Psalm 1 : 1-3 1 Welzalig wie niet volgt der bozen raad, niet op de weg der goddelozen staat, wie ook niet zit waar spotters samenscholen, maar wandelt op de weg door God bevolen, wie 's HEREN wet zijn grote vreugde acht, haar dankbaar overdenkt bij dag en nacht. 2 Hij is gelijk een altijd groene boom, die men geplant heeft aan een waterstroom, die op zijn tijd zijn rijke vrucht zal dragen, geen blad verwelkt in hete zomerdagen. De HERE zegent hem met overvloed, zijn voorspoed blijkt in alles wat hij doet. 3 Zo niet de man wiens hart het kwaad bemint, hij is als kaf, dat wegwaait in de wind. Hij houdt geen stand als het gericht zal komen en heeft geen plaats te midden van de vromen. God kent de weg van wie rechtvaardig is, maar bozen komen om in duisternis. Psalm 2 : 1-4 1 Wat drijft de volken, wat bezielt ze toch? Wat is de waanzin toch die zij beramen? De groten staan gewapend tot de slag, de machtigen der wereld spannen samen. 't Is tegen het gezag van God den HERE en tegen zijn gezalfde vorst gericht: 'Komt', zeggen zij, 'laat ons hun banden scheuren, tot alle macht in onze handen ligt!' 2 Die in de hemel is gezeten lacht, want Hij is God die eeuwig blijft regeren. Hij spot met hen die spotten met zijn macht. Hij kent zijn tijd, Hij is de Heer der heren. Dan zal Hij spreken uit zijn hoge woning en hen verschrikken in zijn grimmigheid: 'Ik wijdde mijn gezalfde tot een koning op Sions berg, de berg der heiligheid.' 3 Ik roep op aarde 't woord des HEREN uit. Hij sprak tot mij: 'Zie Ik verwek u heden. Gij zijt mijn zoon naar mijn vrij raadsbesluit. Vraag Mij: Ik zal u met gezag bekleden. Zie, al het volk tot in de verste streken, de ganse aarde geef Ik in uw macht. Gij zult het aarden vat met ijzer breken, ja, het verbrijzlen door uw grote kracht.' 4 O machtigen, o koningen, weest wijs. Laat u gezeggen, rechters zonder rede. Vreest God den HEER en dient Hem naar zijn eis, verheugt u bevend, zoekt bij Hem uw vrede. Kust toch de zoon, opdat gij niet te gronde gaat op uw weg. Te licht wordt hij getart en kan zijn gramschap tegen u ontbranden. Maar zalig zijn die schuilen aan zijn hart. Psalm 3 : 1-3 1 O HEER, de tegenstand / komt op van elke kant, men staat mij naar het leven. Door velen wordt gespot: / Hij vindt geen hulp bij God, die heeft hem nu begeven. Maar toch bent U mijn eer, / U bent mijn schild, o HEER. U wilt mijn hoofd verheffen. Van Sion klinkt zijn stem, / wanneer ik roep tot Hem. Geen onheil zal mij treffen. 2 Mij van Gods trouw bewust, / sliep ik geheel gerust, tot ik verkwikt ontwaakte. De HERE was nabij, / Hij ondersteunde mij, terwijl Hij mij bewaakte. Ik zal vol nieuwe moed, / daar mij zijn hand behoedt, tienduizenden niet vrezen. Al word ik opgejaagd, / van elke kant belaagd, de HEER zal met mij wezen. 3 Sta op, verlos mij, HEER! / U hebt, uw naam ter eer, gesmaad de goddelozen. U toont uw grote macht, / verbrijzelt door uw kracht de tanden van de bozen. Bij God, de HERE, is / mijn hulp en troost gewis, al is mij alles tegen. Verlosser, blijf nabij; / U redt en U maakt vrij. Schenk aan uw volk uw zegen! Psalm 4 : 1-3 1 Wil, als ik roep, mij antwoord geven, o God van mijn gerechtigheid. U, die voor mij, in 't nauw gedreven, ruim baan gemaakt hebt in mijn leven, toon mij uw trouw, waarop ik pleit. Komt, mannen, wilt u toch bezinnen! Hoe lang nog wordt mijn eer gesmaad? Blijft u de ijdelheid beminnen en zult u steeds op leugen zinnen? Hoe lang nog duurt uw boos beraad? 2 Weet dit: de HERE slaat mij gade, mijn bidden wordt door Hem gehoord. Die mij verkoos in zijn genade, wil mij bewaren voor het kwade. Hij doet mij hopen op zijn woord. Wanneer uw toorn dreigt te ontbranden, ziet toe, dat u geen zonde doet. Legt, als u rust, uw geest aan banden. Brengt, naar de eis, uw offeranden, vertrouwt op God, want Hij is goed. 3 Ik hoor hoe velen angstig vragen: 'Wie zal het goede ons doen zien?' Wil, HERE, ons uw licht doen dagen, toon ons uw godlijk welbehagen, opdat ik met mijn volk U dien. Dat zal mij groter vreugde geven dan overvloed van tarw' en wijn. Ter ruste kan ik mij begeven, in vrede slapen, want mijn leven, zal, HEER, bij U geborgen zijn. Psalm 5 : 1-10 1 O HERE, wil mijn woorden horen, laat U mijn zuchten niet ontgaan. Mijn God, mijn Koning, neem mij aan! Mijn roep om hulp ga niet verloren, neig toch uw oren. 2 HEER, zie mij aan, want met mijn klachten kom ik tot U bij 't morgenlicht en buig mij voor uw aangezicht. Ik leg U voor al mijn gedachten, blijf U verwachten. 3 Gij haat het goddeloos begeren. Geen drieste dwaas verdraagt het licht, als Gij op hem uw ogen richt. Gij laat niet in uw huis verkeren, wie U onteren. 4 Gij oordeelt wie niet eerlijk spreken en haat het onrecht dat Gij ziet. Hij zal vergaan, die bloed vergiet. De HERE zal de boze breken, zijn misdaad wreken. 5 Maar ik zal dankbaar binnentreden het heiligdom aan U gewijd, dank zij uw goedertierenheid. Ik zal met ootmoed mij bekleden in mijn gebeden. 6 HEER, houd in toom, wie mij belagen, leid mij door uw gerechtigheid. Maak mij uw heilsweg vlak en wijd. Doe voor mijn ogen op mijn vragen verlossing dagen. 7 Men kan hun geen vertrouwen geven, hun keel is als een open graf, met vleitaal geven zij zich af. Hun woord, door valsheid ingegeven, bedreigt mijn leven. 8 O HEER, verstrik hen in hun netten, verstoot hen van uw aangezicht, breng hen ten val door uw gericht. Want zij gaan voort zich te verzetten tegen uw wetten. 9 Wie bij U schuilt, zal zich verblijden en juichend zullen tot U gaan, wie onder uw bescherming staan. Zij zullen U hun liefde wijden, uw naam belijden. 10 Want Gij, o HERE, blijft ons dragen, Gij zijt rechtvaardigen ten schild. Gij zegent hen getrouw en mild en Gij omgeeft hen al hun dagen met welbehagen. Psalm 6 : 1-6 1 O HERE, sla mij gade, Denk aan mij in genade. Hoe is uw toorn ontbrand! Wil mij niet hard kastijden, schenk mij uw medelijden. Ik vrees uw slaande hand. 2 Wil, HERE, mij genezen en mij genadig wezen. Ik ben verschrikt en bang. Zie, al mijn leden beven, doodsangst verteert mijn leven. Ach, HERE, tot hoelang? 3 Keer weer en red mijn leven. HEER, wil mij uitkomst geven, uw trouw is immers groot. Wie kan uw naam nog noemen, uw grote daden roemen, U loven in de dood? 4 In lange, bange nachten vergaan mijn levenskrachten. Mijn kussen is doorweekt. Mijn oog, verzwakt van lijden door hen die mij bestrijden, is dof, zijn glans ontbreekt. 5 Wijkt, werkers van het kwade! De HEER heeft in genade mijn jammerklacht verstaan. Hij hoorde naar mijn kermen en wilde Zich ontfermen. Hij neemt mijn bidden aan. 6 God zal mijn haters weren, vol schaamte om doen keren, hen treffen door zijn schrik. Hij slaat hen met zijn plagen, zijn hand zal hen verjagen als in een ogenblik. Psalm 7 : 1-7 1 HERE mijn God, Gij hoedt mijn leven, Ik heb het in uw hand gegeven, breid over mij uw vleugels uit, de vijand is belust op buit: hij wil mij als een leeuw verslinden. Laat, HEER, zijn klauwen mij niet vinden, niet slepen naar zijn woest gebied, terwijl geen mens mij bijstand biedt. 2 Wanneer het waar is dat mijn handen bevlekt zijn met geweld en schande, wanneer ik goed vergeld met kwaad, dan treffe mij des vijands haat. Ben ik een schenner van de vrede, dan mag hij mij in 't stof vertreden. Maar, HEER mijn God, ik heb behoed de man die dorstte naar mijn bloed. 3 Sta op, HEER, laat uw toorn ontbranden, ontruk mij aan des vijands handen. Betoom zijn woede, help uw knecht, handhaaf, o HEER, het hoogste recht. Laat dan de volken U omringen, en beven voor uw rechtsgedingen. En Gij die aller Koning zijt, troon boven hen in heerlijkheid. 4 God zal der volken rechter wezen. Zou ik zijn oordeel moeten vrezen? Rechtvaardig sta ik voor 't gericht. HEER, breng mijn onschuld aan het licht. Stel paal en perk aan die U tarten, Gij die doorschouwt der mensen harten. Houd uwer knechten werk in stand, rechtvaardig God, met eigen hand. 5 God is mijn schild en mijn betrouwen, de reine zal zijn heil aanschouwen. Hij richt met goddelijk gezag, Hij toont zijn gramschap elke dag. Hij wet zijn zwaard en zal het heffen om de hardnekkigen te treffen. En op de boog der wrake legt de HEER de vlammen van zijn recht. 6 Zij die bevrucht zijn door het kwade gaan zwanger aan verkeerde daden, bedrog en onrecht baart hun mond. Zij tasten in onwaarheid rond. Zij zullen in de kuil geraken die zij voor andre mensen maken. Al hun verderf keert tot hen weer, komt op hun eigen hoofd eens neer. 7 God zal ik loven, den Gerechte, Hij zal voor mij het pleit beslechten. Nu looft mijn lied in eeuwigheid des HEREN naam en majesteit. Psalm 8 : 1-6 1 HEER, onze Heer, hoe heerlijk en verheven hebt Gij uw naam op aarde uitgeschreven - machtige God, Gij die uw majesteit ten hemel over ons hebt uitgebreid. 2 Wel doet de hemel hoog uw glorie blinken, maar in de mond van kindren doet Gij klinken uw machtig heil, zo maakt G' uw vijand stil en doet uw haters buigen voor uw wil. 3 Aanschouw ik 's nachts het kunstwerk van uw handen, de maan, de duizend sterren die daar branden, wat is de mens, dat Gij aan hem gedenkt, het mensenkind, dat Gij hem aandacht schenkt? 4 Gij hebt hem bijna goddelijk verheven, een kroon van eer en heerlijkheid gegeven, Gij doet hem heersen over zee en land, ja, al uw werken gaaft Gij in zijn hand. 5 Al wat er land of water heeft tot woning, het moet de mens erkennen als zijn koning: vogels en wild en al 't geduldig vee en wat er wemelt in de wijde zee. 6 HEER, onze Heer, hoe heerlijk en verheven hebt Gij uw naam op aarde uitgeschreven. Heer, onze God, hoe vol van majesteit hebt Gij uw naam op aarde uitgebreid. Psalm 9 : 1-16 1 Ik zal met heel mijn hart, o HEER, in psalmgezang, uw naam ter eer, blij al uw wonderen verhalen, U, Allerhoogste, dank betalen. 2 De vijand is, hoe ook geducht, gestruikeld en voor U gevlucht, teruggedeinsd van voor uw ogen, vernietigd door uw alvermogen. 3 Zo hebt U, HEER, naar heilig recht, voor ieders oog mijn zaak beslecht. U hebt de rechterstoel bestegen, uw dreigen klonk de volken tegen. 4 U zegt de volken straffen aan, doet goddelozen ondergaan. Zo hebt U al hun roem vertreden, vergeten zijn hun naam en steden. 5 De HERE troont in eeuwigheid en oordeelt in gerechtigheid. Hij zal rechtvaardig vonnis spreken, als rechter alle onrecht wreken. 6 Daarom zal Hij in nood en pijn een burcht voor de verdrukten zijn. Hij zal Zich aan hun zijde scharen, hun toevlucht wezen in gevaren. 7 Op U bouwt ieder die U kent, die in zijn angst zich tot U wendt, want wie U zoeken in hun leven, hebt U, o HERE, nooit begeven. 8 Psalmzingt de HEER, die eeuwig leeft en Sion tot zijn woning heeft. Laat ook voor aller volken oren de grootheid van zijn daden horen! 9 Want Hij houdt in gedachtenis het bloed van wie verslagen is. Hij hoort de schreeuw van de ontrechten; hun rechtsgeding zal Hij beslechten. 10 Ontferm U, HEER, zie toch mijn nood, red uit de poorten van de dood. Dan zal ik blij uw roem verbreiden, in Sions poorten U belijden. 11 God trof de volken met zijn straf, hun eigen valkuil werd hun graf, hun voeten zijn verward in netten die zij in het verborgen zetten. 12 De HEER heeft Zich bekend gemaakt, het recht gehandhaafd en bewaakt. De bozen richten zich te gronde; dit is Gods antwoord op hun zonde. 13 God stelt hen in het ongelijk en stort hen in het dodenrijk. Die strenge straf wordt toegemeten aan volkeren die God vergeten. 14 De armen zijn niet voor altijd ten prooi aan de vergetelheid. Hun hoop gaat niet voorgoed verloren, daar zij de HERE toebehoren. 15 Rechtvaardig God, sta op en richt de volken voor uw aangezicht; laat uw gerichten op hen dalen en laat de mens niet zegepralen. 16 Jaag angst en schrik de volken aan, opdat zij duidelijk verstaan, dat mensen, groot in eigen ogen, verganklijk zijn en niets vermogen. Psalm 10 : 1-7 1 Waarom, o HEER, blijft U van verre staan? Waarom verbergt U Zich in tijd van nood? Met smart zien de ellendigen het aan, hoe trotsen hen vervolgen tot de dood. Maak hen beschaamd, o God, uw macht is groot. Verijdel hun boosaardig samenspannen. Ja, HEER, verstrik hen in hun eigen plannen. 2 De goddeloze pocht naar hartelust, de woekeraar spreekt zegenwensen uit. Hij smaadt de HEER, maar is niet verontrust, want hij ziet zich verrijkt door al zijn buit. Vol eigenwaan komt hij tot dit besluit: 'Daar is geen God, die rekenschap zal vragen.' Zijn wegen zijn voorspoedig al zijn dagen. 3 Hij is zo blind, dat hij geen oordeel ziet. Hij raast als hij zich ziet in 't nauw gebracht. Zijn boze hart zegt hem: 'Ik wankel niet, mij treft geen ramp tot in het verst geslacht.' Zo snoeft de snoodaard in zijn brute kracht. Hij vult zijn mond met onrecht, vloek en leugen en hij geniet van 't kwaad met volle teugen. 4 Hij ligt in hinderlaag, belust op moord. Hij wacht en loert, totdat hij iemand ziet. Door 't struikgewas sluipt hij behoedzaam voort, zoals een leeuw, die fel zijn prooi bespiedt. Dan springt hij toe, zijn klauwen missen niet, de zwakken vallen in zijn sterke poten. Zo wordt door hem onschuldig bloed vergoten. 5 Hij denkt: 'God sluit voor mijn gedrag zijn oog, ja, Hij vergeet het tot in eeuwigheid.' Sta op, o HEER, hef nu uw hand omhoog, bewijs de zwakken uw barmhartigheid. Hoe smaadt de lasteraar Gods majesteit en durft hij in zijn hart hoogmoedig spreken: 'God wendt Zich af - Hij zal het nimmer wreken.' 6 Maar U, o HERE, die dit hoort en ziet: sla neer in toorn, wie tegen U zich kant. U kent al onze zorg en ons verdriet. Dat alles legt U in uw vaderhand. U doet de wees uw woord van trouw gestand. Red de verdrukten, breek de arm der sterken, vernietig hen, die enkel onrecht werken. 7 De HEER is koning tot in eeuwigheid. De toeleg van de volken is verstoord. Hij heeft met eigen hand zijn land bevrijd. De wens der vromen hebt U, HEER, gehoord. U sterkt hun hart, uw oor let op hun woord, om recht te doen aan armen en aan wezen. Nooit zal een sterveling hen nog doen vrezen. Psalm 11 : 1-3 1 De HERE is mijn toevlucht en mijn sterkte. Hoe durft u dan te zeggen tegen mij: Vlucht als een vogel snel naar uw gebergte, ver van het kwaad zult u daar veilig zijn. Zie, goddelozen spannen reeds de koorden, schikken de pijl en sluipen naderbij, om in het donker vromen te vermoorden. 2 Wat kunnen, als het recht hier wordt vertreden, de grondslag van het recht niet meer bestaat, rechtvaardigen beginnen hier beneden? Wie is voor hen een hulp, een toeverlaat? De HERE in zijn hoog paleis zal tonen dat Hem vanaf zijn troon geen ding ontgaat. Zijn blik doorgrondt hen die op aarde wonen. 3 De HERE toetst rechtvaardigen en bozen. Hij haat hartgrondig wie geweld bemint. Met vuur en zwavel treft Hij goddelozen en zendt als straf een schroeiend hete wind. Rechtvaardig is de HEER, mijn vast vertrouwen, die in gerechtigheid zijn vreugde vindt. Oprechten zullen zijn gelaat aanschouwen. Psalm 12 : 1-5 1 Breng redding, HEER, de vroomheid is geweken. Geen mens is trouw; elk is een leugenaar. Met gladde tong hoort men ze leugens spreken, met vleierij bedriegen zij elkaar. 2 Laat God de lippen van de vleiers treffen, de grootspraak doen verstommen van wie zegt: 'Wie waagt het tegen ons zich te verheffen? Ons woord is wet, wij zijn van niemand knecht.' 3 'Nu zal Ik opstaan', spreekt de HEER der heren, 'om wat zij armen hebben aangedaan. Ik zal het lot van de verdrukten keren. Ik red hen uit. Hun klacht heb Ik verstaan.' 4 Gods mond alleen spreekt woorden die niet falen, zuivere woorden, onvervalst en klaar, als zilver dat de smeltkroes zeven malen gelouterd heeft. Al wat God spreekt is waar. 5 Laat de geweldenaars op aarde woeden. Al neemt steeds meer hun valsheid overhand, Gij HEER, houdt ons voor immer in uw hoede. Gij zijt getrouw, uw woord doet Gij gestand. Psalm 13 : 1-4 1 Hoe lang, o HEER, vergeet Gij mij? En tot hoe lang, mijn God, houdt Gij uw aangezicht voor mij verborgen, blijf ik nog eenzaam in mijn zorgen? Hoe lang gaat Gij aan mij voorbij? 2 Hoe lang, o HERE, zal mijn hart nog zijn vervuld van zorg en smart? Zie, vol ellende zijn mijn dagen. Hoe lang zal mij mijn vijand plagen, die in zijn overmoed mij tart. 3 HEER, antwoord mij, verlicht mijn oog, dat ik niet inslaap in de dood! Geef niet mijn vijand stof tot smalen. Laat hem niet juichend zegepralen. Val ik - zijn vreugde is zeer groot. 4 Toch, HEER, ik zal niet ondergaan, op U blijft mijn vertrouwen staan. Ik wil van uw verlossing zingen en danken voor uw zegeningen: Gij, HERE, hebt mij welgedaan. Psalm 14 : 1-5 1 De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. De mensen zijn bedreven in het kwade, zij plegen niets dan gruwelijke daden; niemand doet goed en ieder drijft de spot met Gods gebod. 2 Hoog uit de hemel ziet de HERE neer of iemand wijs is, luistert naar zijn spreken. Zij allen zijn ontaard en afgeweken, er is niet één die Hem erkent als Heer, nee, niemand meer. 3 Zal dan dit boos geslacht het nooit verstaan? Hoe kunnen zij in kwaad-doen vreugde vinden, zij die mijn volk, als at men brood, verslinden? De naam des HEREN roepen zij niet aan, vol eigenwaan. 4 Daar overvalt de schrik hen onverwacht, want God staat zijn rechtvaardigen terzijde. Hun toevlucht is de HEER te allen tijde; hoeveel verdrukking hen dan ook nog wacht, Hij is hun kracht. 5 O HERE, toon uw macht aan Israël! Kom toch van Sion uit uw volk bevrijden. Wendt U zijn lot, dan zal het zich verblijden: dan jubelt Jakob, ja, heel Israël prijst uw bestel. Psalm 15 : 1-4 1 HEER, wie mag wonen in uw tent, wie op uw heilge berg verkeren? Die recht doet en uw wet niet schendt, in heel zijn wandel U erkent en waarheid in zijn hart wil eren. 2 Hij die zich wacht voor lasterpraat, wiens tong vermijdt bedrog te plegen, zijn vrienden niet bedreigt met kwaad, zijn naaste niet belaadt met smaad, maar hem in liefde is genegen. 3 Die een nietswaardig mens veracht, maar eert hen die de HERE vrezen, voor 't breken van de eed zich wacht en wat hij zweert ook trouw betracht, al zou het tot zijn schade wezen. 4 Wie mag verkeren in uw tent? Hij die geen woekerwinst wil vragen, onschuldigen bescherming schenkt, om een geschenk hun recht niet krenkt. Hij zal niet wanklen al zijn dagen. Psalm 16 : 1-5 1 Bewaar mij, HEER, mijn toeverlaat zijt Gij! Ik zeg tot U: Gij zijt mijn God, mijn Here. Ja, buiten U is er geen goed voor mij, er is geen ander die ik wil vereren. Mijn blijdschap is uw heilig volk op aarde: hen acht ik hoog, hen houd ik steeds in waarde. 2 Hoe worden zij door smart op smart verteerd die om de gunst van andre goden vragen. Hun offerdienst, bij hen zo hoog geëerd, begeer ik niet, ik kan die niet verdragen. Hoe zou ik ooit in vreemde goden roemen? Mijn lippen zullen zelfs hun naam nooit noemen. 3 Getrouwe HEER, Gij zijt mijn enig goed, Gij zijt mijn heil, mijn erfdeel en mijn beker. Wat Gij mij toeweest, wordt door U behoed, ik weet bij U mijn toekomst eeuwig zeker. Het meetsnoer viel voor mij in schone dreven: het erfdeel tot bekoring mij gegeven. 4 Ik prijs de HEER, die mij heeft onderricht, mijn hart blijft mij ook 's nachts nog inzicht geven. Ik stel de HEER steeds voor mijn aangezicht en wankel niet, want Hij beschermt mijn leven. Dus zal ik juichend U mijn vreugde tonen, ja, zelfs mijn vlees zal immer veilig wonen. 5 Gij, die mijn ziel van dood en graf bevrijdt, behoedt mij als uw gunstgenoot voor 't sterven: ik zal, door U op 't levenspad geleid, de vreugde van uw aangezicht beërven. Voor immer zal uw rechterhand bevatten een overvloed van kostelijke schatten. Psalm 17 : 1-7 1 Hoor naar een rechte zaak, o, HEER, sla acht op wat mijn lippen smeken, die onbedrieglijk tot U spreken en buig U tot mijn bidden neer. Kom met uw oordeel van den hoge, laat uitgaan van uw aangezicht het woord dat mij rechtvaardig richt, want al wat recht is, zien uw ogen. 2 Toets Gij mijn hart tot in de nacht, beproeft Gij mij, niets vindt Gij, HERE. Wat ik bedenk of mag begeren, ik geef op al mijn woorden acht. Ik volgde niet de boze paden door de geweldenaar bedacht, maar heb mij naar uw woord gewacht voor al hun goddeloze daden. 3 Mijn voeten bleven in uw spoor en nimmer wankelden mijn schreden. Ik roep U aan in mijn gebeden, want Gij, o God, geeft mij gehoor. Maak wonderbaar uw gunstbewijzen, hoor hen die Gij voor tegenstand doet schuilen bij uw rechterhand en U als hun verlosser prijzen. 4 Wil mij als appel van uw oog voor 't goddeloos geweld bewaren, beschaduwd door uw vleugels sparen voor hen wier hals nooit voor U boog. Zij volgen mij, belust op moorden, door doodsgevaar ben ik benard. Zij sluiten toe hun vette hart en zijn hovaardig in hun woorden. 5 Wij zijn omringd waar wij ook gaan, zij willen ons ter aarde werpen. Als leeuwen die hun klauwen scherpen, begeren zij ons neer te slaan. O God, mijn God, wil uitkomst geven! Gelijk een jonge leeuw bij nacht gedoken in een schuilhoek wacht, zo loert de vijand op mijn leven. 6 Sta op, HEER, treed hem tegemoet en doe hem bukken, doe hem beven, red met uw blinkend zwaard mijn leven van hem die goddeloosheid doet. Bevrijd mij van de mannen, HERE, wier hart bij deze wereld is, die, spottend met uw erfenis, dit leven als hun deel begeren. 7 Verzadig wie naar weelde smacht met wrange vruchten heel zijn leven; wil die ook aan zijn zonen geven en voed daarmee hun nageslacht. Maar ik zal U, naar mijn begeren, aanschouwen in gerechtigheid. Als ik ontwaak, word ik verblijd: verzadigd met uw beeld, o HERE! Psalm 18 : 1-15 1 Ik heb U lief van ganser harte, HERE. Gij immers zult het onheil van mij weren. Gij zijt mijn steenrots, mijn bevrijder, Gij, Gij zijt een muur, een vestingwal om mij. Mijn God, mijn schild, mijn schuilplaats in gevaren, mijn rots die mij beschermt en blijft bewaren, o hoorn des heils, U loof ik voor altijd, ik roep het uit, want Gij hebt mij bevrijd. 2 Met banden van de dood was ik omgeven, dood en verderf verstikten mij het leven; toen zocht ik in mijn angst Gods aangezicht. Hij hoorde mij van waar Hij woont in 't licht. Toen werd God toornig en de landen dreunden, de bergen daverden, de aarde kreunde. Gods adem rookte, zijn verbolgen mond ontstak een vuur, dat onverhoeds verslond. 3 Hij daalde neer in wind en wilde luister, rondom zijn voeten woelden storm en duister. Hij zweefde op een cherub en Hij vloog op vleuglen van de stormwind van omhoog, het duister als een mantel omgeslagen, door waatren en door wolken voortgedragen. Hij zond een hagelstorm en bliksemlicht als boden voor zijn blinkend aangezicht. 4 Toen deed een donderslag de hemel beven, verschrikkelijk heeft God zijn stem verheven. Hij schoot zijn pijlen uit de hoge lucht, zijn bliksem joeg de vijand op de vlucht. Gij deedt het hart der aarde bovenkomen, Gij bracht aan 't licht de beddingen der stromen, ja, rampen troffen land en stroomgebied, 't is door uw adem, door uw toorn geschied. 5 God boog Zich neer, zijn hand heeft mij gevonden Toen mij de waatren aan de lippen stonden. Hij redde mij, toen 's vijands overmacht mij totterdood in d' engte had gebracht. Te kwader ure traden zij mij tegen, maar God geleidde mij op goede wegen, maakte ruim baan hoezeer ik werd benauwd. Hij is het die in liefde mij behoudt. 6 De HEER heeft mij vergolden naar mijn daden, omdat ik nooit geheuld heb met het kwade, omdat ik steeds zijn wegen ben gegaan, omdat ik naar zijn wetten heb gedaan. Al zijn bevelen stonden mij voor ogen, zijn wetten die het kwade niet gedogen. Ja, ik heb onberisplijk dag en nacht mij voor de ongerechtigheid gewacht. 7 De HEER heeft mij vergolden naar mijn daden, mijn reine handen en mijn rechte paden. Getrouw zult Gij voor de getrouwe zijn, goed voor de goede, voor de reine rein. Wie wel doet aan Gods knechten, aan Gods zonen, zult Gij als knecht, zult Gij als zoon belonen. Maar wie zich afwendt en uw stem niet hoort, Gij treedt hem tegen met uw toornig woord. 8 Gij immers zult het arme volk verhogen, en Gij vernedert, HEER, de trotse ogen. Gij zijt mijn licht, de lamp die voor mij schijnt, waarvoor de dichte duisternis verdwijnt. Met U durf ik mij in de strijd te wagen, de legerbenden op de vlucht te jagen. Met U ga ik door water en door vuur, en met mijn God spring ik over een muur. 9 Alleen Gods weg kan tot het doel geleiden, zijn woord is waar en zuiver t' allen tijde. Hij is een schild, een schuilplaats in de strijd, voor al wie bij Hem zoekt naar veiligheid. Want wie is God, dan deze onze HERE? Wie is de rots die alles kan trotseren? Alleen die God die mij met kracht omgordt, bij wie mijn levenspad een heilsweg wordt. 10 Hij maakt mijn voeten licht als die der hinden en doet ze op de steilt' een steunpunt vinden. Hij is mijn oefenmeester van omhoog, door Hem geschoold span ik de koopren boog. Omdat Gij mij het schild uws heils wilt reiken, zal ik door U gesteund voor niemand wijken. Als Gij U tot mij wendt en mij geleidt word ik een held geharnast in de strijd. 11 Uw grote kracht bevleugelde mijn schreden, met vaste gang kon ik in 't strijdperk treden. De vijand joeg ik rustloos na, totdat ik hem vernietigend geslagen had. Ik sloeg hen neer, dat zij niet opstaan konden, zij vielen voor mijn voeten wijd in 't ronde. Zo hebt Gij mij ten strijd gegord met kracht, 't opstandig volk doen bukken voor mijn macht. 12 Gij hebt mijn vijand op de vlucht gedreven, ik heb verdelgd wie stonden naar mijn leven. Zij zochten hulp, geen mens koos hun partij, riepen tot God. Die zweeg en streed voor mij. Mijn leger joeg de vijand voor zich henen, hij werd vermaald als tussen molenstenen. Stof in de wind werd ieder die mij haat, ik vaag hen weg zoals het slijk der straat. 13 Gij hebt mij boven burgertwist verheven en vreemde volken in mijn hand gegeven. Nauwelijks hadden zij van mij gehoord, of bevend bogen zij zich voor mijn woord. Zij smeekten mij om hen niet te vertreden, zij vleiden mij, zij jammerden om vrede. Zij kwamen uit hun sterke vestingwal, het verste volk zelfs maakt' ik tot vazal. 14 De HERE leeft en zij alleen geprezen. Hij is mijn rots en ik heb niets te vrezen. Hij is de God die mij voldoening geeft en volken aan mij onderworpen heeft. Hij heeft het altijd voor mij opgenomen, Hij deed mij aan mijn vijanden ontkomen. Van haat en opstand hebt Gij mij bevrijd en mij verlost van der tirannen nijd. 15 Ik loof U, HEER, ik loof uw zegeningen, onder de volken zal ik psalmen zingen. De HEER heeft mij gered uit elk gevaar. Hoe groot, hoe onuitspreeklijk wonderbaar! Hij die zijn koning met zijn glorie kroonde, zijn grote trouw aan zijn gezalfde toonde, zal door de tijden met ons verder gaan, met David en zijn huis nu en voortaan. Psalm 19 : 1-6 1 Het ruime firmament maakt wijd en zijd bekend Gods werk en grote macht. De dag meldt aan de dag al wat Gods hand vermag; de nacht zegt dit de nacht. Dit wonderschoon verhaal klinkt niet in mensentaal, verbreidt zich zonder woorden. Toch gaat, naar Gods besluit, daarvan een boodschap uit tot in de verste oorden. 2 Aan 's hemels hoog gewelf wees eens de Schepper zelf de zon een woning aan. Zoals een bruidegom blij uit zijn kamer komt, gaat hij zijn wijde baan. Hij jubelt als een held, die juichend voorwaarts snelt; zo rijst hij elke morgen. Hij trekt zijn vaste spoor tot aan de einder door: zijn gloed laat niets verborgen. 3 Volkomen is Gods woord. 't Verkwikt elk die het hoort en deze wet begeert, daar Gods getuigenis hem die nog inzicht mist, de ware wijsheid leert. Hoort naar het woord van God. Volmaakt is zijn gebod, betrouwbaar, rein en heilig. Zijn woord, dat ons verlicht en onze voeten richt, geleidt ons vast en veilig. 4 De dienst van God de Heer verheugt het hart steeds meer en duurt in eeuwigheid. Rechtvaardig is de wet die God heeft ingezet en die ten leven leidt. Zijn Woord, dat ons behoudt, maakt rijker dan fijn goud, is zoeter nog dan honing. Wie daarin zich verheugt, vindt in dat Woord zijn vreugd, zijn rijkdom, zijn beloning. 5 Het woord van uw vermaan neem ik gehoorzaam aan; het is mijn richtsnoer, HEER. Elk die op U vertrouwt, zich aan uw wetten houdt, zal leven tot uw eer. Maar, HEER, wie kent de maat van zijn verborgen kwaad, wie kan zichzelf doorgronden? Verlos en heilig mij, o HERE, spreek mij vrij van mijn verborgen zonden. 6 Houd alle overmoed, die mij licht struiklen doet, toch altijd ver van mij. Maak mij ootmoedig, HEER; dan leef ik tot uw eer, van grove zonden vrij. O, laat al wat ik zeg en wat ik overleg, U welgevallig wezen. U, HEER, die mij verblijdt en die mijn rotssteen zijt, verlosser, hoog geprezen! Psalm 20 : 1-5 1 Moge de HEER u antwoord geven, wanneer u wordt benauwd. Hij, Jakobs God, bewaar' uw leven, zijn naam zij uw behoud. Hij tone uit zijn tempelwoning, uit Sion zijn ontferming. De HERE sterke u, o koning, Hij schenke u bescherming. 2 Als u ten hemel heft uw handen, verhore u de HEER. Hij zie, wanneer uw offers branden, vol vreugde op u neer. Hij moge overvloedig schenken al wat uw hart zal vragen. De plannen die u zult bedenken, doe God, de HERE, slagen. 3 Uw overwinning gaan wij vieren, bejubelen uw macht. Wij heffen hoog de krijgsbanieren: Gods naam heeft grote kracht! Hij schenke u zijn rijke zegen, Hij doe naar uw begeren. Ik weet: God baant voor u de wegen en doet u triomferen. 4 De HEER geeft antwoord uit zijn woning aan zijn gezalfde knecht: zijn machtig heilswerk redt de koning, als Hij de strijd beslecht. De trotse mens mag zich beroemen op wagens en op paarden - maar wij, wij zullen krachtig roemen in 's HEREN naam op aarde. 5 Zij storten neer en zij bezwijken, getroffen door Gods hand; wij zullen met Gods hulp niet wijken, wij staan en houden stand. O HERE, wil nu aan de koning de overwinning schenken. Hij moge horen uit zijn woning, ons in zijn trouw gedenken. Psalm 21 : 1-7 1 O HEER, de koning is verblijd. Hoe juicht hij om uw sterkte, het heil dat U bewerkte. Zijn hartewens werd werklijkheid, de bede van uw knecht hebt U hem niet ontzegd. 2 U schenkt de vorst wat U belooft en treedt hem met uw zegen op al zijn paden tegen. Uw eigen hand plaatst op zijn hoofd als kostbaar eerbetoon een gouden koningskroon. 3 Hij heeft het leven U gevraagd. U hebt aan hem gegeven een onverganklijk leven. U zorgt dat hem een toekomst daagt, vol eer en majesteit, vol vreugd en heerlijkheid. 4 U bent het, HEER, die hem verblijdt; op U is zijn vertrouwen, wie hem ook mag benauwen. Want door uw goedertierenheid staat hij onwankelbaar, zelfs in het grootst gevaar. 5 Uw rechterhand verschijnt met kracht en zal uw haters vinden, uw vuur zal hen verslinden. Ja, U verdelgt hun nageslacht, zodat geen mensenkind een spoor nog van hen vindt. 6 Al wat men tegen U beraamt, is slechts een ijdel pogen: zij zullen niets vermogen. De vijand vlucht geheel beschaamd, daar U op zijn gezicht uw pijlen hebt gericht. 7 O HEER, verhef U in uw kracht. Wij zullen U dan prijzen, U altijd eer bewijzen. Bezingen zullen wij uw macht, U loven levenslang met psalm en lofgezang. Psalm 22 : 1-14 1 Mijn God, mijn God, waarom verlaat Gij mij, waarom zijt Gij tot redding niet nabij? Hoort Gij dan niet mijn bitter noodgeschrei, mijn angstig vragen? Mijn God, hoe ik bij dag ook moge klagen, Gij antwoordt niet; en ook in lange nachten vind ik geen rust, geen antwoord op mijn klachten. Hoort Gij dan niet? 2 Nochtans zijt Gij de Heilige, die troont op lofgezangen Israëls. Gij woont bij 't volk waarvan Gij U de redder toont in zijn benauwen. De vaderen, zij bleven U vertrouwen. Want in hun nood hebt Gij hen doen ontkomen, op hun geroep de dreiging weggenomen. Uw hulp was groot. 3 Ik word vertrapt, ik ben een worm, geen man, een smaad voor 't volk dat mij beschimpen kan. Al wie mij ziet, spreekt vol verachting van mijn Godsvertrouwen. 'Laat hij zijn hoop maar op de HERE bouwen. Hij roept tot God, laat die hem dan bevrijden; die redt zijn gunsteling wel uit dit lijden', zo klinkt hun spot. 4 Gij hebt, o HERE, door uw grote macht mij uit de moederschoot eens voortgebracht. Door U ontving ik liefdevol en zacht rust bij mijn moeder. Ik was bij U, mijn God en mijn behoeder, van jongsaf aan reeds veilig en geborgen. Gij hebt mij met uw vaderlijke zorgen steeds bijgestaan. 5 Haast U dan nu, o God, en sta mij bij, want grote angsten overvallen mij. Er is geen helper, HEER, behalve Gij, Verlos mijn leven. Stieren uit Basan hebben mij omgeven. Zij stormen aan, komen van alle zijden. Hoe kan ik ooit dit gruwelijke lijden alleen doorstaan? 6 Zij rukken aan met opgesperde mond. Zij gaan, als leeuwen brullend, dreigend rond. Mijn kracht vloeit weg als water in de grond. 'k Ben moegestreden. Ontwricht, uiteengerukt zijn al mijn leden. Een felle gloed verteert mijn ingewanden. Mijn hart smelt weg als was - 'k heb door dit branden geen levensmoed. 7 Mijn levenskracht is als een scherf verdroogd. Mijn tong kleeft in mijn mond, door dorst gekloofd. In 't stof des doods, het levenslicht gedoofd, doet Gij mij bukken. Rondom mij zie ik honden samenrukken. Een bende dreigt en dringt met kracht naar voren. Zij willen wreed mijn hand en voet doorboren. Mijn kracht bezwijkt. 8 Mijn beendren kan ik tellen, één voor één. Vol leedvermaak schaart men zich om mij heen. Omtrent mijn kleding komt men overeen het lot te werpen. Merk op, o God, hoe zij hun wapens scherpen. Stoot hen terneer; haast U, kom mij bevrijden. Wees mij nabij en red mij uit mijn lijden. Ontferm U, HEER. 9 Geef, HEER, dat ik verlost word uit mijn nood, niet door het zwaard van bozen word gedood. Stel toch niet aan de wilde honden bloot mijn eenzaam leven. Gij kunt in mijn ellende uitkomst geven, mij uit de macht van leeuwemuil verlossen. Bescherm mij voor de horens van de ossen. Toon mij uw kracht. 10 Gij hebt gehoord, geantwoord op uw tijd. Geprezen zij uw naam, die ik belijd. Temidden van uw volk roep ik verblijd: Groot is de HERE! U die God vreest, wilt Hem eerbiedig eren. Laat zang en spel, o Jakobs zaad, Hem prijzen, het kroost van Israël Hem dank bewijzen: God deed ons wel. 11 Gij hebt U tot uw knecht gewend, o HEER, toen hij in zijn ellende lag terneer. U was nabij, wanneer hij altijd weer vertrouwend wachtte. U wilde nooit uw knecht in nood verachten. Gij hebt voor hem uw aanschijn niet verborgen, maar hem geantwoord, toen hij in zijn zorgen verhief zijn stem. 12 Ik breng met heel de broederkring U eer. En wat ik U beloofde, telkens weer, betaal ik straks ten overstaan, o HEER, van wie U vrezen. Dan zullen armen rijk verzadigd wezen. Wie God belijdt, zal aan de dis Hem prijzen. Uw hart spring' op van vreugd bij al de spijzen, voor u bereid. 13 Dan wordt erkend de grootheid van de HEER. De hele aarde keert dan tot Hem weer. En alle volken knielen voor Hem neer met eerbewijzen. Zij zullen God als Heer der volken prijzen. Gods koninkrijk zal dan in glans verschijnen. Uit alle volken brengen Hem de zijnen hun huldeblijk. 14 Dan knielen alle rijken voor de HEER. Wie daalt in 't stof, buigt zich ook voor Hem neer en wie zichzelf in leven toch niet meer heeft kunnen houden. Het nakroost dient Hem, daar zij Hem vertrouwden. Hun nageslacht zal men zijn trouw vermelden, die nog geboren worden 't werk vertellen dat Hij volbracht. Psalm 23 : 1-3 1 De HERE wil mijn trouwe herder wezen, geen ding ontbreekt mij, ik heb niets te vrezen. Hij schenkt mij rust in frisse groene weiden, aan stromen waar zijn hand mij heen zal leiden. Hij sterkt mijn ziel, verkwikt mij met zijn zegen, leidt om zijn naam mij op de rechte wegen. 2 Zelfs in een dal vol dreigende gevaren vrees ik geen kwaad, want U zult mij bewaren. U staat mij bij in liefdevol ontfermen, uw stok en staf vertroosten en beschermen. Een rijke dis zult U mij toebereiden voor 't oog van wie mij haten en bestrijden. 3 U zalft mijn hoofd, U doet mijn blijdschap groeien en van uw heil mijn beker overvloeien. Uw rijke gunst, mij in uw trouw gegeven, verlicht mijn gang, omringt mij heel mijn leven, zodat ik in het heilig huis des HEREN mijn leven lang vol vreugde blijf verkeren. Psalm 24 : 1-5 1 De aarde is, met al wat leeft, met al wat zij aan schatten heeft, het wettig eigendom des HEREN. Want door het machtwoord van zijn mond heeft Hij de aarde hecht gegrond, haar vastgezet op zee en meren. 2 Wie klimt de berg des HEREN op? Wie mag op die gewijde top het heiligdom van God betreden? De mens die rein van hart en hand, de leugen uit zijn leven bant en geen bedrog pleegt in zijn eden. 3 De HERE heeft hem heil bereid, Hij schenkt aan hem gerechtigheid, zijn zegen doet Hij hem ontvangen. Dit is 't geslacht dat naar Hem vraagt, 't is Jakobs volk dat God behaagt. Uw aanschijn zoekt het met verlangen. 4 Omhoog, o poorten, nu omhoog! Maak hoog en wijd uw oude boog, de Vorst der eer wil binnenrijden. Wie is die Vorst, zo groot in eer? Die sterke Koning is de HEER, de HEER, geweldig in het strijden. 5 Omhoog, o poorten, nu omhoog! Maak hoog en wijd uw oude boog, want zie, Hij komt, de Vorst der ere. Wie is die Vorst, zo groot in kracht? Het hoofd van 's hemels legermacht! Hij is die Vorst, de Vorst der ere. Psalm 25 : 1-10 1 'k Hef mijn ziel in vast vertrouwen tot U op, Gij zijt mijn God. Red mij van wie mij benauwen, nu de vijand mij bespot. Nooit maakt Gij beschaamd, o HEER, wie gelovig U verwachten, maar beschaamd staan keer op keer die U trouweloos verachten. 2 HEER, wijs mij toch zelf de wegen waar mijn voeten veilig gaan; maak mijn hart ertoe genegen, die blijmoedig in te slaan. God mijns heils, naar wie ik smacht, wil mij in uw waarheid leiden, leer mij, daar ik dag en nacht U gelovig blijf verbeiden. 3 Denk aan mij in uw ontferming, HEER, waarop ik biddend pleit, want uw trouw en uw bescherming schenkt U reeds van eeuwigheid. O, gedenk de zonden niet in mijn jeugd door mij bedreven. Wilt U, die mijn schulden ziet, in uw goedheid mij vergeven. 4 God is goed en hoog te prijzen, trouw en recht is zijn beleid. Zondaars wil Hij onderwijzen in de weg der zaligheid. Wie ootmoedig luistren wil, zal de rechte paden leren, hij die nederig en stil wandelt in de weg des HEREN. 5 Louter goedheid zijn Gods paden voor wie leeft naar zijn verbond, daaraan trouw blijft en zijn daden slechts op Gods geboden grondt. Zie mij schuldig voor U staan, HEER, vergeef mijn overtreden, neem mij om uws naams wil aan, groot zijn uw barmhartigheden. 6 Wie heeft lust de HEER te vrezen, als het hoogst en eeuwig goed? God zal zelf zijn leidsman wezen, leren hoe hij wandlen moet. Hij mag uit des HEREN hand voorspoed op zijn weg verwachten. Het door God beloofde land erven ook zijn nageslachten. 7 Gods vertrouwlijk' omgang vinden zielen waar zijn vrees in woont, daar de HEER aan zijn beminden zijn verbondsgeheimen toont. Ik houd, ook in tegenspoed, steeds het oog op God geslagen, want ik weet dat Hij mijn voet redt uit alle hinderlagen. 8 Zie op mij in gunst van boven, wees mij toch genadig, HEER. 'k Heb geen kracht om U te loven, want ellende drukt mij neer. Zie mijn eenzaamheid en smart: duizend zorgen, duizend doden kwellen mijn onrustig hart; voer mij uit mijn angst en noden. 9 Sla op mijn ellenden d' ogen, zie mijn moeite, mijn verdriet, en vergeef, uit mededogen, al mijn schuld, gedenk die niet. Gun mijn vijand niet mijn val, HEER, wil mij toch niet verlaten. Zie hoe groot is zijn getal, hoe boosaardig is zijn haten. 10 Red mijn ziel, wil mij bewaren, maak mij niet beschaamd, o HEER. Bij U schuil ik in gevaren, zie op mij beschermend neer. Vroomheid en oprechtheid zij mijn geleid' in mijn ellende. Maak uw Israël weer vrij, wil uw volk verlossing zenden! Psalm 26 : 1-6 1 O, HERE, doe mij recht! In onschuld leeft uw knecht, mijn wandel is naar uw gebod. Ik blijf op U vertrouwen, op U, mijn rotssteen, bouwen; ik wankel niet, o HEER, mijn God. 2 O, HERE, toets mijn weg, beproef mijn overleg. Ik leg mijn leven voor U neer. Uw trouw en mededogen houd ik mij steeds voor ogen. Ik wandel in uw waarheid, HEER. 3 HEER, nooit heb ik geleefd met volk dat zich begeeft tot leugen en lichtzinnigheid. Ik haat het doen der bozen, de kring van goddelozen, 't gezelschap dat tot kwaad verleidt. 4 Mijn handen was ik rein, als ik voor U verschijn en zingend om uw altaar schrijd. Ik zal uw wondren noemen, met liefde zal ik roemen de woonplaats van uw heerlijkheid. 5 Laat, HEER, mij niet vergaan met hen die U weerstaan, wier hand bezoedeld is met bloed. Zij willen voor geschenken het recht der armen krenken en rijk zijn door gestolen goed. 6 Maar ik, HEER, ben uw knecht, mijn wandel is oprecht. Wees mij genadig, red mij, HEER. Ik ga op effen wegen, U prijs ik om uw zegen in uw gemeente, U ter eer. Psalm 27 : 1-7 1 God is mijn licht, mijn heil: wie zou ik vrezen? Hij is de HEER, die hulp verschaft in nood, mijn vaste burcht, ik hoef niet bang te wezen. Hij is 't die mij beveiligt voor de dood. Toen bozen mij belaagden in hun haat, bijna verslonden met hun leugenmond, was God het zelf die mij terzijde stond. Zij struikelden en vielen metterdaad. 2 Al zou mij ook een legermacht omringen, ik vrees niet, maar verlaat mij op de HEER. Al willen zij mij door de strijd bedwingen, ik steun op God en leg mij rustig neer. Sterk blijft mijn hart in nood en krijgsgevaar, want God is met mij, Hij verlaat mij niet. Hij is het die het strijdperk overziet. Zijn sterke arm helpt altijd wonderbaar. 3 Eén ding blijf ik steeds van de HERE vragen, één enkel ding, dat heel mijn hart begeert: om in zijn tempel al mijn levensdagen bij Hem te zijn, te wonen bij mijn HEER. Daar in zijn huis, waar alles spreekt van Hem, wil ik aanschouwen 's HEREN lieflijkheid, zijn schone dienst, verricht in heiligheid. Ik wil aandachtig luistren naar zijn stem. 4 Want bij de HERE ben ik welgeborgen: Hij voert mij in de schuilplaats van zijn tent. Daar ben ik veilig, Hij zal voor mij zorgen, draagt mij naar hoogten die geen vijand kent. Ik breng de HERE offers tot zijn eer. Hij heeft mijn vijand van zijn macht beroofd. In zegepraal verheft zich nu mijn hoofd. Daarom zing ik een loflied voor de HEER. 5 Hoor mij, o God, en antwoord uit genade, op uw bevel zoek ik uw aangezicht. Verberg U niet in toorn, maar sla mij gade, U bent mijn heil, mijn levenskracht, mijn licht. Al zijn van mij in tegenspoed en strijd mijn vader en mijn moeder weggegaan, toch keert U Zich niet af, maar neemt mij aan. U zorgt voor mij in mijn verlatenheid. 6 HEER, wil mij onderwijzen in uw wegen, wees mij een gids, die veilig mij geleidt. Mijn tegenstanders zien dan dat uw zegen mij hier een effen levenspad bereidt. Wees mij nabij, behoed mij in gevaar. Zie, hoe mijn vijand steeds op boosheid zint. Gedoog niet dat de leugen overwint, geef mij niet prijs aan de geweldenaar. 7 Zo ik niet had geloofd dat in dit leven mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou, mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed gebleven? Ik was vergaan in al mijn smart en rouw. Maar door Gods trouw keert mijn vertrouwen weer; in zwakheid wordt des HEREN kracht volbracht. Betoon u sterk, houd moed, geloof en wacht. Wacht dan, ja wacht, verlaat u op de HEER! Psalm 28 : 1-5 1 Ik roep tot U, mijn rots, mijn HERE! Blijf U niet zwijgend van mij keren, ik word een dode met de doden, als Gij U doof houdt voor mijn noden. Ik hef mijn hand naar waar Gij zijt, verborgen in uw heiligheid. 2 Stoot mij niet van U met de bozen, tref mij niet met de goddelozen, die heimlijk, met een mond vol vrede, de plannen van hun boosheid smeden. Doe hen naar hunner handen daad, vergeld ze naar hun eigen kwaad! 3 Omdat zij op het werk des HEREN niet letten, noch zijn daden eren, zal Hij bespotten, wat zij spreken, en wat zij bouwen zal Hij breken, dat het tot stof wordt in de wind en niemand meer hun standplaats vindt. 4 Geloofd zij God, die naar mijn woorden, mijn smeken en mijn klagen hoorde. Hij is mijn schild en mijn betrouwen, een bolwerk voor wie op Hem bouwen! Nu juicht mijn hart, nu juicht mijn stem en met mijn loflied prijs ik Hem. 5 Hij is een kracht voor al de zijnen! Hij zal hun tot een hulp verschijnen en zijn gezalfde tot een zegen! Verlos uw erfdeel allerwegen! Uw eigendom, o HERE, weid en draag het tot in eeuwigheid! Psalm 29 : 1-5 1 Hemelingen, buigt u neer, geeft de HERE kracht en eer, geeft de HERE heerlijkheid, looft zijn naam en majesteit. Looft Hem om zijn grote daden, dient Hem in uw feestgewaden. Komt u voor de HERE buigen, hulde aan uw God betuigen. 2 Machtig is des HEREN stem, wateren weerkaatsen hem. Door de God der heerlijkheid klinkt de donder wereldwijd. Boven het geweld der meren klinkt de sterke stem des HEREN, want des HEREN stem is krachtig, vol van luister, groots en machtig. 3 Hoort zijn stem, die bomen velt, ceders breekt met zijn geweld. Als een kalf danst Libanon, als een woudos de Sirjon. 's HEREN stem splijt zware stammen, bliksem doet het hout ontvlammen. De woestijnen doet Hij dreunen, Kades' wildernissen kreunen. 4 Door de kracht van 's HEREN woord brengen hinden jongen voort. 't Woud wordt van zijn schors ontdaan, niets kan Gods geweld weerstaan. Maar in zijn verheven woning zal een ieder aan de Koning lof en heerlijkheid bewijzen en Hem om zijn grootheid prijzen. 5 God, de HERE, troont voorgoed op de grote watervloed. Hij is Koning voor altijd, ja, Hij heerst in eeuwigheid. Want de HERE is almachtig, maakt zijn volk zijn gunst deelachtig. Hij schenkt kracht en op hun bede zegent Hij zijn volk met vrede. Psalm 30 : 1-7 1 U zal ik loven, trouwe HEER, ik kreeg van U het leven weer. U was het, die mij uitkomst bood, mij optrok uit mijn diepe nood. Mijn vijand kon zich niet verblijden, geen vreugde scheppen in mijn lijden. 2 Mijn God, U hebt mij op mijn klacht genezen en mijn leed verzacht. U hebt mij aan de dood ontrukt, 'k ga onder smart niet meer gebukt. U hebt het leven mij gegeven en mij aan dood en graf ontheven. 3 Psalmzingt, wie 's HEREN gunst geniet. Zijn naam zij heilig in uw lied. Maakt korte tijd zijn toorn u bang, zijn liefde duurt uw leven lang. De avond daalt met angst en klachten, de ochtend zal met vreugd u wachten. 4 Ik dacht, door overmoed misleid: Ik wankel niet in eeuwigheid. Uw gunst, o HEER, die mij bewaakt, had zelf mijn berg rotsvast gemaakt. Toen hebt Gij uw gelaat verborgen: ik werd vervuld van schrik en zorgen. 5 Ik riep tot U met heel mijn hart: Ontferm U, HEER, gedenk mijn smart. Wat zou de winst zijn van mijn dood, als boven mij het graf zich sloot? Kan ooit het stof uw grootheid prijzen, zal dat uw trouw soms eer bewijzen? 6 Hoor, HERE, let op mijn gebed, wees mij een helper die mij redt. Ik zoek uw aangezicht, o HEER, schenk mij uw trouw en liefde weer. Toon mij uw gunst en wees weldadig, kom mij te hulp, hoor mij genadig. 7 U hebt mijn rouwklacht en geschrei veranderd in een blijde rei. Mijn rouwkleed hebt U weggedaan, een vreugdekleed deed U mij aan. Zo klinkt, o HEER, mijn psalm naar boven. Mijn God, U zal ik altijd loven. Psalm 31 : 1-14 1 Bij U, o HEER, zoek ik bescherming. Beschaam mijn hoop dan niet, als U mijn noden ziet. Hoor mijn gebed en toon ontferming. Wil uitkomst mij bereiden, mij naar uw recht bevrijden. 2 Wees mij een schuilplaats in gevaren, een toevlucht in mijn leed, waar ik mij veilig weet. U zult mij leiden en bewaren, behoeder van mijn leven, mijn steenrots, hoog verheven. 3 HEER, U maakt los de sterke banden en trekt mij uit het net, verborgen uitgezet. Mijn geest beveel ik in uw handen. U, HERE, wilt uit lijden mij door uw trouw bevrijden. 4 De afgodsdienaars zal ik haten. Mijn toevlucht is de HEER, die ik met blijdschap eer. U hebt mij nooit, o God, verlaten. U zag al mijn ellende, toen niemand mij meer kende. 5 U hebt geweten van mijn zuchten. U hebt mijn ziel gespaard, mij wonderlijk bewaard. Nu ik de vijand mocht ontvluchten, zult U mij verder leiden, U, die mijn voet bevrijdde. 6 Wees mij genadig in gevaren, daar ik van angst en pijn benauwd ben en verkwijn. In smart vervliegen al mijn jaren. Mijn schuld doet mij bezwijken, ik voel mijn krachten wijken. 7 Ik word gesmaad door wie mij haten. Ik ben, waar ik mij wend, een schrik voor wie mij kent. Ik word gemeden op de straten, voor dood verklaard, vergeten, als scherven weggesmeten. 8 Ik hoor hoe velen samenspannen. Zij sluiten zich aaneen, staan dreigend om mij heen. Mijn dood is 't oogmerk van hun plannen. Maar ik blijf op U bouwen, op U, mijn God, vertrouwen. 9 'k Weet in uw vaderhand mijn tijden. Red mij uit 's vijands hand en breek zijn tegenstand. Laat uw gelaat mij weer verblijden. Wil mij verlossing geven. Uw trouw doet mij herleven. 10 Beschaam mij niet na al mijn smeken. Breng bozen door uw straf tot zwijgen in het graf. Beschaam wie leugenachtig spreken, wie vromen trots bestrijden, bespotten in hun lijden. 11 Hoe groot is 't goed dat U wilt geven aan elk die U bemint, bij U zijn toevlucht vindt. Dit goed bewerkt U in het leven van hen die U verhogen voor aller mensen ogen. 12 U wilt voor hen een schuilplaats wezen, verbergt hen in het licht nabij uw aangezicht, waar zij geen kwaad van bozen vrezen, een hut waarin zij 't woelen van twist en strijd niet voelen. 13 Geloofd zij God, die zijn genade mij wonderlijk bewees in dodelijke vrees. Ik dacht: U slaat mij niet meer gade. Maar U liet op mijn smeken uw bijstand niet ontbreken. 14 Bemint de HEER, Gods gunstgenoten, Hem, die getrouwen hoedt, maar trotsen boeten doet. Weest sterk, Hij zal u niet verstoten. Want Hij geeft nieuwe krachten aan wie de HEER verwachten. Psalm 32 : 1-5 1 Welzalig hij wiens zonde is vergeven, die van de straf genadig is ontheven, wiens overtreding, die hem had bevlekt, voor 't heilig oog des HEREN is bedekt. De HERE rekent hem niet toe zijn zonden, de ongerechtigheid, in hem gevonden. Welzalig hij die zo bevrijd van schuld, geen onoprechtheid in zijn geest meer duldt. 2 Zolang ik zweeg verteerden al mijn krachten, ik klaagde luid, niets kon mijn pijn verzachten. Want dag en nacht lag zwaar op mij Gods hand, mijn merg verdroogde als in zomerbrand. Maar ik bekende U oprecht mijn zonden, verborg geen kwaad dat in mij werd gevonden. En toen ik dit beleed voor uw gezicht, sprak U mij vrij van schuld in uw gericht. 3 Laat tot U komen elk van uw beminden ten tijde, HERE, dat U Zich laat vinden. Ook als een vloedgolf hem dreigt neer te slaan, hoe hoog ze komt, zij raakt hem zelfs niet aan. U bent voor mij een schuilplaats in gevaren en voor benauwdheid zult U mij bewaren. U hebt met jubelzangen mij omringd, nu al uw volk van uw verlossing zingt. 4 Hoor naar mijn raad, ik zal u inzicht geven en onderrichten in de weg ten leven. Ik leer u op de rechte paden gaan, terwijl mijn ogen u steeds gadeslaan. Wil in uw trots niet langer tegenstreven, zoals een paard, door koppigheid gedreven, of als een muildier in zijn onverstand: met toom en bit bedwingt hen 's mensen hand. 5 Laat toch geen dwang voor u ooit nodig wezen, wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen. Maar wie op Hem vertrouwt en schuld belijdt, omringt Hij met zijn goedertierenheid. Verheugt u in de HERE, alle vromen, u mag tot God met grote vreugde komen. Rechtvaardigen, weest in de HEER verblijd en zingt Hem lof in alle eeuwigheid! Psalm 33 : 1-8 1 Zingt vrolijk, looft de naam des HEREN, rechtvaardigen, brengt God uw dank. Het past oprechten Hem te eren met een nieuw lied bij citerklank. Laten stem en snaren tot die lof zich paren. Looft Hem, prijst de HEER. Psalmzingt, jubelt allen, laat bazuinen schallen, juichend tot Gods eer. 2 Het woord des HEREN is waarachtig. God is getrouw in wat Hij doet. Zijn recht is rein, zijn oordeel krachtig. Hij eist oprechtheid van gemoed. Ieder moet Hem eren, want de gunst des HEREN is alom verspreid. Overal aanschouwen zij die op Hem bouwen, zijn goedgunstigheid. 3 God sprak en op zijn woord ontstonden de hemelen en al hun heer. Hij heeft de watervloed gebonden, legt die in voorraadkamers neer. Wie op aarde leven, moeten voor Hem beven. Hij spreekt, zie, het staat. Hij gebiedt en 't is er. Niets is er gewisser dan des HEREN raad. 4 Al wat de volken ook bedenken, de HEER verbreekt hun aller raad. Maar niemand kan Gods raad ooit krenken, die over alle tijden gaat. Zalig wie Hem eren, 't volk voor wie de HERE God der goden is; 't volk dat Hij tevoren voor Zich heeft verkoren als zijn erfenis. 5 De grote Schepper aller dingen beziet vanuit het hemels licht de gang van alle stervelingen, niets is bedekt voor zijn gezicht. Hij vormt alle harten, kent hun vreugd en smarten, weet hoe mensen zijn. Hij doorgrondt hun daden, weet wat zij beraden, kent hen, groot en klein. 6 Geen koning kan zichzelf bevrijden door legermacht of door geweld. Geen paard, hoe sterk ook bij het strijden, geeft overwinning aan een held. Maar het oog des HEREN ziet hen die Hem eren, 't volk dat Hem verwacht. Allen die Hem vrezen, zal Hij altijd wezen tot een steun en kracht. 7 Zijn sterke arm beschermt de vromen, God redt hun zielen van de dood. Hij zal hen nimmer om doen komen, zelfs niet in tijd van hongersnood. In de grootste smarten blijven onze harten In de HEER gerust. 'k zal Hem nooit vergeten, Hem mijn helper heten, al mijn hoop en lust. 8 Laat ons des HEREN lof ontvouwen. In Hem verblijdt zich ons gemoed, omdat wij op zijn naam vertrouwen, die naam, zo heilig, groot en goed. Zend o grote Koning, uit uw hemelwoning uw genade neer. Wij, die U belijden, ons in U verblijden, hopen op U, HEER. Psalm 34 : 1-8 1 Ik zing voor God, de HEER. Hem prijs ik al mijn levenstijd. In Hem, wie ik mijn loflied wijd, is al mijn roem en eer. Hoor blij mijn zingen aan, u, die ootmoedig bent in nood. Kom, maak met mij de HERE groot en prijs zijn grote naam. 2 Hem zocht ik in gebed. Hij heeft geantwoord op mijn klacht. Uit al wat mij verschrikking bracht heeft mij de HEER gered. Zij slaan op Hem het oog, de vreugde straalt van hun gelaat. Wie in benauwdheid tot Hem gaat verlost Hij van omhoog. 3 Des HEREN Engel schaart zich als een grote legermacht rondom hem die Gods wil betracht: zo is hij wèlbewaard. Proeft allen en aanschouwt de goedheid van Gods vaderhart. Gezegend wie in nood en smart alleen op Hem vertrouwt. 4 Vrees God, de HEER, die leeft, u die aan Hem bent toegewijd. Want wie Hem vreest ontvangt altijd al wat hij nodig heeft. Een jonge leeuw vol moed, lijdt wel ontbering telkens weer, maar wie 't verwacht van God de HEER, mist nimmer enig goed. 5 Hoort, kinderen, mijn woord, dat u des HEREN vreze leert: als u het goede deel begeert en 't leven u bekoort, houdt dan, hoe het ook ga, uw tong in toom, pleegt geen verraad. Maar doet het goede, haat het kwaad en jaagt de vrede na. 6 God neemt oprechten aan, toont hun zijn vriendelijk gelaat. Maar wie zich toelegt op het kwaad doet Hij voorgoed vergaan. Zie, elk die in gebed Hem aanroept, pleitend op zijn woord, wordt zeker door de HEER verhoord en uit zijn nood gered. 7 De HERE God geneest hen die gebroken zijn van hart en Hij verlost van zorg en smart hun diep verslagen geest. Veel rampspoed, zorg en strijd ontmoet de vrome keer op keer, maar altijd redt Hem God de HEER, die veilig hem geleidt. 8 Gods kind kan veilig gaan, wordt voor verbrijzeling behoed, terwijl de goddeloze boet voor wat hij heeft gedaan. Verlossing is bereid voor hem die op de HEER vertrouwt, zodat hij straks zijn God aanschouwt, van schuld en straf bevrijd. Psalm 35 : 1-13 1 Twist met mijn twisters, HERE God. Stel mijn bestrijders tot een spot. Grijp naar uw schild om mij te dekken, wil mij aan hun geweld onttrekken. O God, bied sterke tegenstand, neem speer en strijdbijl in uw hand, versla de vijand, spreek tot mij: Ik zorg voor u, Ik maak u vrij. 2 Beschaam hen in hun trotse waan, die mij steeds naar het leven staan. Geef, dat zij, achterwaarts gedreven, straks schaamrood staan. HEER, doe hen beven. Laat, wie op boze listen zint, als kaf verstuiven door de wind. Ontbied daartoe uw Engel, HEER, en stoot door Hem de vijand neer. 3 Maak dat zijn weg door duisternis en gladheid onbegaanbaar is, dat hij uw grote toorn moet duchten, wanneer uw Engel hem doet vluchten. Want zie hoe hij mij steeds belaagt en zonder oorzaak op mij jaagt. Zie hoe hij mij een val bereidt en voor mijn voet zijn netten spreidt. 4 Snel moge hij ten onder gaan. Wil, HERE, onverhoeds hem slaan. Verwar hem in zijn eigen netten, die hij in het verborgen zette. Dan klimt tot U mijn jubelzang en loof ik U mijn leven lang. De HERE heeft mijn ziel bevrijd, Hij heeft mij grote vreugd bereid. 5 Heel mijn gebeente geeft U eer. Wie is aan U gelijk, o HEER? U, die de zwakken wilt ontrukken aan wie hen harteloos verdrukken. U hebt de armen trouw bewaard voor wie hen dreigden met het zwaard. Valse getuigen vragen wreed naar zaken waar ik niet van weet. 6 Zij die belust zijn op mijn bloed vergelden mij slechts kwaad voor goed. Zij kwamen al mijn vreugde doven door mij van kindren te beroven. Maar werden zij bezocht met leed, dan was een rouwgewaad mijn kleed. Ik bad en vastte dag aan dag wanneer ik hen in moeite zag. 7 Ik heb om hen mijn kleed gescheurd als één die om zijn broeder treurt, die om zijn moeder rouw moet dragen, zó was ik door hun leed verslagen. Maar toen ik neerviel, lachten zij, zij dromden samen tegen mij. Ik werd belasterd en geplaagd, door onbekenden wreed belaagd. 8 Luid klinkt de goddeloze spot van hen die opstaan tegen God, Zij knarsen tegen mij hun tanden en wrijven zich al in de handen. Hoe lang ziet U mijn lijden aan, blijft U, o HEER, terzijde staan? Als leeuwen gaan zij fel te keer. Breek toch hun macht, verlos mij, HEER. 9 Ik zal met grote dankbaarheid in aller tegenwoordigheid uw naam en grote daden prijzen, met heel uw volk uw lof doen rijzen. Maar zie hoe mij mijn vijand tart. Laat hem niet juichen om mijn smart. Laat hem niet in zijn trotse waan vol haat op mij de ogen slaan. 10 Zij spreken van de vrede niet, maar zijn slechts uit op mijn verdriet. En tegen stillen in den lande beramen zij bedrog en schande. Zij roepen honend tegen mij hun woorden vol van spotternij. Zij zien met grote vreugde aan wat zij mij hebben aangedaan. 11 U ziet toch ook dit alles, HEER. Houd U niet ver en zwijg niet meer. Ontwaak, mijn God, schenk mij bescherming en voer mijn rechtszaak, toon ontferming. Richt mij naar uw gerechtigheid. Verschijn, HEER, in uw majesteit. Verhinder dat de vijand lacht. Merk op mijn leed en hoor mijn klacht. 12 Dat zij niet zeggen in hun waan: Nu is aan onze wens voldaan. Laat dit nooit klinken uit hun monden: Wij hebben hem dan toch verslonden. Trek hun het kleed der schande aan om al de smaad, mij aangedaan. Dan kan mijn trotse weerpartij ook niet meer pralen tegen mij. 13 Laat vromen juichen, trouwe HEER, geef, dat zij zingen U ter eer, die mijn rechtvaardiging verlangen. Dan klinken blij hun lofgezangen: Groot is de HERE, onze God. Hij schenkt zijn knecht een heilrijk lot. Dan looft mijn tong de hele dag uw recht, o HEER, met diep ontzag. Psalm 36 : 1-3 1 De zonde spreekt haar vleiend woord, waarnaar de boze gaarne hoort, want hij wil God niet vrezen. 't Is enkel kwaad wat hij beoogt. Hij denkt dat God het wel gedoogt en niet vertoornd zal wezen. Zijn mond is vol gemeen bedrog, ook 's nachts beraamt hij 't onheil nog, hij weigert goed te handlen. De zonde lokt hem al maar voort; dit is de weg die hem bekoort: hij wil in 't kwade wandlen. 2 Uw goedheid, HEER, is hemelhoog, uw trouw reikt tot de wolkenboog, uw recht is hoog verheven. Uw oordeel is onpeilbaar diep, U, HERE God, die alles schiep, houdt mens en dier in leven. Groot is uw goedheid, trouwe God! Ja, mensenkindren vluchten tot de schaduw van uw vleuglen. Wie bij U woont, HEER, heeft het goed. U laaft hem met uw overvloed: een stroom van louter vreugden. 3 Bij U, HEER, is de levensbron, uw licht doet, klaarder dan de zon, ons 't ware licht aanschouwen. Bestendig uw gerechtigheid, uw gunst en goedertierenheid, voor wie op U vertrouwen. Bewaar mij voor de trotse voet, verhinder dat ik vluchten moet voor goddeloze handen. Maar zie, de bozen storten neer en opstaan kunnen zij niet meer: zij sterven in hun schande. Psalm 37 : 1-16 1 Wees niet jaloers op hen die onrecht plegen, vreugd in het kwaad bedrijven duurt maar kort. Zie niet afgunstig naar verboden wegen, want zondaars zijn als gras dat weer verdort. Zij zijn als kruid dat bloeit door frisse regen, maar dan verwelkt en snel vernietigd wordt. 2 Blijf aan de HEER uw wegen toevertrouwen, verheug u in uw God, bewoon het land, wees Hem getrouw, Hij zal uw toekomst bouwen. Doe steeds wat goed is, want zijn trouw houdt stand! Al wat uw hart begeert, zult u aanschouwen, Hij zorgt voor u en leidt u door zijn hand. 3 Zie op de HEER als onrecht u doet lijden, uw vrijspraak komt te voorschijn als het licht! Hun doet God recht die stil zijn hulp verbeiden. Houd moed en zwijg voor 's HEREN aangezicht. Wie kwaad beramen, moet u niet benijden: met al hun voorspoed wacht hun het gericht. 4 Doe weg uw toorn, houd op met grimmig vragen, wees niet afgunstig, dat sticht louter kwaad. Want bozen worden door God neergeslagen, het land beërft wie zich op Hem verlaat. De goddeloze heeft nog weinig dagen: zijn plaats is weg, want hij heeft God gehaat. 5 Wie met zachtmoedigheid verdrukking dragen, zien uit naar vrede en beërven 't land. Het plan der goddelozen zal niet slagen, hoe ook die vijand haat en knarsetandt. God lacht om hen: Hij ziet zijn dag reeds dagen, die dag van oordeel als zijn toorn ontbrandt. 6 De bozen trekken 't scherpe zwaard ten strijde, hun harde ogen zijn belust op bloed. Hun boog staat strak om 't leven af te snijden van wie oprecht is en het goede doet. De boog breekt stuk, het zwaard dringt in hun zijde, zij sterven zelf in blinde overmoed. 7 Hoe schraal het deel is van wie naar God vragen, 't is beter dan der bozen overvloed. Al zijn er velen die Gods volk belagen, geen overmacht die het bezwijken doet! Rechtvaardigen zal God gedurig dragen, de arm van bozen breekt Hij eens voorgoed. 8 De HERE kent de dagen van de vromen, hun erfdeel blijft in eeuwigheid bestaan. Nooit zal de HEER hun iets te kort doen komen, in hongersnood hen niet beschaamd doen staan. Gods vijand zal niet aan 't gericht ontkomen: eens zal hij als de pracht van 't veld vergaan. 9 De boze leent en wacht zich niet voor stelen, maar de oprechte geeft bij nood en klacht. Gezegenden zullen het land verdelen, maar wie vervloekt zijn, worden omgebracht. De man die wandelt naar al Gods bevelen, komt tot zijn doel, de HERE staalt zijn kracht. 10 De HERE grijpt de hand van wie Hem eren, nooit geeft Hij prijs de vromen in hun nood. Mijn leven lang zag ik hen niets ontberen, geen van hun kinderen zocht ooit naar brood. Een vrome schenkt aan wie zijn hulp begeren. De zegen door zijn nageslacht is groot. 11 Wijk van het kwaad en houd de goede wegen, dan woont u blijvend op uw grondgebied. Uw God bemint het recht en schenkt zijn zegen, zijn trouw verlaat zijn gunstgenoten niet. Hij hoedt zijn volk, al is de nood gestegen, het nageslacht der bozen gaat teniet. 12 Aan vromen is beloofd een duurzaam leven. Hun huis blijft staan, zij erven heel het land. Hun woorden zijn door wijsheid ingegeven, hun tong spreekt recht bij twist en onverstand. De wet van God staat in hun hart geschreven. Hun gang is vast, zij houden altijd stand. 13 De boze jaagt de vrome in zijn woede ten dode toe, maar God voorkomt dit kwaad. Staat hij terecht, God zal zijn knecht behoeden. Bewaar de weg waarop Hij met u gaat. Wacht op de HEER, Hij zal Zich tot u spoeden, verheugd ziet u de vijand weggevaagd. 14 Een boze zag ik eens tot aanzien komen, snel werd hij groot, geweldig in zijn kracht. Zijn machtswaan had een hoge vlucht genomen: een woekerplant met weelderige pracht. Toen ik hem zocht, was hij al weggenomen, spoorloos verdwenen met zijn nageslacht. 15 Let op de vrome, zie naar de oprechte, merk op hoe hij door God gezegend is. De man van vrede heeft bij al Gods knechten zijn nageslacht als rijke erfenis. De HEER verdelgt de schenders van zijn rechten, het einde van hun nakroost komt gewis. 16 De HERE helpt wie Hem eerbiedig vrezen, zij worden in de nood door Hem gered. De HERE zal hun tot beschermer wezen, geen goddeloze vangt hen in zijn net. Hun wonden worden door Gods heil genezen en Hij is hun een schuilplaats in 't gebed. Psalm 38 : 1-11 1 Blijf mij niet in toorn kastijden, zie mijn lijden, straf mij niet in gramschap, HEER. U hebt pijlen, die mij wonden, neergezonden en uw hand drukt mij terneer. 2 Heel mijn lichaam is gebroken en ontstoken door uw zware toorn, o HEER. Al mijn zonden, die als golven mij bedolven, drukken door hun last mij neer. 3 Ik ben overdekt met wonden door mijn zonden, door mijn dwaas en boos gedrag. Ik ga zeer terneergebogen voor uw ogen, diep in rouw de hele dag. 4 Want mijn lenden zijn ontstoken, en gebroken zijn mijn leden door mijn smart. Hoor mij, uitgeput door slagen, schreeuwend klagen om het bonzen van mijn hart. 5 Heer, mijn hart ligt voor U open: al mijn hopen, mijn verlangen en mijn leed. Voor uw oog zijn al mijn zorgen niet verborgen, daar U alles ziet en weet. 6 Heer, mijn hart dreigt te bezwijken, krachten wijken, in mijn ogen dooft het licht. Weg zijn al mijn trouwe vrinden, mijn beminden blijven ver uit mijn gezicht. 7 Vijandschap heeft mij omgeven, op mijn leven loert men heel de dag, o HEER. Maar ik sluit mijn mond en oren, wil niets horen, spreek geen woorden van verweer. 8 U, mijn God, blijf ik verwachten in mijn klachten, daar uw antwoord komen zal. Laat geen vijand zich verblijden om mijn lijden, niemand juichen om mijn val. 9 Want mijn voet dreigt uit te glijden door het lijden dat mij steeds voor ogen staat. Ik belijd mijn schuld en zonden, die mij schonden, zeer bekommerd om mijn kwaad. 10 Wie mij haten zijn voorspoedig, overmoedig, groot in aantal, sterk in macht. Hen die kwaad voor goed vergelden, hoor ik schelden, daar ik, HEER, uw wet betracht. 11 Wil mij, HERE, niet begeven, red mijn leven, blijf toch niet van verre staan. Haast U, kom mij uit mijn lijden snel bevrijden, Heer, mijn heil, ik roep U aan. Psalm 39 : 1-7 1 Ik dacht: ik zal de rechte wegen gaan, niet zondigen met enig woord, ik leg mijn mond een sterke muilband aan, zolang Gods vijand mij nog hoort. Zo zweeg ik stil, verstomd in al mijn smart, maar zonder stilheid in mijn hart. 2 Mijn smart nam toe, zij brandde fel in mij en vlamde hoog als laaiend vuur, zodat ik eindlijk spreken moest en zei: Maak mij bekend mijn levensduur. Geef, HEER, dat ik de maat der dagen ken, leer mij hoe sterfelijk ik ben. 3 Een handbreed zijn mijn dagen hier gesteld door U, die leeft in eeuwigheid. Ik zie mijn leven dat ten einde snelt, voor U als enkel ijdelheid. Het mensenkind, al is hij arm of rijk, is slechts een ademtocht gelijk. 4 Zie, als een schaduw gaat de mens daarheen, zijn leven is een ademtocht. Hij slaaft en slooft en hij vergaart bijeen, maar wat hij ook bezitten mocht, hij moet het afstaan, hij verliest het al en weet niet wie het erven zal. 5 O HEER, wat is het, dat ik nog verwacht? Ik hoop op U alleen, mijn God. Red mij van al mijn zonden door uw macht, maak mij voor dwazen niet ten spot. Ik doe mijn mond niet open, want ik weet: U was het zelf, HEER, die het deed. 6 Wend toch, o God, uw plagen van mij af: te zwaar is mij uw hand die slaat. Zie hoe, als U de mens kastijdt met straf, zijn schoonheid als door mot vergaat. Het mensenkind, al is hij arm of rijk, is slechts een ademtocht gelijk. 7 Hoor mijn gebed, mijn hulpgeroep, o HEER. Zwijg niet bij al mijn luid geween, daar ik bij U als vreemdeling verkeer, zoals mijn vaderen voorheen. Geef mij weer blijdschap, wend uw toorn toch af, voordat ik heenga naar het graf. Psalm 40 : 1-7 1 Met heel mijn hart heb ik de HEER verwacht, Hij heeft gehoord naar mijn gebed, mij uit de modderpoel gered, mijn voet weer op een vaste grond gebracht. Hij heeft mij doen herleven, mij in de mond gegeven een nieuw lied tot zijn eer. Laat ieder die het zag stil zijn van diep ontzag en hopen op de HEER. 2 Zalig de man die op den HEER vertrouwt, geen acht slaat op de eigenwaan van die hun eigen wegen gaan, maar die de leugen uit zijn leven houdt. Mijn God, ik wil U roemen en al uw daden noemen, niets is aan U gelijk. Wil ik ze tellen, HEER, ik zie er telkens meer, 't gaat boven mijn bereik. 3 Het is geen offervuur wat U behaagt, Gij wilt, Heer, dat ik naar U hoor en zelf ontsluit Gij mij het oor: Gij hebt alleen gehoorzaamheid gevraagd. Mijn God, ik draag uw wetten, om op uw wil te letten, gedurig bij mij om. Het boek schrijft over mij. Gij hoordet hoe ik zei: 'O Here, zie, ik kom!' 4 Ik breng de blijde boodschap van uw recht aan al wie U zijn toegedaan, dat zij uw wonderen verstaan in 't woord dat Gij mij op de lippen legt. Ik spreek dat woord met klaarheid, opdat uw trouw en waarheid door elk begrepen wordt. HEER, ik weerhoud mij niet, maar loof U in mijn lied met een blijmoedig hart. 5 O HEER, onthoud mij uw ontferming niet en laat uw goedertierenheid mij toch bewaren in de tijd dat ik word overstelpt door mijn verdriet. Mijn ongerechtigheden laten mij niet met vrede, mijn moed wordt mij ontroofd. Mijn zonden slaan mij neer. Mijn God, ik tel er meer dan haren op mijn hoofd. 6 O HEER, 't behage U mij bij te staan. Gij die altijd mijn helper waart, drijf mijn belagers achterwaarts en doe hen met beschaamde kaken staan. Laat nu die mij belachten, bedreigden en verachtten, en loerden op mijn eind, voor U verschrikken, God, bespotlijk in hun spot en stom van schaamte zijn. 7 Laat wie uw heil beminnen hier en nu in U verheugd zijn, U ter eer uitroepen: groot is onze HEER! Laat wie U zoeken jubelen in U! Al leef ik in ellende, de Here zal het wenden, de Heer ziet naar mij om. Gij die mijn helper zijt, mijn God die mij bevrijdt, o toef niet langer, kom! Psalm 41 : 1-5 1 Heil hem die den geringe helpt in nood, hem helpt in nood de HEER. De HEER bewaart zijn leven voor de dood, herstelt hem in zijn eer. Wat deert hem of zijn vijand hem bespot, als Gij de redder zijt? De HEER is hem een groot en helpend God op 't bed der bitterheid. 2 Ik zei: Genees mij, HEER, door uw gena. Ik zondigde voor U. Maar maak dat deze valsaard van mij ga, van wiens bezoek ik gruw. 'Sterft hij niet haast, en gaat zijn naam voorbij?' Zo denkt hij in zijn hart, en veinst wel aan mijn sponde medelij, maar hoont mij op de markt. 3 Zij fluistren saam, de horde die mij haat: 'Hij ligt, hij ligt voorgoed! Op hem is uitgestort onzalig kwaad, hij heeft de dood in 't bloed!' De vriend zelfs, die ik spijsde met mijn brood, de gunstling van mijn ziel, heult reeds met hen die loeren op mijn dood, hief tegen mij de hiel. 4 Maar Gij, HEER, richt mij op, dat ik het weet hoe Gij mij gunstig zijt, dat het vergolden wordt als om mijn leed mijn vijand zich verblijdt. Hebt Gij mij ook niet voortijds opgericht om mijn eenvoudigheid? O HEER, Gij stelt mij voor uw aangezicht tot in all' eeuwigheid. 5 Looft nu den HEER, zingt Isrels God verblijd, prijst Hem voor zijn gena van eeuwigheid tot in all' eeuwigheid! Ja, waarlijk, amen, ja! Psalm 42 : 1-7 1 Heer, een hert in dorre streken smacht niet sterker naar 't genot van de koele waterbeken dan mijn ziel naar U, o God. Ja, ik dorst naar God, die leeft, God, die gunst en liefde geeft. Wanneer zal ik met de zijnen voor Gods aangezicht verschijnen? 2 Tranen heb ik bij mijn klagen tot mijn voedsel dag en nacht, daar men honend mij durft vragen: waar is God, door u verwacht? Hieraan denk ik in mijn smart, hoe ik vroeger, blij van hart, voor de stoet uit naar Gods woning opging tot mijn God en Koning. 3 O mijn ziel, zozeer verslagen, waarom bent u zo ontrust? Hoop op God, uw heil zal dagen, vind weer in zijn lof uw lust. Ook al treft u smaad en spot, uw verlosser is uw God. Hoop op Hem en zie naar boven, want ik zal mijn God nog loven. 4 'k Denk aan U, terneergebogen, bij de bronnen der Jordaan; ik heb Hermons top voor ogen, roep U ver van Sion aan. Watervloed roept watervloed, kolkt en bruist mij tegemoet, al uw tomeloze golven hebben mij geheel bedolven. 5 Maar de HEER zal uitkomst geven, die bij dag zijn gunst gebiedt. Dit vertrouwen doet mij leven, dat vermeld ik in mijn lied. Daarom zing ik zelfs bij nacht, want bij Hem verstilt mijn klacht. 'k Zal de God mijns levens prijzen, biddend Hem mijn dank bewijzen. 6 Ik wil God, mijn steenrots vragen: waarom, Heer, vergeet U mij? Moet ik nog het rouwkleed dragen door des vijands dwinglandij? Heel de dag hoont mij hun woord: - doodsteek die mijn hart doorboort - waar is God, uw vast vertrouwen, blijft u nu nog op Hem bouwen? 7 O mijn ziel, zozeer verslagen, waarom bent u zo ontrust? Hoop op God, uw heil zal dagen, vind weer in zijn lof uw lust. Ook al treft u smaad en spot, uw verlosser is uw God. Hoop op Hem en zie naar boven, ik zal God, mijn God, weer loven! Psalm 43 : 1-5 1 O God, kom mijn geding beslechten, verlos mij van wie U versmaadt. Boosdoeners willen met mij rechten, die niet aan trouw en waarheid hechten. Doe mij ontkomen aan hun haat, O HEER, mijn toeverlaat. 2 Zijt Gij dan niet mijn burcht gebleven, de sterke vesting van mijn hart? Waarom hebt Gij dan nu mijn leven aan mijn belagers prijsgegeven? Waarom ga ik gebukt van smart, gekleed in somber zwart? 3 O Here God, kom mij bevrijden, zend mij uw waarheid en uw licht die naar uw heilge berg mij leiden, waar Gij mij woning wilt bereiden. Geef dat ik door U opgericht kom voor uw aangezicht. 4 Dan ga ik op tot uw altaren, tot U, o bron van zaligheid. Dan mag mijn ziel uw heil ervaren en dankbaar ruisen alle snaren voor U die al mijn vreugde zijt en eindloos mij verblijdt. 5 Mijn ziel, hoe zijt gij zo verslagen, mijn hart, wat kwelt gij u zozeer? Vertrouw op 's Heren welbehagen. Hij doet weldra de morgen dagen. Ja, ik zal zingen tot zijn eer: mijn redder is de Heer. Psalm 44 : 1-7 1 Wij hoorden, Heer, met eigen oren wat U gedaan hebt lang tevoren: U gaf ons voorgeslacht dit land, U zelf hebt het daarin geplant. Geen eigen zwaard, geen eigen kracht deed hen de volkeren verjagen. Het was uw rechterhand, uw macht: U had in hen een welbehagen. 2 U, Here God, U bent mijn Koning: maak Jakob vrij vanuit uw woning. Met U slaan wij de vijand neer, wij strijden in uw naam, o Heer. Geen boog of zwaard heeft ons bevrijd, wij zijn gered door uw vermogen. Wij roemen in de Heer altijd, wij zullen steeds uw naam verhogen. 3 Maar toch hebt U ons nu verstoten, met hoon en schande overgoten: U trok niet met de legers uit, als slachtvee gaf U ons ten buit. U dreef als ballingen ons voort, verkocht ons aan de heidenvolken. U kreeg daar slechts een spotprijs voor, die onze waarde moest vertolken! 4 Wij zijn een smaad voor onze buren en moeten spot en hoon verduren. Zij schudden over ons het hoofd, ons volk is van zijn eer beroofd. Het schaamrood dekt mijn aangezicht, mijn schande staat mij steeds voor ogen. Ik word door hen van kwaad beticht die niets dan haat en wraak beogen. 5 Wij moesten al dit leed ervaren, maar bleven uw verbond bewaren. Geen ontrouw heeft ons hart bekoord, wij gingen in uw wegen voort. Toch hebt U ons dit aangedaan: U voerde ons naar woeste streken, verbrijzelde ons broos bestaan, niets kon de duisternis doorbreken. 6 Zie, hadden wij in onze noden de hand gestrekt naar vreemde goden, dan had de Here, die ons keurt, die afval van zijn volk bespeurd. Voorwaar, om U, die ons verstoot, ontmoeten wij niets dan verachting, wij worden om uw naam gedood, wij zijn als schapen voor de slachting. 7 Waak op! Waarom toch slaapt U, Here? Ontwaak, o God! Wil wederkeren. Waarom verbergt U het gelaat, zodat ons leed uw oog ontgaat? Wij zijn in stof terneergedrukt; sla ons in uw ontferming gade. Naar lijf en ziel gaan wij gebukt. Sta op, verlos ons uit genade. Psalm 45 : 1-6 1 Hoe is mijn hart vervuld van blijde dingen: ik ga mijn lied nu voor de koning zingen. Hoor hoe mijn tong aan hem een loflied wijdt, zoals de pen van een die vaardig schrijft. Hoe schoon bent u, o koning, hoog te loven, U gaat in pracht elk mensenkind te boven. Wat van uw lippen komt, is lieflijkheid. God zegent u dan ook in eeuwigheid. 2 Gord áán uw zwaard, o held, en wees voorspoedig, rijd dapper uit, vol luister, sterk en moedig. Groot is uw roem als u het pleit beslecht, wanneer u strijdt voor waarheid, trouw en recht. Uw scherpe pijl zal alle volken treffen, die in de strijd zich tegen u verheffen. Uw troon, o God, staat vast in eeuwigheid, uw scepter heerst in recht en majesteit. 3 U kiest voor recht en haat de goddelozen. Dus heeft, o God, uw God u uitgekozen, met vreugdeolie is uw hoofd gewijd, om Hem een vorst te zijn in eeuwigheid. Muziek weerklinkt door de ivoren deuren, de specerijen doen uw kleding geuren. Prinsessen hebt u door uw gunst bekoord, uw bruid getooid met goud uit Ofirs oord. 4 O dochter, hoor, en zie naar hem, uw koning, vergeet uw volk, uw ouderlijke woning. Nu schept uw vorst behagen in zijn bruid, zijn hele hart gaat naar uw schoonheid uit. Hij is uw heer; buig voor hem heel uw leven. Het rijkste volk zal u geschenken geven. Zelfs Tyrus zendt u schatten van zijn kunst, om aan uw hof te dingen naar uw gunst. 5 Zie nu de bruid, de koningsdochter, stralen, in bruidsgewaad, met goud doorweven, pralen. Kunstig borduursel geeft haar grote pracht, zo wordt zij plechtig tot de vorst gebracht. Zie, hoe haar jeugdvriendinnen haar geleiden, terwijl gezang en jubel haar verblijden. Zij schrijden naar het koninklijk paleis met vreugde en uitbundig eerbewijs. 6 Daar waar voorheen uw vaders mochten tronen, zal eenmaal staan de zetel van uw zonen. Zij worden eens door u met eigen hand tot vorsten aangesteld in heel het land. Ik wil uw naam vermelden al mijn dagen, men zal van u geslachten lang gewagen. Ja, ieder volk bezingt, in u verblijd, uw grote naam, uw lof in eeuwigheid. Psalm 46 : 1-4 1 God is een toevlucht en een sterkte, die in benauwdheid hulp bewerkte. Wij vrezen voor geen enkel kwaad, omdat de HEER ons niet verlaat. Al zou de hele aarde wijken, het bergland in de zee bezwijken, laat bruisen heel de watervloed, die alle bergen beven doet. 2 Een brede stroom verheugt Gods woning, de stad van d' allerhoogste Koning. Zij wankelt niet, want God troont daar, bij 't morgenlicht bevrijdt Hij haar. De volken hadden zich verheven, God sprak - Hij deed de aarde beven. Een vaste burcht voor Israël is Jakobs God - immanuël! 3 Komt en aanschouwt Gods grote werken, de HERE overwint de sterken. Hij richt alom verwoesting aan en doet de vijand ondergaan. Want al zijn lansen en zijn bogen vernietigt Hij voor aller ogen. Staakt uw verzet en geeft Mij eer, Ik ben de hoogverheven Heer. 4 De HEER, de God der legerscharen, is met ons, redt ons uit gevaren. Een vaste burcht voor Israël is Jakobs God - immanuël! Psalm 47 : 1-4 1 Juicht, o volken, juicht, / handklapt en betuigt onze God uw vreugd, / weest in Hem verheugd, jubelt voor de HEER, / buigt u voor Hem neer. Ieder vreest zijn kracht, / elk zijn koningsmacht. 's HEREN majesteit / en zijn heerlijkheid zijn op heel de aard / wijd en zijd vermaard. 2 Onder onze macht / heeft de HEER gebracht volken overal, / naties zonder tal. Zo gaf God hun land / Jakob tot een pand. 't Is de roem en trots / van de kindren Gods. Onvervreemdbaar is / deze erfenis, die zijn liefd' ons schenkt / daar Hij ons gedenkt. 3 God vaart voor het oog / met gejuich omhoog. Blij bazuingeluid / roept zijn grootheid uit, heel het wereldrond / zingt met hart en mond. Psalmzingt Gode, zingt! / Hoort zijn lof weerklinkt. Volken, geeft de Heer, / onze Koning, eer, looft zijn majesteit, / weest in Hem verblijd. 4 God voert zijn bewind / waar men volken vindt. Aller eerbetoon / stijgt tot voor zijn troon. Vorsten komen saam, / vrezen 's Heren naam. Zie, zij zijn geacht / Abrahams geslacht; schilden van het land / zijn zij in Gods hand. God alleen is Heer, / geeft Hem eeuwig eer. Psalm 48 : 1-4 1 De HEER is groot en hoog geëerd op Sions berg, waar Hij regeert. Zijn stad, zo schoon en hoog gelegen, geeft heel de aarde vreugd en zegen. Koninklijk ligt Gods domein Sion, aan de noorderzij. Wie in haar paleizen wonen, zal God Zich een burcht betonen, aan zijn volk Zich openbaren als een toevlucht in gevaren. 2 De vorsten trokken samen op, ten strijde tegen Sions top. Zodra zij deze vesting zagen, stond heel hun legermacht verslagen. Voor een bolwerk, zo geducht, sloeg de vijand op de vlucht. Door ontzetting werden allen als door weeën overvallen. God doet Tarsis' schepen breken, als de stormwind op komt steken. 3 Wat ons van Sion was bericht, wordt nu bevestigd door 't gezicht: de HEER, de God der legerscharen, blijft zelf zijn stad getrouw bewaren. In uw tempel, dag en nacht, wordt door ons uw gunst herdacht. Eeuwig zij uw naam geprezen; heel de wereld moet U vrezen. Want uw rechterhand is machtig, handhaaft recht en waarheid krachtig. 4 Wees, Sion, om Gods recht verheugd, juicht, Juda's dochters, vol van vreugd. Gaat rondom Sion, telt haar muren, haar torens die de tijd verduren, geeft op haar paleizen acht, meldt het aan het nageslacht: deze God is onze koning, zie, zo heerlijk is zijn woning. Tot de dood zal Hij ons leiden, eeuwig zal Hij ons verblijden. Psalm 49 : 1-6 1 Gij volken, overal ter wereld, hoort! Komt, stervelingen, luistert naar mijn woord, of u nu rijk bent en in weelde baadt, dan wel gering en niet in aanzien staat. 't Is enkel wijsheid wat mijn mond onthult, van louter inzicht is mijn hart vervuld. Ik zal mijn oor naar wijze spreuken keren, u mijn geheim met zang en citer leren. 2 Wat zou ik vrezen in een kwade tijd, als mij omringt de ongerechtigheid van rijken die vertrouwen op hun geld en sterk op eer en aanzien zijn gesteld. Geen mens redt ooit een broeder van de dood, geen losprijs die aan God voldoening bood. Er is niet één die altijd voort zal leven, als ware hij van dood en graf ontheven. 3 Want zie, hoe zelfs de wijze sterven moet. De dwazen zwelgen wel in overvloed, maar zij vergaan, 't graf blijft hun niet bespaard, hun rijkdom is voor anderen vergaard. Zij denken: onze huizen houden stand, naar onze namen noemen wij ons land. De mens, hoe trots en praalziek in zijn streven, hij eindigt als het stomme vee zijn leven. 4 Zo gaat het elk die op zichzelf vertrouwt, zijn eigen woord voor diepe wijsheid houdt. Het is de dood die hen als schapen weidt en als een kudde naar de groeve leidt. Terwijl hun glans, hun glorie snel vergaat, komt voor oprechten straks de dageraad waarin zij over bozen triomferen, die dan ontheemd tot stof en as verteren. 5 Maar God zal mij ontrukken aan de dood, Hij koopt mij los en redt mij uit die nood. Hij is het die ten leven mij geleidt en die mij opneemt in zijn heerlijkheid. Vrees niet wanneer een man zichzelf verrijkt en in zijn huis met eer en aanzien prijkt. Het is vergeefs, geen rijkdom kan hem baten: al zijn bezit - hij moet het achterlaten. 6 Al prijst hij zich in zelfgenoegzaamheid, al vindt hij steun bij ieder die hem vleit, die om zijn grote weelde in hem roemt, er komt een tijd dat men zijn naam niet noemt. Een graf is 't erfgoed van zijn voorgeslacht, de plaats waar hun geen daglicht ooit meer wacht. De mens, hoe dwaas en praalziek in zijn streven, hij eindigt als het stomme vee zijn leven. Psalm 50 : 1-11 1 De HEER die leeft, de God der goden spreekt, van waar de zon rijst als de dag aanbreekt, tot waar zij, als de nacht komt, ondergaat, roept Hij de aarde op, want Hij houdt raad. Uit Sion, hoog in heerlijkheid verheven, verschijnt de HEER, door blinkend licht omgeven. 2 Door een verterend vuur voorafgegaan, omgeven door een wervlende orkaan, komt onze God, geweldig schrijdt Hij voort. En Hij verheft zijn stem om 't verste oord in hemel en op aarde te doen horen dat Hij zal richten wie Hij heeft verkoren. 3 Verzamelt hen tot wie mijn gunst zich neigt, wier offer als een heilig teken stijgt, als zij 't verbond bezeeglen met hun Heer. De hemel roemt Gods recht en geeft Hem eer nu Hij als rechter zetelt en de zijnen dagvaardt om voor zijn vierschaar te verschijnen. 4 Zo spreekt de Heer en opent zijn geding: Hoor nu, mijn volk, naar mijn beschuldiging, Israël, luister wat mijn aanklacht zegt, Ik ben uw God, voor Mij staat gij terecht. Ik vel geen oordeel om uw offeranden, daar steeds uw altaarvuren voor Mij branden. 5 Meent gij dat Ik de stieren uit uw stal, de bokken uit uw kooien nemen zal? Het wild dat in het woud zijn schuilplaats heeft, dat zwerft en vrij op duizend bergen leeft, de vogels in de lucht, Ik ken ze alle, Ik kan ze nemen naar mijn welgevallen. 6 Ik die als herder 't wild gedierte weid, behoef de spijzen niet die gij bereidt. Indien Ik honger had, Ik zei 't u niet, de hele wereld is mijn grondgebied. Meent gij dat stier en bok als offergaven, dat vlees en bloed Mij voeden en Mij laven? 7 Offer God lof, bied Hem uw dankbaarheid, voldoe aan uw geloften, Hem gewijd. Dan zult gij, als het onheil u omringt, wanneer de angst u in de engte dringt, Mij roepen en Ik zal het al doen keren. Ik geef u ruimte en gij zult Mij eren. 8 Maar tot de goddeloze mens spreekt God: Mijn rechten klinken in uw mond als spot. Gij spreekt van mijn verbond, maar haat de wet, verwerpt mijn woord, als het u grenzen zet. Gij houdt het met ontuchtigen en dieven en leeft naar eigen lusten en believen. 9 Al wat uw lippen spreken is onwaar, uw tong rijgt enkel leugens aan elkaar. Gij zit met andren nauwelijks tezaam, of gij werpt smetten op uw broeders naam. Wanneer Ik zweeg, dan zoudt gij, goddelozen, nog denken: God heeft mijn partij gekozen. 10 't Is daarom dat Ik u de waarheid zeg, de vinger bij uw boze daden leg. Ik breng ze een voor een u onder 't oog. Bedenk dat Ik de zonde niet gedoog. Gij die uw God vergeet, geen hulp kan baten, als Ik mijn toorn de vrije loop zal laten. 11 Zo spreekt de Heer: al wie in dankbaarheid aan Mij het offer van zijn leven wijdt, houdt Mij in eer en heeft mijn wil verstaan. Hij baant de weg, waarlangs mijn heil kan gaan. Hij zal het zien, hij zal het zelf ervaren: Ik zal mijn vrede aan hem openbaren. Psalm 51 : 1-7 1 Ontferm U God, ontferm U, hoor mijn klacht, ik roep tot U, vergeef, vergeef mijn zonden. Herstel mijn hart, zie, hoe het is geschonden. Door eigen schuld verzink ik in de nacht. Wees mij nabij naar uw barmhartigheid, reinig mij door uw diepe mededogen. Om al mijn kwaad kwelt zich mijn hart en schreit, mijn zonden staan mij dagelijks voor ogen. 2 Want tegen U, want tegen U alleen heb ik gezondigd. Red mij van het kwade. In diep berouw belijd ik U mijn daden, hoor naar de donkre stem van mijn geween. Ik heb gedaan wat kwaad was in uw oog, ja, ik erken, ik ben uw gunst niet waardig. Gij zetelt in gerechtigheid omhoog, uw woord is waar, uw vonnis is rechtvaardig. 3 Ik ben, o Heer, in ongerechtigheid geboren en in zware schuld gebonden. Ontvangen heeft mijn moeder mij in zonde, zie op mij neer in uw barmhartigheid. Gij wilt toch dat ik rein ben binnenin, dat ik in trouw en recht voor U zal leven. Opdat ik waarlijk zuiver ben van zin, hebt Gij uw wijsheid in mijn hart gegeven. 4 Voltrek de reiniging en raak mij aan met bloed en hysop, dan ben ik genezen. Was mij geheel, en uit de nacht herrezen zal ik dan sneeuwwit voor uw ogen staan. Gun aan mijn oog een lichte ochtendstond, doe aan mijn oor uw blijde boodschap horen, dan juicht mijn hart, hoezeer door U gewond. Doe weg mijn kwaad, wis uit de laatste sporen. 5 Schep in mij, God, een hart dat leeft in 't licht, geef mij een vaste geest, die diep van binnen zonder onzekerheid U blijft beminnen, verwerp mij niet van voor uw aangezicht. Ontneem mij niet uw heilge Geest, o God, laat in uw heil mijn hart zich nu verblijden, en richt geheel mijn wil op uw gebod, dan zal ik zondaars op uw wegen leiden. 6 Red mij van bloedschuld, God, die mij bevrijdt, leg op mijn tong de lof van uw genade. Open mijn lippen, Heer, ik prijs uw daden voor heel uw volk met liedren wijd en zijd. Niet aan het altaar wordt mijn schuld geboet, geen offerdier, hoe gaaf ook, kan die dragen, het offer van een diep gewond gemoed en een gebroken hart zal U behagen. 7 Doe Sion wel naar uw barmhartigheid en laat haar tinnen in het zonlicht blinken, doe op haar pleinen weer de liedren klinken als eens in de welaangename tijd. Dan hebt Gij lust aan offers, recht gebracht, met kleinvee stroomt men toe en jonge stieren. Jeruzalem, ik zie een nieuw geslacht opnieuw het feest van uw bevrijding vieren. Psalm 52 : 1-6 1 Waarom beroemt u zich op 't kwade, brutale dwingeland? De hele dag duurt Gods genade, mijn heil ligt in zijn hand. Uw tong, die als een scheermes snijdt, zaait slechts verderf en nijd. 2 Het kwaad verkiest u boven 't goede, u hangt de leugen aan. Bedriegen wordt u nimmer moede, u laat in haat zich gaan. Maar God straft uw vermetelheid, verbreekt u voor altijd. 3 God zal u uit dit leven rukken, u sleuren uit uw tent. Hij zal u voor zijn wraak doen bukken, tot u ontworteld bent. Dan ligt u daar, door God geveld, voorbij is uw geweld. 4 Rechtvaardigen zullen 't aanschouwen met huivering en spot: ziedaar de man die zijn vertrouwen niet stellen wou op God. Hij bouwde op zijn geld en macht, wat hem dit onheil bracht. 5 Maar in Gods huis zal ik verkeren, een groene boom gelijk. Gods goedheid zal ik nooit ontberen, zijn gunst alleen maakt rijk. ik bouw op zijn barmhartigheid, vertrouw op Hem altijd. 6 Mijn God, ik zal U altijd prijzen, omdat U 't hebt volbracht, uw naam, die goed is, eer bewijzen, uw naam die ik verwacht en in de tegenwoordigheid van heel uw volk belijd. Psalm 53 : 1-5 1 De dwaas zegt bij zichzelf in overmoed: Er is geen God. - 't Is onrecht wat zij plegen, zij wandelen op gruwelijke wegen. Nee, er is niemand die nog enig goed bedenkt of doet. 2 God ziet vanuit de hoge hemel neer: zal bij de mensen één verstandig blijken, één die God zoekt en niet van Hem wil wijken? Allen zijn afgeweken van de Heer, geen dient Hem meer. 3 Hoe heeft het onverstand hen in zijn macht! Hoe kunnen zij in kwaad-doen vreugde vinden, zij die mijn volk, als at men brood, verslinden? Geen roept tot God, niet één die van Gods kracht nog iets verwacht. 4 Heel onverwacht verschrikt hen Gods gericht, want God verstrooit hen die u thans verdrukken. U zelf beschaamt hen, doet hen voor u bukken, want God verwerpt hen van zijn aangezicht en dooft hun licht. 5 Dat toch uit Sion redding werd bereid! Als God het lot voor Israël doet keren, dan zal, al juichend, Jakob Hem vereren, heel Israël Hem loven, zeer verblijd, door Hem bevrijd. Psalm 54 : 1-3 1 O God, verlos mij door uw naam, verschaf mij recht door uw vermogen, hoor mijn gebed uit mededogen, verhoor mij, Heer, ik roep U aan. Want vreemden strijden tegen mij, zij hebben zich vol haat verheven, geweldenaars staan mij naar 't leven, zij zien aan God geheel voorbij. 2 Zie, mij helpt God, op wie ik bouw. De Here zal mij zeker schragen en Hij vergeldt wie mij belagen. O God, verdelg hen in uw trouw. Ik zal U met een blij gemoed vrijwillig offers brengen, HERE, met lof en dank uw naam vereren, uw naam, o HEER, want hij is goed. 3 Mijn redder is de trouwe HEER, Hij heeft de dreiging weggenomen. Ik ben mijn vijanden ontkomen, met vreugde zie ik op hen neer. Psalm 55 : 1-10 1 O God, neem mijn gebed ter ore, wil naar mijn bange smeking horen, sla acht op mij, wil antwoord geven. Bang zwerf ik rond, door hoon gewond. De vijand scheldt en pleegt geweld. In toorn belagen zij mijn leven. 2 Mijn hart krimpt, Heer, in doodsangst samen, omdat de bozen kwaad beramen. Ik word bestookt van alle zijden, mijn vrees is groot in al mijn nood, elk ogenblik beef ik van schrik, mij overstelpen angst en lijden. 3 Kon iemand mij maar vleugels geven, dan vloog ik heen, 'k verborg mijn leven. Ik vluchtte weg om rust te vinden, liet de woestijn mijn woonplaats zijn, de wildernis waar 't veilig is, een wijkplaats tegen storm en winden. 4 Verwar hun spraak, verdeel hen, Here, laat niet de stad door hen regeren. Geweld en twist zijn op haar muren, op plein en straat heerst enkel kwaad, bedriegerij voert heerschappij, verdrukking moet zij steeds verduren. 5 Was het een vijand die mij smaadde, van hem verdroeg ik wel het kwade, maar 't is mijn vriend, die ik vertrouwde. Wij prezen saam Gods grote naam bij 't feestgedruis in 's Heren huis. Het is de man op wie ik bouwde. 6 Laat dood en oordeel hen verdelgen, het rijk der doden hen verzwelgen. Sla wie zich boven mij verheffen. Want in hun huis is boosheid thuis, hun hart is slecht, aan 't kwaad gehecht. Moge de vloek hen levend treffen. 7 Ik roep mijn God aan al mijn dagen, Hij luistert naar mij in mijn klagen. Want Hij verlost en geeft mij vrede. Van zware strijd word ik bevrijd. Hij geeft mij kracht, zodat de macht van velen mij niet zal vertreden. 8 God troont van oudsher, Hij doet allen die onbekeerlijk zijn, eens vallen. De boze breekt al zijn verbonden, tot kwaad gereed schendt hij zijn eed, zijn hart zoekt strijd, zijn tong misleidt en is een zwaard om te verwonden. 9 Werpt op de HERE al uw zorgen: uw leven is bij Hem geborgen. Hij zal de zijnen staande houden. Hij die u schraagt, uw leven draagt, laat nimmer toe, wat men ook doe, dat wie Hem vrezen wanklen zouden. 10 Maar, God, uw oordeel zal hen treffen die zich op hun bedrog verheffen. Geen levensavond zal aanschouwen wie bloed vergiet, geen mens ontziet, want U vergeldt al hun geweld. Ik echter zal op U vertrouwen. Psalm 56 : 1-4 1 Ontferm U, God, zij maken op mij jacht. Bestrijders jagen op mij dag en nacht, vertrappen mij met heel hun overmacht. Zie hoe zij mij benauwen. In 't bangste uur blijf ik toch op U bouwen. Ik vrees hen niet, want God is mijn betrouwen. Ik zal op Hem, wiens woord ik prijs, vertrouwen. Wat baat dan mensenkracht? 2 De hele dag verdraait men wat ik zeg. Zij spannen saam in duister overleg, bespieden zelfs mijn schreden op de weg, zij loeren op mijn leven. Zult U, o God, aan hen ontkoming geven? Stort in uw toorn terneer wie U weerstreven, de volkeren die zoveel kwaad bedreven, stoot hen voor altijd weg. 3 Mijn ballingschap hebt U te boek gesteld, laat in uw kruik mijn tranen zijn geteld. Mijn vijand wordt, wanneer ik roep, geveld. Mijn God zal met mij wezen. Ik loof mijn God, hoe is zijn roem gerezen. Het woord des HEREN wordt door mij geprezen. 'k Vertrouw op God, ik zal geen mensen vrezen. Wat doet mij hun geweld! 4 Ik heb, o God, geloften U gewijd. Ik breng het offer van mijn dankbaarheid en prijs U om uw goedertierenheid, uw hand kwam mij bevrijden. Ik zal in 't licht uws aanschijns mij verblijden, zodat ik U mijn leven kan gaan wijden, daar U mijn voet bewaarde tegen glijden, naar 't licht mij hebt geleid. Psalm 57 : 1-6 1 Wees mij genadig, Heer, wees mij nabij, want bij U schuil ik, sta mij toch terzij, alleen bij U weet ik mijn ziel geborgen. In uwer vleuglen schaduw berg ik mij, tot d' onheilsnacht wijkt voor de nieuwe morgen. 2 Ik roep tot God, de heerser van 't heelal, de HERE, die 't voor mij voleinden zal; Hij zal zijn redding zenden, mij bevrijden van allen die bedacht zijn op mijn val. Zijn waarheid en zijn trouw staan mij terzijde. 3 Te midden van de leeuwen lig ik neer. Geweldenaars gaan tegen mij tekeer, vuurspuwend en met tongen scherp als zwaarden. Verhef U boven alle heemlen, Heer, uw heerlijkheid zij over heel de aarde. 4 Zij hebben mij een valstrik uitgezet, maar God bevrijdt mijn voeten uit het net. Zij hebben mij arglistig met hen allen een kuil gegraven, maar ik ben gered en zij zijn reddeloos erin gevallen. 5 In U, Heer, heeft mijn hart zijn zekerheid, U wil ik loven, die mij hebt bevrijd. Ziel, maak u op, den Here groot te maken, gij harp en lier, toon dat gij vrolijk zijt, doe met uw lied het morgenlicht ontwaken. 6 Ik breng, o Heer, voor heel de wereld eer aan U, van wien ik zingend profeteer. Uw gunst en trouw zijn hemelhoog verheven. Verhef U boven alle heemlen, Heer, uw heerlijkheid zij over alle leven! Psalm 58 : 1-5 1 U die in hoogheid bent gezeten, spreekt u wel recht naar ambt en plicht? Bent u rechtvaardig als u richt? Veeleer wilt u van recht niet weten, omdat uw weegschaal overhelt naar willekeur en naar geweld. 2 Zij zijn ontrouw, zo reeds geboren, ja leugenaars, hun leven lang. Venijnig zijn ze als een slang die naar het fluitspel niet wil horen, niet luistert naar wie hem bezweert, naar geen belezer, hoe volleerd. 3 O God, verbrijzel hun de tanden, breek bij dit leeuwenbroed ze uit. Stort, HERE, hen als water uit. En nemen zij hun boog in handen, laat dan hun pijlen, vol venijn, geknakt of afgebroken zijn. 4 Laat hen gelijk een slak verdwijnen, die kruipend wegsmelt op zijn baan. Doe als een misdracht hen vergaan, die nooit het zonlicht heeft zien schijnen, als dorens, uit het vuur gewaaid, nog eer een vlam is opgelaaid. 5 Verblijden zal zich de oprechte: de dag van wraak breekt zeker aan. Hij zal dan met zijn voeten staan in 't bloed van wie de rechtsgang schenden. Ja, zo beloont de HEER zijn knecht, ja, zo doet God op aarde recht. Psalm 59 : 1-7 1 Kom, Heer, mij uit de hand bevrijden van die mij haten en bestrijden; red Gij mij, treed voor mij in 't veld, ontruk mij aan hun ruw geweld. Verlos mij van die kwaad bedrijven en die met bloed hun sporen schrijven. Zij zijn met al hun brute kracht alleen op mijn verderf bedacht. 2 Wat heb ik tegen hen misdreven, dat zij belust zijn op mijn leven? Ik heb hun nimmer kwaad gedaan, en nochtans vallen zij mij aan. Te hulp, ontwaak, HEER der heerscharen! Doe toch uw oordeel nedervaren! Gij God van Isrel, sla ze, sla wie 't recht verraadt, heb geen gena! 3 Als honden die hun prooi begeren hoort men ze 's avonds wederkeren en huilend gaan de stadsmuur rond. O God, venijn is in hun mond, scherp als een zwaard is wat zij zeggen. Sla acht op wat zij overleggen: 'Wie zou ons horen!' - maar Gij spot met die vermeetlen, HEER mijn God. 4 Ja, U mag ik mijn sterkte noemen, mijn vaste burcht, U wil ik roemen! Treed met uw heil mij tegemoet, Gij, die het kwaad hen boeten doet. Doe niet terstond die trotsen sterven, maar laat ze dolen, laat ze zwerven, opdat mijn volk het niet vergeet, maar van uw trouw, uw oordeel weet. 5 O God mijn schild, richt ze te gronde, want in hun mond is enkel zonde, zij brengen niets dan leugen voort; verstrik hen in hun eigen woord. Verdoe ze in hun hoogmoed, HERE, laat hen uw heilge toorn verteren, opdat zij weten: Jakobs God heeft alles onder zijn gebod. 6 Als honden die hun prooi begeren hoort men ze 's avonds wederkeren en grommend gaan de stadsmuur rond: niet een van hen, die voedsel vond. Maar ik bezing uw grote daden, prijs elke morgen uw genade, want Gij zijt in benauwenis de burcht die mijn vertrouwen is. 7 Ja, U mag ik mijn sterkte noemen, mijn vaste burcht, U wil ik roemen! O God, wiens goedertierenheid zich over mij heeft uitgebreid. Psalm 60 : 1-5 1 O God, hoe hebt U ons bedroefd, in toorn verstoten en beproefd. Herstel ons en genees het land, dat beeft en wankelt door uw hand. Heel al zijn scheuren, trouwe God, U zelf zond ons dit harde lot door ons de beker vol te schenken en tot bedwelming ons te drenken. 2 Aan hen die U zijn toegewijd, gaf U een teken in de strijd: zich op te stellen in het veld, gewapend tegen het geweld. Uw rechterhand zij met ons, HEER, geef ons de overwinning weer. Bevrijd het volk door U verkoren, geef antwoord, Heer, wil ons verhoren. 3 God heeft beloofd in 't heiligdom, dat ik straks juichend wederkom, wanneer ik Sichem delen zal, het meetsnoer trek door Sukkots dal. Heel Gilead behoort aan mij, Manasse kent mijn heerschappij, als helm zal Efraïm mij dekken, tot scepter zal mij Juda strekken. 4 Het land van Moab, diep veracht, breng ik, met Edom, in mijn macht. In heel het Filistijns gebied klinkt luid mijn overwinningslied. Wie leidt m' in Edoms sterke stad? U, Heer, die ons verstoten had. Zult U niet zelf ons leger leiden? Zult U, o God, voor ons niet strijden? 5 Heer, bied ons hulp, geef door uw hand ons redding van de tegenstand. Bewaar ons in de zware strijd, want mensenhulp is ijdelheid. De Heer geeft door zijn grote macht tot kloeke daden ons de kracht. Hij zelf zal ons de zege geven, de vijand wordt door Hem verdreven. Psalm 61 : 1-6 1 Wil, o God, mijn smeking horen, neig uw oren en sla acht op mijn gebed. In verafgelegen streken, haast bezweken, roep ik tot U, Heer, die redt. 2 Laat mijn voet een rots betreden, leid mijn schreden, als mijn kleine kracht bezwijkt. Wees mijn schuilplaats en mijn toren, als tevoren, waar geen vijand mij bereikt. 3 Laat mij op mijn biddend vragen al mijn dagen wonen in uw tent, o Heer. Waar uw vleugels, vol ontfermen, mij beschermen, wil ik schuilen immermeer. 4 Want, o God, U hebt tevoren willen horen mijn geloften U gedaan. U zult hun het erfdeel geven die hun leven wijden aan uw grote naam. 5 Blijf, o God, de koning sparen tal van jaren, doe hem tronen voor uw oog. Zend als wachters aan zijn zijden, die hem leiden, trouw en goedheid van omhoog. 6 Dan doe ik U eer ontvangen in gezangen aan uw grote naam gewijd. 'k Zal geloften U betalen vele malen tot uw lof in eeuwigheid. Psalm 62 : 1-6 1 Voorwaar, ik keer mij stil tot God. Hij is mijn heil, mijn vaste rots. Een schuilplaats wil Hij voor mij wezen. Alleen bij Hem is hulp in nood. Hij is mijn burcht, zijn macht is groot, ik wankel niet, ik zal niet vrezen. 2 Hoe lang nog stormt u op mij aan om als een muur mij stuk te slaan, een wand, die helt en dreigt te breken? Mijn val is doel van hun beraad. Zij vloeken in hun hart, vol haat, ook als hun lippen zegen spreken. 3 Wees stil, mijn ziel, keer u tot God. Voorwaar, Hij is mijn vaste rots, van Hem blijf ik mijn heil verwachten. Alleen bij Hem is hulp in nood, Hij is mijn burcht, zijn macht is groot, ik wankel niet, Hij schenkt mij krachten. 4 In God is al mijn heil, mijn eer, mijn sterke rots is God, de Heer, mijn schuilplaats is Hij in het lijden. Vertrouw op Hem, o volk, in smart. Stort voor Hem uit geheel uw hart. God is een toevlucht t' allen tijde. 5 Voorwaar, de mensen, arm of rijk, zijn aan een ademtocht gelijk, als God hen in zijn schaal gaat wegen. Stel geen vertrouwen op geweld, op groot bezit aan goed of geld. Op roof en onrecht rust geen zegen. 6 God sprak tot mij dit ene woord, ik heb het meer dan eens gehoord: van God is alle macht en sterkte. Bij U is goedertierenheid, want, Heer, in uw gerechtigheid vergeldt U elk naar wat hij werkte. Psalm 63 : 1-4 1 O God, mijn God, ik zoek uw hand, ik dorst naar U, blijf op U wachten. Zie hoe mijn ziel en lichaam smachten naar U in droog en dorstig land. Zo sloeg ik steeds op U mijn ogen, als ik uw heilig huis bezocht, uw heerlijkheid aanschouwen mocht en vreugde vond in uw vermogen. 2 Uw liefde is het hoogste goed dat U, o God, mij hebt gegeven, uw trouw is beter dan het leven, U bent het die mij juichen doet. Ik wil U prijzen al mijn dagen, waartoe uw goedheid mij bewoog, mijn handen hef ik naar omhoog, om heel mijn hart U op te dragen. 3 Dit is de spijze die mij voedt, dat ik U prijs in stille nachten en overleg in mijn gedachten, hoe U mij altijd hebt behoed. U wilt mij met uw vleugels dekken. Dan juicht mijn ziel, uw naam ter eer, zij hangt geheel U aan, o Heer. Geen mens kan uit uw hand mij trekken. 4 Wie mij bedreigen met geweld, het dodenrijk verslindt hun leven. Men zal aan 't zwaard hen overgeven: aas voor de jakhals in het veld. Maar in de Heer zal zich verheugen de vorst, die door Gods gunst regeert. Verheugd is elk die bij Hem zweert; te gronde gaat het rijk der leugen. Psalm 64 : 1-6 1 Behoed mij, Heer, hoor naar mijn klagen! De vijand trekt mij tegemoet. Al wat er woelt en onrecht doet is tegen mij, legt mij zijn lagen. Doe redding dagen! 2 Hun tong is als een scherpe degen, hun woord is als een pijl gepunt op mijn onschuldig hart gemunt. Zij zijn in hinderlaag gelegen langs al mijn wegen. 3 Zij zeggen: 'Laat ons strikken spannen, geen ziet ze, geen die ons verraadt!' Zij zijn voortdurend uit op kwaad en pochen op hun slinkse plannen mij t' overmannen. 4 Wie zal hun listig hart doorgronden? - Daar treedt de Heer hun tegemoet. Hoe zijn zij in hun overmoed door zijn geduchte pijl gevonden! Zie toch hun wonden! 5 Het vlijmscherp wapen dat zij smeedden, hun tong, het werktuig van hun macht, heeft nu henzelf ten val gebracht. God sloeg hen, zij zijn zonder vrede - door elk gemeden. 6 Lof zij den HEER! Laat elk Hem vrezen en spreken van zijn grote daad. Oprechten mogen vroeg en laat schuilen bij Hem en vrolijk wezen. God zij geprezen. Psalm 65 : 1-6 1 De lofzang klinkt uit Sions zalen tot U met stil ontzag. Daar zal men U, o God, betalen geloften dag aan dag. U hoort hen die uw heil verwachten, o Hoorder van 't gebed. Zo naderen al de geslachten tot U, die 't leven redt. 2 Een stroom van ongerechtigheden had d' overhand op mij, maar U verzoent ons overtreden en maakt van schuld ons vrij. Welzalig die U hebt verkoren om in uw heilig hof te wonen om uw heil te horen, te zingen tot uw lof. 3 Daar worden wij door U verzadigd met heil voor ons bereid. U antwoordt ons met grote daden in uw gerechtigheid. God van ons heil, o vast vertrouwen van ieder volk en land, de verste volkeren aanschouwen de werken van uw hand. 4 U die de bergen op de aarde gegrond hebt door uw macht en die de woeste zee bedaarde, U bent bekleed met kracht. U stilt het luid rumoer der volken, uw wondren vrezen zij. Van morgenrood tot avondwolken looft elk uw heerschappij. 5 Het land bezoekt U met uw zegen en schenkt het overvloed. U drenkt het met een milde regen, die 't zaad ontkiemen doet. Uw beek, vol water, vult de voren, U laaft het akkerland. Zo rust uw zegen op het koren, de gave van uw hand. 6 U kroont het jaar, Heer, met uw zegen, de steppe druipt van vet. De heuvels juichen allerwegen, waar U uw voet ook zet. Met vee bekleedt U al de weiden, met graan tooit zich het dal, hun lied weerklinkt van alle zijden, hun jubel overal. Psalm 66 : 1-7 1 Breek, aarde, uit in jubelzangen, Gods glorierijke naam ter eer. Laat van alom Hem lof ontvangen. Geducht zijn uwe daden, Heer. Uw tegenstanders, diep gebogen, aanvaarden veinzend uw beleid. Heel d' aarde moet uw naam verhogen, psalmzingen uwe majesteit. 2 Komt, ziet nu de geduchte werken die God aan mensen heeft gedaan: Hij stelde aan de waatren perken, droogvoets zijn zij erdoor gegaan. Laat zich ons hart in Hem verblijden: God houdt de volken in het oog. Zijn rijk is over alle tijden. Gij trotsen, draagt het hart niet hoog. 3 Doe onze God uw loflied horen, gij volken, zingt alom op aard, looft Hem door wie wij zijn herboren, die ons voor wanklen heeft bewaard. Gij toetst ons, Gij beproeft ons leven, zoals men erts tot zilver smelt. Gij die ons, aan het vuur ontheven, gelouterd voor uw ogen stelt. 4 Gij bracht ons in des vijands netten. Hij heeft het tuig ons aangelegd om in het zadel zich te zetten, en als een rijdier ons geknecht. Hij heeft ons in het vuur gedreven en door de wateren gejaagd. Toen hebt Gij 't leven ons hergeven en alles wat ons hart behaagt. 5 Ik kom met gaven in mijn handen. Zie, tot uw tempel treedt uw knecht en brengt U, Heer, de offeranden, U in benauwdheid toegezegd. Brandoffers wil ik U bereiden en zoete geuren op doen gaan. Ik wil U heel mijn leven wijden: aanvaard het, neem mijn offer aan. 6 Gij die God vreest, ik zal u spreken van al wat aan mij is geschied. Nauw richtte ik tot Hem mijn smeken, of in mijn hart was reeds een lied. Zou God mij hebben willen horen, wanneer ik onrecht had beraamd? Maar Hij nam mijn gebed ter ore, Hij heeft mijn bidden niet beschaamd. 7 De naam des Heren zij geprezen! Hij, die getrouw is en nabij, heeft mijn gebed niet afgewezen. De Heer is goed geweest voor mij. Psalm 67 : 1-3 1 De Here God zij ons genadig en tone ons zijn aangezicht. Zijn zegen schenke Hij weldadig, Hij doe ons wandlen in zijn licht, opdat allerwegen / volken zien de zegen van uw heil, uw woord. Ja, in alle landen, / aan de verste stranden, worde het gehoord. 2 Dat alle volken U belijden, U loven, Heer, met hart en mond, dat alle landen zich verblijden, laat juichen heel het wereldrond. Volken zult U richten, / U gaat vrede stichten door gerechtigheid. Volken aller landen / worden door uw handen tot uw heil geleid. 3 Dat alle volken, Heer, U prijzen, uw naam bezingen in hun lied. U wilt uw goedheid ons bewijzen, nu ons het land zijn vruchten biedt. God schenkt allerwegen / ons zijn rijke zegen. Hij, die alles geeft, Hij zij hoog geprezen, / Hem moet ieder vrezen die op aarde leeft. Psalm 68 : 1-13 1 De Heer staat op in majesteit, Hij doet zijn haters wijd en zijd al sidderende vluchten. Zij zijn verbijsterd door het licht van 's Heren heilig aangezicht, dat zij in doodsangst duchten. De bozen, Heer, hoe machtig ook, verwaaien snel als flarden rook, door storm uiteengedreven. Uw toorn, o God, doet van omhoog, als was versmelten voor uw oog, al wie U durft weerstreven. 2 't Rechtvaardig volk, in God verheugd, verblijdt zich en het juicht van vreugd: het heeft zijn wens verkregen. Het treedt te voorschijn in het licht, komt juichend voor Gods aangezicht en dankt Hem voor zijn zegen. Heft Gode blijde psalmen aan, laat 's Heren volk nu tot Hem gaan, laat al wat leeft Hem eren. Komt, zingt en speelt, in Hem verblijd, looft Hem, vervuld van dankbaarheid, looft Hem, zijn naam is HERE. 3 De weg moet worden toebereid voor Hem die door de velden rijdt, de Here, hoog geprezen, de rechter, die verdrukkers straft, aan weduwen haar recht verschaft, een vader is voor wezen. God geeft wie eenzaam is een thuis, Hij voert gevangenen naar huis, zijn heil wil Hij hun tonen, maar Hij doet al wie Hem verlaat en Hem halsstarrig wederstaat, in dorre streken wonen. 4 Heer, toen U uittrok voor uw volk, als gids hun voorging in een wolk, kwam heel het land tot leven. De heemlen dropen voor de Heer, de God van Israël kwam neer, de Sinaï ging beven. Daar heeft uw eigen volk gewoond, U hebt dat volk uw gunst betoond, U deed het niet versmachten. Want was uw erfdeel uitgeput, het werd door U gelaafd, beschut, U gaf het nieuwe krachten. 5 Geweldig klonk des Heren woord, een grote schare droeg het voort: de vijand is verslagen. De vorsten vluchtten voor Hem uit, de vrouwen deelden rijke buit: God heeft zijn hulp doen dagen. Zit u nog bij de kudde neer? De vrede schittert als weleer, als vleugelpronk van duiven. De sneeuw bedekte Salmons top, toen U de koningen, o God, verschrikt uiteen deed stuiven. 6 O Basans bergen, hemelhoog, uw toppen moeten ieders oog wel door hun trotsheid treffen. Waarom ziet u afgunstig neer op Sions berg, die Zich de Heer tot woonplaats wil verheffen? God zelf heeft deze berg begeerd, Hij wil daar eeuwig zijn geëerd als sterke vorst en koning. Toen God zijn volk had uitgeleid, koos Hij voor Zich in eeuwigheid de Sion tot zijn woning. 7 God zendt zijn machtig leger neer, tienduizend wagens, duizend keer, omringd door englenscharen. Van Sinaï is God, de HEER, als overwinnaar, groot in eer, naar Sion opgevaren. U steeg omhoog naar 't heiligdom, bracht krijgsgevangnen van alom in uw triomftocht mede. U nam hun aller schatting aan en bent uw woning ingegaan, de tempel van uw vrede. 8 Geloofd zij God met diep ontzag, Hij overlaadt ons dag aan dag met al zijn gunstbewijzen. Die God is onze zaligheid, wie zou die hoogste Majesteit dan niet met eerbied prijzen? Die God is ons een God van heil: Hij schenkt uit goedheid, zonder peil, ons eeuwig zalig leven. Hij kan en wil en zal in nood, zelfs bij het naadren van de dood, volkomen uitkomst geven. 9 De Heer verdelgt wie Hem weerstaat, Hij klieft het hoofd van wie Hem haat en tegen Hem blijft strijden. De Heer sprak: Ik breng Sion weer, het keert terug, dit is mijn eer, Ik zal mijn volk bevrijden. Ik neem dit volk uit Basan mee, zelfs uit de diepten van de zee zal Ik mijn volk verheffen. Zij zullen met hun voeten staan in 't bloed van wie Ik zal verslaan en met mijn wraak zal treffen. 10 Zij zien, o God, uw stoet vol vreugd, men zingt en meisjes slaan verheugd voor U de tamboerijnen. Zij juichen allen: Kom en zing. Loof God in uw vergadering, de levensbron der zijnen. Daar komt de stam van Benjamin, als jongste van het groot gezin, hij gaat aan 't hoofd der scharen; dan Juda's stam, die aanzien won, ginds Naftali en Zebulon, met zang en spel van snaren. 11 O Israël, u dankt uw macht alleen aan God, die u gedacht; blijf Hem dan ook gedenken. Heer, toon uw kracht, houd ons in stand, dan brengen U van elke kant de koningen geschenken. Zij stromen samen van alom, want, Here, naar uw heiligdom gaat uit hun sterk verlangen. Ter wille van uw tempel, Heer, brengt U Jeruzalem tot eer, daar zult U lof ontvangen. 12 Bedreig 't gedierte in het riet, de stierenmacht, die niets ontziet, de heersers met hun benden. Dit volk dat slechts uit eigenbaat, vol roofzucht in de oorlog gaat, brengt over ons ellende. Verstrooi elk volk, belust op strijd, dwing het tot onderworpenheid door ramp en nederlagen, totdat de oude dwingeland, Egypte, met het Morenland, aan U om vrede vragen. 13 O koninkrijken, zingt Gods lof. Eert Hem, die in het hemelhof de wereld blijft besturen. Hoort, daar weerklinkt met macht zijn stem. Geeft Gode sterkte, buigt voor Hem, Gods rijk zal eeuwig duren. Geducht is God, want Hij regeert, Hij wordt door Israël geëerd, niets gaat zijn roem te boven. Van deze God komt alle macht, zijn volk verleent Hij moed en kracht. Laat elk zijn grootheid loven. Psalm 69 : 1-11 1 O God, verlos mij, red mij uit mijn nood, nu 't water tot de lippen is gekomen. Ik zak in 't slijk, zink weg in diepe stromen, ik voel geen grond, de vloed is mij te groot. Mijn keel is hees van roepen in mijn leed, ik ben vermoeid, mijn ogen zijn bezweken van 't uitzien naar mijn God, die alles weet. Heer, antwoord mij op mijn aanhoudend smeken. 2 Ontelbaar als de haren van mijn hoofd zijn allen die mij zonder oorzaak haten. Groot is hun macht, geen onschuld kan mij baten, men eist terug wat ik niet heb geroofd. Zie toch hoezeer zij mij naar 't leven staan. O God, U kent mijn dwaasheid en mijn zonden. Wat ik misdeed, het kwaad door mij begaan, U weet het, Heer: ik heb uw wet geschonden. 3 Beschaam om mij het stil vertrouwen niet van hen die U verwachten in gevaren. Hoe zou mijn val, o Heer der legerscharen, hun alle hoop ontnemen in verdriet! Ik ben gesmaad, om Uwentwil onteerd, mijn broeders vreemd, gemeden door verwanten. De ijver voor uw huis heeft mij verteerd, ik word om U bespot van alle kanten. 4 Ik heb geweend en elke dag gevast, maar werd temeer met spot en hoon beladen. Ging ik in rouw, 't gaf nieuwe stof tot smaden. Het is voor mij een al te zware last. Ik werd hun tot een spreekwoord, waar ik ga. 'k Word in de poort door spotters druk besproken. Het dronken volk jouwt onbeschaamd mij na, hun spotlied klinkt op straat onafgebroken. 5 Maar mijn gebed stijgt op tot U, o HEER. Er is bij U een tijd van welbehagen. Doe naar uw trouw mij spoedig redding dagen. Verhoor, o God, toon uw ontferming weer. Red mij uit 't slijk, doe mij niet ondergaan. Wil het geweld van al mijn haters stuiten, laat in de vloed mijn leven niet vergaan en niet de afgrond boven mij zich sluiten. 6 Geef antwoord, HEER, uw gunst is immers groot. Wend U tot mij in grondeloos meedogen. Ik ben uw knecht, verberg toch niet uw ogen. Het is mij bang, geef antwoord in mijn nood. Wees in mijn angst, o God, mij toch nabij, snel mij te hulp en kom mijn ziel bevrijden. Wreed keren zich mijn haters tegen mij. U kent mijn smaad, U weet wie mij bestrijden. 7 Ik werd gesmaad, die schande brak mijn hart. Vergeefs wacht ik een teken van ontferming. Ik ben verzwakt, vind bij geen mens bescherming, geen enkel spoor van troost in al mijn smart. Wel heeft men gif tot spijs mij aangereikt, smachtend van dorst kreeg ik azijn te drinken. Geef dat hun dis voor hen een valstrik blijkt, die hen voorgoed in het verderf doet zinken. 8 Verduister, Heer, hun ogen waar zij gaan, doe in uw toorn hen wanklen en bezwijken, uw strafgericht moet elk van hen bereiken. Ja, laat hun kamp voorgoed verlaten staan, omdat zij mij vervolgen, hard en wreed, nu ik door U geplaagd ben en geslagen. Het is hun lust de droefheid en het leed van wie door U gewond zijn, uit te dragen. 9 Laat schuld aan al hun schuld zijn toegedaan, ja, laat hun kwaad tot aan de hemel stijgen, zodat zij geen rechtvaardiging verkrijgen. Laat niet hun naam in 't boek des levens staan, het boek, dat slechts rechtvaardigen vermeldt. Wil in mijn smart, o God, mij bijstand zenden. Alleen op U is al mijn hoop gesteld, uw heil zal mij verhogen uit ellende. 10 Ik zal Gods naam bezingen in een lied, met lofgezang Hem eren al mijn dagen. Ik weet dat dit Hem veel meer zal behagen dan rund of stier die ik ten offer bied. U allen die naar God ootmoedig vraagt, zult dan uw hoop met vreugde zien herleven. De HEER verhoort wie Hem zijn noden klaagt; nooit zal Hij zijn gevangenen begeven. 11 Looft, hemel, zee en aarde, looft de Heer, die Sion zal verlossen en bevrijden. Dan zal in Hem heel Juda zich verblijden, want Hij herbouwt zijn oude steden weer. Daar zal Gods volk weer wonen in zijn land, hun nageslacht zal dat ook eenmaal erven. Al wie Gods naam bemint, zal uit zijn hand een veilig huis voor altijd daar verwerven. Psalm 70 : 1-2 1 Haast U om mij te redden, God! O HEER, doe uw verlossing dagen. Maak hen beschaamd die mij belagen. Drijf met de spotters zelf de spot. Verlos, o Heer, mij uit de handen van wie mij naar het leven staan. Doe Gij het lachen hun vergaan, dan vluchten zij voor eigen schande. 2 Laat die U zoeken in hun nood verheugd een vrolijk lied beginnen. Laat allen die uw heil beminnen voortdurend zingen: God is groot! Maar ik ben arm, zie mijn ellende. Haast U tot mij, bevrijd mij, HEER! Gij zijt mijn hulp, toef niet te zeer, maar spoed U om mijn lot te wenden. Psalm 71 : 1-14 1 Bij U, o HEER, berg ik mijn leven. Beschaam in mijn verdriet mijn vast vertrouwen niet, want U alleen kunt uitkomst geven. Kom mij door recht bevrijden, verhoor mij in mijn lijden. 2 Wees mij een rots tot mijn bescherming, zodat ik altijd weer bij U kan schuilen, HEER. Want U, mijn God, U bent mijn vesting, U zult in al mijn vrezen mijn rots en redder wezen. 3 Bevrijd mij van de goddelozen, o God, red door uw kracht mij uit der bozen macht. Verlos mij van die trouwelozen. Zie, hoe ik vol vertrouwen op U mijn hoop blijf bouwen. 4 Want U bent mijn verwachting, HERE. Vanaf de moederschoot bent U mijn steun in nood. U geldt mijn lof, U zal ik eren, U, die mijn hele leven mijn helper bent gebleven. 5 Een wonder was ik in elks ogen, daar U mij hebt gespaard, beveiligd en bewaard. Nu wil ik U, mijn God, verhogen, uw luister steeds bezingen om al uw zegeningen. 6 Wil aan het einde van mijn dagen mij niet verwerpen, Heer. Mijn kracht vergaat steeds meer. Reeds zeggen zij die mij belagen: sla toe, hem zal niets baten, hij is door God verlaten. 7 Haast U, mijn God, kom mij toch helpen. Houd U niet ver van mij, maar stel U aan mijn zij. Kom hen met schande overstelpen, die op mijn leven jagen, met onheil mij belagen. 8 Ik hoop op U en zal U loven, uw recht van dag tot dag vermelden met ontzag. Uw heil gaat elk begrip te boven. Ik kan die grote schatten niet tellen of bevatten. 9 Uw grote daden zal ik prijzen. HEER, uw gerechtigheid verkondig ik altijd. U wilde mij steeds onderwijzen. Van jongsaf mocht ik leren uw wonderen te eren. 10 Blijf in mijn laatste levensjaren mij steunen als voorheen. Heer, laat mij niet alleen. Ik meld, als U mij nog wilt sparen, aan komende geslachten uw werk, uw grote krachten. 11 Ten hemel reikt voor ieders ogen, Heer, uw gerechtigheid en grote majesteit. Hoe machtig bent U in vermogen! Wie kan U evenaren, uw wonderen verklaren? 12 U die mij rampen deed ervaren, schenkt mij het leven weer. Maak U nu op, o Heer, wil mij voor verder onheil sparen, mij troosten en mij geven dat ik in eer mag leven. 13 Ik zal aan U mijn psalmen wijden, o God van Israël, bij harp- en citerspel. Mijn mond zal juichend U belijden, mijn ziel zal blij bezingen uw trouw en zegeningen. 14 Mijn tong zal heel de dag gewagen van uw gerechtigheid, waarin ik mij verblijd. Want U beschaamt wie mij belagen. De vijand is verdreven. U prijs ik heel mijn leven. Psalm 72 : 1-10 1 O God, wil aan de koning schenken uw recht en wijs beleid, wil hem, de koningszoon, bedenken met uw gerechtigheid. Laat hij uw volk besturen, Here, rechtvaardig, wijs en zacht, en uw ellendigen regeren, hun recht doen op hun klacht. 2 Dan zullen bergen vrede dragen en heuvels heilig recht. Voor heel het volk zal hij doen dagen het heil, hun toegezegd. Ellendigen zal hij bevrijden van onrecht dat hen drukt en armen redden uit hun lijden, vertreden wie verdrukt. 3 Dan zal men u, o koning, vrezen tot in het nageslacht, zolang er zon of maan zal wezen, u eren om uw macht. Hij zal hun zijn als milde regen die neerdaalt op het gras, als buien die met rijke zegen verkwikken het gewas. 4 Oprechten zullen alom groeien, daar 't onrecht dan verdwijnt. Ook zal de vrede volop bloeien, totdat geen maan meer schijnt. Van zee tot zee zal hij regeren, zover men volken vindt. Men zal van oost tot west hem eren en prijzen zijn bewind. 5 't Woestijnvolk buigt voor hem in vreze, zijn vijand likt het stof. Ook Tarsis zal schatplichtig wezen met gaven voor zijn hof. Uit Saba en uit Seba komen de vorsten met hun kunst, zij hebben schatting meegenomen en smeken om zijn gunst. 6 Ja, elke koning zal zich buigen en knielen voor hem neer. Elk volk zal van zijn macht getuigen, hem dienen tot zijn eer. Want deze vorst hoort naar de armen die roepen in hun nood. Hij helpt verdrukten vol erbarmen en redt hen van de dood. 7 Hij zal zich over elk ontfermen die zonder helper is. Hij zal geringen trouw beschermen, hun redding is gewis. Hij zal hen van geweld bevrijden, al gaat het nog zo hoog, hun bloed, hun tranen en hun lijden zijn kostbaar in zijn oog. 8 'De koning moge eeuwig leven!' bidt elk met diep ontzag. Men zal hem goud van Saba geven, hem prijzen heel de dag. Het land zij vol van golvend koren, gekoesterd door de zon, dat zijn geruis alom laat horen als op de Libanon. 9 De stedelingen zullen groeien zoals het groene kruid. Des konings naam zal altijd bloeien de eeuwen in en uit. Dan zal, na zoveel gunstbewijzen, 't gezegend heidendom de roem van deze koning prijzen, die Davids troon beklom. 10 De HERE God zij lof bewezen door alle tijden heen. Die HEER, in Israël geprezen, doet wondren, Hij alleen. Zijn naam moet eeuwig lof ontvangen, aan Hem alleen de eer. De aarde juiche met haar zangen: Ja, amen! Looft de HEER! Psalm 73 : 1-11 1 Ja, God is goed voor Israël, voor elk die leeft naar zijn bevel, die rein van hart de Heer blijft vrezen, hoe donker ook zijn weg mag wezen. Maar ach, hoe goed ik dit ook weet, zó zwaar te dragen was mijn leed, dat ik welhaast gewankeld had en bijna uitgleed op mijn pad. 2 Met afgunst werd mijn hart vervuld, ik had geen rust meer of geduld, toen ik de hoogmoed zag der bozen, de voorspoed van de goddelozen. Voor moeiten worden zij behoed, gaaf is hun lichaam, weldoorvoed. Zij worden voor het leed bewaard dat anderen niet blijft bespaard. 3 Zo wordt de trots hun halssieraad en het geweld hun pronkgewaad. De hoogmoed puilt hun uit de ogen, daar zij op hun verbeelding bogen. Hun mond brengt kwaad en onrecht voort en uit de hoogte klinkt hun woord. Zij spreken smalend tegen God, door heel de wereld klinkt hun spot. 4 Met veel bedrog en listigheid wordt heel het volk door hen misleid. Het drinkt hun laster en hun leugen als water in met volle teugen. Zij zeggen: Hoe zou God het zien, de Allerhoogste ons doorzien? Zo gaan zij zorgeloos hun gang, hun rijkdom groeit hun leven lang. 5 Vergeefs hield ik mijn hart steeds rein in al mijn tegenspoed en pijn. Wat zal ik op mijn woorden passen, in onschuld nog mijn handen wassen? De hele dag word ik geplaagd en elke morgen opgejaagd. Ja, nooit gaat er een dag voorbij, of straffen achtervolgen mij. 6 Maar als ik ook zo spreken zou, dan was ik aan Gods volk ontrouw. Ik zou Gods kinderen verraden, met grote schuld mijzelf beladen. Ik heb dit raadsel overdacht, 't ging boven mijn verstand en macht, totdat ik in Gods woning kwam, waar Hij die moeite van mij nam. 7 Toen gaf ik op het einde acht van heel dit goddeloos geslacht. U zelf plaatst hen op gladde wegen en komt hen met verschrikking tegen. Zij zijn tot puin ineengestort, zodat hun roem ontzetting wordt. Als U ontwaakt, verdwijnen zij, hun beeld gaat als een droom voorbij. 8 Verbitterd was ik in mijn hart, ik werd opstandig in mijn smart. Geprikkeld door de vele slagen was ik vol wrevel in mijn klagen. Ik was een dwaas, een onverstand, liet mij niet leiden door uw hand, gedroeg mij als een dier bij U, maar ik erken mijn dwaasheid nu. 9 Voortdurend zal ik bij U zijn in al mijn noden, angst en pijn, U al mijn liefde waardig schatten, U die mijn rechterhand omvatte. O God, die nimmer mij verlaat, U zult mij leiden door uw raad. En dan, hiertoe door U bereid, neemt U mij op in heerlijkheid. 10 Wie heb ik in de hemel hoog behalve U? Wat zou mijn oog op aarde naast U ooit begeren? U kan ik immers nooit ontberen! Bezwijkt mijn vlees en hart in nood, U blijft mijn rots, zelfs tot de dood. Niets is er wat mij van U scheidt, mijn erfdeel tot in eeuwigheid. 11 Wie ver van U geweken is, komt eenmaal om in duisternis. Hun zal in 't oordeel niets meer baten, die trouweloos uw dienst verlaten. Maar dit is mijn gelukkig lot: te mogen schuilen bij mijn God. Ik bouw op Hem geheel en al, de HEER, wiens werk ik roemen zal. Psalm 74 : 1-14 1 Waarom, o God, verstoot U voor altijd en brandt uw toorn zo fel in uw mishagen? Waarom geeft U ons zoveel leed te dragen? Gedenk uw volk, de schapen die U weidt. 2 Gedenk toch uw gemeente als weleer, door U verlost en daarna vast bevestigd op Sion, waar uw woning was gevestigd. Kent U, o God, uw erfdeel dan niet meer? 3 Treed nader, Heer, zie de verwoesting aan, de vijand heeft uw huis in puin geslagen. Zijn brallend lied weerklonk er vele dagen. Hij mocht daar bij zijn zegevaandel staan. 4 Als kreupelhout, versplinterd door de bijl, zo werd door hen het lofwerk der panelen verbrijzeld met hun hamers en houwelen. Zo werd ontwijd de woning van uw heil. 5 Zij staken, Heer, uw heiligdom in brand, om tot de grond uw naam zo te ontwijden. Zij spraken af: laat ons dit volk kastijden. Door vuur verging elk godshuis in het land. 6 Wij zien bij ons uw tekenen niet meer. Niet één profeet is ons tot troost gebleven. Zijn wij dan aan de vijand prijsgegeven? Hoe lang zal hij uw naam nog honen, Heer? 7 Waarom houdt U, o Heer, terug uw hand, uw rechterhand, die altijd heil bewerkte? Strek hem toch uit! Bent U niet onze sterkte! Verdelg de vijand, drijf hem uit het land. 8 En toch is God vanouds mijn God en Heer, mijn Koning die verlossing bracht op aarde en overal zijn werken openbaarde, die Israël verloste telkens weer. 9 U hebt de zee gekliefd, Heer, door uw kracht, ook Leviatans koppen daar gespleten, de draken in de zee uiteengereten en die als aas naar de woestijn gebracht. 10 Uw almacht deed ontspringen beek en bron en sterke stromen deed U toch verdrogen. Ook dag en nacht bestaan door uw vermogen, U schiep de hemellichten en de zon. 11 U die eertijds de grens van zee en land bepaald hebt in vrijmachtig welbehagen, U schiep de zomer- en de winterdagen, de jaargetijden houdt U, Heer, in stand. 12 Gedenk dit, Heer, de vijand smaadt uw eer. Geef aan het roofdier toch uw volk niet over, uw tortelduif niet aan de brute rover. Wil de verdrukten niet vergeten, HEER. 13 Aanschouw, o Heer, aanschouw toch uw verbond. Het land is vol geweld in donkre holen. Houdt U voor de verdrukte niet verscholen, leg hem opnieuw een lofzang in de mond. 14 Sta op, o God, beslecht uw eigen zaak. Gedenk de smaad van wie U dwaas bestrijden en het getier dat klinkt van alle zijden. Vergeet het niet! Sta op, o God, ontwaak! Psalm 75 : 1-6 1 U alleen, U loven wij, / ja, wij loven U, o Heer. Wij verkondigen uw eer, / want uw naam is ons nabij. Daarom roemt het hele land al de wondren van uw hand. 2 Ik bepaal mijn eigen tijd / en Ik oordeel volgens recht. Is geen fundament meer hecht, / mist de wereld vastigheid? Ik heb naar mijn hoge wet haar pilaren vastgezet. 3 Tot de trotsen klinkt mijn woord: / weest in hoogmoed niet verblind. En tot hem die 't kwaad bemint: / ga niet in uw dwaasheid voort. Heft uw hoorn niet trots omhoog, spreekt niet met geheven hoofd. 4 Oost noch west verleent u macht, / ook geen bergland of woestijn, want God zelf zal rechter zijn. / Waar u ook uw hulp verwacht, wat uw trotsheid ook beoogt: Hij vernedert, Hij verhoogt. 5 God, de HEER, houdt in zijn hand / een kelk vol gemengde wijn. Goddelozen, groot en klein, / drinken, ondanks tegenstand, deze drank, naar Gods besluit, tot de laatste droesem uit. 6 Dit vermeld ik in mijn lied, / ik zing Jakobs God ter eer. Trotse hoornen sla ik neer / en ik doe hun macht teniet. Wie zijn heil van God verwacht, ziet zijn hoorn verhoogd in kracht. Psalm 76 : 1-4 1 Heel Juda kent Gods naam en eer, groot is in Israël de Heer. In Salem, waar Hij woning vond, heeft Hij zijn Sionsburcht gegrond. Daar heeft Hij zelf, in toorn ontstoken, de kracht van boog en zwaard verbroken. 2 U kwam in schittering van licht de bergen af tot het gericht. De trotse vijand werd verdoofd, de sterken zijn van kracht beroofd. O Jakobs God, uw dreigend wapen deed paard en ruiter heel diep slapen. 3 Wie houdt er voor uw ogen stand, als uw geduchte toorn ontbrandt? Als U het hemels vonnis velt, zwijgt heel de aarde, diep ontsteld. Maar wie ootmoedig voor U leven, zal uw gericht verlossing geven. 4 De vijand looft uw majesteit, want U bedwingt zijn grimmigheid. Doet dan geloften aan de HEER, brengt gaven, geeft Hem allen eer. Hij, die in toorn geen vorsten spaarde, Hij is geducht op heel de aarde. Psalm 77 : 1-6 1 Roepend om gehoor te vinden, om bij God gehoor te vinden, roep en smeek ik onverpoosd maar mijn ziel blijft ongetroost. Nu de druk mij overmande, hef ik tot de Heer mijn handen, maar 't gedenken is mij pijn, nu ik zonder God moet zijn. 2 's Nachts doet Gij mijn ogen staren. Denkend aan het spel der snaren, aan de dagen van weleer, vindt mijn hart geen woorden meer. En ik vraag aan mijn gedachten: laat de Heer voor immer smachten? Neemt Hij hen die smekend staan niet meer in genade aan? 3 Zou de Heer zijn volk verstoten? Heeft de toorn zijn hart gesloten? Is zijn gunst voorgoed voorbij? Blijft niet wat Hij eenmaal zei? Kan God zijn gena vergeten? Heb ik steeds vergeefs geweten, dat des Allerhoogsten kracht stand houdt tot het laatst geslacht? 4 God, op wat Gij eens verrichtte, wil ik mijn betrouwen stichten. Wat Gij eens gedaan hebt is steeds in mijn gedachtenis. Heel de wereld zag uw sterkte, zag de wondren die Gij werkte, toen Gij, groot in heiligheid, Jakobs volk hebt uitgeleid. 5 Toen Gij door het diepst der zee ging, zag U d' afgrond aan met beving. Wolken goten water uit. Luchten dreunden van geluid. Toen uw felle bliksemschichten huiverend uw weg verlichtten en uw donder om U ging, lag heel d' aard in siddering. 6 God, uw pad was door de golven. Waatren hebben het bedolven en uw voetspoor uitgewist: geen die nog uw treden gist. Maar Gij gaaft een goed geleide aan het volk dat Gij bevrijdde: Mozes' en Aärons hand voerde 't in een veilig land. Psalm 78 : 1-20 1 Mijn volk, hoor toe en neem mijn leer ter ore. Versta het woord, o volk door God verkoren, dat onze vaderen ons deden horen, 't geheimenis, verkondigd lang tevoren. De grote daden die de Heer volbracht, vertellen wij nu aan het nageslacht. 2 God heeft zijn wet aan Israël gegeven, voor Jakobs zaad een ordening ten leven. Die hebben zij hun kindren voorgeschreven. Dan zullen die, in 's HEREN dienst bedreven, van kind tot kind vertrouwen op hun God, gedachtig aan zijn werk en hoog gebod. 3 Ons staat het beeld der vaderen voor ogen, weerbarstig en tot ontrouw snel bewogen. Toen Efraïm ten strijde was getogen, keerde hij om, kon op zijn kracht niet bogen. Hij dwaalde af en brak met Gods verbond, vergat Gods weg en wonderwerk terstond. 4 God deed zijn wonderen in vroeger tijden. Het volk zag Hem in Soans velden strijden. Hij kwam hun door de zee een weg bereiden, door de woestijn bleef Hij hen veilig leiden. Zij trokken voort en God gaf hun als wacht een wolk bij dag, een vurig licht bij nacht. 5 Zijn machtig woord deed in de dorre streken een stroom van water uit de rotsen breken. Toch bleven zij de hoge God weerspreken, verzochten Hem en vroegen om een teken: kan Hij die uit de rotsen water bracht, ons brood en vlees verschaffen door zijn macht? 6 Maar op dit woord is God in toorn ontstoken, een brandend vuur heeft Jakobs kwaad gewroken. Want aan vertrouwen had het hun ontbroken, en zij verwierpen wat God had gesproken. Toen daalde van de hemel op Gods wenk het manna neer als dagelijks geschenk. 7 Zij hebben uit de hemel brood gekregen, dat englenbrood zond God hun als een regen. Hij deed uit oost en zuid de wind opsteken, waarmee de vogels kwamen neergestreken. Zij daalden zelfs rondom Gods woning neer: in heel het kamp leed niemand honger meer. 8 Nog stilden zij hun vleselijk begeren, toen God in toorn Zich tegen hen moest keren. Hij zond een plaag, die velen zou verteren, toch hebben zij daar niet van willen leren. God deed de tijd die hun nog resten zou, voorbijgaan in verschrikking, angst en rouw. 9 Trof hen zijn straf - zij gingen naar Hem vragen, zij zochten God, bekeerd door zware plagen. Zij noemden Hem hun rots sinds vroeger dagen, de hoogste God, hun redder op hun klagen. Maar zij beleden Hem slechts met de mond, hun hart was ver van God en zijn verbond. 10 God heeft de schuld barmhartig hun vergeven, het kwaad verzoend, dat door hen was bedreven, zijn toorn gestild, waardoor Hij hen deed beven. En Hij gedacht: hoe kort slechts is hun leven. Wie kent de maat van hun weerspannig zijn, het grieven van hun God in de woestijn? 11 Zij gingen voort de Heilige te smaden, verzochten Hem, vergaten al zijn daden, vergaten ook hoe zij Hem eens aanbaden, toen plagen de Egyptenaren schaadden. God sloeg het land. Toen werd rivier en bron tot bloed, zodat geen mens meer drinken kon. 12 Ook liet Hij hen door vliegen hevig steken en kikkers deed Hij komen uit de beken. De sprinkhaan kwam, vernielde hele streken, de wijnstok is door hagelstorm bezweken. De moerbeiboom brak af door dit geweld, het vee kwam om, door noodweer neergeveld. 13 Door pest deed God Egyptenaren sterven; Hij zond zijn englen om hen te verderven. Hun oudste zonen, zij die zouden erven, zij moesten door Gods straf het leven derven, zij werden neergeveld door 's HEREN hand, tot schrik en rouw in heel Egypteland. 14 God kwam zijn volk uit slavendienst bevrijden. Door de woestijn ging Hij zijn kudde leiden. De legermacht die tegen hen kwam strijden: de zee verzwolg het paard en zijn berijder. God leidde hen naar zijn gewijde grond en bracht hen bij de berg van zijn verbond. 15 Hij heeft veel volken voor hen uitgedreven, om hun gebied aan Israël te geven. Toch ging het volk niet naar Gods wetten leven, maar bleef de Allerhoogste steeds weerstreven. Afkerig zijn zij, als een boog die faalt, hun vaderen gevolgd en afgedwaald. 16 Door beeldendienst en ergerlijke zonden werd God getergd, zijn hoge eer geschonden. Het volk waaraan de Heer Zich had verbonden, werd nu versmaad en door zijn toorn verslonden. Zijn woning, die te Silo was gesticht, verliet Hij als bewijs van zijn gericht. 17 Hij gaf zijn ark de vijand zelfs in handen, dit sieraad gaf Hij prijs aan heidenlanden, zijn volk aan vuur en zwaard, aan diepe schande, zijn priesters en zijn jeugd aan dood en banden. Geen bruidslied werd meer in het huis gehoord, zo grote smart bracht zelfs geen klaagzang voort. 18 Toen stond God op, zoals een held na 't slapen ontnuchterd is en omziet naar zijn wapen, om smadelijk de vijand weg te rapen, die zoveel kwaad en onheil had geschapen. Niet Efraïm, niet Jozef was Gods eer, maar Juda's stam en land verkoos de Heer. 19 Slechts Sions berg, bemind sinds vroeger dagen, mocht nu de woning van de Here dragen; daar heeft Hij haar gesticht naar zijn behagen, zo vast als Hij de aarde wilde schragen. God stelde David daar tot koning aan Om Israël, zijn erfdeel, voor te gaan. 20 Geen beter deel kon God zijn volk bereiden: Hij gaf zijn knecht, die Israël mocht leiden. Als knaap was hij gewend het vee te weiden, als man geroepen voor zijn volk te strijden. Oprecht van hart heeft David hen gehoed. Gods kudde leidde hij bekwaam en goed. Psalm 79 : 1-5 1 O God, nu zijn de heidenen gekomen, zij hebben heel uw erfdeel ingenomen, uw heilig huis ontwijd en afgebroken, Jeruzalem, uw stad, in brand gestoken. Uw knechten zijn geveld, gevallen door geweld, tot voedsel voor de gieren. Zijn liggen wijd en zijd rondom uw stad verspreid, een prooi voor wilde dieren. 2 Hoe vloeide 't bloed van zoveel duizendtallen. En niemand groef een rustplaats voor die allen. Wij zijn een smaad voor wie rondom ons wonen, die kunnen ons nu ongehinderd honen. Hoe lang nog duurt die spot? Hoe lang uw toorn, o God? Tref met uw straf de zonden van 't volk dat U niet eert, dat Jakob heeft verteerd en heel zijn land geschonden. 3 Gedenk niet meer het kwaad van voorgeslachten. Zie, hoe wij uw barmhartigheid verwachten. God van ons heil, wij zijn verzwakt door lijden. Het geldt uw eer, kom spoedig ons bevrijden. Verzoen het grote kwaad dat ons voor ogen staat, laat U door ons verbidden. Het geldt uw naam, o God, wanneer de heiden spot: Is God niet in hun midden? 4 Wil voor ons oog nog onze zaak beslechten en wreek het bloed van uw verslagen knechten. O Here, hoor gevangenen die zuchten, red wie tot U in doodsgevaren vluchten. Die smaad, U aangedaan, het kwaad dat werd begaan, vergeld het zevenvuldig. Aan U de wraak, o Heer! Hoe schonden zijn uw eer. Houd hen toch niet onschuldig. 5 Dan zullen wij, de schapen van uw weide, in eeuwigheid uw roem, uw eer verbreiden. Geslachten lang klinkt dan het lied naar boven van hen die blij uw naam en grootheid loven. Psalm 80 : 1-10 1 O herder, die uw volk wilt leiden, als schapen Israël wilt weiden, die Jozef als uw kudde hoedt, verhoor ons, HERE, wees ons goed. Gij, die uw troon op cherubs sticht, verschijn ons in uw blinkend licht. 2 Kom Efraïm uw sterkte tonen, doe Benjamin weer veilig wonen. Bevrijd Manasse, wend ons lot, kom tot ons met uw heil, o God. Verlos ons, toon ons 't lieflijk licht van uw vertroostend aangezicht. 3 O HERE, God der legerscharen, komt nooit uw gramschap tot bedaren? Hoor, hoe uw volk U smeekt in nood, Gij, die hen voedt met tranenbrood, Gij schenkt hun steeds een overvloed van tranen, die Gij drinken doet. 4 Door allen die rondom ons wonen, laat Gij ons ongehinderd honen. Zie, hoe de vijand ons bespot. Herstel ons door uw macht, o God. Verlos ons, toon ons 't lieflijk licht van uw vertroostend aangezicht. 5 Gedenk hoe Gij in vroeger jaren voor ons geen volk hebt willen sparen. Uw wijnstok uit Egypteland hebt Gij in dit gebied geplant, de bodem voor hem toebereid, hem daar doen groeien rijk en wijd. 6 Hij dekte bergen met zijn ranken, gaf koele schaduw aan hun flanken. Zijn twijgen klommen voor uw oog zelfs boven ceders naar omhoog. Zijn takken reikten tot het strand, zijn scheuten tot het stromenland. 7 Waarom hebt Gij zijn muur doorbroken, is hij van veiligheid verstoken? Nu plukt men vrij zijn rijpe vrucht. De ever teistert hem geducht. Hij kwijnt, geschonden door geweld van wat zich roert in woud en veld. 8 Keer weer, o God der legerscharen. Aanschouw wat ons is wedervaren. Herstel uw wijnstok door uw hand, de stek die Gij eens hebt geplant. Gedenk de zoon die Gij bemint en grootbracht als uw eigen kind. 9 Uw wijnstok werd door vuur geschonden, als onkruid door de vlam verslonden. Uw volk vergaat voor uw gericht, bij 't dreigen van uw aangezicht. Bescherm de man die Gij bemint en grootbracht als uw eigen kind. 10 Doe ons uw kracht ten leven blijken, dan zullen wij van U niet wijken. Dan wordt uw naam door ons geëerd, o HEER, die alle ding regeert. Verlos ons, toon ons 't lieflijk licht van uw vertroostend aangezicht. Psalm 81 : 1-12 1 Jubelt voor de Heer, / juicht in uw gezangen. Jakobs God zij eer. / Hij heeft alle macht, Hij is onze kracht, / Hij moet lof ontvangen. 2 Zingt bij harp en luit, / slaat de tamboerijnen. Bij bazuingeluid / breekt de feestdag aan. Laat bij volle maan / heel het volk verschijnen. 3 God heeft Israël / dit gebod gegeven. 't Werd op zijn bevel, / toen Egypteland beefde voor zijn hand, / Jozef voorgeschreven. 4 Hoort des HEREN woord / door Hemzelf gesproken: Ik heb u verhoord, / van uw last bevrijd. 't Juk der dienstbaarheid / is door Mij verbroken. 5 Ik heb in uw strijd / u mijn hulp gegeven. Uit de donkerheid / sprak Ik van gena. Maar bij Meriba / toetste Ik uw leven. 6 Hoor, o Israël, / leef naar mijn geboden. Dit is mijn bevel: / geef geen afgod eer, buig u nimmer neer / voor de vreemde goden. 7 Eer dan Mij alleen, / 'k ben uw God, de HERE. Ik die u voorheen / veilig door mijn hand, uit Egypteland / leidde, Mij ter ere. 8 Open maar uw mond, / bid tot Mij vrijmoedig, pleit op mijn verbond: / al wat u ontbreekt, schenk Ik, als u 't smeekt, / mild en overvloedig. 9 Maar mijn volk heeft niet / naar Mij willen horen. Toen het Mij verliet, / liet Ik hen begaan in hun eigen waan / op verkeerde sporen. 10 Ach, mocht Israël / toch mijn wegen leren. Waarlijk, Ik zou snel / door mijn sterke hand 's vijands tegenstand / triomferend keren. 11 Haters van de HEER / zouden Hem dan vrezen, bogen veinzend neer / voor zijn aangezicht. Aan Gods strafgericht / zou geen einde wezen. 12 Ik zou u tot spijs / welig graan doen groeien en als klaar bewijs / van de goedheid Gods, honing uit de rots / als een beek doen vloeien. Psalm 82 : 1-3 1 God staat in 't midden van de goden, zij horen niet naar zijn geboden. Hij daagt de rechters voor 't gerecht, het oordeel wordt hun aangezegd. Hoe lang nog zult u onrecht plegen? Wordt ook bij u geen recht verkregen? Verafschuwt u een rechtspraak niet die goddelozen gunsten biedt? 2 Beschermt de wezen en geringen, weest eerlijk in hun rechtsgedingen. Bevrijdt uit goddeloze hand verdrukte armen in uw land. Het onverstand bestuurt hun daden, zij dwalen rond op duistre paden. Zo wankelt heel het fundament der aarde, die geen recht meer kent. 3 Ik gaf u wel de naam van goden - de Allerhoogste noemt u zonen - maar als een vorst, hoe sterk en groot, komt u ten val, vindt u de dood. Sta op, o God! Zend uw gerichten naar wie op aarde onheil stichten. Want volk bij volk is toch alom van U alleen het eigendom. Psalm 83 : 1-6 1 Houd U niet stil, zwijg niet, o God. Aanschouw niet werkeloos ons lot. De vijand tiert, hij wil ons treffen. Zie, hoe uw haters zich verheffen, met valse list uw volk verraden en uw beschermelingen smaden. 2 Zij zeggen: Sla dat volk toch neer, gun Israël geen leven meer, die naam zelfs moet vergeten worden. Verzameld zijn hun wrede horden, eenparig in verbond getreden om tegen U hun plan te smeden. 3 Bij Edom sluit zich Moab aan, door Hagars kindren bijgestaan met Ammon en de Filistijnen. Uit Tyrus komt ook hulp verschijnen. Lots zonen en hun bondgenoten zien Assur zelfs hun macht vergroten. 4 Sla hen, zoals Midjan weleer, als Sisera en Jabin neer, wier mannen bij de Kison lagen, in Endors veld geheel verslagen. Doe hen die thans uw land verderven, als Zebach en Salmuna sterven. 5 Mijn God, verjaag hen door uw straf, zoals de wind speelt met het kaf. Gelijk een vuur, bij storm ontstoken, het woud verteert, de berg doet roken, wil zó, o HERE, zeer verbolgen, hen met uw wervelwind vervolgen. 6 Bedek met schaamrood hun gelaat. Maak dat hun macht te gronde gaat. Verschrik hen zo, dat zij U eren en weten dat uw naam is: HERE, zoals U zelf Zich openbaarde: de allerhoogste Heer der aarde. Psalm 84 : 1-6 1 Hoe lieflijk is uw huis, o HEER! O God, U weet hoe ik begeer bij U te wonen in uw hoven. U weet hoe heimwee mij bevangt, omdat geheel mijn hart verlangt U in uw heiligdom te loven. 'k Ga jubelend God tegemoet, die leeft en mij ook leven doet. 2 Zelfs vindt de mus een huis, o HEER, de zwaluw legt haar jongen neer bij uw altaren in uw woning. Laat mij bij U zo thuis zijn, HEER. Want daar is vrede; ik begeer bij U te zijn, mijn God en Koning! Welzalig wie daar wonen mag, hij zingt uw lof van dag tot dag. 3 Welzalig hij die al zijn kracht en hulp alleen van U verwacht, zijn hart kent de gebaande wegen. Een dal, geblakerd door de zon, ontsluit voor hen zelfs bron op bron en op hen daalt een milde regen. Zij worden door uw overvloed gesterkt met nieuwe levensmoed. 4 Van kracht tot kracht gaan zij steeds voort, het oog gericht naar Sions oord. Daar zullen zij voor God verschijnen. O, HEER der legerscharen, let op mijn ootmoedig smeekgebed, laat mij niet op de weg verkwijnen! O HERE, neig tot mij uw oor, o Jakobs God, geef mij gehoor. 5 O God, ons schild, wil met ons gaan, zie uw gezalfde gunstig aan. Wij reizen naar uw stad, o Koning. Eén dag is in uw huis mij meer dan duizend zonder U, o HEER. Ik wil nog liever bij uw woning alleen maar aan de drempel staan dan bij de bozen binnengaan. 6 Want God, de HEER, is goed en mild en voor zijn volk een zon en schild. Eer en genade zal Hij geven. U zult het goede niet, o HEER, onthouden hun die tot uw eer steeds in oprechtheid voor U leven. Welzalig, HEER, wie op U bouwt, en zich geheel U toevertrouwt. Psalm 85 : 1-4 1 Gij waart goedgunstig voor uw land, o HEER, in Jakobs harde lot bracht Gij een keer. De schuld uws volks wilt Gij niet gadeslaan. Gij hebt hun zonden uit uw boek gedaan. Gij die de vlammen van uw toorn bezweert, Gij hebt U van uw gramschap afgekeerd. God van ons heil, herstel ons, neem ons aan en doe uw toorn niet over ons bestaan. 2 Of blijft uw wrevel tegen ons gericht, verbergt Gij steeds uw godlijk aangezicht? Voert Gij uw volk dan nooit tot leven weer opdat het zich in U verblijde, HEER? Toon ons uw heil en goedertierenheid: ik ben, o God, tot luisteren bereid. Gij zijt het die uw volk van vrede spreekt, tenzij het dwaas is en de trouw verbreekt. 3 Bij wie Hem vrezen is zijn heil geplant. Zijn heerlijkheid zal wonen in dit land, het heilig land waar goedheid trouw ontmoet, het recht de vrede met een kus begroet; de trouw die uit de aarde opwaarts schiet, het recht dat uit de hemel nederziet. De velden deelt Hij van zijn overvloed, de HERE die ons zegent met zijn goed. 4 Waar Hij ook gaat, de vrede gaat Hem voor, liefde en trouw ontspruiten in zijn spoor. Gerechtigheid is voor zijn aangezicht, zij bloeit alom waar Hij zijn voetstap richt. Psalm 86 : 1-7 1 Hoor mij, HEER, wil antwoord zenden, zie mijn bittere ellende. Hoed mijn leven, U gewijd, stel uw knecht in veiligheid. Heer mijn God, wees mij genadig, want ik roep tot U gestadig. Stel mij in het blijde licht, want ik zoek uw aangezicht. 2 Ja tot U hef ik mijn leven, Gij zijt mild om te vergeven, rijk in goedertierenheid voor een hart dat tot U schreit. HEER, neem mijn gebed ter ore, wil mijn luide smeken horen. In het bitterste getij roep ik en Gij antwoordt mij. 3 Allen die als goden blonken zijn bij U in 't niet gezonken. Niets kan bij uw werk bestaan. Heel de wereld roept U aan. Alle volken komen samen, die Gij schept en roept bij name, buigen voor uw zetel neer, brengen uwen naam de eer. 4 Leer mij naar uw wil te handlen, laat mij in uw waarheid wandlen. Voeg geheel mijn hart tezaam tot de vrees van uwen naam. HEER mijn God, ik zal U loven, heffen 't ganse hart naar boven. Ja, uw naam en majesteit loof ik tot in eeuwigheid. 5 Gij zijt groot en zeer verheven, Gij doet wondren aan ons leven. Gij zijt God, ja Gij alleen, goedertieren om ons heen. Heer, Gij hebt mij aangenomen, mij weer tot het licht doen komen uit de diepten van de dood. Ja, uw goedheid is zeer groot. 6 Zie, o God, de trotse bende die mijn leven tracht te schenden, die in mateloos geweld U zich niet voor ogen stelt. Kome, Heer, mij uw genade, uw barmhartigheid te stade. Trouw zijt Gij in wat Gij doet, Gij zijt onvoorstelbaar goed. 7 Laat mij leven voor uw ogen, sterk uw knecht door uw vermogen. Maak Gijzelf voor hem vrij baan, die U dient van jongs af aan. Toon uw hulp mij door een teken, dat mijn vijanden verbleken, als zij zien dat Gij het zijt, die mij troost en mij bevrijdt. Psalm 87 : 1-5 1 Jeruzalem, de Godsstad hier beneden, heeft Hij gesticht op bergen, Hem gewijd. De HEER, die Zich in Sions heil verblijdt, bemint haar meer dan één van Jakobs steden. 2 Men zegt van u voortreffelijke dingen, o schone stad van Sions God en Heer. Egypt' en Babel meld Ik tot mijn eer als volken, die Mij kennen en bezingen. 3 De Filistijnen, Tyriërs en Moren zijn binnen u, o Godsstad, voortgebracht. Van Sion zal het blijde nageslacht eens zeggen: elk van hen is daar geboren. 4 De HEER zal haar bevestigen en schragen en op zijn rol waar Hij de volken schrijft, hen tellen als in Isrel ingelijfd en doen de naam van Sions kindren dragen. 5 Dan wordt de lof van 's HEREN naam bezongen, dan zullen daar de volken juichend staan, de reien dansend de cimbalen slaan: zie, al mijn bronnen zijn in u ontsprongen. Psalm 88 : 1-8 1 HEER, die mijn heil, mijn helper zijt, des daags roep ik om mededogen, des nachts leg ik mij voor uw ogen. Hoor naar mijn stem die tot U schreit. Laat mijn gebed voor U verschijnen en niet in duisternis verdwijnen. 2 Want alles keert zich tegen mij. Ik zwerf al door de vale streken, waar 't leven bijna is geweken. Men zegt: 'Het is met hem voorbij, weldra zal hij ten grave dalen.' Ik ben een man wiens krachten falen. 3 Men legt mijn lichaam aanstonds af bij de verslagenen, bij allen die aan de dood zijn toegevallen en naamloos liggen in het graf. Voor U, o HEER, zijn zij verleden. Zij zijn van uw hand afgesneden. 4 Gij werpt mij in de afgrond neer, in duisternis, in barre vloeden. Gij geeft mij over aan het woeden van alle elementen, HEER. Uw grimmigheid heeft mij bedolven. Ik word verbrijzeld door uw golven. 5 Walging bevangt al wie mij kent. Mijn vrienden hebben mij begeven. Gij hebt mij in het nauw gedreven, uw aangezicht van mij gewend. Ik roep U steeds, mijn ogen branden. Ik strek tot U mijn beide handen. 6 Doet Gij aan doden wondren, HEER? Staan schimmen op om U te prijzen? Vermeldt het graf uw gunstbewijzen? Geeft het uw wonderwerken weer? Herkent men in dat eindloos duister uw trouw, gerechtigheid en luister? 7 Maar ik, mijn God, ik roep U aan. Mijn bede zoekt U iedre morgen. Waarom houdt Gij U, HEER, verborgen en stoot Gij mij bij U vandaan? Van jongsaf metterdood geslagen moet ik gekweld uw gramschap dragen. 8 Uw toorngloed overweldigt mij, uw schrikgerichten doen mij beven, als water staan zij mij naar 't leven. Mijn vrienden gaan aan mij voorbij, Gij doet mij al hun troost ontberen en met de duisternis verkeren. Psalm 89 : 1-18 1 Ik zal zo lang ik leef bezingen in mijn lied des HEREN milde gunst, het werk aan ons geschied. Mijn mond verkondigt, HEER, aan komende geslachten hoe Gij uw trouw betoont aan hen die U verwachten. Uw goedertierenheid rijst op en gaat zich welven, een altijd veilig huis, vast als de hemel zelve. 2 Mijn uitverkoren knecht, zo spreekt des HEREN mond, is David die Mij dient, hem gaf Ik mijn verbond, aan hem en aan zijn huis heb Ik mijn eed gezworen, voorgoed zal uw geslacht de heerschappij behoren. Uw kinderen zal Ik de eeuwen door geleiden, Ik schraag uw troon en rijk tot aan het eind der tijden. 3 Uw macht bezingen, HEER, de engelen in koor. Het loflied van uw trouw weerklinkt de hemel door. Geen enkel schepsel, HEER, hoe hoog in 't licht gezeten, hoe bovenaards in glans, kan met uw macht zich meten. Ja Gij zijt zo geducht, dat al de hemelingen in eerbied en ontzag uw grote troon omringen. 4 Wie is van al wat leeft, o God, aan U gelijk? Met trouw zijt Gij omgord, grootmachtig is uw rijk. De overmoed der zee, haar trots kunt Gij vertreden, de golven en de wind brengt uw bevel tot vrede. Wat ooit aan vijandschap de kop heeft opgestoken is door uw sterke arm geslagen en gebroken. 5 Hemel en aarde, HEER, 't is alles uw domein, o grond van al wat is, wat was en ooit zal zijn. Gij die de schepper zijt van 't noorden en het zuiden, de Tabor roemt uw naam, de Hermon jubelt luide. De wereld is van U, de wind en de getijden, al wat Gij hebt gemaakt, zal zich in U verblijden. 6 Wij loven, HEER, de macht van uw verheven hand, uw uitgestrekte arm houdt al uw werk in stand. Gij hebt uw troon gegrond op recht en waarheid beide als pijlers van uw heil, onwrikbaar door de tijden, en als herauten gaan U voor op al uw schreden uw goedheid en uw trouw, o Vorst van onze vrede. 7 Hoe zalig is het volk dat U de lofzang zingt, dat uitbreekt in gejuich als de bazuin weerklinkt. Uw lichtend aangezicht zal altijd hen geleiden. Zij zullen in uw naam zich dag aan dag verblijden, zij gaan in vrede voort, zij wandlen voor uw ogen, want uw rechtvaardigheid zal hen voorgoed verhogen. 8 Gij, HERE, die de glans van onze sterkte zijt, geeft luister aan uw volk, en hoge heerlijkheid. Uw welgevallen doet ons grote dingen wagen en met geheven hoofd de kroon der ere dragen. Gij Heilge Israëls, Gij zelf hebt ons ten leven een koning naar uw wil, een schild van heil gegeven. 9 Oudtijds hebt Gij, o HEER, uw hoge plan ontvouwd, aan mensen naar uw hart uw woorden toevertrouwd: Met hulp heb Ik omkleed, met heil heb Ik omgeven de koninklijke held, uit al het volk verheven, David mijn trouwe knecht, dien Ik heb uitverkoren, dien Ik met olie zalf, hem zal het rijk behoren. 10 Mijn hand is hem tot steun, mijn rechter arm zijn kracht. Geen vijand valt hem aan, Ik weer der bozen macht. Ik breek de tegenstand van allen die hem haten, mijn goedertierenheid zal nimmer hem verlaten. Mijn naam die hij belijdt, doet hem tot aanzien komen, zijn hand rust op de zee, zijn kracht beheerst de stromen. 11 Hij prijst mijn hoge gunst met namen menigvoud: Mijn Vader en mijn God, o rots van mijn behoud. Ik antwoord hem: Mijn zoon, de vorsten zullen beven, mijn eerstgeboren zoon, voor u, zo hoog verheven. Voor altijd rust op hem mijn trouw, mijn welbehagen, Ik houd het vast verbond, Ik zal zijn zetel schragen. 12 Ik heb zijn nageslacht het leven toegekend. Zijn troon staat even vast als 't glanzend firmament. Indien zijn zonen ooit mijn heilig recht ontwijden, niet wandlen naar mijn wil, dan zal Ik hen kastijden. En toch zal Davids huis mijn liefd' en trouw ervaren, Ik houd Mij aan mijn woord, zal mijn verbond bewaren. 13 Wat Ik gezworen heb aan David, dat houdt stand, mijn eigen heiligheid is daarvan onderpand. Ik ben de waarheid zelf, zou Ik bedrieglijk zweren? Zijn koninklijk geslacht leeft voort en zal regeren. Zijn zetel wankelt niet tot aan het eind der tijden, zo lang als zon en maan de hemelen doorschrijden. 14 En toch, en toch hebt Gij verstoten en versmaad den koning die Gij zelf gezalfd hebt naar uw raad, toch toornt Gij op uw knecht, hij is van U verstoken, zijn kroon ligt in het stof, zijn sterkte is gebroken. Geen wal, geen toren weert de plunderende bende. Het nabuurvolk bespot zijn bittere ellende. 15 Gij geeft zijn vijand vreugd, hij neemt de overhand. Gij wendt des konings zwaard, zijn leger houdt geen stand. Gij dooft zijn glans die eens zo stralend had geschenen, zijn troon is neergestort, zijn heerlijkheid verdwenen. Gij hebt zijn jeugd verkort, hem overdekt met schande. Ja wat Gij hebt gebouwd, breekt Gij met eigen handen. 16 Hoelang, hoelang nog, HEER? Verbergt Gij U altijd? Hoelang nog laait het vuur van uw verbolgenheid? Zie hoe vergankelijk, hoe nietig is het leven dat Gij het mensenkind, uw schepsel, hebt gegeven. Wie op de aarde zal de bittre dood niet proeven, en welke sterveling ontkomt er aan de groeve? 17 O laat ons, Here God, niet vallen uit uw hand. Doe ook voor ons geslacht uw oude woord gestand. Waar is uw gunst, o God, het heil van lang geleden, aan Davids huis verpand met goddelijke eden? Erbarm U over ons, wil onze smaad gedenken, de hoon waarmee ons thans de grote volken krenken. 18 Uw vijanden, o HEER, uw vijanden rondom, hoe honen zij uw knecht, o God van David, kom! Het spoor is uitgewist van uw gezalfde koning. Herstel in heerlijkheid het land van melk en honing. Laat Davids zoon de spot der heidenen beschamen. Geloofd zij God de HEER voor eeuwig. Amen, amen. Psalm 90 : 1-8 1 Gij zijt geweest, o Heer, en Gij zult wezen de zekerheid van allen die U vrezen. Geslachten gaan, geslachten zullen komen: wij zijn in uw ontferming opgenomen. Wij mogen bouwen op de vaste grond van uw beloften en van uw verbond. 2 Nog eer de bergen uit de baaierd stegen, de aarde en de zee gestalte kregen, nog eer uw scheppend woord aan alle leven een wereld om te wonen heeft gegeven, God, zijt Gij God, dezelfde die Gij zijt, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid. 3 O Here God, Gij wendt het mensenleven om het weer aan het stof terug te geven. Gij zegt: Keer weder, mensenkind, keer weder. Want duizend jaren, Gij ziet op ze neder als op een nachtwaak, zij zijn in uw oog gelijk de dag van gistren die vervloog. 4 Gij overspoelt de stervling met uw stromen. De jaren snellen ons voorbij als dromen. Wij zijn als gras, fris in het ochtendgloren, des avonds dor en alle glans verloren. Uw toorn, rechtvaardig God, doet ons vergaan. Uw gramschap overweldigt ons bestaan. 5 Heer, onze daden en hun loze gronden zijn voor uw aanschijn niets dan schuld en zonde. Al wat wij heimlijk in ons hart omdragen doorlicht uw heiligheid - en wij versagen, want uw gerechte toorn verslindt de tijd, zodat ons leven als een zucht verglijdt. 6 Zeventig, tachtig jaren mensenleven, is dat, o Heer, om hoog van op te geven? 't Is moeite en verdriet. Och mocht het wezen dat wij U kenden naar Gij zijt te vrezen. Leer Gij ons zo te leven, dag voor dag, dat in ons hart de wijsheid wonen mag. 7 Wend U tot ons, keer tot ons weder, HERE, hoe lang nog zult Gij uw gelaat afkeren? Schenk ons het morgenrood van uw genade, dan prijzen wij voortaan uw grote daden. Vergun uw volk, na jarenlange druk, nu vele jaren zorgeloos geluk. 8 Laat, Heer, uw volk uw daden zien en leven en laat uw glans hun kinderen omgeven. Zie op ons neer met vriendelijke ogen. O God, bescherm ons in ons onvermogen. Bevestig wat de hand heeft opgevat, het werk van onze hand, bevestig dat. Psalm 91 : 1-8 1 Hij die op Gods bescherming wacht, vindt bij de hoogste Koning een schuilplaats waar hij overnacht, beschaduwd door Gods woning. Ik noem de HEER, op wie ik bouw, mijn toevlucht en mijn sterkte, mijn God, op wie ik vast vertrouw, Hij die mijn heil bewerkte. 2 Want God is het die u behoedt voor 's vogelvangers netten. Zelfs als de pest rondom u woedt, zal zij u niet besmetten. De Heer zal door zijn grote macht u met zijn vleugels dekken. Zijn trouw zal u bij dag en nacht tot schild en pantser strekken. 3 Verschrikking van de donkre nacht behoeft u niet te duchten. En voor de pijl van overdag zult u niet angstig vluchten. Vrees niet de pest, de zwarte dood, die rondwaart als het nacht is. Vrees geen verderf, als fel en groot de zon in al haar kracht is. 4 Al vallen duizend aan uw zij en nogmaals duizendtallen, u blijft van ramp en onheil vrij, 't zal u niet overvallen. U ziet slechts de vergelding aan, het loon der goddelozen. Want U, HEER, doet mij veilig gaan, U hoedt mij voor de bozen. 5 God hebt u tot uw burcht gesteld, de allerhoogste Koning. Geen onheil treft u, geen geweld dringt binnen in uw woning. Want God beveelt zijn englenwacht te waken op uw wegen. Zij vergezelt u dag en nacht en houdt het onheil tegen. 6 Zo zullen wachters van de HEER u op de handen dragen. Aan stenen stoot u zich niet meer, daar engelen u schragen. Op leeuw en adder trapt uw voet, zo zeker zijn uw schreden. U wordt steeds op uw weg behoed, zult leeuw en slang vertreden. 7 Daar hij Mij liefheeft, spreekt de HEER, zal Ik zijn pad beschermen. Ik zal hem bijstaan en steeds weer Mij over hem ontfermen. Daar hij mijn naam kent, mijn gebod, zal Ik hem zelf bevrijden. Ik ben voor hem de trouwe God, Ik red hem uit zijn lijden. 8 Roept hij Mij aan, Ik antwoord hem, Ik zal zijn helper wezen. Is hij beangst, Ik hoor zijn stem, dus hoeft hij niet te vrezen. Ja, ik verleng zijn levenstijd, want hij blijft op Mij bouwen. Mijn heil, mijn goedertierenheid zal Ik hem doen aanschouwen. Psalm 92 : 1-8 1 't Is goed de HEER te loven zijn dag zij Hem gewijd. O hoogste majesteit, mijn psalm stijgt op naar boven. Uw goedheid zij geprezen vroeg in de morgenstond, des nachts bezingt mijn mond uw trouw aan mij bewezen. 2 Zingt vrolijk bij de klanken van citer, harp en luit. Laat blij uw stemgeluid Hem voor zijn goedheid danken. Want door uw daden, HERE, hebt Gij mij zeer verheugd. Verwonderd en met vreugd zal ik uw werken eren. 3 Hoe diep zijn uw gedachten! Een dwaas kan niet verstaan dat eens ten onder gaan wie uw gebod verachten Hoe weelderig zij leven, als onkruid op het land, verdelgen zal uw hand al wie uw wil weerstreven. 4 Maar, HERE, hoog verheven, Gij troont in eeuwigheid. Voor uw gerechtigheid moet elke vijand beven. Want zie, al wie U haten, doet Gij te gronde gaan, uw gramschap zal hen slaan, verstrooid hen achterlaten. 5 Hoe groot zijn, HEER, uw daden! Mijn hoorn van grote kracht geeft Gij de overmacht op wie uw wetten smaden. Met olie, vers gegoten, zorgvuldig toebereid, mag ik vol dankbaarheid geheel zijn overgoten. 6 Mijn oog zal hen aanschouwen die loeren op geweld, maar door U neergeveld, mijn hart nooit meer benauwen. Op al wie mij belagen, zie ik tevreden neer. Ik vrees hun haat niet meer. Slechts hoort mijn oor hun klagen. 7 De vromen zullen bloeien als palmen in de zon, zoals op Libanon de cederbomen groeien. Zij heffen zich naar boven, gekoesterd door Gods hand, in 's HEREN huis geplant tot sieraad in zijn hoven. 8 Ook in hun grijze dagen zijn zij nog jeugdig fris. God, die waarachtig is, doet hen veel vruchten dragen. Lang zullen zij getuigen van de getrouwheid Gods. De HERE is mijn rots, Hij zal het recht nooit buigen. Psalm 93 : 1-3 1 De HEER regeert, bekleed met majesteit, omgord met kracht en grote heerlijkheid. De wereld staat, bevestigd door zijn hand. Van eeuwigheid zijt Gij, uw troon houdt stand. 2 Een woest geweld klinkt op van stroom en vloed, een luid gedruis dat alles beven doet. Hoog boven zee en golven, hoe vol kracht, troont onze HEER, onwankelbaar in macht. 3 Getrouw en waar is uw getuigenis, het woord dat door U zelf gesproken is. De heiligheid is voor uw huis, o HEER, de eeuwen door tot sieraad en tot eer. Psalm 94 : 1-11 1 Verschijn in lichtglans, God der wrake! Verhef U, dat uw toorn ontwake over de trotsen en hun waan! Wraak over hen die U weerstaan! Gij Rechter, die de wereld richt, toon hun uw toornend aangezicht. 2 Hoe lang nog zullen, HEER, de bozen, hoe lang nog zullen goddelozen zich vrolijk maken hier op aard? Hoor toch, zij voeren onvervaard het hoogste woord, zij pochen luid, zij slaan de grootste laster uit. 3 Zie, HEER, hoe zij uw volk verdrukken, uw erfdeel haast aan U ontrukken. Zij slaan aan vreemden in uw land, aan wees en weduwe de hand. 'God ziet het niet', zo klinkt hun spot, 'Hij merkt het toch niet, Jakobs God.' 4 Wordt eindlijk wijs! Wanneer, o dwazen, staakt gij dit redeloze razen? Wat denkt ge toch: zou Hij die 't oor geplant heeft, missen het gehoor? Zou Hij, die 't oog schiep, zelf misschien een blinde zijn, niet kunnen zien? 5 Wie zal toch inzicht u verschaffen: God, die zijn wet gaf, zou niet straffen? God, die de mens zijn wegen leert, zou dulden dat men Hem niet eert? Hij kent het hart, Hij weet hoe klein en ijdel 's mensen plannen zijn. 6 Gezegend is de mens, o HERE, dien Gij kastijdt, dien Gij wilt leren. Bij U is hem het heil gewis, wanneer de onheilsdag daar is. Maar ieder die uw weg veracht valt in de kuil, - hem wordt het nacht. 7 De HERE zal zijn volk doen leven, Hij zal zijn erfdeel nooit begeven. De rechtspraak zal in heel het land weer in de waarheid zijn geplant, en ieder die de waarheid eert, bemint het recht dat God ons leert. 8 Wie treedt voor mij de boze tegen, wie wederstaat die onrecht plegen, wie is mijn burcht, wie is mijn schild? Als Gij, HEER, mij niet helpen wilt, dan daal ik in de stilte af, diep in de kilte van het graf. 9 Maar stortte ik soms bijna neder, dan steunde Gij mij sterk en teder; ik viel niet, want Gij hieldt mij vast. Als in mijn hart de twijfel wast, dan zijt Gij, HEER, mij zeer nabij en met uw troost verkwikt Gij mij. 10 Kan in de schaduw van uw zetel de stoel van hem staan, die vermetel kwelt wie naar uwe wetten leeft, onrecht voor 't hoogste recht uitgeeft, als hij onschuldig lijden doet, beschuldigend onschuldig bloed? 11 Maar God is mij een sterke veste, Hij wendt het onrecht mij ten beste; 't komt op hun eigen hoofden neer. Hij is mijn sterke tegenweer. Ja, onze God en toeverlaat verdelgt hen in hun eigen kwaad. Psalm 95 : 1-5 1 Komt, laat ons juichen voor de HEER, een lofzang zingen, Hem ter eer, met snarenspel Hem blij begroeten. Wij prijzen Hem die redding biedt, de rots van heil, in psalm en lied. Wij willen juichend Hem ontmoeten. 2 De HEER is groot, een God vol kracht, een Vorst in majesteit en macht ver boven elke god verheven. De diepste plaats is in zijn hand, van Hem zijn bergen, zee en land, Hij heeft ze hun bestaan gegeven. 3 Komt, knielen wij voor God, die leeft, voor Hem, die ons geschapen heeft: Hij wil ons als zijn kudde weiden. Och, hoort toch heden naar zijn stem, u bent zijn schapen, volgt dan Hem: zijn hand slechts kan u veilig leiden. 4 Verhardt uw hart niet, zegt de HEER, zoals uw vaders Mij weleer bij Meriba en Massa tergden. Al wisten zij wat Ik vermocht, toch werd Ik daar door hen verzocht, toen zij een wonder van Mij vergden. 5 Ja, veertig jaar heeft dit geslacht Mij niets dan ergernis gebracht. Dus heb Ik in mijn toorn gezworen: Omdat dit volk mijn weg niet kent, maar dwalend zich heeft afgewend, zal nooit mijn rust hun toebehoren. Psalm 96 : 1-8 1 Zingt een nieuw lied voor God de HERE. Zing, aarde, zing zijn naam ter ere. Zingt voor de HEER met diep ontzag, boodschapt zijn heil van dag tot dag, opdat elk volk die lofzang lere. 2 Leer ieder volk zijn glorie prijzen, leer al de naties eer bewijzen aan Hem die wonderen volbracht. Groot is de HEER, geducht in kracht. Laat dan voor Hem uw lofzang rijzen. 3 Afgoden zijn der volken goden, die weten niet van onze noden. De HERE schiep de hemel wijd. En waar Hij troont in majesteit, daar wordt Hem lof en eer geboden. 4 Geeft aan de HERE, gij geslachten, geeft sterkte, heerlijkheid en krachten, geeft Hem de glorie van zijn naam. Komt in zijn huis met offers saam. Geeft eer de HERE, alle machten. 5 Buigt, buigt u neer voor God de HERE in heilge feestdos, Hem ter ere. Beef, aarde, voor zijn aangezicht. De HERE, die de volken richt, is koning, Hem moet ieder eren. 6 Vertelt de volkeren op aarde: de HERE is het die aanvaardde het koningschap, de oppermacht. Vast staat de wereld door de kracht, waarin Hijzelf zich openbaarde. 7 Naar recht zal Hij de volken leiden. Dat aard' en hemel zich verblijden. Juicht, velden, juicht, en ook de zee met wat daarin is, juiche mee. Verheugt u, bossen, akkers, weiden. 8 Het juiche al voor God de HERE, want Hij die alles zal regeren, komt richten in gerechtigheid. Hij komt in trouw en majesteit, om ieder volk zijn recht te leren. Psalm 97 : 1-5 1 De HEER alleen regeert, als Koning hoog geëerd tot aan de verste stranden. Verheugt u alle landen. Hij hult zijn majesteit in wolk en donkerheid. Zijn troon staat vast en hecht, gegrond op heilig recht en op gerechtigheid. 2 Een vuur gaat voor Hem uit, een vlam die niemand stuit, verzengt aan alle zijden hen die zijn macht bestrijden. De aarde, fel verlicht, beeft voor zijn bliksemschicht. Voor 't heilig aanschijn Gods versmelten berg en rots, als Hij de wereld richt. 3 De hemel wijd en zijd meldt Gods gerechtigheid, blijft die alom vertolken. Zijn luister zien de volken. Aanbidt alleen de HEER, geeft aan geen beelden eer: geen afgod houdt ooit stand, geen werk van mensenhand. Buigt u dan voor Hem neer. 4 Uw oordeel, lang verwacht, dat Sion vreugde bracht, deed Juda's dochters juichen en U haar dank betuigen. Van U is 't koninkrijk. Geen God is U gelijk. U, HERE, die regeert, wordt door uw volk geëerd met menig huldeblijk. 5 U, die de HEER bemint, bij Hem bescherming vindt, als goddelozen woeden, wilt voor het kwaad u hoeden. 't Is God die vreugde spreidt voor wie zijn naam belijdt. U, die oprecht gelooft, nooit wordt uw licht gedoofd. Weest in de HEER verblijd. Psalm 98 : 1-4 1 Zingt nu een nieuw lied voor de HERE, want Hij heeft wonderen gedaan! Zijn rechterhand, vol roem en ere, zijn arm bracht Hem de zege aan. Prijst onze God, Hij openbaarde zijn heil en zijn gerechtigheid voor alle volkeren op aarde. Hoe blonk zijn hoge majesteit! 2 God heeft gedacht aan zijn genade, aan Israël zijn trouw getoond. De verste landen slaan het gade, hoe Hij zijn volk met heil bekroont. Kom met een lofzang voor de HERE, juich, aarde, juich van louter vreugd! Zing psalmen, onze God ter ere, breek uit in jubel, wees verheugd! 3 Laat voor de HEER uw psalmen horen, brengt met de harp Hem lof en dank. Laat klinken bij uw tempelkoren trompetgeschal, bazuingeklank! Juicht voor de Koning, onze HERE. Komt, zeeën, zingt uw machtig lied! Zingt, landen, volken, wilt Hem eren, prijst onze God wiens heil u ziet. 4 Laat al de stromen vrolijk zingen, de handen klappen voor de HEER, de bergen uitgelaten springen, en juichen onze God ter eer. Want, zie, Hij komt de aarde richten; verwacht Hem, volken, weest bereid. Hij komt een nieuwe wereld stichten op recht en op gerechtigheid. Psalm 99 : 1-8 1 God is Koning, Hij / sticht zijn heerschappij. Volken, hoort zijn stem. / Buigt u, beeft voor Hem, die met macht gekroond / op de cherubs troont. Aarde, word bewogen, / beef voor zijn vermogen. 2 God, die recht gebood, / is in Sion groot; van zijn troon belacht / Hij der volken macht. Hoog en zeer geducht, / heilig en doorlucht is uw naam, o HERE; / laten zij die eren! 3 Niet op bruut geweld / hebt G' uw macht gesteld. Gij o Koning, zegt: / Ik bemin het recht. Onder uw beleid / heerst gerechtigheid; uw verbond heeft leven / aan uw volk gegeven. 4 Maakt Hem altezaam / groot, verheft zijn naam. Buigt u voor Hem neer, / knielt voor Isrels Heer. Aan zijn voeten reik / Hem uw huldeblijk. Heilig, hoog in ere / is de Heer der heren. 5 Mozes trad in 't licht / voor zijn aangezicht met Aäron saam, - / priesters in Gods naam. Ook verhief tot Hem / Samuël zijn stem. Waar Hij werd aanbeden / schonk de HEER zijn vrede. 6 In een dichte wolk / sprak Hij tot zijn volk. Wat Hij metterdaad / openbaarde, staat in hun hart gegrift / als zijn heilig schrift. 't Woord, door God gegeven, / is voor hen het leven. 7 HERE onze God, / bitter was hun lot. Gij hebt hen verhoord, / ja Gij gaaft uw woord. Uw vergiffenis / was voor hen gewis. Gij zijt vol genade, / ook al wreekt Gij 't kwade. 8 Maakt Hem nu tezaam / groot, verheft zijn naam. Buigt u voor Hem neer, / Hij is onze Heer, die met macht gekroond / op de Sion troont. Houdt Hem hoog in ere! / Heilig is de HERE. Psalm 100 : 1-4 1 Juicht, alle volken, prijst de HEER! Dient God met vreugde, geeft Hem eer. Komt, jubelt voor zijn aangezicht en wandelt vrolijk in zijn licht. 2 De HEER is God, erkent zijn macht, Hij schiep ons door zijn grote kracht. Wij zijn van Hem in eeuwigheid, zijn volk, de schapen die Hij weidt. 3 Gaat zingend door zijn tempelpoort, zet in zijn voorhof 't zingen voort, zingt daar zijn grote naam ter eer, zingt tot zijn glorie, looft de HEER! 4 Want goedertieren is de HEER, zijn goedheid eindigt nimmermeer, zijn trouw en waarheid houden kracht tot in het verste nageslacht. Psalm 101 : 1-6 1 Ik wil, HEER, in mijn lied de zegeningen van goedheid en gerechtigheid bezingen. Aan U, HEER, wijd ik nu en levenslang mijn psalmgezang. 2 Ik let op reine harten, rechte daden, HEER, wanneer komt Gij tot mij in genade? Dan leef ik met de mijnen voor altijd in zuiverheid. 3 Onrecht en schande, afval van den HERE, ik haat het, ja ik zal het van mij weren. Ik wil niet kennen wie zijn boze hart in 't kwaad verwart. 4 Verdelgen zal ik uit het land de kwaden, die heimelijk hun naasten durven smaden, in wier verharde hart de trots gebiedt, ik duld hen niet. 5 Al wie zich rein van hart en handen tonen, zullen mij dienen, mogen bij mij wonen, terwijl ik toornig de bedriegers wijs uit mijn paleis. 6 Geen goddelozen zijn voor mij verborgen. Ik zetel ten gerichte elke morgen. Ik delg de bozen uit, dat Sion zij van onrecht vrij. Psalm 102 : 1-13 1 HEER, hoor mijn gebed, laat blijken dat mijn klachten U bereiken. Hul U niet in duisternis nu 't mij bang te moede is. Luister, luister naar mijn klagen, want ik roep U alle dagen. Hoor mij, HEER, wil antwoord geven, help mij haastig, red mijn leven. 2 Zie mijn leven, HEER, verkwijnen en als ijle rook verdwijnen. Wat een felle vuurhaard was smeult en sterft, wordt koude as. Zie als gras, in 't felle gloeien van de zon, mijn hart verschroeien. Uitgeteerd, alleen gelaten, klaag ik, vast ik, niets kan baten. 3 Als een vogel, die in steppen zich wanhopig voort moet reppen, als een witte pelikaan, ver van alle hulp vandaan, als een uil in 't puin verborgen, wacht ik angstig op de morgen. Eenzaam moet mijn hart hier waken als een vogel op de daken. 4 Hoor mijn vijanden mij smaden, mij met spot en hoon beladen. Daaglijks schenden zij mijn naam, maken hem tot vloek en blaam. As is 't brood dat ik moet eten, tranen drink ik. 'k Ben vergeten en verlaten alle dagen, daar uw hand mij heeft geslagen. 5 Ja, uw hand vernielt mijn leven, heeft mij in de lucht geheven, neergesmeten met geweld. Ach, mijn dagen zijn geteld. 'k Zie ze als een schaduw lengen, met het duister zich vermengen. Zoals gras in hete steppen voel 'k mijn levenskracht verleppen. 6 Gij, HEER, troont te allen tijde, steeds zal men uw naam belijden van geslachte tot geslacht. Gij zult opstaan in uw kracht. Gij zult ons verlossing schenken, Sion eindelijk gedenken. Tijd is 't voor uw grote daden, eindlijk tijd voor uw genade. 7 Slaan w' op Sions puin de ogen, o, hoe is ons hart bewogen, hunkert het naar het herstel op uw goddelijk bevel, opdat alle volken spreken: 'God is niet van hen geweken, God heeft Sion doen herbouwen, doet zijn glorie haar aanschouwen.' 8 Ja, God wendt zich tot het klagen van wie Hem om bijstand vragen, heeft hun bidden niet veracht. Zegt het aan het nageslacht. Laat het worden opgeschreven, zodat zij, die later leven, lezen van zijn gunstbewijzen en de eeuwen door Hem prijzen. 9 Uit den hemel hoog verheven ziet Hij neer op 't aardse leven. Uit zijn heiligdom omhoog slaat Hij op zijn knechten 't oog. Hij zal komen, de Geduchte; hun die in de kerkers zuchten, met de dood voor ogen leven, Hij zal hun de vrijheid geven. 10 Ja, de HEER komt ter bevrijding, opdat Sion blij de tijding van zijn grote daden meldt en Jeruzalem vertelt, hoe verlosten huiswaarts keren roemend in de naam des HEREN. Alle volken, alle rijken brengen Hem hun huldeblijken. 11 Argeloos ging ik mijn wegen. Plotseling kwam God mij tegen, greep mij aan en brak mijn kracht. Nu richt ik tot Hem mijn klacht: Laat niet midden in het leven mij de duisternis omgeven, Gij, die eeuwen telt als uren, laat mij één geslacht lang duren. 12 In de aanvang van de tijden hebt Gij aard' en hemel beide opgeroepen door uw woord. Zij vergaan, maar Gij leeft voort. Al uw werken lijden schade, Gij verwisselt z' als gewaden, Gij, de Koning der getijden, legt ze achteloos ter zijde. 13 Gij, dezelfde, gistren, heden, zult de toekomst tegentreden, zult dezelfde zijn altijd, eindeloos in majesteit. Zo zult Gij uw trouw betonen, ja, uw volk zal veilig wonen. En de komende geslachten zal altoos uw vrede wachten. Psalm 103 : 1-9 1 Zegen, mijn ziel, de grote naam des HEREN, laat al wat binnen in mij is Hem eren, vergeet niet hoe zijn liefd' u heeft geleid, gedenk zijn goedheid, die u wil vergeven, die u geneest, die uit het graf uw leven verlost en kroont met goedertierenheid. 2 Loof Hem, die zo met gaven u verzadigt, dat uw bestaan, met glorie begenadigd, gelijk een arend nieuw bevleugeld wordt. Het volk in druk heeft van Hem recht verkregen, Hij heeft aan Mozes eens getoond zijn wegen, op Israël zijn zegen uitgestort. 3 Hij is een God van liefde en genade, barmhartigheid en goedheid zijn de daden van Hem die niet voor altijd met ons twist, die ons niet doet naar alles wat wij deden, ons niet naar onze ongerechtigheden vergeldt, maar onze schuld heeft uitgewist. 4 Zo hoog en wijd de hemel staat gerezen boven de aarde, is voor wie Hem vrezen zijn liefde en zijn goedertierenheid. Zo ver verwijderd 't westen is van 't oosten, zo ver doet Hij van hen die Hij wil troosten de zonden weg, ja Hij heeft ons bevrijd. 5 Zoals een vader liefdevol zijn armen slaat om zijn kind, omringt ons met erbarmen God onze Vader, want wij zijn van Hem. Hij die ons zelf uit aarde heeft genomen, Hij weet, dat wij, uit stof aan 't licht gekomen, slechts leven op de adem van zijn stem. 6 De mens is aan het sterven prijsgegeven, gelijk het gras kortstondig is zijn leven, en als een bloem die naar de zon zich keert, maar die ten prooi valt aan de barre winden, en knakt en sterft, en is niet meer te vinden. Ja zelfs haar eigen plaats kent haar niet meer. 7 Maar 's HEREN gunst zal over die Hem vrezen in eeuwigheid altoos dezelfde wezen, en zijn gerechtigheid de eeuwen door. Zijn heil omsluit de komende geslachten; zo volgen zij die zijn verbond betrachten, van zijn barmhartigheid het lichtend spoor. 8 Hij heeft de hemel tot zijn troon verheven, Hij heerst als koning over al het leven. Looft engelen, zijn hoge majesteit, krachtige helden, die aan alle oorden als boden meldt zijn goddelijke woorden, Hem zij uw dienst, Hem zij uw lied gewijd. 9 Laat heel het machtig koninkrijk des HEREN zijn grote naam, zijn grote daden eren. Komt allen tot de lof des HEREN saam. Lof zij den HEER in hemel en op aarde, die aan zijn volk zijn liefde openbaarde, en zegen gij, mijn ziel, zijn grote naam. Psalm 104 : 1-10 1 Mijn ziel, verheerlijk God om zijne macht. Bekleed is Hij met majesteit en pracht, het licht heeft Hij als mantel omgeslagen, Hij maakt de wolken tot zijn zegewagen. Hij die de hemel uitspant als een tent, Hij bouwt zijn zalen in het firmament. Op vleugels van de wind schrijdt Hij verheven, storm zendt Hij uit, door vuur wordt Hij omgeven. 2 Gij grondvest het heelal, houdt het in stand, onwrikbaar staat het bouwwerk van uw hand. Gij deedt de vloed over de aarde golven en hoge bergen werden diep bedolven. Uw donder joeg het water op de vlucht, het dal viel droog, de rots rees in de lucht. De afgrond moest zich op uw woord betomen, uw vloed zal d' aarde nooit meer overstromen. 3 Uw bronnen zenden beken in het dal, zij storten neer als steile waterval, verbreden zich tot rustige rivieren. Van alle kant verzaamlen zich de dieren. Zij komen langzaam nader uit het bos, woudezels stappen op het zachte mos het water tegemoet om er te drinken. Vogels doen overal hun lied weerklinken. 4 Gij drenkt de bergen uit het hoge zwerk, de vruchtbaarheid der aarde is uw werk. De dieren grazen in de malse weiden, de sikkel gaat de rijpe halmen snijden. De wijn verheugt het hart, en voedzaam brood geeft Gij genoeg voor aller mensen nood. Zie op de Libanon Gods cederbomen, zij staan verzadigd door zijn regenstromen. 5 Daar nestlen vogels in de hoge kruin, bewonen eibers een cypressentuin. De steenbok klautert op de hoge toppen, in holen kan de klipdas zich verstoppen. Gij deelt de tijd in naar de stand der maan en doet de zon, nog dralend, ondergaan. Dan worden in het bos de dieren wakker, rumoerig breken zij zich door de takken. 6 En in het duister klinkt een hese schreeuw, zijn voedsel zoekend brult de jonge leeuw. Aan God den Here zelf vraagt hij om spijze. De dag breekt aan, de morgenzon gaat rijzen: het wordt weer stil, loom en verzadigd keert hij naar zijn hol, waar niets zijn sluimer deert. De mens treedt in het licht en gaat zijn plichten getrouw tot aan de avond toe verrichten. 7 O HEER, hoe groot moet dan uw wijsheid zijn, Gij hebt het al gemaakt, van groot tot klein. Vol is de aarde van uw wonderwerken. Daar is de zee, hoe wijd stelt Gij haar perken. Hoe wemelt zij van dieren zonder tal. De schepen varen aan van overal. En in de schoot der zee leggen uw handen de leviathan spelende aan banden. 8 Al wat er in uw grote schepping leeft wacht, HEER, op U, tot Gij hun voedsel geeft. Ontsluit G' uw hand, zij zamelen de gaven waarmee Gij hen wilt spijzigen en laven. Verbergt Gij uw gezicht, hen dreigt de dood, stof worden zij weer in der aarde schoot. Maar d' adem van uw Geest brengt hen tot leven: het aardrijk wordt een nieuwe bloei gegeven. 9 De ere Gods zij tot in eeuwigheid. De schepping blinke van zijn majesteit. Ja, alles wat Hij opriep en doet leven moge Hem ongestoorde vreugde geven. Aanbiddelijk in grootheid is de HEER, ziet Hij alleen maar op de aarde neer, dan beeft zij, en de grote bergen roken als Hij zijn hand naar hen heeft uitgestoken. 10 Ik zal den HEER lofzingen levenslang. Zolang ik ben wijd ik Hem mijn gezang. Behage Hem het lied dat ik Hem wijdde, dan zal ik steeds mij in den HEER verblijden. De aarde wordt van alle zondaars rein, de goddelozen zullen niet meer zijn. Loof, halleluja, loof, mijn ziel, den HERE, alles in allen zal Hij triomferen. Psalm 105 : 1-21 1 Looft, looft verheugd de HEER der heren, aanbidt zijn naam en wilt Hem eren. Laat alle volken nu verstaan de wondren, die Hij heeft gedaan. En spreekt met eerbied en ontzag van al zijn werken dag aan dag. 2 Zingt, zingt de HEER uw vreugdezangen, laat onze God uw lof ontvangen. Beroemt u in zijn heilge naam. Laat wie Hem zoeken nu tezaam hun hart verheffen tot zijn eer en zich verblijden in de HEER. 3 Vraagt naar de HEER en naar zijn sterkte, naar Hem die al uw heil bewerkte. Zoekt dagelijks zijn aangezicht, gedenkt al wat Hij heeft verricht. Slaat acht op 't oordeel van zijn mond en vreest Hem, volk van Gods verbond. 4 O volk, uit Abraham gesproten, dat zoveel gunsten hebt genoten, o Jakobs kindren, die de HEER heeft uitverkoren, meldt zijn eer. De HEER is onze God; zijn mond spreekt recht op heel het wereldrond. 5 God zal zijn waarheid nimmer krenken, maar eeuwig zijn verbond gedenken. Wat Hij beloofd heeft, blijft van kracht tot in het duizendste geslacht. 't Verbond met Abraham, zijn vrind, bevestigt Hij van kind tot kind. 6 Wat God aan Abraham deed horen, heeft Hij aan Isaäk gezworen, aan Jakob tot een wet gesteld, als een verbond dat eeuwig geldt: 'k heb Kanaän u toegedacht als erfdeel voor uw nageslacht. 7 Zij trokken als een kleine schare, toen zij nog vreemdelingen waren, van volk tot volk door vreemd gebied. God duldde hun verdrukking niet. Zelfs koningen zei Hij dit aan: Laat mijn profeten veilig gaan. 8 Toen God de honger zond op aarde, geen mens voor broodgebrek bewaarde, had Hij in zijn voorzienigheid voor Israël reeds brood bereid, want Jozef was in slavernij. Zo bracht God redding naderbij. 9 In boeien had men hem geslagen, hij moest een zware keten dragen. Dit duurde voort tot op de dag dat hij zijn woord geschieden zag. Wat eens de HEER hem had onthuld, werd op het onverwachtst vervuld. 10 De koning toch liet hem bevrijden en maakt' een einde aan zijn lijden. Hij gaf geheel Egypteland en ook zijn huis in Jozefs hand. Hij bond de vorsten, hoog van staat, met al de oudsten aan diens raad. 11 Toen kwamen Jakob en zijn zonen als vreemdling in Egypte wonen. Zij werden talrijk, kregen macht, maar God verhardde Chams geslacht. Hun gunst van vroeger werd tot haat. Zij deden toen Gods knechten kwaad. 12 God deed zijn woord door Mozes horen. Aäron werd naast hem verkoren. Zij voerden naar Gods hoog besluit zijn tekenen en wondren uit. Zo straften zij Egypteland met vele plagen uit Gods hand. 13 God heeft de duisternis gezonden, toen vorst en volk zijn wil weerstonden. Het licht verdween op het bevel van Hem, de God van Israël. Hij maakte van het water bloed, de vissen stierven in die vloed. 14 God liet uit beken en uit stromen een menigte van kikkers komen. Tot in 't paleis drong deze plaag, zij kwelde 't volk van hoog tot laag. God sprak - en steekvlieg en muskiet doorzwermden Farao's gebied. 15 Gods hagel kwam in plaats van regen, maar Farao ging eigen wegen. Een laaiend vuur joeg door het land, dat werd geteisterd door die brand. God zond als straf dit zware weer, sloeg vijgeboom en wijnstok neer. 16 God sprak - daar kwam met oostenwinden een sprinkhaanzwerm hun oogst verslinden. Toen zond God van de hemel af zijn engel met de zwaarste straf: Hij doodde in de laatste nacht de eerstelingen van hun kracht. 17 Het was God zelf die hen bevrijdde. Zij trokken uit, daar Hij hen leidde. Hij voerde hen met rijke buit, een schat aan goud en zilver, uit. Egypte zag met vreugd hen gaan, door schrik voor Gods gericht ontdaan. 18 God zond een wolk om hen te dekken en aan de hitte te onttrekken. Hij gaf een vuurzuil door zijn macht om hen te leiden in de nacht. Zij vroegen vlees - en God, de HEER, zond kwakkels rond hun tenten neer. 19 God gaf op wonderbare wijze brood uit de hemel hun tot spijze. Hij spleet de rots door Mozes' hand: het water stroomde door het zand. God dacht aan Abraham, zijn knecht, aan 't heilig woord hem toegezegd. 20 Heel Israël trok uit in vreugde, een volk dat zich in God verheugde, een juichend volk, door God bevrijd, een volk vervuld van dankbaarheid. Het erfde uit Gods eigen hand de schatten van het heidenland. 21 Die gunst heeft God zijn volk bewezen, opdat het altijd Hem zou vrezen, zijn wet betrachten en voortaan standvastig op zijn wegen gaan en zingen zou: Aan God de eer. Looft, halleluja, looft de HEER. Psalm 106 : 1-22 1 Looft nu den HEER, want Hij is goed, die met zijn liefde ons ontmoet. Zijn trouw houdt stand te allen tijde. Wie prijst zijn daden woord voor woord? Wie kan zijn heerlijkheid belijden? Wie looft Hem zodat elk het hoort? 2 Gelukkig zijn die Hij geleidt, die leven in gerechtigheid. Gedenk mij naar uw welbehagen. Dat ik met heel mijn volk U dien, met hen van voorspoed mag gewagen, de zegen van uw erfdeel zien. 3 HEER, wij zijn zondig, wij zijn boos, als onze vaadren goddeloos, die in Egypte U verachtten, en voor uw wondren doof en blind, U bij de Schelfzee niet gedachten, uw gunsten sloegen in de wind. 4 Maar Hij heeft nochtans hen bevrijd. Hij toonde hun zijn majesteit, om zo zijn naam te doen verhogen. Zijn dreigen dreef de zee uiteen, en Israël ging op het droge als door een vlakke steppe heen. 5 Hij hielp hen uit des vijands hand, Hij brak de haat, de tegenstand, ontketende 't geweld der golven, en heeft Egypte's machtig heer tot aan de laatste man bedolven. Toen zongen zij zijn lof, zijn eer. 6 Hoe snel vergaten zij den HEER, hoorden naar zijn bevel niet meer. Begeerte had hun hart bevangen. Zij tartten God in de woestijn. Hij gaf hun toornig hun verlangen, opdat het hun tot straf zou zijn. 7 Zij wilden naadren tot hun Heer, zij eisten dat Aärons eer, dat Mozes' ambt hun toe zou vallen. De aarde spleet, het vuur verslond. Dathan, Abiram, ja zij allen verzwolgen zijn zij in de grond. 8 Zij hebben niet op God vertrouwd. Zij maakten zich een kalf van goud, een afgodsbeeld dat zij aanbaden. Zij hebben voor een grazend beest hun eer geruild, en God verraden die steeds hun helper was geweest. 9 Hun helper, die vergaten zij, die in Egypte hun nabij geweest was in het huis der slaven, hen door de Schelfzee had geleid. Zij offerden een dier hun gaven, alsof een kalf hen had bevrijd. 10 Toen sprak de HEER, in toorn ontbrand: Ik roei hen uit met eigen hand. Ontsteld trad Mozes tussen beide. Hij smeekte: Spaar dit zondig volk en blijf genadig ons geleiden, ga, HEER, ons voor in vuur en wolk. 11 Het heerlijk land dat God hun wees, versmaadden zij, verlamd door vrees. Zij hokten in hun tenten samen, zij die in ongeloof hun lot aldus in eigen handen namen, niet hoorden naar den HEER, hun God. 12 Toen straft', aan 't eind van zijn geduld, de HEER hun mateloze schuld. Hij hief zijn hand om te verderven. Hij zwoer hun dood in de woestijn, en dat hun kindren zouden zwerven en balling in den vreemde zijn. 13 Zij hebben roekeloos hun lot verbonden aan een vreemde god, waarbij zij dodenoffers aten. Hij, door hun hoon getergd, besloot het onheil op hen los te laten. Hij sloeg hen met verderf en dood. 14 Te rechter tijd hield Pinehas, die Gods getrouwe priester was, een strafgericht in naam des HEREN. Hij heeft Gods toorn tot rust gebracht. Hem zal men als rechtvaardig eren, hem en zijn hele nageslacht. 15 Zij liepen Mozes achterna met bittre klacht bij Meriba. Om water was het hun begonnen. En hij, in driftig ongeduld, sprak woorden, dwaas en onbezonnen. Zo werd hij schuldig door hun schuld. 16 Zij hebben Gods bevel veracht, de heidenen niet omgebracht, zij stonden voor hun invloed open. Door eigen schuld is Israël toen blindlings in de val gelopen van het verdwaasd afgodisch spel. 17 Zij hadden voor 't gewaande heil hun zonen en hun dochters veil, die moesten voor hun goden sterven: zij deinsden niet terug om snood het land met bloedschuld te verderven en te ontwijden door hun dood. 18 Hoe dikwijls heeft, met schuld bedekt, dit volk des HEREN toorn verwekt. Hoe dikwijls moest Hij hen kastijden. Hij gaf hen in des vijands macht, maar telkens kwam Hij hen bevrijden, daar Hij aan zijn verbond gedacht. 19 Zij tartten steeds weer Gods geduld. Zij zonken weg in eigen schuld. Hun haters sloegen diepe wonden. Zij werden eeuwenlang gekweld en in de ballingschap gezonden, ten prooi aan wreedheid en geweld. 20 Zij klaagden eindlijk God hun nood, die in zijn liefde wondergroot hen aanzag, met hun lot bewogen. Hij maakte, trouw aan zijn verbond, dat Isrel zelfs in 's vijands ogen in 't vreemde land genade vond. 21 Verlos ons, HERE, onze God, verhef uw aanschijn, wend ons lot, verzamel ons uit alle streken, opdat wij eenmaal allen saam van de vervulling mogen spreken, lof brengen aan uw heilge naam. 22 Geprezen zij de HEER die leeft, die Israël verkoren heeft. Hij brengt straks heel zijn volk tezamen. Gezegend zij zijn trouw beleid. Zegg' al het volk nu: Amen, amen. Loof Hem in alle eeuwigheid. Psalm 107 : 1-13 1 Looft, looft de HEER gestadig om zijn goedgunstigheid. De HERE is genadig tot in der eeuwigheid. Wie Hij heeft thuisgebracht uit alle hemelstreken, verlost uit vreemde macht, die mogen thans zo spreken. 2 Zij dwaalden door woestijnen en leden hongersnood. De dorst deed hen verkwijnen, geen stad die uitkomst bood. Maar toen zij, bang van hart, hun nood de HERE schreiden, verdreef Hij angst en smart en redde hen uit lijden. 3 Hij deed hen veilig treden op effen, ruime baan. Hij deed hen vaste steden als woonplaats binnengaan. Looft nu de HEER verblijd om 't wonder van zijn gaven, die brood in nood bereidt, de dorstigen wil laven. 4 Zij die Gods woord verachtten, des Allerhoogsten raad, moesten in boeien smachten en vonden nergens baat. Maar toen zij, bang van hart, hun nood de HERE schreiden, verdreef Hij angst en smart en redde hen uit lijden. 5 Hij wilde hen geleiden uit donkerheid en dood, van banden hen bevrijden en redden uit de nood. Looft nu de HEER verblijd om 't wonder van zijn gaven, die bronzen deuren splijt, verbreekt de ijzren staven. 6 Zij die door grote zonden gepijnigd tot de dood, Gods straffen ondervonden, zij gruwden zelfs van brood. Maar toen zij, bang van hart, hun nood de HERE schreiden, verdreef Hij angst en smart en redde hen uit lijden. 7 Zij hebben ondervonden hoe God genezing gaf. Hij heeft zijn woord gezonden, dat redde van het graf. Looft om zijn gunst de HEER, die wonderen bewerkte. Brengt offers tot zijn eer, bejubelt blij zijn sterkte. 8 Er waren handelaren op schepen, rijk bevracht. De HEER deed hun ervaren zijn wonderwerk, zijn macht. God sprak - en op zijn woord verhieven zich orkanen. Hij joeg de golven voort en striemde oceanen. 9 Zij rezen tot de wolken. Weg was hun wijs beleid. Zij zonken in de kolken, hun scheen de dood bereid. Maar toen zij, bang van hart, hun nood de HERE schreiden, verdreef Hij angst en smart en redde hen uit lijden. 10 God deed de winden keren, de golven werden stil. Zij kregen hun begeren: een thuiskomst naar Gods wil. Looft nu de HEER verblijd om al zijn wonderdaden. Vereert Hem toegewijd, daar waar het volk vergadert. 11 Van beken en van stromen maakt Hij een dorstig land. De bron waaruit zij komen, wordt een woestijn van zand. Het vruchtbaar akkerland maakt Hij tot zilte gronden. Zo slaat Hij met zijn hand de mensen om hun zonden. 12 God maakt zelfs woestenijen tot goed bewoonbaar land, waar mens en vee gedijen en waar men zaait en plant. De HEER, die zegen geeft, vervult het land met kindren. Hij, die de macht ook heeft, zijn gaven te vermindren. 13 God zal de groten treffen, zodat hen elk veracht, nooddruftigen verheffen, doen groeien hun geslacht. Zie hoe het onrecht zwijgt. Wie wijs is, zal God prijzen, omdat hij inzicht krijgt in 's HEREN gunstbewijzen. Psalm 108 : 1-4 1 Mijn hart is, Heer, in U gerust. Uw lof te zingen is mijn lust. Maakt, harp en luit, den Here groot. Mijn lied begroet het morgenrood. Ik breng mijn lof, o HEER, U toe onder de volken en ik doe in ieder land mijn psalm weerklinken, daar 'k hemelhoog uw trouw zie blinken. 2 Ja, hoger dan het hemels blauw is, HEER, uw goedheid en uw trouw. Verhef U, dat uw aangezicht de hemel met zijn glans verlicht. Op aarde blink' uw heerlijkheid. Gord uw geliefden tot de strijd. Ten zege zij uw hand geheven, hoor mij, o Heer, wil antwoord geven. 3 Maar wat? Mijn God heeft reeds gehoord. In 't heiligdom weerklonk zijn woord. Ik juich, ik zal de vijand slaan aan beide oevers der Jordaan. Dan, mij erkennend als hun heer, werpt zich het Noorden voor mij neer en 't Zuiden hoort naar mijn bevelen. Heel 't land zal 'k meten en verdelen. 4 Wie voert mij met een vaste hand tot in het hart van 's vijands land? O God, die ons verstoten had, trek met ons uit, wijs ons het pad, want mensenhulp is ijdelheid. Nu God ons bijstaat in de strijd is elke heldendaad te wagen. De vijand wordt door Hem verslagen. Psalm 109 : 1-14 1 God die ik loof te allen tijde, zwijg niet, kom haastig tussenbeide. De haat verheft zich allerwege, om leugens is geen mens verlegen. De goddeloze roert de mond, staat mij naar 't leven zonder grond. 2 Ik heb mijn liefde hun gegeven, geheel mijn hart, geheel mijn leven, hoewel zij met verraad mij lonen. Ik bid voor allen die mij honen, ik zegen ieder die mij haat, maar zij vergelden goed met kwaad. 3 'Laat onrechtvaardigen hem richten, laat goddelozen hem betichten en laat hem schuldig zijn bevonden. Worde zijn smeekgebed tot zonde, worde zijn leven ras verteerd, een ander met zijn ambt geëerd. 4 Verwees zijn kroost, verweeuw zijn gade, laat op genaad' of ongenade zijn kindren bedelen en dolen en opgejaagd zijn uit hun holen. Worde al wat hij had vergaard geplunderd en verbeurd verklaard. 5 Laat niemand hem meer liefde schenken, niemand zijn kinderen gedenken, ja, laat zijn kroost ten grave dalen, niemand hun namen meer herhalen, dat zijn geslacht geen wortel schiet, als onkruid dat is uitgewied. 6 De schuld der vroegere geslachten blijve voorgoed in Gods gedachten. Ja, laat de zonde van zijn ouders als last neerkomen op zijn schouders. Tot zijn geslacht niet meer bestaat wreke God eindeloos hun kwaad. 7 Hij kende deernis noch erbarmen, vervolgde tot de dood de armen. Laat hem zegen en vloek beseffen. Vloek had hij lief, dat vloek hem treffe. De zegening verfoeide hij, zegening ga aan hem voorbij. 8 Vloek heeft hij als een kleed gedragen, laat vloek nu zijn gebeente knagen, laat vloek zijn lichaam overdekken, laat vloek zijn vlees en bloed doortrekken.' Zo loont de HEER wie mij weerstaat met leugentaal en lasterpraat. 9 O trouwe HEER, die hebt gegeven de kennis van uw naam ten leven, zij nu voor mij die naam het teken dat Gij tot mij in gunst wilt spreken en rijk in goedertierenheid naar uw beloften mij bevrijdt. 10 Ik ben ellendig boven mate, mijn hart wil zich niet troosten laten. In 't licht dat bijna is verdwenen ga ik gelijk een schaduw henen. Als een insect dat men vertreedt, zo lig ik neder in mijn leed. 11 Mijn knieën kunnen mij niet dragen. Ik heb van vasten en van klagen al mijn gedaant' en vorm verloren. Ik hoor een spotlach in mijn oren en die mij aanzien schudden 't hoofd. Ik ben van heerlijkheid beroofd. 12 Help mij, o HEER, naar uw meedogen, verlos mij door uw groot vermogen. Wil naar uw goedertierenheden nu voor uw knecht in 't strijdperk treden. Zodat al wie het gadeslaan weten dat Gij het hebt gedaan. 13 Geef voor hun vloek, o HEER, mij zegen, treed alwie zich verheffen tegen en laat uw dienaar zich verblijden wanneer hun plannen schipbreuk lijden. Hul in de mantel van de smaad al wie mij naar het leven staat. 14 Ik zal met luider stem den HERE in 't midden der gemeente eren, want Hij staat aan de rechterzijde van allen die verdrukking lijden. Wanneer de boze hen beticht, is Hij hun voorspraak in 't gericht. Psalm 110 : 1-6 1 Zo heeft de HERE tot mijn Heer gesproken: Zit aan mijn rechterhand en neem uw recht, totdat Ik elke vijand heb gebroken en als een voetbank voor u neergelegd. 2 De HERE wil u met zijn macht bekleden, van Sion uit strekt Hij uw koningsstaf: voer met gezag, door vijanden bestreden, de heerschappij die God, de HEER, u gaf. 3 Uw volk is zeer gewillig om te strijden. Zij treden aan in heilig feestgewaad. Ook zal uw jeugd zich aan uw glorie wijden als frisse dauw in vroege dageraad. 4 De HERE heeft u deze eed gezworen - en het berouwt Hem niet in eeuwigheid: Zó als Ik Melchisedek had verkoren, wil Ik dat gij voor eeuwig priester zijt. 5 De HEER, die op uw wegen u bewaarde, is in de strijd steeds aan uw rechterhand. Zijn arm verplettert koningen der aarde, wanneer zijn dag komt en zijn toorn ontbrandt. 6 Hij zal het kwaad der heidenvolken wreken, hij roeit hen uit, vertrapt hen met zijn voet. Terwijl hij voortgaat, drinkt hij uit de beken en heft het hoofd, de zege tegemoet! Psalm 111 : 1-6 1 Looft, halleluja, looft de HEER. Ik breng met heel mijn hart Hem eer, met allen die oprecht Hem zoeken. Groot zijn Gods werken en zeer goed. Wie vreugde schept in wat Hij doet, moet ze nauwkeurig onderzoeken. 2 Des HEREN doen is majesteit en eeuwig zijn gerechtigheid. Barmhartig is Hij, vol genade. Hij gaf een klaar getuigenis en stichtte een gedachtenis voor zijn geduchte wonderdaden. 3 De HEER heeft wie Hem vreest, gevoed. Hij die barmhartig is en goed, blijft eeuwig zijn verbond gedenken. Zijn grote kracht heeft Hij getoond: het land, door heidenen bewoond, gaf Hij zijn volk eens ten geschenke. 4 Gods werk is waarheid en vol recht; en alles wat Hij heeft gezegd, is ons een licht op onze wegen. Hij doet zijn vaste woord gestand, dat tijd en eeuwigheid omspant. Hij is getrouw in vloek en zegen. 5 De HERE heeft zijn volk gered en het geheiligd door zijn wet, voor eeuwig zijn verbond gesloten. Zijn naam is groot in heiligheid en zeer geducht, vol heerlijkheid. Hij is nabij zijn gunstgenoten. 6 't Begin van ware wijsheid is - zo leert ons Gods getuigenis - de HERE als uw God te vrezen. Wie hiernaar leeft, hij heeft verstand, hij dient zijn God met hart en hand. Voor eeuwig wordt Gods naam geprezen. Psalm 112 : 1-5 1 God zij geloofd en hoog geprezen. Welzalig die de HERE vrezen. Wie in zijn hart Gods wet bewaarde, zijn nageslacht is groot op aarde. Wie vrolijk voortgaat op Gods wegen, beërft een overvloed van zegen. 2 Zijn goede naam wordt nooit te schande, zijn recht is veilig in Gods handen. Zelfs in de nacht ziet hij het dagen, een glans van liefd' en welbehagen. Gods waarheid zal voor al de zijnen als zonlicht in het duister schijnen. 3 Wel hem, die geeft te allen tijde, die zich door liefd' en recht laat leiden. Hij is standvastig, wankelt nimmer, zijn goede trouw bestaat voor immer. Voor kwaad gerucht zal hij niet vrezen, de HEER zal steeds zijn schuilplaats wezen. 4 Standvastig blijft hij bij zijn plannen, nooit zal de vrees hem overmannen. Hij slaat met vreugd de vijand gade, geen haat, geen boosheid kan hem schaden. Mild is zijn hart en vol erbarmen schenkt hij zijn gaven aan de armen. 5 Zijn recht houdt stand, niets kan hem deren, zijn goede naam is hoog in ere, terwijl de vijand van het goede vergaat van machteloze woede, want al zijn boosheid is gebreideld en al zijn plannen zijn verijdeld. Psalm 113 : 1-3 1 Prijst, halleluja, prijst den HEER, gij 's HEREN knechten, immermeer moet 's HEREN naam gezegend wezen. Van waar de zon in 't oosten straalt, tot waar z' in 't westen nederdaalt, zij 's HEREN grote naam geprezen. 2 Ver boven aller volken trots blinkt hemelhoog de glorie Gods. Wie is als Hij, de HEER der heren? Hij onze God, die troont zo hoog, slaat op het diepste diep zijn oog. Hemel en aarde moet Hem eren. 3 Wie onderligt in stof en slijk, maakt God aan edelen gelijk. Hij geeft een vrouw haar diepst verlangen. Hij zegent die onvruchtbaar scheen, met bloei van kindren om haar heen. Prijst Hem, den HEER, met lofgezangen. Psalm 114 : 1-4 1 Toen Israël uit Egypteland ging, Jakob zijn vrijheid vol vreugde ontving, zij 't vreemde land ontkwamen, werd Juda aan de Here toegewijd, werden tot rijk van Gods volkomenheid al Isrels stammen samen. 2 Dit zag de zee en zij vluchtte ontdaan, achterwaarts wendde zich toen de Jordaan, daar God zijn macht deed gelden. Als rammen sprongen bergen, vast gegrond, plotseling op, de heuvels in het rond als lamren in de velden. 3 Waarom, o zee, liet gij vluchtend ruim baan? Wat overkwam toch uw waatren, Jordaan, dat zij zich eensklaps scheidden? Gij trotse bergen, heuvels vast gegrond, waarom sprongt gij als rammen in het rond, als lamren in de weide? 4 Beef dan, gij aarde, voor Israëls Heer, krimp voor zijn aanschijn en buig u terneer, laat u door God bedwingen die water wellen deed uit de woestijn en uit de harde steenrots een fontein van lafenis ontspringen. Psalm 115 : 1-8 1 Niet ons, o HEER, maar uw naam geef de eer, om al uw goedertierenheid, o HEER, om al uw trouw en zegen. Waarom toch zouden heidenen met spot minachtend vragen: Waar is nu hun God? Hij is hun toch genegen? 2 Hij, onze God, bewoont het hemels licht. Daar heeft Hijzelf zijn hoge troon gesticht. Hij doet naar zijn behagen. Hun goden zijn van zilver en van goud, slechts mensenwerk, zodat wie op hen bouwt, vergeefs om hulp zal vragen. 3 Hun afgod heeft een mond, die nimmer spreekt. Hij heeft wel ogen, maar het zien ontbreekt, een neus, maar kan niet ruiken. Hij heeft wel oren, maar kan niets verstaan, wel voeten, maar hij kan er niet mee gaan, geen hand kan hij gebruiken. 4 Geen zwak geluid zelfs komt er uit zijn keel. Zij die hem maken, krijgen als hun deel aan hem gelijk te wezen. Daarom zal ieder die op hem vertrouwt en heel zijn toekomst op een afgod bouwt, zijn einde moeten vrezen. 5 Maar Israël, vertrouw gij op de HEER. Hij is hun hulp, hun schild en al hun eer. Hij zal zijn volk gedenken. Aärons huis, vertrouw op God, de HEER, Hij is hun hulp, hun schild en al hun eer. Hij zal zijn zegen schenken. 6 Vertrouw op God, gij die de HERE vreest, want Hij is steeds hun hulp en schild geweest, heel Israël ten zegen. Aärons huis zal rijk gezegend zijn. Waar men hem vreest, ontvangen groot en klein die zegen op hun wegen. 7 De HERE zal u en uw nageslacht vermeerderen in aantal en in macht. Gezegend zij uw leven. De HERE, die de hemel en de aard' geschapen heeft en die sindsdien bewaart, zal u zijn zegen geven. 8 De hemel is de hemel van de HEER. De aarde heeft Hij tot zijn lof en eer de mensen eens gegeven. In 't stille graf brengt niemand Hem nog eer. Maar wij, wij zullen prijzen onze HEER van nu aan heel ons leven. Psalm 116 : 1-10 1 God heb ik lief, want die getrouwe HEER hoort naar mijn stem, mijn smekingen, mijn klagen. Hij neigt zijn oor, 'k roep tot Hem al mijn dagen. Hij schenkt mij hulp, Hij redt mij keer op keer. 2 Ik werd omkneld door banden van de dood, ik was benauwd, verzwakt in al mijn leden. Maar in mijn angst heb ik tot God gebeden: Ach, HERE, hoor en red mij uit de nood. 3 Ik prijs mijn God in zijn rechtvaardigheid. Zijn liefde heeft genadig mij gedragen. Wie weerloos zijn en om ontferming vragen, bewaart de HEER in zijn barmhartigheid. 4 Ik lag terneer, mijn kracht was haast vergaan. Maar God verloste mij uit bitter lijden. Kom tot uw rust, mijn ziel, wil u verblijden, omdat de HERE u heeft welgedaan. 5 Gij, HERE, hebt mij voor de dood behoed, mijn pad beschut, mijn tranen willen drogen. Ik wandel nu in blijdschap voor uw ogen, zet in het land der levenden mijn voet. 6 Ik heb geloofd, ook in mijn diepe smart, zelfs toen ik sprak: In angst vergaat mijn leven, aan niemand kan ik ooit vertrouwen geven, de leugen woont in ieder mensenhart. 7 Goed en getrouw, weldadig is de HEER. Hoe zal ik al zijn gaven Hem vergelden? 'k Zal bij de kelk van heil zijn naam vermelden, ik roep Hem aan en geef Hem lof en eer. 8 De HEER is trouw, Hij hoedt zijn gunstgenoot. Bij al zijn volk betaal ik mijn geloften. Hij schenkt ons heil, vervult al zijn beloften. In 's HEREN oog is kostbaar onze dood. 9 Uw dienstmaagd heeft haar zoon tot U geleid, ik ben uw knecht, ik breng U offeranden. Gij hebt, o HEER, ontbonden al mijn banden. Ik zing mijn lied, uw grote naam gewijd. 10 Ik zal met vreugd in 't huis des HEREN gaan, ik zal mijn God naar mijn geloften danken. Jeruzalem, hoor naar die blijde klanken en hef met mij de lof des HEREN aan! Psalm 117 : 1 Looft, alle volken, looft den HEER, roemt, alle naties, roemt zijn eer. Want over ons is groot en wijd zijn gunst en goedertierenheid, voor eeuwig blijft zijn trouw bestaan. Heft met ons Halleluja aan! Psalm 118 : 1-10 1 Laat ieder 's HEREN goedheid prijzen, zijn liefde duurt in eeuwigheid. Laat, Israël, uw lofzang rijzen: Zijn liefde duurt in eeuwigheid. Dit zij het lied der priesterkoren: Zijn liefde duurt in eeuwigheid. Gij, die den HEER vreest, laat het horen: Zijn liefde duurt in eeuwigheid. 2 Ik werd benauwd van alle zijden en riep den HEER ootmoedig aan. De HEER verhoorde en bevrijdde, Hij deed mij in de ruimte staan. De HEER is met mij, 'k zal niet vrezen. Geen sterveling verschrikt mij meer. De HEER wil mij tot helper wezen: ik zie op al mijn haters neer. 3 't Is beter bij den HEER te schuilen dan dat men bouwt op man en macht. 't Is beter bij den HEER te schuilen dan dat men hulp van vorsten wacht. Toen ik mij wenden kon noch keren, omsloten door der volken ring, doorbrak ik in de naam des HEREN de knellende omsingeling. 4 Zij zwermden om mij heen als bijen, zij waren dreigend om mij heen. In Gods naam brak ik door hun rijen, als strovuur sloeg ik hen uiteen. O vijand, die met felle stoten mij bijna hebt ten val gebracht, de HEER had tot mijn heil besloten, Hij redde mij, Hij schonk mij kracht. 5 De HEER is mij tot hulp en sterkte, Hij is mijn lied, mijn psalmgezang. Hij is het, die mijn heil bewerkte. Ik loof den HEER mijn leven lang. Hoort in hun kamp Gods knechten zingen nu Hij de zege heeft gebracht: Gods rechterhand doet grote dingen, Gods rechterhand heeft grote kracht! 6 Des HEREN hand is hoog verheven, des HEREN rechterhand is sterk. Ik zal niet sterven, ik zal leven en zingen van des HEREN werk. De HEER heeft mij wel zwaar geslagen, maar niet verlaten in mijn nood, en zijn genadig welbehagen gaf mij niet over aan de dood. 7 Ontsluit, ontsluit nu voor mijn schreden de poorten der gerechtigheid. Laat mij de voorhof binnentreden en loven 's HEREN majesteit. Dit is de poort, de poort des HEREN, Gods knechten zullen binnengaan. God van mijn heil, U wil ik eren, nu ik uw antwoord heb verstaan. 8 De steen, dien door de tempelbouwers verachtlijk was een plaats ontzegd, werd tot verbazing der beschouwers ten hoeksteen door God zelf gelegd. Dit werk is door Gods alvermogen, door 's HEREN hand alleen geschied. Het is een wonder in onz' ogen. Wij zien het, maar doorgronden 't niet. 9 Dit is de dag, die God deed rijzen, juicht nu met ons en weest verblijd. O God, geef thans uw gunstbewijzen, geef thans het heil door ons verbeid. Gezegend zij de grote koning die tot ons komt in 's HEREN naam. Wij zeegnen u uit 's HEREN woning, wij zegenen u al tezaam. 10 De HEER is God, zijn gunst verheugde ons oog en hart met vrolijk licht. Nu worde 't offer onzer vreugde op zijn altaren aangericht. Gij zijt mijn God, U zal ik prijzen, o God, U roemen wijd en zijd. Laat aller lof ten hemel rijzen: Gods liefde duurt in eeuwigheid. Psalm 119 : 1-66 1 Welzalig wie de rechte wegen gaan, wie in de regels van Gods wijsheid treden. Zalig wie zijn getuigenis verstaan, van ganser harte zoeken naar zijn vrede. Geen onrecht en geen dwaling lokt hen aan. De weg der zondaars wordt door hen gemeden. 2 Gij hebt ons hart uw orde opgelegd, opdat wij die met ijver onderhouden. Ach, ging ik toch de wegen van uw recht, dan stond ik niet beschaamd, als ik vertrouwde op wat Gij in uw liefde tot mij zegt, als ik de schoonheid van uw wet aanschouwde. 3 U dank ik, HEER, in opgetogenheid. Mijn hart verheugt zich over uw bevelen, U wil ik, die de allerhoogste zijt, in alles volgen, niets voor U verhelen. Verlaat mij niet, ik ben U toegewijd, verlaat mij niet, laat in uw gunst mij delen. 4 Waarmee bewaart de jeugd haar bloem, haar eer, hoe vindt de mens reeds vroeg de rechte paden? Hij houdt zijn leven onbesmet, wanneer hij zich door God en zijn gebod laat raden. Ik zoek U met mijn ganse hart, o HEER, leid mij niet af ter zijde en ten kwade. 5 Diep in mijn hart berg ik uw heilig woord, opdat geen zonde daar kan binnendringen. Geprezen zijt Gij, HEER, aan ieder oord. Leid mij in 't licht van uw verordeningen. Dan zal ik zo dat iedereen het hoort het hoge recht van uw verbond bezingen. 6 O God, ik ben van harte zeer verblijd over de weg van uw getuigenissen. In uw bevelen ligt mijn zaligheid, ik zal mij van uw wegen vergewissen. Ik loof U, die mijn grootste rijkdom zijt, laat mij, o HEER, geen van uw woorden missen. 7 Zegen uw knecht die Gij uw wil gebiedt. Ontvouw de wet die Gij ons openbaarde. Open mijn oog, zodat het helder ziet, dat ik de wondren van uw wet ontware. O HEER, verberg mij uw geboden niet: ik ben een gast en vreemdeling op aarde. 8 Mijn ziel wordt van verlangen hier verteerd om U te dienen op de rechte wijze. Maar wie zich overmoedig van U keert, wie weigert om uw grote naam te prijzen, die wordt door U, zoals uw woord ons leert, met vloek bedreigd. Gij zult hem van U wijzen. 9 Neem van mij weg de schande en de smaad, want ik bewaar steeds uw getuigenissen; al smeden vorsten met elkander kwaad tegen uw knecht, ik wil uw wet niet missen. Zij is mijn lust, ik luister naar uw raad, zij ondersteunt mij in het ongewisse. 10 Ik lig terneer, gekluisterd aan het stof, maak mij dan, HERE, naar uw woord weer levend! Mijn wegen heb ik U verhaald, Godlof, Gij hebt geantwoord en mij raad gegeven. Leer mij dan in het licht van het geloof uw wondren zien, naar uw bevelen leven. 11 Luister hoezeer mijn ziel van kommer schreit en richt mij op en leid mij op uw wegen, doe toch de weg der leugen weg van mij, toon mij uw wet, uw wil, uw zorg, uw zegen, want ik verkies als koers waarachtigheid en overdenk uw woorden wel terdege. 12 Ik klem mij vast aan uw getuigenis. O HEER, laat niet vergeefs mij op U hopen! Gij zijt mijn licht, mijn dag bij duisternis, Gij doet uw woorden voor mijn ogen open, verruimt mijn hart en maakt mijn reis gewis. Ik zal de weg van uw geboden lopen. 13 Geef mij een hart dat U met vreugde groet, geef mij verstand - daar zal ik wel bij varen -, dat ik niet haak naar zilver, goud en goed, niet gretig schatten om mij heen vergare. Als Gij de weg der wet mij weten doet, dan zal ik die ten einde toe bewaren. 14 Bewaar mijn oog, dat niet de valse schijn, dat niet de lege vreugd mijn hart bewege. Slechts in uw spoor kan leven leven zijn. Vestig mijn aandacht op de rechte wegen. Doe uw beloften onverwrikbaar zijn, immers uw knecht is tot uw dienst genegen. 15 Doe van mij weg de schande en de smaad, want Gij hebt uw geboden mij gegeven dat ik zou onderkennen goed en kwaad door uw gerechtigheid die staat geschreven. Vreugde der Wet! God is mijn toeverlaat. Alleen bij uw bevelen zal ik leven. 16 Stort over mij uw goedertierenheid, uw heil, naar uw belofte mij gebleken, opdat ik waar men smaadt en mij bestrijdt, mijn zaak bepleite en in vrijheid spreke. Gij weet dat ik uw ordening verbeid, neem van uw knecht niet weg uw taal en teken. 17 Neem van mijn mond het woord der waarheid niet. Gij moet uw wil en wet mij openbaren. Mijn hart gaat uit naar wat Gij mij gebiedt, altoos en immer zal ik dat bewaren. Gij maakt ruim baan voor wie uw wet ontziet. Ik volg uw licht, daar zal ik wel bij varen. 18 Ook zal ik zonder schaamte en vrijuit voor koningen en allen die regeren spreken van uw onwankelbaar besluit, roemen de wijze lering van den HERE. Ik strek mijn hand naar uw geboden uit, die heb ik lief en die zal ik begeren. 19 Gedenk aan 't woord gesproken tot uw knecht, waarop Gij mij verwachting hebt gegeven. Dit is mijn troost, in druk mij toegelegd, trots mijn ellende doet Gij mij herleven. Wat ook de overmoed der spotters zegt, nooit zal ik wijken van uw rechte wegen. 20 Wanneer ik denk aan uw aloude woord word ik getroost, zo zal ik mij verpozen; maar wie er niet meer naar uw regels hoort, al de verdwaalden, al de goddelozen, - o HEER, ik ben bedroefd, ik ben verstoord over een wereld liggend in het boze. 21 De wet, o HEER, die Gij aan mij beveelt, is als een lied mij, als een spel van snaren, dat in den vreemde troostend mij omspeelt. Ik loof uw naam in nacht en in gevaren. Uw trouw hebt Gij, o HEER, mij toebedeeld, omdat ik uw geboden blijf bewaren. 22 De HEER is al mijn deel. Ik ben uw knecht en ik zal houden wat er staat geschreven. Van harte zoek ik 't heil mij toegezegd, uw goede gunst die mij geleidt ten leven. Genade, HEER, Gij die mijn pleit beslecht, Gij die mij uw belofte hebt gegeven. 23 Ik ga uw weg, ik haast en aarzel niet, ofschoon des bozen strikken mij omringen. Ik doe getrouw al wat Gij mij gebiedt. Te middernacht nog zal ik tot U zingen, dan sta ik op, dan wijd ik U mijn lied om uw rechtvaardige verordeningen. 24 Aan wie U dient heb ik mijn hart verpand, ik ben een vriend van allen die U vrezen. Uw goedertierenheid vervult het land, ja, heel de aarde zal getuige wezen van de geduchte daden van uw hand. Laat mij uw trouw in alle dingen lezen. 25 Want Gij hebt aan uw knecht zo wel gedaan, o Gij die groot zijt boven alle goden. Leer mij dan onderkennen en verstaan wat Gij geboden hebt en niet geboden; ik ben in voorspoed eigen weg gegaan, maar nu, ik weet, ik heb U steeds van node! 26 HEER, Gij zijt goed, in heel uw wezen goed, en goed voor al uw kindren zijn uw daden. Wat mij aangaat, mij heeft de overmoed beticht van leugens en met smaad beladen, maar Gij zijt goed in alles wat Gij doet, van ganser harte ga ik op uw paden. 27 Koud is hun hart, halsstarrig hun gemoed, maar ik vind in uw wet mijn zielsverrukken. Beter versta ik: wat Gij doet is goed, niet tevergeefs liet Gij mij, HEER, verdrukken. Mij is uw wet volmaakter overvloed dan duizend goud- en duizend zilverstukken. 28 Uw hand, HEER, heeft mijn leven toebereid, geef mij verstand, dat ik uw wijsheid lere; zij die U vrezen zijn oprecht verblijd dat ik mijn hoop stel op uw woord, o HERE; ik weet, uw oordeel is gerechtigheid, trouw is de staf waarmee Gij zult regeren. 29 Laat mij tot troost uw trouw en goedheid zijn en laat uw knecht naar uw belofte vragen! Laat uw ontferming overvloedig zijn, uw wet mijn lieve lust en mijn behagen, maar maak beschaamd wie overmoedig zijn, omdat zij mij verdrukken en belagen. 30 Ik overpeins de diepten van uw wet, laat hen tot mij zich wenden die U vrezen! In alles wat uw geest heeft ingezet moge mijn hart één en ondeelbaar wezen! Dan zal ik onbesmeurd en onbesmet uw naam in heel mijn leven laten lezen. 31 Uw woord is één en al gerechtigheid, mijn ziel blijft U onwankelbaar verwachten! Tranen heb ik gestort van bitterheid, ik blijf altoos naar uw vertroosting smachten. Och HEER, mijn ogen heb ik uitgeschreid, en toch, uw wet is niet uit mijn gedachten. 32 Hoe vele dagen gunt Gij aan uw knecht? Ja wat zal het getal zijn van zijn dagen? Wanneer spreekt Gij over mijn haters recht, die mij belagen uit hun hinderlagen; waarheid en trouw is alles wat Gij zegt, maar zij: hoe zij met leugens op mij jagen! 33 Bijna tot niets ben ik teruggebracht, toch heb ik uw bevelen niet vergeten. Richt mij weer op en geef mij nieuwe kracht, uw goedheid, HEER, is immers ongemeten, opdat ik uw geboden trouw betracht, aan allen uw getuigenis doe weten. 34 In eeuwigheid bestaat uw woord, uw kracht. Hoog in de hemel is uw naam verheven. Uw trouw is van geslachte tot geslacht, al wat er leeft, ontvangt van U het leven. Gij hebt de hele wereld voortgebracht en voor altijd een vaste plaats gegeven. 35 Zij blijven naar uw ordinantie staan, hemel en aarde, want zij zijn uw knechten! Ik was allang in al mijn druk vergaan als ik mijn hart niet aan uw wetten hechtte. O HEER, uw woord, uw woord, daar denk ik aan, ik leef slechts door uw wetten en uw rechten. 36 Ik ben de uwe, HEER, uw bondgenoot, verlos mij toch, ik leef naar uw besluiten. De goddelozen haken naar mijn dood, maar uw verbondstrouw zal hun opzet stuiten. Aan alles komt een eind, hoe schoon, hoe groot, maar, HEER, uw wet gaat elke grens te buiten. 37 Hoe lief heb ik uw wet, ik denk eraan de ganse dag en zal mij daaraan houden. Zo word ik wijzer dan die mij weerstaan. Omdat ik op uw woorden steeds vertrouwde, doe ik mijn leraars zelfs verwonderd staan en overtref ik de beroemdste ouden. 38 Ik heb mijn voet van 't kwade pad geweerd opdat ik gaan zou in uw goede wegen. Ik wijk niet af van wat uw woord mij leert, want zó alleen kom ik uw aanschijn tegen, Gij hebt U in uw trouw tot mij gekeerd. Gij zijt mijn ziel, mijn zaligheid, mijn zegen. 39 Hoe aangenaam is 't woord van uw verbond, hoe lieflijk klinkt uw wet in onze oren. Ja, zij is mij als honing in de mond, inzicht ontvang ik, door naar haar te horen. Ik zoek uw recht, en haat uit 's harten grond het pad van hen die zich in 't kwaad verloren. 40 Uw woord is als een lamp, een helder licht, een schijnsel op mijn pad, een eeuwig baken dat in de duisternis mijn schreden richt. Ik zwoer en ik begeer het waar te maken, dat ik zal wandlen voor uw aangezicht, dat ik uw recht zal roepen van de daken. 41 Neem mijn geloften aan. O HEER, verklaar genadig mij de lering van uw wetten. Geef leven door uw woord in doodsgevaar. Ik ben bedreigd. De vijand spant zijn netten, maar door uw gunst zal ik onwankelbaar in alle nood op uw bevelen letten. 42 Wat Gij beloofd hebt, is in eeuwigheid mij tot een deel en erfenis gegeven waarin mijn ziel zich dag aan dag verblijdt. Uw wet, o HEER, staat in mijn hart geschreven, uw wil doen is mijn lust te allen tijd, U te beminnen is geheel mijn leven. 43 Mijn lust is, slechts te willen wat Gij wilt. Ik haat die U met dubbel hart beminnen. Gij zijt voor mij een schuilplaats en een schild, want in uw woord doet Gij mij overwinnen. Bozen, laat af, dat ik in God verstild mij dag aan dag op zijn gebod bezinne. 44 HEER, ondersteun mij, geef mij vaste grond, laat uw beloften heel mijn leven schragen. Beschaam mij niet, ik hoop op uw verbond, bevestig mij, dat mij verlossing dage. Als Gij mij steunt, zal ik te allen stond de vreugde van uw wet in 't harte dragen. 45 Uw banvloek treft wie niet uw woord bewaart, zijn leugentaal keert ledig tot hem weder. Maar ik heb lief al wat Gij openbaart. Gij zuivert d' aard, verdelgt de overtreder. Wanneer uw oordeel door de wereld vaart buig ik, o HEER, mij huivrend voor U neder. 46 Gerechtigheid en recht heb ik gedaan, geef mij niet over aan wie mij verdrukken. Zij klagen mij op valse gronden aan, buigen het recht om mij te laten bukken. Wees Gij mijn borg en doe mijn recht bestaan, spreek Gij uw woord en breek hun trots aan stukken. 47 Hoe zie ik uit, HEER, naar uw heilig recht, hoe staat uw woord van trouw mij steeds voor ogen. Leer mij doorgronden wat Gij hebt gezegd, wees Gij om mij genadiglijk bewogen. Verleen mij inzicht, dat ik als uw knecht uw wil versta, uw wijsheid kennen moge. 48 Verhef uw hand, o HEER, zie, het is tijd, zij hebben trouweloos uw wet geschonden. Maar ik heb in de wereld wijd en zijd geen groter schat dan uw gebod gevonden. Wat Gij gebiedt, is mijn gerechtigheid. Ik haat en mijd de wegen van de zonde. 49 Hoe wonderbaar is uw getuigenis. Ik zal het altijd in mijn hart bewaren. Wanneer uw heilig woord geopend is zal 't als een licht het duister op doen klaren. Gij maakt verdwaalden van hun doel gewis, uw kennis maakt onkundigen ervaren. 50 Ik hunker en ik hijg naar uw gebod. Wend U tot mij, verleen mij uw genade. Zo pleit ik op mijn recht als knecht van God. Leid mij naar uw verbond op vaste paden. Wend van mij druk en onrecht, keer mijn lot, dan richt uw woord van dag tot dag mijn daden. 51 Toon aan uw knecht uw lichtend aangezicht, wijs mij de weg van uw verordeningen. Al mijn gedachten zijn op U gericht. Ik voel de tranen naar mijn ogen dringen, wanneer ik zie hoe men uw wet ontwricht en niet meer gaat waar onze vaadren gingen. 52 HEER, uw bestel staat als een vast gebouw waarin Gij woont, rechtvaardig en waarachtig. Gij maakt in uw onwankelbare trouw uw volk steeds uw getuigenis deelachtig. Mijn drift verteert mij, als ik hen aanschouw die traag van hart zijn en U niet indachtig. 53 Uw woord is louter en volkomen rein. Uw dienaar houdt het steeds in hoge ere. Al word ik ook veracht, al ben ik klein, met uw beloften blijf ik stil verkeren. HEER, uw gerechtigheid zal eeuwig zijn, uw wet is waar, uw recht zal triomferen. 54 Wanneer mij nood, wanneer mij onheil treft, zal uw getuigenis mij blijdschap geven, is het uw trouwe wet die mij verheft. - O eeuwig recht, o woord voorgoed geschreven! - O geef mij dat mijn hart dit goed beseft, opdat ik voor uw aangezicht mag leven. 55 Ik roep van ganser harte, antwoord mij, dat ik mij van uw trouw mag vergewissen. Ik roep met luider stemme, sta mij bij; uw bijstand kan ik, trouwe HEER, niet missen. Verlos mij van de vijand, maak mij vrij, dan onderhoud ik uw getuigenissen. 56 Nog voor het morgengrauwen roep ik luid: HEER, kom te hulp, ik blijf uw woord verwachten. Naar uw beloften zien mijn ogen uit des avonds laat en in de lange nachten. Wanneer Gij uw genadig oor ontsluit word ik weer levend na mijn bange klachten. 57 Ik zie de tuchtelozen om mij heen, die van uw recht en wet zijn afgeweken. Maar Gij zijt nader, HEER, dan het gemeen dat U verlaat, want Gij zijt trouw gebleken. Van oudsher weet ik dat uw woord alleen ons is gegeven tot een eeuwig teken. 58 Verlos mij, zie op mijn ellende neer, want van uw wetten zal ik nimmer wijken. Voer Gij het pleit en wees mijn tegenweer, laat uw beloften aan mijn leven blijken. De dwazen blijven verre van uw leer en zijn onwillig naar uw heil te reiken. 59 O HERE, uw barmhartigheid is groot. Laat uw bevelen mij tot leven wekken. Talrijk zijn mijn vervolgers, zie mijn nood, maar ik blijf steeds mijn handen naar U strekken. Want uw geboden zijn mijn daaglijks brood, ik haat ze die zich aan uw woord onttrekken. 60 Zie hoe ik uw vermaningen bemin; wil mij goedgunstig tot het leven leiden. Ik heb uw waarheid lief met ziel en zin, uw woord dat goed en kwaad leert onderscheiden. Uw woord, o HEER, houdt alle waarheid in, uw heilig woord is recht voor alle tijden. 61 Zie hoe mijn vijand mij naar 't leven staat, hoe vorsten mij vervolgen zonder reden. Mijn vreugd is dat uw woord mij niet verlaat, mijn hart vindt daarin overvloed van vrede. Ik die de leugen en het onrecht haat, heb steeds de liefde voor uw wet beleden. 62 Zevenmaal daags zeg ik uw goedheid dank, rechtvaardig is uw wet en mij ten zegen. Dit geeft mijn loflied innigheid en klank. Zij die uw wet beminnen, gaan uw wegen. Zij wandlen voort in vrede, vrij en frank, geen struikelblok, geen onheil houdt hen tegen. 63 Ik die uw wil naar uw geboden doe, hoop op het heil dat Gij mij hebt beschoren. Mijn hele leven leef ik naar U toe, het zijn uw wetten die mijn hart bekoren. Gij kent mijn weg, o HEER, ik word niet moe om van uw trouw te spreken en te horen. 64 Een smekeling, zo kom ik tot uw troon: leg met uw woord beslag op mijn gedachten opdat ik in het licht der waarheid woon. Laat niet vergeefs mij op uw bijstand wachten. Leer mij uw wet, die goed is, waar en schoon, dan loof ik U bij dagen en bij nachten. 65 Al uw geboden zijn gerechtigheid. Ik prijs uw woord met juichende gezangen. Uw rechterhand geleide mij altijd; naar uw geboden richt ik al mijn gangen. Het is uw wet, waarin ik mij verblijd, het is uw heil, waarnaar ik blijf verlangen. 66 Geef leven aan mijn ziel, wees Gij mijn lied, geef dat ik eeuwig U mag toebehoren. Onthoud mij uw getuigenissen niet. Ik was een schaap en had de weg verloren. Zoek, HEER, uw knecht. Ik hoor wat Gij gebiedt. Gij hebt mij immers tot uw dienst verkoren. Psalm 120 : 1-2 1 Ik riep tot God in bange dagen. De HEER gaf antwoord op mijn klagen. Red, HERE, mij van leugenmonden, van hen die trouw en waarheid schonden. Hoe zal de HEER de laster wreken van u die leugentaal blijft spreken? Door pijlen, scherper dan uw mond, door vuur dat meer dan laster wondt. 2 Wee mij, die nergens rust kan vinden, die wonen moet bij kwaadgezinden. Ik mis in Mesech alle vrede, uit Kedars tenten klinkt mijn bede. Te lang woon ik, geheel verlaten, bij mensen die de vrede haten. En hoe ik ook voor vrede pleit, zij zijn alleen maar uit op strijd. Psalm 121 : 1-4 1 Ik sla mijn ogen op en zie de hoge bergen aan, / waar komt mijn hulp vandaan? Mijn hulp is van mijn HERE, die dit alles heeft geschapen. / Mijn herder zal niet slapen. 2 Uw wankle voeten zet Hij vast, als gij geen uitkomst ziet: / uw wachter sluimert niet! Zijn oog wordt door geen slaap verrast, Hij wil, als steeds voor dezen, / Israëls wachter wezen. 3 De HEER brengt al uw heil tot stand, des daags en in de nacht / houdt Hij voor u de wacht. Uw schaduw aan uw rechterhand: de zon zal u niet schaden, / de maan doet niets ten kwade. 4 De HEER zal u steeds gadeslaan, Hij maakt het kwade goed, / Hij is het die u hoedt. Hij zal uw komen en uw gaan, wat u mag wedervaren, / in eeuwigheid bewaren. Psalm 122 : 1-3 1 Ik was verheugd, toen men mij zei: Laat ons naar 't huis des HEREN gaan, om voor Gods aangezicht te staan. Kom, ga met ons en doe als wij. Jeruzalem, dat ik bemin, nu treden wij uw poorten in. Daar staan, o Godsstad, onze voeten, Jeruzalem is hecht gebouwd, wel saamgevoegd, wie haar aanschouwt zal haar als stad van vrede groeten. 2 De stammen, naar Gods naam genoemd, gaan daarheen op, naar zijn bevel. Een voorschrift is voor Israël, dat elk des HEREN naam daar roemt. Jeruzalem, dat ik bemin, nu treden wij uw poorten in. Uw vrede moge ons geleiden. Want ook de zetels van het recht van 't huis van David, 's HEREN knecht, staan daar om onrecht te bestrijden. 3 Vraagt vrede voor Jeruzalem Dat wie u liefheeft en bemint, binnen uw muren vrede vindt. Rust zij er in uw burcht voor hem. Jeruzalem, dat ik bemin, nu treden wij uw poorten in. Gods vrede moge u bezoeken: om vriend en broeder spreek ik nu. Om 's HEREN tempel binnen u wil ik het goede voor u zoeken. Psalm 123 : 1-2 1 Tot U, die zetelt in de hemel hoog, hef ik vol hoop mijn oog. Zoals een knecht let op zijns heren wenken of hij zijn gunst wil schenken, zoals het oog der dienstmaagd vol vertrouwen rust op de hand der vrouwe, zo zien wij op tot God, den HEER, tot Hij ons weer genadig zij. 2 Wees ons nabij, wees ons nabij, ons lot stelt ons voor elk ten spot. Ons hart walgt van de hoogmoed der gerusten, de trots der zelfbewusten. Wij zijn reeds lang verzadigd van verachting en hebben geen verwachting, tenzij van U: o HEER, neem weg de smaad, verlos ons van dit kwaad. Psalm 124 : 1-3 1 Heel Israël getuige, blij van geest: indien de HEER niet met ons was geweest, indien de HEER ons niet had bijgestaan, toen 't woeden van de vijand werd gevreesd, dan waren wij verslonden en vergaan. 2 Een watervloed had iedereen ontzield. Een wilde stroom, die niemand tegenhield, had ons bedekt als God niet had gered. Wij waren door hun tanden dan vernield. Geloofd zij God, de hoorder van 't gebed. 3 Wij zijn ontsnapt als vogels aan het net, de strik door vogelvangers uitgezet. De strik brak los, zo zijn wij vrij geraakt. In 's HEREN naam is onze hulp, Hij redt, de HEER, die aard' en hemel heeft gemaakt. Psalm 125 : 1-4 1 Wie op den HERE God vertrouwen staan als de Sion vast. Hoe hoog het onheil wast, zij wanklen niet die op Hem bouwen. Zij zullen als de berg des Heren de tijd trotseren. 2 Hoog is Jeruzalem omgeven door bergen sterk en steil, - een stad van vreed' en heil. Zo is de HERE heel hun leven rondom hen die zijn woord bewaarden, zijn volk op aarde. 3 De scepter van den goddeloze rust niet voorgoed op 't land waar Hij hen heeft geplant, opdat zij niet de hand naar 't boze uitstrekken en hun hart afkeren van Hem, den HERE. 4 Wie op de dwaalweg zet zijn voeten en wie in eigenwaan kwaad doet, zal 't kwaad vergaan. Maar laat wie goed doet goed ontmoeten, wie vraagt naar U, HEER, - richt zijn schreden! Schenk Isrel vrede! Psalm 126 : 1-3 1 Toen God ons weer naar Sion bracht uit ballingschap en lijdensnacht, toen was het ons als droomden wij, wij lachten weer, wij waren vrij. Verlost van heimwee en verlangen, zong heel ons volk zijn jubelzangen. Toen hieven zelfs de heidnen aan: De HEER heeft hun iets groots gedaan. 2 De HEER heeft ons iets groots gedaan: Hij liet zijn volk in vrijheid gaan. Het kende toen geen droefheid meer, God schonk aan ons de vreugde weer. Heer, breng terug die achterbleven, wend U ons lot, doe ons herleven, zoals in 't Zuiderland een vloed de droge beek weer stromen doet. 3 Wie moeizaam hier met tranen zaait, zal juichen als hij eenmaal maait. Dan telt hij smart en moeite niet, zijn klacht wordt tot een jubellied. Wel gaat hij wenend langs de akker, maar God roept het gezaaide wakker. Dan keert de maaier blij naar huis, hij brengt zijn gouden schoven thuis. Psalm 127 : 1-4 1 Wanneer de HEER het huis niet bouwt, is, alle metselwerk ten spijt, de opbouw niets dan ijdelheid. Wanneer de HEER de wacht niet houdt, geen wachter, die de vijand keert, geen stadsmuur die zijn aanval weert. 2 Voor dag en dauw reeds op te staan en op te zijn tot 's avonds laat, hard werken voor slechts weinig baat en schamel brood, 't is niets dan waan. Hij geeft het immers wie Hij mint, als in de slaap, als aan een kind. 3 Zie, kindren zijn een gave Gods, waarmee de moeder wordt beloond, waarmee de vader wordt gekroond. Als scherpe pijlen waar, vol trots, een weerbaar man zich op verheugt, zo zijn de zonen van de jeugd. 4 Gelukkig hij die in de strijd zijn koker vol met pijlen draagt. Gelukkig hij, die wordt geschraagd door zonen, tot zijn hulp bereid. Al pocht de vijand in de poort, vrijmoedig staat hij hem te woord. Psalm 128 : 1-3 1 Welzalig zullen wezen / wie in Gods wegen gaan. Al wie de HERE vrezen, / geeft Hij een rijk bestaan. Met vreugde zult u eten / de opbrengst van uw land. U zult gezegend heten, / de HERE vult uw hand. 2 Zie, hoe uw vrouw mag bloeien, / een wijnstok, groen en fris. En als olijven groeien / uw zonen rond uw dis. Zo zal de HERE geven / de man die voor Hem buigt, een rijk gezegend leven, / dat van zijn gunst getuigt. 3 Gods zegen moog' u hoeden / uit Sion, stad van Hem, opdat u ziet het goede / van zijn Jeruzalem. U ziet ook op uw bede / uw nageslacht met vreugd. God geve toch de vrede, / die Israël verheugt. Psalm 129 : 1-4 1 Zij hebben immer van mijn jeugd af aan, zo zegge Israël, zij hebben immer, reeds van mijn vroegste jeugd, mij leed gedaan, maar overweldigd hebben zij mij nimmer. 2 Zij trokken op mijn rug met harde nijd hun lange voren, ploegden diepe wonden. Maar God, die recht doet, Hij heeft mij bevrijd, verbrak de boeien, waarmee zij mij bonden. 3 Laat schaamrood vluchten al wie Sion haat, laat hen gelijk het gras zijn op de daken, dat dort, voor iemand er de hand aan slaat, dat in de oogst geen maaier aan zal raken. 4 Haters van Sion, zo zij dan uw lot, dat die voorbijgaan u niet zullen eren, niet 'vrede' zeggen, niet: 'u zeegne God.' 'Wij zegenen u in de naam des HEREN!' Psalm 130 : 1-4 1 Uit diepten van ellende roep ik tot U, o HEER, tot U die hulp kunt zenden, ik buig mij voor U neer. Heer, neig tot mij uw oren en wil mijn klacht verstaan, wil mijn gebed verhoren, ontferm U, zie mij aan. 2 Als U ons overtreden, o HEER, blijft gadeslaan, de ongerechtigheden - Heer, wie zal dan bestaan? Maar nee, daar is vergeving bij U altijd geweest, opdat U in ons leven eerbiedig wordt gevreesd. 3 Ik blijf de HEER verwachten en hopen op zijn woord. Ik wacht in al mijn klachten op Hem, tot Hij mij hoort. Mijn ziel, vervuld van zorgen, wacht sterker op de Heer, dan wachters op de morgen - de morgen, o wanneer! 4 Hoopt op de HEER, gij vromen. Is Israël in nood, er zal verlossing komen, Gods goedheid is zeer groot. Hij hoort naar uw gebeden, blijft Israël nabij. Van ongerechtigheden maakt Hij zijn volk weer vrij. Psalm 131 : 1-3 1 O HEER, er is geen trots in mij, Ik houd mijn hart van hoogmoed vrij, ik zoek niet met een waanwijs oog naar wat te groot is en te hoog. 2 Heb ik mijn ziel niet naar uw wil gevoegd in vrede, mild en stil, zoals het pas gespeende kind troost in zijn moeders armen vindt? 3 Gespeend en toch getroost, zo laat mijn ziel zich leiden door Gods raad. Hoop, Israël, op God den HEER, rust bij Hem nu en immermeer. Psalm 132 : 1-10 1 O HEER, gedenk aan Davids leed, aan al de moeite die hij deed. Houd in gedachtenis de eed, gezworen bij uw grote naam. U, Jakobs Sterke, riep hij aan: 2 Ik keer niet in mijn woning weer, geen slaap gun ik mijn ogen meer, tot ik een plaats vind voor de HEER, een woning, door mij toegedacht aan Jakobs Sterke, groot in macht. 3 In Efrata werd ons verteld waar men de ark had opgesteld. Wij vonden haar in Jaärs veld. Laat ons Gods woning binnengaan en biddend voor zijn voetbank staan. 4 Sta op, o HERE, in uw macht. Uw ark, de zetel van uw kracht, zij in uw huis tot rust gebracht. Bekleed met recht uw priesters, HEER, laat vromen juichen tot uw eer. 5 Als U, o HERE, voor U ziet uw knecht, die U eens zalven liet, verwerp hem dan om David niet. U hebt gezworen Davids zoon te zetten op de koningstroon. 6 Van Davids zonen sprak de HEER: Bewaren zij mijn woord en leer, blijft mijn verbond bij hen in eer, dan zal van hen altijd een zoon gezeten zijn op Davids troon. 7 Want God heeft Sion hoog vereerd, ter woning heeft Hij haar begeerd. Eens sprak Hij, die het al regeert: Hier woon Ik tot in eeuwigheid, dit is mijn rustplaats voor altijd. 8 Hier duld Ik nood noch tegenspoed, hier worden armen rijk gevoed, mijn zegen schenkt hier overvloed, waar priesters staan, met heil bekleed, bij 't volk dat juichend voor Mij treedt. 9 Daar zal Ik David door mijn kracht een hoorn van redding, eer en macht doen rijzen uit zijn nageslacht. Ik heb mijn knecht een lamp bereid, zijn licht zal stralen voor altijd. 10 Ik doe al wie mijn knecht weerstaan bekleed met schaamte ondergaan. Maar Davids troon zal veilig staan en blinken zal de koningskroon op 't hoofd van zijn gezalfde zoon. Psalm 133 : 1-3 1 Komt, ziet, hoe goed, hoe lieflijk is 't als zonen van Isrels huis als broeders samenwonen, in vrede bij elkander zijn. Het is als olie, kostelijk en fijn, die naar Gods heilig voorschrift is bereid, waarmee de priester wordt gewijd. 2 Als olie die Aärons hoofd besproeide en langs zijn baard en mantel nedervloeide, is hun eendrachtig samenzijn. Het is als Hermons dauw zo fris en rein, een dauw, die door het vroege licht bestraald, op Sions bergen nederdaalt. 3 Op Sions berg gebiedt de HEER de zegen, daar wordt genaad' en vrede rijk verkregen, het leven tot in eeuwigheid. Psalm 134 : 1-3 1 Komt allen, dienaars van de HEER, zegent zijn naam en geeft Hem eer, U die in 't huis des HEREN staat en in de nacht Hem dienen gaat. 2 Heft nu uw handen naar omhoog, richt op het heiligdom uw oog. Brengt uit des HEREN tempelhof aan Hem uw dank, uw lied en lof. 3 Uit Sion dale op u neer de zegen van uw God, de HEER, die hemel, aarde, al wat leeft, zijn naam ter eer geschapen heeft. Psalm 135 : 1-12 1 Looft de HERE, prijst zijn naam, knechten van de hoge God, u die tot zijn dienst bekwaam, alles doet naar zijn gebod en uw ambt bekleedt met eer in het huis van onze HEER. 2 Looft Gods goedheid in uw zang. Lieflijk klinkt zijn naam alom. Jakob immers is reeds lang zijn bijzonder eigendom. Hij verkoos zich Israël naar zijn eigen hoog bestel. 3 Ja, ik weet: groot is de HEER, die geen god naast Zich verdraagt. Hem alleen komt toe de eer. En Hij doet wat Hem behaagt. Aard' en hemel zijn van Hem, zee en land bedwingt zijn stem. 4 't Is de HEER, die groot in macht verten in de nevels hult, die bij regen onverwacht heel de lucht met bliksem vult. Stormen komen op zijn woord uit zijn voorraadkamers voort. 5 God sloeg in Egypteland alle eerstgeboornen neer. Machtig was zijn slaande hand: mens en dier bezocht de HEER. Farao noch onderdaan kon die straf van God ontgaan. 6 God sloeg volken door zijn kracht, sterke vorsten trof de HEER. Sichon zwichtte voor zijn macht, Og van Basan sloeg Hij neer. Ieder rijk in Kanaän werd geslagen met de ban. 7 Al dit vruchtbaar grondgebied erfde Israël geheel. God, die hen daar wonen liet, gaf het aan zijn volk ten deel, tot bezit, eeuw in, eeuw uit, naar zijn goddelijk besluit. 8 HEER, uw naam die heerlijk is zal in eeuwigheid bestaan. Nooit zal uw gedachtenis bij het nageslacht vergaan. Want Hij doet zijn volk naar recht, schenkt ontferming aan zijn knecht. 9 Beelden, door een mens gemaakt, kunnen nimmer goden zijn: is hun mond soms welbespraakt, is hun horen meer dan schijn? Maakt men ooit een god van goud, die een mensenkind behoudt? 10 Afgodsbeelden, dood en kil, staren in een blind verschiet. Zij zijn onbezield en stil en hun oren horen niet. Wie een beeld maakt tot zijn god, deelt met hem hetzelfde lot. 11 Israël, loof God, de HEER. Prijs, Aärons huis, uw God. Huis van Levi, geef Hem eer; u die leeft naar zijn gebod, looft Hem om zijn majesteit, prijst de HEER in eeuwigheid. 12 Sion, zing met blijde stem voor uw HEER, die eeuwig leeft. Loof Hem, die Jeruzalem door zijn woning luister geeft. Halleluja. Wees verblijd, prijs de HEER in eeuwigheid. Psalm 136 : 1-21 1 Looft de HEER, want Hij is goed, looft Hem met een blij gemoed, want zijn goedertierenheid zal bestaan in eeuwigheid. 2 Geeft de God de goden eer, looft nu aller heren Heer, want zijn goedertierenheid zal bestaan in eeuwigheid. 3 God alleen heeft in zijn kracht wonderen tot stand gebracht, want zijn goedertierenheid zal bestaan in eeuwigheid. 4 Die de hemel met verstand spande door zijn scheppershand, want zijn goedertierenheid zal bestaan in eeuwigheid. 5 Die de aarde vast en hecht op de waatren heeft gelegd, want zijn goedertierenheid zal bestaan in eeuwigheid. 6 Die de grote lichten schiep, zon en maan tot aanzijn riep, want zijn goedertierenheid zal bestaan in eeuwigheid. 7 God gaf aan de zon gezag om te heersen overdag, want zijn goedertierenheid zal bestaan in eeuwigheid. 8 Maan en sterren schonk Hij macht om te stralen in de nacht, want zijn goedertierenheid zal bestaan in eeuwigheid. 9 Hij sloeg in Egypteland eerstgeboornen met zijn hand, want zijn goedertierenheid zal bestaan in eeuwigheid. 10 Die met macht en majesteit Israël heeft uitgeleid, want zijn goedertierenheid zal bestaan in eeuwigheid. 11 Die opnieuw een wonder deed en de zee in tweeën sneed, want zijn goedertierenheid zal bestaan in eeuwigheid. 12 Die een pad heeft toebereid, door de zee zijn volk geleid, want zijn goedertierenheid zal bestaan in eeuwigheid. 13 Hij die Faro's legermacht in de zee heeft omgebracht, want zijn goedertierenheid zal bestaan in eeuwigheid. 14 Die zijn volk met sterke hand voerde door het woeste land, want zijn goedertierenheid zal bestaan in eeuwigheid. 15 Die de koningen verjoeg, vorsten, groot in macht, versloeg, want zijn goedertierenheid zal bestaan in eeuwigheid. 16 Og en Sichon, sterk en groot, zijn door 's HEREN arm gedood, want zijn goedertierenheid zal bestaan in eeuwigheid. 17 Die hun landen trof met straf, aan zijn volk ten erfdeel gaf, want zijn goedertierenheid zal bestaan in eeuwigheid. 18 Die aan ons, zozeer veracht, in zijn liefde heeft gedacht, want zijn goedertierenheid zal bestaan in eeuwigheid. 19 Die ons volk, hoe ook verdrukt, aan de vijand heeft ontrukt, want zijn goedertierenheid zal bestaan in eeuwigheid. 20 Die aan alles wat er leeft door zijn almacht voedsel geeft, want zijn goedertierenheid zal bestaan in eeuwigheid. 21 Brengt de God des hemels eer, prijst zijn grootheid, looft de Heer, want zijn goedertierenheid zal bestaan in eeuwigheid. Psalm 137 : 1-4 1 Aan Babels stromen zaten wij gevangen. Daar weenden wij van weemoed en verlangen. Hoe trok ons hart naar huis, wij treurden om Jeruzalem, des Heren heiligdom. O dagen van weleer, o heilge stede, wie ver van Sion leeft, is zonder vrede. 2 Droef zaten wij aan Babylons rivieren en hingen aan de wilgen onze lieren. De overwinnaar sprak: 'Komt, speelt en zingt een vrolijk lied van Sion, dat het klinkt!' Die ons verdrukte sprak van spel en zangen, - wij lieten zwijgend onze lieren hangen. 3 Hoe zouden wij als droeve bannelingen op vreemde grond het lied des HEREN zingen? - Indien ik u vergeet, Jeruzalem, begeve mij mijn rechterhand, mijn stem. Ja, laat mijn tong voor zang noch spraak meer deugen, zo gij niet zijt mijn opperste verheugen. 4 Gedenk, o HEER, de volken die ten tijde van Sions val met wrede wellust zeiden: 'Breek af, breek af, de fundamenten bloot!' Gij dochter Babels, toegewijd ter dood, heil onze wreker, heil hem die, o trotse, uw kindren zal verbrijzlen aan de rotsen. Psalm 138 : 1-4 1 Ik zal met heel mijn hart uw eer bezingen, HEER, / U dank bewijzen. Al staan de goden om mij heen, HEER, U alleen, / U blijf ik prijzen. Ik buig mij naar uw tempel neer, uw naam en eer / zal ik verhogen. Uw trouw en goedertierenheid zal ik verblijd / met psalmen loven. 2 Want U hebt om uw grote naam, gestand gedaan / wat stond geschreven. U hebt mijn ziel op haar gebed verhoord, gered, / haar kracht gegeven. De koningen der aarde, HEER, gaan U hun eer / en lof bewijzen En om de waarheid van uw woord, door hen gehoord, / uw grootheid prijzen. 3 Zij breken in gejubel uit en roemen luid / des HEREN wegen, want groot is 's HEREN heerlijkheid, zijn majesteit, / zijn trouw en zegen. Hij slaat, al troont Hij nog zo hoog, op hen het oog, / die needrig knielen, maar uit de verte ziet Hij aan de dwaze waan / van trotse zielen. 4 Als ik, omringd door tegenspoed, bezwijken moet, / schenkt U mij leven. Hoe ook de toorn mijns vijands brandt, uw rechterhand / zal redding geven. De HERE is getrouw en sterk, Hij zal zijn werk / voor mij voleinden. Verlaat niet wat uw hand begon, o levensbron, / wil bijstand zenden. Psalm 139 : 1-11 1 HEER, U doorgrondt mij van omhoog, mijn hart ligt open voor uw oog. U kent mijn zitten en mijn gaan, mijn denken zelfs kunt u verstaan. Waar ik ook ben, U komt mij tegen, U bent vertrouwd met al mijn wegen. 2 Mijn mond spreekt nog geen enkel woord, of U hebt alles reeds gehoord. Omgeeft mij niet aan elke kant op heel mijn pad uw sterke hand? Mijn kennis is te klein bevonden, ik kan dit alles niet doorgronden. 3 Waar zou ik ooit uw Geest ontgaan? Waar zou U mij niet gadeslaan? Steeg ik ten hemel, U bent daar, uw oog wordt mij terstond gewaar. Zou ik in 't rijk der doden dalen, zelfs daar zou U mij achterhalen. 4 Al vloog ik heen van uw gelaat op vleugels van de dageraad tot aan het uiterste der zee, uw hand ging zelfs daar met mij mee, uw rechterhand zou mij bereiken. Waar zou uw Geest ooit van mij wijken? 5 Indien ik bij mijzelf al zei: 'De zwarte nacht bedekke mij,' dan was het duister als een licht, dat mij omgeeft voor uw gezicht. Niets houdt de nacht voor U verborgen: U ziet hem lichtend als de morgen. 6 Ik loof het wonderbaar beleid waarmee U mij hebt toebereid. Mijn hart en nieren zijn uw werk, ja, alles van mij draagt uw merk. U hebt het leven mij gegeven, mij in de moederschoot geweven. 7 Uw eigen hand heeft mij gebouwd daar waar geen mens het ooit aanschouwt. Uw oog nam mijn gebeente waar, mijn aanvang was U openbaar. Zelfs had U reeds voor ik ging leven, mijn dagen in uw boek geschreven. 8 Hoe rijk zijn uw gedachten, Heer! Het overweldigt mij steeds weer: Nog meer dan zand in de woestijn, zó machtig moet hun aantal zijn. Wanneer ik, HERE, zal ontwaken mag ik nog uw nabijheid smaken. 9 Wanneer, o God, wordt door uw macht de goddeloze omgebracht? Ik duld in mijn omgeving niet wie U onteert en bloed vergiet. Doe over hen uw toorn ontwaken. die, Heer, uw naam tot leugen maken. 10 Zou ik niet haten wie U haat, verlaten wie uw weg verlaat? Met afschuw zien mijn ogen aan wie tegen U zijn opgestaan. Slechts vijandschap kan ik hun geven, volkomen haat, zolang zij leven. 11 Doorgrond mij, ken mijn hart, o Heer. Zijn mijn gedachten tot uw eer? Zie of mijn wegen heilig zijn, mijn paden recht, mijn daden rein. En doe mij toch met vaste schreden de weg van eeuwig heil betreden. Psalm 140 : 1-10 1 HEER, red mij van de boze mensen, gevreesd om hun ontaard gedrag, die in hun hart het kwade wensen en strijd verwekken heel de dag. 2 Hun tong is scherp als die van slangen, hun lippen zijn vol boos venijn. Zij volgen listig al mijn gangen, terwijl hun woorden giftig zijn. 3 Behoed mij voor de goddelozen, o HEER, voor mannen van geweld. Langs al mijn paden zijn door bozen verborgen strikken opgesteld. 4 U bent mijn God, zo wil ik spreken. Ik smeek U dat U Zich ontfermt. U bent voor mij het schild gebleken dat in de strijd mijn hoofd beschermt. 5 HEER, mijn verlosser, al mijn sterkte, vergun de goddeloze niet, die zoveel onheil reeds bewerkte, dat hij zijn plannen slagen ziet. 6 Vergeld aan hen die mij omringen hun boze taal en onheil, HEER. En al het kwaad dat zij begingen, daal' op hun eigen hoofden neer. 7 Werp, HERE, vuur neer op hen allen. Laat kolen gloeien op hun hoofd. Doe hen voorgoed in diepten vallen, waarin de vlam niet wordt gedoofd. 8 Wil, HEER, het land van hem bevrijden die laster spreekt en leugen dicht. Doe de geweldenaar zelf lijden door al het onheil dat hij sticht. 9 Ik weet dat in 't geding der armen de HERE zelf het pleit beslecht. Hij doet in liefdevol erbarmen de zaak van de verdrukten recht. 10 Oprechten zullen dan belijden uw naam, die groot is in 't gericht, rechtvaardigen zich zeer verblijden en wonen voor uw aangezicht. Psalm 141 : 1-9 1 U, HEER, roep ik, U geldt mijn smeken, snel mij te hulp en hoor mij aan, U roep ik, wil mij gadeslaan, laat mij uw bijstand niet ontbreken. 2 Laat, HEER, mijn gebed en mijn handen geheven zijn, tot U gericht als reukwerk voor uw aangezicht, als offers die des avonds branden. 3 Doe mij, HEER, te rechter tijd zwijgen, laat mij niet spreken zonder grond, bewaak de deuren van mijn mond, laat niet mijn hart tot kwaad zich neigen. 4 Laat, o HEER mijn hart zich niet hechten aan 't laag bedrijf van boos gespuis, laat mij niet eten in hun huis van hun verleidlijke gerechten. 5 Slaat men mij in trouw aan de HERE, als olie op mijn hoofd zal 't zijn, een liefdedaad, een zoete pijn waarvan ik mij niet af zal keren. 6 Onder 't lijden zal ik nog bidden. Gestrenge rechters, hard als steen, Gij oordeelt hen. Ik spreek alleen lieflijke woorden in hun midden. 7 Evenals men bij 't openbreken der aarde 't puin terzijde gooit, ligt ons gebeente wijd verstrooid tussen de graven te verbleken. 8 Zo aan dood en graf prijsgegeven hef ik tot U mijn smachtend oog, ik schuil bij U: trek mij omhoog, verzamel weer mijn vege leven. 9 Hoed mij voor de strik die zij spanden, de val door bozen opgezet. Laat zelf hen vallen in hun net en mij ontkomen aan hun handen. Psalm 142 : 1-6 1 Tot God, de HERE, roep ik luid, mijn klachten stort ik voor Hem uit. Ik smeek de HEER met luide stem, mijn noden leg ik neer voor Hem. 2 Terwijl mijn geest in mij versmacht, kent U mijn pad en hoort mijn klacht. Een strik heeft men voor mij gezet, men wil mij vangen in een net. 3 Waarheen ik zie of mij ook wend, geen sterveling die mij nog kent. Geen mens die naar mij omziet, HEER, ik vind geen enkle toevlucht meer. 4 Ik roep in nood tot U, o HEER. U bent mijn schuilplaats, altijd weer. In 't land der levenden bent U mijn erfdeel, HEER; verhoor mij nu. 5 Sla, HERE, op mijn smeken acht, ik ben verzwakt, ik heb geen kracht. Maak mij van mijn vervolgers vrij, want zij zijn veel te sterk voor mij. 6 Leid mij uit mijn gevangenis, dan prijs 'k uw naam, die heilig is. 't Rechtvaardig volk zal om mij staan en juichen: God heeft welgedaan. Psalm 143 : 1-10 1 O HERE, hoor naar mijn gebeden, zie mij als smeekling tot U treden, verhoor mij, God, die trouw betoont, die ieder richt naar recht en reden, die boven ons als koning troont. 2 Ik nader U, het hoofd gebogen. Gij kunt, o HEER, geen kwaad gedogen, ga met uw knecht niet in 't gericht, doe hem niet weg van voor uw ogen; wie is rechtvaardig in uw licht? 3 De vijand staat mij naar het leven, heeft tegen mij de hiel geheven. O God, ik ben in nood en pijn. Wil niet mijn leven overgeven aan 't donker waar de doden zijn. 4 Verward, o HEER, zijn mijn gedachten. Ik ben aan 't einde van mijn krachten en alle moed ontzonk mijn hart. Als Gij niet luistert naar mijn klachten, dan is het duister dicht en zwart. 5 Ik denk, o HEER, aan vroeger dagen, toen Gij de vijand hebt geslagen. Hoe waart Gij toen uw volk nabij. Gij hebt het door de dood gedragen en door uw hand werd Isrel vrij. 6 Ik strek naar U mijn beide handen. Maak in mijn nood mij niet te schande voor 't oog van wie mijn ziel benart. Als dorstig land, het zonverbrande, zo smacht naar U, o HEER, mijn hart. 7 Snel mij te hulp, wil mij verhoren. Doe mij uw aangezicht weer gloren voordat ik reddeloos bezwijk, voordat ik word als wie verloren afdaalden in het dodenrijk. 8 Laat 's morgens uw genade dagen voor ogen die het donker zagen. Ik bouw op U en anders geen. Wijs mij de weg van uw behagen, mijn ziel wacht het van U alleen. 9 Gij zijt mijn God, sta mij terzijde, mijn toevlucht als zij mij bestrijden. Leer mij uw wil, reik mij uw hand. Uw goede Geest zij mijn geleide; voer mij in een geëffend land. 10 HEER, om uws naams wil, laat mij leven! Wil in uw trouw mij niet begeven. Verdelg hem die mij lagen legt, weersta hen die mij wederstreven, want, HEER mijn God, ik ben uw knecht. Psalm 144 : 1-6 1 Gezegend zij de HEER, die t' allen tijde mijn toevlucht is, mijn hand leert hoe te strijden, die voor 't gevecht mijn vingers vaardig maakt! Hij is mijn burcht, die van de bergen waakt. Gezegend Hij, de redder van mijn leven, schild dat mij dekt, mijn vesting hoogverheven. Gezegend zij de HEER, die mij behoedt en die de volken brengt onder mijn voet. 2 Wat is de mens, o HEER? Hoe hebt Gij reden aan mensenkindren aandacht te besteden, voor hen te zorgen, vriendelijk en mild? Wat is de mens, dat Gij hem kennen wilt? Een damp die uit de bodem komt gerezen en voor de zon verdwijnt, zo is zijn wezen; zo vluchtig als zijn adem is zijn tijd, zijn leven als een schaduw die verglijdt. 3 Daal neder, dat de heemlen openrijten! Beroer de bergen, dat zij rokend splijten! Slinger de pijlen van uw bliksem neer, verstrooi de groten door uw gramschap, HEER! Reik mij uw hand, o HERE hoogverheven, ontworstel aan de wateren mijn leven, ontruk mij aan de vreemden en hun nijd, wier hand mij treft, terwijl hun mond mij vleit. 4 Een schoon nieuw lied wil in mijn ziel ontspringen, ik zal de snaren van mijn harp doen zingen. O God, die vorsten in de vrijheid zet, David, uw knecht, hebt van het zwaard gered, Grootmachtige, die bergen kunt verzetten, de watervloed het kolken kunt beletten, ontruk mij aan de vreemden en hun nijd, wier hand mij treft, terwijl hun mond mij vleit. 5 Maak onze zonen, Heer, als jonge loten, als bomen in hun jeugd hoog opgeschoten, laat onze dochters ranke zuilen zijn van een paleis dat blinkt in zonneschijn. Geef dat op onze pleinen niemand klage, behoed de kudden, doe de rundren dragen, verduizendvoudig 't vee, in veld en wei, vul onze schuur - maak ons van zorgen vrij. 6 Gelukkig is het volk dat t' allen tijde staat maken mag, o HEER, op uw geleide. Gelukkig 't volk, waaraan Gij welvaart geeft, het volk dat U, o God, tot Koning heeft! Psalm 145 : 1-5 1 Mijn God en Koning, aller vorsten Heer, ik zing verheugd uw heilge naam ter eer. Uw naam, zo groot en vol van majesteit zal ik verheffen tot in eeuwigheid. Van dag tot dag zal ik U eer bewijzen. De HEER is groot en Hij is zeer te prijzen. Zijn grootheid gaat het scherpst verstand te boven. Laat elk geslacht zijn werk en almacht loven. 2 Ik zal, o HEER, die ik mijn Koning noem, verkondigen uw majesteit en roem, uw wonderdaden die U hebt volbracht, de luister van uw heerlijkheid en macht. Met juichend hart zal ieder uw vermogen, uw goedheid en gerechtigheid verhogen. Ik zal mijn stem met aller lofzang paren en overal uw grootheid openbaren. 3 Genadig is de HEER in wat Hij doet, lankmoedig en voor heel zijn schepping goed. Uw werken prijzen, HEER, uw majesteit, uw gunstgenoten uw barmhartigheid. Uw volk zal, HEER, uw grootheid altijd loven. Niets gaat uw heerlijk koningschap te boven. Uw koningschap zal alle eeuwen duren, uw heerschappij het nageslacht besturen. 4 De HEER is sterk, onwankelbaar in macht. Hij schraagt wie valt, verleent de zwakken kracht. Wie onder leed en moeiten gaan gebukt, richt Hij weer op, hoe zwaar de last ook drukt. Zij zien op U, HEER, aller ogen wachten, U sterkt door spijs te rechter tijd hun krachten. U doet uw hand wijd open op hun vragen, verzadigt al wat leeft met welbehagen. 5 Rechtvaardig is de HEER in zijn beleid, zijn werk toont steeds zijn goedertierenheid. Al wie tot Hem in waarheid roept, hoort Hij, ja, Hij verlost, is in hun nood nabij. De HEER bewaart hen die Hem trouw verwachten, maar Hij verdelgt al wie zijn wet verachten. Mijn mond zal spreken van de lof des HEREN. Laat al wat leeft zijn naam voor eeuwig eren! Psalm 146 : 1-8 1 Ik wil zingen al mijn dagen: Halleluja, prijs de HEER. Psalm en lied, Hem opgedragen, zal ik wijden aan zijn eer. Juich, mijn ziel, in God verblijd, heel uw aardse levenstijd. 2 Wil toch niet op mensen bouwen, hoe voornaam ook en geacht. Want beschaamd wordt uw vertrouwen, als u heil van hen verwacht. Als hun stervensuur zal slaan, zal hun plan met hen vergaan. 3 Zalig hij die in dit leven Jakobs God tot helper heeft, hij die door de nood gedreven, zich tot Hem om troost begeeft, die zijn hoop in 't moeilijkst lot vestigt op de HEER, zijn God. 4 't Is de HEER, die alle dingen door zijn woord heeft voortgebracht. Eeuwig blijft zijn trouw omringen ieder die zijn hulp verwacht. Hemel, aarde, zee en land blijven door Gods macht in stand. 5 't Is de HEER, die aan de armen recht verschaft in druk en nood, die uit liefderijk erbarmen hongerigen voedt met brood, die gevangnen vrijheid schenkt en aan hun ellende denkt. 6 't Is de HEER, wiens mededogen blinden schenkt het lieflijk licht, wie door leed is neergebogen wordt door Hem weer opgericht. 't Is de HERE, die bemint elk die Hij oprecht bevindt. 7 't Is de HEER, die vreemdelingen met een wakend oog beschouwt, die in alle rechtsgedingen wees en weduwe behoudt. Maar de bozen dwalen om, want God maakt hun wegen krom. 8 't Is de HEER van alle heren, Sions Koning, groot in macht, die voor eeuwig zal regeren tot het laatste nageslacht. Sion, zing uw God ter eer. Halleluja, loof de HEER. Psalm 147 : 1-7 1 Lof zij den HEER, goed is het leven als 's Heren lof wordt aangeheven. Lieflijk en recht te allen tijde is 't onze God ons lied te wijden. Hij bouwt de stad, door Hem verkoren, het volk in ballingschap verloren brengt Hij er samen, heelt hun wonden, hoezeer hun harten zijn geschonden. 2 Hij telt het leger van de sterren, Hij roept bij name hen van verre. Groot is de Here, groot in krachten, er is geen grens aan zijn gedachten. Die zich ootmoedig aan Hem geven, schenkt Hij een overvloed van leven. Maar Hij vernedert goddelozen, die trots hun eigen weg verkozen. 3 Zingt, zingt om beurt om Hem te danken, ontlok de lier de schoonste klanken voor onze God, Hem die in luister de hemel dekt met wolkenduister, de aarde drenkt met milde regen, het gras doet spruiten allerwegen, de dieren zegent met zijn gaven en hoort de roep der jonge raven. 4 Voor God is alle kracht van paarden en macht van mensen zonder waarde. Het snoeven van wie wapens dragen is niet naar 's HEREN welbehagen. Zijn welbehagen zal slechts wezen met allen die Hem needrig vrezen, die met hun harten voor Hem open op zijn genaad' en liefde hopen. 5 Jeruzalem, gewijde woning, prijs, Sion, prijs den HEER uw Koning. Als u een vijand aan wil randen sluit Hij de poort met eigen handen. Hij doet uw kindren veilig wonen, vervult met heldenmoed uw zonen. Uw daaglijks brood geeft Hij u heden. Ja, altijd schenkt Hij u zijn vrede. 6 De aarde hoort Gods heilig spreken. Zijn woord snelt voort door alle streken. De Heer spreidt sneeuw als wollen vachten, strooit rijp als as in winternachten. Hagel zendt Hij in barre vlagen. Wie kan zijn bittre kou verdragen? Hij spreekt: de zuidenwinden komen; dan smelt het ijs: de waatren stromen. 7 De HEER heeft Jakob uitverkoren om naar zijn heilig woord te horen. Aan Israël heeft Hij ten leven zijn rechten en zijn wet gegeven. Zo deed Hij aan geen andre volken. Laat ons des HEREN lof vertolken. De kracht, de heerlijkheid, de ere zijn Hem, die eeuwig zal regeren. Psalm 148 : 1-5 1 Looft, halleluja, looft de HEER, hoog in de hemel van zijn eer. Looft Hem, die in de hoge troont, gij engelen, die bij Hem woont. Looft Hem, des HEREN legermachten, gij die Hem dient met al uw krachten, Gij zon en maan, looft nu de HEER, gij sterrenlichten, geeft Hem eer. 2 Geef, hoogste hemel, lof en prijs aan God, de HEER, in zijn paleis. Looft Hem, gij wateren, zo hoog verzameld boven 's hemels boog. Dat zij de naam en grootheid eren van God, die schiep en blijft regeren. Zijn hoog bevel bracht hen tot stand, hun plaats en baan zijn in zijn hand. 3 Looft op de aarde dan de HEER. Geeft, monsters van de zee, Hem eer. Gij sneeuw en hagel, damp en gloed, gij storm, die zijn bevelen doet. Juicht, heuvels, bergen met uw stromen. Juicht, alle vrucht- en cederbomen. Gij wilde dieren en het vee en al wat kruipt en vliegt, juicht mee. 4 Looft God, gij vorsten overal, looft, volken, Hem die heersen zal. Gij koningen, bekleed met macht, gij richters, die het recht betracht. Looft, jonge mannen, looft de HERE, looft, jonge vrouwen, brengt Hem ere. Looft Hem, gij ouden met de jeugd, weest samen in de HEER verheugd. 5 Looft, halleluja, looft te zaam des HEREN hoogverheven naam. De luister van zijn majesteit ligt over alles uitgespreid. Hij heeft zijn volk een hoorn verheven, een lofzang Israël gegeven. Dit volk is steeds nabij de HEER. Looft halleluja, geeft Hem eer. Psalm 149 : 1-3 1 Halleluja! Gij, volk des HEREN, zing een nieuw lied om Hem te eren. Zing voor de HEER met alle vromen die juichend samenkomen. Israël, geef uw Maker eer. Sion, zing: Koning is de HEER. Dans op uw lied met blij refrein bij luit en tamboerijn. 2 De HEER heeft in zijn volk behagen, Hij kroont met heil wie naar Hem vragen. Dat vromen juichen, zich verblijden, ook 's nachts zijn naam belijden. In de HEER zijn zij dan verheugd, 't loflied klinkt tot Hem op met vreugd. Hun sterke hand voert onvervaard een scherp tweesnijdend zwaard. 3 Zo zal Gods volk zich recht verschaffen, het zal zich wreken, volken straffen, hun koningen en vorsten vinden, met sterke boeien binden. Dan wordt toch, naar 't beschreven recht, tegen hen het geding beslecht. De luister van Gods volk keert weer, geprezen zij de HEER. Psalm 150 : 1-2 1 Looft de HEER uw God alom, looft Hem in zijn heiligdom. Looft Hem, maakt zijn naam bekend, looft Hem in zijn firmament. Looft de HEER om al zijn deugden. Looft Hem om zijn sterke macht. Looft Hem die zijn werk volbracht. Looft de HEER met grote vreugde. 2 Looft de HEER, brengt Hem uw dank, looft Hem met bazuingeklank. Looft Hem met de harp en luit, looft Hem met de trom en fluit. Looft de HEER, elk moet Hem eren. Looft Hem, laat de cimbels slaan. Looft Hem, vangt de reidans aan. Al wat ademt, looft de HERE!