan u zelf hebt gezegd dat daar uw naam zal wonen, en verhoor het gebed dat ik naar deze tempel richt. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Luister naar de smeekbeden die uw dienaar en uw volk Israël naar deze tempel richten, aanhoor ons gebed vanuit de hemel, uw woonplaats, aanhoor ons en schenk ons vergeving. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Wanneer iemand een ander kwaad heeft gedaan en deze van hem eist dat hij een vervloeking over zichzelf uitspreekt, en wanneer hij dan naar uw altaar in deze tempel komt om zichzelf te vervloeken, </VERS>
      <VERS vnumber="23">aanhoor hem dan vanuit de hemel en grijp in. Spreek recht over uw dienaren, vergeld de boosdoener zijn misdaad en geef hem zijn verdiende straf, maar spreek de onschuldige vrij en herstel hem in zijn recht. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Wanneer uw volk Israël door de vijand is verslagen omdat het tegen u gezondigd heeft, en wanneer zij dan tot inkeer komen, uw naam prijzen en tot u in deze tempel bidden en smeken, </VERS>
      <VERS vnumber="25">aanhoor hen dan vanuit de hemel, vergeef uw volk Israël wat het heeft misdaan en breng hen terug naar het grondgebied dat u aan hen en hun voorouders hebt gegeven. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Wanneer de hemel gesloten blijft en er geen regen valt omdat het volk tegen u gezondigd heeft, en wanneer zij dan een gebed richten naar deze tempel, uw naam prijzen en hun leven beteren, antwoord hun dan. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Aanhoor hen vanuit de hemel en vergeef uw dienaren, uw volk Israël, wat ze hebben misdaan. Wijs hun de juiste levensweg en laat het regenen op uw land, dat u als erfdeel aan uw volk gegeven hebt. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Wanneer er in het land hongersnood of pest uitbreekt, wanneer het gewas wordt getroffen door korenbrand, meeldauw of vraatzuchtige sprinkhanen, wanneer het volk in eigen land door vijanden bedreigd wordt, wanneer er kortom bij enige ramp of ziekte </VERS>
      <VERS vnumber="29">ook maar iemand van uw volk Israël een smeekgebed tot u richt en zijn handen heft in de richting van deze tempel-ieder gebukt onder zijn eigen leed en verdriet-, </VERS>
      <VERS vnumber="30">aanhoor hem dan vanuit de hemel, uw woonplaats, en vergeef hem. Geef hem wat hem toekomt, want u weet wat er in hem omgaat. Alleen u kunt immers de mens doorgronden. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Dan zullen ze in het land dat u aan onze voorouders hebt gegeven hun leven lang ontzag voor u tonen en u gehoorzamen. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Ook wanneer een vreemdeling, die niet tot uw volk Israël behoort en die uit een ver land hierheen is gekomen vanwege uw grote naam, vanwege uw sterke hand en opgeheven arm-wanneer zo iemand hierheen komt en een gebed richt naar deze tempel, </VERS>
      <VERS vnumber="33">aanhoor hem dan vanuit de hemel, uw woonplaats, en doe wat hij u vraagt. Dan zullen alle volken op aarde uw naam leren kennen en ontzag voor u tonen, zoals uw volk Israël dat doet, en zij zullen weten dat uw naam verbonden is aan deze tempel die ik heb gebouwd. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Wanneer uw volk op uw bevel ten strijde trekt tegen de vijand en zij tot u bidden in de richting van deze stad die u hebt uitgekozen en van de tempel die ik voor uw naam heb gebouwd, </VERS>
      <VERS vnumber="35">luister dan vanuit de hemel naar hun bidden en smeken en verschaf hun recht. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Wanneer ze tegen u zondigen-er is immers geen mens die niet zondigt-en u hen uit woede uitlevert aan vijanden die hen gevangennemen en meevoeren naar een ander land, hetzij ver weg of dichtbij, </VERS>
      <VERS vnumber="37">en wanneer ze dan in hun ballingsoord tot inkeer komen en zich in dat vreemde land smekend tot u wenden en belijden dat ze hebben gezondigd, dat ze verkeerd hebben gedaan en slecht hebben gehandeld, </VERS>
      <VERS vnumber="38">wanneer ze zich in het land waarheen ze zijn weggevoerd weer met hart en ziel aan u toewijden en bidden in de richting van het land dat u aan hun voorouders hebt gegeven, naar de stad die u hebt uitgekozen en de tempel die ik voor uw naam heb gebouwd, </VERS>
      <VERS vnumber="39">luister dan vanuit de hemel, uw woonplaats, naar hun bidden en smeken en verschaf hun recht. Vergeef uw volk alle zonden en misstappen die het tegen u begaan heeft. </VERS>
      <VERS vnumber="40">God, wees opmerkzaam en luister naar de gebeden die vanaf deze plaats tot u worden gericht. </VERS>
      <VERS vnumber="41">Kom, HEER, mijn God, neem hier uw intrek, u en uw machtige ark. Mogen uw priesters bekleed zijn met zegen, uw getrouwen zich verheugen in geluk. </VERS>
      <VERS vnumber="42">HEER, mijn God, wijs uw gezalfde niet af, gedenk de trouw van uw dienaar David.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="7">
      <VERS vnumber="1">Toen Salomo zijn gebed tot de HEER beëindigd had, daalde er vuur uit de hemel neer, dat het brandoffer en de vredeoffers verteerde. De majesteit van de HEER vulde de tempel. </VERS>
      <VERS vnumber="2">De priesters konden niet naar binnen gaan, want de tempel was gevuld door de majesteit van de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Alle Israëlieten zagen het vuur en de majesteit van de HEER op de tempel neerdalen. Ze knielden op het plaveisel neer, bogen diep voorover en loofden de HEER: 'Hij is goed, eeuwig duurt zijn trouw.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Samen met de Israëlieten droeg de koning offers op aan de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Hij liet tweeëntwintigduizend runderen en honderdtwintigduizend schapen en geiten slachten om samen met het volk de tempel in te wijden. </VERS>
      <VERS vnumber="6">De priesters stonden op hun vaste plaatsen. De Levieten loofden de HEER met het lied 'Eeuwig duurt zijn trouw', zoals dat ook onder koning David gebeurde, en begeleidden die lofzang op de instrumenten die David voor dat doel had laten maken. Tegenover hen stonden de priesters die op de trompetten bliezen, en heel het volk van Israël was gaan staan. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Salomo wijdde het midden van het voorplein van de tempel van de HEER, zodat de offers daar konden worden opgedragen, want het bronzen altaar was te klein voor alle brandoffers, graanoffers en het vet van de geslachte dieren. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Toen vierde Salomo het Loofhuttenfeest, zeven dagen lang, samen met de Israëlieten, die in zeer groten getale bijeen waren gekomen uit het hele land, vanaf Lebo-Hamat tot aan de wadi die de grens met Egypte vormt. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Op de achtste dag hielden ze een feestelijke samenkomst; het inwijdingsfeest van het altaar had zeven dagen geduurd, en daarna vierden ze zeven dagen het Loofhuttenfeest. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Op de drieëntwintigste dag van de zevende maand stuurde de koning het volk naar huis terug. Allen waren opgewekt en verheugd om het goede dat de HEER voor David, Salomo en zijn volk Israël had gedaan. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Toen Salomo het werk aan de tempel van de HEER en het koninklijk paleis voltooid had, en alles wat hij zich omtrent de bouw van de tempel en het paleis had voorgenomen geheel volgens plan was uitgevoerd, </VERS>
      <VERS vnumber="12">verscheen de HEER hem in de nacht. Hij zei tegen hem: 'Ik heb je gebed gehoord. Ik heb deze tempel aanvaard als de plaats waar men mij offers mag brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Wanneer ik de hemel gesloten houd zodat er geen regen valt, of de sprinkhanen beveel het land kaal te vreten, of pest onder mijn volk laat uitbreken, </VERS>
      <VERS vnumber="14">en wanneer dan mijn volk, het volk dat mij toebehoort, het hoofd buigt, al biddend mijn aanwezigheid zoekt en terugkeert van zijn dwaalwegen, dan zal ik het aanhoren vanuit de hemel, zijn zonden vergeven en het land genezen. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Ja, ik zal opmerkzaam zijn en luisteren naar de gebeden die vanaf deze plaats tot mij worden gericht. </VERS>
      <VERS vnumber="16">De tempel die je gebouwd hebt aanvaard ik en heilig ik om er voor altijd mijn naam te laten wonen. Niets van wat daar gebeurt zal me ontgaan; ik zal alles ter harte nemen. </VERS>
      <VERS vnumber="17">En wat jezelf betreft, als je mij toegewijd blijft, zoals je vader David dat was, als je alles doet wat ik je opdraag en je altijd houdt aan mijn bepalingen en rechtsregels, </VERS>
      <VERS vnumber="18">zal ik ervoor zorgen dat jouw troon nooit wankelt, zoals ik met je vader David overeengekomen ben toen ik hem zei dat er altijd een van zijn nakomelingen over Israël zou heersen. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Maar mochten jullie je van mij afwenden en je niet houden aan de bepalingen en geboden die ik jullie heb opgelegd, en in plaats daarvan andere goden gaan vereren, </VERS>
      <VERS vnumber="20">(20-21) dan zal ik de Israëlieten verdrijven van het grondgebied dat ik hun gegeven heb en wil ik niets meer weten van deze tempel, die ik voor mijn naam heb geheiligd. Deze tempel, ooit hoog verheven, zal dan bij alle volken het mikpunt worden van hoon en spot; ieder die er voorbijkomt zal huiveren. En wie zich afvraagt waarom de HEER zo tegen dit land en deze tempel is opgetreden, </VERS>
      <VERS vnumber="22">zal als antwoord krijgen: "Omdat ze zich hebben afgewend van de HEER, de God van hun voorouders, die hen uit Egypte heeft geleid, en zich aan andere goden hebben vastgeklampt. Ze zijn andere goden gaan vereren, en daarom heeft hij hun al deze rampspoed bezorgd."' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="8">
      <VERS vnumber="1">Twintig jaar had Salomo besteed aan de bouw van de tempel voor de HEER en het koninklijk paleis. </VERS>
      <VERS vnumber="2">De steden die koning Churam hem gegeven had breidde hij uit, zodat daar Israëlieten konden wonen. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Hij trok op tegen Hamat-Soba en veroverde het. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Hij versterkte Tadmor, dat in de woestijn ligt, en de steden die hij in Hamat had laten bouwen om er voorraden op te slaan. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Van Hoog-Bet-Choron en Laag-Bet-Choron maakte hij vestingsteden met muren en vergrendelbare stadspoorten, </VERS>
      <VERS vnumber="6">en hij versterkte ook Baälat en alle steden waar hij zijn voorraden opsloeg en zijn wagens en paarden stalde. Hij bouwde wat hij maar wilde, in Jeruzalem, in de Libanon of waar ook in zijn rijk. </VERS>
      <VERS vnumber="7">(7-8) Salomo legde aan alle bevolkingsgroepen die niet tot het volk van Israël behoorden herendienst op, dat wil zeggen aan de Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten die nog in het land woonden omdat de Israëlieten hen niet hadden uitgeroeid. Deze maatregel geldt tot op de dag van vandaag. </VERS>
      <VERS vnumber="9">De Israëlieten zelf, die soldaten waren en bevelhebbers van de garde, de wagenmenners en de ruiterij, waren dus niet verplicht tot herendienst. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Tweehonderdvijftig van hen stelde Salomo aan als opzichters die de leiding over het werkvolk hadden. </VERS>
      <VERS vnumber="11">De dochter van de farao liet hij van de Davidsburcht verhuizen naar de vertrekken die hij voor haar in het paleis had laten bouwen, 'want, 'zei hij, 'geen vrouw van mij zal in de burcht van koning David van Israël wonen. De plaatsen waar de ark van de HEER heeft gestaan zijn immers heilig.' </VERS>
      <VERS vnumber="12">Toen de tempel eenmaal voltooid was, bracht Salomo brandoffers op het altaar van de HEER dat hij tegenover de voorhal van de tempel had laten maken. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Daar bracht hij de offers die Mozes had voorgeschreven voor sabbat, nieuwemaan en de drie grote jaarlijkse feesten: het feest van het Ongedesemde brood, het Wekenfeest en het Loofhuttenfeest. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Hij stelde het dienstrooster in werking dat zijn vader David had opgesteld voor de afdelingen van de priesters en voor de Levieten die tot taak hadden de lofzang ten gehore te brengen en de priesters bij de eredienst behulpzaam te zijn. Ook de poortwachters voor de verschillende poorten liet hij volgens wachtdienst aantreden, alles overeenkomstig de voorschriften van David, de man van God. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Alle voorschriften van de koning aangaande de priesters en de Levieten, ook wat betreft het beheer van de tempelschatten, werden stipt opgevolgd. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Zo werd het werk van koning Salomo volledig uitgevoerd, vanaf de dag van de grondvesting van de tempel van de HEER tot aan zijn uiteindelijke voltooiing. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Daarna ging Salomo naar Esjon-Geber en Elat, aan de kust van Edom. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Churam stuurde hem onder bevel van zijn gezagvoerders een vloot met een ervaren bemanning, die samen met de zeelieden van Salomo naar Ofir voer, van waar ze vierhonderdvijftig talent goud voor koning Salomo meebrachten. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="9">
      <VERS vnumber="1">De roem van Salomo was tot de koningin van Seba doorgedrongen. Ze ging naar hem toe om hem met raadsels op de proef te stellen en kwam naar Jeruzalem met een grote karavaan kamelen beladen met reukwerk, een grote hoeveelheid goud, en edelstenen. Ze bracht Salomo een bezoek en legde hem alle vragen voor die ze had bedacht. </VERS>
      <VERS vnumber="2">En Salomo wist op al haar vragen een antwoord, er was er niet één waarop hij het antwoord schuldig moest blijven. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Toen de koningin van Seba merkte hoe wijs Salomo was en ze het paleis zag dat hij gebouwd had, </VERS>
      <VERS vnumber="4">de gerechten die bij hem op tafel kwamen, de wijze waarop zijn hovelingen aanzaten, de kleding en de goede manieren van zijn bedienden en schenkers en de plechtige stoet waarin hij zich naar de tempel van de HEER begaf, was ze buiten zichzelf van bewondering. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Ze zei tegen de koning: 'Het is dus echt waar wat ik in mijn land over u en uw wijsheid heb horen vertellen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Ik geloofde het niet, maar nu ik hierheen ben gekomen en het met eigen ogen gezien heb, moet ik toegeven dat ik nog niet de helft te horen heb gekregen. Uw wijsheid is nog veel groter dan wordt gezegd. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Wat zijn uw hovelingen, die voortdurend in uw gezelschap verkeren en al uw wijze woorden horen, bevoorrecht! </VERS>
      <VERS vnumber="8">Geprezen zij de HEER, uw God, die zo veel behagen in u schept dat hij u op de troon heeft gezet om in zijn naam koning te zijn. Uw God heeft Israël zo lief dat hij het voor altijd wil doen standhouden. Daarom heeft hij u als koning aangesteld om recht en gerechtigheid te handhaven.' </VERS>
      <VERS vnumber="9">De koningin van Seba schonk Salomo honderdtwintig talent goud en een grote hoeveelheid reukwerk en edelstenen. Het reukwerk dat de koningin van Seba aan koning Salomo gaf, was van onovertroffen kwaliteit. </VERS>
      <VERS vnumber="10">De zeelieden van Churam en Salomo die het goud uit Ofir hadden meegebracht, voerden ook sandelhout en edelstenen mee. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Uit het sandelhout liet Salomo trappen maken voor de tempel van de HEER en het koninklijk paleis, en ook lieren en harpen voor de zangers. Nooit eerder was er in Juda zoiets gezien. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Koning Salomo gaf de koningin van Seba alles waar ze maar om vroeg. Hij gaf haar zelfs meer dan zij voor hem had meegebracht. Daarna keerde ze met haar gevolg naar haar eigen land terug. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Koning Salomo ontving jaarlijks zeshonderdzesenzestig talent goud, </VERS>
      <VERS vnumber="14">nog afgezien van het goud dat de handelskaravanen meebrachten. Ook de Arabische vorsten en de stadhouders van Israël droegen goud en zilver aan Salomo af. </VERS>
      <VERS vnumber="15">De koning liet tweehonderd grote schilden maken van gedreven goud; in één zo'n schild werd zeshonderd sjekel gedreven goud verwerkt. </VERS>
      <VERS vnumber="16">En ook nog driehonderd kleinere schilden van gedreven goud; in één zo'n schild werd driehonderd sjekel goud verwerkt. Deze schilden liet hij opstellen in de hal die het Woud van de Libanon werd genoemd. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Van ivoor liet hij een grote troon maken, die werd verguld met zuiver goud. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Zes treden leidden naar de troon, waaraan ook een gouden voetenbank was bevestigd en armleuningen aan weerskanten van de zitting. Naast de armleuningen stonden twee leeuwen </VERS>
      <VERS vnumber="19">en op de zes treden stonden er twaalf, één aan elke kant van iedere tree. In geen enkel koninkrijk was ooit zo'n troon gemaakt. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Al het drinkgerei van koning Salomo was van goud en al het andere vaatwerk in het Woud van de Libanon was verguld, want aan zilver hechtte men in de tijd van Salomo geen bijzondere waarde. </VERS>
      <VERS vnumber="21">De koning beschikte namelijk over een handelsvloot die, bemand door zeelieden van Churam, op Tarsis voer en eens in de drie jaar binnenliep met een lading goud, zilver, olifantstanden, apen en pauwen. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Koning Salomo overtrof alle andere koningen op aarde in rijkdom en wijsheid. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Van heinde en ver kwamen koningen naar Salomo toe om te luisteren naar de wijsheid waarmee God hem vervuld had. </VERS>
      <VERS vnumber="24">En allemaal brachten ze geschenken mee: zilveren en gouden voorwerpen, gewaden, wapens, reukwerk, paarden en muildieren. Dat ging zo jaar in jaar uit. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Salomo beschikte over vierduizend stalplaatsen voor paarden en wagens, en over twaalfduizend wagenmenners. Die waren deels bij de koning in Jeruzalem ondergebracht en deels in garnizoenssteden verspreid over het land. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Salomo had de heerschappij over alle koningen tussen de Eufraat en het land van de Filistijnen, en tot aan de grens met Egypte. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Dankzij koning Salomo was zilver in Jeruzalem even gewoon als steen, en was er aan cederhout net zo'n overvloed als aan wilde vijgenbomen in het heuvelland. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Paarden werden voor Salomo aangevoerd uit Egypte en verschillende andere landen. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Verdere bijzonderheden over Salomo zijn van begin tot eind opgetekend in de geschriften van de profeet Natan, in de profetie van Achia uit Silo en in de visioenen van de ziener Jedo over Jerobeam, de zoon van Nebat. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Veertig jaar regeerde Salomo vanuit Jeruzalem over heel Israël, </VERS>
      <VERS vnumber="31">tot hij bij zijn voorouders te ruste ging. Hij werd begraven in de Davidsburcht, en zijn zoon Rechabeam volgde hem op. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="10">
      <VERS vnumber="1">Rechabeam ging naar Sichem, waar heel Israël was samengekomen om hem tot koning uit te roepen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Zodra Jerobeam, de zoon van Nebat, hiervan hoorde, keerde hij terug uit Egypte, waarheen hij voor koning Salomo was gevlucht. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Er werden boden gestuurd om hem te halen, en samen met de Israëlieten wendde hij zich tot Rechabeam met het volgende verzoek: </VERS>
      <VERS vnumber="4">'Uw vader heeft ons een zwaar juk opgelegd. Maakt u onze taak nu minder zwaar, verlicht het juk waarmee uw vader ons heeft belast, dan zullen wij u dienen.' </VERS>
      <VERS vnumber="5">'Kom over drie dagen bij me terug, 'antwoordde Rechabeam. Toen het volk was weggegaan, </VERS>
      <VERS vnumber="6">raadpleegde Rechabeam de oudsten die zijn vader Salomo ter zijde hadden gestaan toen die nog leefde: 'Wat raadt u mij aan? Wat moet ik het volk antwoorden?' </VERS>
      <VERS vnumber="7">'Als u zich tegenover het volk inschikkelijk toont, 'zeiden ze, 'en het tegemoetkomt met een welwillend antwoord, zal het u voor altijd dienen.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">Maar hij legde de raad van de oudsten naast zich neer en raadpleegde de jongemannen die met hem waren opgegroeid en die hem nu ter zijde stonden: </VERS>
      <VERS vnumber="9">'Wat raden jullie aan? Wat moeten wij het volk antwoorden op zijn verzoek om het juk te verlichten dat mijn vader het heeft opgelegd?' </VERS>
      <VERS vnumber="10">De jongemannen zeiden tegen hem: 'Het volk heeft je gevraagd om het te ontlasten van het zware juk dat je vader het heeft opgelegd. Welnu, zeg tegen hen: "Mijn pink is dikker dan het lid van mijn vader! </VERS>
      <VERS vnumber="11">Mijn vader heeft u een zwaar juk opgelegd, ik zal het nog verzwaren. Mijn vader heeft u gehoorzaamheid geleerd met zwepen, ik zal u gehoorzaamheid leren met schorpioenen!"' </VERS>
      <VERS vnumber="12">Toen Jerobeam en de andere Israëlieten op de derde dag bij koning Rechabeam terugkwamen, zoals hun gezegd was, </VERS>
      <VERS vnumber="13">gaf de koning hun een hardvochtig antwoord. Hij legde de raad van de oudsten naast zich neer </VERS>
      <VERS vnumber="14">en antwoordde zoals de jongemannen hem hadden aangeraden: 'Ik zal u een zwaar juk opleggen, ik zal het zelfs nog verzwaren. Mijn vader heeft u gehoorzaamheid geleerd met zwepen, ik zal u gehoorzaamheid leren met schorpioenen.' </VERS>
      <VERS vnumber="15">De koning gaf dus geen gehoor aan het verzoek van het volk. God had dit zo beschikt om in vervulling te laten gaan wat de HEER bij monde van Achia uit Silo aan Jerobeam, de zoon van Nebat, had voorzegd. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Omdat de koning aan hun verzoek geen gehoor gaf, zeiden de Israëlieten tegen hem: 'Wat hebben wij met David te maken? Wij hebben niets gemeen met de zoon van Isaï! We breken op, volk van Israël! Het koningshuis van David zorgt maar voor zichzelf!' En heel het volk van Israël brak op. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Rechabeam bleef alleen koning over de Israëlieten die in de steden van Juda woonden. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Hij stuurde Hadoram, de opzichter van de herendienst, nog naar de Israëlieten, maar die werd gestenigd. De koning zelf kon nog net op een wagen klimmen en naar Jeruzalem ontkomen. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Zo brak Israël met het koningshuis van David, en dat is zo gebleven tot op de dag van vandaag. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="11">
      <VERS vnumber="1">Bij zijn terugkeer in Jeruzalem riep Rechabeam uit de stammen Juda en Benjamin honderdtachtigduizend geoefende krijgslieden op om de strijd aan te binden met de Israëlieten en het koningschap voor hem terug te winnen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Maar de HEER richtte zich tot de godsman Semaja met de woorden: </VERS>
      <VERS vnumber="3">'Zeg tegen Rechabeam, de zoon van Salomo en koning van Juda, en tegen de Israëlieten die in Juda en Benjamin wonen: </VERS>
      <VERS vnumber="4">"Dit zegt de HEER: Trek niet ten strijde tegen jullie broeders, maar keer terug naar huis, want dit alles is van mij uitgegaan."' Ze namen de woorden van de HEER ter harte en zagen ervan af de strijd aan te binden met Jerobeam. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Rechabeam zetelde in Jeruzalem. Van verschillende steden in Juda en Benjamin maakte hij vestingsteden: </VERS>
      <VERS vnumber="6">Betlehem, Etam, Tekoa, </VERS>
      <VERS vnumber="7">Bet-Sur, Socho, Adullam, </VERS>
      <VERS vnumber="8">Gat, Maresa, Zif, </VERS>
      <VERS vnumber="9">Adoraïm, Lachis, Azeka, </VERS>
      <VERS vnumber="10">Sora, Ajjalon en Hebron. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Hij maakte er sterke vestingen van door er overal een bevelhebber aan te stellen, voorraden voedsel, olie en wijn op te slaan </VERS>
      <VERS vnumber="12">en ze alle te bewapenen met grote schilden en lansen. Hij maakte de vestingsteden zo sterk dat Juda en Benjamin voor hem behouden bleven. </VERS>
      <VERS vnumber="13">De priesters en de Levieten uit heel het grondgebied van Israël voegden zich bij hem. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Ze trokken weg van hun weidegronden en bezittingen en kwamen naar Juda en Jeruzalem, omdat Jerobeam en zijn zonen het hun onmogelijk maakten de HEER als priester te dienen. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Jerobeam had namelijk zelf priesters aangesteld voor de offerplaatsen en voor de bokken, en ook voor de stierenbeelden die hij had laten maken. </VERS>
      <VERS vnumber="16">In het voetspoor van de Levieten kwamen ook uit de andere stammen van Israël mensen die vastbesloten waren zich naar de HEER, de God van Israël, te blijven richten, naar Jeruzalem om daar offers te brengen aan de HEER, de God van hun voorouders. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Ze versterkten door hun komst het koninkrijk Juda en waren gedurende de eerste drie jaar een steun voor Rechabeam, de zoon van Salomo, doordat ze die eerste drie jaren het voorbeeld van David en Salomo volgden. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Rechabeam trouwde met Machalat. Zij was een dochter van Jerimot, een zoon van David, en Abihaïl, een dochter van Isaï's zoon Eliab. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Ze baarde hem de zonen Jeüs, Semarja en Zaham. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Later nam hij Maächa tot vrouw, de dochter van Absalom. Zij baarde hem Abia, Attai, Ziza en Selomit. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Van al zijn vrouwen en bijvrouwen-hij had in totaal achttien vrouwen en zestig bijvrouwen, bij wie hij achtentwintig zonen en zestig dochters verwekte-hield Rechabeam het meest van Maächa, de dochter van Absalom. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Haar zoon Abia wilde hij tot troonopvolger maken, en daarom stelde hij hem aan het hoofd van zijn broers. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Wel was hij zo verstandig een aantal van zijn andere zonen uit te zenden naar verschillende vestingsteden in het gebied van Juda en Benjamin. Hij voorzag ruimschoots in hun levensonderhoud en vroeg voor hen een groot aantal vrouwen ten huwelijk. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="12">
      <VERS vnumber="1">Toen Rechabeam zich eenmaal verzekerd wist van zijn positie en hij de macht stevig in handen had, legde hij de wet van de HEER naast zich neer, en alle Israëlieten volgden zijn voorbeeld. </VERS>
      <VERS vnumber="2">En omdat ze hun plicht tegenover de HEER verzaakten, gebeurde het in het vijfde regeringsjaar van koning Rechabeam dat koning Sisak van Egypte tegen Jeruzalem ten strijde trok </VERS>
      <VERS vnumber="3">met twaalfhonderd strijdwagens, zestigduizend ruiters en een ontelbare menigte voetvolk die hij uit Egypte had meegenomen: Libiërs, Sukkieten en Nubiërs. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Hij veroverde de versterkte steden van Juda en trok op tot aan Jeruzalem. </VERS>
      <VERS vnumber="5">De profeet Semaja ging naar Rechabeam en de leiders van Juda, die zich toen Sisak naderde in Jeruzalem hadden verzameld, en zei tegen hen: 'Dit zegt de HEER: Omdat jullie je van mij hebben afgewend, wend ik mij op mijn beurt van jullie af en lever ik jullie aan Sisak uit.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">Hierop bogen de koning en de leiders van Israël het hoofd en zeiden: 'De HEER is rechtvaardig.' </VERS>
      <VERS vnumber="7">Toen de HEER zag dat ze berouw toonden, richtte hij zich tot Semaja met de woorden: 'Omdat ze zich verootmoedigd hebben, zal ik hen niet vernietigen. Ik zal ervoor zorgen dat ze ongedeerd blijven, en niet, door toedoen van Sisak, mijn toorn over Jeruzalem uitstorten. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Maar ze zullen zich wel aan hem moeten onderwerpen en ervaren dat het een groot verschil is of ze mij dienen of een aardse koning.' </VERS>
      <VERS vnumber="9">Koning Sisak van Egypte viel Jeruzalem aan en roofde de schatten uit de tempel van de HEER en het koninklijk paleis. Hij nam alles mee, ook de gouden schilden die Salomo had laten maken. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Koning Rechabeam liet toen bronzen schilden maken en gaf deze in bewaring aan de bevelhebbers van de koninklijke garde, die het paleis bewaakte. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Telkens als de koning naar de tempel van de HEER kwam, traden de leden van de garde aan en namen de schilden mee, en daarna brachten ze die weer terug naar hun kazerne. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Omdat Rechabeam zich verootmoedigd had, wendde de HEER zijn toorn van hem af en richtte hij hem niet geheel en al te gronde-ook vanwege het goede dat er was in Juda. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Koning Rechabeam verstevigde zijn positie in Jeruzalem en behield het koningschap. Hij was eenenveertig jaar oud toen hij koning werd. Zeventien jaar regeerde hij in Jeruzalem, de stad die de HEER uit alle steden van Israëls stammen had uitgekozen om er zijn naam te laten wonen. Zijn moeder was Naäma, een Ammonitische. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Hij deed wat slecht is, want zijn hart was niet gericht op de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="15">De geschiedenis van Rechabeam is van begin tot eind opgetekend in de geschriften van de profeet Semaja en de ziener Iddo, in het gedeelte met het geslachtsregister. Rechabeam en Jerobeam waren voortdurend met elkaar in oorlog. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Toen Rechabeam bij zijn voorouders te ruste ging, werd hij begraven in de Davidsburcht. Zijn zoon Abia volgde hem op. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="13">
      <VERS vnumber="1">Abia werd koning van Juda in het achttiende regeringsjaar van koning Jerobeam. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Drie jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Micha, de dochter van Uriël, uit Gibea. Abia was in oorlog met Jerobeam. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Abia trok ten strijde met een leger van vierhonderdduizend uitgelezen krijgshelden, en Jerobeam bracht achthonderdduizend voortreffelijke krijgslieden tegen hem in stelling. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Abia posteerde zich op de Semaraïm, in het bergland van Efraïm, en riep: 'Jerobeam en Israël, luister naar mij! </VERS>
      <VERS vnumber="5">U zou toch moeten weten dat de HEER, de God van Israël, het koningschap over Israël voor eeuwig aan David en zijn nakomelingen heeft gegeven, in een met zout bekrachtigd verbond. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Jerobeam, de zoon van Nebat, was een dienaar van Salomo, de zoon van David. Hij kwam tegen zijn heer in opstand, </VERS>
      <VERS vnumber="7">en samen met de leeglopers en nietsnutten die zich bij hem hadden aangesloten, wist hij Rechabeam, de zoon van Salomo, te trotseren. Rechabeam was nog te jong en onervaren om hun weerstand te bieden. </VERS>
      <VERS vnumber="8">En nu denkt u, omdat u over een groot leger beschikt en de gouden stierkalveren meedraagt die Jerobeam heeft laten maken om u tot god te zijn, een aanval te kunnen doen op het koningschap van de HEER, dat berust bij de nakomelingen van David! </VERS>
      <VERS vnumber="9">U hebt toch de priesters van de HEER verjaagd, de nakomelingen van Aäron, en de Levieten, en zelf priesters aangesteld zoals andere volken dat doen? Iedereen die een stier en zeven rammen komt brengen, kan een aanstelling krijgen als priester voor die zogenaamde goden. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Onze God echter is de HEER; wij hebben ons niet van hem afgewend, en de priesters die de HEER dienen zijn nakomelingen van Aäron, die in hun taak worden bijgestaan door de Levieten. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Ze dragen elke ochtend en elke avond brandoffers op aan de HEER, brengen reukoffers, leggen de toonbroden neer op de met zuiver goud overtrokken tafel en ontsteken elke avond de lampen in de gouden lampenstandaard. Wij nemen dus de voorschriften van de HEER in acht, maar u hebt u van hem afgewend. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Besef wel: God zelf voert ons aan, en zijn priesters staan klaar om tegen u op de signaaltrompetten te blazen. Israëlieten, bind de strijd niet aan met de HEER, de God van uw voorouders, want u zult het onderspit delven.' </VERS>
      <VERS vnumber="13">Jerobeam had een deel van zijn troepen een omtrekkende beweging laten maken tot achter de Judese linies. De hoofdmacht van zijn leger stond tegenover hen, de rest was verdekt achter hen opgesteld. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Plotseling werden de Judeeërs zowel frontaal als in de rug aangevallen. Ze riepen de HEER om hulp, terwijl de priesters de trompetten lieten schallen. </VERS>
      <VERS vnumber="15">De Judeeërs hieven hun strijdkreet aan, en terwijl ze dat deden, liet God Jerobeam en het leger van Israël het onderspit delven tegen Abia en Juda. </VERS>
      <VERS vnumber="16">De Israëlieten sloegen op de vlucht, maar de HEER leverde hen uit aan de Judeeërs. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Abia en zijn leger brachten hun een zware nederlaag toe: er sneuvelden niet minder dan vijfhonderdduizend voortreffelijke Israëlitische krijgers. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Zo moesten de Israëlieten die dag het hoofd buigen, terwijl de Judeeërs de overhand kregen omdat zij hun vertrouwen stelden in de HEER, de God van hun voorouders. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Abia achtervolgde Jerobeam en veroverde een aantal steden op hem: Betel, Jesana en Efron, elk met de omliggende dorpen. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Tot een nieuwe krachtmeting was Jerobeam tijdens de regering van Abia niet meer in staat. Uiteindelijk trof de HEER hem met de dood. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Abia verstevigde zijn positie. Hij nam veertien vrouwen, bij wie hij tweeëntwintig zonen en zestien dochters verwekte. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Verdere bijzonderheden over wat Abia heeft gezegd en gedaan zijn opgetekend in het werk van de profeet Iddo. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="14">
      <VERS vnumber="1">(13:23) Toen Abia bij zijn voorouders te ruste ging, werd hij begraven in de Davidsburcht. Zijn zoon Asa volgde hem op. Tijdens de regering van Asa heerste er tien jaar vrede in het land. </VERS>
      <VERS vnumber="2">(14:1) Asa deed wat goed en juist is in de ogen van de HEER, zijn God. </VERS>
      <VERS vnumber="3">(14:2) Hij verwijderde de uitheemse altaren en de offerplaatsen, verbrijzelde de gewijde stenen en hakte de Asjerapalen om. </VERS>
      <VERS vnumber="4">(14:3) Hij hield de Judeeërs voor dat ze hun heil moesten zoeken bij de HEER, de God van hun voorouders, en zijn wetten en bepalingen moesten naleven. </VERS>
      <VERS vnumber="5">(14:4) Uit alle steden van Juda liet hij de offerplaatsen en de wierookaltaren verwijderen. Onder zijn bewind heerste er rust en vrede in het koninkrijk. </VERS>
      <VERS vnumber="6">(14:5) Doordat er vrede heerste in het land en er in die tijd geen oorlog tegen hem gevoerd werd, was Asa in staat in Juda vestingsteden te bouwen. De HEER had hem immers rust verschaft. </VERS>
      <VERS vnumber="7">(14:6) Asa zei tegen de Judeeërs: 'Laten we vestingsteden bouwen, omringd door muren met torens en vergrendelbare poorten. Nu behoort het land nog aan ons, want omdat wij ons heil hebben gezocht bij de HEER, heeft hij ons rust verschaft aan onze grenzen.' Zo begon men te bouwen, en de werkzaamheden werden tot een goed einde gebracht. </VERS>
      <VERS vnumber="8">(14:7) Asa beschikte over een leger van driehonderdduizend Judeeërs, bewapend met grote schilden en lansen, en tweehonderdtachtigduizend Benjaminieten, bewapend met kleine schilden en bogen. Al zijn soldaten waren dappere krijgslieden. </VERS>
      <VERS vnumber="9">(14:8) Na verloop van tijd viel de Nubiër Zerach het land binnen met een leger van duizend maal duizenden soldaten en driehonderd strijdwagens, en rukte op tot aan Maresa. </VERS>
      <VERS vnumber="10">(14:9) Asa ging hem tegemoet en bracht zijn leger in stelling in de vallei van Sefata, bij Maresa. </VERS>
      <VERS vnumber="11">(14:10) Hij riep de HEER, zijn God, aan met de woorden: 'HEER, er is niemand die hulp biedt zoals u wanneer de machteloze het moet opnemen tegen een overmacht. Help ons, HEER, onze God, want in u hebben we ons vertrouwen gesteld en in uw naam zijn we tegen deze overmacht in het geweer gekomen. HEER, onze God, sta niet toe dat een mens zich met u meet.' </VERS>
      <VERS vnumber="12">(14:11) De HEER liet de Nubiërs tegen Asa en Juda het onderspit delven. De Nubiërs sloegen op de vlucht </VERS>
      <VERS vnumber="13">(14:12) en Asa en zijn leger achtervolgden hen tot bij Gerar. Er sneuvelden zo veel Nubiërs dat hun leger tot niets meer in staat was. Ze werden door de HEER en zijn leger verpletterend verslagen. De Judeeërs wisten een grote buit in de wacht te slepen. </VERS>
      <VERS vnumber="14">(14:13) Ze veroverden alle steden in de omgeving van Gerar, die door vrees voor de HEER waren bevangen, en plunderden die omdat er een rijke buit te halen viel. </VERS>
      <VERS vnumber="15">(14:14) Ze overvielen ook de tenten van de veedrijvers en voerden een groot aantal schapen, geiten en kamelen weg. Toen keerden ze terug naar Jeruzalem. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="15">
      <VERS vnumber="1">Azarja, de zoon van Oded, werd gegrepen door de geest van God. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Hij ging Asa tegemoet en zei tegen hem: 'Asa en Juda en Benjamin, luister naar mij! De HEER staat aan uw kant zolang u aan zijn kant staat. Als u hem zoekt, zal hij zich door u laten vinden, maar als u zich van hem afwendt, zal hij zich van u afwenden. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Lange tijd hebben de Israëlieten zonder de ware God geleefd, zonder priesters om hun de wet uit te leggen, zonder onderricht. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Pas in hun rampspoed keerden ze terug naar de HEER, de God van Israël; ze hebben hem gezocht en hij heeft zich door hen laten vinden. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Wie in die tijd maar een voet buiten de deur zette werd belaagd, want overal heerste ontreddering. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Volken en steden raakten met elkaar slaags omdat God hen tot ontreddering bracht door hen met allerlei rampen te treffen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Wees dus vastberaden en geef de moed niet op: voor uw inspanningen zult u beloond worden.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">Gesterkt door deze woorden en door de profetie van de profeet Oded liet Asa onmiddellijk alle gruwelijke godenbeelden uit Juda en Benjamin verwijderen en ook uit de steden die hij in het bergland van Efraïm had veroverd. Hij herstelde het altaar voor de HEER tegenover de voorhal van de tempel. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Hij ontbood heel Juda en Benjamin, en ook de mensen uit de stamgebieden van Efraïm en Manasse en Simeon die als vreemdeling in zijn koninkrijk verbleven sinds zij in groten getale uit Israël waren gekomen en zich bij hem hadden gevoegd toen ze merkten dat de HEER, zijn God, hem bijstond. </VERS>
      <VERS vnumber="10">In de derde maand van het vijftiende regeringsjaar van Asa kwamen ze in Jeruzalem bijeen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Ze offerden die dag aan de HEER zevenhonderd runderen en zevenduizend schapen en geiten uit de buit die ze hadden meegebracht. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Ze zwoeren dat ze zich met hart en ziel zouden richten naar de HEER, de God van hun voorouders, </VERS>
      <VERS vnumber="13">en dat iedereen die zich daar niet aan hield, jong of oud, man of vrouw, zou worden gedood. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Met luide stem zwoeren ze trouw aan de HEER. Daarbij juichten ze en lieten ze de trompetten en ramshoorns schallen. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Iedereen in Juda verheugde zich over de eed die ze hadden afgelegd. Ze hadden uit volle overtuiging gezworen en zochten met heel hun hart de HEER, en hij liet zich door hen vinden en verschafte hun rust aan al hun grenzen. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Asa ging zelfs zo ver dat hij zijn grootmoeder Maächa haar koninklijke titel ontnam, omdat ze een aanstootgevend beeld van Asjera had laten maken. Het beeld hakte hij in stukken, en hij verpulverde de resten en verbrandde die in de bedding van de Kidron. </VERS>
      <VERS vnumber="17">En al verdwenen de offerplaatsen dan niet uit Israël, toch bleef Asa zijn leven lang met heel zijn hart het goede nastreven. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Hij liet de wijgeschenken van zijn vader overbrengen naar de tempel van God en bracht daar ook zijn eigen wijgeschenken onder: goud, zilver en gebruiksvoorwerpen. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Tot en met het vijfendertigste regeringsjaar van Asa bleef het land gevrijwaard van oorlog. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="16">
      <VERS vnumber="1">Maar in het zesendertigste regeringsjaar van Asa viel koning Basa van Israël Juda binnen en versterkte hij Rama om de aan- en afvoerwegen voor koning Asa van Juda af te snijden. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Daarom nam Asa goud en zilver uit de schatkamers van de tempel en uit het koninklijk paleis en liet dat met de volgende woorden overhandigen aan koning Benhadad van Aram, die in Damascus zetelde: </VERS>
      <VERS vnumber="3">'Wij zijn bondgenoten, en onze vaders waren dat ook. Hierbij bied ik u goud en zilver aan. Verbreek uw verdrag met koning Basa van Israël, zodat hij zich uit mijn land terugtrekt.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Benhadad willigde het verzoek van koning Asa in en gaf zijn bevelhebbers opdracht met hun legers tegen de steden van Israël op te rukken. Zij versloegen Ijjon, Dan en Abel-Maïm en plunderden alle voorraadschuren van de steden van Naftali. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Toen Basa hiervan hoorde, zag hij ervan af Rama verder te versterken en liet hij het werk stilleggen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Koning Asa riep iedereen in Juda op om de versterkingen die Basa in Rama had gebouwd af te breken en met de stenen en het hout ervan de steden Geba en Mispa te versterken. </VERS>
      <VERS vnumber="7">In die tijd kwam de ziener Chanani bij koning Asa van Juda en zei tegen hem: 'Omdat u uw vertrouwen hebt gesteld in de koning van Aram en niet in de HEER, uw God, is het leger van de koning van Aram u ontglipt. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Beschikten de Nubiërs en Libiërs niet ook over een enorme overmacht aan strijdwagens en ruiters? Toch heeft de HEER hen aan u uitgeleverd, omdat u in hem uw vertrouwen stelde. </VERS>
      <VERS vnumber="9">De HEER laat immers voortdurend zijn ogen over de aarde rondgaan en biedt iedereen hulp die hem met heel zijn hart is toegedaan. Maar dit keer hebt u verkeerd gehandeld, en daarom zal van nu af oorlog uw deel zijn.' </VERS>
      <VERS vnumber="10">Asa was zo verontwaardigd over deze woorden dat hij tegen de ziener in razernij ontstak en hem in het blok liet sluiten. Ook beging hij in die tijd wreedheden tegen het volk. </VERS>
      <VERS vnumber="11">De geschiedenis van Asa is van begin tot eind opgetekend in het boek over de koningen van Juda en Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="12">In zijn negenendertigste regeringsjaar raakte hij slecht ter been, vanwege een kwaal die hem veel last bezorgde. Maar ook toen hij ziek was zocht hij zijn heil niet bij de HEER, maar bij genezers. </VERS>
      <VERS vnumber="13">In het eenenveertigste jaar van zijn regering ging Asa bij zijn voorouders te ruste. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Hij werd begraven in het graf dat hij in de Davidsburcht voor zichzelf had laten uithouwen. Ze legden hem op een rustbed dat hij had laten vullen met reukwerk, een vakkundig samengesteld mengsel van verschillende kruiden, en ontstaken een groot vuur voor hem. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="17">
      <VERS vnumber="1">Zijn zoon Josafat volgde hem op. Josafat verstevigde zijn positie in Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="2">In alle steden van Juda legerde hij garnizoenen en in heel Juda installeerde hij wachtposten, ook in de steden van Efraïm die zijn vader Asa veroverd had. </VERS>
      <VERS vnumber="3">De HEER stond Josafat bij, omdat hij het voorbeeld van zijn voorvader David volgde: hij zocht zijn heil niet bij de Baäls, </VERS>
      <VERS vnumber="4">maar bij de God van zijn voorvader en hield zich-anders dan in Israël gebeurde-aan zijn geboden. </VERS>
      <VERS vnumber="5">De HEER gaf Josafat het koningschap stevig in handen. Heel Juda bracht hem geschenken, en grote roem en rijkdom vielen hem ten deel. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Het vervulde hem met trots dat hij de HEER gehoorzaamde, en ook hij verwijderde de offerplaatsen en Asjerapalen uit Juda. </VERS>
      <VERS vnumber="7">In het derde jaar van zijn regering stuurde hij zijn ambtenaren Ben-Chaïl, Obadja, Zecharja, Netanel en Micha het land in om in de steden van Juda onderricht te geven. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Zij werden vergezeld door de Levieten Semaja, Netanja, Zebadja, Asaël, Semiramot, Jonatan, Adonia, Tobia en Tob-Adonia, en de priesters Elisama en Joram. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Met het wetboek van de HEER gingen ze alle steden van Juda langs om het volk te onderrichten. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Alle omringende koninkrijken waren bevangen door vrees voor de HEER, daarom vielen ze Josafat niet aan. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Een aantal Filistijnen droeg een last zilver aan hem af en de Arabieren brachten hem vee: zevenenzeventighonderd rammen en zevenenzeventighonderd bokken. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Zo werd Josafat machtiger en machtiger. Overal in Juda bouwde hij burchten en legeropslagplaatsen. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Hij beschikte over grote voorraden in de steden van Juda, en in Jeruzalem over een leger van weerbare mannen. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Hun bevelhebbers waren, geregistreerd naar afkomst: voor Juda Adna, bevelhebber over driehonderdduizend weerbare mannen, </VERS>
      <VERS vnumber="15">en verder Jochanan, bevelhebber over tweehonderdtachtigduizend man, </VERS>
      <VERS vnumber="16">en Amasja, de zoon van Zichri, bevelhebber over tweehonderdduizend weerbare mannen-hij had zich vrijwillig in dienst van de HEER gesteld; </VERS>
      <VERS vnumber="17">en uit Benjamin Eljada, een dapper krijgsman, met tweehonderdduizend mannen uitgerust met bogen en kleine schilden, </VERS>
      <VERS vnumber="18">en verder Jozabad, met honderdtachtigduizend goed toegeruste mannen. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Dit waren degenen die in dienst van de koning stonden, nog afgezien van de mannen die door de koning in de vestingsteden van Juda waren aangesteld. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="18">
      <VERS vnumber="1">Josafat verwierf dus steeds meer rijkdom en roem. Door een huwelijk smeedde hij familiebanden met Achab. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Enige jaren later bracht hij Achab in Samaria een bezoek. Achab slachtte voor hem en zijn gevolg een grote hoeveelheid schapen, geiten en runderen, en haalde hem over om op te trekken tegen Ramot in Gilead. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Koning Achab van Israël vroeg koning Josafat van Juda: 'Gaat u met mij mee naar Ramot in Gilead?' 'U en ik zijn één, 'antwoordde Josafat, 'mijn leger is uw leger. Ik trek met u mee ten strijde.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">En hij voegde eraan toe: 'Vraag vandaag nog raad aan de HEER.' </VERS>
      <VERS vnumber="5">De koning van Israël ontbood vierhonderd profeten en vroeg hun: 'Zullen wij tegen Ramot in Gilead ten strijde trekken, of kan ik er beter van afzien?' 'Trek op, 'antwoordden ze. 'God zal u de stad in handen geven.' </VERS>
      <VERS vnumber="6">Maar Josafat vroeg: 'Is hier niet nog een profeet van de HEER die wij kunnen raadplegen?' </VERS>
      <VERS vnumber="7">De koning van Israël antwoordde: 'Er is nog wel iemand die de HEER voor ons zou kunnen raadplegen. Maar ik heb een hekel aan hem. Hij profeteert nooit iets goeds over mij, altijd onheil. Dat is Micha, de zoon van Jimla.' 'Zegt u dat toch niet!' zei Josafat. </VERS>
      <VERS vnumber="8">De koning van Israël liet een hofdienaar komen die hij opdroeg om snel Micha, de zoon van Jimla, te gaan halen. </VERS>
      <VERS vnumber="9">De koning van Israël en de koning van Juda, Josafat, zaten ieder in hun staatsiegewaad op een troon op de dorsvloer voor de stadspoort van Samaria, in gezelschap van de in vervoering geraakte profeten. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Sidkia, de zoon van Kenaäna, had twee ijzeren horens gemaakt en zei: 'Dit zegt de HEER: Met deze horens zult u de Arameeërs neerslaan, tot u ze allemaal verslagen hebt.' </VERS>
      <VERS vnumber="11">Ook de andere profeten voorspelden dergelijke dingen. 'Trek op tegen Ramot in Gilead, 'zeiden ze. 'Uw veldtocht zal slagen en de HEER zal u de stad in handen geven.' </VERS>
      <VERS vnumber="12">De bode die Micha was gaan halen, zei tegen hem: 'Luister, alle profeten verzekeren de koning eensgezind dat de strijd goed zal aflopen. Mogen uw woorden even gunstig zijn als die van hen.' </VERS>
      <VERS vnumber="13">Maar Micha zei: 'Zo waar de HEER leeft, ik zeg alleen wat mijn God mij in de mond legt.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">Hij ging naar de koning toe, die hem vroeg: 'Micha, zullen wij tegen Ramot in Gilead ten strijde trekken, of kan ik er beter van afzien?' 'Trek op, 'antwoordde Micha. 'Uw veldtocht zal slagen en de stad zal u beiden in handen vallen.' </VERS>
      <VERS vnumber="15">Hierop zei de koning: 'Hoe vaak heb ik u niet bezworen om in de naam van de HEER niets dan de waarheid tegen mij te spreken?' </VERS>
      <VERS vnumber="16">Toen zei Micha: 'Ik zag Israël verspreid over de berghellingen, als een kudde schapen die geen herder heeft. De HEER zei: "Ze hebben geen aanvoerder, laat ieder in vrede naar huis terugkeren."' </VERS>
      <VERS vnumber="17">De koning van Israël zei tegen Josafat: 'Heb ik het u niet gezegd: hij profeteert nooit iets goeds over mij, alleen maar onheil!' </VERS>
      <VERS vnumber="18">Micha zei: 'Luister naar wat de HEER te zeggen heeft. Ik zag de HEER op zijn troon zitten, en aan weerszijden van hem stonden alle hemelse machten opgesteld. </VERS>
      <VERS vnumber="19">De HEER vroeg: "Wie gaat koning Achab van Israël overhalen om tegen Ramot in Gilead ten strijde te trekken, zijn ondergang tegemoet?" De een zei dit en de ander zei dat, </VERS>
      <VERS vnumber="20">en ten slotte trad een van de geesten op de HEER toe en zei: "Ik zal hem overhalen." "Hoe wil je dat doen?" vroeg de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="21">"Ik zal naar hem toe gaan en leugens spreken door de mond van al zijn profeten, "zei de geest. "Doe dat, "zei de HEER. "Het zal je beslist lukken." </VERS>
      <VERS vnumber="22">Welnu, zo heeft de HEER in de mond van deze profeten van u leugens gelegd. Hij heeft het juist slecht met u voor.' </VERS>
      <VERS vnumber="23">Sidkia, de zoon van Kenaäna, kwam op Micha af en sloeg hem in zijn gezicht. 'Wilt u soms beweren dat de geest van de HEER van mij naar u is overgestoken om tegen u te spreken?' vroeg hij. </VERS>
      <VERS vnumber="24">'Dat zult u wel merken, 'zei Micha, 'op de dag dat u probeert u te verschuilen op een verborgen plek in een huis.' </VERS>
      <VERS vnumber="25">De koning van Israël zei: 'Breng Micha naar Amon, de stadscommandant, en naar mijn zoon Joas. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Zeg tegen hen dat ze hem in de gevangenis moeten opsluiten en op water en brood moeten zetten totdat ik behouden ben teruggekeerd.' </VERS>
      <VERS vnumber="27">Hierop zei Micha: 'Als u behouden terugkeert, is het niet de HEER die door mijn mond gesproken heeft.' (Micha was het ook die zei: 'Luister, volken, allemaal!') </VERS>
      <VERS vnumber="28">De koning van Israël trok samen met Josafat, de koning van Juda, ten strijde tegen Ramot in Gilead. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Hij zei tegen Josafat: 'Ik wil niet als koning gekleed de strijd ingaan, maar houdt u uw koninklijke gewaad aan.' De koning van Israël verkleedde zich dus voordat ze ten strijde trokken. </VERS>
      <VERS vnumber="30">De koning van Aram had de bevelhebbers van zijn strijdwagens het volgende opgedragen: 'Vecht niet met een willekeurige soldaat, maar alleen met de koning van Israël.' </VERS>
      <VERS vnumber="31">Toen de bevelhebbers van de strijdwagens Josafat zagen, riepen ze: 'Dat is de koning van Israël!' Ze omsingelden hem en vielen hem aan. Josafat schreeuwde het uit en de HEER kwam hem te hulp door hen van hem weg te lokken. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Toen de bevelhebbers van de strijdwagens merkten dat hij niet de koning van Israël was, lieten ze hem met rust. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Maar een soldaat spande zijn boog en nietsvermoedend trof hij de koning van Israël tussen de schubben van zijn pantser. De koning zei tegen zijn wagenmenner: 'Wend de teugel en breng me buiten het strijdgewoel; ik ben zwaargewond.' </VERS>
      <VERS vnumber="34">Maar de strijd liep zo hoog op dat de koning van Israël zich nog de hele dag voor de ogen van de Arameeërs in zijn wagen overeind moest houden. Tegen zonsondergang stierf hij. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="19">
      <VERS vnumber="1">Koning Josafat van Juda keerde behouden terug naar Jeruzalem. </VERS>
      <VERS vnumber="2">De ziener Jehu, de zoon van Chanani, ging de koning tegemoet en zei tegen hem: 'U vond het nodig degenen die de HEER afwijzen te helpen en degenen die hem haten lief te hebben. Daarom hebt u de toorn van de HEER over u afgeroepen. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Gelukkig hebt u ook goede dingen gedaan: u hebt het land gezuiverd van Asjerapalen en uw hart op God gericht.' </VERS>
      <VERS vnumber="4">Josafat bleef voortaan in Jeruzalem. Wel ging hij nog een keer op reis om zijn onderdanen, van Berseba tot in het bergland van Efraïm, aan te sporen om terug te keren tot de HEER, de God van hun voorouders. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Hij stelde rechters aan in het land, in alle vestingsteden van Juda, niet één uitgezonderd, </VERS>
      <VERS vnumber="6">en droeg hun op: 'Besef goed welke taak u op u neemt, want u oordeelt niet op menselijk gezag, maar op gezag van de HEER, die u bij het rechtspreken ter zijde staat. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Laat u leiden door vrees voor de HEER en neem u in acht, want de HEER, onze God, duldt geen onrecht, partijdigheid of corruptie.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">In Jeruzalem stelde Josafat een aantal Levieten, priesters en familiehoofden van Israël aan om de rechtsorde van de HEER te handhaven en recht te spreken over de inwoners van de stad. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Hun droeg hij op: 'Handel in ontzag voor de HEER, wees betrouwbaar en toegewijd. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Wanneer uw ambtgenoten uit andere steden kwesties aan u voorleggen, bijvoorbeeld inzake een uitspraak over moord of doodslag, of over de interpretatie van geboden, bepalingen en rechtsregels, licht u hen dan in, zodat zij zich tegenover de HEER niet schuldig maken en u en uw ambtgenoten niet door zijn toorn getroffen worden. Wanneer u doet wat ik zeg, zult u vrijuit gaan. </VERS>
      <VERS vnumber="11">De hogepriester Amarja stel ik aan als hoogste rechter voor alle zaken met betrekking tot de HEER, en Zebadja, de zoon van Jismaël, het hoofd van de stam Juda, als hoogste rechter voor alle zaken met betrekking tot de koning. Levitische griffiers zullen u ter zijde staan. Ga vastberaden aan het werk; moge de HEER bijstaan wie rechtschapen is.' </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="20">
      <VERS vnumber="1">Enige tijd later trokken de Moabieten en de Ammonieten, samen met een deel van de Meünieten, tegen Josafat ten strijde. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Boodschappers kwamen Josafat melden: 'Een groot leger valt u aan vanuit Edom, aan de overkant van de zee. Ze zijn al bij Chaseson-Tamar.' (Dat is Engedi.) </VERS>
      <VERS vnumber="3">Josafat schrok hevig en hij besloot de HEER om raad te vragen. Hij kondigde in heel Juda een vastendag af, </VERS>
      <VERS vnumber="4">en uit werkelijk alle steden van Juda kwam men bijeen om de HEER om raad te vragen. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Toen de gemeenschap van Juda en Jeruzalem zich in de nieuwe voorhof van de tempel had opgesteld, trad Josafat naar voren </VERS>
      <VERS vnumber="6">en zei: 'HEER, God van onze voorouders, u bent God in de hemel en u heerst over de koninkrijken van alle volken. In uw hand liggen macht en kracht besloten, niemand kan zich tegen u verzetten. </VERS>
      <VERS vnumber="7">U, onze God, hebt de vroegere inwoners van dit land voor uw volk, Israël, verdreven en het voor altijd aan de nakomelingen van uw vriend Abraham toebedeeld. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Zij gingen er wonen en bouwden er een heiligdom voor uw naam, dat ze inwijdden met de woorden: </VERS>
      <VERS vnumber="9">"Wanneer enig onheil ons treft, het straffend zwaard of de pest of een hongersnood, en wij ons voor deze tempel voor u opstellen-in deze tempel immers woont uw naam-en u in onze ellende aanroepen, aanhoor ons dan en kom ons te hulp." </VERS>
      <VERS vnumber="10">Nu worden wij aangevallen door de bewoners van Ammon, Moab en het Seïrgebergte, de gebieden waar de Israëlieten tijdens hun uittocht uit Egypte van u niet doorheen mochten trekken, en die zij daarom voorbijgetrokken zijn en niet hebben vernietigd. </VERS>
      <VERS vnumber="11">En als dank daarvoor trekken ze nu tegen ons op om ons te verdrijven uit uw eigen land, dat u ons in bezit hebt gegeven! </VERS>
      <VERS vnumber="12">God, straft u hen af. Wij zijn niet opgewassen tegen de grote legermacht die ons nu aanvalt. Wij weten niet wat we moeten doen, op u zijn onze ogen gevestigd.' </VERS>
      <VERS vnumber="13">Heel Juda stond opgesteld voor de HEER, ook de vrouwen en kinderen. </VERS>
      <VERS vnumber="14">In hun midden bevond zich ook Jachaziël, de zoon van Zecharja, die de zoon was van Benaja, de zoon van Jeïel, de zoon van Mattanja, een Leviet uit de familie van Asaf. Hij werd ter plekke gegrepen door de geest van de HEER en zei: </VERS>
      <VERS vnumber="15">'Juda en Jeruzalem en u, koning Josafat, luister goed! Dit zegt de HEER: Jullie hoeven niet bang te zijn voor de grote legermacht die jullie bedreigt, want dit is niet jullie strijd, maar die van God. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Ga hun morgen tegemoet. Zij trekken nu over de pas van Sis. Waar de wadi uitkomt in de woestijn van Jeruël, zullen jullie hen treffen. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Jullie hoeven in deze strijd geen slag te leveren. Wacht rustig af, dan zullen jullie zien hoe de HEER, die jullie, Juda en Jeruzalem, bijstaat, voor jullie de overwinning behaalt. Jullie hoeven nergens bang voor te zijn. Ga hun morgen tegemoet, de HEER staat jullie bij.' </VERS>
      <VERS vnumber="18">Josafat boog diep voorover en heel Juda en Jeruzalem knielde neer om de HEER hulde te brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="19">En de Levieten uit de familie van Korach, die weer behoorde tot de familie van Kehat, zongen staande met luide stem de lof van de HEER, de God van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="20">De volgende morgen vroeg gingen ze op weg naar de woestijn van Tekoa. Bij hun vertrek trad Josafat naar voren en sprak hen als volgt toe: 'Juda en Jeruzalem, luister! Vertrouw op de HEER, uw God, en u zult standhouden, vertrouw op zijn profeten en uw welslagen is verzekerd.' </VERS>
      <VERS vnumber="21">In overleg met het volk wees hij zangers aan om de lof van de HEER te zingen. Zij trokken voor de bewapende legermacht uit, de heilige glorie prijzend met de woorden: 'Loof de HEER, eeuwig duurt zijn trouw.' </VERS>
      <VERS vnumber="22">Zodra zij jubelend hun lofzang aanhieven, zorgde de HEER ervoor dat de Ammonieten en Moabieten en de bewoners van het Seïrgebergte, die Juda wilden aanvallen, vanuit verdekte stellingen werden belaagd, en zo werden ze verslagen. </VERS>
      <VERS vnumber="23">De Ammonieten en Moabieten raakten slaags met de bewoners van het Seïrgebergte en doodden hen tot de laatste man. En nadat ze met de bewoners van Seïr hadden afgerekend, stortten ze zich op elkaar. </VERS>
      <VERS vnumber="24">De Judeeërs waren inmiddels op een punt aangekomen vanwaar ze de woestijn konden overzien. Toen ze uitkeken naar het leger, zagen ze dat de grond bezaaid was met lijken: niemand was ontkomen. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Josafat en zijn leger gingen erop af om de buit binnen te halen. Ze troffen een grote kudde vee aan, en goederen, kleding en kostbare voorwerpen. Ieder verzamelde meer dan hij dragen kon. Het kostte wel drie dagen om alles te vergaren, zo groot was de buit. </VERS>
      <VERS vnumber="26">De dag daarop kwamen ze bijeen in Emek-Beracha. (Omdat ze daar de HEER loofden wordt die plaats tot op de dag van vandaag Emek-Beracha genoemd.) </VERS>
      <VERS vnumber="27">Met Josafat aan het hoofd keerden alle mannen van Juda en Jeruzalem terug naar Jeruzalem, opgetogen omdat de HEER hen had laten zegevieren over hun vijanden. </VERS>
      <VERS vnumber="28">In Jeruzalem aangekomen trokken ze begeleid door muziek van lieren, harpen en trompetten naar de tempel van de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Toen de andere koninkrijken hoorden hoe de HEER de vijanden van Israël had bestreden, werden ze door vrees voor God bevangen. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Voortaan heerste er vrede in het koninkrijk van Josafat, want zijn God verschafte hem rust aan al zijn grenzen. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Zo regeerde Josafat over Juda. Hij was vijfendertig jaar oud toen hij koning van Juda werd, en regeerde vijfentwintig jaar in Jeruzalem. Zijn moeder was Azuba, de dochter van Silchi. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Hij volgde het voorbeeld van zijn vader Asa en deed wat goed is in de ogen van de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="33">Toch bleven de offerplaatsen bestaan en richtten de Judeeërs hun hart niet op de God van hun voorouders. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Verdere bijzonderheden over Josafat zijn van begin tot eind opgetekend in de geschriften van Jehu, de zoon van Chanani, die zijn opgenomen in het boek over de koningen van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="35">Later sloot koning Josafat van Juda een overeenkomst met de goddeloze koning Achazja van Israël </VERS>
      <VERS vnumber="36">om een vloot te bouwen die op Tarsis zou varen. De schepen werden gebouwd in Esjon-Geber. </VERS>
      <VERS vnumber="37">Eliëzer, de zoon van Dodawahu, uit Maresa, voorzegde Josafat dat de HEER zijn onderneming zou laten mislukken omdat hij een overeenkomst had gesloten met Achazja. En inderdaad, de schepen vergingen en kwamen nooit in Tarsis aan. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="21">
      <VERS vnumber="1">Toen Josafat bij zijn voorouders te ruste ging, werd hij begraven in de Davidsburcht. Zijn zoon Joram volgde hem op. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Jorams broers, zonen van Josafat, waren Azarja, Jechiël, Zecharja, Azarja, Michaël en Sefatja. Dit waren allemaal zonen van koning Josafat van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Hun vader had hun grote hoeveelheden goud, zilver en andere kostbaarheden geschonken, en vestingsteden in Juda, maar het koningschap had hij overgedragen aan Joram, want die was zijn eerstgeboren zoon. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Zodra Joram de macht in zijn vaders koninkrijk had overgenomen, vermoordde hij al zijn broers en ook een aantal leiders van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Joram was tweeëndertig jaar oud toen hij koning werd. Acht jaar regeerde hij in Jeruzalem. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Hij volgde het voorbeeld van de koningen van Israël, net zoals het koningshuis van Achab dat deed, aangezien hij met een vrouw uit de familie van Achab getrouwd was. Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER, </VERS>
      <VERS vnumber="7">maar toch wilde de HEER het koningshuis van David niet vernietigen, omwille van het verbond dat hij met David had gesloten, aan wie hij had beloofd dat hij het licht van zijn koningshuis voor altijd zou laten branden. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Tijdens de regering van Joram kwamen de Edomieten tegen Juda in opstand en wezen ze een eigen koning aan. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Joram trok met zijn legeraanvoerders en al zijn strijdwagens tegen hen op. Toen de Edomieten hem en de aanvoerders van zijn strijdwagens omsingelden, deed hij 's nachts een uitval en versloeg de Edomieten, </VERS>
      <VERS vnumber="10">maar toch maakte Edom zich van Juda los, en dat is zo gebleven tot op de dag van vandaag. Ook Libna maakte zich in die tijd los van koning Joram. Dat gebeurde omdat hij zich van de HEER, de God van zijn voorouders, had afgewend. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Hij ging zelfs zo ver dat hij op de bergen in Juda offerplaatsen bouwde. Zo zette hij de inwoners van Jeruzalem tot ontrouw aan en bracht hij Juda op het slechte pad. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Op zekere dag ontving Joram een brief van de profeet Elia, waarin stond: 'Dit zegt de HEER, de God van uw voorvader David: In plaats van je te houden aan het voorbeeld van je vader Josafat en van koning Asa van Juda </VERS>
      <VERS vnumber="13">heb je het voorbeeld gevolgd van de koningen van Israël. Je hebt Juda en Jeruzalem tot ontrouw verleid zoals het koningshuis van Achab Israël verleid heeft, en bovendien heb je je broers vermoord, zonen van je eigen vader, die beter waren dan jij. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Daarom zal de HEER je volk, je kinderen en vrouwen en al je have en goed zwaar treffen. </VERS>
      <VERS vnumber="15">En jijzelf zult ten gevolge van een ziekte aan je ingewanden aan allerlei ongemakken lijden, tot je ingewanden ten slotte naar buiten komen.' </VERS>
      <VERS vnumber="16">De HEER zette de Filistijnen en de Arabische stammen die in de buurt van de Nubiërs woonden tegen Joram op. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Zij trokken op tegen Juda, braken door de verdediging heen en namen alle goederen uit het koninklijk paleis mee. Ze voerden ook zijn kinderen en vrouwen als gevangenen weg. Niet één kind bleef hem over, alleen zijn jongste zoon Joachaz. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Daarna trof de HEER hem met een ingewandsziekte waarvoor geen genezing bestond. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Na bijna twee jaar was zijn ziekte zo ver voortgeschreden dat zijn ingewanden naar buiten kwamen, en stierf hij een gruwelijke dood. Het volk ontstak voor hem geen groot vuur, zoals voor zijn voorouders was gebeurd. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Joram was tweeëndertig jaar oud toen hij koning werd. Acht jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn heengaan werd door niemand betreurd. Hij werd begraven in de Davidsburcht, maar niet bijgezet in de koninklijke grafkamers. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="22">
      <VERS vnumber="1">De inwoners van Jeruzalem riepen Achazja tot zijn opvolger uit, omdat Achazja's oudere broers allemaal vermoord waren door de benden die met de Arabieren ten strijde waren getrokken. Achazja, de zoon van koning Joram van Juda, werd dus tot koning uitgeroepen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Hij was twintig jaar oud toen hij koning werd. Eén jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Atalja, de dochter van Omri. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Ook hij volgde het voorbeeld van het koningshuis van Achab, want hij liet zich door de raad van zijn moeder tot goddeloosheid verleiden. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER, net zoals de leden van het koningshuis van Achab, want na de dood van zijn vader waren zij zijn raadgevers. Dat is zijn ondergang geworden. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Het was ook op hun aanraden dat hij met koning Joram van Israël, de zoon van Achab, naar Ramot in Gilead meeging om de strijd aan te binden met koning Hazaël van Aram. Maar toen Joram gewond raakte, </VERS>
      <VERS vnumber="6">keerde hij naar Jizreël terug om te herstellen, aangezien hem tijdens de slag met koning Hazaël van Aram, bij Ramot, zware verwondingen waren toegebracht. Achazja, de zoon van Joram en koning van Juda, ging naar Jizreël om de gewonde koning Joram van Israël een bezoek te brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Dit bezoek aan Joram werd Achazja door Gods beschikking fataal. Toen Achazja bij Joram was, reden ze samen Jehu, de zoon van Nimsi, tegemoet, die door de HEER gezalfd was om het koningshuis van Achab uit te roeien. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Vlak nadat Jehu met het huis van Achab had afgerekend, stuitte hij op de leiders van Juda en de zonen van Achazja's broers, die in dienst van Achazja stonden. Hij doodde hen, </VERS>
      <VERS vnumber="9">en ging daarna op zoek naar Achazja zelf. Deze hield zich schuil in Samaria, maar werd gevangengenomen en aan Jehu voorgeleid. Hij werd ter dood gebracht, maar wel begraven, 'want, 'zeiden ze, 'hij is een kleinzoon van Josafat, die de HEER met heel zijn hart was toegedaan.' Geen van Achazja's nakomelingen was in staat hem op te volgen. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Toen Atalja, de moeder van Achazja, hoorde dat haar zoon dood was, besloot ze alle kinderen van de koninklijke familie van Juda ter dood te brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Maar Jehosabat, de dochter van koning Joram, haalde een van Achazja's zonen, Joas, heimelijk weg uit de groep koningskinderen die gedood zouden worden en verstopte hem met zijn voedster in de linnenkamer. Jehosabat was de dochter van koning Joram en ze was getrouwd met de priester Jojada. Ze was dus een zuster van Achazja. Ze wist Joas voor Atalja verborgen te houden, en zo ontsnapte hij aan de dood. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Zes jaar hielden zij hem verborgen in de tempel van God, terwijl Atalja het land regeerde. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="23">
      <VERS vnumber="1">In het zevende regeringsjaar van Atalja verstevigde Jojada zijn positie. Hij verzekerde zich van de medewerking van de bevelhebbers Azarja, de zoon van Jerocham, Jismaël, de zoon van Jochanan, Azarja, de zoon van Obed, Maäseja, de zoon van Adaja, en Elisafat, de zoon van Zichri, </VERS>
      <VERS vnumber="2">en zij gingen het hele land door om in alle steden van Juda de Levieten en de familiehoofden van Israël op te roepen om naar Jeruzalem te komen. </VERS>
      <VERS vnumber="3">In de tempel van God zwoer de hele gemeenschap trouw aan de koning. Jojada sprak hen als volgt toe: 'De zoon van de koning zal het land regeren, zoals de HEER met betrekking tot de nakomelingen van David beloofd heeft. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Dit is wat u moet doen: Splits de priesters en de Levieten die deze week dienst hebben in drie groepen. Laat de eerste groep de wacht betrekken bij de poorten van de tempel, </VERS>
      <VERS vnumber="5">de tweede bij het koninklijk paleis en de derde in de Fundamentpoort. Het volk moet zich opstellen op de tempelhoven. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Niemand mag de tempel van de HEER binnengaan, behalve de priesters en de dienstdoende Levieten. Zij mogen naar binnen, want zij zijn geheiligd, maar het volk moet het verbod van de HEER in acht nemen. </VERS>
      <VERS vnumber="7">De Levieten moeten hun wapens in de aanslag houden en een hecht kordon rond de koning vormen. Verlies hem geen moment uit het oog en dood ieder die de tempel probeert binnen te gaan.' </VERS>
      <VERS vnumber="8">De Levieten en de vertegenwoordigers van de gemeenschap van Juda deden precies wat de priester Jojada had bevolen. Allen meldden zich met hun eenheid, zowel degenen die die week dienst hadden als degenen die die week geen dienst hadden, want Jojada had alle verloven ingetrokken. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Jojada gaf de bevelhebbers de speren, schilden en pijlkokers uit de tempel van God, die nog van koning David waren geweest. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Het volk moest zich, ieder met zijn wapen in de aanslag, voor de tempel opstellen, over de volle breedte van het plein en vanaf de ingang van de tempel tot aan het altaar, om de koning te beschermen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Toen leidden ze de koningszoon naar buiten, zetten hem de hoofdband op en overhandigden hem de kroningsakte. Zo werd hij door Jojada en diens zonen tot koning uitgeroepen en gezalfd, terwijl alle aanwezigen riepen: 'Leve de koning!' </VERS>
      <VERS vnumber="12">Toen Atalja hoorde hoe het volk te hoop liep en de koning toejuichte, begaf zij zich in de menigte die zich voor de tempel verzameld had. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Daar zag ze de koning, die zich op het koninklijke podium naast de ingang had opgesteld, met de bevelhebbers en de trompetblazers naast zich. De hele bevolking was in feeststemming. Er werd op trompetten geblazen en de voorzangers leidden met hun instrumenten de lofzang. Maar Atalja scheurde haar kleren en riep: 'Verraad! Verraad!' </VERS>
      <VERS vnumber="14">De priester Jojada stuurde de bevelhebbers, de aanvoerders van het leger, op haar af met de opdracht: 'Leid haar onder bewaking weg; wie haar volgt, moet gedood worden.' Hij zei er uitdrukkelijk bij dat ze haar niet op het tempelterrein mochten doden. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Atalja werd weggeleid en naar het paleis gevoerd. Zodra ze de Paardenpoort had bereikt, werd ze ter dood gebracht. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Samen met het volk en de koning beloofde Jojada plechtig dat ze de HEER weer als volk zouden toebehoren. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Heel het volk trok op naar de tempel van Baäl. Ze haalden de tempel omver en verbrijzelden de altaren en beelden die voor hem waren opgericht. De Baälspriester Mattan werd voor de altaren ter dood gebracht. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Jojada droeg de zorg voor de tempel van de HEER op aan de Levitische priesters uit de families die David met de tempeldienst had belast. Zij moesten brandoffers opdragen aan de HEER, zoals voorgeschreven in de wet van Mozes, en dit volgens de aanwijzingen van David begeleiden met feestgezang. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Ook stelde hij poortwachters aan die erop moesten toezien dat niemand die in enig opzicht onrein was de tempel van de HEER betrad. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Met de bevelhebbers, de hoogwaardigheidsbekleders en de leiders van het volk begeleidde Jojada de koning van de tempel via de Bovenpoort naar het paleis, waar ze hem lieten plaatsnemen op de koningstroon. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Heel het volk was verheugd, en hoewel Atalja ter dood gebracht was, bleef het rustig in de stad. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="24">
      <VERS vnumber="1">Joas was zeven jaar oud toen hij koning werd. Veertig jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder heette Sibja en was afkomstig uit Berseba. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Zolang Jojada leefde, deed Joas wat goed is in de ogen van de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Jojada koos twee vrouwen voor hem, en Joas kreeg zonen en dochters. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Na verloop van tijd vatte Joas het plan op om de tempel van de HEER te herstellen. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Hij riep de priesters en de Levieten bijeen en droeg hun het volgende op: 'Ga naar de steden van Juda en zamel in heel Israël zilver in voor het jaarlijkse onderhoud van de tempel van uw God. Zet zo veel mogelijk spoed achter deze zaak.' Maar de Levieten maakten geen haast. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Daarom liet de koning de hogepriester Jojada bij zich komen en vroeg: 'Waarom hebt u er niet bij de Levieten op aangedrongen om in Juda en Jeruzalem de bijdrage te innen die door Mozes, de dienaar van de HEER , en de gemeenschap van Israël voor de tent met de verbondstekst is vastgesteld? </VERS>
      <VERS vnumber="7">Temeer daar de aanhangers van Atalja, de verdorvenheid in eigen persoon, in de tempel van God hebben ingebroken en zelfs de wijgeschenken uit de tempel voor de Baäls hebben gebruikt!' </VERS>
      <VERS vnumber="8">Op aanwijzing van de koning werd er een kist gemaakt, die buiten bij de ingang van de tempel van de HEER werd neergezet. </VERS>
      <VERS vnumber="9">In Juda en Jeruzalem werden de mensen opgeroepen om de bijdrage voor de HEER te komen brengen die Mozes, de dienaar van God, in de woestijn voor Israël had vastgesteld. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Zowel de leiders als het volk brachten bereidwillig hun bijdrage, en zo raakte de kist vol. </VERS>
      <VERS vnumber="11">De kist werd geregeld naar de toezichthouders gebracht, Levieten die de koning daartoe had aangesteld. Wanneer die vaststelden dat er voldoende zilver in de kist lag, lieten ze de hofschrijver en de gevolmachtigde van de hogepriester komen. Dan werd de kist geleegd en vervolgens op zijn plaats teruggezet. Dat ging zo dag in dag uit, en op die manier werd er een enorme hoeveelheid zilver ingezameld. </VERS>
      <VERS vnumber="12">De koning en de hogepriester overhandigden het zilver aan de bouwmeesters die met het herstel van de tempel van de HEER waren belast. Die huurden steenhouwers en timmerlieden in om de tempel te herstellen, en smeden en bronsgieters om de constructie te verstevigen. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Door toedoen van de bouwmeesters vorderden de herstelwerkzaamheden aan de tempel van God gestaag. Het gebouw werd tot zijn oorspronkelijke verhoudingen teruggebracht en waar nodig verstevigd. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Toen de bouwmeesters klaar waren met het werk, brachten ze het overgebleven zilver naar de koning en de hogepriester terug. Dat werd gebruikt om tempelgerei te laten maken: benodigdheden voor de dienst in de tempel van de HEER en voor het brengen van brandoffers, kommen en allerlei andere gouden en zilveren voorwerpen. Zolang Jojada leefde, werden er dagelijks brandoffers gebracht in de tempel van de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Jojada bereikte een zeer hoge leeftijd: toen hij stierf was hij honderddertig jaar oud. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Omdat hij voor Israël en voor God en diens tempel zoveel goeds had gedaan, werd hij begraven bij de koningen in de Davidsburcht. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Na de dood van Jojada kwamen de leiders van Juda de koning hulde betuigen. Vanaf die tijd luisterde de koning naar hen. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Ze begonnen de tempel van de HEER, de God van hun voorouders, te verwaarlozen, en Asjerapalen en godenbeelden te vereren. Vanwege deze zonde werden Juda en Jeruzalem getroffen door een hevige toorn. </VERS>
      <VERS vnumber="19">De HEER stuurde profeten naar hen toe om hen op te roepen terug te keren naar de HEER, maar hun waarschuwingen werden in de wind geslagen. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Toen kwam de geest van God over Zecharja, de zoon van de hogepriester Jojada. Hij ging voor het volk staan en zei: 'Dit zegt God: Waarom verzaken jullie je plicht tegenover de HEER? Jullie zullen niets meer tot een goed einde brengen, want jullie hebben je van de HEER afgewend en daarom wendt hij zich nu van jullie af.' </VERS>
      <VERS vnumber="21">Maar men spande tegen hem samen, en op bevel van de koning werd hij in de voorhof van de tempel gestenigd. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Koning Joas sloeg geen acht op de trouwe diensten die Zecharja's vader Jojada hem bewezen had, en liet de zoon van zijn weldoener vermoorden. Zecharja's stervenswoorden luidden: 'Moge de HEER zien wat mij wordt aangedaan en het vergelden.' </VERS>
      <VERS vnumber="23">Aan het begin van het nieuwe jaar viel het Aramese leger Joas aan. Ze rukten op tegen Juda en Jeruzalem, versloegen alle legeraanvoerders en stuurden alles wat ze buitmaakten naar hun koning in Damascus. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Want hoewel de Arameeërs hun aanval ondernamen met een kleine troepenmacht, leverde de HEER een zeer groot leger aan hen uit, omdat de Judeeërs zich van de HEER, de God van hun voorouders, hadden afgewend. Ook aan Joas werd de straf voltrokken. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Nadat de Arameeërs hem zwaargewond hadden achtergelaten, spanden zijn hovelingen tegen hem samen om de dood van de zoon van de hogepriester Jojada te wreken. Hij werd op zijn ziekbed vermoord. Na zijn dood werd hij begraven in de Davidsburcht, maar hij werd niet bijgezet in de koninklijke grafkamers. </VERS>
      <VERS vnumber="26">De aanslag was gepleegd door Zabad, de zoon van Simat, een Ammonitische, en Jozabad, de zoon van Simrit, een Moabitische. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Gegevens over Joas' zonen, over de vele profetieën die tegen hem zijn uitgesproken en over zijn herstelwerkzaamheden aan de tempel van God, zijn opgetekend in de toelichting op het boek over de koningen. Zijn zoon Amasja volgde hem op. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="25">
      <VERS vnumber="1">Amasja werd op vijfentwintigjarige leeftijd koning. Negenentwintig jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Jehoaddan, ze was afkomstig uit Jeruzalem. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Hij deed wat goed is in de ogen van de HEER, maar niet van ganser harte. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Toen Amasja de macht eenmaal stevig in handen had, liet hij de hovelingen die zijn vader hadden vermoord ter dood brengen. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Maar hun kinderen doodde hij niet, want hij hield zich aan wat geschreven staat in het boek van Mozes, in de wet die door de HEER is opgelegd: 'Ouders zullen niet sterven om wat hun kinderen hebben misdaan, en kinderen niet om de misdaden van hun ouders; alleen om wat iemand zelf misdaan heeft, zal hij sterven.' </VERS>
      <VERS vnumber="5">Amasja ontbood de mannen van Juda. Hij liet heel Juda en Benjamin per familie aantreden, in eenheden van duizend en van honderd man, elk met een eigen aanvoerder. Na telling van alle mannen van twintig jaar en ouder bleek hij te beschikken over een gevechtsklare legermacht van driehonderdduizend voortreffelijke krijgers, bewapend met lansen en grote schilden. </VERS>
      <VERS vnumber="6">In Israël huurde hij voor honderd talent zilver nog eens honderdduizend geoefende krijgers. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Toen kwam er een godsman naar Amasja toe, die zei: 'Mijn koning, laat het leger van Israël niet met u meetrekken, want de HEER werkt de Israëlieten, die zonen van Efraïm, tegen. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Trek zelf ten strijde en vecht zo hard u kunt, anders zal God u het onderspit laten delven. God bezit immers de macht om u te helpen, maar ook om u ten val te brengen.' </VERS>
      <VERS vnumber="9">'Maar die honderd talent dan, die ik aan het leger van Israël heb betaald?' vroeg Amasja. 'Het ligt in de macht van de HEER om u meer dan schadeloos te stellen, 'antwoordde de godsman. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Hierop ontsloeg Amasja alle soldaten die zich vanuit Efraïm bij hem hadden gevoegd en hij stuurde hen naar huis. De Efraïmieten waren woedend op Juda en keerden vol wrok naar huis terug. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Amasja raapte al zijn moed bijeen en trok aan het hoofd van zijn leger op naar de Zoutvallei, waar hij tienduizend Seïrieten doodde. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Tienduizend anderen, die de slag overleefden, werden door de Judeeërs gevangengenomen en meegevoerd naar de top van een rots. Daar werden ze naar beneden gegooid, zodat ze allemaal te pletter vielen. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Intussen vielen de soldaten van het leger dat Amasja, voor hij ten strijde trok, had weggestuurd, de steden van Juda aan, vanaf Samaria tot Bet-Choron. Ze doodden er drieduizend man en haalden een rijke buit binnen. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Nadat Amasja van zijn overwinning op de Edomieten, de inwoners van Seïr, was teruggekeerd, liet hij hun godenbeelden naar Jeruzalem overbrengen en daar opstellen. Hij knielde ervoor neer en bracht ze offers. </VERS>
      <VERS vnumber="15">De HEER ontstak in woede tegen Amasja en stuurde een profeet naar hem toe, die hem zei: 'Waarom zoekt u uw heil bij de goden van dit volk, die niet eens hun eigen volk uit uw handen hebben kunnen redden?' </VERS>
      <VERS vnumber="16">Maar Amasja viel hem in de rede. 'Hebben wij u soms als raadgever van de koning aangesteld? Zwijg, of wilt u soms gedood worden?' De profeet vroeg niet verder, maar zei: 'Nu u dit zegt en mijn raad in de wind slaat, weet ik dat God besloten heeft u te gronde te richten.' </VERS>
      <VERS vnumber="17">Na overleg met zijn raadsheren stuurde Amasja, de koning van Juda, gezanten naar de koning van Israël, Joas, de zoon van Joachaz, de zoon van Jehu, met de boodschap: 'Laten wij zien wie van ons de sterkste is.' </VERS>
      <VERS vnumber="18">Koning Joas van Israël liet koning Amasja van Juda het volgende antwoord overbrengen: 'Eens, in de Libanon, verzocht de doornstruik de ceder: "Geef uw dochter aan mijn zoon ten huwelijk." Maar toen kwam er een wild dier voorbij, dat de doornstruik vertrapte. </VERS>
      <VERS vnumber="19">U zegt bij uzelf: Kijk, ik heb Edom verslagen, en in uw overmoed hunkert u naar nog meer roem. Maar ik zeg u: Blijf waar u bent. Waarom zou u uzelf in het ongeluk storten en Juda meesleuren in uw val?' </VERS>
      <VERS vnumber="20">Maar Amasja luisterde niet, want God had beschikt dat Juda in handen van de vijand zou vallen omdat het zijn heil had gezocht bij de goden van Edom. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Koning Joas van Israël rukte op, en in Bet-Semes in Juda maten hij en koning Amasja van Juda hun krachten. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Juda werd door Israël verslagen en alle Judeeërs sloegen op de vlucht. </VERS>
      <VERS vnumber="23">De koning van Juda, Amasja, de zoon van Joas, de zoon van Joachaz, werd in Bet-Semes door koning Joas van Israël gevangengenomen. Koning Joas voerde hem mee naar Jeruzalem. Daar sloeg hij een bres van vierhonderd el in de stadsmuur, van de Efraïmpoort tot aan de Hoekpoort. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Daarna keerde hij terug naar Samaria, met medeneming van al het goud en zilver en alle andere voorwerpen die zich onder bewaking van Obed-Edom in de tempel van God bevonden, de schatten uit het koninklijk paleis, en een groep gijzelaars. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Na de dood van koning Joas van Israël, de zoon van Joachaz, leefde koning Amasja van Juda, de zoon van Joas, nog vijftien jaar. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Verdere bijzonderheden over Amasja zijn van begin tot eind opgetekend in het boek over de koningen van Juda en Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Toen Amasja de HEER eenmaal ontrouw was geworden, werd er in Jeruzalem tegen hem samengespannen. Hij vluchtte naar Lachis, maar ze kwamen hem achterna en doodden hem daar. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Hij werd met paarden overgebracht naar de hoofdstad van Juda, waar hij bij zijn voorouders werd begraven. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="26">
      <VERS vnumber="1">Het volk van Juda riep Amasja's zestien jaar oude zoon Uzzia tot opvolger van zijn vader uit. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Het was Uzzia die Elat na de dood van koning Amasja weer bij Juda inlijfde en het versterkte. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Uzzia was zestien jaar oud toen hij koning werd. Tweeënvijftig jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Jecholja, ze was afkomstig uit Jeruzalem. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Hij deed wat goed is in de ogen van de HEER, net zoals zijn vader Amasja gedaan had. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Zolang Zecharja leefde, die hem had geleerd in ontzag te leven voor God, legde hij zich erop toe zich naar God te richten. En zolang hij zich naar de HEER richtte, liet God hem slagen in alles wat hij ondernam. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Zo trok Uzzia ten strijde tegen de Filistijnen. Hij sloeg bressen in de muren van Gat, Jabne en Asdod, en bouwde vestingen in het vorstendom Asdod en andere Filistijnse gebieden. </VERS>
      <VERS vnumber="7">God steunde hem in zijn strijd tegen de Filistijnen, en ook tegen de Arabieren die in Gur-Baäl woonden en tegen de Meünieten. </VERS>
      <VERS vnumber="8">De Ammonieten betaalden hem schatting. Uzzia's gezag reikte tot aan de grens met Egypte, zo groot was zijn macht. </VERS>
      <VERS vnumber="9">In Jeruzalem versterkte hij de stadsmuur en richtte hij torens op bij de Hoekpoort, de Dalpoort en de Punt. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Ook bouwde hij uitkijktorens in de woestijn en liet tal van regenputten uithouwen. Hij bezat veel vee, en er werkten boeren voor hem in het heuvelland en op de hoogvlakte, en wijnbouwers in de bergen en op vruchtbare grond, want de landbouw ging hem zeer ter harte. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Uzzia beschikte over een strijdmacht van parate troepen. De manschappen waren per eenheid geregistreerd door de schrijver Jeïel en de griffier Maäseja, de helpers van Chananja, een van de hoge ambtenaren van de koning. </VERS>
      <VERS vnumber="12">Het aantal familiehoofden bedroeg zesentwintighonderd weerbare mannen. </VERS>
      <VERS vnumber="13">Onder hun leiding stond een sterk leger van driehonderdzevenduizend vijfhonderd geoefende, krachtige strijders, die de koning bijstonden tegen zijn vijanden. </VERS>
      <VERS vnumber="14">Zij allemaal, de hele legermacht, waren door Uzzia uitgerust met schilden, lansen, helmen, borstkurassen, bogen en slingerstenen. </VERS>
      <VERS vnumber="15">In Jeruzalem liet hij op de torens en de hoeken van de stadsmuur vernuftige verdedigingswerktuigen neerzetten, waarmee pijlen en grote stenen konden worden afgeschoten. Uzzia's gezag reikte tot ver over de grenzen, want met wonderbaarlijke hulp had hij zijn macht steeds verder uitgebreid. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Maar toen Uzzia het toppunt van zijn macht had bereikt, werd hij hoogmoedig, en dat leidde tot zijn ondergang. Hij overtrad het gebod van de HEER, zijn God, door de tempel van de HEER binnen te gaan om daar zelf een reukoffer te brengen op het reukofferaltaar. </VERS>
      <VERS vnumber="17">De hogepriester Azarja kwam hem met nog tachtig andere priesters van de HEER achterna, allen vooraanstaande mannen. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Zij sneden koning Uzzia de pas af en zeiden hem: 'Het is niet aan u, Uzzia, om reukoffers te brengen voor de HEER. Dat is voorbehouden aan de priesters, de afstammelingen van Aäron. Zij zijn geheiligd om reukoffers te brengen. Verlaat het heiligdom; u bent in overtreding. Dit zal u bij de HEER niet tot eer strekken.' </VERS>
      <VERS vnumber="19">Uzzia ontstak in woede. En terwijl hij, de schaal met reukwerk in zijn hand, tegen de priesters tekeerging, verscheen daar, ten overstaan van de priesters, in de tempel van de HEER, bij het reukofferaltaar, plotseling uitslag op zijn voorhoofd. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Toen de hogepriester Azarja en de andere priesters hem recht aankeken en vaststelden dat zijn voorhoofd door huidvraat was aangetast, joegen ze hem onmiddellijk de tempel uit. Hij maakte zelf ook haast, want de HEER had hem getroffen. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Tot op de dag van zijn dood bleef koning Uzzia aan huidvraat lijden. Al die tijd leefde hij in afzondering, want het tempelcomplex was voor hem verboden terrein. Zijn zoon Jotam, die de gang van zaken in het paleis regelde, nam intussen het landsbestuur waar. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Verdere bijzonderheden over Uzzia zijn van begin tot eind opgetekend door de profeet Jesaja, de zoon van Amos. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Toen Uzzia stierf en bij zijn voorouders begraven werd, besloot men hem wegens zijn ziekte te begraven in het veld bij de koningsgraven. Zijn zoon Jotam volgde hem op. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="27">
      <VERS vnumber="1">Jotam was vijfentwintig jaar oud toen hij koning werd. Zestien jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Jerusa, de dochter van Sadok. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Hij deed wat goed is in de ogen van de HEER, precies zoals zijn vader Uzzia-hij echter betrad de tempel van de HEER niet-, maar de Judeeërs bleven doorgaan met hun verfoeilijke praktijken. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Het was Jotam die de Bovenpoort van de tempel van de HEER bouwde. Hij liet ook uitgebreide werkzaamheden verrichten aan de stadsmuur bij de Ofel. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Hij bouwde vestingen in het bergland van Juda en burchten en torens in de beboste gebieden. </VERS>
      <VERS vnumber="5">Hij trok ten strijde tegen de koning van de Ammonieten en overwon hem. De Ammonieten droegen hem dat jaar honderd talent zilver, tienduizend kor tarwe en tienduizend kor gerst aan schatting af, en ook het volgende jaar en het jaar daarop. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Jotam kon de macht stevig in handen houden, want zijn hele leven was gericht op de HEER, zijn God. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Verdere bijzonderheden over Jotam, over de oorlogen die hij voerde en wat hij nog meer ondernam, zijn opgetekend in het boek over de koningen van Israël en Juda. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Hij was vijfentwintig jaar oud toen hij koning werd, en regeerde zestien jaar in Jeruzalem. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Toen hij stierf, werd hij begraven in de Davidsburcht. Zijn zoon Achaz volgde hem op. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="28">
      <VERS vnumber="1">Achaz was twintig jaar oud toen hij koning werd. Zestien jaar regeerde hij in Jeruzalem. Hij deed niet wat goed is in de ogen van de HEER, zoals zijn voorvader David, </VERS>
      <VERS vnumber="2">maar volgde het voorbeeld van de koningen van Israël. Hij ging zelfs zo ver dat hij godenbeelden maakte voor de Baäls. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Ook ontstak hij offers in het Hinnomdal en verbrandde hij zijn zonen als offer volgens het gruwelijke gebruik van de volken die de HEER voor de Israëlieten had verdreven. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Hij bracht offers en brandde wierook op de offerplaatsen, op de heuvels en onder elke bladerrijke boom. </VERS>
      <VERS vnumber="5">De HEER, zijn God, leverde hem uit aan de koning van Aram. De Arameeërs versloegen hem en voerden een grote groep gevangenen naar Damascus weg. Vervolgens werd hij overgeleverd aan de koning van Israël, die een grote overwinning op hem behaalde. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Pekach, de zoon van Remaljahu, doodde in Juda honderdtwintigduizend man op één dag, allen geoefende krijgslieden, omdat zij zich van de HEER, de God van hun voorouders, hadden afgekeerd. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Zichri, de held van Efraïm, doodde Maäseja, de zoon van de koning, Azrikam, de hofmeester, en Elkana, de rechterhand van de koning. </VERS>
      <VERS vnumber="8">De Israëlieten voerden tweehonderdduizend vrouwen, zonen en dochters van hun broeders als gevangenen weg en ontroofden hun een grote buit, die ze meenamen naar Samaria. </VERS>
      <VERS vnumber="9">In Samaria woonde een profeet van de HEER, Oded genaamd. Toen het leger naar Samaria terugkeerde, ging hij het tegemoet en zei: 'De HEER, de God van uw voorouders, heeft de Judeeërs aan u uitgeleverd omdat hij woedend op hen was. Met een razernij die tot in de hemel reikte hebt u velen van hen gedood. </VERS>
      <VERS vnumber="10">En nu bent u van plan de mensen uit Juda en Jeruzalem als slaven en slavinnen te onderwerpen. Bent u niet evengoed met schuld beladen tegenover de HEER, uw God? </VERS>
      <VERS vnumber="11">Welnu, luister goed, stuur de gevangenen die u van uw broeders hebt weggevoerd terug, want u hebt de toorn van de HEER over u afgeroepen.' </VERS>
      <VERS vnumber="12">Enkele familiehoofden uit de stam Efraïm, Azarja, de zoon van Jochanan, Berechja, de zoon van Mesillemot, Jechizkia, de zoon van Sallum, en Amasa, de zoon van Chadlai, traden de binnentrekkende legermacht tegemoet </VERS>
      <VERS vnumber="13">en zeiden: 'Breng de gevangenen niet hierheen. Wanneer u doet wat u van plan bent, belaadt u ons met schuld tegenover de HEER. U zou onze zonden en schulden nog vermeerderen, terwijl onze schuld nu al zo groot is dat wij de toorn van de HEER hebben opgewekt.' </VERS>
      <VERS vnumber="14">Hierop droegen de soldaten de gevangenen en de buit aan de leiders en het aanwezige volk over. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Speciaal daartoe aangewezen mannen namen de gevangenen onder hun hoede. Met wat in de buit voorhanden was kleedden ze degenen die naakt waren. Ze kleedden en schoeiden ze, gaven hun te eten en te drinken, verzorgden hun wonden en zetten degenen die moeizaam voortstrompelden op ezels. Zo begeleidden ze hen tot aan de palmstad Jericho, aan de grens met het gebied van hun broeders, waarna ze terugkeerden naar Samaria. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Het was in diezelfde tijd dat koning Achaz de hulp inriep van de koning van Assyrië. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Ook de Edomieten waren namelijk Juda binnengevallen en hadden gevangenen weggevoerd. </VERS>
      <VERS vnumber="18">En de Filistijnen hadden aanvallen gedaan op verschillende steden in het heuvelland en het Judese gedeelte van de Negev. Ze hadden Bet-Semes, Ajjalon en Gederot, en Socho, Timna en Gimzo en de omliggende dorpen veroverd en zich daar gevestigd. </VERS>
      <VERS vnumber="19">De HEER had Juda vernederd omdat Achaz als koning van de Israëlieten de zeden in Juda had laten verwilderen en zijn plicht tegenover de HEER had verzaakt. </VERS>
      <VERS vnumber="20">Maar in plaats van Achaz te helpen, viel koning Tiglatpileser van Assyrië hem aan en dreef hij hem in het nauw. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Achaz had weliswaar de tempel van de HEER, het koninklijk paleis en de huizen van de hoogwaardigheidsbekleders leeggehaald en de schatten aan de koning van Assyrië gegeven, maar toch kwam die hem niet te hulp. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Toen hij zo in het nauw was gedreven, beging hij, koning Achaz, nog meer overtredingen tegenover de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Hij bracht offers aan de goden van Damascus, die hem verslagen hadden, want hij dacht bij zichzelf: De goden van de koningen van Aram helpen hun volk wél. Als ik hun offers breng, helpen ze mij vast ook. Maar zij brachten hem en heel Israël juist ten val. </VERS>
      <VERS vnumber="24">Achaz haalde alle voorwerpen uit de tempel van God en sloeg ze aan stukken. Hij liet de tempel van de HEER sluiten en plaatste altaren op alle straathoeken van Jeruzalem. </VERS>
      <VERS vnumber="25">En hij tergde de HEER, de God van zijn voorouders, nog verder door in alle steden van Juda offerplaatsen voor andere goden in te richten. </VERS>
      <VERS vnumber="26">Alle verdere bijzonderheden over Achaz zijn van begin tot eind opgetekend in het boek over de koningen van Juda en Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="27">Toen hij stierf, werd hij wel in Jeruzalem begraven, maar niet bijgezet in de graven van de koningen van Israël. Zijn zoon Jechizkia volgde hem op. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="29">
      <VERS vnumber="1">Jechizkia was vijfentwintig jaar oud toen hij koning werd. Negenentwintig jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Abia, de dochter van Zecharja. </VERS>
      <VERS vnumber="2">Hij deed wat goed is in de ogen van de HEER, net zoals zijn voorvader David gedaan had. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Al in de eerste maand van het eerste jaar van zijn regering heropende hij de tempel van de HEER en liet hij de deuren herstellen. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Hij riep de priesters en de Levieten bijeen op het plein aan de oostzijde van de tempel </VERS>
      <VERS vnumber="5">en sprak hen als volgt toe: 'Levieten, luister! Heilig u, zodat u de tempel van de HEER, de God van uw voorouders, kunt reinigen door alles wat onrein is uit het heiligdom te verwijderen. </VERS>
      <VERS vnumber="6">Onze voorouders hebben hun plicht tegenover de HEER verzaakt. Ze hebben gedaan wat slecht is in de ogen van de HEER, onze God, en zich van hem afgewend. Ze hebben de woning van de HEER de rug toegekeerd en zich er niet meer om bekommerd. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Ze hebben zelfs de deuren van de voorhal afgesloten en de lampen gedoofd, zodat er geen reukoffers of brandoffers meer konden worden gebracht in het heiligdom van de God van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Daarom heeft de toorn van de HEER Juda en Jeruzalem getroffen. Hij heeft ze tot afschrikwekkend voorbeeld gemaakt, en tot voorwerp van ontzetting en spot, zoals u uit eigen ondervinding weet. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Daarom immers zijn onze vaders gesneuveld, en onze zonen, dochters en vrouwen in gevangenschap weggevoerd. </VERS>
      <VERS vnumber="10">Welnu, ik heb me voorgenomen het verbond met de HEER, de God van Israël, te bekrachtigen, opdat hij zijn toorn laat varen. </VERS>
      <VERS vnumber="11">Aan het werk nu, mijn zonen, want u bent door de HEER uitgekozen om voor hem dienst te doen en hem offers te brengen.' </VERS>
      <VERS vnumber="12">De Levieten traden aan: Machat, de zoon van Amasai, en Joël, de zoon van Azarja, uit de familie van Kehat; van de nakomelingen van Merari: Kis, de zoon van Abdi, en Azarja, de zoon van Jehallelel; van de nakomelingen van Gerson: Joach, de zoon van Zimma, en Eden, de zoon van Joach; </VERS>
      <VERS vnumber="13">van de nakomelingen van Elisafan: Simri en Jeïel; van de nakomelingen van Asaf: Zecharja en Mattanja; </VERS>
      <VERS vnumber="14">van de nakomelingen van Heman: Jechiël en Simi; en van de nakomelingen van Jedutun: Semaja en Uzziël. </VERS>
      <VERS vnumber="15">Ze riepen hun verwanten bijeen en heiligden zich om de tempel van de HEER te heiligen, zoals de koning op gezag van de HEER bevolen had. </VERS>
      <VERS vnumber="16">Daarop gingen de priesters naar binnen. Ze reinigden de tempel van de HEER door alle onreine voorwerpen die ze er aantroffen naar buiten te brengen, naar de voorhof van de tempel. De Levieten namen de onreine voorwerpen over en voerden ze af naar de bedding van de Kidron, buiten de stad. </VERS>
      <VERS vnumber="17">Ze begonnen met de reiniging op de eerste dag van de eerste maand, en op de achtste dag van die maand bereikten ze de voorhal van de tempel. Daarna heiligden ze de tempel van de HEER gedurende acht dagen, en op de zestiende dag van de eerste maand waren ze klaar. </VERS>
      <VERS vnumber="18">Toen meldden ze zich bij koning Jechizkia en zeiden: 'We hebben de tempel van de HEER helemaal gereinigd, ook het brandofferaltaar en de tafel voor de toonbroden en het bijbehorende gerei. </VERS>
      <VERS vnumber="19">Al het tempelgerei dat koning Achaz tijdens zijn regering door zijn overtredingen had ontwijd, hebben we weer in orde gemaakt en geheiligd. Alles staat gereed voor het altaar van de HEER.' </VERS>
      <VERS vnumber="20">De volgende ochtend vroeg riep koning Jechizkia de stadscommandanten bijeen en begaf hij zich naar de tempel. </VERS>
      <VERS vnumber="21">Ze brachten zeven stieren, zeven volwassen rammen en zeven jonge rammen mee, en zeven bokken als reinigingsoffer voor het koningshuis, voor het heiligdom en voor Juda. Jechizkia beval de nakomelingen van Aäron, de priesters, de dieren te verbranden op het altaar van de HEER. </VERS>
      <VERS vnumber="22">Het rundvee werd geslacht, en de priesters vingen het bloed op en goten het tegen het altaar. De volwassen rammen werden geslacht, en de priesters goten het bloed tegen het altaar. De jonge rammen werden geslacht, en de priesters goten het bloed tegen het altaar. </VERS>
      <VERS vnumber="23">Daarna werden de bokken voor het reinigingsoffer langs de koning en de vertegenwoordigers van de gemeenschap geleid, die hun handen op de dieren legden. </VERS>
      <VERS vnumber="24">De priesters slachtten ze en reinigden met het bloed het altaar van zonde om voor heel Israël verzoening te bewerken. De koning had namelijk bevolen dat het reinigingsoffer en het brandoffer ten behoeve van heel Israël moesten worden gebracht. </VERS>
      <VERS vnumber="25">Hij stelde de Levieten met cimbalen, lieren en harpen op in de tempel van de HEER, naar het voorschrift van David, van Gad, de ziener van de koning, en van de profeet Natan (het voorschrift dat door de HEER bij monde van zijn profeten kenbaar gemaakt was), </VERS>
      <VERS vnumber="26">en toen de Levieten met de instrumenten van David en de priesters met de trompetten klaarstonden, </VERS>
      <VERS vnumber="27">beval Jechizkia de dieren op het altaar te verbranden. Zodra het offer werd ontstoken, klonk er trompetgeschal op en werd het lied voor de HEER aangeheven, begeleid door de instrumenten van koning David van Israël. </VERS>
      <VERS vnumber="28">Gedurende het brandoffer boog de hele gemeenschap zich neer, terwijl de muziek klonk en de trompetten schalden. </VERS>
      <VERS vnumber="29">Toen het brandoffer ten einde was, bogen ook de koning en zijn gezelschap zich neer. </VERS>
      <VERS vnumber="30">Koning Jechizkia en de raadsheren vroegen de Levieten de lof van de HEER te zingen met de woorden van David en de ziener Asaf. Ze zongen vol vreugde, en allen bogen zich in aanbidding neer. </VERS>
      <VERS vnumber="31">Daarna nam Jechizkia het woord en zei: 'U hebt u weer in dienst gesteld van de HEER. Breng nu wat u voor de vredeoffers en dankoffers hebt meegebracht naar de tempel van de HEER.' De hele gemeenschap kwam dieren brengen voor vredeoffers en dankoffers, en wie daartoe bereid was ook voor brandoffers. </VERS>
      <VERS vnumber="32">Alleen al voor het brandoffer voor de HEER werden door de gemeenschap zeventig runderen, honderd volwassen rammen en tweehonderd jonge rammen aangeboden, </VERS>
      <VERS vnumber="33">en verder werden zeshonderd runderen en drieduizend schapen en geiten als vredeoffer en dankoffer meegebracht. </VERS>
      <VERS vnumber="34">Er waren echter te weinig priesters om alle dieren voor het brandoffer te villen. Daarom werden ze in hun werk bijgestaan door hun verwanten, de Levieten, totdat ook de overige priesters zich hadden geheiligd. (De Levieten hielden zich namelijk nauwgezetter dan de priesters aan hun plicht om zich te heiligen.) </VERS>
      <VERS vnumber="35">Behalve het grote aantal dieren voor het brandoffer was er ook nog een grote hoeveelheid vet van de dieren voor de vredeoffers en wijn voor de bij het brandoffer behorende wijnoffers. </VERS>
      <VERS vnumber="Zo">werd de eredienst in de tempel van de HEER opnieuw ingesteld. </VERS>
      <VERS vnumber="36">Jechizkia en heel het volk verheugden zich over wat de God voor hen tot stand had gebracht, want het was al met al heel snel in zijn werk gegaan. </VERS>
    </CHAPTER>
    <CHAPTER cnumber="30">
      <VERS vnumber="1">Jechizkia stuurde boden rond in heel Israël en Juda en schreef ook brieven naar Efraïm en Manasse, waarin hij iedereen opriep naar de tempel van de HEER in Jeruzalem te komen om aan de HEER, de God van Israël, het pesachoffer op te dragen. </VERS>
      <VERS vnumber="2">De koning had zich, samen met zijn raadsheren en de volksvergadering van Jeruzalem, gebogen over de mogelijkheid om Pesach te vieren in de tweede maand. </VERS>
      <VERS vnumber="3">Het was namelijk niet mogelijk geweest Pesach te vieren op de vastgestelde tijd, omdat zich toen niet genoeg priesters geheiligd hadden en het volk niet in Jeruzalem bijeen was. </VERS>
      <VERS vnumber="4">Nadat dit voorstel door de koning en de volksvergadering was aangenomen, </VERS>
      <VERS vnumber="5">besloten ze om in heel Israël, van Berseba tot Dan, te laten omroepen dat men naar Jeruzalem moest komen om aan de HEER, de God van Israël, het pesachoffer op te dragen. Voor die tijd hadden ze dat namelijk niet gezamenlijk gedaan, hoewel het zo was voorgeschreven. </VERS>
      <VERS vnumber="6">De boden gingen met de brieven van de koning en zijn raadsheren heel Israël en Juda rond en verspreidden in opdracht van de koning de volgende oproep: 'Israëlieten, keer terug naar de HEER, de God van Abraham, Isaak en Israël, dan zal hij terugkeren naar u die aan de greep van de koning van Assyrië ontkomen bent. </VERS>
      <VERS vnumber="7">Wees niet zoals uw voorouders en uw verwanten die hun plicht tegenover de HEER, de God van uw voorouders, verzaakten. Hen heeft hij, zoals u uit ondervinding weet, tot afschrikwekkend voorbeeld gemaakt. </VERS>
      <VERS vnumber="8">Wees dus niet langer halsstarrig, zoals uw voorouders dat waren, maar betuig de HEER trouw en kom naar zijn heiligdom, dat hij voor eeuwig heeft geheiligd, om de HEER, uw God, te dienen. Dan zal hij zijn toorn van u afwenden. </VERS>
      <VERS vnumber="9">Want als u terugkeert tot de HEER, zullen uw verwanten en uw kinderen genadig behandeld worden door degenen die hen hebben weggevoerd, en zullen ze weer naar dit land mogen terugkeren. De HEER, uw God, is immers genadig en liefdev
