Gezang 1 : 1-6 1 In het begin lag de aarde verloren, in het begin in de duisternis; God sprak zijn woord en het licht werd geboren, 't licht dat vandaag onze dag nog is. 2 In het begin zijn de wolken en luchten, in het begin is de hemel ontstaan. God sprak zijn woord en de wateren vluchtten: zo bracht Hij scheiding en ruimte aan. 3 In het begin is de aarde gekomen, in het begin uit de diepte der zee. In het begin kwam het gras en de bomen, bloeiden de bloemen en graasde het vee. 4 In het begin zijn de sterren gaan branden, in het begin kwam de zon en de maan. Boven het land en de zee en de stranden wijzen zij wegen en tijden aan. 5 In het begin kwamen vogels gevlogen, in het begin werd hun lied al gehoord. Vissen in 't water, wat leeft op het droge: God schiep de dieren, elk naar hun soort. 6 In het begin riep God mensen tot leven, in het begin was het woord in hun mond. Wat was het goed om op aarde te leven, wat was God blij dat de wereld bestond. Gezang 2 : 1-5 1 Het water steeg wel hoog, maar wonder boven wonder ging Noach niet ten onder, de ark alleen bleef droog, de ark alleen bleef droog. 2 De dieren gingen mee, de grote en de kleine met Noach en de zijnen. De dieren twee aan twee, de dieren twee aan twee. 3 Zij dreven maanden rond. Toen ging het water zakken, de duif vond groene takken, de ark liep aan de grond, de ark liep aan de grond. 4 De aarde was er weer. En mens en dier mocht wonen onder de groene bomen, in vrede met de Heer, in vrede met de Heer. 5 De regenboog staat hoog, als teken voor de volken, Gods woorden te vertolken: het land, het land blijft droog, het land, het land blijft droog. Gezang 3 : 1-3 1 Abraham, Abraham, verlaat je land, verlaat je stam! Abraham, Abraham, verlaat je land, verlaat je stam! Abraham, je moet gaan wonen in het land dat Ik zal tonen. Tel de sterren in de nacht, zo groot wordt jouw nageslacht. 2 Abraham, Abraham, verlaat je land, verlaat je stam! Abraham, Abraham, verlaat je land, verlaat je stam! Ik zal jou mijn zegen geven, je geleiden allerwegen, en de volkeren tezaam vinden zegen in jouw naam. 3 Abraham, Abraham, verlaat zijn land, verlaat zijn stam! Abraham, Abraham, verlaat zijn land, verlaat zijn stam! Met een woord gaat hij het wagen. Zonder verder iets te vragen staat hij op en gaat op reis, langs de weg die God hem wijst. Gezang 4 : 1-5 1 Jozef zoekt zijn grote broers, alle tien zijn ze jaloers, op zijn jas en op zijn dromen. Als ze Jozef aan zien komen, wordt zijn mantel afgerukt. Diep zit Jozef in de put. 2 Met een slavenkaravaan moet hij naar Egypte gaan. Alle dromen zijn vergeten, heel veel kwaad wordt hem verweten. Jozef die onschuldig is komt in de gevangenis. 3 Lange jaren gaan voorbij, maar de Heer is hem nabij. Nieuwe dromen worden wakker door de schenker en de bakker. Maar de schenker, hij vergeet al wat Jozef voor hem deed. 4 Farao hoog op zijn troon droomt een wonderlijke droom. Daarom laat hij Jozef komen en dan worden alle dromen van de koe en korenaar en de maan en sterren waar. 5 God heeft alles omgekeerd, Jozef wordt als vorst vereerd, en het kwade valt in duigen en de broers, ze moeten buigen: zo houdt God door Jozefs hand 't volk van Israël in stand. Gezang 5 : 1-4 1 Klein, klein kindje, je leven loopt gevaar. Ik maak een biezen mandje en morgen is het klaar. 2 Klein, klein kindje, dit mandje wordt een boot. Daarmee moet jij gaan varen op leven of op dood. 3 Klein, klein kindje, ik zet je tussen het riet. Wie weet gebeurt het wonder dat de prinses je ziet. 4 Klein, klein kindje, als de prinses jou vindt, dan gaat je boot niet onder: jij bent een koningskind. Gezang 6 : 1-3 1 Met Mozes zijn wij meegegaan, omdat de Heer ons riep. Wij zijn op weg naar Kanaän, maar 't water is zo diep. En farao in onze rug, hij wil zijn slaven weer terug. Daar komen de soldaten al, wij zitten in de val. 2 O Mozes, roep toch tot de Heer, het water is zo diep. Er is voor ons geen uitweg meer, het water is zo diep. Waar is 't beloofde paradijs? Is dit het einde van de reis dat wij verdrinken in de zee? Waarom nam jij ons mee? 3 Maar Mozes heft zijn staf omhoog: al is het water diep, de wind steekt op, de zee wordt droog. En Hij, die zelf ons riep, Hij brengt ons naar de overkant, Hij leidt ons naar 't beloofde land. Maar farao, met heel zijn stoet gaat onder in de vloed. Gezang 7 : 1-6 1 De koning van Egypteland trok al zijn legers saam. Ons lot was echter in Gods hand. Geprezen zij zijn Naam! Refrein: Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven, het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee. Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven, het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee. 2 Hun ruiters zaten hoog te paard, hun wagens reden snel. Maar hoger nog verheven is die streed voor Israël. Refrein: Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven, het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee. Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven, het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee. 3 De aarde dreunde van geweld, de lucht zag zwart van stof, Maar met ons was de sterke held. Zing, Israël, zijn lof. Refrein: Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven, het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee. Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven, het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee. 4 Zijn adem baande ons een pad, de wind werd bondgenoot. De vijand echter vond zijn graf in 't water van de dood. Refrein: Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven, het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee. Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven, het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee. 5 Voor altijd worden man en paard verzwegen in de vloed. Maar rondom is de naam vermaard van Hem die wondren doet. Refrein: Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven, het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee. Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven, het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee. 6 Looft nu de Heer met snarenspel en heft de tamboerijn, want Hij verloste Israël. Geprezen moet Hij zijn. Refrein: Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven, het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee. Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven, het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee. Gezang 8 : 1-3 1 Zomaar te gaan met een stok in je hand; zonder te weten wat je zult eten. Zomaar te gaan met een stok in je hand; eindeloos ver is 't beloofde land. 2 Zomaar te gaan, wordt het leven of dood? Altijd maar banger, duurt het nog langer? Zomaar te gaan, wordt het leven of dood? In de woestijn worden kinderen groot. 3 Zomaar te gaan met zijn woord als bewijs, altijd maar lopen, altijd maar hopen. Zomaar te gaan met zijn woord als bewijs; straks wonen wij in een paradijs. Gezang 9 : 1-3 1 Wees eerlijk, doe de mensen recht, geen aanzien van persoon. Trek geen partij voor arm of rijk, houd hart en handen schoon. Ik ben de HEER. 2 Wees open naar uw broeder toe en strooi geen lasterpraat, leg onderling geschillen bij, wees trouw, pleeg geen verraad. Ik ben de HEER. 3 Wees niet haatdragend in uw hart en wijs elkaar terecht. Heb lief de ander als uzelf; hoor wat uw Rechter zegt. Ik ben de HEER. Gezang 10 : 1 De HEER zegene u. De HEER zegene u. De HEER zegene u en Hij behoede u. De HEER doe zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig. Amen. De HEER zegene u. De HEER zegene u. De HEER zegene u en Hij behoede u. De HEER verheffe zijn aangezicht over uw leven en geve u vrede. Amen. Gezang 11 : 1-3 1 Hoor Israël, de Here, enig is onze God - Hem liefhebben, Hem eren is u het hoogst gebod! Gij zult uw God beminnen, Hem dienen, dag en nacht met hart en ziel en zinnen en met geheel uw kracht. 2 Laat voor dit woord des Heren uw hart een woning zijn, laat kinderen het leren, vertel het groot en klein; gij zult erover spreken waar gij ook zit of staat, het worde taal en teken daar waar gij komt of gaat. 3 Gij zult het aan den lijve meedragen op uw hand, het op uw voorhoofd schrijven alom in stad en land, op poorten en op posten van deuren in uw huis - looft God, o gij verlosten, looft God! Hij bracht u thuis! Gezang 12 : 1-3 1 Refrein: Jericho, Jericho, is een sterke stad, dat zie je zo! Jericho, Jericho, is een sterke stad, dat zie je zo! Als wij Jericho niet winnen, komen wij het land niet binnen, en ons volk zal blijven staan, aan de poort van Kanaan. Refrein: Jericho, Jericho, is een sterke stad, dat zie je zo! Jericho, Jericho, is een sterke stad, dat zie je zo! 2 God geeft Jozua een teken: trek de stad om zonder spreken, doe dat zeven dagen lang, Ik strijd voor u, wees niet bang. Refrein: Jericho, Jericho, is een sterke stad, dat zie je zo! Jericho, Jericho, is een sterke stad, dat zie je zo! 3 Maar als de bazuinen schallen, gaan wij juichen met z'n allen, en de muren, dubbeldik, vallen in elkaar van schrik. Refrein: Jericho, Jericho, is een sterke stad, dat zie je zo! Jericho, Jericho, is een sterke stad, dat zie je zo! Gezang 13 : 1-9 1 Ik zing u van een herderszoon die ging door diepe dalen: ik zal van David en zijn troon en van zijn Zoon verhalen. Refrein: Ik zeg u: al was David klein, geen groter koning heerste want God zei: Deze zal het zijn, de laatste wordt de eerste! 2 Hij komt als herder uit het veld, als laatste zoon naar voren; gezocht, gezalfd en aangesteld; als koning uitverkoren. Refrein: Ik zeg u: al was David klein, geen groter koning heerste want God zei: Deze zal het zijn, de laatste wordt de eerste! 3 Hij wordt gevraagd in het paleis de snaren zacht te strelen; de zieke Saul raakt van de wijs en David, die kan spelen! Refrein: Ik zeg u: al was David klein, geen groter koning heerste want God zei: Deze zal het zijn, de laatste wordt de eerste! 4 Hij doodt de grote Filistijn die niemand durfde doden, want Goliat is reuzeklein voor God- de God der goden. Refrein: Ik zeg u: al was David klein, geen groter koning heerste want God zei: Deze zal het zijn, de laatste wordt de eerste! 5 Dan vlucht hij, vogelvrij verklaard, spelonken worden woning; daar treft hij Saul - maar David spaart zijn vijand: wettig koning. Refrein: Ik zeg u: al was David klein, geen groter koning heerste want God zei: Deze zal het zijn, de laatste wordt de eerste! 6 Hij haalt de ark en danst en zingt: de Heer komt bij ons wonen! Van vreugde huppelt hij en springt, al zal zijn vrouw hem honen. Refrein: Ik zeg u: al was David klein, geen groter koning heerste want God zei: Deze zal het zijn, de laatste wordt de eerste! 7 En Mefiboset, slecht ter been, mag aan zijn tafel eten; diens vader Jonatan ging heen - wie zou een vriend vergeten? Refrein: Ik zeg u: al was David klein, geen groter koning heerste want God zei: Deze zal het zijn, de laatste wordt de eerste! 8 De koning steelt een schone vrouw - hoe kan een dief regeren? Alleen als hij in diep berouw tot God zich wil bekeren. Refrein: Ik zeg u: al was David klein, geen groter koning heerste want God zei: Deze zal het zijn, de laatste wordt de eerste! 9 Ik zing tot slot op hoger toon: dit koningschap reikt verder - de allergrootste Davidszoon is onze goede herder! Refrein: Ik zeg u: al was David klein, geen groter koning heerste want God zei: Deze zal het zijn, de laatste wordt de eerste! Gezang 14 : 1-4 1 De grote mensen durven niet, heel Israël is bang, voor Goliat, de grote reus, die sterk is en heel lang. 2 Daar staat hij midden in het dal, hij lacht hen uit en spot: ‘Waar blijft de man die vechten zal en waar is jullie God?' 3 Maar David met zijn herdersstok gaat helemaal alleen de berg af naar die grote reus en doodt hem met een steen. 4 Reus Goliat, reus Goliat, 't is uit met jouw geweld, want David heeft op God vertrouwd en David is een held. Gezang 15 : 1-5 1 Geloofd zijt Gij, God onze Heer, in eeuwigheid geprezen! U is de majesteit, de eer, hoog is uw roem gerezen; want al wat in de hemel woont en al wat leeft op aarde behoort aan U, die hoog gekroond het koningschap aanvaardde. 2 In majesteitelijke pracht beheerst Gij al uw werken, uw rechterhand heeft alle macht het zwakke te versterken; wij willen U nu en altijd lof, eer en dank bewijzen, uw hoge naam, uw heerlijkheid om al uw daden prijzen. 3 Maar wat zou U van onze kant aan gaven zijn te geven? Wij schenken U wat uit uw hand ons eerder was gegeven; wij zelf zijn gast en vreemdeling; de dagen, de geslachten, een schaduw die weer verder ging, waarvan wij niets verwachten. 4 Wat Gij, o onze God en Heer, ons wilde toevertrouwen, dat is van U - Gij krijgt het weer om U een huis te bouwen. o Heer die onze harten proeft, wij zijn oprecht genegen te geven wat uw dienst behoeft; wij geven van uw zegen. 5 O God van vader Abraham en God van al zijn zonen, wij bidden U: laat vuur en vlam, uw Geest onder ons wonen; dan zullen wij in eeuwigheid U dienen in uw woning en U volkomen toegewijd lof zingen - onze koning! Gezang 16 : 1-4 1 Gij die uw majesteit toont aan de hemel, Gij opent de mond van weerloze kinderen, dan klinkt een lied dat uw vijand beschaamt en brengt Gij uw tegenstanders tot zwijgen. refrein Heer onze Heer, hoe machtig is uw Naam allerwegen op de aarde. 2 Als ik kijk naar de hemel, het werk van uw vingers, de maan en de sterren die Gij hebt bevestigd, wat is dan de mens dat Gij aan hem denkt, de zoon van Adam, dat hij u ter harte gaat. refrein : Heer onze Heer, hoe machtig is uw Naam allerwegen op de aarde. 3 Toch hebt Gij hem bijna een god gemaakt en hem met glorie en luister gekroond. Gij doet hem het werk van uw handen beheren en alles hebt Gij aan zijn voeten neergelegd, refrein : Heer onze Heer, hoe machtig is uw Naam allerwegen op de aarde. 4 schapen en runderen, alles en alles, en ook de dieren in het vrije veld. de vogels van de hemel, de vissen van de zee, en wat er wandelt op de paden van water. refrein : Heer onze Heer, hoe machtig is uw Naam allerwegen op de aarde. Gezang 17 : 1-2 1 Wie is God behalve onze Heer? En wie is een rots behalve onze God? Een schuilplaats en een schild, een burcht en een bevrijder is Hij voor wie vertrouwen op Hem. 2 Wie is God behalve onze Heer? En wie is een rots behalve onze God? Hij sterkt mij in de strijd en doet mij overwinnen keer op keer, ik geef voor eeuwig Hem de eer. Gezang 18 : 1-5 1 refrein : Naar U gaat mijn verlangen, Heer, Richt mij, Gij zijt de God die mij redt en op U wacht ik een leven lang. refrein : Naar U gaat mijn verlangen, Heer, 2 refrein : Naar U gaat mijn verlangen, Heer, Herinner U, hoe Gij barmhartig zijt geweest, hoe een en al liefde van meet af aan. refrein : Naar U gaat mijn verlangen, Heer, 3 refrein : Naar U gaat mijn verlangen, Heer, Goede en betrouwbare God, wie afgedwaalt is wijst Hij de weg. refrein : Naar U gaat mijn verlangen, Heer, 4 refrein : Naar U gaat mijn verlangen, Heer, Arme en ootmoedige mensen spoort Hij aan zijn weg te houden refrein : Naar U gaat mijn verlangen, Heer, 5 refrein : Naar U gaat mijn verlangen, Heer, Alle wegen van God zij liefde en trouw voor wie bewaren het woord van zijn verbond. refrein : Naar U gaat mijn verlangen, Heer, Gezang 19 : 1-3 1 refrein: Zing en speelt voor de Heer van ganser harte. Zegt voor alles dank aan God. Zingt en speelt voor de Heer van ganser harte. Zegt voor alles dank aan God. Zingt nu de Heer een nieuw lied, een nieuw lied, zingt de Heer, aarde alom; Zingt de Heer, zegent zijn naam, Dag op dag verkondigt zijn heil. 2 refrein: Zing en speelt voor de Heer van ganser harte. Zegt voor alles dank aan God. Zingt en speelt voor de Heer van ganser harte. Zegt voor alles dank aan God. Eert de Heer om zijn heerlijke naam: Draagt dan uw gaven, uw gaven Hem aan, Komt in zijn hoven, zijn hoven getreden. Buigt, plechtig getooid, voor de Heer. 3 refrein: Zing en speelt voor de Heer van ganser harte. Zegt voor alles dank aan God. Zingt en speelt voor de Heer van ganser harte. Zegt voor alles dank aan God. Eer zij de heerlijkheid, de heerlijkheid Gods: Vader, Zoon en heilige Geest, Vader, Zoon en heilige Geest, tot in de eeuwen der eeuwen. Amen, amen. refrein: Gezang 20 : 1-3 1 Zingt voor de Heer een nieuw lied, want wonderen heeft hij gedaan; triomf heeft zijn hand Hem gebracht, overwinning zijn heilige arm. refrein 1: Alle einden der aarde aanschouwen het heil van Hem, onze God. refrein 2: Licht straalt heden over ons: de Heer is geboren. 2 De Heer openbaarde zijn heil; Hij heeft voor de ogen der volken onthuld zijn gerechtigheid; zijn goedheid, zijn trouw, bleef Hij jegens het huis Israel indachtig. refrein 1: Alle einden der aarde aanschouwen het heil van Hem, onze God. refrein 2: Licht straalt heden over ons: de Heer is geboren. 3 Juich aarde alom voor de Heer, juich aarde alom voor de Heer, zet de zang in, speelt op de snaren, juich, aarde alom, voor de Heer. refrein 1: Alle einden der aarde aanschouwen het heil van Hem, onze God. refrein 2: Licht straalt heden over ons: de Heer is geboren. Gezang 21 : 1-3 1 Ik was gevangen en riep: God. En Hij heeft mij geantwoord. Hij heeft mij de ruimte gegeven, Hij komt voor mij als een vriend. antifoon : Mijn God zijt gij, U wil ik danken, mijn God, U in de hoogte steken. Ik spreek U uit, ik noem uw Naam, zowaar als ik leef. refrein Mijn God zijt gij, U wil ik danken, zowaar als ik leef. 2 Beter te schuilen bij God dan te vertrouwen op mensen. Beter te schuilen bij God dan te vertrouwen op macht. antifoon : Mijn God zijt gij, U wil ik danken, mijn God, U in de hoogte steken. Ik spreek U uit, ik noem uw Naam, zowaar als ik leef. refrein Mijn God zijt gij, U wil ik danken, zowaar als ik leef. 3 Ik was geslagen, maar God heeft mij overeindgeholpen. Ik zal niet sterven, ik zal leven, Hij tilt mij op. antifoon : Mijn God zijt gij, U wil ik danken, mijn God, U in de hoogte steken. Ik spreek U uit, ik noem uw Naam, zowaar als ik leef. refrein Mijn God zijt gij, U wil ik danken, zowaar als ik leef. Gezang 22 : 1-4 1 Uw woord omvat mijn leven en tilt mij aan het licht. Hebt Gij zo door uw spreken niet alles opgericht? Uw woord zet mij op vaste grond en vult met louter leven de woorden in mijn mond. 2 Op U laat ik mij voorstaan, ik ben aan U gehecht. Waar Gij betrouwbaar voorgaat ontvouwt zich weer een weg. De paden die ik zelf bedacht zijn doelloos doodgelopen. Zij voerden in de nacht. 3 Uw woorden te herhalen is honing in mijn mond. Mij raakt niet meer het smalen dat ik mij aan U bond. Ik weet dat zwerven bitter smaakt, maar heel mijn zoekend leven - Gij hebt het zoet gemaakt. 4 God, laat mij nooit verliezen de vreugde om uw woord, de moed mijn weg te kiezen waar ik uw voetstap hoor. En overtuig mij dag aan dag dat Gij mij hebt geroepen, ja, dat ik leven mag! Gezang 23 : 1 Uw Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad. Uw Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad. Uw Woord is een lamp, Uw Woord is een licht. Uw woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad. Gezang 24 : 1-3 1 refrein Als God ons thuisbrengt uit onze ballingschap, dat zal een droom zijn. Als God ons thuisbrengt uit onze ballingschap, dat zal een droom zijn. Wij zullen zingen, lachen, gelukkig zijn. Dan zegt de wereld: 'Hun God doet wonderen.' Ja Gij doet wonderen, God in ons midden, Gij onze vreugde. refrein Als God ons thuisbrengt uit onze ballingschap, dat zal een droom zijn. Als God ons thuisbrengt uit onze ballingschap, dat zal een droom zijn. 2 Breng ons dan thuis, keer ons tot leven, zoals rivieren in de woestijn die, als de regen valt, opnieuw gaan stromen. refrein Als God ons thuisbrengt uit onze ballingschap, dat zal een droom zijn. Als God ons thuisbrengt uit onze ballingschap, dat zal een droom zijn. 3 Wie zaait in droefheid zal oogsten in vreugde. Een mens gaat zijn weg en zaait onder tranen. Zingende keert hij terug met zijn schoven. refrein Als God ons thuisbrengt uit onze ballingschap, dat zal een droom zijn. Als God ons thuisbrengt uit onze ballingschap, dat zal een droom zijn. Gezang 25 : 1-3 1 Vol tranen zien wij hoe de tijd verglijdt op Babels stromen. Ons hart is in Jeruzalem, ons thuis, waarvan wij dromen. Geen hand, die nog een snaar beroert, geen lied, dat ooit nog ons vervoert. Doelloos vergaan de dagen. De heersers in dit vreemde land drukken op ons met harde hand, meer dan wij kunnen dragen. 2 De wachters in dit heilloos oord hebben ons willen dwingen het lied, dat thuis vaak werd gehoord, opnieuw voor hen te zingen. Op vreemde grond ontbreekt de kracht zolang mijn hart naar Sion smacht. Jij blijft mijn vreugde heten! Als 'k jou vergat, Jeruzalem, ik werd beroofd van spraak en stem. Mijn hand zou mij vergeten. 3 Bewaar, God, in herinnering hoe Sion is gevallen! Hoe steen voor steen zij onderging, beroofd werd van haar wallen. Breek Babels trotse hoogmoed stuk. Vernietig het, om ons geluk; Gij kunt haar stralen doven. Niet langer zal zij voortbestaan! Gezegend wie haar kan weerstaan en U alleen wil loven. Gezang 26 : 1-4 1 refrein Alles wat adem heeft love de Heer. Alles wat adem heeft love de Heer. Looft God in zijn heilig domein, Looft Hem in zijn groots firmament, Looft Hem om zijn daden van macht, Looft Hem krachtens zijn mateloze grootheid. refrein Alles wat adem heeft love de Heer. Alles wat adem heeft love de Heer. 2 Looft Hem met de stoot op de ramshoorn, Looft Hem met harp en met citer, Looft Hem met handtrom en reidans, Looft Hem met snaren en fluit. refrein Alles wat adem heeft love de Heer. Alles wat adem heeft love de Heer. 3 Looft Hem met slaande cymbalen, looft Hem met klinkende cimbels. Alles wat adem heeft love de Heer! God lof! refrein Alles wat adem heeft love de Heer. Alles wat adem heeft love de Heer. 4 Eer zij de heerlijkheid Gods: Vader, Zoon en heilige Geest, Zo was het in de beginne, zo zij het thans en voor immer; tot in de eeuwen der eeuwen Amen. refrein Alles wat adem heeft love de Heer. Alles wat adem heeft love de Heer. Gezang 27 : 1-5 1 De mensen die gaan in het duister, die wonen in 't land van de dood, zij zullen een licht zien stralen; het hemelse morgenrood. 2 Zij zullen weer zingen van vreugde, de angst en de nood zijn voorbij, geen vijand marcheert door de straten, de kinderen spelen weer vrij. 3 De stok die hen sloeg is gebroken, geen mens wordt vertrapt of verdrukt. Zij krijgen weer tijd van leven, er is een begin van geluk! 4 Want er is een prins geboren, met prachtige namen gekroond. En Hij is de vorst van de vrede, de God die bij de mensen woont. 5 Hij brengt het leven op aarde terecht in zijn koninkrijk. De mensen die gaan in het duister, die worden de koning te rijk. Gezang 28 : 1-3 1 Eens zal er vrede zijn, eens droogt God elke traan en nergens wordt meer kwaad gedaan, op alles staat zijn heilige naam. Geen oorlog wordt geleerd wanneer de Heer regeert. 2 Eens zal er vrede zijn, eens komt Gods Kanaän. De wolf ligt rustig naast het lam, de leeuw en beer zijn lief en tam. De angsten zijn voorbij, de kinderen spelen vrij. 3 Eens zal er vrede zijn, eens wordt Gods naam gehoord. Hij spreekt voorgoed het laatste woord en opent zelf de gouden poort. Dan staan wij in het licht dat straalt van Gods gezicht. Gezang 29 : 1-4 1 Troost, troost mijn volk! zo zegt uw God, zit langer niet terneder; roep, alle droefenis ten spot: ‘Jeruzalem 't is vrede! Uw lijdenstijd is om, vat moed, de schuld is u vergeven; God heeft u toch in overvloed, ja dubbel weergegeven het kwaad door u bedreven'. 2 Er roept een stem: ‘Bereidt den Heer een weg door woestenijen!' Heft u, gij dalen, buigt u neer, gij bergen, tot valleien voor Hem, die bij ons in de tijd, gelijk Hij sprak, wil wonen. Straks zal de Heer zijn heerlijkheid aan alle volken tonen, hen maken tot zijn zonen. 3 Een stem zegt: ‘Roep.' Maar ach, wat zal ik roepen, waarin roemen? Want alle vlees is gras en al zijn schoonheid broos als bloemen. Het gras verdort, de bloem valt af, als d' ademtocht des HEREN daarover waait, - ons wacht het graf. Gods Woord slechts, hoog te eren, zal alle storm trotseren. 4 Klim op een berg, verhef uw stem o Sion, vreugdebode! Zeg tot uw volk, Jeruzalem: ‘Hier is de God der goden!' Hij komt! - zie, zijn vergelding gaat voor Hem uit door de tijden Uw God is 't, die de vorsten slaat. Maar u zal Hij bevrijden en als een herder weiden. Gezang 30 : 1-7 1 Ik breng een rechter aan het licht zo spreekt de Heer en zijn gericht zal over alle volken gaan, de tiranie heeft afgedaan. 2 Een koning bij de gratie Gods, het onrecht breekt hij en de trots van die grootspreken in hun waan en kleinen naar het leven staan. 3 Hij is geen schreeuwer in de straat, geen holle klank, geen potentaat, de roep van zijn verlossend woord wordt in het verste land gehoord. 4 Een riet dat buigt in weer en wind, zo is mijn knecht, een mensenkind, wat is geknakt, verbreekt hij niet, zijn adem heelt gelijk een lied. 5 Is hij een lamp die helder schijnt, hij dooft de vlam niet die verkwijnt, mijn knecht geeft gloed aan het bestaan, hij wakkert het geringe aan. 6 Hij is het eerste morgenlicht, de blinde ziet een vergezicht, de dove hoort een nieuw geluid, de aangeklaagde gaat vrijuit. 7 De vorst de volken is een knecht, de volken komen tot hun recht, vrijheid en vrede eren hem die 't hart is van Jeruzalem. Gezang 31 : 1-5 1 Daar komt de man uit Anatot, hij deelt de woorden uit van God: Hoor het woord des Heren, wij moeten ons bekeren! Maar niemand luistert naar zijn stem, in heel Jeruzalem. 2 Het volk is doof, het volk is blind, het slaat de woorden in de wind: Hoor het woord des Heren, wij moeten ons bekeren! Voor vreemde goden knielt het neer; vergeten is de Heer. 3 Waarom, o volk van Israël, waarom is God niet meer in tel? Hoor het woord des Heren, wij moeten ons bekeren! Hij die ons riep in de woestijn, wil onze Vader zijn! 4 De kruik breekt stuk, de kruik breekt stuk, de scherven brengen geen geluk: Hoor het woord des Heren, wij moeten ons bekeren! Jeruzalem zal ondergaan. Er is geen redden aan. 5 Daar komt de man uit Anatot, hij deelt de woorden uit van God: Hoor het woord des Heren, wij moeten ons bekeren! Maar niemand luistert naar zijn stem, in heel Jeruzalem. Gezang 32 : 1-3 1 Het is Gods goedheid en geduld, dat wij niet omgekomen zijn. Ons leven is vernieuwd en rein en van Gods gunst vervuld. refrein: Hoe vriendelijk zijn over ons, o HERE, uw gedachten. Hoe goed is het, HEER, uw gena in stilheid te verwachten. 2 Nooit heeft God van zijn woord berouw. Steeds nieuw is zijn barmhartigheid, die elke morgen ons verblijdt. - Hoe heerlijk is uw trouw. refrein: Hoe vriendelijk zijn over ons, o HERE, uw gedachten. Hoe goed is het, HEER, uw gena in stilheid te verwachten. 3 Nu zing ik: HEER, Gij zijt voor mij een rijk bezit, mijn vaste hoop. En op de weg, waarlangs ik loop, weet ik U zeer nabij. refrein: Hoe vriendelijk zijn over ons, o HERE, uw gedachten. Hoe goed is het, HEER, uw gena in stilheid te verwachten. Gezang 33 : 1-5 1 Jona heeft God wel verstaan, maar hij stoort er zich niet aan. Jona gaat heel eigenwijs met een grote boot op reis. Maar de Heer zegt: nee, nee, nee, Jona moet naar Nineve! Maar de Heer zegt: nee, nee, nee, Jona moet naar Nineve! 2 Midden op de oceaan komt zijn schip in een orkaan. Jona wordt van boord gezet, maar een vis heeft hem gered. Want de Heer zegt: nee, nee, nee, Jona moet naar Nineve! Want de Heer zegt: nee, nee, nee, Jona moet naar Nineve! 3 Na drie dagen duisternis komt hij heelhuids uit de vis. Jona gaat nu wél op pad, naar die goddeloze stad. Want de Heer zegt: nee, nee, nee, Jona moet naar Nineve! Want de Heer zegt: nee, nee, nee, Jona moet naar Nineve! 4 Nineve hoort Jona aan en de mensen zijn ontdaan; zitten neer in zak en as, dagenlang wordt er gevast. En de Heer zegt: nee, nee, nee, sparen zal Ik Nineve! En de Heer zegt: nee, nee, nee, sparen zal ik Nineve. 5 Jona uit de grote vis ziet dat God vol liefde is. O, wat is die Jona kwaad, dat de stad haar straf ontgaat. Maar de Heer zegt: nee, nee, nee, wees toch blij om Nineve! Maar de Heer zegt: nee, nee, nee, wees toch blij om Nineve! Gezang 34 : 1-3 1 Al zou de vijgenboom niet bloeien, geen opbrengst aan de wijnstok zijn, toch zal mijn beker overvloeien want Jezus schenkt mij vreugdewijn. Al draagt ook de olijf geen vruchten ontbreekt het koren op het veld, met Hem heb ik geen kwaad te duchten die zelfs mijn hoofdhaar heeft geteld. 2 Al loopt geen schaap meer in de weide en staat geen rund meer in de stal, toch zal ik mij in Hem verblijden, die is, die was en komen zal. Hij maakt mijn voeten als der hinden, zodat ik op mijn hoogten treed. 'k Zal mij aan zijn beloften binden, en word met zijn gezag bekleed. 3 Al kwellen ziekten, zorgen, machten, ik zal hen met Gods woord verslaan, ik blijf zijn beeld in mij verwachten, al klaagt de boze mij ook aan. Nochtans, ja nochtans zal ik juichen: De HERE Here is mijn kracht, en ied're vijand zal zich buigen voor Hem die alles heeft volbracht. Gezang 35 : 1-7 1 De wijzen, de wijzen, die gingen samen reizen, vertrouwend op een koningsster, zij wisten niet hoe ver. 2 Zij volgden het teken, de dagen werden weken, dan klopt een rijke karavaan bij de paleispoort aan. 3 ‘O koning, wil ons horen: er is een prins geboren, in 't Oosten is zijn ster gezien, staat hier zijn wieg misschien?' 4 Herodes, hij hoorde verschrikt naar deze woorden. ‘Een koningszoon bij mij in huis? U bent beslist abuis.' 5 De wijzen, de wijzen, die moesten verder reizen, de ster ging als een lichtend spoor naar Betlehem hen voor. 6 Zij hebben gevonden het kind door God gezonden, dat koning en dat knecht wil zijn van ieder, groot en klein. 7 De wijzen, die weten van sterren en planeten, die baden nu in zonnelicht en doen hun ogen dicht. Gezang 36 : 1-10 1 O allerhoogste Majesteit, die in het rijk der heerlijkheid de heemlen hebt tot uwen troon, wij roepen U, in uwen Zoon, die voor ons heeft genoeggedaan, als onzen Vader needrig aan. 2 Geheiligd word' uw naam, o geef, dat elk, waar hij op aarde leev', die vadernaam erkennen moog', uw deugden roeme hemelhoog. Dat elk als kind aan U gelijk' en in zijn doen uw beeltnis blijk'. 3 Uw koninkrijk koom' toch, o Heer, o, werp de troon des satans neer; regeer ons door uw Geest en Woord, uw lof word' eens alom gehoord en d' aarde met uw vrees vervuld, totdat G' uw rijk volmaken zult. 4 Uw wil geschied', uw wil alleen, als in de hemel, hier beneên. Uw wil is altijd wijs en goed. 't Is majesteit al wat Gij doet. Dat ieder stil daarin berust' en uw bevelen doe met lust. 5 Geef heden ons ons daaglijks brood, betoon uw trouwe zorg in nood. Gij weet wat elk op aard' behoev', dat ons dan geen gebrek bedroev'. Dat nooit uw zegen van ons wijk': die maakt alleen ons blij en rijk. 6 Vergeef ons onze schulden, Heer, wij schonden al te snood uw eer; de boosheid kleeft ons altijd aan: wie onzer zou voor U bestaan, had Jezus niet voor ons geleên? Wij schelden kwijt die ons misdeên. 7 Leid ons in geen verzoeking ooit, verberg voor ons uw aanschijn nooit. Gij weet het, onze kracht is klein, de driften veel en 't hart onrein. Wat wordt er van ons in die staat, o Vader, zo Gij ons verlaat? 8 Verlos ons uit des bozen macht, bescherm en sterk ons door uw kracht. Wij zijn toch zwak, zijn sterkt' is groot, dus zijn w' elk ogenblik in nood. Hier komt nog vlees en wereld bij. O, sterk ons dan en maak ons vrij. 9 Want uw is 't koninkrijk, o Heer, uw is de kracht, uw is al d'eer. U, die ons helpen wilt en kunt, die in uw Zoon verhoring gunt, die door uw Geest ons troost en leidt, U zij de lof in eeuwigheid. 10 Ja, amen, trouwe Vader, ja, wij maken staat op uw gena. Ons hart, o God, die alles ziet, veroordeelt ons in 't naadren niet; het zegt, daar G' op ons bidden let, gelovig ‘amen' op 't gebed. Gezang 37 : 1-8 1 Hoor, onze Vader, hoor ons aan nu wij in Christus tot U gaan. Hoe hemelhoog verheven, Gij zijt in uw Zoon ons zeer nabij. Wie door uw Zoon de toegang vindt mag tot U komen als een kind. 2 Uw naam worde geheiligd, Heer, aan U de glorie en de eer. Groot is uw luisterrijke naam, uw liefde zegent ons bestaan. Uw waarheid vult de hemelhof, vervul de aarde van uw lof. 3 Dat komen mag uw koninkrijk. Eerst aan een mosterdzaad gelijk wordt het een boom die ons geneest; wij groeien door uw woord en Geest. Dat Satans macht wordt uitgeroeid, zodat uw rijk volmaakt ontbloeit. 4 Uw wil geschiede wereldwijd op vleugels van gehoorzaamheid. Zoals een engel op uw wenk uw woord volvoert, uw wil volbrengt. Laat ons U volgen, hemelbreed, met zelfverloochening bekleed. 5 Geef heden dagelijks ons brood in tijd van welvaart, tijd van nood. Wanneer uw hand geopend wordt heeft elk genoeg, heeft geen tekort. Dat hij zijn brood met vreugde eet die zich door U gezegend weet. 6 Vergeef ons onze schulden, Heer, de overtreding keer op keer, zoals ook wij doen aan elkaar dat elk vergeeft zijn schuldenaar. In Christus Jezus leven wij en in zijn kracht vergeven wij. 7 Leid ons niet in verzoeking, want wij houden in onszelf geen stand. De wereld is ons leefterrein, de slang is listig, vol venijn. Verlos ons van de hielenbeet en maak ons voor uw komst gereed. 8 Want van U is het koninkrijk, de kracht en alle heerlijkheid. Eeuwige, God die ons bevrijdt, U zij de lof in eeuwigheid. Amen ja amen, Gij die hoort doet waar en zeker naar uw woord. Gezang 38 : 1-4 1 Zoek eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid en dit alles krijgt u bovendien. Hallelu, halleluja. Halleluja, halleluja, halleluja, halleluja. 2 Men kan niet leven van brood alleen, maar van ieder woord, dat door de Heer gesproken wordt. Hallelu, halleluja. Halleluja, halleluja, halleluja, halleluja. 3 Bidt en u zal gegeven zijn. Zoekt en gij zult het zien. Klopt en de deur zal voor u opengaan. Hallelu, halleluja. Halleluja, halleluja, halleluja, halleluja. 4 Waar twee of drie zijn vergaderd in mijn naam, daar ben Ik ook in hun midden, en wat zij vragen, zal Ik voor hen doen. Hallelu, halleluja. Halleluja, halleluja, halleluja, halleluja. Gezang 39 : 1-2 1 refrein: Als je bidt zal Hij je geven. Als je klopt aan de deur zal Hij open doen. Als je zoekt dan zul je 't vinden, halleluja. Halleluja, halleluja, halleluja. Als je de Vader vraagt om 'n brood, geeft Hij je zeker nooit een steen. Al je gebeden klein of groot, heus, Hij vergeet er niet één. 2 refrein : Als je bidt zal Hij je geven. Als je klopt aan de deur zal Hij open doen. Als je zoekt dan zul je 't vinden, halleluja. Halleluja, halleluja, halleluja. Als je mijn Vader iets wilt vragen, vraag in mijn naam, ik zal het doen. Ik ben met je alle dagen. Ik ben dezelfde als toen. refrein : Gezang 40 : 1-4 1 Welkom, welkom, koning Jezus, vredelievend op een ezel. Kom, wij leggen mantels neer als een loper voor de Heer: Hosanna, hosanna, gezegend is Hij die komt in de naam van de Heer. 2 Lang verwacht is koning Jezus, door de mensen hoog geprezen, maar al zweeg heel Israël, dan nog riepen stenen wel: Hosanna, hosanna, gezegend is Hij die komt in de naam van de Heer. 3 Ongewenst is koning Jezus, door de mensen afgewezen. Hoor, de tranen in zijn stem klagen om Jeruzalem: O dochter van Sion, begrijp toch vandaag dat God jou genadig wil zijn. 4 Welkom, welkom, koning Jezus, laat uw vrede ons genezen. Bij de intocht van uw woord is ons hart een open poort. Hosanna, hosanna, gezegend is Hij die komt in de naam van de Heer. Gezang 41 : 1-4 1 refrein: Buiten de poort heeft Jezus geleden, buiten de poort de kruisweg betreden. Buiten de poort komt Gods toorn op Hem af; maakt Hij zijn kinderen vrij van de straf. Hoor! Kind'ren zingen in hun spel: Gezegend Davids grote Zoon, die nu op weg is naar zijn troon. Hij is de Vorst van Israël! 2 refrein: Buiten de poort heeft Jezus geleden, buiten de poort de kruisweg betreden. Buiten de poort komt Gods toorn op Hem af; maakt Hij zijn kinderen vrij van de straf. Maar boze mannen schreeuwen luid: Zo'n koning is ons niet veel waard. Wat is een koning zonder zwaard! Kruis hem, stuur hem de poort maar uit. 3 refrein: Buiten de poort heeft Jezus geleden, buiten de poort de kruisweg betreden. Buiten de poort komt Gods toorn op Hem af; maakt Hij zijn kinderen vrij van de straf. En vrouwen klagen luid en lang. Maar Jezus weert die schrale troost: Ween om uzelf en om uw kroost. Hij draagt zijn kruis en gaat zijn gang. 4 refrein: Buiten de poort heeft Jezus geleden, buiten de poort de kruisweg betreden. Buiten de poort komt Gods toorn op Hem af; maakt Hij zijn kinderen vrij van de straf. Uit kindermond bereidt God eer. Zelfs Jezus' haters staan verstomd, wanneer de lof van kind'ren komt. Hoe heerlijk is uw Naam, o Heer. Gezang 42 : 1-4 1 De Koning zond zijn knechten naar goeden en naar slechten: Kom naar de bruiloftszaal; wees welkom allemaal. De tafel staat gereed. Hier is je bruiloftskleed. refrein: Velen zijn geroepen Weinigen verstaan, dat je op de bruiloft komt met een feestkleed aan. 2 Het kleed van alle dagen dat kun je daar niet dragen. Toch ging een gast brutaal zo naar de bruiloftszaal: De kleren die hij droeg - die vond hij goed genoeg. refrein: Velen zijn geroepen Weinigen verstaan, dat je op de bruiloft komt met een feestkleed aan. 3 De Koning zei: Hoe kun je hier komen in die plunje! Jouw blijdschap is niet echt; je bent hier onoprecht. Kom knechten, grijp hem aan en breng hem hier vandaan. refrein: Velen zijn geroepen Weinigen verstaan, dat je op de bruiloft komt met een feestkleed aan. 4 Maar God wil ons ontvangen. Wij zien in groot verlangen, als uitverkoren bruid, naar onze Bruigom uit. Met blijdschap komen wij in onze feestkledij. refrein: Velen zijn geroepen Weinigen verstaan, dat je op de bruiloft komt met een feestkleed aan. Gezang 43 : 1-5 1 melodie 1 Met lampen voor het feest gereed gaan wij, in stralend wit gekleed, de vreugde vrolijk tegemoet de liefde geeft ons glans en gloed. 2 melodie 2 En duurt het wachten deze nacht veel langer dan dat iemand dacht wij hebben olie, Geest genoeg voor vuur en vlam tot morgenvroeg. 3 melodie 1 Met lampen voor het feest gereed gaan wij, in stralend wit gekleed, de vreugde vrolijk tegemoet de wijn zal zuiver zijn en zoet. 4 melodie 2 Wees waakzaam, gij die met ons gaat, God dank, het is nog niet te laat maar wie straks aanklopt na de tijd vindt deuren dicht. Dus: wees bereid! 5 melodie 1 Met lampen voor het feest gereed gaan wij, in stralend wit gekleed, de vreugde vrolijk tegemoet want God is gul en groot en goed! Gezang 44 : 1-7 1 refrein: De Heer is waarlijk opgestaan, halleluja! Jezus deed de dood teniet. Zing daarom het hoogste lied. refrein: De Heer is waarlijk opgestaan, halleluja! 2 Vrouwen uit Jeruzalem, kwamen vroeg en zochten Hem. refrein: De Heer is waarlijk opgestaan, halleluja! 3 En hoe groot was hun verdriet, want zij vonden Jezus niet. refrein: De Heer is waarlijk opgestaan, halleluja! 4 Maar een engel sprak hen aan: 'Die gij zoekt is opgestaan.' refrein: De Heer is waarlijk opgestaan, halleluja! 5 'Denkt toch aan zijn eigen woord, dat gij vroeger hebt gehoord.' refrein: De Heer is waarlijk opgestaan, halleluja! 6 'Hij, die grote mensenzoon, gaat door 't graf heen naar zijn troon.' refrein: De Heer is waarlijk opgestaan, halleluja! 7 'Zoekt Hem bij de doden niet, maar zingt mee het hoogste lied.' refrein: De Heer is waarlijk opgestaan, halleluja! Gezang 45 : 1-2 1 Laat de kind'ren tot Mij komen, alle, alle kind'ren. Laat de kind'ren tot Mij komen, niemand mag ze hind'ren. Want de poorten van mijn rijk staan voor kind'ren open, laat ze allen groot en klein bij Mij binnenlopen. 2 Laat de mensen tot Mij komen over alle wegen. Laat de mensen tot Mij komen, houdt ze toch niet tegen! Want de poorten van mijn rijk gaan ook voor hen open, als ze aan een kind gelijk bij Mij binnenlopen. Gezang 46 : 1-3 1 Maria heeft aan Jezus een goede daad gedaan. Zij heeft haar liefde Hem getoond, met stromend goud zijn hoofd gekroond, de weelde van haar hart heeft zij zo overvloedig uitgestort, dat van haar werk gesproken wordt voor altijd. 2 Maria heeft aan Jezus een goede daad gedaan. Die zij met nardus overgoot, geen dood is rijker dan zijn dood. Die zij met balsem heeft gezalfd gaat op naar zijn begrafenis, omdat het bijna Pasen is en hoog tijd. 3 Gij hebt aan mij, Heer Jezus, uw goede dood gedaan. Gezegende naar wie ik tast, aanzie het kruikje van albast, mijn hart, dat tot U openbreekt en neem dan alle lof en dank als mirre aan, als een geschenk voor altijd. Gezang 47 : 1-6 1 Mijn ziel verheft Gods eer; mijn geest mag blij den Heer mijn Zaligmaker noemen, die, in haar lage staat, zijn dienstmaagd niet versmaadt, maar van zijn gunst doet roemen. 2 Om wat God heeft gedaan zal elk geslacht voortaan alom mij zalig spreken: o groot geheimenis dat mij geschonken is. Zijn almacht is gebleken. 3 Hoe heilig is zijn naam! Laat volk bij volk te zaam barmhartigheid verwachten, nu Hij de zaligheid voor wie Hem vreest, bereidt door al de nageslachten. 4 Des Heren kracht is groot; zijn arm verstrooit, verstoot die hoog zijn in hun ogen. Hun tronen zijn niet meer, maar gunstrijk wil de Heer eenvoudigen verhogen. 5 De Heer vervult met goed uit 's hemels overvloed der hongerigen monden. Hij ziet geen rijken aan, maar heeft met al hun waan hen ledig weggezonden. 6 Hij trok Zich Isrel aan, Hij laat niet hulploos staan die Abrams troost verwachten. Groot en in eeuwigheid is Gods barmhartigheid voor duizenden geslachten. Gezang 48 : 1-4 1 Lof aan de God van Israël, de HERE, die zijn volk gedenkt en in zijn liefderijk bestel ons aanziet en verlossing schenkt. Hij komt tot ons met grote kracht en wat reeds eeuwen werd verwacht dat wil Hij nu bewerken: in 't huis van David, zijn verkoren knecht, verrijst een hoorn van heil en recht, zoals het vroeger reeds was toegezegd. 2 Van oudsher deed God ons verstaan door heilige profetenmond, dat Hij de vijand neer zou slaan en naar de trouw aan zijn verbond ons redden zou van tegenstand, bevrijden uit de wrede hand van allen die ons haten, terwijl Hij steeds weer met beloften kwam, die eens zijn dienaar Abraham als eed van God de HERE zelf vernam. 3 Hij gaf ons uitzicht op de tijd dat ons geen vrees meer kwellen zou, en dat, van 's vijands juk bevrijd, ons leven zich dan stellen zou tot dienst aan God, in heiligheid, oprecht van hart, Hem toegewijd. En God de Allerhoogste roept u, mijn kind, om voor Hem uit te gaan, bereidend Hem een vlakke baan. Zo treedt ge als profeet des HEREN aan. 4 Dan hoort Gods volk van zaligheid, als alle schuld vergeven wordt en kent het de barmhartigheid waartoe Gods hart gedreven wordt, waarmee ons nu bezoeken gaat, verschijnend als de dageraad, de Opgang uit de hoogte. Wie neerzit in de doodse donkerheid ziet door dit licht zich overspreid, zijn voet wordt vast op 't vredepad geleid. Gezang 49 : 1-4 1 refrein: Glorie aan God in de hoogste hemel en op aarde vrede, Hij heeft in mensen behagen. Hij is verschenen als vlam in een doornstruik, heeft Mozes geroepen van achter de schapen ter wille van mensen. refrein: Glorie aan God in de hoogste hemel en op aarde vrede, Hij heeft in mensen behagen. 2 Hij is verschenen als stem uit de vuurzee, een hemelse lichtglans, die sprak de tien woorden ter wille van mensen. refrein: Glorie aan God in de hoogste hemel en op aarde vrede, Hij heeft in mensen behagen. 3 Hij is verschenen als vuur op het altaar temidden van tenten; een troon van genade ter wille van mensen. refrein: Glorie aan God in de hoogste hemel En op aarde vrede, Hij heeft in mensen behagen. 4 Hij is verschenen als Jezus Messias die wegdraagt de zonden, het Licht van de wereld ter wille van mensen. refrein: Glorie aan God in de hoogste hemel En op aarde vrede, Hij heeft in mensen behagen. Gezang 50 : 1 Ere zij God, ere zij God, in de hoge, in de hoge, in de hoge. Vrede op aarde, vrede op aarde, in de mensen een welbehagen. Ere zij God in de hoge, ere zij God in de hoge. Vrede op aarde, vrede op aarde, vrede op aarde, vrede op aarde, in de mensen, in de mensen een welbehagen, in de mensen een welbehagen, een welbehagen. Ere zij God, ere zij God in de hoge, in de hoge, in de hoge. Vrede op aarde, vrede op aarde, in de mensen een welbehagen. Amen, amen. Gezang 51 : 1-6 1 O hemels licht dat mijn bestaan doorschijnt, mijn ogen zijn als vensters op het oosten in gloed gezet, de duisternis verdwijnt. Gezegend Hij die komt om ons te troosten. 2 Naar deze zon strek ik mijn armen uit. De Zoon van het verbond wordt opgedragen hier in de tempel, in zijn Vaders huis, de reine tortelduif van mijn behagen. 3 Die opgaat als het licht, die voor altijd van waarheid en gerechtigheid zal spreken, voor heidenen de redder die bevrijdt en voor de mensheid een omstreden teken. 4 Dit Kind zal velen worden tot een val, een struikelblok voorgoed. Niet om het even hoe ik Hem zie, hoe ik Hem noemen zal. Zijn naam is tot schandaal en eeuwig leven. 5 Troost, troost mijn volk, nu God zich openbaart, een licht, dat met de handen is te tasten, - en door uw ziel, Maria, snijdt een zwaard - licht dat ons verlicht en ons ontmaskert. 6 Dat heidenen en heiligen verstaan de waarheid van de oude priesterzegen: laat lichten Heer uw aangezicht, wij gaan door U geleid in vrede onze wegen. Gezang 52 : 1-2 1 Zo laat Gij, Heer, uw knecht, naar 't woord hem toegezegd, thans henengaan in vrede, nu hij uw zaligheid, die Gij hebt toebereid, gezien heeft op zijn bede. 2 Een licht, zo groot, zo schoon, gedaald van 's hemels troon, straalt volk bij volk in d' ogen, terwijl 't het blind gezicht van 't heidendom verlicht en Isrel zal verhogen. Gezang 53 : 1-4 1 In de lente van mijn leven kwam de vrieskou van de dood. Jong heb ik mijn lief begraven, oud eet ik mijn tranenbrood. 2 Vastend, biddend in de tempel zoek ik bij de Heer asiel. Waar het leed mijn leven stempelt is Hij balsem voor de ziel. 3 Heer, ontferm U, uw gerichten gaan een mens door merg en been. Kom mijn duisternis verlichten, sla uw armen om mij heen. 4 In de winter van mijn leven breekt de zon weldadig door. Kind, mijn vreugde vindt bij wachters in Jeruzalem gehoor. Gezang 54 : 1-7 1 Door de poort van Naïn gaat een lange droeve stoet; de kinderen staan stil op straat en fluisteren een groet. 2 Vooraan gaat in zware rouw en moederziel alleen een diepbedroefde weduwvrouw – haar kind, haar zoon ging heen! 3 Nauwelijks de poort voorbij daar nadert nog een stoet; het leven komt al dichterbij, de dode tegemoet. 4 Voor de poort van Naïn staat de Heer der wereld stil, Hij komt soms vroeg, Hij komt soms laat, Hij komt wanneer Hij wil. 5 Moeder, houd met huilen op, de Heer staat aan uw kant en Hij zegt: Jongeling, sta op, Ik neem je bij de hand. 6 Door de poort van Naïn gaat een opgetogen stoet; de kinderen staan langs de straat en juichend klinkt hun groet! 7 Christus, raak ook ons eens aan als wij straks door de poort van deze wereld moeten gaan en wek ons, op uw woord! Gezang 55 : 1-5 1 Melodie 1Er is geen plaats, er is geen plaats, Zacheüs is te klein. Maar haastig klimt hij in een boom, om er toch bij te zijn. 2 Melodie 2 Daar zit de kleine tollenaar, daar zit hij, hoog en droog. De mensen kunnen hem niet zien, maar Jezus kijkt omhoog. 3 Melodie 1 'Zacheüs, waarom schuil je weg, zo angstig als een muis? Zacheüs, kom vlug uit je boom en breng Mij in jouw huis.' 4 Melodie 2 Zacheus gaat met Jezus mee, de mensen zijn verrast. Zacheüs is een tollenaar, en Jezus is zijn gast. 5 Melodie 1 Want Jezus, die de mensen kent, Hij roept ze bij hun naam: De ware Zoon van Abraham laat niemand buiten staan! Gezang 56 : 1-4 1 Bij de Jakobsbron stond ik dorstig in de zon op het middaguur der schaamte. Waar Hij, vreemd genoeg, mij, een vrouw, om water vroeg, mij, Samaritaanse. 2 Als je wist, sprak Hij, van Gods gave, jij zou Mij nu om levend water vragen. Water dat Ik geef lest je dorst zolang je leeft, laaft je alle dagen. refrein: Wij horen helder het geluid van levendmakend water. Kom, schenk uw woord als water uit, vervul ons met genade. 3 Als een springfontein zal dit water in je zijn, de vervulling van verlangen. Kruik, wat klink je hol, met je buik van leegte vol. Breek om te ontvangen. 4 Meer dan Jakob, Gij die uw bron ontsluit voor mij, laat uw zegeningen stromen. Christus die mij drenkt en mij levend water schenkt, laat mij tot U komen. refrein: Wij horen helder het geluid van levendmakend water. Kom, schenk uw woord als water uit, vervul ons met genade. Gezang 57 : 1-3 1 Ik ben het levensbrood, Ik red je van de hongersnood. Zo heeft de Heer gesproken; Hij heeft het brood gebroken. Zijn lichaam is het brood, zegt Hij, dat deelt Hij uit aan jou en mij. 2 Ik ben het echte brood, wie eet zal opstaan uit de dood. Wie Mij gelooft, zegt Jezus, is bij het feest aanwezig. Ik ben het brood waarvan je leeft, dat leven aan de wereld geeft. 3 Dit brood zal nooit vergaan, het blijft, het komt bij God vandaan. Heer Jezus, wij geloven in U, het brood van boven. Nu hebben wij geen honger meer en nooit meer dorst door onze Heer. Gezang 58 : 1-3 1 Jezus zegt: blijf niet alleen, vergeet je bange dromen. Laat het licht zijn om je heen, de zon is opgekomen. refrein: Ik ben het licht, Ik ben het licht van de wereld. Wie Mij volgt ziet het leven. 2 In het donker lopen wij verloren rond te dwalen. Jezus zegt: ga mee met Mij, je ogen zullen stralen. refrein: Ik ben het licht, Ik ben het licht van de wereld. Wie Mij volgt ziet het leven. 3 Blinkend als de morgenster die helder staat te schijnen zo is Jezus, onze Heer. Het donker zal verdwijnen. refrein: Ik ben het licht, Ik ben het licht van de wereld. Wie Mij volgt ziet het leven. Gezang 59 : 1-4 1 Ik ben de goede herder die zijn eigen schapen kent. Ik roep ze bij hun naam en zie, ze komen aangerend. 2 Zoals de Vader Mij vertrouwt en Ik vertrouw op Hem, zo hou Ik van mijn schapen en zij horen naar mijn stem. 3 Volg Mij maar, omdat Ik je red en van de wolf verlos. Maar slechte herders huilen met de wolven in het bos. 4 Ik zet mijn leven op het spel voor schapen van mijn stal. Ze volgen Mij, ze weten wel dat Ik ze hoeden zal. Gezang 60 : 1-3 1 Lazarus van Betanië, heb jij de Heer verstaan? Jezus roept je uit het graf, alle doeken gaan eraf, jij moet naar buiten gaan. refrein: Ik ben de opstanding, Ik ben het leven zelf, wie in Mij gelooft zal leven. Ik ben de opstanding, Ik ben het leven zelf, Wie in Mij geloof die leeft. 2 Lazarus van Betanië, dit is een blijde dag: Marta droogt haar tranen weer en Maria huilt niet meer, omdat jij leven mag. refrein: Ik ben de opstanding, Ik ben het leven zelf, wie in Mij gelooft zal leven. Ik ben de opstanding, Ik ben het leven zelf, Wie in Mij geloof die leeft. 3 Lazarus van Betanië, de dood is nu voorbij. Jezus roept je bij je naam: God helpt jou om op te staan. Hij maakt de mensen blij. refrein: Ik ben de opstanding, Ik ben het leven zelf, wie in Mij gelooft zal leven. Ik ben de opstanding, Ik ben het leven zelf, Wie in Mij geloof die leeft. Gezang 61 : 1-3 1 Nu legt Gij in de paaszaal met liefdevol geduld uw leven in de waagschaal als Gij het bekken vult. Een meester in gehoorzaamheid, zo wast Gij onze voeten, tot slavendienst bereid. 2 Gij komt om te bevrijden het volk onder de knoet. Op U de plaag, het lijden; het water wordt tot bloed. Gij redt van alle slavernij en reinigt ons van zonden. Aan U de heerschappij. 3 Heer Jezus die als minste neerknielde in het stof, het minste of geringste zal stralen in uw hof. Uw waarheid is als zonneschijn en glinstert in het water: er moet gereinigd zijn. Gezang 62 : 1-4 1 Ik ben de weg, zo zegt de Heer, de toegang tot de Vader, de echte jakobsladder, de enige weg omhoog. 2 Ik ben de waarheid, zegt de Heer, een mens van nieuwe waarde. Wie Jezus ziet op aarde heeft werkelijk God gezien. 3 Ik ben het leven, zegt de Heer, het doel voor alle mensen is God te leren kennen, een andere weg loopt dood. 4 Ik ben de weg, zo zegt de Heer, de waarheid en het leven. Heer Jezus, wil ons geven die enige weg te gaan. Gezang 63 : 1-3 1 Ik ben de wijnstok, mijn Vader is de wijnboer die rondgaat op zijn eigen land waar Hij de wijnstok heeft geplant. De ranken zal Hij snoeien, dan gaan de druiven groeien. De dorre ranken snijdt Hij los, die dragen nooit een druiventros. 2 Ik ben de wijnstok en jullie zijn de ranken. Geloof Me, heel veel vrucht draag jij als Ik jou vasthoud en jij Mij. Wie los van Mij wil leven die zal geen vruchten geven. Mijn ranken klimmen echt het hoogst, de druiven groeien tot de oogst. 3 Heer, laat uw liefde door alle ranken stromen. Dan groeien wij in weer en wind, terwijl de wijnstok ons verbindt. Dan zal naar alle zijden de liefde zich verspreiden: met heel veel mensen, groot en klein, viert God het feest van nieuwe wijn. Gezang 64 : 1-4 1 Vrede zij u. Vrede zij u. Gelijk Mij de Vader zond, zend Ik ook u. Vrede zij u. Vrede zij u. Gelijk Mij de Vader zond, zend Ik ook u. 2 Blijf in mijn vrede, blijf in Mij. Mijn woord moet in u zijn, dat maakt u vrij. Blijf in mijn vrede, blijf in Mij. Mijn woord moet in u zijn, dat maakt u vrij. 3 Ontvang mijn Geest, Heilige Geest. Hij zal u leiden, weest niet bevreesd. Ontvang mijn Geest, Heilige Geest. Hij zal u leiden, weest niet bevreesd. 4 Vrede zij u. Vrede zij u. Gelijk Mij de Vader zond, zend Ik ook u. Vrede zij u. Vrede zij u. Gelijk Mij de Vader zond, zend Ik ook u. Gezang 65 : 1-5 1 Wij weten dat God alles keert ten goede op termijn voor wie Hem liefheeft. Hij regeert en leert ons dit geheim. 2 Wie naar Gods voorbedachte raad gerechtigheid ontvangt en zo op Christus lijken gaat draagt glorie mee en glans. 3 Als God de Heer nu voor ons is wie zal ons tegenstaan? Als Christus treedt in ons gemis, wie klaagt ons dan nog aan? 4 Wat zal ons van U scheiden, Heer, als slechts uw liefde telt, vervolging, ziekte, honger, meer ellende en geweld? 5 De mantel van Gods liefde past in alle tegenspoed. In Christus staat de zege vast, geen macht die dat verhoedt. Gezang 66 : 1-5 1 Het zaad zal vruchten dragen door God die leven schenkt. Waarom zult gij dan vragen hoe God dit werk volbrengt? Het blijft voor ons verborgen; wij zien slechts in geloof. Het zaad zal op een morgen gerijpt zijn voor Gods oogst. 2 Een korrel in de aarde moet sterven vóór hij leeft en is volgroeid in waarde als God er vorm aan geeft; elk zaad zijn eigen lichaam waarmee het voor Hem leeft. God zal zijn zon doen opgaan het zaad ontkiemt en leeft. 3 Wie wenend hier moet zaaien in de verganklijkheid, zal juichen bij het maaien: God oogst tot eeuwigheid. Al wat ik zaai in zwakheid verrijst door God in kracht. 't Gezaaide in geringheid wordt door Hem grootgebracht. 4 Zo zullen doden opstaan in onverganklijkheid met een verheerlijkt lichaam door God hun toebereid. Waarom zult gij dan vragen hoe God dit werk volbrengt? Het zaad zal vruchten dragen door God die leven schenkt. 5 Nog is voor ons verborgen – wij zien slechts in geloof – hoe God eens op zijn morgen volbrengt wat werd beloofd: al wie hier in dit leven gezaaid werd op Gods tijd, zal God een lichaam geven dat leeft in eeuwigheid. Gezang 67 : 1-3 1 Jezus heeft het hemelleven opgegeven, Hij vernederde zich diep. Zie, Hij heeft zich diepgezonken weggeschonken toen de aarde riep. 2 Nu zal Hij in aanzien stijgen, loon verkrijgen, God geeft Hem de hoogste eer. Hoor hoe Hem de hoogste kringen lof toezingen: glorie onze Heer. 3 Heer, ik wil mijn knieën buigen, U toejuichen, hulde aan uw majesteit. Gij vervulde al Gods wensen, Zoon van mensen, in gehoorzaamheid. Gezang 68 : 1-3 1 Wij knielen voor uw zetel neer, wij, Heer, en al uw leden en eren U als onze Heer met liedren en gebeden. Dat alle macht, hoe hoog, hoe groot, voor U, o Godsgetuige, o eerstgeboorne uit de dood, zich diep ootmoedig buige. 2 Die ons, gereinigd door uw bloed, tot priesters hebt verheven en ons de hoge rang, de moed van koningen gegeven, U zij de roem, U zij de lof, U d' eerkroon opgedragen. Geheel de aard' en 't hemelhof moet van uw eer gewagen. 3 U, die als Heer der heerlijkheid verrees tot heil der volken, verwachten wij in majesteit eens weder op de wolken. Ja, halleluja, zie, Hij komt! Juicht, mensen, englen samen met vreugd, waar alles bij verstomt. Juicht allen! Amen, amen. Gezang 69 : 1 U, heilig Godslam, loven wij, Gij hebt voor ons aan 't kruis geleden, Gij doet ons tot de Vader treden als koningen en priesters. Gij, Gij, Heiland, kocht ons met uw bloed, dies brengen wij U dank en ere en werpen in aanbidding, Here, al onze kronen aan uw voet. Ja, amen, ja, halleluja! Gezang 70 : 1-3 1 Gij dienaars van Hem, die alles regeert verenigt uw stem, verheft en vereert de Naam aller namen, vol rijkdom en kracht, bezingt Hem tezamen, Gods arm is met macht. 2 God heerst van zijn troon, in 't heilige licht, maar zoekt in de Zoon wie machteloos ligt. De heiligen loven reeds hier in hun lied, met d' engelen boven, het heil, hun geschied. 3 Aan Hem zij het lied der wereld gewijd, die eens uit het niet 't heelal heeft bereid, de dank, de aanbidding, de wijsheid en kracht, om eeuwige redding de wereld gebracht. Gezang 71 : 1 ¹) De lof en de heerlijkheid en de wijsheid en de dank, ²) en de eer en de macht en de sterkte zij onze God ³) tot in alle eeuwigheden! Amen. Gezang 72 : 1-8 1 Jeruzalem is hemels, een maagdelijke bruid. En Babylon is werelds, een hoer, een leugenbruid. 2 Zij dragen edelstenen, een sieraad om haar hals, de één blinkt uit in waarheid, de ander schittert vals. 3 De hoer leeft om te krijgen, te halen naar zich toe. De bruid is van het geven van liefde nimmer moe. 4 De bruid is in het nadeel, omdat zij wachten moet. De bruid is in het voordeel, haar wacht de overvloed. 5 Die leven van aanbidding zijn Gode toegewijd, zij gaan de poorten binnen en hebben alle tijd. 6 Die leven van de leugen, zij vinden rust noch duur, hun deel is in de krater van zwavel en van vuur. 7 Verkijk u op het goud niet van Babel, die woestijn. Eén stad is op de hoogte, en daar is de fontein. 8 Nieuw maak Ik alle dingen, zo zei een luide stem. Geen leugen en geen klaagmuur in 't nieuw Jeruzalem. Gezang 73 : 1-7 1 Ik zag de hemel nieuw en nieuw de aarde, want d' eerste schepping was voorbijgegaan, er was geen zee - haar dreigen is gedaan, nu onze God het koningschap aanvaardde. 2 En uit de hemel zag ik nederdalen de heil'ge stad, een nieuw Jeruzalem, als bruid getooid voor hare man door Hem, wiens gramschap brandd' in zeven gouden schalen. 3 En 'k hoorde van de troon het luid verkonden: Zie, bij de mensen is de tent van God, Hij woont bij hen, die doen naar zijn gebod, God heeft zijn volk gered van al hun zonden. 4 Ja, Hij, de Heer, zal al hun tranen drogen en dood en rouwen moeite zijn gedaan, want d' eerste dingen zijn voorbijgegaan, Hun lied zal 't Lam, dat voor hen stierf, verhogen. 5 En Hij, die op de witte troon zit, zeide: Zie, Ik maak alle dingen nieuw en rein. Schrijf deze woorden, die waarachtig zijn. Zij zijn geschied, uw hart zal zich verblijden. 6 'k Zal water uit de bron des levens geven, wie dorst heeft is 't om niet tot eeuwig loon. 'k Zal hem een God zijn en hij Mij een zoon. Ik ben 't begin en eind van alle leven. 7 Wie overwint zal deze dingen erven; maar wie in zonden leeft en niet gelooft - zijn deel is 't vuur dat nimmer wordt gedoofd: dit is de tweede dood, dien z' eeuwig sterven. Gezang 74 : 1-5 1 Als een bruid op haar mooist, zo zag ik de stad van vrede, met Gods glorie getooid voor het Lam, zij daalde neder. Stralend licht naar alle kanten, zonneglans van diamanten. De gemeente van de Heer daalt vanuit de hemel neer als een bruid op haar mooist. 2 Een juweel van een stad is die nieuwe samenleving, waar twaalf namen door God op de poorten zijn geschreven. Jakobs zonen, eens moorddadig, parels zijn het van genade. Jezus' zonen, elf en een, legden elk de eerste steen, een juweel van een stad. 3 Even lang, breed als hoog – heiligheid in volle breedte. Eeuwig huis, voor ons oog is uw heelheid uitgemeten. Alle volken alle namen brengen eer en glorie samen. Nieuw Jeruzalem, uw glans is met liefde in balans, even lang, breed als hoog. 4 Zelfs de hemel is nieuw na de grote catastrofe, de toekomstige eeuw spant een koepel vol beloften. God zal hier zijn intrek nemen en de aarde stroomt vol hemel. In de boomgaard van de Heer stroomt het heil als een rivier, zelfs de hemel is nieuw. 5 God met ons, van nu aan. O finale van onthulling – geen verdriet en geen traan, geen verveling maar vervulling. Babylon zal zijn gevallen, Gij zult alles zijn in allen Heer, wij zullen groot en klein van uw beeld verzadigd zijn: God met ons, van nu aan. Gezang 75 : 1-6 1 Nu gaan de bloemen nog dood, nu gaat de zon nog onder. En geen mens kan zonder water en zonder brood. refrein: Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw, de hemel en de aarde. Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw, de hemel en de aarde. 2 Nu ben je soms nog alleen. Nu moet je soms nog huilen en als je weg wilt schuilen kun je haast nergens heen. refrein: Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw, de hemel en de aarde. Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw, de hemel en de aarde. 3 Nu heb je nooit genoeg. Nu blijf je steeds iets missen en in het ongewisse of je ooit krijgt wat je vroeg. refrein: Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw, de hemel en de aarde. Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw, de hemel en de aarde. 4 Daar is geen zon en geen maan. Daar zal God ons verlichten. Daar zullen alle gezichten vol van zijn heerlijkheid staan. refrein: Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw, de hemel en de aarde. Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw, de hemel en de aarde. 5 Daar is geen dorst of verdriet. Daar zal God ons omgeven. Daar is gelukkig leven en het eindigt niet. refrein: Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw, de hemel en de aarde. Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw, de hemel en de aarde. 6 Zing voor de eeuwige dag. Zing voor zijn komst en zeg Amen. Zing voor de Heer die ons samen daar al van eeuwigheid zag. refrein: Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw, de hemel en de aarde. Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw, de hemel en de aarde. Gezang 76 : 1-2 1 En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En die het hoort zegt: Kom! En wie dorst heeft kome. En wie wil, neemt het water des levens om niet; neemt het water des levens om niet. 2 Hij die van deze dingen getuigt, Hij zegt: 'Ja, ik kom!' Ik zal spoedig komen, ja ik kom. Amen, ja Here Jezus, kom. Amen, ja Here Jezus, kom. Gezang 77 : 1-5 1 Een engel zegt Maria aan: Nu breekt Gods Koninkrijk zich baan. U wordt de moeder van Gods Zoon, die heersen zal op Davids troon. refrein: God heeft ons niet vergeten: het Kind zal Jezus heten. Uit zonden redt Hij Israël. Zijn naam is ook: Immanuël. God is met ons Halleluja! 2 Maria vroeg hoe dat wel kan, want Jozef is nog niet haar man. Maar 't Koningskind, dat zij verwacht: Het is een wonder van Gods kracht. refrein: God heeft ons niet vergeten: het Kind zal Jezus heten. Uit zonden redt Hij Israël. Zijn naam is ook: Immanuël. God is met ons Halleluja! 3 Maria heeft Gods woord aanvaard. Zij heeft het in haar hart bewaard. Gehoorzaam zegt zij: Het is goed, al wat de Here aan mij doet. refrein: God heeft ons niet vergeten: het Kind zal Jezus heten. Uit zonden redt Hij Israël. Zijn naam is ook: Immanuël. God is met ons Halleluja! 4 Dan wordt aan Jozef in de nacht de blijde boodschap ook gebracht. Hij neemt Maria tot zijn vrouw. En samen roemen zij Gods trouw. refrein: God heeft ons niet vergeten: het Kind zal Jezus heten. Uit zonden redt Hij Israël. Zijn naam is ook: Immanuël. God is met ons Halleluja! 5 Want Jozef, die uit Juda kwam, was ook uit Davids huis en stam. Zo wordt de Heiland Davids Zoon. Voor eeuwig zit hij op de troon. refrein: God heeft ons niet vergeten: het Kind zal Jezus heten. Uit zonden redt Hij Israël. Zijn naam is ook: Immanuël. God is met ons Halleluja! Gezang 78 : 1-4 1 Hoe zal ik U ontvangen, hoe wilt Gij zijn ontmoet, Gij, 's werelds hoogst verlangen, des stervlings zaligst goed? Dat ons uw Geest verlichte! Houd zelf de fakkel bij, die, Heer, ons onderrichte wat U behaaglijk zij. 2 'k Lag machteloos gebonden, Gij komt en maakt mij vrij; ik was bevlekt met zonden, Gij komt en reinigt mij. Het leven was mij sterven, tot Gij mij op deedt staan; Gij doet mij schatten erven die nimmermeer vergaan. 3 Wat deed uit 's hemels zalen, o Heer der heerlijkheên, op aard' U nederdalen? Uw grote liefd' alleen! Uw eindeloos erbarmen met onze grote nood, dat als met zeegnend' armen en reddend ons omsloot. 4 Nog eenmaal zal Hij komen als richter van 't heelal, die dan het hoofd der vromen voor eeuwig kronen zal. Nog is die dag verborgen, wacht hem gelovig af, terwijl de grote morgen reeds schemert boven 't graf. Gezang 79 : 1-6 1 Hoe zal ik Hem bezingen en loven in mijn lied, die boven alle dingen troont in zijn rijksgebied? Gods Geest wil ons verlichten, de fakkel van het Woord zal klaar ons onderrichten, hoe Hem de lof bekoort. 2 Waarom verliet die Koning zijn troon in heerlijkheid, koos Hij bij ons zijn woning: een mens in dienstbaarheid? De Vader zag bewogen de wereld in haar nood: zijn Zoon kwam uit de hoge tot redding van de dood. 3 Hem spreidde Sion palmen in geestdrift, gauw gedoofd; nog zingt de kerk haar psalmen en looft haar Heer en Hoofd, gedenkt Hem op zijn paden tot buiten Salems poort, waar 't Lam, met vloek beladen, het lichaam werd doorboord. 4 Mijn hart vol boos begeren getuigt steeds tegen mij, het bloed van onze Here spreekt van het oordeel vrij: Hij deed ons met Zich sterven en uit het graf opstaan en om zijn loon te werven is Hij ons voorgegaan. 5 Blijf zó uw Heer gedenken, o duurgekochte kerk, dan zal Hij u steeds schenken om moedig, vroom en sterk, ja, vrolijk 't kruis te dragen als Christus' onderdaan en op de dag der dagen zijn troonzaal in te gaan. 6 Want Hij zal eens verschijnen als rechter van 't heelal, die trotsen doet verdwijnen, maar kleinen kronen zal. Nu zingt de kerk haar zangen, de Geest zegt met de bruid: Kom Heer, wij zien verlangend naar uw verschijning uit. Gezang 80 : 1-4 1 O Heiland, open wijd de poort, laat toch uw volk niet onverhoord, ontgrendel dan uw deuren, Heer, ach, scheur de hemel en daal neer. 2 Daal neer gelijk de hemeldauw die 't leven laaft, dat sterven zou. Wanneer wordt onze hoop vervuld? Waar blijft Gij die ons troosten zult? 3 O Troost, beloofd aan 't voorgeslacht, o Heiland, eeuwenlang verwacht, zuivere zon en schone ster, wij zien uw stralen reeds van ver. 4 Wij komen om in onze nood, wij gaan verloren aan de dood, als Gij ons niet met sterke hand voert naar een beter vaderland. Gezang 81 : 1-8 1 Dit is de dag die God ons schenkt, waaraan thans ieder christen denkt; hem viere, wat in 't groot heelal door Jezus is en wezen zal. 2 Men had Hem eeuwenlang verwacht; en toen Gods tijdperk was volbracht, toen zond Hij van zijn hoge troon het heil der wereld ons, zijn Zoon. 3 O, Gij ons heil, ons hoogste goed, Gij werdt een mens van vlees en bloed, werd onze broeder, en door U zijn wij Gods eigen kindren nu. 4 Als ik dit wonder vatten wil, dan wordt mijn geest van eerbied stil, aanbidt het, maar doorgrondt het niet, dat zo de liefde Gods geschiedt. 5 U, die voor ons geboren zijt, U zij ons hart, ons lied gewijd; Wij voegen juichend onze stem bij 't englenheer van Betlehem. 6 Geloofd die komt in 's Heren naam! Wij christnen zeegnen U te zaam, U, vredevorst, der vaadren wens, U, zaligmaker, God en mens. 7 Roem, hemel, die geboortedag, de schoonste die de wereld zag; juich, aarde, nu g' uw koning ziet, zing Hem een nooit gezongen lied. 8 Dit is de dag die God ons schenkt, waaraan eens heel de wereld denkt; hem viere, wat in 't groot heelal door Jezus is en wezen zal. Gezang 82 : 1-4 1 Blaas de bazuin en sla de trom, geboren is Gods kind! Laat alle klokken luiden gaan, kom zingend rond de kribbe staan, zijn koninkrijk begint, zijn koninkrijk begint, hosanna, hosanna, zijn rijk begint! 2 Blaas de bazuin, de loftrompet, en richt hoog op uw hoofd; de toekomst staat in deze ster, nu is de vrede niet meer ver, de dag die God belooft, de dag die God belooft, hosanna, de dag die God belooft! 3 Blaas de bazuin – zijn zonnegloed laat niemand koud en kil. Hier is een mens die liefde doet, hier is God zelf in vlees en bloed – verwonder u, heel stil, verwonder u, heel stil, hosanna, verwonder u, heel stil. 4 Blaas de bazuin en sla de trom en roep: Victoria! Geen leven is nu zonder zin, gegeven is: een nieuw begin – o zing halleluja, o zing halleluja, hosanna, o zing halleluja! Gezang 83 : 1-4 1 Vrolijk zingen wij ons lied, de wereld moet het horen! Komt en ziet wat is geschied: De Heiland is geboren! Gloria, hosanna in excelsis! 2 Herders, spoedt u naar de stal: in doeken is gewonden Hij die herder wezen zal, het lam voor onze zonden! Gloria, hosanna in excelsis! 3 Wijzen, zoekt niet her en der, want ziet, boven zijn woning straalt een wonderlijke ster, daar woont Hij: onze koning! Gloria, hosanna in excelsis! 4 Mensen, overal vandaan, God zelf is in ons midden! Komt dan, laten wij nu gaan om Christus te aanbidden! Gloria, hosanna in excelsis! Gezang 84 : 1-6 1 Wees stil en kom wat dichterbij dit kind van Betlehem: het einde, het begin is Hij; niets kan ik zonder Hem. 2 Hij is mijn water en mijn brood, het licht rondom mij heen, mijn leven, midden in de dood – Hij laat mij niet alleen. 3 Hij is de deur die openstaat en achter mij zich sluit, de herder die met raad en daad mij voorgaat, in en uit. 4 Hij is een weg, recht door de zee, mijn pad in de woestijn. zijn ja is ja, zijn nee is nee, zijn woord zal waarheid zijn. 5 Hij is de wijnstok die mij draagt, geplant in Betlehem, Hij geeft mij meer dan God mij vraagt: mijn vruchten zijn uit Hem! 6 Wees stil en kom wat dichterbij en zeg mij zingend na: begin en einde, dat zijt Gij, alfa en omega! Gezang 85 : 1-4 1 groep A Weet jij waarom Jezus hier op aarde kwam? En waarom Hij jouw zonden toen op zich nam? groep B Omdat Hij de wereld liefhad die zijn Vader schiep, en ons wilde redden uit onze nood zo diep. Allen Dank zij de Heer! 2 groep A Weet jij wat de engel herders heeft verteld? En wat het hemelleger hun heeft gemeld? groep B God woont bij de mensen, je gelooft je oren niet. God heeft al je vragen veranderd in een lied. Allen Dank zij de Heer! 3 groep A Weet jij wat de wijzen zagen in de ster? En waarom zij toen reisden zo lang en ver? Groep B God zond hun een teken van de grote Koningszoon. Hij zal eeuwig heersen en vrede is zijn loon. Allen Dank zij de Heer! 4 Allen Jezus, onze Redder, wij aanbidden U. O, Koning van de wereld, wij prijzen U. Heel de schepping zucht tot U terug op aarde komt. Laat uw hand niet rusten, kom haastig Here, kom! Wij danken U! Gezang 86 : 1-4 1 Wij trekken in een lange stoet op weg naar Betlehem, wij gaan uw koning tegemoet, o stad Jeruzalem! Gezegend die zijn komst begroet en knielen wil voor Hem! refrein: Wij loven U, koning en Heer, koning en Heer, wij loven U, koning en Heer! 2 Al zijt Gij nu nog maar een kind zo kwetsbaar, teer en klein, wij weten dat het rijk begint waarvan Gij Heer zult zijn, een rijk waarin de vrede wint van oorlog en van pijn. refrein: Wij loven U, koning en Heer, koning en Heer, wij loven U, koning en Heer! 3 Al gaat de vijand in het rond, de koning van het kwaad, al dreigt hij met zijn grote mond dat hij U eens verslaat, straks ligt hij dodelijk gewond wanneer zijn rijk vergaat! refrein: Wij loven U, koning en Heer, koning en Heer, wij loven U, koning en Heer! 4 Wij gaan op weg naar Betlehem, daar ligt Hij in een stal die koning in Jeruzalem voor eeuwig wezen zal! Laat klinken dan met luider stem en blij bazuingeschal: refrein: Wij loven U, koning en Heer, koning en Heer, wij loven U, koning en Heer! Gezang 87 : 1-6 1 Waar is een rustpunt in de nacht, waar is de Schepper met zijn kracht? Wie helpt ons door de duisternis als zonneglans verdwenen is? refrein: Een lichtpunt dat volop blijft schijnen; een ster wenkt helder, hoog en ver; kijk, Christus is de Morgenster, zelfs als de maan weer moet verdwijnen. 2 Hij, die als kind ter wereld kwam, de kruisbalk op zijn schouders nam, die zegende als iemand sloeg, de zondelast zo diepgaand droeg. 3 Hij, die gelegd werd in een graf, maar opstond en nieuw leven gaf: er is vergeving van het kwaad voor iemand die zijn naaste haat. 4 Waar is een rustpunt in de nacht, waar is de Schepper met zijn kracht? wie helpt ons in de duisternis als zonneglans verdwenen is? 5 Wie wekt ons met een lieve lach, wie helpt ons elke nieuwe dag; waar halen we de moed vandaan om achter Jezus aan te gaan? 6 Wie is het die een uitweg ziet als ziekte plaagt of diep verdriet, als iemand in een lange nacht steeds wakker blijft; op daglicht wacht? refrein: Een lichtpunt dat volop blijft schijnen; een ster wenkt helder, hoog en ver; kijk, Christus is de Morgenster, zelfs als de maan weer moet verdwijnen. Gezang 88 : 1-3 1 Cantorij: Uw opgang naar Jeruzalem verheugt het hart, verhoogt de stem, versiert de straten met een lach, Dit is een vlag- en wimpeldag, die viert de overwinning. Allen: Hosanna Zoon van David, gezegend die als koning komt in Naam van God met vrede en glorie van de hemel. 2 Cantorij: Uw intocht in de tempelstad voltrekt zich op het smalle pad; uw weg is maar een mantel breed, het is de loper van het leed die voert naar overwinning. Allen: Hosanna Zoon van David, gezegend die als koning komt in Naam van God met vrede en glorie van de hemel. 3 Cantorij: Gij gaat de week van lijden in, het veulen van een ezelin draagt U met vrede door de poort, zachtmoedig vredelievend Woord, weldadig uw genade. Allen: Hosanna Zoon van David, gezegend die als koning komt in Naam van God met vrede en glorie van de hemel. Gezang 89 : 1-4 1 Jezus, leven van mijn leven, Jezus, dood van mijnen dood, die voor mij U hebt gegeven in de bangste zielenood, opdat 'k weten zou in 't sterven, dat ik 't leven mag beërven. Duizend-, duizendmaal, o Heer, zij U daarvoor dank en eer. 2 Gij, o Jezus, hebt gedragen lasteringen, spot en hoon, zijt gebonden en geslagen, Gij, des Vaders eigen Zoon, om van schuld en eeuwig lijden mij, verloorne, te bevrijden. Duizend-, duizendmaal, o Heer, zij U daarvoor dank en eer. 3 Heer, verzoener van mijn zonden, Heiland, die mij hebt gezocht, die mijn banden hebt ontbonden en voor God mij vrijgekocht, eens onrein, in schuld verloren, ben ik door uw Geest herboren. Duizend-, duizendmaal, o Heer, zij U daarvoor dank en eer. 4 Dank, mijn Heiland, voor uw lijden, voor uw bittre bange nood, voor uw heilig, biddend strijden, voor uw trouw tot in de dood. Voor de wonden, U geslagen, voor het kruis, door U gedragen, voor al 't heil aan mij geschied, prijst U eeuwiglijk mijn lied. Gezang 90 : 1-2 1 Ontsluit, o Heer, voor U ons hart, houd ons aan U verbonden. Gij schenkt ons vreugde door uw smart, Gij heelt ons door uw wonden. Wat wondren van barmhartigheid hebt Gij voor ons ten toon gespreid, en aan het kruis bewezen. Uw liefd' en trouw, die 't al volbracht, hier nooit genoeg door ons herdacht, zij eeuwiglijk geprezen. 2 Gij sterft, en laat die troost ons na: de zonden zijn vergeven. Gij hebt voldaan op Golgotha, dit geeft ons kracht ten leven. Uw zoendood lenigt onze smart, verkwikt, vertroost, versterkt ons hart, niets heeft zo grote waarde. Mij sta uw liefde bij in nood, en zij uw trouw tot in de dood mijn vaste troost op aarde. Gezang 91 : 1 In het kruis zal 'k eeuwig roemen en geen wet zal mij verdoemen. Christus droeg de vloek voor mij, Christus is voor mij gestorven, heeft gena voor mij verworven: 'k ben van dood en zonde vrij! Gezang 92 : 1-3 1 Nu triomfeert de Zoon van God. Hij is verrezen, dood ten spot, halleluja, halleluja, met grote kracht en heerlijkheid. Hem zij de dank in eeuwigheid. Halleluja, halleluja. 2 O Jezus Christus, door uw dood redt Gij de zondaar uit zijn nood. Halleluja, halleluja, Leid ons door uw barmhartigheid met vreugde tot uw heerlijkheid. Halleluja, halleluja. 3 God, Vader, op zijn hoge troon, met Christus, zijn geliefde Zoon, halleluja, halleluja, en ook de Geest zijn toegewijd lof, dank en eer in eeuwigheid. Halleluja, halleluja. Gezang 93 : 1-2 1 Christus in het graf geborgen is verrezen in de morgen. Hij passeert de dodenwacht, breekt het zegel van de nacht, breekt de regel van de dood. Looft nu God want Hij is groot. 2 Christus aan het licht gekomen heeft de zijnen meegenomen. Hij verschijnt met groot gezag, draagt de doden naar de dag, draagt ons Gode tegemoet. Loof nu God want Hij is goed. Gezang 94 : 1-6 1 In het vroege morgenlicht komt Gods boodschap tot de zijnen. Englenmond brengt het bericht dat de droefheid doet verdwijnen. Wat beloofd werd, is voldaan! Onze Heer is opgestaan! 2 Uitverkoren kerk van God, wil voor satans macht niet beven. Veilig, zeker blijft uw lot, Christus heeft de dood verdreven. Ook uw morgenstond breekt aan, Sions Vorst is opgestaan! 3 Zie Hij leeft en Hij komt weer ten gerichte op de wolken. Dan buigt alle knie zich neer, alle zondaars, alle volken treden voor de rechter aan. Ja, de Heer is opgestaan! 4 O, die dag van heil en loon, dag van jubel, dag van glorie. Wie ontsliepen in Gods Zoon, zullen opstaan in victorie. 't Eeuwig licht is opgegaan. Onze Heer is opgestaan! 5 O, die dag van wraak en vuur, dag van toorn en strafgerichten! God zal in het laatste uur ieder mensenhart doorlichten. 't Rijk der zonde moet vergaan, want de Heer is opgestaan! 6 Ja, de Heer is opgestaan! Gods bazuinen zullen klinken. d' Eerste dingen zijn vergaan, nieuwe heemlen zullen blinken. Nieuwe tijden vangen aan: God is scheppend opgestaan! Gezang 95 : 1-4 1 Daar juicht een toon, daar klinkt een stem, die galmt door gans Jeruzalem; een heerlijk morgenlicht breekt aan, de Zoon van God is opgestaan. 2 Geen graf hield Davids Zoon omkneld; Hij overwon, die sterke Held! Hij steeg uit 't graf door eigen kracht, want Hij is God, bekleed met macht. 3 Nu jaagt de dood geen angst meer aan, want alles, alles is voldaan! Wie in 't geloof op Jezus ziet, die vreest voor dood en helle niet. 4 Want nu de Heer is opgestaan, nu vangt het nieuwe leven aan: een leven door zijn dood bereid, een leven tot in eeuwigheid. Gezang 96 : 1-9 1 Echt waar, de Heer is opgestaan, halleluja, halleluja, Hij heeft de wereld goed gedaan. Halleluja, halleluja. 2 Hoezeer de mensheid heeft gefaald, halleluja, halleluja, de Heer heeft alle schuld betaald. Halleluja, halleluja. 3 Hij is uit windsels van de dood, halleluja, halleluja, verrezen als het morgenrood. Halleluja, halleluja. 4 De vrouwen zochten in het graf, halleluja, halleluja, een engel wees hun balsem af. Halleluja, halleluja. 5 Die u hier zoekt met veel verdriet, halleluja, halleluja, is opgestaan, Hij is hier niet. Halleluja, halleluja. 6 Zegt Petrus en de broeders aan, halleluja, halleluja, dat zij naar Galilea gaan. Halleluja, halleluja. 7 Wij zijn met Pasen weer verbaasd, halleluja, halleluja, en volgen U met blijde haast, halleluja, halleluja, 8 nu Gij de grafstem van de nacht, halleluja, halleluja, voorgoed tot zwijgen hebt gebracht. Halleluja, halleluja. 9 Gezegend zij de Heer die leeft, halleluja, halleluja, die vrolijk licht en leven geeft. Halleluja, halleluja. Gezang 97 : 1-6 1 Cantorij: In alle vroegte raakt God de aarde aan en zingt de groeve: nu is de dood herroepen, Christus is opgestaan. 2 Cantorij: O Gij bevrijder, legt Gij uw windsels af, de specerijen, de geur van dood en lijden, de zwaarte van het graf? Allen: Verheug u halleluja. De Heer is waarlijk opgestaan, met majesteit en jubel, verrezen, amen, amen. 3 Cantorij: Gij maakt als eerste een graf tot bruidsvertrek, het licht is weerbaar, de dood niet onomkeerbaar: Gods Zoon is opgewekt. 4 Cantorij: Met glans en glorie getooid met morgenlicht de Mens herboren, nu gaan wij niet verloren, God heeft ons opgericht. Gemeente: Verheug u halleluja. De Heer is waarlijk opgestaan, met majesteit en jubel, verrezen, amen, amen. 5 Cantorij: Die valt ter aarde en sterft zoals het graan zal zegen dragen, een oogst van levensdagen: Christus is opgestaan. 6 Cantorij: Wij zullen treden op hoogten ongedacht van licht en vrede, de toekomst raakt het heden tot alles is volbracht. Gemeente: Verheug u halleluja. De Heer is waarlijk opgestaan, met majesteit en jubel, verrezen, amen, amen. Gezang 98 : 1-3 1 Nu graf en steen getuigen, dat Hij is opgestaan, moet elke knie zich buigen en alle harten juichen: het nieuwe Rijk breekt aan. 2 Hoor hoe de vogels zingen boven het open graf, als eens, in den beginne, toen God aan alle dingen leven en adem gaf. 3 Nu is de dood gestorven, de duisternis gezwicht. God houdt zich niet verborgen, Hij brengt op deze morgen het leven aan het licht. Gezang 99 : 1-3 1 U zij de glorie, opgestane Heer! U zij de victorie, nu en immermeer. Uit een blinkend stromen daald' een engel af, heeft de steen genomen van 't verwonnen graf. U zij de glorie, opgestane Heer! U zij de victorie, nu en immermeer. 2 Zie Hem verschijnen, Jezus onze Heer! Hij brengt al de zijnen in zijn armen weer. Weest dan volk des Heren, blijd' en welgezind, en zegt telken kere: 'Christus overwint!' U zij de glorie, opgestane Heer! U zij de victorie, nu en immermeer. 3 Zou ik nog vrezen, nu Hij eeuwig leeft, die mij heeft genezen, die mij vrede geeft? In zijn godd'lijk wezen is mijn glorie groot, niets heb ik te vrezen in leven en in dood. U zij de glorie, opgestane Heer! U zij de victorie, nu en immermeer. Gezang 100 : 1-6 1 De dag der kroning is gekomen. O, al gij vorsten, kust de Zoon. Hij heeft de helburcht ingenomen, de triumfeerder stijgt ten troon. Aard' en hemel galmen. Sion, van uw psalmen davert het heelal. God is opgevaren, met gejuich der scharen, met bazuingeschal. 2 G' ontsloot u voor de Vorst der ere, o poorten der gerechtigheid. G' ontvingt der legerscharen Here in zijne midd'laarsmajesteit. Jezus daalde neder, Jezus keerde weder in zijn heerlijkheid, waar Hij voor de zijnen, tot Hij zal verschijnen, bidt, en plaats bereidt. 3 De glorie straalt uit die behouder, die 't bloedig zweet werd uitgedrukt. De heerschappij rust op die schouder, die onder 't kruishout ging gebukt. Die de heidnen hoonden, en met doornen kroonden, heerst als aller Heer. Die de wereld smaadde, die de vloek belaadde, leeft, gekroond met eer. 4 In u verheugt Zich thans die Koning, o kerk, zijn uitverkoren bruid. Op u, tot eeuwge trouwbetoning, strooit Hij de gaven zeegnend uit! Vier met Hem victorie op de dag der glorie van des mensen Zoon, op de dag der kroning van de Vredekoning, Priester op zijn troon. 5 G' ontvingt die gaven, blijde scharen, thans geen verlaten wezen meer. Gij zaagt uw Heer ten hemel varen. De Heilge Geest daald' op u neer. D' engelen daarboven, met de heilgen loven God, op aard' geweest. En de kerk beneden, ziet zijn plaats betreden door zijn eigen Geest. 6 Laat ons steeds hopen, bidden, waken, en ons versterken in ons Hoofd. Ook heden wil Hij vreugde maken aan al wie deze Geest gelooft. Gij werdt opgenomen, Gij zult wederkomen, onze Hemelvorst. Gij stort uit de hoge stromen op het droge, laving aan wie dorst. Gezang 101 : 1-5 1 De dag van onze Vorst brak aan. Zie, Gods gezalfde Koning gaat tot zijn hemelwoning. Hoe zal Hij in zijn schoonheid staan, omstraald van morgenlicht, voor 's Vaders aangezicht. 2 Hij heeft, van dood en graf ontdaan, het leven weergenomen. Nu is zijn uur gekomen. Gods paradijs zal opengaan en heel de hemel wijd weerkaatst zijn heerlijkheid. 3 De Vader stelt Hem in de troon als Christus en als Here, bekleed met macht en ere. De heerschappij is aan de Zoon, wiens goddelijk geweld de laatste vijand velt. 4 Wie kan zijn hoog en heilig recht ter wereld ooit verbreken! Wie zal Hem tegenspreken, die voor zijn kerk het pleit beslecht en haar na strijd en kruis voert in het vaderhuis. 5 O Heer, die onze Koning zijt, laat niets uw rijk verhindren, en open voor uw kindren de poorten van uw woning wijd. Laat, met uw feestkleed aan, ons tot uw bruiloft gaan. Gezang 102 : 1-5 1 Ja, de Trooster is gekomen, Jezus ging van d' aarde heen. Jezus, van u opgenomen, liet, o kerk, u niet alleen. De Beloofde werd gezonden, en de kracht uit God kwam neer. 't Past ons juichend, keer op keer, zijn verschijning te verkonden. Heden is het Pinksterfeest! Looft en dankt de Heilge Geest! 2 Looft de Geest, die van de Vader en de Zoon is uitgegaan. Zingt Hem psalmen altegader, roept zijn naam uit, bidt Hem aan. Hem, die gaav' en gever tevens, uitzendt en gezonden wordt, God is, en wordt uitgestort. Looft, o volk, de Geest des levens, Hem, die schept en wederschept, die g' in 't hart ontvangen hebt. 3 Looft de Geest, Hij zal niet wijken van de kerk, met bloed gekocht. Zijn nabijheid zal steeds blijken, hoe de vijand woeden mocht. Vreest niet, o gezochte schapen, vreest niet weergevonden ziel, zo de nacht u overviel. Zou de Geest des Heren slapen? Waakt Hij, schoon geen oog Hem ziet, voor de kleine kudde niet? 4 Geest der kennis, Geest der waarheid, der genade, der gebeen, Leer ons wandlen bij uw klaarheid in de heilverborgenheen! Doe ons Abba, Vader, bidden, zeggen: Jezus onze Heer, geven U in alles d' eer. Zweef in der gemeenten midden, om te heilgen d' offerand' van hun hart en mond en hand. 5 Trooster, zalver, Gij zult komen op 't gebed, door U verwekt. Van uw regens, van uw stromen wordt eens d' aarde gans bedekt. Liefd' en ijver zullen blaken, waar reeds alles scheen verkwijnd, als de Pinksterzon verschijnt. Noordenwind, o wil ontwaken, zuidenwind, doorwaai de hof. Heilge Geest, U zij de lof! Gezang 103 : 1-9 1 O, Schepper, Geest, woon in uw kerk, schenk haar het heil van Christus' werk, stort hemelgaven in haar uit, bereid haar toe als reine bruid. 2 Lof zij uw naam, Heilige Geest. Gij kwaamt met kracht op 't pinksterfeest. G' ontsluit een volheid van gena, de vrucht van 't kruis van Golgotha. 3 O Heilge Geest, die eeuwig leeft, de Trooster, die ons bijstand geeft, Gij spreekt van heil en zaligheid van oudsher voor ons toebereid. 4 Uw krachten werken door het woord, nooit wordt vergeefs uw taal gehoord. Uw lamp schijnt in het duister hart, uw licht verblindt wie zich verhardt. 5 Laat U mijn hart een tempel zijn, maak toch mijn leven nieuw en rein. Regeer mij door uw levend woord. Geleid ook al Gods kindren voort. 6 O Geest, die al Gods heil ontvouwt, schenk ons uw gaven zevenvoud, ontspring in ons als een fontein die leven wekt in de woestijn. 7 Wanneer des vijands strijdkreet klinkt, geef dat de moed ons niet ontzinkt. Weersta de satan met uw kracht, want hij belaagt ons dag en nacht. 8 Geest van de Vader en de Zoon, terneergedaald van Christus' troon, die met de Heiland voor ons pleit, breng al Gods volk tot heerlijkheid. 9 U, Vader, U zij eeuwig eer! Lof zij U, Christus, onze Heer! U, Geest, van beiden uitgegaan, geprezen zij uw grote naam! Gezang 104 : 1-8 1 Dit is de dag, dit is het uur dat liefde oplaait als een vuur en mensen aansteekt, hoofd voor hoofd. Dit is de dag, door God beloofd! 2 Dit is de dag dat welgeteld de oogst van Pasen allen geldt. Gods eersteling is opgestaan en raakt ons met zijn zegen aan. 3 Dit is het uur dat wij verstaan: God vuurt ons met zijn Adem aan. Wat Hem beweegt sinds het begin blaast ons bestaan nieuw leven in. 4 Dit is het uur: de dag begint op vleugels van een nieuwe wind. De grenzen hebben afgedaan, nu zullen wij elkaar verstaan. 5 Dit is de dag dat onze mond niet sprakeloos meer is, verstomd, maar weet heeft van het hoogste Woord. Het wordt in ieders taal gehoord. 6 Wat nog ontbreekt, ten dele is, wordt heel: de Geest vult ons gemis. De raadsels zullen open gaan. Ten volle zullen wij verstaan. 7 Een oude droom, een nieuw gezicht: een wereld die wordt opgericht en door een nieuwe wind geschoond tot vrijplaats waar de liefde woont. 8 Dit is de dag dat groot en klein bezield van Geest en leven zijn. De liefde wordt een lopend vuur. Dit is de dag, dit is het uur! Gezang 105 : 1-9 1 In vuur en vlam zet ons de Geest gegeven op het pinkster feest, ten leven op ons uitgestort - hoort hoe Gods kerk geboren wordt! 2 Wie door dit vuur wordt aangeraakt en uit het ongeloof ontwaakt, beleeft - God lof! - een ommekeer, de dag van de verrezen Heer. 3 Wie op het rijk van Christus hoopt ontvangt de Geest en wordt gedoopt - God heeft uw zonden weggedaan, een nieuwe mens is opgestaan! 4 Al slaat men ons met zweep en stok, geboeid, geketend in het blok, wij weten: God houdt trouw de wacht - wij zingen psalmen in de nacht! 5 En is uw vlam haast uitgeblust, gij moedeloze, hier is rust! Alwie in eerbied voor Hem knielt wordt met zijn vuur opnieuw bezield. 6 Wie gaan gebukt door angst en pijn of schuldeloos gevangen zijn, om Christus en het recht bespot, hun offer is bekend bij God. 7 Heeft iemand meer dan nodig is die schenkt wat overbodig is, want liefde maakt ons meer dan rijk, ons wacht zijn land, zijn koninkrijk. 8 De aarde is ons toevertrouwd, God strooit ons uit als zoutend zout, als licht dat in het duister straalt en metterdaad zijn woord vertaalt. 9 Zo waait de wind, zo blaast de Geest, zo laait het vuur van pinksterfeest, wij zijn het lichaam, Hij het hoofd uw naam, Heer Jezus, zij geloofd! Gezang 106 : 1-4 1 God in de hoog' alleen zij eer en dank voor zijn genade, daarom, dat nu en nimmermeer ons deren nood en schade. God toont zijn gunst aan ons geslacht. Hij heeft de vrede weer gebracht; de strijd heeft thans een einde. 2 U, Vader, U aanbidden wij, wij zingen U ter ere. Onwrikbaar staat uw heerschappij, voorgoed zult Gij regeren. Gij hebt onmetelijke macht, uw wil wordt onverwijld volbracht. Die Heer is onze Koning. 3 O, Jezus, die de Christus zijt, des Vaders eengeboren, Gij hebt ons van de toorn bevrijd en redt wie was verloren. Gij, Lam van God, voor ons geslacht, verhoor ons roepen uit de nacht, erbarm U over allen. 4 O Heilge Geest, ons hoogste goed, ten Trooster ons gegeven, heb dank dat Gij ons delen doet in Jezus' dood en leven. Beveilig ons in alle nood, blijf ons nabij in angst en dood, op U steunt ons vertrouwen. Gezang 107 : 1-4 1 Ere zij aan God, de Vader, ere zij aan God, de Zoon, eer de Heilge Geest, de Trooster, de Drie-eenge in zijn troon. Halleluja, halleluja, de Drie-eenge in zijn troon! 2 Ere zij aan Hem, wiens liefde ons van alle smet bevrijdt, eer zij Hem die ons gekroond heeft, koningen in heerlijkheid. Halleluja, halleluja, ere zij het Lam gewijd. 3 Ere zij de Heer der englen, ere zij de Heer der kerk, ere aan de Heer der volken; aard' en hemel looft uw werk! Halleluja, halleluja, looft de Koning, heel zijn kerk! 4 Halleluja, lof, aanbidding brengen englen U ter eer, heerlijkheid en kracht en machten legt uw schepping voor U neer. Halleluja, halleluja, lof zij U, der heren Heer! Gezang 108 : 1 Halleluja, eeuwig dank en ere, lof, aanbidding, wijsheid, kracht word' op aard' en in de hemel, Here, voor uw liefd' U toegebracht. Vader, sla ons steeds in liefde gade, Zoon des Vaders, schenk ons uw genade, uw gemeenschap, Geest van God, amen, zij ons eeuwig lot. Gezang 109 : 1-4 1 Halleluja, lof zij het Lam, die onze zonden op Zich nam, wiens bloed ons heeft geheiligd, die dood geweest is, en Hij leeft, die 't volk, dat Hij ontzondigd heeft, in eeuwigheid beveiligt. 2 De Koning op des Vaders troon, de eerstgeboren uit de doôn, de bloed- en heilgetuige, der vorsten Vorst, der heren Heer, zij heerschappij en dank en eer. Dat alle knie zich buige! 3 Lof zij het Lam, Gods metgezel, uit Davids zaad d' Immanuël, God, in het vlees verschenen. In Hem, die wederkomen zal, in Hem aanbidde 't gans heelal de HERE, de Drieëne! 4 Aanbidt de Vader in het Woord. Aanbidt de Zoon, aan 't kruis doorboord. Aanbidt de Geest uit beiden. Van zijn gemeenschap, zijn gena, zijn liefd' en trouw, halleluja, zal ons geen schepsel scheiden. Gezang 110 : 1-5 1 Alles, alles is gelegen aan genade, aan Gods zegen; welvaart komt bij Hem vandaan. Allen die de Here vrezen zullen onaantastbaar wezen, daar zij in Gods vrijheid staan. 2 Die ons voedt bij duizendtallen, ons geluk ten deel doet vallen, stelt zich ook voor mij garant. Die mijn leven leidt op aarde en mij wonderwel bewaarde reikt al helpend mij zijn hand. 3 Wij vermoeien ons met zaken die ons hart onrustig maken, naar de grillen van de dag. O dat ik toch diep van binnen Gods genegenheid mag winnen, en genoegen vinden mag. 4 Hoop geeft vleugels aan de mensen; Heer, voorzie in onze wensen als het U, o God, behaagt. Dan gaan ziel en lichaam leven, uit de diepten opgeheven, daar ons uw genade draagt. 5 Dagen aan het licht gekomen gaan voorbij als waterstromen, jaar na jaar en eeuw na eeuw. Eens zal dan die dag ontwaken, dat zich alles zal volmaken: God maakt alle dingen nieuw. Gezang 111 : 1-2 1 Jezus leeft in eeuwigheid. Zijn sjaloom wordt werkelijkheid. Alle dingen maakt Hij nieuw. Hij is de Heer van mijn leven. Straks, als er een nieuwe dag begint, en het licht het van het duister wint, mag ik bij Hem binnengaan, voor zijn troon gaan staan, hef ik daar mijn loflied aan: Jezus leeft in eeuwigheid. Zijn sjaloom wordt werkelijkheid. Alle dingen maakt Hij nieuw. Hij is de Heer van mijn leven. 2 Straks, wanneer de grote dag begint, en het licht voor altijd overwint, zal de hemel opengaan, komt de Heer er aan, heffen wij dit loflied aan: Jezus komt in heerlijkheid. Zijn sjaloom wordt wereldwijd. Alle dingen maakt Hij nieuw. Hij is de Heer van ons leven. Gezang 112 : 1-6 1 O God, die ons uit stof formeerde, uw adem gaf aan ons bestaan en ons de jaren tellen leerde: wat stof is, zal tot stof vergaan. Refrein: Heer, als ons laatste uur zal komen, de grens van tijd naar eeuwigheid, roep ons tot U die leven zijt. 2 Gij die ons kende voor wij waren Gij die ons riep bij onze naam, doe uw nabijheid ons ervaren in dit vergankelijk bestaan. Refrein: Heer, als ons laatste uur zal komen, de grens van tijd naar eeuwigheid, roep ons tot U die leven zijt. 3 De jaren gaan, de jaren komen. O cirkelgang van het bestaan waarin de mens is opgenomen: Wat stof is zal tot stof vergaan. Refrein: Heer, als ons laatste uur zal komen, de grens van tijd naar eeuwigheid, roep ons tot U die leven zijt. 4 Gij die het dodenrijk deed beven en voor ons opstond uit het graf, uw adem is ons nieuwe leven. Het rouwgewaad neemt Gij ons af. Refrein: Heer, als ons laatste uur zal komen, de grens van tijd naar eeuwigheid, roep ons tot U die leven zijt. 5 Gij Heerser over dood en leven, wat stof is zal tot stof vergaan. Het wacht uw dag - het zal herleven. Gij zoekt wat is voorbijgegaan. Refrein: Heer, als ons laatste uur zal komen, de grens van tijd naar eeuwigheid, roep ons tot U die leven zijt. 6 Gij die ons kende voor wij waren, Gij die ons riep bij onze naam, wanneer geteld zijn onze jaren: noem ons bij onze nieuwe naam. Refrein: Heer, als ons laatste uur zal komen, de grens van tijd naar eeuwigheid, roep ons tot U die leven zijt. Gezang 113 : 1-4 1 Alle mensen moeten sterven, alle vlees vergaat als gras. Wie vernieuwing wil beërven, moet vergaan tot stof en as. Maar dit lichaam zal genezen van de dood om nieuw te wezen; in Gods heerlijkheid geheeld, die Hij met de zijnen deelt. 2 Daarom willen wij ons leven als de Heer dat van ons vraagt, helemaal uit handen geven, nu Hij ons op handen draagt. Ja, wij geven ons verloren, uit verlies wordt winst geboren want het loon in deze nood is de troost van Christus' dood. 3 O Jeruzalem, hoe blinkend als het zonlicht is uw glans; waar lofzangen zuiver klinken horen wij muziek en dans. Visioenen breken open van rechtvaardigen, zij lopen in het witte hemelkleed, tot de lof van God gereed. 4 In gezichten en in dromen, aan de horizon der tijd, is Gods dag nabijgekomen, daagt een lichte eeuwigheid. Helder staat het ons voor ogen dat de aarde wordt bewogen, dat de hemel vreugde geeft, vreugde die geen einde heeft. Gezang 114 : 1-7 1 Jezus is mijn toeverlaat. Hij, mijn Heiland, is het leven. Ik zal aan Gods wijze raad mij blijmoedig overgeven. Jaagt de dood nog angsten aan, Hij, mijn Heiland, heeft voldaan. 2 Groot is 't heil dat Jezus geeft. 'k Zal, als Hij, onsterflijk wezen, zijn, waar Hij, mijn Heiland, leeft. Waarom zou ik dan nog vrezen? 't Heerlijk Hoofd is opgewekt, dat zijn leden tot zich trekt. 3 'k Weet mij door de nauwste band in die hoop aan Hem verbonden. Mijn geloof houdt steeds zijn hand vast tot in de laatste stonden. En geen macht van dood en graf rukt mij ooit van Jezus af! 4 Als een mens die sterflijk is, zal 'k tot stof eens wederkeren. Maar door zijn verrijzenis sta ik op naar 't woord des Heren. In het rijk der heerlijkheid blijft een woning mij bereid. 5 In het stralend, hemels licht zullen wij de Heer ontmoeten. Aangezicht tot aangezicht mogen wij Hem blij begroeten. Wij, van alle smet ontdaan, zullen rein voor Jezus staan. 6 Wat hier ziek is, zucht of kwijnt, zal daar fris en bloeiend wezen. Wat als aards in 't graf verdwijnt is daar hemels weer herrezen. Zinkt het sterflijk lichaam neer, levend schenkt de Geest het weer. 7 Kerk van God, wees zeer verheugd, leg op Christus' trouw u neder. Juich van harte, vol van vreugd: eenmaal komt Hij tot u weder, die met luid bazuingeschal 't dodenrijk ontsluiten zal. Gezang 115 : 1-2 1 Nooit kan 't geloof te veel verwachten, des Heilands woorden zijn gewis. 't Faalt aardse vrienden vaak aan krachten, maar nooit een vriend als Jezus is. Wat zou ooit zijne macht beperken? 't Heelal staat onder zijn gebied. Wat zijne liefde wil bewerken, ontzegt Hem zijn vermogen niet. 2 Die hoop moet al ons leed verzachten. Komt, reisgenoten, 't hoofd omhoog! Voor hen die 't heil des Heren wachten, zijn bergen vlak en zeeën droog. O zaligheid, niet af te meten, o vreugd, die alle smart verbant! Daar is de vreemdlingschap vergeten en wij, wij zijn in 't vaderland! Gezang 116 : 1-7 1 O koning, hoor uw onderdaan: U die de aarde deed ontstaan, U die uw volk de eeuwen door de weg wijst als een lichtend spoor, laat schitteren met glans en kracht uw koningschap in volle pracht. 2 Laat schitteren met glans en kracht uw koningschap in volle pracht; geef dat wij eren weg en wet door U bevolen, uitgezet; regeer door Woord en Geest uw kerk, verbreek de macht van satans werk. 3 Regeer door Woord en Geest uw kerk, verbreek de macht van satans werk. Leer ons te spreken met een mond die roemt het hart van uw verbond: uw stem, die licht en liefde is, blijft klinken in de duisternis. 4 Uw stem, die licht en liefde is, blijft klinken in de duisternis; de zonde is een zwarte nacht, een tegenkracht, een helse macht; hoor: Christus, die geleden heeft, brengt eeuwig zon, de dode leeft. 5 Hoor: Christus, die geleden heeft, brengt eeuwig zon, de dode leeft. Groot is uw toorn en zwaar de straf: maak ons toch rein, was zonden af. Red hen die pleiten op het recht: vergeving is ons toegezegd. 6 Red hen die pleiten op het recht: vergeving is ons toegezegd. Genadig God: vergeef! Verhoor het bidden van ons zingend koor: volmaak uw heerschappij en toon de luister van uw hemeltroon. 7 Volmaak uw heerschappij en toon de luister van uw hemeltroon. Gezang 117 : 1-3 1 Woord van de schepping, kom terug op aarde, Kyrie eleison. Voltooi de zin die God ons openbaarde, Kyrie eleison. Woord van de schepping, geef uw wereld nieuwe glans Kyrie eleison. 2 Koning der kerk, verlos uw onderdanen, Christe eleison. Red ons van zonde, red ons uit gevaren, Christe eleison. Koning der kerk, verjaag de satan, breek zijn macht. Christe eleison. 3 Heer van de wereld, vestig hier uw luister, Kyrie eleison. Wees onze zon, verdrijf het oude duister, Kyrie eleison. Heer van de wereld, doe ons wonen in uw licht. Kyrie eleison. Gezang 118 : 1-3 1 God is getrouw, zijn plannen falen niet. Hij kiest de zijnen uit, Hij roept die allen. Die 't heden kent, de toekomst overziet, laat van zijn woorden geen ter aarde vallen, en 't werk der eeuwen, dat zijn Geest omspant, volvoert zijn hand. 2 De Heer regeert, zijn koninkrijk staat vast, zijn heerschappij omvat de loop der tijden. Zijn sterke hand, die nooit heeft misgetast, blijft met het heilig zwaard des Geestes strijden. De adem van zijn lippen overmant de tegenstand. 3 De Heilge Geest, die in de waarheid leidt, doet aan zijn kerk Gods heilgeheimen weten. Die nimmer van haar wijkt in eeuwigheid, heeft zijn bestek met wijsheid uitgemeten. Zo bouwt Hij Christus' kerk van land tot land met vaste hand. Gezang 119 : 1-5 1 De kerk van alle tijden kent slechts één vaste grond: 't is Christus, die door lijden zijn volk aan zich verbond. Om haar als bruid te werven, kwam Hij ten hemel af. 't Was Hij die door zijn sterven aan haar het leven gaf. 2 Uit ieder volk verkoren, toch in haar Heiland één, is zij door Hem herboren, blijft dit haar kracht alleen: één Geest, één vast vertrouwen, één doop, één heilge dis, één Heer, op wie te bouwen haar troost en rijkdom is. 3 God houdt zijn kerk in leven, hoe ook bespot, verdrukt, door dwalingen omgeven, verscheurd, uiteengerukt. Al roepen van de tinnen de wachters nog: Hoe lang? Straks gaat de dag beginnen en 't klagen wordt gezang. 4 In rampspoed, moeit' en zorgen, in 't heetste van de strijd, wacht zij de grote morgen, de vrede voor altijd. Tot eens haar hunkrend' ogen aanschouwen, blij ontroerd, hoe God haar komt verhogen en tot victorie voert. 5 Nog weet zij zich verbonden in haar drieëenge Heer met wie zijn trouw bevonden, de strijders van weleer. Een wolk van Godsgetuigen omringt ons in de strijd, tot wij met hen ons buigen, gekroond met heerlijkheid. Gezang 120 : 1-3 1 Dat uw ogen nacht en dag rond dit huis geopend zijn en uw woord zich met gezag laat verstaan voor groot en klein. Gun het licht aan uw gemeente in het duister van de tijd, opdat edel dit gesteente stralen mag in eeuwigheid. 2 Dat uw handen wereldwijd zijn gevouwen om uw volk. Gij die nadert in de tijd overdek ons met uw wolk. Onherbergzaam is het leven sinds de mens vertrouwen brak, maar Gij wilt bescherming geven, in uw naam een onderdak. 3 Dat uw adem leven wekt zodat mensen niet vergaan, maar het wonder zich voltrekt, stenen levend zijn voortaan. Wij zijn been van uw gebeente, Gij geeft vorm en Gij versiert. Bouw uw hofstad, uw gemeente - tot uw bruid haar hoogtij viert. Gezang 121 : 1-9 1 God, die was en is en komt, leg een lied in onze mond, dat de hele wereld hoort, want nabij ons is uw woord. Ontferm U, Heer. 2 Licht uit Licht, U roepen wij, wees voor ons 'God van nabij'. Kom, verdrijf de duisternis, waarin licht noch leven is. Ontferm U, Heer. 3 Heer, uw hele schepping lijdt, zucht in diepe donkerheid. Zie dit vruchteloos bestaan toch in uw ontferming aan. Ontferm U, Heer. 4 Al wie aan U toebehoort, wacht op uw verlossend woord. Kom, o kom, God van nabij, sta uw kinderen terzij. Verlos ons, Heer. 5 Gij, die licht zendt en ons hoort, spreekt: ‘Nabij u is het woord in uw hart en in uw mond. Ga daarmee de wereld rond.' Verlos ons, Heer. 6 Hij, de Heer gaat voor ons uit, als een vuur dat niemand stuit. Zing het lied dat Hij ons leert en het kwade wordt verteerd. Verlos ons, Heer. 7 Wie uit God geboren is, wie Hij riep uit duisternis, doet zoals de Heer gebiedt; hoor, het Woord is hem een lied. Wees met ons, Heer. 8 Door de wereld gaat Gods Woord, klinkt tot aan het einde voort. Maak het wijd en zijd bekend: 't Woord volbrengt waartoe Hij 't zendt. Wees met ons, Heer. 9 't Woord, gesproken in de tijd, geldig voor de eeuwigheid, gaat bij ons van mond tot mond, totdat Christus wederkomt. Wees met ons, Heer. Gezang 122 : 1-4 1 Kom uit de hemel tot ons neer en maak ons sterk in U, o Heer, die al uw vijanden ten spijt zult overwinnen, wereldwijd. 2 Zie allen die hier voor U staan, dat zij hun weg met vreugde gaan - de hemel laat geen mens alleen, de engelen zijn om ons heen! 3 Dat zij uw volk, de honger moe, op handen dragen, naar U toe, om na verzoeking en woestijn met overvloed gevoed te zijn. 4 Kom Vader, Zoon en Heilge Geest, maak heel de wereld één groot feest, en schenk ons vreugde in dit uur, o bron, o brood, o vreugdevuur! Gezang 123 : 1-5 1 'k Geloof in God de Vader, die uit niets geschapen heeft zijn hemelwoning, almachtig in het leven riep de aarde met de mens als koning. God, die met kracht in eeuwigheid regeert door zijn voorzienigheid, zal aan zijn vaderhand mij leiden met trouw in voor- en tegenspoed, om Christus' wil mij veilig weiden, zoals een goede herder doet. 2 'k Geloof in God de Zoon, zijn enig kind, in Jezus, redder van de zonden, zodat geen kwaad de machtsstrijd wint. Bevrijder is Hij door zijn wonden, de Christus, onze sterke Heer, die ik als Priester-Koning eer, Profeet en allerhoogste Leraar. Ontvangen van de Heilge Geest, geboren uit de maagd Maria, is Hij als mens bij ons geweest. 3 Gods oordeel heeft Hij moeten ondergaan als onze Middelaar, de Christus; Hij heeft als offerlam gestaan voor rechter Pontius Pilatus. Hij leed aan 't kruis, door God vervloekt, schonk leven door zijn kostbaar bloed. Hij stierf voor ons en werd begraven; met helse smart heeft Hij betaald. Nu zal ik zonden steeds meer haten, zie hoe het eeuwig leven straalt. 4 De derde dag stond Hij, de Vorst, weer op: de sterke dood was overwonnen. Daarna voer Hij ten hemel op; Hij pleit voor vrijspraak van de zonden. Gezeten aan Gods rechterhand zendt Hij zijn Geest als tegenpand; als Koning geeft Hij zijn geboden, totdat Hij nog eens komen zal en oordeelt levenden en doden na glorieus bazuingeschal. 5 'k Geloof in God, de Heilge Geest, die troost en hoop aan Christus' kerk wil geven. 'k Geloof een kerk, die wereldwijd verbonden is in leer en leven; als bruid van Christus, die haar leidt, is zij getooid met heiligheid. 'k Belijd vergeving van de zonden. Ik weet: mijn vlees wordt opgewekt en zal dan, met mijn ziel verbonden, weer leven, eeuwig, onbevlekt. Gezang 124 : 1-5 1 Jouw leven staat aan het begin, het heeft nog geen herinnering, het is zo weerloos en zo klein, je weet nog niet hoe het zal zijn. Refrein O Heer, bevestig ons bestaan, noem ons bij onze naam. 2 Jij weet nog niet wat leven is, wat liefde is en wat gemis. Jij weet nog niet van nee en ja van ondergang en gloria. Refrein O Heer, bevestig ons bestaan, noem ons bij onze naam. 3 Je huilt nog van verwondering, maar jij hoort hier, in onze kring. Het water wacht, die diepe zee geeft jou een taal, een teken mee. Refrein O Heer, bevestig ons bestaan, noem ons bij onze naam. 4 Dat teken is een heilgeheim: God wil met jou verbonden zijn. Hij is nabij waar jij ook bent, omdat Hij je bij name kent. Refrein O Heer, bevestig ons bestaan, noem ons bij onze naam. 5 Zo komt jouw leven aan het licht, zo krijgt het zin, zo krijgt het zicht. Gods adem heeft je aangeraakt en jou tot bondgenoot gemaakt. Refrein O Heer, bevestig ons bestaan, noem ons bij onze naam. Gezang 125 : 1-6 1 Alles in allen zult Gij voor ons zijn. Een voorsmaak mogen wij van U ontvangen. Allen die naar U uitzien met verlangen, zult Gij verzadigen met brood en wijn. 2 Niemand is waard uw gast te mogen zijn. Niemand van ons wordt rein door U bevonden. Uw tien geboden hebben wij geschonden. Daal tot ons neer, maak door uw Geest ons rein. 3 Gij, enig hemels brood dat tot ons kwam, leer ons gedenken hoe Gij werd gebroken, hoe Gij vervulde wat Gij had gesproken, hoe Gij voor ons de zonde op U nam. 4 Geef ons uw Geest want ons geloof is klein. Geef ons door brood en wijn weer nieuwe krachten. Ons hart omhoog! – vanwaar wij U verwachten: alles in allen wilt Gij voor ons zijn. 5 Allen die eten van het ene brood, allen die drinken uit dezelfde beker, allen die U geloven, weten zeker: allen in Christus! Alles door zijn dood! 6 Allen die Gij vernieuwt bij brood en wijn, allen die door de Geest zich laten leiden, zij allen zullen zich in U verblijden: alles in allen zult Gij voor ons zijn. Gezang 126 : 1-5 1 Kom, wenkt de Bruidegom, kom, zondaar, kom. De tafel staat voor allen klaar, we vieren samen avondmaal. Let op het stromen van de wijn, het brood, gebroken op de schaal: ze mogen taal en teken zijn. 2 Weg, zwijgen moest het Woord, weg, door de poort. Gesloten werd de tempelstad voor Hem, die kwam van Vaders troon. Die sterk was als Hij knielend bad en als de ware Mensenzoon een open oog voor blinden had. 3 Kruis, vloekpaal voor mijn straf, kruis: dood en graf. Na drie uur zware duisternis klinkt koninklijk: Het is volbracht! Hier lacht de vrede, wint het licht, de dag verdrijft de bange nacht, de hel blijft voor een christen dicht. 4 Heer, red uw onderdaan, Heer, neem mij aan. U opent poorten wereldwijd voor burgers van uw koninkrijk, maar alles met uw naam in strijd zult U verbannen uit uw rijk: aanbiddelijke Majesteit! 5 Leef, leer een nieuw gezang, leef, eeuwig lang. Gedragen wordt elk dankbaar kind op vleugels van de adelaar. Er is een macht die overwint, Jeruzalem wordt openbaar, waar lof en lied ons samenbindt. Gezang 127 : 1-5 1 Heer, wij gedenken hier uw dood in het geheim van wijn en brood, uw liefde eens voor altijd. Gij die een nieuwe weg betrad, met tollenaars en zondaars at, roep ons ook aan de maaltijd. 2 Gij deelt het brood dat breken moet. Uw lichaam brak, Gij hebt uw bloed om onze schuld vergoten. Gij hebt voor mensen ver van huis wijd open armen aan het kruis, het leven zelf ontsloten. 3 Lof aan het Licht dat overwon, hef nu als bloemen naar de zon het hart omhoog naar Jezus. Maaltijd na maaltijd richt Hij aan, waarlijk, de Heer is opgestaan, in majesteit verrezen. 4 Wij dan, die leven van uw dood herkennen bij gebroken brood U, Heer van alle machten. Vergeef de traagheid die verwart, laat ons voortaan met brandend hart het bruiloftsmaal verwachten. 5 Ga met ons mee, Heer, onderweg; waar Gij de Schriften openlegt gaan onze ogen open. Laat ons met liefde en met pijn - bittere kelk en vreugdewijn - de weg ten einde lopen. Gezang 128 : 1-6 1 Cantorij: Als het lam wordt gegeten, het laatste pascha gevierd, moeten allen het weten: het Lam van God is hier. 2 Cantorij: Jezus deelt bij de maaltijd een beker wijn en een brood. Die voor eens en voor altijd zich offert in de dood. Gemeente: Wees mijn brood en mijn beker, Mijn ogen dorsten naar U, Die de dood wilde breken. Het leven schenkt Gij nu. 3 Cantorij: Zoals brood wordt gebroken zo breekt uw lichaam, o Heer, zoals wijn wordt vergoten zo vloeit uw bloed terneer. 4 Cantorij: Laat mij U niet verkopen, zoals uw leerling en vriend, met zijn hand aan de schotel, wiens hart de vijand dient. Gemeente: Wees mijn brood en mijn beker, Mijn ogen dorsten naar U, Die de dood wilde breken. Het leven schenkt Gij nu. 5 Cantorij: Drink de wijn van bevrijding en eet het levende brood. Vier de vrolijke tijding, de zegen van zijn dood. 6 Cantorij: Zonde is ons vergeven, de dood voor eeuwig voorbij. Delen wij in uw leven, o Heer, dan leven wij. Gemeente: Wees mijn brood en mijn beker, Mijn ogen dorsten naar U, Die de dood wilde breken. Het leven schenkt Gij nu. Gezang 129 : 1-2 1 Lof zij de Heer, Hij noemt bij name deze twee mensen, man en vrouw: heden brengt Hij hun handen samen, hier geven zij hun woord van trouw. Wijs hen de weg. Heer Jezus, leg uw handen op hun hoofd: de trouw die Gij belooft. 2 Hoe blijven zij elkaars beminden, hoe blijft er liefde die niet eist, hoe blijft geluk altijd te vinden als Gij niet zelf de weg ons wijst? Ga met hen mee in wel en wee, omring hen, man en vrouw, met liefdevolle trouw! Gezang 130 : 1-6 1 Toen God de wereld gemaakt had, de hemel, de zee en het land, de vogels, de vissen en dieren, toen schiep Hij de mens met zijn hand. refrein: Zing nu op aarde een nieuw lied, Zing, mensen, want God heeft ons lief; Zijn toekomst heeft geen grens of tijd, Zijn liefde duurt in eeuwigheid. 2 Hij kneedde het leem met Zijn handen, Hij boetseerde een vorm naar Zijn wens, Hij schonk het Zijn geest en Zijn adem; Zo bracht Hij op aarde de mens. refrein: Zing nu op aarde een nieuw lied, Zing, mensen, want God heeft ons lief; Zijn toekomst heeft geen grens of tijd, Zijn liefde duurt in eeuwigheid. 3 Toen liet God een slaap op hem vallen, want wat is een mens die niet deelt? En God nam een rib en Hij bouwde uit Adam een vrouw naar Gods beeld refrein: Zing nu op aarde een nieuw lied, Zing, mensen, want God heeft ons lief; Zijn toekomst heeft geen grens of tijd, Zijn liefde duurt in eeuwigheid. 4 Ja jij bent geschapen als ik aan jou zie ik wat mij ontbreekt; voor jou heb ik zin om te leven met jou is de wereld compleet. refrein: Zing nu op aarde een nieuw lied, Zing, mensen, want God heeft ons lief; Zijn toekomst heeft geen grens of tijd, Zijn liefde duurt in eeuwigheid. 5 Het huwelijk noemt God een spiegel van Christus die leeft voor Zijn bruid; zo innig zijn mensen verbonden, die liefde dooft niemand meer uit. refrein: Zing nu op aarde een nieuw lied, Zing, mensen, want God heeft ons lief; Zijn toekomst heeft geen grens of tijd, Zijn liefde duurt in eeuwigheid. 6 Want sterk als God zelf is Gods trouw, geen vuurgloed die haar ooit verdelgt, geen hoogte, geen diepte, geen machten, geen watervloed die haar verzwelgt. refrein: Zing nu op aarde een nieuw lied, Zing, mensen, want God heeft ons lief; Zijn toekomst heeft geen grens of tijd, Zijn liefde duurt in eeuwigheid. Gezang 131 : 1-9 1 Barmhartig Vader op uw troon, wij bidden tot U door uw Zoon, wij knielen voor uw aangezicht dat straalt in heerlijkheid en licht. 2 Terwijl wij sliepen deze nacht betrokken engelen de wacht; nu meldt de zon een nieuwe dag, waarop elk mens U dienen mag. 3 Schenk door uw Geest, die sterke macht, de krachten voor het werk dat wacht; geef dat wij vurig keer op keer bedacht zijn op uw grote eer. 4 Leer ons uw weg te willen gaan, de fakkel van uw Woord vooraan; laat stralen voor uw aangezicht ons nieuwe leven door het Licht. 5 Vernieuw ons zwak en zondig hart, voor U zo schuldig en zo zwart; laat schijnen in de duisternis uw Woord, het licht dat helder is. 6 Sterk zendelingen bij hun werk en leid de herders van de kerk; laat ons vrijmoedig met uw Woord getuigen zijn van U die hoort. 7 Wij bidden voor de overheid: maak haar bekwaam, tot dienst bereid, opdat uw volk stil en gerust U dienen kan met eer en lust. 8 Steun de vervolgden in elk land en zegen zieken door uw hand, troost de bedroefden door uw kracht, toon stervenden uw koningsmacht. 9 Geef dat ons nieuwe leven is een lichtpunt in de duisternis. Genadig God, hoor ons gebed in Jezus Christus, die ons redt. Gezang 132 : 1-6 1 Dank U voor deze nieuwe morgen, dank U voor deze nieuwe dag, dank U, dat ik met al mijn zorgen bij U komen mag. 2 Dank U voor alle goede vrienden, dank U, o God, voor al wat leeft. Dank U voor wat ik niet verdiende: dat U mij vergeeft. 3 Dank U voor alle bloemengeuren, dank U voor ieder klein geluk. Dank U voor alle held're kleuren, dank U voor muziek. 4 Dank U voor hen die mij omringen, dank U voor wat mij toebehoort, dank U voor alle kleine dingen, ieder vriend'lijk woord. 5 Dank U, dat U hebt willen spreken, dank U, U hoort een ieders taal. Dank U, dat U uw woord wilt geven aan ons allemaal. 6 Dank U, uw liefde kent geen grenzen, dank U, dat ik dit zeggen kan. Dank U, o God, ik wil U danken, dat ik danken kan. Gezang 133 : 1-5 1 De dag gaat open voor het Woord des Heren, zon die wij zoeken, kracht die wij ontberen, bron die wij horen als wij tot Hem keren, vroeg in de morgen. 2 Voor wij bestonden, riep Hij ons bij name, voor wij ontwaakten en ter wereld kwamen, zag Hij ons aan en bracht Hij ons tezamen, God onze Vader. 3 Door U geschapen om uit U te leven; hartslag en adem hebt Gij ons gegeven, land waar wij woonden, licht waarnaar wij streven, oorsprong en toekomst. 4 Wilt Gij vandaag en tot het eind der dagen ons doen en laten zuiveren en dragen, dan stijgt de vreugde van uw welbehagen in onze wereld. 5 Aan U ons loflied: glorie aan de Vader, dank aan de Zoon die ons bestaan aanvaardde, zijn Geest geleide ons en onze aarde naar de voltooiing. Gezang 134 : 1-6 1 O grote Christus, eeuwig licht, niets is bedekt voor uw gezicht, die ons bestraalt waar wij ook gaan, al schijnt geen zon, al licht geen maan. 2 Toon ons uw goedheid en uw macht door uw bescherming deze nacht. Behoed ons tegen ramp en leed en blijf tot onze hulp gereed. 3 Houd ons gemoed voor U bereid, opdat het blij uw komst verbeidt, daar 't in een stil vertrouwen leeft, dat Gij ons onze schuld vergeeft. 4 Bescherm ons in de bange tijd van zielsverzoeking en van strijd. Laat nooit de boze vijand toe, dat hij ons enig hinder doe. 5 Behoed het ganse christendom, geef het in kruis uw vreugd weerom. Vertroost het neergebogen hart en heel in gunst der kranken smart. 6 O Vader, dat uw liefd' ons blijk', o Zoon, maak ons uw beeld gelijk, o Geest, zend uwen troost ons neer. Drie-enig God, U zij al d' eer. Gezang 135 : 1-2 1 Stilte over alle landen in deze nacht. Vouwen wij tezaam de handen voor deze nacht. Welke zonden wij bedreven, wil ze, Here, ons vergeven. God wil goede rust ons geven in deze nacht. 2 Stilte over alle landen in deze nacht. Vouwen wij tezaam de handen voor deze nacht. God zal voor ons allen zorgen tot het dagen van de morgen. Veilig en bij Hem geborgen zijn wij vannacht. Gezang 136 : 1-4 1 Wees bij ons, wees ons een geleide bij het verdwijnen van de dag. Wij wachten U, begin en einde, in wie ons leven rusten mag. 2 Als boze dromen ons belagen, wij eenzaam vechten met onszelf, laat niet de nacht dan angst aanjagen, niet een verleden dat ons knelt. 3 U kennen wij als een bevrijder, Gij hoort het mensenkind dat schreit. Ook als de nacht valt, blijf ons leiden, troost ons met uw barmhartigheid. 4 Geef ons elkaar tot licht en liefde, waarmee het donker wordt weerstaan. En zingend gaan wij door het duister tezamen op uw morgen aan. Gezang 137 : 1-2 1 'k Wil U, o God, mijn dank betalen, U prijzen in mijn avondlied. Het zonlicht moge nederdalen, maar Gij, mijn licht, begeeft mij niet. Gij woudt mij met uw gunst omringen, meer dan een vader zorgdet Gij. Gij, milde bron van zegeningen, zulk een ontfermer waart Gij mij. 2 Ik weet, aan wie ik mij vertrouwe, al wisselen ook dag en nacht. Ik ken de rots waarop ik bouwe: Hij feilt niet, die uw heil verwacht. Ook aan de avond van mijn leven breng ik, van zorg en strijden moe, voor elke dag, mij hier gegeven, U nog een dankbaar loflied toe. Gezang 138 : 1-5 1 Heer, laat het licht zijn om ons heen, o laat ons leven in het licht, verspreid dan in dit huis van steen de glans van uw gezicht. 2 Want bij de aanvang van het jaar staan wij beschroomd, met drempelvrees, als Gij niet met ons meegaat, waar de nieuwe dag verrees. 3 De wijsheid heeft haar huis gebouwd, op zeven zuilen vastgezet. God breekt het licht in zevenvoud van rood naar violet. 4 Laat zo uw wijsheid zijn verdeeld, een vlam, een kracht, een steunpilaar, o God die ons het licht toespeelt, veelkleurig, zonneklaar. 5 Dat wij bij uw geopend Woord de weg vertrouwend verder gaan, het Licht der wereld, Christus, spoort ons tot de waarheid aan. Gezang 139 : 1-6 1 Wij loven U, o God, wij prijzen uwen naam. U, eeuwig Vader, U verheft al 't schepsel saam. Zingt serafs, englen, zingt, heft aan, gij machten, tronen, onafgebroken rijz' uw lied op hoge tonen. Gij, driemaal heilig zijt G', o God der legerscharen, dat aard' en hemel steeds uw grootheid openbaren. 2 U looft d' apostelschaar in heerlijkheid, o Heer. Profeten, martelaars vermelden daar uw eer. Door heel uw kerk wordt steeds, daarboven, hier beneden, in strijd en zegepraal, uw grote naam beleden. Zij looft, o Vader, U, oneindig in vermogen, onpeilbaar in verstand, onmeetbaar in meedogen. 3 U, Vader, U zij lof, op een verhoogde toon. Lof uwen eigenen, uw eengeboren Zoon. Lof uwen Geest, die ons ten Trooster is gegeven, ten Leidsman op de weg naar 't eeuwig zalig leven. U looft uw kerk alom, waar Gij die ook vergaarde, U loov', wat loven kan, in hemel en op aarde. 4 U, Christus, onze Heer, bekleed met majesteit, U, 's Vaders eenge Zoon, zij lof in eeuwigheid. Het mensdom lag in schuld en vloek voor God verloren. Gij werdt de mens tot heil uit ene maagd geboren. Gij hebt aan 't kruis voor ons de dood zijn macht ontnomen, zo baandet G' ons de weg, om weer tot God te komen. 5 Gij zit in heerlijkheid aan 's Vaders rechterhand, totdat G' als rechter eens de laatste vierschaar spant. Laat ons in gene nood uw bijstand ooit ontberen. Gij kocht ons met uw bloed; blijf, Heiland, ons regeren, blijf ons, uw erfenis, door uwe macht bewaren, wil met uw heilgen ons voor uwen troon vergaren. 6 Wij zegenen, o Heer, uw goedheid al de dag. Geef, dat eeuw in eeuw uit, ons lied U loven mag. Geef, dat wij bij uw komst onstraff'lijk wezen mogen. Ontferm, ontferm U, Heer, toon ons uw mededogen. Op U steunt onze hoop, o God van ons vertrouwen. Zij worden nooit beschaamd, die op uw goedheid bouwen. Gezang 140 : 1-3 1 Alle roem is uitgesloten. Onverdiende zaligheên heb ik van mijn God genoten, 'k roem in vrije gunst alleen. Ja, eer ik nog was geboren, eer Gods hand die alles schiep, iets uit niet tot aanzijn riep, heeft zijn liefde mij verkoren: God is liefd', o englenstem, mensentong, verheerlijkt Hem! 2 Alzo lief had God de wereld, dat Hij zijnen eigen Zoon voor die afgevallen wereld overgaf aan smaad en hoon. Ja, toen wij nog zondaars waren, schonk d' ontfermer ons gena, stierf zijn Zoon op Golgotha, stierf voor ons, die zondaars waren: God is liefd', o englenstem, mensentong, verheerlijkt Hem! 3 Dat heet grondelooz' ontferming, dat genade, rijk en vrij! God schenkt redding en bescherming, schenkt z' aan zondaars, schenkt z' aan mij. Ja, wanneer mijn onvermogen en mijn diep bederf mij smart, toont mij 't godd'lijk vaderhart zijn verlossend mededogen: God is liefd', o englenstem, mensentong, verheerlijkt Hem! Gezang 141 : 1-3 1 Dankt, dankt nu allen God met hart en mond en handen, die grote dingen doet hier en in alle landen, die ons van kindsbeen aan, ja, van de moederschoot, zijn vaderlijke hand en trouwe liefde bood. 2 Die eeuwig rijke God moog' ons reeds in dit leven een vrij en vrolijk hart en milde vrede geven. Die uit genade ons behoudt te allen tijd, is hier en overal een helper die bevrijdt. 3 Lof, eer en prijs zij God, die troont in 't licht daarboven. Hem, Vader, Zoon en Geest moet heel de schepping loven. Van Hem, de ene Heer, gaf het verleden blijk, het heden zingt zijn eer, de toekomst is zijn rijk. Gezang 142 : 1-4 1 Een vaste burcht is onze God, wie aanvalt zal Hij weren. Bij Hem, het hooggelegen slot, kan geen gevaar ons deren. Steeds dreigt nog met wraak Gods vijand, de draak. Zijn wapentuig is de tirannie en list: hij toont zich heer en meester. 2 Geen mensenkind kan hem verslaan; 't was gauw voor ons verloren, als Hij niet in de bres zou staan, de Held door God verkoren. Die Heiland, u weet Dat Hij Christus heet, de Heer, groot in kracht, staat boven elke macht: Gods koninkrijk gaat komen. 3 Als boze geesten in de lucht ons leven hier belagen, weest voor hun woede niet beducht: voor ons komt vrede dagen. Hoe satan zich weert, boosaardig regeert, zijn rijk wordt verstoord: eens zal een enkel woord hem in de afgrond storten. 4 Het Woord - dat zal men laten staan en niets daarbij bedenken. Die zelf het Woord is, voert ons aan, zijn Geest zal krachten schenken. Rooft men eer en goed ja, vrouw, kind en bloed, het baat satan niet: God, die ons offer ziet, doet ons zijn rijk beërven. Gezang 143 : 1-4 1 Een vaste burcht is onze God, een bolwerk in gevaren. Hij helpt en redt uit alle nood die wij hier nu ervaren. De vijand van weleer gaat tegen ons te keer. Zijn wapenrusting is de gruwel van zijn list. Geen kan hem evenaren. 2 Wij hebben zelf geen tegenweer, 't gevecht was gauw verloren. Doch voor ons strijdt een sterke Heer, tot redder uitverkoren. Vraagt gij zijn naam? Weet dan dat Christus is die Man, De HERE Zebaoth, Hij is de Zoon van God: slechts Hij kan triomferen. 3 Laat duizend duivels om ons staan, belust om te verslinden, geen vrees mag ons terneder slaan, wij mogen het toch winnen. De overste der aard', brutaal en onvervaard, hij overheerst ons niet, behoudt geen rijksgebied: één woord reeds kan hem binden. 4 Het Woord - zij zullen 't laten staan, wat zij ook ondernemen. Hij gaat ons met zijn Geest vooraan, Hij komt ons kracht verlenen. al staat de vijand klaar, hoe groot ook het gevaar voor leven, eer, gezin, hij werft toch geen gewin: wij erven 't rijk des HEREN. Gezang 144 : 1-7 1 Heer God, wij allen loven U met engelen en machten nu. Zij zingen in het hemelblauw rondom uw troon zoals vanouds. 2 Zoals de zee het land begroet in wisselzang van eb en vloed, zo houden zij uit alle macht de lofzang gaande dag en nacht. 3 Zij spelen voor Gods aangezicht een heilig spel van klank en licht. Zij gaan ter aarde uit, hun oor geeft aan Gods stem altijd gehoor. 4 De zwarte engel van de nacht, de vader van de jammerklacht, die stenen geeft in plaats van brood, hij voert de wereld naar de dood. 5 Zijn oogmerk is van het geloof ons los te maken, blind en doof voor Christus' woord, de tegengeest is hij van oudsher al geweest. 6 Maar meer dan list en overmoed is engeltrouw, de Heer behoedt die onder zijn bescherming staan: Gods kindren kunnen veilig gaan. 7 Aan God de Vader gloria, aan Christus Lam van Golgota, en aan de Trooster alle eer. Glorie aan God, de ene Heer. Gezang 145 : 1-4 1 Heer, onze God, hoe heerlijk is uw naam, die U ons noemt door sterren, zon en maan. Hemel en aarde spreken wijd en zijd, tonen het wonder van uw heerlijkheid. 2 Heer, onze God, die aard' en hemel schiep, zeeën en land met macht tevoorschijn riep, wat zijn wij, mensen, dat U aan ons denkt en ons uw heerlijkheid en luister schenkt? 3 U komt ons, Heer, in Christus tegemoet. U geeft ons, Heer, verlossing door zijn bloed. U roept ons mensen in uw heerlijkheid: leven om Jezus' wil in eeuwigheid. 4 Daarom zal, Heer, ons lied een loflied zijn, dat in ons zingt met eindeloos refrein. Prijzend uw liefde, heffen wij het aan: Heer, onze God, hoe heerlijk is uw naam. Gezang 146 : 1-3 1 Komt, laat ons vrolijk zingen tot God die alles schiep; die bloemen, vissen, vogels uit niets tot leven riep; met nevels als een sluier de groene aarde tooit; zijn dauw als vreugdeparels over de velden strooit. 2 Die heuvels schiep en dalen, waar Hij de aard' betrad; die zon en maan en sterren tot licht gaf op ons pad. Looft Hem die ook de mensen tot vreugd geschapen heeft, en die ons onze schulden om Jezus' wil vergeeft. 3 O God, die ons in Christus een machtig Vader zijt, verlos ons van het kwade, nu en in eeuwigheid. Leer ons als kind'ren leven en spelen in uw hof en met de eng'len zingen uw glorie en uw lof. Gezang 147 : 1-4 1 Maak muziek voor God de Vader in de ruimte van de tijd, die in Christus ons bewaarde, door zijn Geest ons heeft geleid. Met de hemel als een koepel, als het klankbord van de Heer, komt het loflied als geroepen, stijgt het op en daalt het neer. Refrein: Dank aan God die zetelt op de troon Glorie aan het Lam, de Mensenzoon. 2 Als een wolk die veertig jaren mensen voorging op het pad, zo laat zich de Heer ervaren, zo heeft Hij ons liefgehad, als een schaduw in de hitte, als een vuurgloed in de kou. Hij geleidt ons naar de witte poorten in de stad van goud. Refrein: Dank aan God die zetelt op de troon Glorie aan het Lam, de Mensenzoon. 3 Heer, zolang wij ademhalen zingen wij U tegemoet tot het klinkt in alle talen in een niet te tellen stoet. Komende van alle kanten - tel de sterren, Abraham - brengen wij in witte mantels lof aan God en aan het Lam. Refrein: Dank aan God die zetelt op de troon Glorie aan het Lam, de Mensenzoon. 4 Heer, blijf bij ons als tevoren, in uw licht zien wij elkaar en bezingen wij uw glorie als de sterren jaar na jaar. Wijs ons wat wij niet aanschouwen en behoed ons voor de val. Wij gaan verder in vertrouwen dat de Heer ons leiden zal. Refrein: Dank aan God die zetelt op de troon Glorie aan het Lam, de Mensenzoon. Gezang 148 : 1-4 1 Zie de zon, zie de maan, zie de sterren in hun baan, sterren ontelbaar, overal vandaan. Onvoorstelbaar wonderlijk gedaan. Heer, hoe heerlijk is uw Naam! 2 Hoor de zee, hoor de wind, hoor de regen als hij zingt, druppels ontelbaar, in de oceaan. Onvoorstelbaar wonderlijk gedaan. Heer, hoe heerlijk is uw Naam! coda: Zie ik de zon de sterren en de maan, wat een wonder dat ik mag bestaan! Heer, hoe heerlijk is uw Naam! Heer, hoe heerlijk is uw Naam! 3 Ruik een bloem, ruik een vrucht, ruik de geuren in de lucht, geuren ontelbaar, zweven af en aan. Onvoorstelbaar wonderlijk gedaan. Heer, hoe heerlijk is uw Naam! coda: Zie ik de zon de sterren en de maan, wat een wonder dat ik mag bestaan! Heer, hoe heerlijk is uw Naam! Heer, hoe heerlijk is uw Naam! 4 Voel je hart, voel je huid, voel je adem als je fluit. Mensen ontelbaar, overal vandaan. Onvoorstelbaar wonderlijk gedaan. Heer, hoe heerlijk is uw Naam! coda: Zie ik de zon de sterren en de maan, wat een wonder dat ik mag bestaan! Heer, hoe heerlijk is uw Naam! Heer, hoe heerlijk is uw Naam! Gezang 149 : 1-2 1 Zie ik sterren aan de hemel staan, aan de donkerblauwe lucht de maan, is het of de nacht mij noemt de naam van een machtig God. Zie ik 's morgens weer de zon opgaan, in het veld de bloemen opengaan, is het of de dag mij noemt de naam van een machtig God. 2 Deze God, Die aard' en hemel schiep, is dezelfde God die mij eens riep, uit het duister tot Zijn heerlijk licht, zodat ik elke dag Hem Vader noemen mag en die zijn liefde voor mij openbaart, mij rechtvaardig in zijn Zoon verklaart, elke dag mij in zijn hand bewaart: hoe groot is God voor mij. Gezang 150 : 1-4 1 Heer Jezus, duizend vragen, te veel om mee te dragen: waarheen, waarom, waartoe? Kunt Gij geen antwoord geven? O God, dit is geen leven, wij worden zoveel vragen moe. 2 Hoe kan een mens geloven dat iemand hoort, daarboven, dat Eén ons zeker ziet, dat die ons zal bevrijden van lasten en van lijden - wil Hij of kan Hij dat dan niet? 3 Wie kan ooit zeker weten dat God niet wil vergeten het land, de zee, de zon, de mensen niet zal haten, niet eenmaal los zal laten het werk dat eens zijn hand begon? 4 Heer Jezus, al die vragen, Gij hebt ze meegedragen, die last, was dát uw kruis? Dat Gij de schuld verzoende geeft ons geduld voldoende: het laatste antwoord wacht ons thuis. Gezang 151 : 1-4 1 Wanneer ik zoek naar woorden en niets dan stilte vind, dan weet ik: Heer, Gij hoorde één stem: uw eigen kind. Uw adem wekt mijn leven, uw liefde kleurt mijn bloed; mijn stilte is vergeven, mijn zwijgen keurt Gij goed. 2 Wanneer ik zoek naar zinnen en bid om een gebed, niet weet hoe te beginnen, niet spreek, in stil verzet, dan roep ik mij te binnen uw stem, o Christus - Gij, Gij zult eens overwinnen de tegenstem in mij. 3 Wanneer ik zoek te zeggen al wat er in mij leeft, maar zich niet uit laat leggen en zich niet open geeft, dan ben ik al gevonden voordat ik U niet vind; dan bidt met duizend monden de Geest, vol vuur en wind. 4 Wanneer ik zoek naar woorden is uw Woord mij genoeg: dat Woord, dat wij eens hoorden, dat Woord, dat mij al droeg, dat zal mij blijven dragen - mij maakt geen stilte bang: slechts dit wilt Gij mij vragen: dat ik naar U verlang. Gezang 152 : 1-4 1 Wat brengt een mens het zwoegen op? Een hand gevuld met lucht. Niets kan hij doen, dat blijvend is. Hij zoekt geluk en vindt gemis en nooit komt hij tot rust. 2 Gods gang lijkt ondoorgrondelijk, een duister zinsverband. Al blijven duizend vragen staan en klagen wij de hemel aan, wij leven uit zijn hand. 3 God heeft de tijden vastgesteld en alles heeft zijn uur. Geniet van wie uw nachten deelt, beproef wat tong en zinnen streelt zolang de zomer duurt. 4 Het levenslicht verduistert snel; God blijft de klare bron. Door 't wankel dak boven ons hoofd melden de sterren: Hij belooft iets nieuws onder de zon. Gezang 153 : 1-4 1 Zoals een arm, vertroostend om mij heen, zo teder ligt uw liefde om mijn leven. Ben ik soms moe en moederziel alleen op smalle paden en langs steile wegen en is mijn hart zo hard gelijk een steen, Gij streelt mij zacht - uw vingers zijn een zegen. 2 Zoals een arm, een uitgestoken hand, zoals het licht dat glimlacht in de bomen, zoals een wolkbreuk boven dorstig land, zo zijt Gij menigmaal tot mij gekomen, als ik door nacht en ontij overmand niets anders zag dan doden in mijn dromen. 3 Zoals een klauw, een ijzersterke tang, zo is de angst: ijskoud en ongenadig, een beest, een geest, een spookbeeld nachtenlang. Hoe anders Gij! - 0 God, hoe warm, weldadig zegt mij uw stem: Mijn kind, wees maar niet bang: als Ik het wil, is zelfs de dood genadig! 4 Zoals een arm, zo vriendelijk en zacht hebt Gij uw liefde om mij heen geslagen; altijd als ik geen morgen meer verwacht vraagt Gij vandaag het nog met U te wagen. Mijn God, al moet ik door de langste nacht, Gij zult mij slapend in uw armen dragen! Gezang 154 : 1-4 1 Ach, wat moet ik toch beginnen nu ik steeds weer zonden doe. Mijn geweten maakt me moe, brengt mij steeds mijn schuld te binnen. Er is hulp in deze strijd dankzij Jezus, Hij bevrijdt. 2 Want ik heb in doen en laten vaak de Here diep gegriefd. Toch heeft Hij een zondaar lief. Dankzij hemelse genade sterft het helse zelfverwijt, dankzij Jezus, Hij bevrijdt. 3 Heer, Gij wekt een mens tot leven en Gij trekt hem tot uw licht. Niet meer bang voor het gericht sterven wij – door dood omgeven, leven wij – de dood ten spijt, dankzij Jezus, Hij bevrijdt. 4 Kom, vertrouw het woord van Jezus, opgejaagden in de nood, uitgedaagden tot de dood. Glansrijk is zijn gunst bewezen: heil voor tijd en eeuwigheid dankzij Jezus, Hij bevrijdt. Gezang 155 : 1-5 1 God, enkel licht, voor wiens gezicht niets zuiver wordt bevonden, ziet ons bevlekt, met schuld bedekt, misvormd door duizend zonden. 2 Der sterren pracht is bij Hem nacht, hoe hel zij schittren mogen, en wij, belaân met euveldaân, wat zijn wij in zijn ogen? 3 Heer, waar dan heen? Tot U alleen! Gij zult ons niet verstoten. Uw eigen Zoon heeft tot uw troon de weg ons weer ontsloten. 4 Ja, amen, ja, op Golgotha stierf Hij voor onze zonden, en door zijn bloed wordt ons gemoed gereinigd van de zonden. 5 Wil, U ter eer, steeds meer en meer 't geloof in ons versterken. Dan zullen wij, gereed en blij, uit liefde 't goede werken. Gezang 156 : 1-4 1 Heer, ik kom tot U, hoor naar mijn gebed. Vergeef mijn zonden nu en reinig mijn hart. 2 Met uw liefde Heer, kom mij tegemoet nu ik mij tot U keer, en maak alles goed. 3 Zie mij voor U staan, zondig en onrein. O Jezus, raak mij aan, van U wil ik zijn. 4 Jezus, op uw woord vestig ik mijn hoop. U leeft en U verhoort mijn bede tot U. Gezang 157 : 1-4 1 Vader, vol van vrees en schaamte buigen wij voor U. Heel uw werk, door ons vertreden, klaagt ons mensheid aan bij U. 2 Heer, ontferm U over ons die schuldig voor U staan. U bent onze God en Redder, neem ons in uw liefde aan. 3 Vader, in dit uur der waarheid keren w' ons tot U. O, vergeef ons, Heer, herstel ons, maak ons hart en leven nieuw. 4 Vul ons met uw Heil'ge Geest, geef vuur en kracht steeds weer. Ieder zal uw macht aanschouwen, dat wij uw Naam verhogen, Heer; dat wij uw Naam verhogen Heer. Gezang 158 : 1 Als een hert dat verlangt naar water zo verlangt mijn ziel naar U. U alleen kunt mijn hart vervullen, mijn aanbidding is voor U. U alleen bent mijn kracht, mijn schild. Aan U alleen geef ik mij geheel. U alleen kunt mijn hart vervullen, mijn aanbidding is voor U. Gezang 159 : 1-3 1 God die alles maakte, de lucht en 't zonlicht blij, de hemel, zee en aarde, zorgt ook voor mij. 2 God die 't gras gemaakt heeft, de bloemen in de wei, de bomen, vruchten, vogels, zorgt ook voor mij. 3 God die alles maakte, de maan, de sterrenrij, als duist're wolken komen, zorgt steeds voor mij. Gezang 160 : 1-2 1 Groot is uw trouw, o Heer, mijn God en Vader. Er is geen schaduw van omkeer bij U. Ben ik ontrouw, Gij blijft immer dezelfde die Gij steeds waart; dat bewijst Gij ook nu. refrein Groot is uw trouw, o Heer, groot is uw trouw, o Heer, iedere morgen aan mij weer betoond. Al wat ik nodig had, hebt Gij gegeven. Groot is uw trouw o Heer, aan mij betoond. 2 Gij geeft ons vrede, vergeving van zonden, en uw nabijheid, die sterkt en die leidt: Kracht voor vandaag, blijde hoop voor de toekomst. Gij geeft het leven tot in eeuwigheid. refrein Groot is uw trouw, o Heer, groot is uw trouw, o Heer, iedere morgen aan mij weer betoond. Al wat ik nodig had, hebt Gij gegeven. Groot is uw trouw o Heer, aan mij betoond. Gezang 161 : 1-4 1 Heer, U bent mijn leven, de grond waarop ik sta. Heer, U bent mijn weg, de waarheid die mij leidt. Uw woord is het pad, de weg waarop ik ga, zolang U mij adem geeft, zolang als ik besta. Ik zal niet meer vrezen, want U bent bij mij. Heer, ik bid U, blijf mij nabij. 2 'k Geloof in U, Heer Jezus, geboren uit de maagd, eeuw'ge Zoon van God, die mens werd zoals wij. U die stierf uit liefde, leeft nu onder ons: één met God de Vader en verenigd met uw volk. Tot de dag gekomen is van uw wederkomst, dan brengt U ons thuis in Gods rijk. 3 Heer, U bent mijn kracht, de rots waarop ik bouw. Heer, U bent mijn waarheid, de vrede van mijn hart. En niets in dit leven zal ons scheiden, Heer, Zo weet ik mij veilig, want uw hand laat mij nooit los. Van wat ik misdaan heb, heeft U mij bevrijd, en in uw vergeving leef ik nu. 4 Vader van het leven, ik geloof in U. Jezus, de Verlosser, wij hopen steeds op U. Kom hier in ons midden, Geest van liefd' en kracht. U die via duizend wegen ons hier samenbrengt; en op duizend wegen zendt U ons weer uit, om het zaad te zijn van Gods rijk. Gezang 162 : 1-4 1 'k Heb geloofd en daarom zing ik, daarom zing ik van gena, van ontferming en verlossing door het bloed van Golgota. Daarom zing ik U, die stervend alles, alles hebt volbracht. Lam Gods, dat de zonde wegneemt, Lam van God voor ons geslacht. 2 'k Heb geloofd en daarom hoger, hoger dan Kalvarie's top, zie ik boven lucht en wolken, hogepriester, tot U op. die in 's hemels tabernakel voor Gods aanschijn t' allen tijd als het hoofd van zijn gemeente strijdend bidt en biddend strijdt. 3 'k Heb geloofd in U, wien d' aarde met haar doornen heeft gekroond, maar die nu, gekroond met ere, aan Gods rechterzijde troont. U, aan wiens doorboorde voeten eenmaal in het gans heelal, Heer, daarboven, hier beneden, alle knie zich buigen zal. 4 Ja, 'k geloof en daarom zing ik, daarom zing ik, U ter eer, 's werelds Heiland, Hogepriester, aller heren Opperheer. Zoon van God en Zoon des mensen, o, kom spoedig in uw kracht op des hemels wolken weder! Kom, Heer Jezus, kom! Ik wacht. Gezang 163 : 1-3 1 Ik bouw op U, mijn Schild en mijn Verlosser. Niet eenzaam ga ik op de vijand aan. Sterk in uw kracht, gerust in uw bescherming. Ik bouw op U en ga in uwen Naam. Sterk in uw kracht, gerust in uw bescherming. Ik bouw op U en ga in uwen Naam. 2 Gelovend ga ik, eigen zwakheid voelend. En telkens meer moet ik uw kracht verstaan. Toch rijst in mij een lied van overwinning. Ik bouw op U en ga in uwen Naam. Toch rijst in mij een lied van overwinning. Ik bouw op U en ga in uwen Naam. 3 Ik bouw op U, mijn Schild en mijn Verlosser. Gij voert de strijd, de huld' is U gewijd. In 't laatste uur zal 'k zegevierend ingaan in rust met U die mij hebt voortgeleid. In 't laatste uur zal 'k zegevierend ingaan in rust met U die mij hebt voortgeleid. Gezang 164 : 1 a) Jezus vol liefde, U wilt ons leiden. Wij prijzen U als onze Heer. b) Kom met uw kracht, o Heer en vul ons tot uw eer, kom tot uw doel met ieder van ons. c) Maak ons een volk, Heer heilig en rein, dat U, Heer, volkomen steeds toegewijd zal zijn. Gezang 165 : 1 Machtig God, sterke Rots, U alleen bent waardig. Aard' en hemel prijzen U, glorie voor uw Naam. Lam van God, hoogste Heer, heilig en rechtvaardig, stralend Licht, Morgenster, niemand is als U. Prijst de Vader, prijst de Zoon, prijst de Geest die in ons woont. Prijst de Koning der heerlijkheid, prijst Hem tot in eeuwigheid. Gezang 166 : 1-4 1 Op bergen en in dalen en overal is God! Waar wij ook immer dwalen of toeven, daar is God! Waar mijn gedachten zweven of stijgen, daar is God! Omlaag en hoog verheven, ja, overal is God! 2 Zijn trouwe Vaderogen zien alles van nabij! Wie steunt op zijn vermogen, die dekt en zegent Hij! Hij hoort de jonge raven, bekleedt met gras het dal, heeft voor elk schepsel gaven, ja, zorgt voor 't gans heelal! 3 Gij, aardrijks bont gewemel, al wat in 't water leeft, of onder zijnen hemel hoog in het luchtruim zweeft, gij, alle zijne werken, ontdekt, bij dag en nacht, in 't voeden, hoeden, sterken de goedheid zijner macht. 4 Roem, christen, aan mijn linker- en rechterzijd' is God! Waar 'k macht'loos nederzinke of bitter lijd', is God! Waar trouwe vriendenhanden niet redden, daar is God! In dood en doodse banden, ja, overal is God. Gezang 167 : 1-3 1 Samen in de naam van Jezus heffen wij het loflied aan, want de Geest spreekt alle talen en doet ons elkaar verstaan. Samen bidden, samen zoeken naar het plan van onze Heer. Samen zingen en getuigen, samen leven tot zijn eer. 2 Heel de wereld moet het weten dat God niet veranderd is en zijn liefde als een lichtstraal doordringt in de duisternis. 't Werk van God is niet te keren omdat Hij er over waakt en de Geest doorbreekt de grenzen die door mensen zijn gemaakt. 3 Prijst de Heer, de weg is open naar de Vader, naar elkaar. Jezus Christus, Triomfator, mijn Verlosser, Middelaar. Vader, met geheven handen breng ik U mijn dank en eer. 't Is uw Geest die mij doet zeggen: Jezus Christus is de Heer! Gezang 168 : 1 'k Stel mijn vertrouwen op de Heer, mijn God. Want in zijn hand ligt heel mijn levenslot. Hem heb ik lief, zijn vrede woont in mij. 'k Zie naar Hem op en weet: Hij is mij steeds nabij. Gezang 169 : 1-5 1 Van God nooit losgekomen ben ik; Hij nam mijn hand en voerde mij in dromen naar het beloofde land. Hoe hemels dit bedrijf: de avond raakt de morgen, Gods hand raakt aan mijn zorgen, waar ik ook maar verblijf. 2 Op U kan ik vertrouwen in moeitevolle tijd, ook zonder te aanschouwen, hier in voorlopigheid. Gij keert het leed, ik kan met heel mijn zoekend leven aan U mij overgeven en aan uw reddingsplan. 3 Genade is verschenen nu God aan mensen denkt, de grote hulpverlener die Jezus Christus schenkt, zijn langbeloofde Zoon door wie Hij blinden, doven, verlost, o Heer, wij loven U in uw hemeltroon. 4 De groten van de aarde, zij vallen in het niet bij Christus' openbaring wanneer elk oog Hem ziet. En dit geheim is groot: het kerkhof hier beneden bloeit als de hof van Eden, God wekt ons uit de dood. 5 Zo wil het God de Vader die ons geschapen heeft en door zijn Zoon genade in overvloed ons geeft. Geloof is het bewijs van ongeziene dingen. O Geest, voer ons daarbinnen. God zij lof, eer en prijs! Gezang 170 : 1-4 1 Vaste rots van mijn behoud, als de zonde mij benauwt, laat mij steunen op uw trouw, laat mij rusten in uw schauw, waar het bloed door U gestort, mij de bron des levens wordt. 2 Jezus, niet mijn eigen kracht, niet het werk door mij volbracht, niet het offer, dat ik breng, niet de tranen, die ik pleng, schoon ik ganse nachten ween, kunnen redden, Gij alleen. 3 Zie, ik breng voor mijn behoud U geen wierook, mirr' of goud; moede kom ik, arm en naakt, tot de God, die zalig maakt, die de arme kleedt en voedt, die de zondaar leven doet. 4 Eenmaal als de stonde slaat, dat dit lichaam sterven gaat, als mijn ziel uit d' aardse woon opklimt tot des rechters troon, – Rots der eeuwen, in uw schoot berg mijn ziele voor de dood. Gezang 171 : 1-3 1 Wees stil voor het aangezicht van God, want heilig is de Heer. Aanbid Hem met eerbied en ontzag, en kniel nu voor Hem neer, die zelf geen zonde kent en ons genade schenkt. Wees stil voor het aangezicht van God, want heilig is de Heer. 2 Wees stil, want de heerlijkheid van God omgeeft ons in dit uur. Wij staan nu op heilige grond, waar Hij verschijnt met vuur. Een eeuwigdurend licht straalt van zijn aangezicht. Wees stil, want de heerlijkheid van God omgeeft ons in dit uur. 3 Wees stil, want de kracht van onze God daalt neer op dit moment. De kracht van de God die vergeeft en ons genezing brengt. Niets is onmogelijk voor wie gelooft in Hem. Wees stil, want de kracht van onze God daalt neer op dit moment. Gezang 172 : 1-4 1 Wij zingen God ter ere in grote dankbaarheid daar Hij ons leven leidt en weet wat wij ontberen. Hij maakte ons genegen te zorgen voor elkaar. Zo zien wij jaar na jaar zijn goedheid en zijn zegen. 2 Al krimpen mijn gedachten en raak ik woorden kwijt, verlies ik taal en tijd, uw woord is levenskrachtig. Er zijn herinneringen, uw hartslag in mijn oor, als ik uw klanken hoor en psalmen mee kan zingen. 3 O Christus, man van smarten, herhaal in ons gemis dat er verwachting is. Wij hopen zo van harte eens recht van lijf en leden te lopen in uw licht. Met jeugd en vergezicht zult Gij ons nieuw bekleden. 4 In geven en ontvangen is ons de Heer nabij. Van hand tot hand geeft Hij de zorg die wij verlangen. Nu loven wij U, Here, die onze handen vult met lijden en geduld; Gij brengt uw werk tot ere. Gezang 173 : 1-4 1 Zoals een bloem zijn kelk heft naar de zon, een boom zijn armen uitbreidt naar de hemel, ja zelfs het zaad, diep in de akkergrond, zoekt naar het licht en opstaat om te leven, zo zoekt ons hart naar U, o eeuwig Licht, zo taalt ons lied naar U, o God van vrede. 2 Lof zij uw Naam die oplicht in de nacht, uw luister staat geschreven in de sterren, zo hoog van eer, een uitstraling zo zacht, taal van genegenheid, tijding van verre. Wij zien verwonderd naar de stille pracht, zou ooit een mens die heerlijkheid verwerven? 3 In sierlijk schrift, hoog aan de hemeltrans, hebt Gij de nacht uw signatuur gegeven. Wij zijn geschreven met dezelfde hand, dezelfde gratie wekt ook ons tot leven. De Morgenster, zozeer aan U verwant, Hij heeft het uur der duisternis verdreven. 4 God van ons hart, Gij die ons zingen doet, uw mensen zijn wij, maaksel van uw handen, uw adem geeft ons innigheid en gloed, o leid ons uit het huis van schad' en schande. Gij schenkt de sterveling een vergezicht, uw stad van licht daalt neer over de landen. Gezang 174 : 1-3 1 Zo vriendelijk en veilig als het licht zo als een mantel om mij heen geslagen zo is mijn God, ik zoek zijn aangezicht; ik roep zijn naam, bestorm Hem met mijn vragen, dat Hij mij maakt, dat Hij mijn wezen richt. Wil mij behoeden en op handen dragen. 2 Want waar ben ik, als Gij niet wijd en zijd waakt over mij en over al mijn gangen. Wie zou ik worden, waart Gij niet bereid om, als ik val, mij telkens op te vangen. Ik leef niet echt, als Gij niet met mij zijt. Ik moet in lief en leed naar U verlangen. 3 Spreek Gij het woord dat mij vertroosting geeft, dat mij bevrijdt en opneemt in uw vrede. Ontsteek die vreugde die geen einde heeft, wil alle liefde aan uw mens besteden. Wees Gij vandaag mijn brood zowaar Gij leeft – Gij zijt toch zelf de ziel van mijn gebeden. Gezang 175 : 1a Onze hulp is in de naam van de HERE, die hemel en aarde gemaakt heeft. Gezang 175 : 1b Onze hulp is in de naam van de HERE, die hemel en aarde gemaakt heeft. Amen Gezang 175 : 1c Onze hulp is in de naam van de HEER, die hemel en aarde gemaakt heeft. Amen Gezang 175 : 1d Onze hulp is in de naam van de HEER, die hemel en aarde gemaakt heeft. Amen Gezang 175 : 1e Onze hulp is in de naam van de HEER, die hemel en aarde gemaakt heeft. Gezang 176 : 1-13a 1 Gedenk, o volk, met heilig beven, hoe God, met majesteit bekleed, zijn wet op Horeb heeft gegeven en zijn Tien Woorden horen deed: 2 Ik ben de Heer, die als uw Koning u uit Egypte heb geleid. Ik riep u uit uw slavenwoning, mijn sterke arm heeft u bevrijd. 3 Geef nooit mijn eer aan andre goden. Leef heilig voor mijn aangezicht. Vertrouw op Mij in al uw noden, uw hart alleen op Mij gericht. 4 Voor beeldendienst zult gij u wachten, Ik duld geen eigenwilligheid. Ik straf dat kwaad in de geslachten, maar zegen uw gehoorzaamheid. 5 Gij zult van God niet ijdel spreken, Gebruik zijn naam in heiligheid. Onheilig zweren zal Hij wreken. Welzalig wie de Heer belijdt. 6 Gedenk bij 't werk, u opgedragen, de sabbat, aan de Heer gewijd: God schiep de wereld in zes dagen en heeft Zich in zijn werk verblijd. 7 Gij zult uw ouders eer betonen, opdat uw Heer, die eeuwig leeft, u vele dagen zal doen wonen in 't land dat Hij, uw God, u geeft. 8 Gij zult niet doodslaan en niet haten de mens, die God geschapen heeft. Nooit mag de liefde u verlaten. Doe goed aan hem die naast u leeft. 9 Gij zult het huwlijk niet verbreken. Leef niet onkuis, maar houd u rein. Wees ingetogen in uw spreken. Gij zult de HERE heilig zijn. 10 Gij zult bedrog noch diefstal plegen, mijn is het zilver en het goud. Beheer 't bezit, door u verkregen, voor Hem die u dat toevertrouwt. 11 Gij zult geen vals getuignis spreken, weer van uw naaste smaad en leed. God zal de lage laster wreken, zijn toorn treft hem die leugens smeedt. 12 Uw hart zal nimmer iets begeren van al wat van uw naaste is. Al Gods geboden zult gij eren en houden zijn getuigenis. 13 Geef dat wij trouw uw wet betrachten. Gedenk ons in barmhartigheid. Schenk ons in Christus nieuwe krachten tot liefdedienst uit dankbaarheid. Gezang 176 : 1-10b 1 melodie 1: Wij kiezen voor de vrijheid die God ons heeft beloofd: Hij heeft de boze goden van al hun macht beroofd. 2 melodie 2: Weg met de stomme beelden, die maken God te klein: Hij zal ons zelf vertellen wie Hij voor ons wil zijn. 3 melodie 1+2: En Hij heeft ook gegeven dat je Hem noemen mag: maak dan jezelf niet groter met Gods naam als je vlag. 4 melodie 1: En neem voluit de vrijheid, één dag van feestlijkheid, om opgewekt te vieren dat God ons heeft bevrijd. 5 melodie 2: Hoort ook naar de verhalen van wie zijn voorgegaan: want God, de God van gist'ren is met ons doorgegaan. 6 melodie 1+2: Geef ruimte aan je naaste, geschapen naar Gods beeld: want alle mensen heeft Hij zijn leven meegedeeld. 7 melodie 1: Blijf met elkaar verbonden als mens, als man of vrouw zo is tot in de diepte ook God zijn liefde trouw. 8 melodie 2: Wil zó ruimhartig delen dat niemand stelen moet: God liet ons samen wonen in 't land van overvloed. 9 melodie 1+2: En breek niet met je woorden een anders leven stuk: want God sprak tot ons allen het woord van ons geluk. 10 melodie 1+2: Gun dan elkaar het goede, zo is het ons gegund: je leven is pas leven als je ook geven kunt. Gezang 177 : 1-2 1 Hoor, trouwe Vader, ons gebed, zie op uw Zoon, want Hij verliet de hemeltroon om onze straf te dragen. Wij bidden: schenk ons hier uw Geest die schijnen doet uw Woord, een lamp voor onze voet, het licht voor alle dagen. Geef aan uw knecht vrijmoedigheid om naar uw wil te preken en laat hem, door uw hand geleid, de volle waarheid spreken, rust hem zo toe, dat hij ons weidt en niets ons zal ontbreken. 2 Drieënig God, genadig Vorst, U die ons ziet en luistert naar gebed en lied, kom ons verstand verlichten. Geef ons ook inzicht in uw Woord, een open oor, een hart dat graag uw wetten hoort, om zich ernaar te richten. Verkondig Hem die overwon en satan kwam onttronen; schenk levend water uit uw bron dat helder toe komt stromen, laat blinkend als de zomerzon uw boodschap tot ons komen. Gezang 178 : 1-5 1 U, Vader van het licht, U prijzen wij: betrouwbaar is uw Woord, uw lichtend spreken, een glans op onze weg een hemelteken, want in uw Woord bent U ons zeer nabij. 2 U, Vader van het Woord, U vragen wij: geef inzicht en verstand, wil ons verlichten en, laat uw Geest zijn sprekend werk verrichten, want door zijn stem komt U ons zeer nabij. 3 U, Vader, Zoon en Geest, belijden wij: wij gaan hoogmoedig onze eigen wegen. Maar doe ons buigen, Vader, houd ons tegen. Beheers ons door uw Woord, dan zijn wij vrij. 4 U, Vader van uw volk, U danken wij: de eeuwen door bond U uw kind'ren samen, U deed uw kerk uw ware Woord beamen. In haar belijden klonk uw heerschappij. 5 U, Vader, Hemelvorst, U bidden wij: ontsluit uw Woord, bevestig ons vertrouwen. Bekeer wie dwaalt, wil onze eendracht bouwen – tot dienst aan U, bevrijd van slavernij. Gezang 179 : 1-3a Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde, En in Jezus Christus, zijnen eniggeboren Zoon, onze Here; die ontvangen is van de Heilge Geest, geboren uit de maagd Maria; die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle; ten derden dage wederom opgestaan van de doden; opgevaren ten hemel, zittende ter rechterhand Gods, des almachtigen Vaders; vanwaar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden. Ik geloof in de Heilige Geest. Ik geloof ene heilige, algemene, christelijke kerk, de gemeenschap der heiligen; vergeving der zonden; wederopstanding des vleses; en een eeuwig leven. Amen, Amen, Amen. Gezang 179 : 1-3b Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper van de hemel en de aarde. En in Jezus Christus, zijn eniggeboren Zoon, onze Here; die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria; die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, neergedaald in de hel; op de derde dag opgestaan uit de doden; opgevaren naar de hemel, en zit aan de rechterhand van God, de almachtige Vader; vandaar zal Hij komen om te oordelen de levenden en de doden. Ik geloof in de Heilige Geest. Ik geloof een heilige, algemene, christelijke kerk, de gemeenschap der heiligen; vergeving van de zonden; opstanding van het vlees; en een eeuwig leven. Amen Gezang 180 : 1-2a 1 Ik geloof in één God, de almachtige Vader, Schepper van de hemelen en van de aarde, van alle aanzienlijke en onzien - lijke dingen. En in één Heer, Jezus Christus, de eniggeboren Zoon van God, geboren uit de Vader vóór alle eeuwen, God van God, licht van licht, waarachtig God van waarachtig God, geboren, niet gemaakt, één van wezen met de Vader, voor alle dingen gemaakt zijn, die om ons mensen en om ons heil is afgedaald uit de hemel; en vlees geworden is van de Heilige Geest uit de maagd Maria en mens is geworden, die voor ons gekruisigd is onder Pontius Pilatus, geleden heeft en begraven is; 2 ten derden dage is Hij opgestaan, volgens de Schriften, en opgestegen naar de hemel , is Hij nu gezeten aan de rechterhand des Vaders, en wederom zal Hij komen men heerlijkheid om te oordelen de levenden en de doden; en zijn koninkrijk zal geen einde hebben. En ik geloof in de Heilige Geest, die Heer is en levend maakt, die van de Vader en de Zoon uitgaat, die samen met de Vader en de Zoon aanbeden en verheerlijkt wordt, die gesproken heeft door de profeten. En één heilige algemene en apostolische Kerk. Ik belijd één doop tot vergeving der zonden, en ik verwacht de opstanding der doden en het leven van de wereld die komen zal. Amen Gezang 180 : 1-2b 1 Ik geloof in één God, de almachtige Vader, Schepper van de hemelen en van de aarde, van alle aanzienlijke en onzien - lijke dingen. En in één Heer, Jezus Christus, de eniggeboren Zoon van God, geboren uit de Vader vóór alle eeuwen, God van God, licht van licht, waarachtig God van waarachtig God, geboren, niet gemaakt, één van wezen met de Vader, voor alle dingen gemaakt zijn, die om ons mensen en om ons heil is afgedaald uit de hemel; en vlees geworden is van de Heilige Geest uit de maagd Maria en mens is geworden, die voor ons gekruisigd is onder Pontius Pilatus, geleden heeft en begraven is; 2 ten derden dage is Hij opgestaan, volgens de Schriften, en opgestegen naar de hemel , is Hij nu gezeten aan de rechterhand des Vaders, en wederom zal Hij komen men heerlijkheid om te oordelen de levenden en de doden; en zijn koninkrijk zal geen einde hebben. En ik geloof in de Heilige Geest, die Heer is en levend maakt, die van de Vader en de Zoon uitgaat, die samen met de Vader en de Zoon aanbeden en verheerlijkt wordt, die gesproken heeft door de profeten. En één heilige algemene en apostolische Kerk. Ik belijd één doop tot vergeving der zonden, en ik verwacht de opstanding der doden en het leven van de wereld die komen zal. Amen Gezang 181 : 1a Onze Vader die in de hemel zijt, ge heiligd zij uw Naam. Uw Rijk kome. Uw wil ge schiede op aarde als in de hemel. geef ons heden ons daag'-lijks brood. En ver - geef ons onze schulden, gelijk ook wij ver geven aan onze schuldenaren. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van het kwade. Want van U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in eeuwigheid, in eeuwigheid, Amen. Gezang 181 : 1b Onze Vader, in de hemel uw Naam worde geheiligd. Uw koninkrijk kome. Uw wil geschiede zoals in de hemel ook op aarde. Geef ons heden ons dagelijks brood, en vergeef ons onze schulden, zoals ook wij onze schuldenaars vergeven. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. Want van U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in eeuwigheid. Amen Gezang 181 : 1c Onze Vader, Die in de hemelen zijt, uw Naam worde geheiligd, Uw koninkrijk kome. Uw wil geschiede ge- lijk in de hemel, al- zoo ook op aarde. Geef ons heden ons dagelijksch brood, en ver- geef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren. En leid ons niet in ver- zoeking, maar verlos ons van den boo-ze. Want Uw is het Rijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen, Amen. Gezang 181 : 1d Onze Vader, die in de hemelen zijt, uw naam worde geheiligd; uw koninkrijk kome. Uw wil geschiede ge- lijk in de hemel, al- zo ook op de aarde. Geef ons heden ons dagelijks brood, en ver- geef ons onze schulden, gelijk ook wij ver - geven onze schuldenaren; En leid ons niet in verzoeking, maar ver- los ons van de bo-ze. Want van U is het koningkrijk en de kracht en de heerlijkheid, tot in eeuwigheid. Amen, Amen. Gezang 182 : 1a AMEN Gezang 182 : 1b AMEN Gezang 182 : 1c AMEN, AMEN, AMEN. Gezang 182 : 1d Amen, Amen, Amen. Gezang 182 : 1e Amen, Amen, Amen.